donderdag 6 oktober 2022

Waar gaat het over als het over Joden gaat?


Onlangs verscheen het boek Waar gaat het over als het over Joden gaat? van David Wertheim. Naar aanleiding daarvan werd de auteur geïnterviewd door Joris Luyendijk, en dat interview was erg de moeite waard. Het sympathieke karakter van de historicus en denker Wertheim, en de genuanceerde en authentieke manier waarop hij zijn antwoorden formuleerde hadden daar alles mee te maken.

Eén antwoord stelde me teleur. Dat was Wertheims reactie op de vraag van Luyendijk of de Sjoa een moreel ijkpunt in zich bergt, met andere woorden: of we wat leren van die vreselijke geschiedenis? Wertheim zei: dat de mens tot zulke dingen in staat is, en kennelijk een beest kan worden. Dat vond ik een onnodig vlak antwoord. Dat wisten we toch al wel?

Naar mijn idee valt er wel wat meer over te zeggen, en is het ook van belang om dat te doen. Namelijk dat er iets aan de hand is met de westerse denktraditie en beschaving. Hoe is het mogelijk dat die systematisch, meer dan tweeduizend jaar lang een bepaalde groepering in haar midden – de Joden – heeft verguisd, vervolgd en uiteindelijk met uitroeiing bedreigd? Die constatering is toch op zijn minst een diep verontrustend gegeven dat verder strekt dan de algemene psychologische waarheid dat mensen tot vreselijke dingen in staat zijn? Het kan bijna niet anders dan tot diepgravend onderzoek leiden: wát is het precies in de westerse traditie dat aangezet heeft tot zoveel bijna metafysische haat tegen Joden?

Maar voor dergelijke fundamentele vragen moet je misschien niet in Nederland zijn. In Frankrijk bijvoorbeeld verschijnen sinds een jaar of twintig aan de lopende band boeken die de eeuwenlange problematische filosofische en religieuze omgang met het Jodendom tot onderwerp nemen. Onlangs las ik het boek Banaliteit van Heidegger van Jean-Luc Nancy, dat hij in 2015 schreef naar aanleiding van de ontdekking van de Schwartze Hefte, de dagboeken van Heidegger die lopen van 1931 tot 1969.

Nancy maakt duidelijk dat Heidegger het Westen, als erfgenaam van de vroegste Griekse filosofen, beschouwt als drager van een missie. De verheven missie namelijk om door te dringen tot een diep en puur “zijnsverstaan” dat zich moeilijk laat uitleggen, maar waarvan wel duidelijk is dat het een berekenende, technische en rationalistische omgang met de wereld te boven gaat. Laten in Heideggers denken nu juist de Joden bij uitstek de vertegenwoordigers zijn van dat berekenende, technische en rationalistische denken, dat de ondergang van het Westen als beschaving naderbij brengt. 

Als je zo denkt wordt het, aldus Nancy, verklaarbaar hoe, voor een nieuw begin van het Westen, de ondergang van de Joden als noodzaak bestempeld kan worden. Nancy: “De uitvoerder van de westerse vernietiging moest daarom worden vernietigd. Dat is het hoogtepunt van de historische-bestemmingslogica die het Zijn zichzelf als opdracht heeft meegegeven”. Langs die weg krijgt Heideggers afkeer van Joden een metafysische dimensie: “Heidegger was niet alleen antisemitisch: hij wilde tot het uiterste de fundamentele en historisch voorbestemde noodzaak doordenken van het antisemitisme”. Hoe banaal en ordinair dat antisemitisme er ook uit kon zien.

Verbijsterend is, aldus Nancy, hoe Heidegger deze opvattingen, blijkens de Schwartze Hefte, tot in de jaren zestig blijft volhouden. Als de volle omvang van de vernietiging in de nazi-kampen al lang is onthuld. En voor de formulering van deze opvattingen blijft hij ongegeneerd gebruikmaken van de meest banale antisemitische stereotypen. “Heidegger weet heel goed wat hij doet. Hij verzamelt de banale vuiligheid voor hogere doeleinden. Wat ook betekent dat hij een hogere waarheid in het antisemitisme herkent.”

De belijdende Katholiek Nancy beschrijft dit gegeven gedetailleerd voor Heideggers denken, maar hij ontkomt er niet aan om af en toe te laten zien hoe dit in een veel ouder patroon past. Hij vermeldt hoe het westerse streven naar verhevenheid en zuiverheid in eerdere periodes zich evenzeer gehinderd voelde door de Joodse aanwezigheid. Ook al waren in die periodes de redenen voor aanstoot totaal anders (bijvoorbeeld de afwijzing door de Joden van de universaliteit van de Christelijke heilsboodschap of van de klassieke beschaving), ook toen werd dat beleefd als een inbreuk op de verheven missie van het Westen. “Het is moeilijk om de doorgaande lijn te ontkennen die loopt van Athene en Rome naar Parijs, Londen, Berlijn, Moskou, Auschwitz, Hiroshima, enz. – We zijn nog lang niet begonnen over deze vraag na te denken”.

