maandag 24 augustus 2026

Foei!


Veel mensen staan sceptisch tegenover filosofie. “Het is allemaal zo abstract”, zeggen ze dan. Zelf houd ik van filosofie, die helpt me om mijn positie te bepalen in een complexe en verwarrende wereld. Maar dan moet dat denken uiteraard wel gáán over de wereld, eruit putten en er contact mee maken. Heel veel filosofie, en zeker de academische, doet dat niet en als je dat constateert kun je gemakkelijk instemmen met de scepsis ten aanzien van de filosofie.

Allereerst is er het probleem van het jargon waarin filosofen met elkaar praten. Maar misschien is dat wel onvermijdelijk, dat geldt waarschijnlijk voor ieder vakgebied als je eenmaal de diepte ingaat. Maar vervolgens – en dat is veel ernstiger – is er veel filosofie die zintuiglijk contact met de wereld expliciet buiten het filosofische domein wil houden. Empirische waarneming die ons bereikt via de zintuigen zou, volgens die filosofische opvatting, laagwaardige informatie opleveren en het zuivere denken alleen maar vertroebelen. Waarbij ‘zuiver’ al gauw staat voor aftroevend cerebraal.

Het is nodig op dit punt een onderscheid te maken tussen twee grote westerse filosofische stromingen: de angelsaksische, meestal ‘analytisch’ genoemde richting, en de continentale. De laatstgenoemde is op zoek naar betekenis in brede zin. Zij wil, in ieder geval gedurende de laatste decennia, de volle breedte van het menselijk bestaan in haar reflecties betrekken, inclusief dus de empirie van zintuiglijke en lichamelijke ervaringen.

De angelsaksische richting wijst dat categorisch af. Filosoof Miriam Rasch zegt daarover: “Analytische filosofie houdt zich bezig met argumenten, definities en concepten en stript de taal graag van de zintuigen”. De angelsaksische filosofie beweegt zich dus binnen de kring van de formele logica. Door afwijzing van het belang van zintuiglijkheid gaat het bij de analytici niet meer over de wereld. Sterker, hier geldt de uitspraak van Wittgenstein dat logica nergens over gaat want ze produceert hetzij tautologieën dan wel tegenstrijdigheden.

Tegelijkertijd: in de academische wereld is het analytische genre de meest prestigieuze en prominente, voor velen zelfs de enige echte vorm van filosofie. Je kunt daar om glimlachen of mild spottend verwijzen naar de doodse of ontbrekende analytische levensopvatting. Dat doet Sjoerd de Jong bijvoorbeeld in zijn beschrijving van Indiase logica. Die is totaal onaanvaardbaar voor het analytische establishment omdat die “– foei! – een empirische waarneming bevat”. Maar laat het even tot je doordringen: de mores van de dominante (analytische) academische filosofie eisen complete wereldvreemdheid! Hoe is het mogelijk?

Voor de beantwoording van die vraag is het goed om te beseffen dat de laatdunkendheid tegenover zintuigen en empirie oude papieren heeft in het Westen. René Descartes, grondlegger van de moderne filosofie stript het denken zoveel mogelijk van alle zintuiglijke toevalligheden die de buitenwereld op zijn weg strooit. Dit cartesiaanse denken zijn we gaan beschouwen als het echte denken maar dat was mede mogelijk omdat al veel eerder Plato de materiële en lichamelijke wereld bestempelde als vluchtig en minder werkelijk dan de wereld van de geest en de ideeën. 

Zo bekeken is huidige continentale filosofie misschien de werkelijk progressieve stroming, omdat zij bezig is om los te komen van een duizenden jaren oude minachting van de wereld. Maar ze zit in een minderheidspositie.

Zie ook Filosofie als elitaire bezigheid.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Foei! en scrol naar beneden door.

dinsdag 4 augustus 2026

Identiteit, nationaliteit en universaliteit


Het valt niet altijd mee om aan niet-Joden uit te leggen waar kasjroet – het stelsel van verboden en voorschriften omtrent koosjer eten – goed voor is. Kasjroet omvat allerlei arbitraire regels zoals dat je geen vlees- en melkproducten mag combineren of geen schaal- en schelpdieren mag eten. Bij uitleg daarvan wordt weleens geprobeerd om er een rationele basis aan te geven, zoals de gedachte dat varkensvlees in verband met tekortschietende hygiène in het oude Midden-Oosten niet verantwoord was. Maar over het algemeen zijn die verklaringen niet echt overtuigend, de indruk van willekeur overheerst. Wat overblijft als mogelijke verklaring is de wens, van vroegs af aan in de Joodse traditie, om zich als Joods volk te onderscheiden van omringende, andere volkeren, tradities en culturen.

