donderdag 2 februari 2012

Levinas en Spinoza


Bestaat er zoiets als typisch Joodse filosofie? Dat is een interessante vraag maar die zou ik niet durven te beantwoorden, en al zeker niet in het korte bestek van een column.

Een andere, iets overzichtelijkere vraag: is er iets gemeenschappelijks aan te wijzen tussen de Joodse filosofen Spinoza en Levinas? Zo ja, zou je dat gemeenschappelijke kunnen duiden als iets Joods?

Hoe we die vraag ook beantwoorden, we zullen toch eerst moeten vaststellen – zoals al veel mensen gedaan hebben – dat Levinas en Spinoza op een voor Levinas wezenlijk thema diametraal tegenover elkaar staan. Dat thema is de vraag of de werkelijkheid een gesloten geheel is.

Levinas verzet zich met alles wat in hem is tegen de opvatting van de wereld als een gesloten systeem. Want daarin wordt de mens al gauw ondergeschikt gemaakt aan een totaal-denken waarin hij slechts een radertje in de machine is. Daartegenover benadrukt Levinas dat er verschijnselen zijn, bijvoorbeeld een andere mens, die de geslotenheid iedere keer doorbreken en die duiden op een oneindige openheid.

Dat is zo’n beetje het absolute tegendeel van Spinoza’s visie. Wat Spinoza betreft, aldus Han van Ruler, is er niet meer dan één werkelijkheid, één natuurlijk systeem waarin alles is opgenomen, zodanig dat “niets aan de macht van het systeem ontkomt. Het hele universum hangt als één strakke redenering aan elkaar”.

Je kunt daarover twisten, maar mij komt de openheid voor de transcendentie en de reserve ten opzichte van gesloten (denk)systemen voor als een Joodse trek. Die vertoont zich in de Joodse geschiedenis al vroeg in de gedaante van profeten die koningen moesten corrigeren, en in de huiver voor de absolute pretenties van messiasfiguren. Blijft staan dat de Joodse filosofen Spinoza en Levinas op dit punt weinig gemeenschappelijk hebben.

Voor de verandering wil ik nu eens de aandacht verleggen naar een aspect dat ik Joods vind en dat beiden, Spinoza en Levinas, vertonen. Waar ik op doel is hun uitgesproken waardering voor de kwaliteit van het leven, als iets wat je kunt onderscheiden van de aandacht voor het loutere feit van het bestaan.

Als het gaat om de kwaliteitswaardering bij Spinoza verwoordt de neurofilosoof Antonio Damasio dit als volgt: “Not content with the blessings of mere survival, nature seems to have had a nice afterthought: to provide a better than neutral life state, what we as thinking and affluent creatures identify as wellness and well-being”.

Levinas gebruikt voor de aanduiding van de kwaliteit van het leven het woord ‘genieting’. Daarvan zegt hij: “Het naakte feit van het leven is nooit naakt. Het leven is geen naakte wil om te zijn, het leven is liefde voor het leven, een betrekking tot inhouden die niet mijn bestaan zijn, maar kostbaarder dan mijn bestaan: denken, eten, slapen, lezen, werken, zich koesteren in de zon”.

Naar mijn idee gaat deze Joodse aandacht voor de beleving van het bestaan terug op het serieus nemen van emoties, sociale, seksuele, morele en andere. Ik noem dat een Joods trekje, al zou je dat niet zeggen met zoveel ultra-orthodoxen die constant bezig zijn hun seksuele impulsen te onderdrukken.

Spinoza vertoont dat trekje wel degelijk, ook al wordt hij vaak aangehaald als representant van de Westerse traditie die de mens vooral wil leren overal boven te staan, en zeker boven emoties. Damasio laat zien dat Spinoza inderdaad in die emotiekritische traditie te plaatsen is, maar met een kenmerkende kanttekening: “the subduing of the passions should be accomplished by reason-induced emotion and not by pure reason alone”. Immers, zo is Spinoza’s inzicht, de rede schiet in haar emotie-onderdrukkende taak al gauw tekort. Waar Damasio aan toevoegt: “try to avoid it, it is very energy consuming”.

Dat laatste mag ons vanzelfsprekend voorkomen, maar dat is het stellig niet altijd geweest. Om dat in te zien kunnen we het afzetten tegen de al genoemde eeuwenlange hoofdstroom in de Westerse filosofie die ertoe neigde om emoties te wantrouwen of te neutraliseren. Op godsdienstig vlak manifesteerde dit zich in de Christelijke traditie die het lichaam beschouwde als een op zichzelf onbeduidend vehikel voor het traject van de ziel naar het hiernamaals. Op seculier-wetenschappelijk vlak werd dat zichtbaar in een grotere aandacht voor het bestaan van de wereld, de mensen en de dingen, dan voor de beleving van het bestaan.

Waardering voor het aardse bestaan en de inhouden daarvan, daaraan kwam de Westerse wereld cultuurfilosofisch gesproken – dat wil zeggen op een niet-platvloerse manier – op zijn vroegst pas toe bij Montaigne en eigenlijk pas goed in de twintigste eeuw bij moderne hedonisten zoals Michel Onfray en Michel Foucault. En dan, volgens Damasio, nog maar heel gedeeltelijk want “feelings were beyond the bounds of science, thrown outside the door”. Spinoza was er vroeg bij dus, en Levinas had zijn aandacht voor onze belevingswereld niet van vreemden.

Zie ook Out of place, Voor en tegen schaamte en Evenwicht

1 opmerking: