vrijdag 22 oktober 2021

Biologisch en sociaal darwinisme


In mijn blogbericht Even slikken schreef ik over de keuze voor het neoliberalisme die verschillende prominente Christendemocraten maakten na de oorlog en weer vanaf de jaren tachtig. Ik vond dat ontluisterend omdat het mensbeeld achter het neoliberalisme nogal plat is. Dat had ik niet verwacht van de Christendemocraten.

Bij nader inzien had het niet zo onverwacht hoeven zijn voor me. Want had ik niet voorbereid kunnen zijn op dat démasqué van het CDA? Had ik me niet veel eerder kunnen realiseren dat ‘consultant des vaderlands’ Wopke Hoekstra het ware gezicht is van de Christendemocraten, en dat de woorden ‘rentmeesterschap’, ‘solidariteit’ enzovoorts vooral zoethoudertjes zijn voor CDA-partijcongressen?

Al in de jaren zestig van de vorige eeuw wist ik uit de eerste hand hoe diep het 19e-eeuwse darwinistische strijdmodel verankerd was op de Jezuïetenscholen. Daar waar de Katholieke maatschappelijke elite werd klaargestoomd voor haar rol in de samenleving was competitie het organiserende principe. Niet alleen moesten de kostschooljongens regelmatig vechten om de laatste boterham, leerlingen werden in groepen ondergebracht die onderling met elkaar concurreerden op gebieden van school- en sportprestaties.

Het basale wereldbeeld van het Katholieke establishment verschilde niet zo veel van dat van de seculiere hoogopgeleide mainstream: dat beeld was diepgaand gevormd door neodarwinistische biologische theorieën. Die theorieën beschouwen de evolutie van leven als bepaald door natuurlijke selectie via competitie en het optreden van genetische mutaties. Vanuit de biologie monden op sociaalwetenschappelijk terrein die onwankelbare uitgangspunten uit in de stroming van het sociaal darwinisme waarin de maatschappelijke ordening verklaard wordt als het gevolg van competitie en genetische aanleg, met als meest smerige uitloper de ‘wetenschappelijke’ rassentheorieën die bijvoorbeeld zwarten of Joden als inferieure producten van de menselijke evolutie beschouwen. 

Je kunt dit een diep cynische kijk op het menselijk leven noemen, en daarmee verplaatst en verbreedt zich mijn verbazing. Want – ook al ging niet iedereen zover als het sociaal darwinisme – niet alleen de Katholieke elite maar het establishment over de breedte van de hele samenleving was doordrenkt van het kille competitiedenken, gevoed vanuit de biologische wetenschap. Terwijl de toplaag van diezelfde samenleving, als ze zich niet religieus noemde, zich toch op zijn minst op humanistische waarden wilde beroepen. Hoe rijmt zo’n samenleving dat met elkaar, vraag ik me verbaasd af.

De vanzelfsprekende en kritiekloze acceptatie van neodarwinistische uitgangspunten is af te lezen aan de affaire Lynn Margulis. In 1966 schreef Margulis als jonge microbioloog aan de Boston University een theoretisch artikel over endosymbiose, het verschijnsel waarbij een organisme symbiotisch leeft in de cellen of in het lichaam van een gastheerorganisme. Een implicatie van haar artikel was dat evolutie niet alleen kan verlopen via strijd, maar ook via onderlinge afhankelijkheid en coöperatie van meerdere organismen. Een organisme kan bijvoorbeeld een ander organisme verzwelgen, maar zodanig dat beide overleven en uiteindelijk gedurende miljoenen jaren evolueren tot volwaardige cellen. Samenwerking in plaats van strijd!

Margulis had de grootste moeite om het artikel geplaatst te krijgen. Het werd door meer dan twaalf wetenschappelijke tijdschriften afgewezen, en uiteindelijk geaccepteerd door The Journal of Theoretical Biology. De reden voor de afwijzing en vijandigheid die Margulis ondervond was, zoals de New World Encyclopedy het formuleert, dat “terwijl de klassieke interpretatie van evolutie, het neodarwinisme, de nadruk legt op concurrentie als de belangrijkste kracht achter evolutie, Margulis samenwerking benadrukt als de belangrijkste factor in de ontwikkeling van het leven”. 

Margulis werd als een radicale nieuwlichter beschouwd door haar collega’s die wilden vasthouden aan de traditionele survival of the fittest-benaderingen van de biologie. Tegenwoordig wordt het artikel beschouwd als een mijlpaal in de moderne endosymbiotische theorie.

Waar het mij om gaat is vast te stellen hoe diep, als een ware ideologie, het competitiedenken in de samenleving van de 19e en 20e eeuw geworteld was. En hoe groot de strijdigheid met de religieuze of humanistische waarden – zoals samenwerking – die men beleed, zonder dat men die strijdigheid doorhad. 

Dan hebben we, sinds de jaren zestig, toch wel enige vooruitgang geboekt.

