vrijdag 14 augustus 2015

Ontspoorde ideologie


Wat is erger? Een Palestijnse baby die omkomt bij een brandbomaanslag door Joodse kolonisten; of vier neergestoken deelnemers aan de Jeruzalemse gayparade, van wie er één al overleden is en de anderen waarschijnlijk voor hun leven getekend?

Dit is geen soort van vraag natuurlijk. Voor de direct betrokkenen is dit soort leedvergelijking niet aan de orde.

En voor ons als toekijkers? We stellen voor de zoveelste keer weer eens vast hoe gevaarlijk ideologieën kunnen zijn. In de beide gevallen gaat het om politiek-religieuze denkbeelden die met mensen aan de haal gaan. Het maakt hen tot misdadigers die in hun ideologische verdwazing geen grenzen meer kennen.

Die vaststelling kan ons aansporen om de gang van ons denken nog kritischer te bekijken en ons af te vragen waar wij onaanvaardbaar ideologisch worden. Immers, juist goed bedoelde denkbeelden – en daar wil ik religieuze of politieke ideeën voorlopig nog wel toe rekenen – kunnen wanstaltig ideologisch worden.

Los daarvan vind ik het werpen van de brandbom de meeste kwalijke van de twee misdaden. Want die kolonistenactie vindt plaats binnen het kader van ideologische verdwazing die niet meer beperkt is tot individuen. De – al dan niet religieus gemotiveerde – wens tot inpalming van zoveel mogelijk Palestijns gebied is de ideologische verdwazing van een heel Israëlisch kabinet. Met door de overheid gesanctioneerde rechteloosheid en vogelvrijheid van de Palestijnen tot gevolg. Dat is echt heel ernstig.

Ik hoop dat de brandbomgooiers deze keer wel geïdentificeerd en berecht worden.

Zie ook Geen garantie

donderdag 6 augustus 2015

Zelfreflectie door de ander


Áls je een diepste waarde moest benoemen die de westerse beschaving heeft voortgebracht en gekoesterd, is dat dan niet het vermogen tot zelfreflectie?

Die stelling wordt wel eens geopperd tijdens de workshop Denken voor een ander, en ik denk dat hij waar is. Het Griekse motto ‘Ken u zelf’, gecombineerd met het niet aflatende zoeken naar waarheid van Socrates, heeft de toon gezet voor een millennia doorwerkende traditie van kritisch onderzoek. Dat heeft niet alleen wetenschap opgeleverd en kritische filosofie, maar als meest prijzenswaardig resultaat – in deze visie – een traditie van zelfkritisch onderzoek.

Bij dat laatste kun je bijvoorbeeld denken aan de Belijdenissen van Augustinus, de Essays van Montaigne of de Bekentenissen van Rousseau. Kenmerkend voor deze traditie van zelfkritisch onderzoek is dat het zelf er tweemaal in voorkomt. Het zelf voert de actie uit van het onderzoeken, en is dus actor. Maar het zelf is ook object van dat onderzoek dat het zelf uitvoert. Een hele prestatie inderdaad.

Op dat vermogen tot zelfreflectie mag je best trots zijn. Maar is het het mooiste wat een mens of een cultuur kan bereiken? Kom je, als cultuur, uit met het vermogen tot zelfreflectie als hoogste waarde? De stelling beweert dat niet, maar ik voeg die vraag toe, omdat ik denk dat het niet zo is. En omdat onze cultuur er last van heeft dat dat niet zo is.

Die last bestaat er, naar mijn idee, in dat door die nadruk op het zelf in dubbele zin, de horizon van het denken ook gaat samenvallen met de horizon van het zelf. Het universum van het zelfkritische zelf is dat van het zelf. Zelfreflectie blijft reflectie van het zelf op het zelf. Autonomie is de norm, het zelf blijft initiator en auteur van zichzelf. Daar kan veel moois uit voortkomen, maar de herhaling van al die woordjes ‘zelf’ benadrukt ook het solipsistische, eenkennige karakter van het autonomie-denken. Hoe beperkend dat is blijkt als je er een – zelfverzonnen – ander woord naast zet: anderreflectie.

Waarmee ik bedoel: reflectie – op jezelf – die niet door jezelf getriggerd wordt, maar door een ander. Omdat, wat je in je pogingen tot zelfkritiek ook verzint of wat voor discipline je daarbij ook aan de dag legt, de wereld toch nét groter blijkt te zijn dan jij kon verzinnen en de ander nét anders dan wat jij je kon voorstellen. Er bestaan écht andere universums, waar ik uit mezelf niet bij kan. Daar houdt zelfreflectie – getriggerd door het zelf – op, en begint anderreflectie – getriggerd door iets verrassends van de ander.