De afwijzing van Joden was een rode draad door de westerse geschiedenis. Als er enige speling zat in de manieren waarop die afwijzing geformuleerd of gepraktiseerd werd, ging het om de vraag of de Joden nog gewonnen konden worden voor de missie van het Westen of niet. Nancy: “De christelijke (en/of rationele, filosofische, enz.) relatie tot het Jodendom is altijd blijven schommelen tussen veroordeling en bekering, tussen de bevestiging van een fundamentele onverenigbaarheid en die van een noodzakelijke verzoening”.

Als men dacht dat verzoening met de Joden onmogelijk was, dan achtte men de verhevenheid van de Westerse missie voldoende rechtvaardiging om tegenstribbelaars daaraan te mogen opofferen, desnoods door bloedige actie. De beschaafde verlichtingsfilosoof Kant zag er liever geen bloed aan te pas komen maar, evengoed, ook voor hem moest het klaar zijn met de Joodse traditie. Kant stelde voor dat het Jodendom zichzelf zou opheffen in een proces dat hij aanduidde als een “euthanasie” van het jodendom, waarmee de toegang voor de Joden tot de ware morele religie zou worden gecreëerd.

Tegenover het verzengende geweld van deze religieus-filosofische traditie weet Nancy af en toe niet meer uit te brengen dan “On reste sans voix” – “Ik sta sprakeloos”. Maar ook stelt hij, zoals we boven al lazen, dat hier verder over nagedacht moet worden. Om daar op het eind van zijn boek, schuchter, een verbetersuggestie aan toe te voegen voor de westerse filosofie: “We zullen moeten leren te bestaan zonder ‘puur zijn’ en zonder bestemming”. Zonder verheven begin en zonder verheven afsluiting. 

Zie ook Als Heidegger filosofisch deugt....

Wil je commentaar geven of zien: klik op Waar gaat het over als het over Joden gaat? en scrol naar beneden door.

vrijdag 16 september 2022

Falsificatie: iedereen kan het!


Wetenschap wordt soms aangemerkt als een ingewikkelde onderneming, en daarbinnen is dan nog iets dat door sommigen als het állermoeilijkste, maar ook als het summum van wetenschap gezien wordt. Dat is het primair door Karl Popper uitgewerkte principe van de falsifieerbaarheid van wetenschappelijke uitspraken. Daarbij probeer je bewust je stellingen zo te formuleren dat ze toetsbaar zijn en door (goed) tegenonderzoek onderuit gehaald kunnen worden. Goede wetenschap zou gekenmerkt worden door de falsifieerbaarheid van haar uitspraken.

Dat klinkt veeleisend, maar nu lees ik in de krant dat deze omgang met het verwerven van kennis en het trekken van conclusies eigenlijk een alledaagse routine is van gewone mensen. Volgens een onderzoek van het Nijmeegse universitaire Donders Instituut werkt onze menselijke manier van informatie verwerken eigenlijk altijd zo. Op basis van signalen die we ontvangen werken we al snel naar verwachtingen en conclusies toe (noem het maar stellingen of voorspellingen), maar we staan voortdurend open voor het aanpassen van die voorspellingen door nieuwe informatie. “Het brein wacht niet af, maar voorspelt wat er komen gaat. Het heeft een beeld van zijn omgeving en weet welke signalen het kan verwachten. Of beter: dénkt dat te weten. En het meet het verschil tussen de eigen verwachting en de signalen van buiten om zijn beeld bij te stellen. Gewaarwording is het meten van de voorspelfout.” 

Dus, als je iemand het begin van een zin hoort uitspreken en inwendig voorspelt hoe die zin verder zal gaan dan stel je je niet alleen falsifieerbaar op. Je voert vervolgens ook de falsificatie zelf uit door je voorspelling bij te stellen als de tweede helft van de zin daar aanleiding toe geeft. Je hoeft, behalve voor de tweede helft van de zin, voor de falsificatie niet eens op een ander te wachten: die doe je helemaal zelf. Dat is nog eens wetenschap op hoog niveau!

Deze voorspellingstheorie is inmiddels het centrale concept in de hersenwetenschappen, aldus Willem Schoonen in Trouw, en daarmee is falsificatie te beschouwen als een zo goed als alledaagse routine die wij allemaal toepassen. Ik vind dit een gerustellend idee. Het biedt namelijk tegenwicht aan het alarmistische discours dat we veel om ons heen horen over bubbels waarin alleen informatie wordt toegelaten die bevestigt wat we al denken, over post-truth ideologieën die zich afsluiten voor afwijkende geluiden en woke ontkenningen van de werkelijkheid. Zo gauw raken we kennelijk niet afgesloten van de werkelijkheid. Op diep, elementair niveau zijn wij dagelijks onze kennis en wereldbeeld aan het bijstellen. We toetsen voortdurend of onze aannames door nieuwe binnenkomende informatie over de werkelijkheid nog wel kloppen, en passen ons daarop aan. Zelfcorrectie en permanente uitwisseling van informatie zijn als het ware ingebouwd in ons systeem.