Zie ook Even slikken

Wil je commentaar geven of zien: klik op Biologisch en sociaal darwinisme en scrol naar beneden door.

vrijdag 8 oktober 2021

Levinas en gender


Door corona teruggedrongen in de binnenkamer kwam ik de afgelopen anderhalf jaar tot een onderzoekje naar parallellen tussen de dynamiek van de genderbeweging en het denken van Emmanuel Levinas. De aanleiding was een gelijksoortige irritatie die ik voelde bij die twee ideeënstromen en die te maken heeft met wat ik op sommige momenten beleef als vervaging van concepten en willekeurige taalvernieuwing. ‘Hoe vaag kun je zijn?’ roep ik op die momenten inwendig uit.

De eerste stroom, die van de genderdiscussie, is natuurlijk al veel langer aan de gang maar voor mij kennelijk pas recent onontkoombaar actueel geworden. De andere stroom is die van het boek Un-common Sociality. Thinking sociality with Levinas van de Zweedse filosoof Ramona Rat, waar ik door de relatieve rust van de corona lockdown grondig kennis van kon nemen.

De eerste stroom zit dicht op de huid van concrete personen en groepen en daarvan pik ik de ideeën op uit een bijna dagelijkse vloed van artikelen in kranten en tijdschriften, en soms uit boeken. De tweede stroom, bijna volledig ontleend aan het boek van Rat, is theoretischer en beweegt zich door een intellectuele ruimte van noties en concepten.

Opmerkelijk genoeg bleken in mijn hoofd de twee stromen elkaar te kruisen en een verbinding aan te gaan. Ik kreeg de indruk dat veel van wat Levinas volgens Ramona Rat teweegbrengt in zijn denken over socialiteit lijkt op de dynamiek die de genderbeweging genereert.

Tot die dynamiek behoren verschijnselen zoals vervaging van concepten en creatie van nieuwe taal. Vervaging van concepten treedt in de genderbeweging onder andere op door een minder scherpe afbakening van het onderscheid tussen man en vrouw dan traditioneel gangbaar is. Aansluitend leeft het verlangen naar nieuwe taal zich daar uit in nieuwe woorden voor man en vrouw, bijvoorbeeld ‘mevreer’ en ‘menouw’.

Bij Levinas toont zich de conceptvervaging doordat hij, als het gaat om de mens, de termen ‘binnen’ en ‘buiten’ (bedoeld als: de binnenwereld en de buitenwereld van de mens) meer in elkaar laat overvloeien dan gebruikelijk is, evenals de aanduidingen ‘passief’ en ‘actief’. 

Nogmaals: hoe vaag kun je zijn? Hier gaan echt dingen schuiven. Als er – voor het gevoel van de meeste mensen – iets is wat sinds het oerbegin van de mensheid vastlag was dat het verschil tussen man en vrouw, onder toekenning van specifieke en niet alleen biologische kenmerken voor elk van de twee categorieën. En anders wel het verschil tussen binnen en buiten, van elkaar gescheiden door de grenslijn daartussen.

Wat daar zo irritant aan is: je hele wereldbeeld gaat schuiven. Aan de vaste ordening in taal en woorden ontlenen we veel van onze oriëntatie in de wereld. Noem het ontologische zekerheid, omdat de ontologie de leer is van de ordening van al wat is in categorieën en patronen. Als die zekerheid je ontglipt kunnen verwarring en boosheid toeslaan. 

Als het gaat om de genderbeweging kun je van die ergernis in de media op dagelijkse basis uitingen tegenkomen. Een greep daaruit: “Zo wordt ‘vrouw’ ineens uit het woordenboek geschrapt!”, “De Franse taal gaat ten onder als het bestaan van genderneutrale voornaamwoorden wordt erkend”, “Kunnen we dan niet beter het verschijnsel taal opheffen?” 

Bij mij zal de irritatie ongetwijfeld uit eenzelfde soort verwarring voortkomen. Waarom hecht ik desondanks toch veel waarde aan de genderbeweging en het denken van Levinas? Dat heeft ermee te maken dat zowel de genderbeweging als Levinas een motief hebben voor hun knagen aan de ontologische zekerheid. 

In beide gevallen is het motief dat de keurige ontologische ordening van onze wereld in categorieën – je kunt het ook hokjes noemen, en ontologie hokjesdenken – beklemming en onvrijheid kunnen opleveren. Dan zijn de kosten te hoog.

De genderbeweging wijst op de beklemming die uitgaat van traditionele enge omschrijvingen van identiteiten als man en vrouw. Het loslaten daarvan kan een ware bevrijding vormen zoals bij de transvrouw Jan Morris waarover in Trouw gerapporteerd werd: “De opluchting die Jan voelde was immens. Ook in haar oude vertrouwde wereldje kon ze haar oude-nieuwe zelf zijn: in één en dezelfde wereld was alles veranderd en tegelijkertijd ook precies hetzelfde gebleven.”

