Rudi Fuchs belichaamde een tijdgeest. Dat zou je kunnen zeggen, afgaande op de diverse in memoriams ter gelegenheid van het overlijden vorige week van de voormalige directeur van het Stedelijk Museum Amsterdam. Daarmee wordt dan meteen iets gezegd over de waardenverschuivingen in de samenleving die de laatste twintig, dertig jaar hebben plaatsgevonden.
In meerdere commentaren komt de ideologische gekleurdheid naar voren van Fuchs’ opvattingen over kunst. Fuchs geloofde in de kunstenaar als individu, het liefst een genie, maar in ieder geval vrij en autonoom, zichzelf de wet voorschrijvend. Én hij ging ervan uit dat dat geloof in het autonome individu een universeel ideaal is, gedeeld door alle mensen op aarde. Hij beleefde die overtuigingen dus niet als een eigen specifieke ideologie of geloof, nee zo wás het gewoon. Hij vertolkte voor zijn gevoel een algemene, neutrale waarheid.
Dat matcht vrij precies met de dominantie in en rondom de jaren negentig in het Westen van het liberalistische wereldbeeld waarin individuen hun eigen weg creëren en gaan. Zoveel mogelijk los van contexten als opvoeding, religie, nationaliteit en dergelijke. Men ging er nogal klakkeloos vanuit dat alle mensen ter wereld, misschien heel langzaam maar toch, die kant op bewogen, en dat alle volkeren op weg waren richting democratie en omarming van de mensenrechten. Er was nauwelijks besef dat dat wereldbeeld eigenlijk niet zo neutraal was als het klonk, omdat het in wezen een door en door westers karakter had. De vermeende universaliteit was eurocentrisch geworteld, en dus helemaal niet universeel.
Hoezeer dat op Rudi Fuchs van toepassing was kan blijken uit het in memoriam van Steven ten Thije, hoofd collecties van het Van Abbemuseum: “Wat toen als autonome, universele vrije kunst werd gezien, was gekleurd door zijn eigen blik, en die was westers, Europees”. En, zegt NRC erbij, die blik was bij voorkeur gericht op vaak bevriende, vooral mannelijke West-Europese kunstenaars. De huidige directeur van het Stedelijk Museum Rein Wolfs wijst op de verschuivingen ten opzichte van die tijd: “We denken nu minder hiërarchisch in het museum, we geven meer aandacht aan andere regio’s in de wereld buiten de Europese kunst, zijn breder gaan programmeren. In het museum werken we niet meer alleen vanuit de genialiteitsgedachte van de grote iconische kunstenaars, we nemen meer afstand, letten meer op context waarin kunst is ontstaan.” Op soortgelijke manier wordt in de samenleving als geheel tegenwoordig van waarden zoals mensenrechten, individuele autonomie, gendergelijkheid – zeker door niet-westerse landen – de westerse oorsprong aangewezen en daarmee de bijna kolonialistische dominantie.
De huidige generatie kunsthistorici en museumdirecteuren lijkt het unaniem een goede zaak te vinden dat ze de blinde vlekken van de generatie Fuchs achter zich hebben kunnen laten. Maar opvallend is tegelijkertijd een gevoel van heimwee naar de romantische museumdirecteur van het type Fuchs: die kon vanuit zijn eigen ervaring verbinding maken met kunstenaars, hij ging met ze in gesprek, kende veel van hen persoonlijk. “Ja, dat overromantische van Rudi Fuchs missen we soms in de Nederlandse musea”, aldus Wim Pijbes.
Wil je commentaar geven of zien: klik op Rudi Fuchs en scrol naar beneden door.