Een ander bericht in diezelfde krant sloot daar aardig op aan: “Negatieve effecten van sociale media op jongeren vallen mee”. Die veel gerapporteerd negatieve effecten blijken, aldus promovenda Nastasia Griffioen, vooral voort te komen uit de methodes die gebruikt worden om de negatieve invloed van smartphones te meten. Die methodes “zijn niet altijd betrouwbaar gebleken. Het probleem zit hem in de vragenlijsten die ontzettend populair zijn bij de meeste onderzoekers. Dat is een eenrichtingsweg waarbij je niet door kunt vragen.” Griffioen kon met haar diepte-interviews met jongeren wél doorvragen en kwam tot andere conclusies.

Gesteld in de termen van dit stukje: de gemiddelde onderzoeker blijft steken in zijn voorspellingen en komt niet toe aan ‘de tweede helft van de zin’, die de voorspellingen kan corrigeren. Vergeleken daarmee doen wij het in onze dagelijkse routines nog niet zo gek.

Zie ook Zwarte zwaan.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Falsificatie: iedereen kan het! en scrol naar beneden door.

vrijdag 9 september 2022

Voorbij de cognitieve dissonantie


Het kon zomaar gebeuren in de krant: een pagina met de kop “Schiphol weer in de lift” boven een monter verslag over weer toenemende aantallen vliegbewegingen en groeiende inkomsten. Schiphol komt de coronacrisis te boven! En op de volgende pagina een verhaal over de kwalijke bijdrage van vliegen aan de CO2-uitstoot en de noodzaak om vliegbewegingen in te perken voor het behalen van de klimaatafspraken.

Elk van de twee pagina’s had zijn eigen, goed te volgen logica, met zijn eigen wenselijke uitkomst. Maar die wenselijke uitkomsten waren wel compleet tegengesteld aan elkaar. De twee logica’s volkomen los van elkaar gepresenteerd te zien worden had iets vervreemdends. In welke wereld leef ik nu eigenlijk? En in wat voor wereld leeft de krant? Hoe rijmen die journalisten die boodschappen met elkaar? Ik ben toch niet gek? En zij toch ook niet?

Inderdaad, ze bleken niet gek. Met ingang van vorige week heeft Trouw de redacties Economie en Natuur/Duurzaamheid samengevoegd tot de redactie Duurzaamheid en Economie. Hoofdredacteur Cees van der Laan daarover: “Je ziet bij alle grote economische onderwerpen dat er een duurzaamheidsvraagstuk speelt”. De scheiding tussen duurzaamheid en economie heeft iets geforceerds gekregen. “Samenvoegen is logisch omdat er zoveel raakvlakken zijn.” 

Toch zal mijn cognitieve dissonantie niet op slag verdwijnen. Op verjaardagen en andere sociale aangelegenheden is er een grens aan wat je kunt aankaarten aan klimaatproblematiek zonder jezelf sociaal compleet te isoleren. Maar van een krant mag je inderdaad meer verwachten dan beleefdheid en sociale prudentie, want die lees je niet alleen voor je geruststelling. Een goede krant neemt diepere zorgen serieus. Alle lof voor Trouw!


Wil je commentaar geven of zien: klik op Voorbij de cognitieve dissonantie en scrol naar beneden door.

vrijdag 2 september 2022

Krijgshaftige taal


De afgelopen maanden kwamen op het Journaal al heel wat keren de eerste regels in Nederlandse vertaling van het Oekraïense volkslied voorbij. In zijn geheel luidt het als volgt:

Nog is Oekraïne’s glorie niet vergaan, noch zijn vrijheid

Nog zal het lot ons, jonge broeders, toelachen

Verdwijnen zullen onze vijanden

Als dauw in de zon

En ook wij, broeders, zullen heersen in ons eigen land

Onze ziel en ons lichaam

Zullen wij geven voor onze vrijheid

En wij zullen tonen dat wij, broeders, 

van het geslacht der Kozakken zijn.

De manier waarop het Journaal deze en andere Oekraïense patriottische teksten toont is aandachtig en ernstig, er is geen zweem van ironie of verbazing te bekennen.

Dat vind ik best opmerkelijk. We hadden het hier in het vreedzame West-Europa zo’n beetje afgeleerd om volksliederen te associëren met existentiële kwesties, alleen in Joodse context voelde ik bij het klinken van het Hatikwa de geladenheid ervan voor wie het zong of hoorde. Het Wilhelmus, de Marseillaise of Fratelli d’Italia worden toch vooral geassocieerd met voetbalwedstrijden.

