zaterdag 18 mei 2024

Meerstemmigheid gesmoord


Vraag mij niet om te reageren op de actualiteit. Ik ben nogal secundair van aard dus dan kom ik vaak niet ver.  Sowieso valt er meestal weinig origineels toe te voegen aan het meningencircus dat toch al op volle toeren draait. En ik wil ook niet vervallen in snelle en emotionele oprispingen Want daarvoor moet je permanent beschikken over veel actuele informatie, liefst uit een veelheid van bronnen, en veel tijd steken in de ordening daarvan. Daar heb ik de tijd en de energie niet voor. In de plaats daarvan verdiep ik me liever in achtergronden van de actualiteit en de langere historische lijnen van de complexiteiten waar we mee te maken hebben. Daarmee samenhangend heb ik de neiging om de kwaliteit van een samenleving mede af te meten aan de mate waarin het eigen verleden open en kritisch bestudeerd en besproken wordt.

Er was een tijd dat ik, op basis van die maatstaf, veel vertrouwen had in de Israëlische samenleving. Dat was in de decennia rond de eeuwwisseling, toen na vijftig jaar embargo archiefmateriaal beschikbaar kwam uit de jaren veertig. De periode van de stichting van de staat Israël en de Onafhankelijkheidsoorlog kon toen door historici veel gedetailleerder worden onderzocht. Van die mogelijkheid werd gretig gebruik gemaakt, en zo ontstond er een breed spectrum van historische perspectieven aan de Israëlische universiteiten, van zeer kritisch tot nationalistisch en alle posities daartussen. Over deze ‘nieuwe historici’ schreef ik lovend in mijn blogbericht Meerstemmigheid.

Zo hoopvol als ik toen was ben ik niet meer, want recente berichten over Israëlische historici stemmen niet vrolijk. Van de groep ‘nieuwe historici’ is, althans in Israël, bijna niets meer over. Een van de boegbeelden van die groep, Bennie Morris, heeft een draai gemaakt naar de klassiek zionistische kijk op de geschiedenis. De anderen handhaafden hun kritische visies, maar werden niet meer getolereerd in Israël en zijn grotendeels naar het buitenland uitgeweken. Een samenleving die zo met zijn historici omgaat is in crisis, die uitspraak durf ik wel aan.

Zie ook Geschiedenis in het kwadraat.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Meerstemmigheid gesmoord en scrol naar beneden door.

zondag 5 mei 2024

Golven en kroonjuwelen


Dat je Franse filosofen niet over één kam kunt scheren weet ik ook wel. Maar voor de duur van dit stukje ga ik toch even generaliseren. Er is namelijk een bepaalde neiging die Franse filosofen opvallend vaak vertonen als het gaat om hun omgang met ideeën. Zij combineren daarin twee uitersten die je gerust kunt zien als tegengesteld aan elkaar. Aan de ene kant is er een bijna onbegrensd uitwaaierende interesse in ideeën van allerlei slag, en aan de andere kant zijn ze, in weerwil van hun breedte, regelmatig eng-dogmatisch en onfilosofisch eenkennig in de verdediging van één kernidee, noem het hun kroonjuweel.

Exemplarisch in de breedte van zijn interesses is wel Michel Serres. Hij startte zijn schrijverscarrière met een dissertatie over de filosofie van de wiskunde, en bestreek verder de terreinen van de informatietheorie, de wetenschapsgeschiedenis, musicologie en literatuurgeschiedenis. Hij ging zelfs zo ver dat hij het klassieke onderscheid tussen wetenschap en mythische religie ter discussie stelde. Hij combineerde wetenschappelijke theorieën met literaire werken. Het laat zich raden dat uit dergelijke grensoverschrijdingen een rijkdom van ideeën voortkomt. Tegelijkertijd beschrijft hij in zijn boek De parasiet (een uitstapje naar het terrein van de antropologie) de mens in zijn verhouding tot de wereld en zijn medemensen als parasitair, en zijn beschrijving van de verhouding tussen gastheer en parasiet is nogal zwart-wit: de een (de parasiet) neemt alles en geeft niets, de ander geeft alles en ontvangt niets. Afgezet tegen de breedte van zijn interessegebieden klinkt dit ineens wat simpel. In haar bespreking van De parasiet zegt filosoof Alicja Gescinska dan ook: “Termen als ‘alles’ en ‘niets’ moet je in filosofische betogen vermijden. Serres is echter overtuigd van zijn gelijk; hij noemt het een stelling waar hij door de jaren heen nooit van is afgeweken, ‘omdat we haar allemaal en iedere dag ervaren als waar’. Die woorden zijn een filosoof onwaardig: er is niets wat we allemaal als waar ervaren, laat staan elke dag.”

Een vergelijkbare rechtlijnigheid vertoont Alain Badiou in de behandeling van zijn kroonjuweel: het evenement. Daarmee doelt hij op een persoonlijke ervaring van waarheidsbeleving die een mens plotseling kan overvallen. Die ervaring zorgt voor een scherpe breuk met het verleden, en boort nieuwe bronnen van kennis en actie aan. Tot zover klinkt dit als een open concept, de versmalling treedt op als Badiou vervolgens zegt dat een eenmaal gevonden waarheid niet meer ter discussie kan komen te staan: daar moet levenslang trouw aan vastgehouden worden. De leiders van de Franse Revolutie waren bijvoorbeeld, nadat ze het principe van vrijheid, gelijkheid en broederschap hadden ontdekt, in Badiou’s ogen goed bezig geweest met de omverwerping van het Ancien Regime, ook toen de revolutionaire bloeddorst geen grenzen meer kende tijdens de fase van De Terreur (1793-1794). Badiou: “Onder terreur verstaan we hier niet het politiek begrip Terreur, dat door de Onsterfelijken van het Comité de Salut Public gekoppeld is aan het begrip Deugd”. Ik schrik van de dogmatische verenging van het denken die hier gepropageerd wordt door een filosoof die voor het overige eveneens op veel vlakken thuis was: van politiek tot wiskunde, en van geschiedenis tot ethiek. Een soortgelijke blindheid voor totalitaire ideologieën deed zich trouwens voor bij Jean-Paul Sartre: opnieuw een breed geöriënteerde, zelfs geniale filosoof en literator, die onkritisch het communisme bleef omarmen.

Jammer genoeg moet ik aan deze voorbeelden mijn favoriete filosoof Levinas toevoegen. Ook Levinas beweegt zich op breed terrein. Hij raakt aan de antropologie, de kentheorie en Talmoedisch denken. Maar het is waar wat Derrida zegt over de beweging van Levinas’ filosofie: die is te vergelijken met de uitstorting van een golf op een strand: altijd ‘dezelfde’ golf die terugkeert en zijn beweging met toenemende nadruk herhaalt. “Ongeacht welk thema of motief we volgen – de betekenis van ethiek, verantwoordelijkheid, de andersheid van de ander, subjectiviteit, plaatsvervanging – er heerst een diep gevoel dat ‘dezelfde’ golf zich uitrolt.” Nu denk ik dat het werk van Levinas, zeker het vroegere werk, genoeg ruimte biedt om deze constante nadruk op het ethische appèl dat van de andere mens uitgaat niet dogmatisch op te vatten. Maar ik denk ook dat Levinas zelf aan een bepaald fundamentalisme uiteindelijk niet helemaal ontkomen is. En zeker een aantal volgers niet. Ik denk bijvoorbeeld aan Levinas-kenner Jan Keij als hij Levinas looft vanwege een “systematiek die haar weerga niet kent; een systematiek die vervat ligt in één enkel punt”,  namelijk de ethische ervaring zoals Levinas die beschrijft. Keij “merkte dat het ethische voor mij inderdaad in alles is, overal is en uit alles spreekt”. Maar dat niet alleen, hij maakt dat kroonjuweel universeel: “Het appèl raakt iedereen”, het kan niet anders of voor ieder mens is dat dé fundamentele ervaring bij uitstek. 

Hier wordt even dogmatisch gesproken over het appèl van de ontmoeting als Badiou praat over de eeuwige, universele waarheid van ‘het evenement’, die voor iedereen waar is. Een dergelijke universalisering van ervaringen en belevenissen vind ik, in weerwil van Levinas’ terugkerende ‘dezelfde golf’, toch niet met zijn gedachtegoed te verzoenen. Want minstens zo vaak als hij het belang van de ethische ontmoeting benadrukt (‘de golf’) spreekt hij zich uit tegen gelijkschakeling van mensen door hun ervaringen en gevoelens universeel te verklaren. Tegen totaliserende tendensen kortom. Bij nader inzien kent Levinas dus niet één maar minstens twee, elkaar afwisselende, golven waarop hij surft. Net zoals er meestal – behalve in de Franse filosofie – niet één maar minstens twee kroonjuwelen op een kussen rusten.

Zie ook Doodzonde en Badiou, Levinas en verschillen.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Golven en kroonjuwelen en scrol naar beneden door.

zondag 21 april 2024

Leesplezier


Wat betekent dat eigenlijk: ‘leesplezier’? Je ziet het veel langskomen als het gaat over ontlezing. Jonge mensen van nu lezen veel minder dan die van vroeger, en dat komt onder andere omdat het hen ontbreekt aan leesplezier. Eerdere generaties vermaakten zich meer, niet alleen met goedkope lectuur maar ook met echte literatuur.

Maar, lees ik tegelijkertijd in een artikel van schrijver Walter van den Berg, een belangrijk kenmerk van literatuur is nu juist dat die is ontstaan uit de ellende van de schrijver. Want daardoor is die gaan schrijven: schrijvers – ook al zijn hun verhalen compleet verzonnen – zijn altijd “hun shit aan het wegschrijven”. Van den Berg ontleent daaraan de troostende gedachte dat AI nooit de plaats van de literaire schrijver kan innemen, want AI kent geen ellende.

Ik vind die opvatting over de oorsprong van het schrijverschap wel aannemelijk. Ik vraag me alleen af hoe die shit zich dan verhoudt tot het alom gepropageerde leesplezier. Het woord plezier suggereert dat literatuur uitbundig het leven viert en vermakelijke of opbeurende vergezichten biedt; niet direct stinkende shit. Het woord ‘plezierig’ dekt daarom voor mij de lading niet van de verwerking van oude ellende. Meer op hun plaats zijn de woorden intrigerend, aangrijpend, diep menselijk, echt, want die kunnen verklaren dat ik gegrepen word. Zelfs als ik niet alles begrijp.

Het blijft trouwens goed mogelijk, aldus Van den Berg, dat het literaire boek je aan het lachen maakt door de formuleringen die de schrijver heeft gevonden, dus dat je er ook plezier aan beleeft. Maar, zegt hij, “plezier is niet de bedoeling van het boek”. En benadrukking daarvan tegenover de jeugd zet hen dus op het verkeerde been. Dat is niet eerlijk.

Zie ook Begrijpend lezen en de koekjesfabriek.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Leesplezier en scrol naar beneden door.

dinsdag 2 april 2024

Bubbels: Heidegger meets Silicon Valley

Er is een opvatting van sociaal contact die ervan uit gaat dat wij mensen als vanzelf elkaar begrijpen en met elkaar communiceren. Die vanzelfsprekendheid kan een romantisch-nostalgische kleur krijgen, dat is bijvoorbeeld bij iemand als de filosoof Heidegger het geval. Heidegger spreekt over ‘verstaand’ met elkaar omgaan als een solide wijze van met elkaar communiceren die wortelt in voorgegeven verbinding van mensen met elkaar. Primair denkt hij daarbij aan traditionele dorpsgemeenschappen, aan taalgemeenschappen, of aan “Das Volk”, wat in principe ieder volk kan zijn, maar toch bij voorkeur het Duitse.

Maar de vanzelfsprekende communicatie kan ook in een eigentijdse variant bestaan, namelijk die van datatechnologie. In onze samenleving neemt die een grote vlucht, en krijgt de vorm van vastlegging van onze gegevens in digitale bestanden, en van razendsnelle maar besloten uitwisselingen in Facebook-  en Instagrambubbels. De suggestie van vanzelfsprekendheid van deze communicatie wordt gewekt door het flitsende tempo ervan, en dat tempo is weer gebaseerd op de gedachte dat iedere vorm van frictie of vertraging op de lijn moet worden uitgebannen. “Frictieloos of seamless design is daarom”,  aldus de filosoof Miriam Rasch in haar boek Frictie, “al sinds de jaren negentig het ideaal van soft- en hardware-ontwikkeling, en een van de belangrijkste dogma’s van het dataïsme”, waarbij dataïsme de ideologie is die de hele wereld in digitale data wil omzetten. Optimale communicatie, zo is de gedachte kennelijk, staat gelijk aan frictieloosheid, er mag zich geen wrijving voordoen. Communicatie is pas optimaal als die vanzelf gaat. 

Hier raakt die tweede variant aan de eerste, want het idee van frictieloze communicatie is in feite aan niets anders ontleend dan aan de nostalgisch-romantische opvatting waar Heidegger al door werd geïnspireerd. Zo bezien komen in het idee van frictieloze communicatie twee op het oog ver van elkaar verwijderde denkstromen bij elkaar: Heidegger meets Silicon Valley, elk met zijn eigen soort bubbels. En dat terwijl Heidegger resoluut afkerig was van alle moderne techniek, en het dataïsme juist inzet op steeds sneller voortschrijdende datatechnologie. Toch hoeft deze overeenkomst niet te verbazen, aldus Rasch, want de nostalgische opvatting van vanzelfsprekende communicatie van Heideggers zijns-filosofie en het dataïsme van Silicon Valley gaat in beide gevallen terug op een zeker religieus mysticisme dat diep in onze cultuur verankerd zit. “De mystieke extase is immers een ervaring van eenheid, of misschien kunnen we zeggen: van frictieloosheid.” Daarbij loopt er, volgens de journalist Adrian Daub, ook nog eens een rechtstreeks lijntje van Heidegger naar de ‘techno-euforisten’. Hij ontdekte dat Mark Weiser, uitvinder van het concept van frictieloos design, een fervent lezer van Heidegger was.

Heidegger en Silicon Valley delen een model van communicatie en verbinding met oude papieren. De kenmerken daarvan zijn: het geloof in een voorgegeven eenheid met bijbehorende vanzelfsprekende, bijna idyllische communicatie; de bedreiging daarvan door vormen van frictie; en tenslotte de noodzaak om de verloren eenheid en vanzelfsprekendheid te herwinnen door frictie zo compleet mogelijk uit te bannen. Bij Heidegger resulteerde dat in zijn enthousiasme voor het alles gelijkschakelende fascisme, in dataland loopt dat uit op het streven naar massieve gelijkgeschakelde identiteit binnen de bubbels op social media. Waarachtig contact legt in beide gedachtestelsels het loodje, want dat bestaat niet zonder frictie. Rasch: “De meest hemeltergende frictie waar we elke dag opnieuw tegen aanlopen moet immers wel de communicatie zelf zijn”. Maar dan de échte communicatie natuurlijk.

Zie ook Meelopen après la lettre.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Bubbels: Heidegger meets Silicon Valley en scrol naar beneden door.

zondag 24 maart 2024

De Romantiek is passé


Al gebruik ik ze zelf ook nogal scheutig, de woorden ‘romantisch’ of ‘romantiek’ zijn eigenlijk hopeloos onbruikbaar. Ze verwijzen namelijk naar zaken die zowat elkaars tegengestelde zijn. Dat geldt al helemaal voor de aanduiding ‘Romantiek’ als verwijzing naar de culturele periode van pakweg 1780 tot 1870. Gelijktijdig heft die culturele stroming het individu op het schild – zoals bijvoorbeeld in de uitspraak van Willem Kloos over poëzie als de “aller-individueelste expressie van de aller-individueelste emotie” – én koestert zij mythische collectieven zoals geïllustreerd door de negentiende-eeuwse uitspraken over naties “met een groots verleden”. Daarin vloeien oer-idyllische landschappen, historie en bewoners in elkaar over. Waarschijnlijk is het de notie van ‘oorspronkelijkheid’ of ‘authenticiteit’, klevend aan de term ‘romantisch’, die maakt dat zowel het toppunt van individualisme als van collectiviteit erdoor gedekt kunnen worden. Maar verwarrend is het wel.

Gelukkig is er nu een gezaghebbende (kunst)historicus die ‘de Romantiek’ achter zich wil laten. Hans den Hartog Jager stelt dat de romantische schilderkunst inderdaad twee verschillende dingen kan benadrukken: de schilder of het landschap, de mens of de bedding. In een recent artikel in NRC gaat hij vooral in op de centraalstelling van de kunstenaar: “De Romantiek viert de mens als goddelijk heerser in een zelfgeschapen universum”. Het individu komt daarin naar voren als volstrekt autonoom en eigenzinnig, groots en eenzaam. Die visie op het artistieke genie is volgens Den Hartog hardnekkig, maar inmiddels volstrekt achterhaald. 

Hij heeft er zelf wel altijd in geloofd: “[I]k heb altijd enorm gehouden van kunstenaars die op volstrekt eigen en eigenzinnige wijze nieuwe horizonnen, nieuwe vergezichten voor hun toeschouwers openen”. Maar die liefde lukt hem niet meer. Aanleiding voor deze omslag is de tentoonstelling over Anselm Kiefer, onlangs in museum Voorlinden. Daar merkte Den Hartog dat hij genoeg heeft van de (meestal mannelijke) goddelijke status van de romantische kunstenaar. “Dichter bij wereldse goddelijkheid dan Kiefer kom je niet: hij schiep in de afgelopen vijftig jaar een groots en goddelijk universum, vol machtige kunstwerken van lood en stro en honderden kilo’s verf – doeken van zes, acht, tien meter groot, de ene nog overweldigender dan de ander.” Kiefer communiceert daar met de hele wereld, “[a]lleen, realiseerde ik me in Voorlinden, niet met mij”. Wat Den Hartog vooral zag “was een achteloze, ongeïnteresseerde god, die lukraak scheppingen uitbraakte”. Opgesloten in zijn eigen wereld. Eenzaam.

Den Hartog Jager noemt dit “escapisme voor eenzame mannen met almachtsfantasieën” en hij concludeert dat dat niet meer kan. “[W]aarom zou je het individu willen vieren in een wereld vol van onrust, twijfel, geweld en onrecht, die maakt dat steeds meer mensen verlangen naar geborgenheid, vertrouwen, verbondenheid? Zelfs de grote hedendaagse emancipatiebewegingen waar behoudende mensen zo onrustig van worden, gaan uiteindelijk allemaal over het verlangen opgenomen te worden in het grote geheel.”

De nadruk zou, wat Den Hartog betreft, dus meer op het landschap moeten liggen dan op de schilderende mens. Dat verwoordt hij met een verwijzing naar het icoon van de Romantiek: het schilderij Der Wanderer über dem Nebelmeer van Caspar David Friedrich (1818). Kijkend naar de eenzame wandelaar zouden we niet meer door zijn ogen moeten kijken, zegt de auteur, immers “waarom zou je niet daadwerkelijk naast de man gaan staan, en samen over nieuwe visies, nieuwe vergezichten fantaseren?”, dus je door het wijdse landschap zélf laten inspireren tot nieuwe perspectieven. “Steeds meer heel goede nieuwe kunst zoekt nadrukkelijk verbinding met de maatschappij – nieuwe beelden, nieuwe indrukken, die vaak voorbij mijn eigen horizon liggen, maar daarom niet minder verwarrend of verrijkend zijn.”

Daar denkt hij naar mijn idee iets te makkelijk over. Er is volgens mij namelijk niet alleen met de man iets mis, maar ook met het landschap, en daarmee met onze natuurlijke en historische inbedding. Want net zoals de man niet meer geloofwaardig is als toppunt van oorspronkelijkheid, zijn landschappen dat ook niet meer. Het mythische licht van een oorspronkelijke geborgenheid waarin de Romantiek die landschappen en historische taferelen neerzet is voor ons nog maar beperkt herkenbaar. Door het verlies van traditionele verbanden enerzijds, en de grootschalige landschaps- en milieuvervuiling anderzijds zijn ongerepte landschappen die aanvoelen als een voorgegeven habitat zeldzaam geworden. Mensen moeten ervoor naar de Noordpool, en zelfs daar is het niet meer wat het ooit was. Dus hoe zouden landschappen tot geborgenheid, vertrouwen en verbondenheid kunnen inspireren? Net zo min als de pure authentieke oorspronkelijkheid van het autonome individu staat ons de pure oorspronkelijkheid van landschappen als bedding voor ons leven nog zomaar ter beschikking.