Dat is lastig voor Socrates en zijn navolgers. Die blijven wel doorvragen, maar de vragen verzinnen ze vooral zelf.

Zie ook Kun je tegenkracht wel organiseren?, Immuun en Levinas en Rousseau

vrijdag 31 juli 2015

Levinas en Camus


Emmanuel Levinas en Albert Camus waren in de decennia na de oorlog actieve deelnemers aan het Parijse intellectuele leven, maar er zijn mij geen verhalen bekend van ontmoetingen tussen hen. Wel behandelen zij, onafhankelijk van elkaar, thema’s die destijds in Parijs gangbaar waren, zoals dat van de mensvijandige, zwijgende kosmos en de eenzame plaats van de mens daarin. Daaruit kan blijken dat zij deel uitmaakten van hetzelfde intellectuele milieu.

Een overeenkomst tussen de twee denkers is dat zij, elk op zijn eigen manier, in hun beste werken ervan uitgaan dat ‘zinvolle orde’ in deze wereld niet zomaar vanzelfsprekend gegeven is.

Voor Levinas heeft dat – in De totaliteit en het Oneindige  – de gedaante van een ongrijpbare maar voortdurende  afwisseling van twee principes: dat van de ik-gerichtheid en dat van de doorbreking daarvan door de Ander. De Ander blijft je voortdurend verrassen, juist omdat je iedere keer weer, geheel legitiem, terugkeert naar de ego-zone. Structuren van het ego, en in het verlengde daarvan van de staat en instituties, zijn belangrijk, maar de Ander kan daar volkomen onvoorspelbaar doorheen fietsen en het (tijdelijke) primaat opeisen.

Bij Camus is het zo dat de afwezigheid van zinvolle orde hem brengt tot een besef van de absurditeit van het bestaan. Het absurde, zegt Camus, ontstaat waar het hevige verlangen van de mens, juist naar redelijke orde en klaarheid, botst op de zwijgende natuur en de onverschillige menselijke geschiedenis. Dit besef, dat ons eigen eindige leven in het licht van de onverschillige eeuwigheid niets voorstelt, was in datzelfde Parijse milieu al door Sartre verwoord. Die meende dat we dat besef alleen verdragen als ‘walging’. Camus werkt het uit in diverse boeken, en zijn belangrijkste conclusie is dat het zaak is voor de mens om het in deze absurditeit uit te houden, op zo menselijk mogelijke wijze.

Camus heeft dat uithouden zelf inderdaad gepraktiseerd. Tot op het laatst heeft hij geweigerd om gemakkelijke standpunten in te nemen, bijvoorbeeld in de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog of ten aanzien van het communisme. Daarvoor was hij zich te zeer bewust van de hachelijkheid van vele standpunten. Heel anders dan bijvoorbeeld Sartre die op een gegeven moment terugschrok voor de eenzaammakende aspecten van zijn existentiedenken en liever het volle, maar ook vaak ongenuanceerde, engagement zocht van het communisme.

Anders dan Camus, en meer zoals Sartre – maar dan op zijn geheel eigen manier – is Levinas uiteindelijk ook bezweken voor de verleiding van een minder absurd en ongrijpbaar universum. In zijn boek Anders dan Zijn verlaat hij het fragiele, anarchistische evenwicht van De totaliteit en het Oneindige en kiest hij voor toekenning van een eenduidige dieptestructuur aan het leven van iedere mens. Wij zijn “ten diepste” en “voor alles” toegewijd aan en ter beschikking van de Ander, aldus Levinas in dat boek.

Ik betreur deze ontwikkelingsgang van Levinas. Ten eerste omdat ik de totale toewijding aan de ander, ja zelfs iedere ander, niet kan navoelen. Het is wat mij betreft geen ervaringsgegeven. Ten tweede omdat de anarchistische evenwichtskunst van De totaliteit en het Oneindige mij realistischer toeschijnt,  vooral vanwege de boodschap dat we het in dat ongewisse moeten uithouden. Jammer dat Levinas in zijn latere werk bezweken is voor de verleiding van meer gefundeerde theorie.

Dat is bij Camus niet gebeurd. Misschien omdat hij veel jonger gestorven is?

Zie ook De droevige gang van twee vakfilosofen: Nussbaum en Levinas

donderdag 23 juli 2015

Bankiers snappen het oprecht niet


Die titel moet ik uitleggen. Daarmee bedoel ik dat bankiers niet per se kwaadwillig zijn als ze weer wiskundig slimme maar riskante financiële producten in de markt zetten of perverse beloningssystemen hanteren.

Dat zeg ik omdat mensen (in dit geval bankiers) niet bereid zullen zijn tot een gesprek over hun handelen als je ze van kwaadwilligheid beticht. Maar ook omdat het alarmerend vaak zo is: de bankiers gelóven in wat ze doen. Ze bedoelen het niet per se slecht.