Een vergelijkbare omslag doet zich voor in de presentatie op tv van militaire confrontaties. Ik kan me van de laatste decennia geen verslagen herinneren die zo uitgebreid ingaan op de tactieken van de strijdende partijen, de geografische omstandigheden en de soorten gebruikte wapens als nu het geval is bij de oorlog tussen Rusland en Oekraïne. Daar wordt op gedetailleerde wijze over verteld door defensiedeskundige Bob Deen en oud-Commandant der Landstrijdkrachten Mart de Kruif en soms klinkt er nauw verholen sympathie in door voor de verrichtingen van Oekraïne.

Triomfantelijke liederen, krijgshaftige taal, betrokkenheid bij een van de strijdende partijen: ze lijken weer salonfähig te zijn. Het kan verkeren.

Zie ook Proportioneel.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Krijgshaftige taal en scrol naar beneden door.

donderdag 25 augustus 2022

Management by magic?


Wie moet je geloven en wie niet? Een antwoord op die vragen is in tijden van nepnieuws en politieke demagogie geen overbodige luxe. Het leek – ooit – zo simpel en overzichtelijk: we hebben publieke leiders en politici die het beste met ons voor hebben, en die laten zich mede leiden door wetenschappelijke raadgevers. Die raadgevers op hun beurt laten zich inspireren door het wetenschappelijke ideaal van onafhankelijk onderzoek, in het volle besef dat ze in hun moeizame proces van voortdurende onderlinge kritiek en bijstelling van meningen de absolute waarheid nooit zullen bereiken. En ondertussen leveren die exacte waarheidsliefde en verbeterdrift ons mooie wonderen op zoals auto’s en democratie en genezing van ziektes.

Het was een beetje zoals met het geloof in wonderen waarover het begin van Exodus hoofdstuk 4 ons vertelt. Mozes maakt bezwaar tegen de leidersrol die Eeuwige hem oplegt, want de mensen zullen hem niet geloofwaardig vinden en niet naar hem luisteren. Dan laat de Eeuwige hem een staf in een slang veranderen en nog meer wonderen verrichten. Mozes is niet direct overtuigd, maar de boodschap achter deze wonderen is niettemin duidelijk: het licht van de waarheid (Tora) zal gepaard gaan met wonderen, en die wonderen bevestigen de waarheid van de Tora. Het goede en het wonderbaarlijke gaan hand in hand, en dat maakt de zaak geruststellend overzichtelijk. 

Maar het Bijbelboek Deuteronomium, dat stamt uit een later moment in de geschiedenis van Israël, gelooft niet meer in die vanzelfsprekende verbinding van het goede en het wonderbaarlijke. Daar staat in hoofdstuk 13 vers 2: “Wanneer een profeet of een droomuitlegger uit uw midden een teken of een wonder voorspelt, dat vervolgens uitkomt, en hij verbindt daaraan een oproep om andere, u onbekende goden te volgen en te dienen – luister dan niet naar wat hij zegt…Blijf de Eeuwige, uw God, volgen en heb alleen voor hem ontzag”. Kennelijk zijn er in de loop van de tijd té veel pijnlijke en verwarrende ervaringen opgedaan met verleidelijke profeten en andere wonderdoeners die wel indruk konden maken maar een valse boodschap hadden. Dat is verwarrend, want wie kun je dan nog geloven, als wonderen niks zeggen?

Er resteert nog maar één criterium: geen boodschap volgen die oproept tot het volgen van andere goden. Verleidelijke spectaculaire goocheltrucs zijn geen garantie voor de toekomst. Ik zet de vergelijking met huidige wonderboodschappers voort en moet denken aan een bericht in de krant van deze week. Een wetenschapper voorspelt, samen met de boeren, zodanige technische innovaties dat geen andere maatregelen voor het terugdringen van stikstof meer nodig zijn. Afgemeten aan de stand van de oprechte wetenschap impliceert dit een wonder. Deze wetenschapper verlaat daarmee het pad van kritische zelfreflectie en integriteit dat goede wetenschap kenmerkt. Dat pad heeft met die kenmerken (misschien niet toevallig) veel weg van het uiteindelijke pad van de ene God van de Tora. Moeizaam en met mogelijk onwelgevallige uitkomsten, maar geen reden om andere goden en hun verleidelijke drogredeneringen achterna te lopen.

Zie ook Winter en woestijn.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Management by magic? en scrol naar beneden door.

vrijdag 19 augustus 2022

Disproportioneel geweld


“De wraak van de staat Israël heeft waarlijk oudtestamentische proporties”, schrijft Anton van Hooff in NRC van 12 augustus, naar aanleiding van de disproportionaliteit van aantallen dodelijke slachtoffers in de diverse ‘Gazarondes’ sinds 2008. Die disproportionaliteit is inderdaad schokkend: 5298 aan Palestijnse kant, 52 aan Israëlische kant. 