Dat doet niks af aan het sterke streven van kunstenaars om “verbinding te zoeken” en “in contact te treden met de wereld”, dat Den Hartog benadrukt. Maar hoe doe je dat na het wegvallen van zoveel vanzelfsprekende beddingen en habitats? Den Hartog geeft zelf – in weerwil van zijn koestering van inspirerende landschappen – het begin van een antwoord als hij zegt dat, voor nieuwe verbinding, de god in het diepst van zijn gedachten zich niet alleen van zijn gedachten, maar ook van het landschap moet afwenden. Want voor de Wanderer geldt: “[O]oit zal hij zich moeten omdraaien en teruglopen. Die symboliek is óók mooi: wanneer onze Wanderer dat doet, is hij niet langer de onbenaderbare, onbereikbare figuur die ons stug zijn rug toont, maar kijken we hem eindelijk in het gezicht, maken we contact, en kunnen we samen nieuwe wegen gaan ontdekken.” Eindelijk echt contact, bevrijd van de romantische mens én van zijn romantische habitat. 

Wil je commentaar geven of zien: klik op De Romantiek is passé en scrol naar beneden door.

donderdag 14 maart 2024

Liever farizeeën dan idealisten


Ik denk dat ik Arnon Grunberg een beetje begin te begrijpen. Naar aanleiding van de opening van het Holocaustmuseum – tegen de achtergrond van de Gaza-oorlog – bespreekt hij in NRC de herinneringscultuur rond de Sjoa zoals wij die in West-Europa sinds de Tweede Wereldoorlog kennen. Hij zet vraagtekens bij het systematisch opklinkende ‘Nooit meer Auschwitz’ en andere goede voornemens. Want wat is daarvan terecht gekomen? Grootschalig moorden is niet bepaald gestopt de laatste tachtig jaar, en niet alleen in het Midden-Oosten.

Grunberg bespreekt het initiatief van de Indiase schrijver en journalist Pankaj Mishra om de herinneringscultuur na Gaza te redden door Never Again Auschwitz te vervangen door Never Again for Anyone. Dat is meer universeel, het sluit bijvoorbeeld behalve de Gazanen de 1,5 miljoen slachtoffers in van de Cambodjaanse Rode Khmer en de 800.000 vermoorde Rwandezen voor wie tot nu toe geen enkele geëngageerde westerling de straat op ging. “Een prachtige slogan, wie kan ertegen zijn?” Maar Grunberg gelooft er niet in: “De Europese waarden die zo nauw verbonden zijn met de herinneringspolitiek kunnen niet universeel zijn, er is geen universele politiemacht die die waarden en wetten in geval van nood af kan dwingen, ze zijn hooguit Europees, en zelfs dat niet altijd. Alleen als de omstandigheden het toelaten”.

Het is trouwens, zegt hij verder, ook niet Joods om te vertrouwen op een never again en op het aanbreken van universele rechtvaardigheid en een paradijselijke toekomst. Want dat is messianistisch denken, het impliceert een bijna maakbaar verlossingsmodel terwijl het Jodendom “opgevat kan worden als een poging de Messias en het messianisme met alle macht buiten de deur te houden”. Zo denkend komt Grunberg uit bij een wel zeer afgeslankt moreel ideaal dat hij ontleent aan Piotr Cywiski, de directeur van het museum Auschwitz: ‘Concentreer u niet op het bestrijden van de oorzaak van het kwaad. Help één persoon, Eentje maar’. Grunberg: “Deze concrete minimalistische houding is mij liever dan het symbolisme van de universele herinneringspolitiek in al zijn fanatieke en zelfgenoegzame verschijningsvormen. Je kunt je immers uit morele overtuigingen tegen fanatiek idealisme keren. Al was het maar omdat messianisme, zodra het meer wordt dan een discussie tussen schriftgeleerden, altijd dodelijk en gruwelijk blijkt te zijn”. 

In die laatste zin lees ik een sneer naar het Christendom dat met zijn goede bedoelingen (en afwijzing van de schriftgeleerden/farizeeën) regelmatig grandioos uit de bocht is gevlogen. Maar verder is opmerkelijk dat de door-en-door seculiere Grunberg zich hier toont als verwant met de vromer dan vrome denkwereld van de ultra-orthodoxe Israëlische Joden. Zij wijzen inderdaad de wereldse socialistische en heilstaat-ideologieën af, net zoals ze zich trouwens tegen het zionistische messianisme en de staat Israël keren vanwege een misplaatst vertrouwen in aardse verlossing. 

Wat vind ik hier zelf van? Enerzijds spreekt het face-to-face van het persoon-tot-persoon als ethisch kerngebeuren van Cywiski me aan, dat is niet verwonderlijk voor een Levinas-fan. Anderzijds, daar hoeft het voor mij niet bij te blijven, zo minimalistisch of sceptisch ben ik niet. De face-to-face ontmoeting zet aan tot het opbouwen en onderhouden van maatschappelijke instituties en verbanden die recht en rechtvaardigheid nastreven. Ik ben niet voor niks recent lid geworden van de PvdA en Volt. Voor Grunberg zou dat niet hoeven, schat ik zo in.

Zie ook Utopisch universalisme is ook voor Joden te hoog gegrepen.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Liever farizeeën dan idealisten en scrol naar beneden door.

vrijdag 1 maart 2024

Krijgersethos


Filosoof Florian Jacobs schreef een niet-politiek-correct stuk onder de titel “Oekraïne toont dat de burger niet zonder krijger kan”. Of eigenlijk: hij citeert de Oekraïense filosoof Volodymyr Yermolenko die in zijn boek Oekraïne. Geschiedenissen en verhalen een onderscheid maakt tussen het ‘burgerethos’ en het ‘krijgersethos’. Yermolenko: “Het burgerethos is goed in het opbouwen van een samenleving op het idee van compromis en dialoog; het krijgersethos moet zeggen waar het compromis ophoudt, om een compromis met het kwaad te vermijden”. We kunnen ons gelukkig prijzen, zegt Jacobs, dat wij in Nederland een bij uitstek op compromis en dialoog gebaseerd politiek systeem hebben. Maar Yermolenko waarschuwt voor een situatie waarin het burgerethos wordt verabsoluteerd, want dan krijgen we een maatschappij waarin je over alles (inclusief het menselijk leven) een compromis kunt sluiten, en alles in ruilobjecten verandert. Misschien ook kenmerkend voor Nederland.

Jacobs legt uit: “Er zijn zaken die het compromis ontstijgen, waarop geen ruilwaarde te bevestigen valt. Dat noemen we waardevolle zaken, zonder welke ons leven aan zin verliest. Het burgerethos kent een grens, de grens van wat niet in ruilwaarde is uit te drukken. Wie die grens ontkent, opent de deuren voor een vermengen van het waardevolle en het waardeloze, voor, uiteindelijk, nihilisme. Tegenover het burgerethos plaatst Yermolenko het krijgersethos. Die houding verdeelt de wereld in een wij en zij, een goed en kwaad, en geeft de voorkeur aan de duidelijke overwinning op het slagveld boven het geslaagde compromis. De verabsolutering van dit ethos leidt tot een oorlog van allen tegen allen, een samenleving waarin niemand een ander het licht in de ogen gunt. Dat kunnen we ook niet willen. Maar als we een tegenstander treffen die uit is op onze vernietiging, schiet het burgerethos hopeloos tekort. Iedere poging tot een compromis is een teken van zwakte. Neutraliteit en vredeswil zijn woorden als zeepbellen voor de krijger op oorlogspad. Een krijgersethos laat zich alleen bevechten met een krijgersethos. Oekraïne laat Europa zien dat het is vergeten dat het burgerethos slechts mogelijk is dankzij het fundament van het krijgersethos, zo stelt Yermolenko. Je kunt het je maar beter herinneren, zeker als je buurman alleen de taal van geweld kent.”

Ik ben bang dat deze passages veel waarheid bevatten, daarvoor ben ik historicus genoeg. Maar ik ken mezelf ook genoeg om te weten dat ik ongeschikt ben voor het krijgersethos, vandaar die vrees. En natuurlijk ben ik geneigd om deze stellingen van Yermolenko, gepresenteerd door Jacobs, meteen ook op het Palestijns-Israëlische conflict te betrekken. Veel Israëliërs doen dat sowieso automatisch, dat verklaart de sterke positie van de haviken ten opzichte van de duiven in de Israëlische politiek. Dat is op zichzelf al problematisch, maar de feitelijke toedracht van het ontstaan van dit conflict maakt de zaak nog tragischer en ingewikkelder. Het recht op geweld dat de Joden volgens het krijgersethos zouden hebben bestond in oorsprong alleen tegenover het Christelijke Westen, en tegenover Duitsland in het bijzonder, om redenen die we allemaal kennen. Niet tegen de Palestijnen want die stonden – oorspronkelijk – de Joden niet naar het leven. Inmiddels doen de terroristen onder hen dat wel, maar kun je op die manier een krijgersethos verdienen? En bovendien, niet alleen het burgerethos kan radicaliseren, dat kan het krijgersethos ook. Dan krijg je een samenleving waarin de democratie en de grondrechten bedreigd worden.

Zie ook Eng en Krijgshaftige taal.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Krijgersethos en scrol naar beneden door.

donderdag 15 februari 2024

Woorden

Ik vind het wel een sympathieke uitspraak van de filosoof Wittgenstein: “Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen”. De uitspraak impliceert dat niet woorden, maar alleen daden laten zien wat je ten diepste beweegt en doet handelen. De uitspraak  spreekt aan vanwege de bescheidenheid die eruit spreekt: pas op met grote woorden. En vanwege een herkenbaar verlangen naar helderheid in ons taalgebruik en opruiming van wollige metafysische onzin.

Maar we redden het niet zonder woorden over onze diepere zieleroerselen, ben ik bang. Daarin volg ik Levinas die meent dat we, inderdaad, het onzegbare niet kunnen zeggen. Maar dat we ook niet kunnen zonder woorden daarover, dus dat we ons wel móeten uitspreken. En dat we vervolgens het gezegde moeten ontzeggen, omdat het altijd inadequaat is ten opzichte van wat het wil zeggen. We moeten dire en dédire

Die noodzaak van te móeten spreken over wat niet gezegd kan worden zie ik terug in een recente uitlating van schrijver/arts en Wittgensteinkenner Bert Keizer. Keizer heeft zich altijd geprofileerd als strijder tegen ‘metafysische onzin’, en daar rekende hij het werk van Levinas ook toe. Die zat wat Keizer betreft met zijn uitwerking van de ontmoeting met ‘het gelaat van de ander’ in de hoek van de goedbedoelende dromerigheid. Mensen die over het appèl van de ander begonnen omschreef hij enigszins laatdunkend als brave, politiek correcte types “die hun Levinas kennen”. Maar recent – na vele columns in Trouw over het kille technocratische klimaat van de hedendaagse geneeskunde – verzucht hij: “Levinas is de filosoof die ons erop wijst hoe het gelaat van de ander die ons aankijkt ons uitnodigt tot verantwoordelijkheid. Is er ergens in de mallemolen van het ziekenhuis een plaats waar je ‘de ander’ op die manier kunt aankijken?”