Merel van Vroonhoven, baas van toezichthouder AFM zegt het zo: “Bankiers hebben het idee dat ze hebben gedaan wat afgesproken is, dus is de kous af. Zij hebben, anders dan de omringende samenleving, onvoldoende besef dat er écht iets anders nodig is. De verbazing in de sector over de ophef uit de samenleving is dus oprecht”.

En Joris Luyendijk zegt in zijn boek Dit kan niet waar zijn: “Buitenstaanders zien dat het amorele financiële systeem leidt tot immorele uitkomsten, maar bankiers hebben tijdens hun studie economie, zeker als dat aan een Angelsaksische topuniversiteit was, geleerd dat het resultaat van hun werk toch moreel is omdat het bijdraagt aan economische groei. Dat is hun dogma”. Daar geloven ze in en veel meer zien ze oprecht niet.

Bovendien, zegt Luyendijk, dat universum is helemaal niet zo uitzonderlijk. Integendeel, de amorele mentaliteit waar iedereen nu zo boos over is, heeft zeer breed ingang gevonden in de samenleving, ook in sectoren als het onderwijs en de zorg. Het probleem is dus het systeem, in brede zin, en in plaats van individuele bankiers woedend te verwijten dat ze toegeven aan perverse prikkels zouden we onze energie erin moeten steken die aan te pakken en weg te nemen.

De brede verspreiding van Angelsaksische managementwaarden als rationele slimheid, voorrang voor denken boven doen en voor beleid boven uitvoering maakt dat bankiers goed op één lijn gesteld kunnen worden worden met andere beroepsgroepen waar het soms disfunctioneel toegaat. Zeker voor de illustratie van het aandeel van de goede bedoelingen is zo’n vergelijking leerzaam omdat geld bij die andere beroepsgroepen niet zo’n grote rol speelt, en de beschuldiging van inhaligheid en hebzucht er dus niet bijgehaald hoeft te worden om het disfunctionele gedrag te begrijpen. Goede bedoeling en ambitieuze slimheid verklaren genoeg.

Dat zie je bijvoorbeeld bij de Amerikaanse beleidsambtenaren die Obamacare door het parlement moesten slepen. Het team van Obama bestond uit superslimme mensen. Maar zij bleken weinig belangstelling te hebben voor de concrete uitvoering en uitwerking van de plannen. Ze hadden van miljoenen Amerikanen de verzekeringspolis opgezegd en er niet bij verteld dat ze snel een nieuwe – en betere – zouden krijgen.

Obama’s project dreigde vervolgens te stranden. Met onderkoelde woede onderwierp de president zijn mensen aan een vragensessie die de aanwezigen ondergingen “als een autopsie en als veel erger dan schreeuwen”. Langs die weg bracht Obama de beleidsmakers alsnog besef bij van de paniek en het rumoer dat zij bij mensen teweeg gebracht hadden en die ze, met al hun slimheid, niet hadden zien aankomen. Zoals bankiers de onrust niet begrijpen die hun producten in de samenleving kunnen veroorzaken.

Uit de vergelijking blijkt dat deze beleidsambtenaren en bankiers de volgende zaken met elkaar gemeen hebben: een groot geloof in gecompliceerde producten, uitgedacht door high potentials en naar beneden uitgerold; een zekere blindheid voor de effecten van die producten in het dagelijks leven van mensen; de overtuiging dat hun producten een hoger doel dienen.

Maar goed, goed bedoeld of niet, als de uitkomsten van hun handelen onwenselijk zijn, dan zullen bankiers op de risico’s van hun handelen moeten worden aangesproken, zoals Obama dat deed met zijn beleidsambtenaren.

Om de samenleving te beschermen tegen dit soort zelfvoldane slimmerikken. En ook omdat het misschien helemaal niet zo leuk is, voor bankiers en beleidsambtenaren zelf, om in het beschreven waardenstelsel te moeten leven. Luyendijk: “Daarom zeg ik: we moeten ze knuffelen. Want ze leiden tragische levens.”

Zie ook Crisis van het geld of van het denken? en Adrenaline

vrijdag 17 juli 2015

Klopt de wereld?


In een krantenartikel met gesprekjes met diverse vluchtelingen kwam onlangs de Iraniër Pouya Zarchin aan het woord. Hij vluchtte in 2011 van Iran naar Nederland met een vals Spaans paspoort en hij vertelt hoe bang hij was. “Als ik gestraft en teruggestuurd zou worden, wachtte in Iran gevangenisstraf. Of erger. Nederlanders kunnen die angst niet begrijpen.”