Maar het is nergens voor nodig om daarvoor het woord ‘oudtestamentisch’ te gebruiken. Ik schat in dat die wanverhouding ongeveer gelijk is aan de scores die gehaald werden toen gedurende de afgelopen eeuwen het imperialistische Christelijke Westen de gekoloniseerde rest van de wereld afschuimde: 1 slachtoffer aan Westerse kant tegen 100 aan de andere kant. Dus dat imperialistische gedrag mag je net zo goed ‘nieuwtestamentisch’ noemen. 

Maar waarom zou je een oude, uiterst vernietigend gebleken tegenstelling nieuw leven inblazen, als het ook in andere bewoordingen gezegd kan worden? ‘Imperialistisch’ is een goed woord voor aanduiding van het gedrag van het Europa van toen en het Israël van nu. Laat de testamenten erbuiten.


Wil je commentaar geven of zien: klik op Disproportioneel geweld en scrol naar beneden door.

vrijdag 12 augustus 2022

De wethouders van Europa


Sommige Eurocommissarissen doen me weleens denken aan de krachtdadige grote-stedenwethouders uit het begin van de twintigste eeuw, zoals Wibaut en De Miranda in Amsterdam en Heijkoop en De Zeeuw in Rotterdam.

Die associatie van bijvoorbeeld Margrethe Vestager of Frans Timmermans met het wethouderssocialisme is raar, want hun beleid is op een aantal terreinen ronduit liberaal kapitalistisch van aard. Ze verdedigen de vrije markteconomie, stimuleren optimale concurrentie en straffen staatssteun aan bedrijven categorisch af.

Maar tegelijkertijd lanceren en stimuleren ze op andere terreinen initiatieven die je gerust progressief of zelfs socialistisch mag noemen. Ze promoten bijvoorbeeld plannen voor gelijke, dus niet concurrerende belastingheffing in de verschillende lidstaten (commissaris Dombrovski) en bepleiten het optrekken van het sociale minimum voor heel Europa (commissievoorzitter Von der Leyen). Commissaris Vestager bestrijdt met kracht de monopoliepositie van Big Tech in Europa.

Wat me het meeste aan die wethouders van vroeger doet denken is de aanwezigheid van een doordachte en heldere visie op wat er gebeuren moet, dus in hun geval: wat Europa nodig heeft. En gekoppeld daaraan hun vermogen om dingen daadwerkelijk in gang te zetten. Op een of andere manier steekt dat prettig af tegenover het onvermogen in de Nederlandse politiek om een consistente visie te ontwikkelen op de problemen die zich voordoen. Er lijkt  op het nationale vlak vaak niet meer in te zitten dan pappen en nathouden. Hooguit heeft op dit moment oud-wethouder Hugo de Jonge met zijn huisvestingsplannen nog iets weg van de vroegere doorduwers. 

Misschien lenen veel huidige problemen zich ook niet meer voor aanpak op nationale schaal en kun je alleen in Europees verband effectief zijn. Om die reden hoor je zelfs van de VVD tegenwoordig pleidooien om dingen Europees aan te pakken, zoals Silvio Erkens’ voorstel voor Europese verplichtingen voor schone brandstof. 

Nu nog het EU-gevoel bij ons, gewone burgers. Daar mag best wat meer aan gewerkt worden, ook al zal dat het authentieke 020- of 010-gevoel nooit kunnen evenaren.

Zie ook Decadent?

Wil je commentaar geven of zien: klik op De wethouders van Europa en scrol naar beneden door.

vrijdag 5 augustus 2022

Niet gehoord en niet gezien


‘Het gelaat’ was het onderwerp van mijn vorige column, en daar ga ik nog even op door want ik voel behoefte om de betekenis van dat woord enigszins af te bakenen. Door de openheid van het woord ‘gelaat’ kan het zomaar gekoppeld worden aan van alles dat je onder de noemer van ‘sociale warmte’ kunt scharen: verbondenheid, empathie, gemeenschap. Daardoor kan het geassocieerd worden met een soort van intermenselijke rijkdom en volheid.

Maar met Levinas ben ik geneigd om die koppeling niet te maken, en het woord in eerste instantie eerder in verband te brengen met een zekere armoede. Hij zegt niet voor niets: “De huid van het gezicht is het meest naakt, het meest behoeftig”. Zo opgevat komt het gelaat te staan voor: niet gehoord en niet gezien worden. En: voor mijn confrontatie met dat niet gehoord en gezien worden van de ander.