Voor Levinas bestaan de kosten van hokjesdenken uit de totaliserende werking die ervan uitgaat wanneer de hele wereld in één groot systeem wordt ondergebracht. Oprechte communicatie tussen mensen is dan de verliezer want, zegt Levinas, voor werkelijke communicatie is ontsnapping noodzakelijk uit een alomvattend systeem.

Zó vaag mag je zijn, dus.

Zie ook Moeilijker dan postmodern

Wil je commentaar geven of zien: klik op Levinas en gender en scrol naar beneden door.

woensdag 15 september 2021

Smartphonewappie


Eigenlijk kun je mij wel een wappie noemen, maar dan een smartphonewappie. Want ik wil geen smartphone, en daar maak ik best een punt van. Een smartphone biedt veel moois, maar ik heb het meeste niet nodig. Wat ik nodig heb vind ik op mijn gewone mobiele telefoon en het meerdere leidt alleen maar af en vreet energie die ik daar niet aan wil besteden. 

Een coronawappie ben ik beslist niet, de officieel voorgeschreven maatregelen heb ik tot nu toe braaf en vrij onbewogen gevolgd. Soms waren ze inconsistent of halfslachtig, maar dat kon ik wel begrijpen gezien de onbekendheid van de overheid met dit virus dat plotseling kwam opduiken. Soms vond ik de maatregelen ronduit vervelend, zoals de verplichting een mondkapje te dragen in de winkel en, nog steeds, in het ov. Ik krijg het gauw benauwd achter die lap, en mijn bril beslaat. Maar ik deed en doe het gewoon.

Tegen vaccinatie heb ik nooit bezwaar gehad, dus ik heb op tijd mijn prikken gehaald en stel tevreden vast dat ze tot nu toe hun werk doen.

Als ik toch iets gemeen heb met de vaccinwappies zal het een soort van trots zijn over verzet tegen maatschappelijke trends waar je je zo maar aan te onderwerpen hebt. Bij de vaccinweigeraars betreft dat de gedwongen inbreuk op je lichamelijke integriteit, bij mijn smartphoneweigering de opdringerigheid waarmee ik in de rol van steeds meer eisende consument gedwongen word. Noem het culturele ongehoorzaamheid: als de dominante cultuur zegt: je kunt het krijgen dus zul je het nemen ook, dan weiger ik dat lekker. 

Het kan zijn dat ik het, net als de vaccinwappies, nog moeilijk krijg. In plaats van een druk op de knop die de QR-code genereert, zit ik te hannesen met papieren kopieën die ook nog verslijten en snel onleesbaar worden voor de scanners, zodat ik steeds een nieuwe moet printen. En misschien is dit nog maar het begin, en volgen er veel meer toegangscodes op de telefoon, die mij gaan dwingen tot een complete QR-code papierwinkel.

Ik weet niet hoelang ik dat volhoud. Ik sta niet in voor de heldhaftigheid van mijn culturele verzet als blijkt dat het veel gedoe gaat opleveren. Maar vooralsnog houd ik stand!

Zie ook Levinas en scepsis

vrijdag 10 september 2021

Hoge Feestdagen 5782/2021


De Hoge Feestdagen zoals gebruikelijk in sjoel: een gedruis van vriendelijk rumoer, mensen die in- en uitlopen, elkaar begroeten, sjmoezen. Gecombineerd met een continue stroom van gebeden en gezangen, af en toe onderbroken door momenten van intense stilte en concentratie.

Maar dit jaar is het anders. In verband met corona functioneert de ‘Jodenkerk’ als iedere andere kerk. De bedoeling is dat we op tijd binnen zijn, en dat er niet rondgelopen wordt. We mogen geen handen schudden, niet meezingen en niet napraten in sjoel. En hoe dan ook, er zijn minder mensen, al ziet de sjoel er best goed gevuld uit.

Wat overblijft zijn vooral de plechtige momenten, gezangen en gebeden. Je kunt zeggen: dat is toch waar je voor komt. Nou, dat is dus maar gedeeltelijk waar. Ik hoop daarom van harte dat het niet té onbeweeglijk en plechtstatig wordt.

Een goed en zoet Joods nieuwjaar gewenst!

Zie ook Kol Nidrei en andere illusies

vrijdag 27 augustus 2021

Paulus en het vlees


Laatst las ik over een merkwaardige oplossing voor een merkwaardig probleem. Het speelt bij de levensbeschouwelijke buren, de Christenen, dus het gaat me niet direct aan, maar ik vind de gevolgde redeneringen zo curieus dat ik het er even over wil hebben en mijn positie wil bepalen.

De kwestie start met een probleem voor de vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling. Nu zij aangekomen zijn bij de brieven van de apostel Paulus blijven zij haken aan de traditionele vertaling van het Griekse woordje sarx als ‘vlees’ of ‘lichaam’. In Trouw omschrijft Nico de Fijter het probleem als volgt: “In de brieven van Paulus heeft het woord meestal een negatieve betekenis: sarx is fout, zondig. Paulus zet daar dan de Geest tegenover, die van God komt”. Daar zou je uit kunnen afleiden dat Paulus het menselijk lichaam afkeurt, en ook niet veel van seks moet hebben, aldus De Fijter.