Een ander, maar toch verwant verhaal was dat van Wanda Reisel, naar aanleiding van de vervolging waaronder haar familie tijdens de Tweede Wereldoorlog te lijden had. Zij ziet zichzelf daardoor een dubbelleven leiden. “Mijn fantasieleven is net zo belangrijk als, nee misschien wel belangrijker dan het echte leven. In mijn hoofd is alles op orde, veilig, maar de buitenwereld is bedreigend en onbetrouwbaar: voor je het weet word je verraden, opgepakt en afgevoerd. Omdat je hebt laten zien wie je bent”.

Wat uit beide citaten opklinkt is een opvatting van de wereld als bedreigend, chaotisch, onbetrouwbaar. De angstaanjagendheid ervan is hooguit te overkomen door een sterk innerlijk leven daartegenover te zetten. Van een objectief bestaande, kloppende ordening van de wereld, waar wij deel aan zouden hebben, is in het levensgevoel van de citaten in ieder geval geen sprake.

Nee, dan is het levensgevoel dat de filosoof Ger Groot onlangs verwoordde wel geheel andere koek. Bij hem is er sprake van orde, deep down klopt het allemaal. “We zijn er, ondanks de schijn van het tegendeel, diep in ons hart van overtuigd dat de wereld klopt, dat ons bestaan harmonisch is, dat geluk de grondstof van de werkelijkheid vormt.”

Groot staat in die wereldbeleving niet alleen, hij is daarmee een exponent van wat je gerust het ‘Westerse orde-denken’ kunt noemen. Het sterkst komt dat orde-denken tot uitdrukking in de Christelijke wereldvisie. De clue daarvan is de gedachte dat, hoe verdorven het hier op aarde ook toe kan gaan, de wereld in feite al verlost is, en dat de resultaten van die verlossing ons ter beschikking staan in de vorm van sacramenten en ander geobjectiveerd heil.

Nu is dat laatste niet zo besteed aan Ger Groot, want hij is atheïst. Maar de onderliggende grondstemming is wel degelijk ook de zijne: ten diepste is er ordening in de wereld, de wereld klopt. En dat je daar niet per se Christelijk voor hoeft te zijn, kan blijken uit de wereldvisie van zelfs de meest sceptische Griekse denkstroming, de Stoa. De filosofie van de Stoa is gebaseerd op het idee dat alles in de natuur op noodzakelijke wijze verloopt. Daar kun je niets tegen doen, maar met je rede kun je alles een plaats geven en negatieve emoties onschadelijk maken. Door je op die manier in te voegen in de heersende orde word je alsnog gelukkig.

Als het zo is dat beide stromingen, het Christendom en de Stoa, teruggaan op het Griekse denken, geeft dat aan hoezeer het idee van een kloppende wereld een Grieks idee is. Eén van de krachtigste recente verwoordingen van dit orde-denken – met opnieuw een beroep op Griekenland – is afkomstig van Heidegger. Hij ontleent daaraan, met al zijn pessimisme over de technocratische koers van de Westerse beschaving, een diep vertrouwen en een intense vreugde. Maar hij hield die altijd half verborgen, wat reden was voor Cornelis Verhoeven om eens naar Heidegger te verwijzen als ‘die smiecht’.

Hoe anders klinkt dan bijvoorbeeld weer de Israëlische schrijver David Grossman, in een recent interview voor Ikon-huis. “Wij Joden zijn op zoek naar een andere manier van zijn in deze wereld. Zonder dat je gedefinieerd wordt door angsten en door oorlogen, zonder vijand. Om te gaan vertrouwen op ons Zijn. Eén van de simpelste definities van ‘Jood’ door de eeuwen heen is: iemand die zich, collectief of individueel, nooit thuis voelde in de wereld.”

Je kunt die laatste gemoedstoestand verklaren doordat Joden eeuwenlang in de diaspora hebben moeten leven, in voortdurende afhankelijkheid van de grillen van anderen. Dus vanuit een soort opgehoopte post-traumatische stressstoornis.

Maar het zou ook zo kunnen zijn dat twijfel over een rechtvaardige wereldorde al veel eerder werd verwoord in de Joodse cultuur. Dat zou dan al eeuwen vóór het begin van de jaartelling zijn weg gevonden hebben naar Bijbelse geschriften, zoals bijvoorbeeld het boek Job.

Welke verklaring je ook kiest, beide verwikkelingen kunnen ons helpen om iets beter te begrijpen waarom in de loop van de geschiedenis Joden voor Christenen en andere ‘Griekse’ denkers een bedreiging vormden: zij plaatsten vraagtekens bij het Griekse en Christelijke basisgevoel ‘dat de wereld klopt’. Van die confrontatie kun je heel chagrijnig worden.