Wordt het daarmee minder herkenbaar, of iets zeldzaams? Ik ben bang van niet. Niet gehoord en niet gezien worden zijn misschien wel veel wijder verspreid dan we denken. En dan gaat het niet per se over het niveau van maatschappelijke of beroepsgroepen (toeslagenouders of boeren), hoewel het daar zeker ook aan de orde is. Maar meer over het niveau van persoonlijke behoeften, verlangens, frustraties. Dit is recent goed verwoord door Jurriën Hamer in een column in Trouw waarin hij zegt dat het gevecht tegen angst, eenzaamheid en depressie misschien voor veel mensen wel tot onze dagelijkse prestaties behoort, maar ook dat we dat nauwelijks onderkennen.

Die onderschatting is spijtig, maar voor mijn onderwerp – het gelaat – betekent dat ook goed nieuws. Want de ontmoeting met het gelaat vindt kennelijk veel vaker plaats dan we ons realiseren. En ook al is het gelaat armoedig, de ontmoeting ermee heeft – in tweede instantie – wel degelijk een krachtige verbindende werking. Het echte contact wat daarbij hoort is dus misschien ook wel veel gewoner dan we denken.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Niet gehoord en niet gezien en scrol naar beneden door.

donderdag 21 juli 2022

Levinas en Zoom


Mijn favoriete filosoof Emmanuel Levinas formuleert het kernthema van zijn filosofie vaak als “de ontmoeting met het gelaat van de ander”. Het woord ‘gelaat’ is kennelijk een sleutelwoord in zijn gedachtengoed. Maar wat verstaat Levinas dan precies onder het gelaat, en het appèl dat daarvan uit kan gaan? De ervaringen die veel van ons de afgelopen twee jaar hebben gehad met het digitale communicatieprogramma Zoom bieden me de gelegenheid voor een aantal gedachten over de betekenis van het gelaat bij Levinas.

Want Zoom werd in coronatijd gebruikt voor allerlei bijeenkomsten – werkvergaderingen, cursussen, tweegesprekken – die niet meer fysiek konden plaatsvinden. En wat je dan meestal op je scherm zag waren gezichten. Soms twintig in klein formaat onder en naast elkaar op een scherm, soms enkele in wat groter formaat, maar ook dan gewoonlijk (maar niet altijd) met de focus op de gezichten. 

Je kunt gelaat opvatten als een ander woord voor gezicht. Zo bezien zouden, uitgaande van het denken van Levinas, Zoomsessies een rijke bron van echte, menselijke ontmoetingen kunnen zijn. Al zegt hij op allerlei plekken dat gelaat meer is dan dat, bijvoorbeeld in De totaliteit en het Oneindige: “Het hele lichaam – een hand of een kromming van de schouder – kan expressie zijn zoals het gelaat dat is”. Dat je in Zoomsessies elkaar meestal niet in de ogen ziet (want dan moet je in de camera kijken) hoeft dus ook niet af te doen aan de toepasselijkheid van het woord gelaat in Levinassiaanse zin.

En inderdaad, sommige effecten die Levinas aan het gelaat toekent worden versterkt door de werking van Zoom. Levinas heeft het veel over wat hij noemt de “naaktheid” van het gelaat. Daarmee bedoelt hij dat het zich onttrekt aan een gedeelde context, zoals een professionele of sociale omgeving. Het gelaat staat absoluut los staat van maatschappelijke rollen, categorieën en sociale conventies. Levinas: “Gewoonlijk heb je een rol: je bent professor aan de Sorbonne, rechter van het Hooggerechtshof, zoon van die-en-die, alles wat in je paspoort staat, de manier van kleden, jezelf presenteren. En alle betekenissen in de gebruikelijke zin van het woord ‘rol’ hebben betrekking op zo’n context: de betekenis van iets staat in relatie tot een ander ding. Het gelaat, daarentegen, is een betekenis op zichzelf. De naaktheid van het gezicht is relatieloos, een armoede, het is onthecht terwijl het optreedt. Een gelaat komt onze wereld binnen vanuit een absoluut vreemde sfeer – dat wil zeggen, juist vanuit een absoluutheid, wat in feite de naam is voor fundamentele vreemdheid”. 

Deze beschrijvingen zijn nogal extreem geformuleerd, maar iets van de bedoelde onbepaaldheid gaat wel op voor de degene die niet in de gebruikelijke vergaderzaal of cursuslocatie, met hun vaste rangorde en zitplaatsen, en gekleed in casual kleren, aan anderen op het scherm verschijnt. In zekere zin ontsnapt de Zoomdeelnemer aan de categoriserende en determinerende blikken van de anderen. De thuiszoomer is in zekere mate losgemaakt van zijn standaardmanifestatie, hij drukt meer zichzelf uit. En dat komt in de buurt van wat Levinas zegt over het gelaat. Er is dus iets te zeggen voor de gedachte dat Zoom goed is voor de manifestatie van het gelaat.