Nog niet zolang geleden was die opvatting over lichamelijkheid en seks in allerlei maatschappelijke kringen gemeengoed. Maar al geruime tijd wint de waardering voor lichamelijke geneugten het van de afwijzing daarvan, en dus ook voor de vrije beleving van seksualiteit. Die laten we ons na de seksuele revolutie niet meer afpakken.

Curieus genoeg is nu de veronderstelling van de vertalers dat, omdat wij tegenwoordig waarderend spreken over lichaam en seks, Paulus daar niet negatief over geweest kan zijn. Als sarx dan toch een negatieve klank heeft voor Paulus, dan moet het wel iets anders betekenen. De vertalers komen voor dat andere uit op ‘aards’: het aardse is tegengesteld aan het hemelse. Het aardse mag je kennelijk blijven zien als negatief. 

Het blijft een beetje vaag wat je dan onder aards moet verstaan. Seks en andere lichamelijke geneugten dus niet want die zijn tegenwoordig hemels, maar verder moet daar toch nog veel van het overige onder vallen dat traditioneel als aards betiteld werd: lichamelijke behoeftigheid, misschien ook wel hedonisme, in ieder geval ziekte en imperfectie.

Ik denk dat dat laatste woord ‘imperfectie’ het beste aanduidt wat de Bijbelvertalers op het oog hebben met ‘aards’. Daar zou Paulus op gedoeld hebben: hij houdt niet van aardsheid want dat is imperfect. Seksualiteit en ander plezier hoeft daar niet meer toe gerekend te worden, dus dat probleem is opgelost. Tegelijkertijd is het dualisme van Paulus – dat wil zeggen een scherpe tweedeling tussen het negatieve aardse en het positieve hemelse – met de voorgestelde oplossing gered. 

De onttrekking van lichamelijke geneugten aan het begrip aards die daarvoor nodig is impliceert wel een verschuiving van de traditionele invulling van dat woord; het is een kunstgreep. Dat ik het hele proces merkwaardig noem heeft daarmee te maken. Ik snap niet waarom je de paulinische tegenstelling perfect versus imperfect in stand zou willen houden. Waarom zou je dat platoonse dualisme per se willen redden, met behulp van een toch tamelijk geforceerde kunstgreep? 

De Joodse traditie waar ik me toe beken spreekt zich regelmatig uit tegen een dergelijk dualisme en kiest voluit voor het aardse bestaan, met zijn geneugten én zijn imperfecties. Zie bijvoorbeeld Deuteronomium 30: “Niet in de hemel is het, dat je zeggen zou: Wie stijgt voor ons ten hemel om het voor ons te halen, en het ons te doen horen, zodat we het doen?”. Dat voelt een stuk relaxter. 

Zie ook Verdwijntruc

Wil je commentaar geven of zien: klik op Paulus en het vlees en scrol naar beneden door.

vrijdag 20 augustus 2021

Even slikken


Een grote groep Nederlanders vraagt zich steeds vaker af: hoe zijn we in godsnaam in deze politieke situatie terecht gekomen van afbrokkelende werkzekerheid, haperende jeugdzorg, onbetaalbare huren en afkalvend onderwijs? En waar gaat dit eindigen?

Voor het antwoord tasten we dan wat in het duister: het was de neoliberale op de markt gerichte tijdgeest van de jaren tachtig, de Angelsaksische invloed van Margareth Thatcher en Milton Friedman die eigenlijk on-Nederlands was, maar waar we mede door de kwakkelende economie van de jaren zeventig maar aan toegaven. 

Nu denk ik inderdaad dat er tijdens de jaren tachtig grote en deels terechte politieke zorgen bestonden over een onhoudbaar doorschietende verzorgingsstaat. “Nederland is ziek”, zei premier Lubbers naar aanleiding van het uitdijend aantal mensen in de WAO, en PvdA-leider Kok bleek het daarmee eens te zijn. Al eerder waren de sociale partners het eens geworden over loonmatiging en de noodzaak van bezuinigen, en daarover werden afspraken gemaakt in het Akkoord van Wassenaar.

Zo bezien lijkt de politieke koers van de Nederlandse regeringen in de jaren tachtig en negentig vooral pragmatisch van aard geweest te zijn. De verzorgingsstaat stond niet ter discussie, maar was hier en daar uit zijn voegen gegroeid en de politieke ingrepen waren niet meer dan correcties op die scheefgroei. Daar kwam geen ideologie aan te pas en daarom verliep de heroriëntatie in goede harmonie, volgens de beste tradities van het Nederlandse poldermodel. 

Maar klopt dat beeld wel? Ging het echt om alleen maar technische, ideologisch neutrale ingrepen? Hoe kan het dan dat we op dit moment in een regelrechte neoliberale dystopie terecht lijken te komen?

In een interessant NRC interview maakt de politiek socioloog Merijn Oudenampsen duidelijk dat er begin jaren tachtig meer aan de hand was: er werden wel degelijk scherpe ideologische keuzes gemaakt, precies in neoliberale richting. 

Toen Lubbers de verkiezingen won in 1982, vertelt Oudenampsen, lagen er twee rapporten klaar die elk een eigen antwoord formuleerde op de actuele sociaal-economische problematiek. Het eerste rapport, opgesteld onder leiding van de econoom Schouten, bepleitte een keynesiaanse koers. Waar nodig moest de verzorgingsstaat aangepakt worden, maar over het algemeen moest er meer in geïnvesteerd worden. Het tweede rapport was afkomstig van een commissie onder leiding van oud-Shell-topman Gerrit Wagner. Dat rapport stelde loonmatiging, deregulering en hervorming van de sociale zekerheid voor.

Als aantredend premier maakte Lubbers de keuze voor het tweede rapport, hij nam de neoliberale voorstellen van de commissie Wagner integraal over.

Om de desillusie compleet te maken laat Oudenampsen zien dat dat niet eens zo verrassend is: het paste in een Christendemocratische stroming die eigenlijk al vanaf de Tweede Wereld Oorlog neoliberaal geöriënteerd was – met een kort keynesiaans intermezzo van 1965 tot 1975 – en niet veel had met de verzorgingsstaat en een sterke overheid. Bij de eerste tekenen van economische crisis zag je dan ook, aldus Oudenampsen, Christendemocratische ambtenaren en politici als Frans Rutten, Jelle Zijlstra en Nout Wellink zich daarvan afwenden en opschuiven naar de ideologie van de vrije markt.

Ik spreek over desillusie, omdat het mensbeeld achter het neoliberalisme nogal plat is: mensen handelen in die visie vooral vanuit welbegrepen eigenbelang. Dat verwacht je niet direct van Christendemocraten. Waarschijnlijk werd om die reden, toen Lubbers Wagners plan ook daadwerkelijk ging uitvoeren, “het typisch liberale vrijemarktverhaal overgoten met een christelijk sausje van zorgzaamheid en verantwoordelijkheidszin”, aldus Oudenampsen.

De overgang naar neoliberaal beleid verliep dus helemaal niet zo terloops en ideologisch neutraal als we vaak denken. Er is een moment van expliciete keuze geweest. Oudenampsen stelt het scherp wanneer hij zegt dat, als we op dat moment hadden gekozen voor het rapport Schouten, we nu een meer Scandinavisch model zouden hebben in plaats van de huidige liberale verzorgingsstaat. 

Dat is even slikken.

Zie ook Crisis van het geld of van het denken? en Gevaarlijk optimistisch

Wil je commentaar geven of zien: klik op Even slikken en scrol naar beneden door.

dinsdag 10 augustus 2021

Klimaat en leiderschap


Een paar citaten van de voorpagina van mijn krant vanmorgen:

“Rutte voelt weinig voor maatregelen die GroenLinks en PvdA aandragen, zoals een strenge CO2-heffing of inkrimping van de veestapel.”

Het tegengaan van klimaatverandering “kost veel geld, en het vraagt veel van burgers en bedrijven, onherroepelijk met protest en verzet tot gevolg. Dat aspect laat Rutte liever onbenoemd.”

Rutte wees op de kansen die de energietransitie biedt voor de economie. “Nederland kan vooroplopen, want we zijn ook zevende geworden wat het aantal medailles betreft bij de Olympische Spelen. Ik ben ervan overtuigd dat Nederland bij de Olympische Spelen van het Klimaat ook nummer één kan zijn.”

De citaten brengen mij op het thema  ‘leiderschap’. Met tegenzin, want dat vind ik een problematisch concept. Ik heb nooit zoveel met de gebruikelijke verhandelingen over ‘Leiderschap en organisatie’ of ‘Eigenschappen van een echte leider’. Ik weet niet of er zoiets bestaat als ‘de essentie van leiderschap’. Voor mijn gevoel is leiderschap altijd gebonden aan een situatie en toont de één het meer in de ene en de andere meer in de andere situatie. 

Wat ik wel weet is dat Rutte geen leiderschap toont op het cruciale vlak van klimaatverandering. Op dat vlak vraagt leiderschap om het uitdragen van de ernst van de situatie en dat doet hij niet of mondjesmaat, uit angst voor weerstand. Dan wordt het moeilijk om de mensen te vragen om hun bijdrage te leveren, hij denkt dat hij ze moet motiveren als kleine kinderen door er een Olympisch spelletje van te maken. Rutte neemt zo in feite behalve de situatie ook de mensen niet serieus. Dat is een ernstige onderschatting van hun zorgen en hun vermogen tot verandering, en dat betitel ik als falend leiderschap.

De urgentie die ik zoek tref ik eerder aan bij D66 en GroenLinks. En bij de Christen Unie die spreekt van een levensbedreigende situatie, en waarvan partijleider Segers zegt: “Als mensen veroorzaken we opwarming, maar we kunnen ook onze troep weer opruimen”. Hier wordt weinig gelikt naar de kiezers-consumenten en ik denk dat, op dit moment in onze situatie, leiderschap zo’n houding vereist.

Ik weet ook wel dat Segers geen partij is voor Rutte qua kamerzetels. Maar als Rutte niet met GroenLinks en/of de PvdA wil praten (“heel veel klimaat”) kan hij Segers nog nodig hebben. Niet alleen voor een kabinet, maar ook voor leiderschap.

Zie ook Gevaarlijk optimistisch en Leiderschap en energie.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Klimaat en leiderschap en scrol naar beneden door.

vrijdag 6 augustus 2021

Eindstrijd


Het is een aardige man, rabbijn Raphael Evers, dus over zijn persoon wil ik het niet hebben. Maar wel over zijn wereldbeeld, want dat vind ik op onderdelen nogal bizar. Het komt aan de orde in een recent interview met Evers in het Nieuw Israëlitisch Weekblad naar aanleiding van zijn aanstaande verhuizing naar Israël. 

De rabbijn vertelt daarin dat hij zich zorgen maakt over het toenemende antisemitisme in Europa, dat zich onder andere via social media voortdurend opdringt. “Er wordt veel gedaan aan antisemitismebestrijding, maar het haalt niets uit.” Bij die uitspraak kan ik me iets voorstellen, net als bij de dreiging vanuit Iran voor Israël waar Evers over spreekt. Maar de conclusie die hij daaraan verbindt is wel erg totaal: “Het lijkt wel alsof de hele samenleving aan het instorten is.”

En dat kan hij verklaren op basis van de Joodse geschriften, wanneer die spreken over Abrahams zoon Jismaël, de stamvader van de Moslims. Evers ziet het al beschreven in Genesis 16. God zegt daar dat Jismaël een wildeman onder de volkeren zal zijn. Evers: “Tot nu was de wereld ingedeeld in twee verschillende rijken: het westen was christelijk, het oosten islamitisch. Die twee waren gescheiden, maar in onze generatie zien we dat Jismaël overal is. Lees je de heilige teksten erop na, dan volgt er een eindstrijd waarin westerse en oosterse volken tegen elkaar strijden. In de Joodse staat zal het zwaartepunt liggen. Ik wil daar dan toch bij zijn. Er staat geschreven dat die eindstrijd maar heel kort zal duren, een paar minuten.”

Hoe wereldvreemd wil je het hebben? ‘De wereld’ opgebouwd te zien uit de componenten Christendom en Islam met het Jodendom daartussen laat zonder blikken of blozen hele continenten van beschaving buiten beschouwing, waaronder miljarden Chinezen, Indiërs en Afrikanen. 

Hoe narcistisch wil je het hebben? Jouw eigen volk met Jeruzalem als centrum tot middelpunt te maken van zowel de mondiale geografie (het zwaartepunt tussen Oost en West) als van de wereldgeschiedenis. 

De wereldvreemdheid en het narcisme van deze opvattingen stuiten me tegen de borst. Vanwege het megalomane en potentieel gewelddadige karakter van zulke fantasieën, maar ook vanwege het totale gebrek aan wetenschappelijkheid ervan. 

Ik weet niet in hoeverre deze opvattingen de pretentie hebben wetenschappelijk te zijn. Evers wijst graag op zijn academische titels ‘meester’ (in de rechten) en ‘doctorandus’ (in de psychologie) maar ik ben bang dat de wetenschappelijkheid in zijn benadering van de geschiedenis ver te zoeken is. Terwijl de ultieme test voor wetenschappelijkheid van veel uitspraken misschien wel ligt in de manier waarop historische feiten en ontwikkelingen erin worden weergegeven. Zorgvuldige benadering van het verleden, en dat het liefst wereldbreed, biedt de mogelijkheid om narcistische en wereldvreemde bias te vermijden.

Ik denk trouwens wel dat de Sjoa van wereldhistorische betekenis is, in de zin dat het een absoluut moreel dieptepunt van menselijk handelen vertegenwoordigt. Maar om vervolgens de hele wereldgeschiedenis om Israël heen te draperen? Dat grenst aan grootheidswaanzin, en vooral: het doet geen recht aan de rest van de wereld. 

Los daarvan: de kans op een klimaatapocalyps lijkt op dit moment groter te zijn dan die op de klassiek-bijbelse apocalyps.

Zie ook God en Psyche

Wil je commentaar geven of zien: klik op Eindstrijd en scrol naar beneden door.

dinsdag 27 juli 2021

Reppen


Ongerepte natuur is mooi. In Nederland hebben we dat niet meer, dus ik denk daarbij al gauw aan beelden van steppes in Tanzania of bossen in Finland.

Maar mooier nog dan ongerept natuurlandschap vind ik ongerept cultuurlandschap. Daarmee bedoel ik een landschap dat door de mens, meestal voor de landbouw, in cultuur gebracht is, maar op een manier die nog nauw aansluit bij het oorspronkelijke natuurlandschap. Denk aan de rijstvelden in Indonesië of aan de wijngaarden van Toscane. 

Onlangs was ik op Texel en zag ik glimpen van de Nederlandse variant daarvan langs de Texelse oostkust: afwisselende lapjes grond van diverse kleuren, omzoomd door heggen en bosschages, met traditionele boerderijen en schuren daartussen verspreid. Prachtig!

Ongerept cultuurlandschap is natuurlijk gewoon gerepte natuur, maar ik noem het toch ongerept omdat het nog een eigen oorspronkelijkheid heeft. Het is nog niet beschadigd door ruilverkaveling en grote stalen schuren. Die reppen pas echt omdat ze het landschap saai en lelijk maken.

Of zou men dat duizend jaar geleden, toen men daar begon met landbouw bedrijven en schuren bouwen, ook beleefd hebben als verlelijking – repping – van het landschap? En is men zich pas in de loop van de tijd gaan hechten aan het cultuurlandschap? Dat zou betekenen dat wij op onze beurt ons nog kunnen gaan hechten aan de stalen dozen en onmetelijke percelen raaigras in ons land.

Maar ik denk niet dat dat kan.

Zie ook Bakstenen en Windmolens

Wil je commentaar geven of zien: klik op Reppen en scrol naar beneden door.

maandag 19 juli 2021

Branson, Bezos, Musk en innerlijke motivatie


Je hoort het de laatste tijd wel vaker: organisatiemedewerkers, waaronder leidinggevenden, verlangen van hun werk dat het voor hen persoonlijk van betekenis is. Daar moet de motivatie vandaan komen. Dit in contrast tot andere motiverende aspecten van werk die tot nu toe minstens zo krachtig waren maar aan betekenis zouden verliezen, zoals sociaal  aanzien, maatschappelijke status en gehoorzaamheid aan de autoriteit van anderen. Vandaar de vele verhalen over mensen die met succes een prestigieuze positie hebben verworven maar nu besluiten om hun hart te volgen en iets anders te gaan doen.

Overigens gaat zo’n werkswitch in veel gevallen niet gepaard met een verlies aan inkomsten. Kennelijk is de arbeidsmarkt voor werknemers zo gunstig dat je je innerlijke drijfveren kunt volgen zonder daar materieel veel voor in te leveren.

Over het belang van persoonlijke motivatie kwam in Trouw laatst een interessant interview voorbij met Wiebe Draijer, de bestuursvoorzitter van de Rabobank. “Blijf dichtbij wat je echt drijft, dan ben je tot veel meer in staat dan je denkt én kom je pas echt tot je recht”, zegt Draijer. Hij noemt dat “je diepere motivatie”, die kan zorgen voor inspiratie en houvast. Daar krijgt je overtuiging vorm, begint authenticiteit en transparantie in de communicatie. 

Voor Draijer zelf bestaat de innerlijke drijfveer eruit dat hij maatschappelijk wat wil betekenen. Hij ziet met lede ogen “de grotere afstand tussen arm en rijk, een bepaalde richtingloosheid, gebrek aan moreel leiderschap en de instabiliteit die daar het gevolg van is” en dat motiveert hem tot het volhouden van zijn intensieve leefstijl als CEO, iedere dag opnieuw. 

Draijer meent dat bij een groeiende groep CEOs aandacht is voor diepere motivatie en authenticiteit. Hij denkt te zien “dat er een leiderschapstransitie gaande is waarbij we de persoonlijke motivatie veel meer een eerlijke plek geven. Organisaties en uiteindelijk de wereld gaan er denk ik beter van worden als mensen sneller uitsorteren naar de plek waar ze met hun diepere motivatie het beste tot hun recht kunnen komen. Daar wordt iedereen gelukkiger van”.

Draijer heeft zonder meer een punt als hij zegt dat innerlijke motivatie voor je werk het meest gezonde uitgangspunt is. Dan kom je inderdaad het beste tot je recht, ben je verzekerd van energie en het beste beschermd tegen burn-out. Ik snap alleen niet waarom Draijer denkt dat de wereld er beter van wordt als iedereen zijn eigen drijfveren meer volgt. Want de termen ‘innerlijke motivatie’ of ‘diepste motivatie’ zeggen nog helemaal niets over de aard van die motivatie. 

In het geval van Draijer zit dat wel goed, hij wil graag zijn bijdrage leveren aan grotere gelijkheid en rechtvaardigheid in de samenleving. Dat kun je gerust nobele motieven noemen. Maar zijn verhaal suggereert dat diepere innerlijke motivatie per definitie, als tegengesteld aan uitwendige motivatie, altijd nobel van aard is. Dieper is nobeler.

Ik betwijfel of dat zo is. Bij sommige mensen, bijvoorbeeld Drayer, beslist wel. Maar waarom zouden er deep down van binnen bij andere mensen niet heel andere motieven klaarliggen? Veel geld verdienen bijvoorbeeld, dat is voor een handelsman best een intrinsieke drijfveer te noemen, en het kan zijn dat hoe meer hij naar binnen kijkt, des te meer blijkt dat dat zijn motivatie vormt. Daar gaat hij voor!  

En als Richard Branson, Jeff Bezos en Elon Musk in hun nadagen ‘dieper in hun innerlijk’ duiken willen ze ineens op de meest klimaatdestructieve en geldverspillende manier de ruimte in. Marc Zuckerberg wil naarmate hij ouder wordt alleen maar nog groter groeien. Waarschijnlijk hebben die mannen diep van binnen een grote leegte aangetroffen en drijft bestrijding van de verveling hen tot grote daden.

Motivatie kan dus heel goed van binnenuit komen, maar niet per se die maatschappijbetrokken trekken vertonen als van Draijers motivatie. De termen van persoonlijke diepte en innerlijkheid volstaan daarom niet om uit te komen bij een betere wereld. Daarvoor is eerder het permanente gesprek met anderen nodig over de vraag ‘Wat willen wij voor samenleving zijn?’. Niet zozeer in persoonlijke diepte, alswel in maatschappelijke breedte.

Wat blijft staan van Draijers verhaal: zo’n eigen innerlijke drijfveer waarbij je gedreven wordt door je eigen betekenisgeving en motivatie maakt je krachtig. Je zult niet zo gauw omvallen.

Zie ook Leiderschap en energie en Adrenaline

Wil je commentaar geven of zien: klik op Branson, Bezos, Musk en innerlijke motivatie en scrol naar beneden door.

vrijdag 9 juli 2021

Zijn Joden wit?


Horen Nederlandse Joden historisch gezien nu bij de onderdrukkers of bij de onderdrukten? De vraag komt voort uit een te simplistisch denkkader, maar naar aanleiding van de groeiende belangstelling voor het slavernijverleden van Nederland wordt hij toch regelmatig gesteld.

Het antwoord kan nooit eenduidig zijn. Het is overduidelijk dat Joden in de Nederlandse geschiedenis te maken hebben gehad met juridische achterstelling (tot 1800), met maatschappelijke discriminatie (negentiende en twintigste eeuw) en uitroeiingsmaatregelen. Dus dat ze hun portie onderdrukking wel gehad hebben.

Maar historisch onderzoek naar de slavernij maakt ook duidelijk dat van de zeventiende tot de negentiende eeuw Joden een flink aandeel hadden in de Surinaamse en Antilliaanse plantages en daar slaven hielden. Ze hebben daar opgetreden als onderdrukkers.

Om die laatste reden worden Joden in de huidige racismediscussie, die zich versmalt tot de vraag of je wit/onderdrukker bent of zwart/onderdrukt, regelmatig in het witte kamp ondergebracht. De tentoonstelling ‘Zijn Joden wit?’ in het Joods Cultureel Kwartier probeert in die zwart/wit-discussie wat tussenschakeringen aan te brengen. Niet door feiten over het slavernijverleden te verdoezelen of te ontkennen dat Joden soms inderdaad geprivilegieerde posities van macht konden bekleden. Maar door te laten zien dat het voor Joden als de eeuwige ander ook zo maar, ineens, onvoorspelbaar afgelopen kon zijn met iedere macht of positie. En dat vanuit die ervaring, gevoegd bij de eeuwenlang liturgisch herdachte bevrijding van de Joden uit de Egyptische slavernij, Joodse groeperingen een bijna vanzelfsprekende solidariteit hebben gevoeld met emancipatiebewegingen van anderen, zoals de Amerikaanse Burgerrechtenbeweging in de jaren zestig van de vorige eeuw en de Black Lives Matter beweging nu.

Wat mij opvalt, naar aanleiding van een artikel van historicus Karwan Fatah-Black, is dat op een gevoelig punt de Nederlandse Joden en de Nederlandse nazaten van tot slaaf gemaakten een onmiskenbare gelijkenis vertonen. Waar mainstream Nederland, zoals vertegenwoordigd door opiniemakers, politici en kunstenaars, het wel een beetje heeft gehad met de ‘enge focus’ in het herdenken van historische rampen van het slavernijverleden en de Jodenvervolging en de aandacht wil uitbreiden naar ‘moderne slavernij’ of ‘universeel onrecht’, maakt zowel de Joodse als de zwarte gemeenschap daar ernstig bezwaar tegen. En zij gebruiken dezelfde woorden om hun bezwaren te formuleren: de verbreding betekent ‘verwatering’ en leidt af van waar het de herdenkers om gaat: de ramp die hun voorouders trof. Die is te groot om te vermengen met andere rampen, hoe gerechtvaardigd de aandacht daarvoor ook is.

‘Haal er niet van alles bij’ als je gaat herdenken. Dat is kennelijk wat onderdrukking – van welke aard ook – als impact achterlaat bij de onderdrukten. Je kunt het er gewoon niet bij hebben.

Zie ook 4 Mei 2012, Humane slavenhouders en Utopisch universalisme is ook voor Joden te hoog gegrepen

Wil je commentaar geven of zien: klik op Zijn Joden wit? en scrol naar beneden door.