Zie ook Orde, Levinas en Camus en Plato ontzenuwd?

donderdag 2 juli 2015

Griekenland en democratie


Het zou best kunnen: dat Griekenland gewoon niet bij de Europese Unie hoort.

Natuurlijk hoort het daar wel bij doordat het in Europa ligt en zelfs de bakermat is van de Europese beschaving. En doordat we het de Grieken gunnen om te delen in onze welvaart.

Maar het is een serieuze vraag of dat alles reden genoeg is voor lidmaatschap. Het zou heel goed kunnen dat minimale niveaus van staatsinrichting, belastingheffing en corruptiebestrijding ononderhandelbare minimale vereisten zijn waaraan in ieder geval voldaan moet zijn. En dan zakt Griekenland voor de test.

De reden dat Ierland, Spanje en Portugal de weg omhoog uit de economische crisis beter hebben kunnen vinden is waarschijnlijk daarin gelegen dat zij aan die minimale voorwaarden beter voldoen. Omdat die elementen al langer in hun cultuur en mentaliteit te vinden waren.

Zolang aan die – in feite technocratische – voorwaarden niet is voldaan, kan ook een democratisch bestel niet goed functioneren. Althans, het kan meer kapotmaken dan je lief is. De democratische verkiezing van Tsipras en vervolgens het optreden van zijn regering zouden weleens heel slecht uit kunnen pakken.

Het functioneren van de huidige Griekse democratie (“honderdduizend ambtenaren erbij!”) bevestigt daarmee de afkeer die bijna alle oud-Griekse denkers, inclusief Plato en Aristoteles, hadden van de democratische staatsvorm. Zij betichtten die ervan dat ze te wispelturig is, te zeer geneigd de waan van de dag te volgen – met het gevaar dat emoties de overhand krijgen boven doordachte besluitvorming en dat men veel te weinig let op de lange termijn.

De grote antieke Griekse denkers waren nog niet op de hoogte van de bovengenoemde randvoorwaarden. Zij wisten niet dat vervulling daarvan een democratie heel wel mogelijk en levensvatbaar maakt. Ik ben bang dat de huidige Grieken dat ook nog niet weten.

Zie ook Er is over nagedacht en Met universele waarden kom je niet ver

vrijdag 26 juni 2015

Bij het vertrek van een hoofdredacteur


Zo vaak hecht ik me niet aan een hoofdredacteur, maar met Maurice Swirc van het Nieuw Israëlitisch Weekblad is dat anders.

Ik vond zijn hoofdredactionele commentaren – hoe kort ook – steevast de moeite waard. Hij behandelde daarin een enorme verscheidenheid aan onderwerpen, bekeek die met ruime, erudiete blik, en dat in een prettige stijl. Controversiële kwesties ging hij niet uit de weg, en hij durfde daarin positie te kiezen.

Over van alles is het gegaan. Bijvoorbeeld over de verhouding tussen Israël en de diaspora, en de Israëlische neiging om kritische diaspora-geluiden te diskwalificeren als verwend geklaag. Swirc maakte duidelijk dat de diaspora een relevante factor is voor de toekomst van de Joodse staat.

Hij maakte uitstapjes naar de Amsterdamse achterstandswijk Overtoomse Veld. Dat hoeft een hoofdredacteur van het NIW helemaal niet te doen, maar hij vond het relevant en constateerde uiteraard de omvang van het antisemitisme dat daar de gewoonste zaak van de wereld is. Hij refereert aan de angst die dat teweeg kan brengen bij Nederlandse Joden. Maar het doet hem niet de ogen sluiten voor de geïsoleerde positie van veel van die achterstandskinderen. Swirc is onder de indruk als blijkt dat geen van die kinderen ooit aan de centrumkant van de ringweg is geweest.

Na de aanslagen van januari in Parijs was er discussie over de vraag of we goede Joodse vertegenwoordigers hebben die kunnen aanschuiven bij actualiteitenprogramma’s en talkshows. Wat moeten ze doen om het goed te doen? Swirc suggereerde dat zij Joods Nederland op waardige en intelligente wijze moesten vertegenwoordigen. Hij zei er direct bij dat dat zo’n beetje de meest onmogelijke opdracht op aarde is.

Toch was het precies dát wat ik zo in hem waardeerde en wat maakt dat ik zijn vertrek betreur. In ieder geval wens ik Maurice Swirc een goed vervolg van zijn carrière.