Ik concludeer uit die wending dat Keizer het uiteindelijk toch onontkoombaar vindt om woorden te wijden aan wat in zuiver logische taal misschien onzegbaar is. Het sluit aan bij de wending van Marjoleine de Vos in haar artikel Het onzegbare buiten de woorden om over de pretenties van poëzie, die het onzegbare zou kunnen uitdrukken. “Soms lijkt dat een nogal belachelijke pretentie”, aldus De Vos. Dan is de verleiding groot om, met de choreograaf Hans van Maanen, te zeggen dat je beter geen woorden kunt gebruiken om iets uit te drukken, maar alleen maar te kijken, naar dans bijvoorbeeld, of te luisteren, naar muziek. Toch besluit zij haar artikel als volgt: 

“Onzegbaarheid betekent wat Hans van Manen bedoelde: dat er geen ándere manier is om het te zeggen, dan zo. Door dans. Door muziek. Door verf.

En door woorden.”

Zie ook Hoe naïef is Levinas eigenlijk?

Wil je commentaar geven of zien: klik op Woorden en scrol naar beneden door.

maandag 29 januari 2024

Het koekenatelier


Eerlijk gezegd vind ik de gestage toekenning van cultureel erfgoedlabels aan zaken als zaklopen of carbidschieten een beetje uit de hand lopen, net zoals de ‘Europese erkenning van streekproduct’ aan Parmaham, Goudse kaas en Irish whiskey. Er treedt al gauw een soort inflatie op bij dat soort titels, zo dadelijk is mijn door menskracht aangedreven Gazelle ook ineens werelderfgoed geworden en dat vind ik overdreven. Maar vorige week werd ik toch aangenaam verrast toen de Limburgse vlaai de Europese erkenning van streekproduct kreeg. Ik had net in mijn vorige blogbericht gesomberd over de afwezigheid van aandacht en liefde bij de fabricage van moderne producten, en het management van een koekjesfabriek als voorbeeld genomen. 

Hier verscheen ineens een tegenvoorbeeld. Want de vlaai mag ongezond zijn, hij biedt in zijn beschermde variant wel waar het bij zoveel producten aan ontbreekt: ambachtelijkheid, trots en liefde voor het vak. In de krant vertelde een meester bakker hoe klanten soms hun eigen vlaaivulling meebrachten naar de bakker, gemaakt van gekookt en gebonden fruit. “Elk pannetje kreeg een naamplaatje en ging schoon en gewassen terug naar de eigenaar”, samen met de van de vulling gemaakte vlaai. De tijden waarin dat zo ging zijn weliswaar voorbij, maar de zorg voor de receptuur van het deeg, de vulling, het bakken en “het afmaken” zijn nog springlevend. De winstmarges zullen niet hoog zijn, maar het is duidelijk: deze bakker/manager krijgt er iets anders voor terug.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Het koekenatelier en scrol naar beneden door.

vrijdag 19 januari 2024

Begrijpend lezen en de koekjesfabriek


‘Het managementdenken is overal’. Die klacht hoor je wekelijks, zo niet dagelijks uit de mond van totaal verschillende groepen professionals. Zorgmedewerkers spreken over het verlies van de liefde voor het vak als gevolg van de administratieve en bedrijfsmatige eisen die aan ze gesteld worden. Ministeriemedewerkers met inhoudelijke kennis (bijvoorbeeld ingenieurs, internationaal rechtexperts) zien hun invloed tanen omdat roulerende managers hun inbreng niet op waarde kunnen schatten en vooral druk zijn met ‘prestatie-indicatoren’. Veel inhoudelijk deskundigen zijn zelfs wegbezuinigd, de lege plaatsen worden opgevuld door peperdure consultants.

Deze trend van het inruilen van inhoud voor, ik noem het maar, ‘inhoudsloos managen’ meen ik terug te zien in een verschijnsel dat ik daar tot nu toe niet mee in verband bracht: het leesonderwijs op de basisschool. Dat onderwijs verloopt sinds de jaren ’90 via de methode van begrijpend lezen, en de dramatische daling van leesvaardigheid van basisschoolleerlingen wordt daar deels aan toegeschreven. De methode focust op zogenaamde leesstrategieën, waarbij je moet denken aan eerst kijken naar de kop boven de tekst, of letten op signaalwoorden zoals ‘maar’ of ‘omdat’ in de tekst. Daar is op zichzelf niet zoveel mis mee, want iedereen die een stuk leest gebruikt bewust of onbewust in meer of mindere mate zulke strategieën. Het ging pas fout, zegt Marten van de Wier in Trouw, “toen leerlingen (vanaf begin jaren negentig) die strategieën bewust moesten leren, in een apart vak met een eigen methode: ‘begrijpend lezen’”. In veel gevallen gaat dat zo: leerlingen krijgen een losstaande tekst voorgelegd – bijvoorbeeld een versimpeld krantenartikel – met vragen erbij. De antwoorden kunnen ze vinden via de geleerde trucs, zoals de positie van woorden in een zin of ten opzichte van een signaalwoord. Waar het over gaat doet er niet toe. Deze methode benadert teksten als zo efficiënt mogelijk te tackelen barrières door ze op formele kenmerken te bekijken en iedere inhoud - en ieder plezier - te vermijden. 

