Volgens hoogleraar Gert-Jan van der Heiden was Levinas in Nederland ooit zo populair onder filosofen en theologen dat het soms nodig was om te zeggen dat niet iedere ander ongevaarlijk en hulpbehoevend is. En inderdaad, die wat mij betreft naïeve en overvragende interpretatie van Levinas kwam je veel tegen, en die doet nog steeds regelmatig opgeld. In het deeltje van ‘Kopstukken filosofie’ over Levinas zeggen Marcel Poorthuis en Joachim Duindam het als volgt: “De zieke, de arme, de weduwe en de wees zijn in de teksten van Levinas prototypes van het appèl op zorg dat iedere mens op mij doet”.
Maar het is toch evident dat een universeel verplichtende, opofferende houding tegenover al je medemensen onhaalbaar is? Je vraagt je af hoe een dergelijke opvatting van Levinas ooit populair kon worden. Het antwoord is dat die interpretatie van Levinas naadloos aansloot bij een al even veeleisende en universeel geachte ethische traditie met diepe wortels in het Westen, namelijk die van christendom en kantianisme. Met het terugtreden van die traditie (met name van het christendom) kon de lege plek tijdelijk gevuld worden door de omarming van een Joodse filosoof aan wie men dezelfde overspannen opvattingen toekende.
Wat men over het hoofd zag: de plaats die Levinas geeft aan genieting en plezier, en aan de mogelijkheid goede verhoudingen gewoon aan te treffen, te vinden in de werkelijkheid. Ik geloof daarom ook niet in de loodzware, zeg maar calvinistische interpretatie van Levinas. Ik benadruk eerder het omgekeerde: je hoeft je bij Levinas niet in het zweet te werken om de Ander recht te doen.
Ten eerste omdat de Ander niet zomaar iedere ander is, maar degene die bij jou inbreekt. Dat kán een klootzak of kankerpit zijn, zeker, maar het zal beslist niet iedere klootzak of andere mens betreffen. De inbreuk overvalt je en dan zul je er waarschijnlijk naar handelen.
Ten tweede, en het belangrijkste, het initiatief tot de relatie gaat niet van mij uit maar van de ander. Het gebeurt gewoon. Voorbereiding daarop door empathie of oefening is maar heel beperkt of niet mogelijk, vanwege – volgens Levinas – de absolute onkenbaarheid van de ander. Er komt, in afwijking van de westerse traditie, dus minder initiatief tot deugdzaamheid bij het ik te liggen. Levinas benadrukt juist dat ik helemáál niet het startpunt ben. Er zijn momenten dat er niets overblijft van het met plichten beladen, activistische ik omdat ik geraakt word door een ander, door zijn kwetsbaarheid, of door haar gepijnigde blik of zichtbare pijn. Dan neemt zo’n ander het over en ik laat me daardoor bepalen. In plaats van overspannen deugdzaamheid is er eerder een soort passiviteit aan de kant van het ik. Zo bezien heeft Levinas iets ontspannends in plaats van onhaalbaar belastends.
Op dat punt situeer ik het revolutionaire aspect van de benadering van Levinas. Want hij komt uiteindelijk bij andere waarden uit dan die gangbaar zijn in filosofie en ethiek: heteronomie zet hij tegenover, of op z’n minst naast autonomie, passiviteit zet hij tegenover initiatief, de ander komt soms als vanzelf vóór het ik, en niet door zelfkwellende oefening.
Zie ook Overspannen spraakverwarring. en Wie is de Ander bij Levinas?
Wil je commentaar geven of zien: klik op Levinas en ontspanning en scrol naar beneden door.