Zie ook Antizionisme en antisemitisme

vrijdag 19 juni 2015

Directeur ethiek


Naar aanleiding van de Veolia-affaire heeft de NS besloten een ‘directeur ethiek’ aan te stellen. Je moet er toch niet aan denken dat je die functie krijgt. De verzelfstandiging van ‘de ethiek’ kan immers heel goed bedoeld zijn om de andere directeuren weer vrij spel te geven, want formeel is de ethische kant dan veilig afgedekt. Je zult, als directeur ethiek, gedwongen zijn om de andere directeuren in hun ambities af te remmen, terwijl zij voor hun gevoel met het échte werk bezig zijn. Jij bent dan de, waarschijnlijk weinig gerespecteerde, spelbreker.

Ik vat deze maatregel op als een illustratie van onze neiging in het georganiseerde leven om verregaand op te delen wat eigenlijk niet opgedeeld kan worden. Het is maar de vraag of ethiek los verkrijgbaar is, omdat het eigenlijk in alles aanwezig moet zijn. Ín de mensen, ín wat je met elkaar doet, en niet als een aparte categorie.

Betekent die laatste opvatting dat ik uitkom bij de ‘deugdenethiek’? Dat is de ethiek die propageert dat mensen deugden – zoals matigheid, moed, rechtvaardigheid – in hun karakter verankeren. Directeuren en andere organisatiemedewerkers zouden dan geen externe bewakende instantie meer nodig hebben, omdat ze vanuit zichzelf deugdzaam handelen.

Voor deze deugdenethiek is zeker wat te zeggen, in ieder geval kun je er moeilijk tegen zijn. Maar ik ben er geen grote fan van, omdat er een zweem van moeizaamheid omheen hangt. Je moet voortdurend aan je karakter werken, je hele leven lang oefenen. Ook daar is iets voor te zeggen, maar iets meer ontspanning mag wel van mij.

Bovendien: hoe meet je deugden, zonder meteen in de valse categorieën terecht te komen waar de ‘directeur ethiek’ ook een exponent van is? Als je deugden operationeel wilt gaan inzetten is het gevaar groot dat je morele kwaliteiten opnieuw reduceert tot afgebakende eigenschappen en weer buiten je plaatst.

Leuker is het, en ontspannener, om goede verhoudingen gewoon aan te treffen, te vinden in de werkelijkheid. Probleem is: als dat goede geen van te voren afgebakende, vaststaande categorie wil zijn, dan moet het steeds ter plekke nieuw ontstaan in de situaties en configuraties die optreden, in de relaties die zich voordoen. Dus eigenlijk niet zozeer in de mensen en de dingen, maar tussen wat er gebeurt. Dat heeft iets verrassends en onplanbaars.

Maar dat móet het ook wel hebben, want scherpe afbakening van categorieën kan ons vaak niet meer overtuigen. Denk maar aan de ‘directeur ethiek’.

Zie ook Definiëren van de wereld

vrijdag 12 juni 2015

Plato ontzenuwd?


“Van een volmaakte wereld weten we niets. Plato, die er nog in geloofde, hebben we allang ontzenuwd.” Dat schreef Rob Schouten onlangs in Trouw. Schouten beschouwt die afwerping van Plato als een fase van volwassenwording, en ik ben dat met hem eens. Maar ik heb zo mijn twijfels over de achteloosheid en vanzelfsprekendheid waarmee hij die ontzenuwing als een voldongen feit poneert.

In de Joodse traditie is Plato inderdaad niet storend aanwezig, maar hij is dat daar waarschijnlijk ook nooit zo heel erg geweest. Het Jodendom heeft oude papieren als het gaat om een niet-platonische, meer realistische kijk op goed en kwaad in deze wereld, zonder overigens de hoop op een messiaanse tijd te verliezen. Het besef dat het aardse leven ten volle geleefd moet worden, en niet inferieur is ten opzichte van ons geestelijke bestaan, zit van meet af aan diep verankerd in het Jodendom.

Maar andere instituties, die ooit bolwerken waren van platonisch denken, zijn dat naar mijn idee nu nog evenzeer als vroeger. Ik denk aan zulke verschillende grootheden als de Katholieke kerk, de wereld van management en organisatie, en de filosofiebeoefening.

Binnen de kerk gold de superioriteit van het geestelijke boven het lichamelijke vanaf het begin zo sterk, dat het beeld van de volmaakte mens voor de kerk onlosmakelijk gekoppeld was aan seksuele onthouding. Zowel voor mannen als voor vrouwen betekende dit dat de staat van maagdelijkheid verheven was boven de huwelijkse staat. Natuurlijk werd het huwelijk niet verboden, want voortplanting was belangrijk, maar de platonische hiërarchie was duidelijk. Bij mijn weten is dat, anders dan Schouten suggereert, nog steeds de officiële lijn van de RK kerk.

In management en organisatie is steeds, vanaf de periode dat men daar systematisch ging nadenken over organisaties, sterk de nadruk gelegd op een scheiding tussen denken en doen, beleid en uitvoering, met prioriteit in de zeggenschap voor de denkers en beleidsmakers. Voor de grondleggers van de organisatiekunde, zoals Frederick Taylor en Henri Fayol, gold dat als vanzelfsprekend uitgangspunt voor het bereiken van de hoogste efficiency en effectiviteit. In wezen is deze voorrang van het denken over het doen een platonische reflex. En al wordt dat principe regelmatig aangevochten en uitgedaagd, het is zeer sterk verankerd in ons georganiseerde leven.

Wat de filosofie betreft: voor zover die graag ‘ivoren toren’-werk doet, is dat een platonische aangelegenheid. Het zou daar ‘dieper’ en ‘fundamenteler’ toegaan dan in andere wetenschappelijke disciplines, en daardoor een echtere werkelijkheid vertegenwoordigen. De bijbehorende opvattingen van filosofie als ‘een voortdurende geestelijke oefening, waarbij het denken zonder vooropgezet doel over tijdloze vragen nadenkt’ of als het ‘bedrijven van ken-theorie’ zijn nog steeds zeer gangbaar. Ook daar gaan stemmen op die pleiten voor minder platonisch-filosofisch isolement en voor het meer nadenken over concrete zaken. Maar die stemmen hebben het pleit bepaald niet gewonnen.

De ontzenuwing van Plato is dus nog geen gelopen race. Zoals gezegd, ik denk wel dat de Joodse traditie hierin een voortrekkersrol vervult, en dat al eeuwenlang. Dat levert niet altijd keurige ordening of systeembouw op, laat staan een volmaakte wereld. Maar van Plato’s levensvijandige schema’s heb je daar in ieder geval minder last.

Zie ook Saai, saai...., Plato op het werk en Bijna

donderdag 4 juni 2015

Het weggeperfectioneerde leven


Minister Bussemaker heeft het goed begrepen: bij professionals zoals docenten aan hogescholen en universiteiten zijn werkplezier en mogelijkheden tot creativiteit van groot belang. “Ik ben geschrokken”,  zegt ze, “van verhalen van docenten die steeds meer tijd kwijt zijn aan bureaucratie; het leidt af van het lesgeven. Er zijn opleidingen die tachtig ordners aanleveren als bewijs dat zij doen wat ze moeten doen. Dat moet je niet willen.”

Toch kreeg ik een acuut gevoel van moeheid over me toen ik de eerste regels van het kranteartikel over dit onderwerp las. “Het toezicht op opleidingen in het hoger onderwijs is doorgeschoten. Sinds de diplomafraude bij Hogeschool Inholland is de verantwoordingsplicht dusdanig gegroeid dat die ten koste gaat van het verbeteren van het onderwijs. Minister Bussemaker gaat daarom de bureaucratie rond de opleidingskeuringen met de helft terugdringen.” Ik dacht: daar gaan we weer in de jojo, nu ongetwijfeld met indicatoren voor werkplezier en creativiteit, en over zes jaar na de volgende megafraude weer de andere kant op.

Dat gevoel van vermoeidheid zal ermee te maken hebben dat onze middelen tot controle, waar en hoe we die ook inzetten, zo waanzinnig perfect geworden zijn. Vroeger waren er ook standaarden en normen, maar daar glipte veel tussendoor. Ten goede en ten kwade, maar daar leefde je mee. De huidige middelen tot controle van elkaar – technisch, sociaal-psychologisch, bureaucratisch – zijn zo omvattend en vervolmaakt dat voor je gevoel soms alle leven uit ons bestaan wordt geperst.

Op een of andere manier dringt zich hier een vergelijking op met een ontwikkeling in de schilderkunst. Dat gevoel van levendodende perfectie krijg ik namelijk ook bij het bekijken van laat-negentiende eeuwse realistische schilderkunst. De beheersing van schildertechnieken was dusdanig dat de plaatjes meer dan fotografisch echt lijken (zie bijgaand schilderij uit 1889 van Eugène Buland). Dat is een vorm van perfectie, maar van een andere soort dan bijvoorbeeld Rembrandts perfectie. Rembrandt betrapt het leven en raakt iets wezenlijks. Uit de bedoelde realistische schilderkunst daarentegen is het leven weggeperfectioneerd, waardoor er iets onwezenlijks ontstaat.

Precies dat gevoel van onwezenlijkheid krijg ik soms bij onze bureaucratieën, mede als gevolg van onze volmaakte beheersingstechnieken. Valt daar nog te leven?

Nu ben ik de laatste om te ontkennen dan onze beheersingstechnieken ons veel goeds gebracht hebben, zoals een veilig land en een functionerende samenleving. En de jojo-beweging van meer naar minder controle en weer terug heeft ook zijn eigen logica, daar is misschien niets mis mee.