Zo geformuleerd is de gelijkenis frappant met management zoals dat al decennia wordt onderwezen: een kwestie van liefst inhoudsvrij sturen op indicatoren van formele aard, bij voorkeur financiële kwartaalcijfers, maar het mogen ook productiecijfers zijn, of HR-tevredenheids- of klanttevredenheidscores. Alles is goed zolang het maar cijfermatig (kwantitatief) te ‘processen’ is en in protocollen te vangen. Inhoud, laat staan liefde voor de inhoud, is alleen maar ballast. Vakkennis, voeling met grondstoffen, aaibaarheid van een product, het is allemaal van ondergeschikt belang. Dat kwam tot uitdrukking in een onder managers in de jaren negentig favoriete uitspraak: ‘wat je maakt doet er niet toe, al zijn het koekjes in een koekjesfabriek; je bent een goede manager als je op indicatoren en processen kunt sturen’. En dan liefst niet de primaire processen – die van het máken; maar de afgeleide financiële en besturingsprocessen. Volkomen onthecht moest je zijn van de stoffelijke, zintuiglijke materialiteit. Als je wilt kun je hier de bevestiging in zien van de verbinding die sommige historici poneren tussen het Christelijke onthechtingsstreven en het kapitalisme. (Met dit verschil dat de managers voor hun onthechting alsnog graag een materiële beloning in het hier en nu ontvangen in plaats van een spirituele in het hiernamaals.) 

De parallel tussen begrijpend lezen en het managementdenken biedt ook een lichtpuntje. Het onderwijs heeft ontdekt dat die methode niet werkt. Dat liefde en aandacht voor de inhoud van de wereld, via geschiedenis, aardrijkskunde en biologie niet door gladde formele strategieën kan worden vervangen. Nu de managers nog.

Zie ook Soorten overleg.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Begrijpend lezen en de koekjesfabriek en scrol naar beneden door.

donderdag 11 januari 2024

Universaliteit en hypocrisie


Bijna achteloos gooide Johan Remkes er dit zinnetje tussendoor tijdens zijn interview met NRC: “Ik zou het wel legitiem vinden als afgesproken zou worden om in Europees verband te bekijken hoe het VN-Vluchtelingenverdrag bij de tijd kan worden gebracht.” Hij zegt er wel bij dat je met internationale verdragen zorgvuldig moet omspringen en nu geen verdragsafspraken moet schenden. Maar toch, tussen neus en lippen door roert hij een explosief thema aan. Misschien is deze soepelheid de manier geweest waarop hij eerder notoir vastzittende zaken zoals bestuurlijke vernieuwing en het stikstofdossier enigszins heeft kunnen vlottrekken. Hij speelt het klaar om quasi nonchalant een kernthema ter sprake brengen en ter discussie te stellen. 

Want een kernthema ís het wel, de verzameling van verdragen over mensenrechten en vluchtelingen van rond 1950. Tot stand gekomen na en onder invloed van de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog en de Sjoa vormen zij een fundament van de na-oorlogse door het Westen geleide orde. Maar ze dragen ook de sporen van die tijd, in die zin dat de ‘universaliteit’ in de praktijk beperkt was tot wie zich in de westerse wereld bevond. De afstanden tot de uitgestrekte in armoede gedrenkte delen van de wereld waren simpelweg te groot, de communicatiemiddelen te ontoereikend en de machtsverhoudingen te scheef om de universaliteit echt universeel te maken. Het aan iedereen toekennen van allerlei rechten was nog redelijk risicoloos.

Dat is veranderd. In tal van wereldstreken mag de armoede nog steeds schrijnend zijn, mobieltjes zijn er meestal wel en daarmee mogelijkheden voor de bevolking om meer te weten van andere delen van de wereld en andermans rijkdom. De mogelijkheden om te reizen zijn bovendien onvergelijkbaar veel groter dan 75 jaar geleden, dus universaliteit van (gelijke) rechten krijgt serieuze praktische consequenties. Veel meer mensen kloppen aan bij onze grenzen, en eisen hun rechten op. Kunnen en willen wij daarvoor onze grenzen écht open zetten? Het leidt tot hypocriet gedrag: in theorie aan iedereen dezelfde rechten toekennen, maar in de praktijk asielzoekers terugduwen. Dus er moet wel wat gebeuren met die verdragen, denk ik, want dit was niet de bedoeling. Maar hoe dan? Kun je rechten ook zien als niet-universeel? Moet je dan spreken over relatieve rechten? Het is duidelijk, uiterste  zorgvuldigheid is hier vereist, en dan klinkt Remkes wel erg tussen neus en lippen door. Maar misschien kon hij daardoor al die klussen klaren.

Zie ook Hannah Arendt en vluchtelingenToen was naïviteit heel gewoon en Verdienste en hypocrisie.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Universaliteit en hypocrisie en scrol naar beneden door.