Daar staan een aantal dingen tegenover die Zoom en gelaat minder goed doen samengaan. Allereerst dat, vergeleken met de standaard neutrale kantoor- of cursusomgeving, er een nieuwe context verschijnt, gewild of ongewild, namelijk de privé-context. Die kan variëren van de zichtbaarheid van een hoop rommel in de kamer op de achtergrond, een onopgemaakt bed en maaltijdresten, tot juist een zeer zorgvuldig ingerichte achtergrond en geregisseerde belichting. Hoe dan ook, je kunt opnieuw de verschijnende persoon relateren aan haar omgeving, je kunt opnieuw determineren. Requisieten geven hun eigen context, en leiden zo af van het gelaat en zijn naaktheid.

Daar komt bij, als de naaktheid van het gelaat zo belangrijk is, dan is de aanwezigheid van een scherm per definitie een verzwakking daarvan. Het scherm dekt af, het is een nieuwe laag tussen het gelaat en de kijker. En behalve een scherm zit er een heel regelsysteem tussen de kijker en de ander; je kunt met je dashboard de zichtbaarheid zomaar uitzetten, van beide kanten trouwens. De onontkoombaarheid van de ontmoeting is daardoor minder, de vrijblijvendheid is groter. Dat zal ten koste gaan van de wederzijdse aandacht, en kan zorgen voor afleiding. 

Omgekeerd komt zonder scherm in the open air de naaktheid van het gelaat van de ander harder aan. En dit impliceert veel voor Levinas, want de ontmoeting met het gelaat is, zoals we zagen, voor hem ook altijd de ontmoeting met behoeftigheid: “De huid van het gezicht is het meest naakt, het meest behoeftig”. De ontmoeting met de ander is zelfs altijd, wat hem betreft, een beschuldiging aan mijn adres. In de woorden van Levinas-kenner Ramona Rat, waar ze over de onbepaaldheid spreekt van het gelaat: “Instead of affirming something, the face is an accusation”. Open contact, jawel, maar direct een stuk gecompliceerder dan met een scherm ertussen. 

Alles afwegende is mijn conclusie dat het verschijnsel gelaat zoals Levinas dat beschrijft eerder optreedt zonder Zoom, dan met Zoom. Het gelaat werkt beter zónder scherm. Die gedachte kan de twee ervaringen verklaren die je veel hoort van mensen over hun Zoomgebruik. In de eerste plaats dat je op Zoom zakelijker overleg kunt voeren dan in elkaars fysieke aanwezigheid. Vergaderingen gaan een stuk sneller en efficiënter, kennelijk mis je een bepaalde ballast. Dat zou weleens die intermenselijke complexiteit kunnen zijn die Levinas toekent aan de open ontmoeting met de ander, dus aan het gelaat. Maar, in de tweede plaats, en waarschijnlijk als tegenhanger van de eerste ervaring, je míst ook werkelijk iets dat niet alleen maar ballast is. Het contact is minder intensief en volwaardig, vanwege het ontbreken van de complexiteit. Er is minder gelaat, zeker als het hele lichaam telt als gelaat. En ja, dat voel je.

Zie ook Het Gelaat als duizenddingendoekje en Levinas zoals ik hem begrijp.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Levinas en Zoom en scrol naar beneden door.

donderdag 7 juli 2022

Van ‘oud wij’ via ‘heilig’ naar ‘nieuw wij’


Het is nogal een traject dat godsdienstwetenschapper Karen Armstrong in een bestek van twee A4tjes overbrugt. Of eigenlijk nog minder, want in het interview dat Marjoleine de Vos in NRC met haar heeft voltrekt zich pas op de laatste pagina de overgang van een bepaalde invulling van de woorden ‘wij’ en ‘heiligheid’ naar een totaal andere opvatting ervan.

De aanvankelijke opvatting van een maatschappelijk ‘wij’ klinkt nogal geijkt, traditioneel en simplistisch, als die van een vroom-romantisch collectief wij. In plaats van persoonsgericht het steeds te hebben over ‘mij’ en ‘mijn gevoelens’ moeten we, aldus Armstrong, onze sympathie en liefde uitbreiden naar iedereen en de hele aarde. Want de schepping is heilig.

De Vos protesteert, zij vindt deze opdracht getuigen van een onmogelijk soort deugdzaamheid. Ze werpt tegen: “U zegt ‘wij’. Veel mensen interesseren zich totaal niet voor de heiligheid van de natuur of voor zelfverbetering”, waarop Armstrong antwoordt: “Zeker. Maar we moeten echt iets doen, willen we een ramp voorkomen, het is hoe dan ook ‘wij’, we zitten er allemaal in. Iedereen moet zijn eigen weg vinden”. 