Maar tóch, er is dat gevoel van vermoeidheid. Als veel van de betrokken docenten dat gevoel ook kennen, dan is er wél iets mis. Dan voelen zij zich waarschijnlijk als pionnen waarmee op een beheersende manier geschoven wordt. Of als parameters in een systeem dat vooral bestaat uit indicatoren en stuurvariabelen. Of ze nu wel of niet hun eigen professionaliteit moeten/mogen inzetten, wel of niet bergen papier moeten invullen, alles wordt teruggebracht tot knoppen in een systeem, waar woorden als ‘eigenheid’, ‘reflectie’, ja zelfs ‘leven’ een moeizaam, zo niet verboden bestaan leiden.

Dit los je niet meer op door om de zes jaar te schuiven van meer naar minder bureaucratie en weer terug. Dit vraagt om een fundamenteel nieuw inzicht. Namelijk het inzicht dat een ander mens misschien wel eens écht anders, en totaal anders kan zijn, op een manier die jij niet kunt verzinnen en de minister ook niet. Daar worden woorden als ‘beheersen’ en ‘controleren’ ineens betekenisloos.

Probleem: een dergelijk inzicht druist wel zeer in tegen de tweeënhalfduizend jaar van Grieks-Westers autonomie-denken, waarin een mens geacht wordt alles te kunnen verzinnen en vanuit zichzelf te doorgronden. We zijn gedrenkt in dat denken, onze verantwoordingssystemen zijn erop gebaseerd. Het voelt als onverantwoord om daar een gaatje in te prikken.

Zie ook Meetbaarheid en Is veranderen uit?

vrijdag 29 mei 2015

Het draagbare vaderland


De Esten maken zich zorgen. Zij voelen zich kwetsbaar omdat hun grote buur Rusland, die hen in het verleden regelmatig onder de voet liep, opnieuw agressief lijkt te worden. Wat er in Oekraïne gebeurt jaagt de Esten angst aan, evenals de taal die Rusland de laatste tijd uitslaat.

“Vanwege die gek in Moskou werken we aan een concept om als land te kunnen voortbestaan, zelfs als we even geen eigen territorium meer hebben”, zo werd Taavi Kotka, de Chief Information Officer van de Estse overheid, in NRC geciteerd. “We maken niet alleen een digitale back-up, maar ook een mirror, een versie die altijd oproepbaar blijft”. De inhoud omvat alle gegevens van burgers, communicatie- en overheidssystemen.

De Esten zijn digitaal al langere tijd goed georganiseerd. Na het verkrijgen van de onafhankelijkheid in 1991 ging Estland direct met digitalisering aan de slag. Dat was in een relatief arm en dunbevolkt land simpelweg de meest effectieve manier om kosten te besparen, en om diensten aan te bieden die anders niet geleverd konden worden.

Maar, wat begon als kostenbesparingsoperatie heeft inmiddels ook andere voordelen gekregen. Zoals de tijdsbesparing door burgers doordat ze alle overheidsformulieren digitaal kunnen invullen en hun medische geschiedenis niet steeds hoeven te herhalen. Verder leidt het, via export van digitale kennis en producten, tot economisch succes. En nu komt daar dus dit voordeel bij: de garantie op een nationaal voortbestaan in een situatie zonder eigen territorium.

Waar doet me dit aan denken? Inderdaad, aan de codificatie van de Joodse traditie in Bijbel, Misjna en Talmoed, met daarin voorschriften en afspraken omtrent liturgie, maar ook omtrent zaken van juridische en bestuurlijke aard. Die geschriften hebben de Joden in de diaspora eeuwenlang zoveel structuur en samenhang gegeven dat zij, naar de formulering van Heinrich Heine, wel aangeduid werden als het ‘draagbare Joodse vaderland’. Zij zorgden ervoor dat, hoezeer de Joden ook verspreid waren over de aardbol, een gedeelde Joodse identiteit kon voortbestaan.

Wat de CIO van Estland voor ogen heeft is dus al een keer geprobeerd, en het blijkt te kunnen, tot op bepaalde hoogte. Zeker als het zou gaan over de situatie dat er “even geen territorium” is. Alleen, hoe weet je dat het geen tweeduizend jaar gaat duren?

Behalve dat het kan, is van de Joodse diaspora nog iets anders te leren. Namelijk dat de ballingschap nooit het diepe verlangen heeft kunnen wegnemen naar een tastbare staat op een tastbaar grondgebied. Daarom gun ik ieder volk, hoe gedigitaliseerd of gemarginaliseerd ook, een eigen, veilig, analoog territorium.

Zie ook Right and wrong en De gelaagdheid van Ari Shavit