Maar waarom zou je je willen onderscheiden? We zijn toch allemaal mensen, waarom moet je zo nodig je eigen identiteit benadrukken? Zeker in onze West-Europese samenlevingen van de laatste eeuw heeft het Alle Menschen werden Bruder steeds hoog in het vaandel gestaan. Gelijkheid en mensenrechten worden gekoesterd als universeel en grensoverschrijdend, gehechtheid aan een eigen afgebakende identiteit geldt al gauw als primitief en achterlijk. 

Maar misschien begint daar iets te verschuiven, of zijn we bezig die vanzelfsprekendheid te relativeren. We merken bijvoorbeeld dat de universele geldigheid van mensenrechten tegenwoordig vragen en weerstand oproept. Afrikanen en Chinezen zien die als instrument van westerse arrogantie en neo-kolonialisme. En hoe houdbaar zijn, in het aangezicht van de massale toestroom naar Ceuta, de gedetailleerde mensenrechtelijke waarborgen voor een zorgvuldige afhandeling van asielaanvragen en bezwaren tegen afwijzing van asiel?

Ook onder progressieve denkers lijkt op dit vlak een verschuiving van opvattingen plaats te vinden, ik hoor opmerkelijke geluiden die daar vroeger ondenkbaar waren. Pro politica en burgemeester van Amsterdam Femke Halsema had het laatst over de noodzaak van herwaardering van onze nationale identiteit. En Toine Donk, als politicoloog en oprichter van Das Mag beslist geen conservatief, kwam onlangs in NRC met een pleidooi voor het benoemen en uitdragen van een duidelijke Nederlandse identiteit. Niet op een goedkope manier, zoals door het zwaaien met de Nederlandse vlag – wat hij Rob Jetten had zien doen voor de verkiezingen. Nee, door het “aanvuren van een gezamenlijk wij”, verenigd door typisch Nederlandse waarden (hij noemt doorzettingsvermogen en zelfredzaamheid) en aangevoerd door politici. Kennelijk vindt Donk dat een (nationale) samenleving zich moet onderscheiden van andere. 

Wat vind ik daarvan? Mijn eerste gedachte is: ik snap die behoefte zoals van Donk wel, aan een cultuurkring waarmee je je kunt identificeren (of tegen af kunt zetten). De schaal van Nederland als vindplaats voor eigen waarden vind ik wat beperkt, zelf zou ik die eigenheid liever zoeken op de schaal van Europa met waarden als kritisch denken, wetenschap en een specifieke esthetische vormentaal.

Maar van grotere betekenis vind ik de onderkenning van de behoefte van volkeren of continenten om, in plaats van een abstract, formeel universalisme te omarmen, zich te willen onderscheiden van andere collectiviteiten. Dit is werkelijk een majeure omslag ten opzichte van het dominante alle-mensen-zijn-gelijk denken van de afgelopen decennia. Tegelijkertijd lijkt die behoefte wel een constante te zijn in de geschiedenis van de mensheid, zoals ik het geïllustreerd zag – een willekeurig voorbeeld – in een boek over de geschiedenis van Japan: de Japanse hofkleding stamt uit de tiende eeuw, toen Japan zich ging verzetten tegen de tot dan toe dominante Chinese identiteit. Vanaf die tijd nam ook de Japanse literatuur een aanvang.

Om terug te komen op kasjroet: het maken van onderscheid met andere volkeren is waarschijnlijk de drijfveer geweest achter de inhoudelijk nogal willekeurige regels over varkensvlees en schaal- en schelpdieren. Misschien moet je een dergelijk onderscheidingsverlangen wel universeel noemen...

Zie ook Misplaatst universalisme en Klein en capsones.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Identiteit, nationaliteit en universaliteit en scrol naar beneden door.