Marjoleine de Vos is niet overtuigd en vraagt of het gebruik van zo’n massief begrip als ‘heiligheid’ wel behulpzaam is. “Heilig is een lastig begrip”. En dan blijkt dat Armstrong het niet zo simplistisch en zoet bedoelt als het in eerste instantie door De Vos en mij begrepen wordt. Dat heiligheid juist iets gecompliceerds is, en te maken heeft met respect voor singulariteiten met elk zijn eigen eigenheid. Niks collectiefs of gelijkvormigs dus. “Heilig betekent oorspronkelijk vooral ‘anders’. Dat is wat we zien als we naar een bloem kijken, dat die ‘anders’ is dan wij. Die andersheid moeten we respecteren. Net zoals we dat met andere mensen moeten doen.”

Dat schept ademruimte waarin de zoetheid wijkt voor meer realistische menselijke omstandigheden en (on)hebbelijkheden. De Vos: “Ik zou best iemand willen zijn die vriendelijk is tegen alle mensen maar…”. Armstrong: “Ik ben dat niet. Ik heb een scherpe tong”. Conclusie: “Heilig wil niet zeggen: dat iets goed is, of moreel juist of voorbeeldig. Het betekent alleen dat alles een eigen leven heeft, apart en verschillend van het onze, met eigen pijn en moeilijkheden en vreugde.”

En ‘wij’? Wij zijn een zootje ongeregeld.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Van ‘oud wij’ via ‘heilig’ naar ‘nieuw wij’ en scrol naar beneden door.

vrijdag 1 juli 2022

Hannah Arendt als Talmoedist


De filosoof Hannah Arendt is moeilijk in een hokje te stoppen. Ik probeer het regelmatig, maar dat lukt niet goed. Ze komt vanzelf in meerdere hokjes tegelijk terecht (wie niet trouwens).

Allereerst het hokje ‘Joods’, vanwege de prominente aanwezigheid van antisemitisme in haar levensgeschiedenis. Geboren in een Joods gezin in Linden en opgegroeid in Königsberg heeft ze in haar opvoeding en opleidingen niet veel van de Joodse traditie meegekregen, maar haar Joodse afkomst dwong haar wel om in 1933 het naziregime te ontvluchten, en bracht haar tot omarming en daarna verwerping van het zionisme. Ondertussen reflecteerde en schreef zij over tal van Joodse onderwerpen, waaronder het Eichmannproces in Jeruzalem.

Dan is er het hokje van de ‘contemplatieve westerse denker’. In de beste traditie van de  Christelijke metafysica zocht Arendt naar een vrijplaats voor beschouwende reflectie. Zoals monniken in hun kloosters een thuis vonden voor hun intellectuele en spirituele behoeften, zo beschreef Arendt het metafysische gebied buiten de dagelijkse tijd en ruimte soms als een Bleibe, een verblijfplaats waar de geest lang genoeg rondhangt (bleibt) voor het creëren van een rijke voorraad van toegankelijke ideeën.

Maar dat verlangen naar reflectie kon allerlei wendingen nemen, en die brachten haar van een verblijfplaats buiten tijd en ruimte naar juist en bij uitstek op de eigen tijd betrokken worstelingen. Dat noem ik het ‘Talmoedische hokje’ van Arendt, niet omdat zij ook maar iets met de Talmoed van doen had, maar wel omdat haar gedrevenheid om de eigen tijd te begrijpen doet denken aan de intensiteit waarmee de Talmoedische rabbijnen hún tijden probeerden te duiden. Jasmina Tacheva zegt daarover dat, in het beroemde interview dat Günter Gaus met Arendt had in 1964, “ze herhaaldelijk spreekt over een ‘fundamentele’, niet aflatende innerlijke drang die haar bij al haar inspanningen volgt – haar Verstehenmuss, ‘de behoefte om te begrijpen’. Ze legt bijvoorbeeld uit dat schrijven haar helpt bij het begrijpen en dat de sensatie die voortkomt uit iets te vatten, is als een Heimatsgefühl. Het denkproces is niet alleen een middel om intellectueel en spiritueel thuis te komen; het ís thuis”. 

De associatie met de rabbijnse traditie van de Talmoed wordt nog versterkt door twee kenmerken van Arendts werken. Allereerst de nadruk daarin op het belang voor dat genoemde denkproces van pluraliteit, het tot zijn recht laten komen van verschillende stemmen en meningen naast elkaar. Want dat is hoe de Talmoed werkt. En daarnaast haar opvatting over de geschiedenis. Die wordt volgens haar bepaald door een eindeloze variëteit van alternatieve mogelijkheden maar toch, zegt Tacheva, gelooft Arendt dat als we terugkijken naar het verleden, “we can ‘tell a story that makes sense’”. Arendt zou er vast van schrikken te horen dat dat mij Talmoedisch in de oren klinkt.

Zie ook Levinas en Arendt en Wittgenstein als Talmoedist.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Hannah Arendt als Talmoedist en scrol naar beneden door.