vrijdag 9 april 2021

Het Gelaat als ethisch duizenddingendoekje


De Frans-Joodse filosoof Levinas wordt wel erg makkelijk voor van alles en nog wat erbij gehaald als het maar een beetje ethisch klinkt. Verheugend natuurlijk, dat mijn favoriete denker een grote bekendheid lijkt te genieten, maar het doet niet altijd recht aan zijn bedoelingen.

Dat zal te maken hebben met de centrale plaats in het werk van Levinas van ‘Het Gelaat’. Gelaat bij Levinas staat voor het morele appèl dat uit kan gaan van een andere mens die ik ontmoet. In de ogen van het gelaat lees ik: ‘Help mij’ of ‘Verneder me niet’, aldus Levinas. 

De ander opgevat als gelaat is kennelijk een aansprekend, bijna aaibaar beeld, maar het gevolg is wel dat het ingezet wordt op manieren die Levinas zelf niet bedoeld heeft. 

Een voorbeeld van die door Levinas niet bedoelde inzet is de veelvuldige koppeling van het gelaat van de ander aan culturele minderheidsgroepen. Mensen met een donkere huidskleur of uit andere, vooral ooit gekoloniseerde culturen worden aangeduid als ‘de Ander’ en daar zou Levinas het over hebben via het woord ‘gelaat’. Die koppeling maakt bijvoorbeeld de Australische Rosalyn Diprose in Bearing Wittness to Cultural Difference: “In this essay I welcome cultural difference, with apology to indigenous Australians. This apology is a gift offered in the spirit of decolonisation and in the words of Emmanuel Levinas. Levinas’s words lend themselves to a philosophy of the gift…as ethical openness to the other”. Diprose vermeldt er trouwens bij dat dit niet in de geest is van Levinas zelf.

En daar heeft ze gelijk in, want er is voor zover ik weet geen passage te vinden in het werk van Levinas die je kunt verbinden met deze progressieve identiteitspolitieke ideeën. In haar boek Un-common Sociality verwoordt de Zweedse Ramona Rat het naar mijn idee correct als ze zegt “Laten we vaststellen dat Levinas het gelaat in méér dan fysieke termen bespreekt. Het gelaat (gezicht) vertegenwoordigt niet de opeenhoping van fysieke kenmerken. Onbepaaldheid, cruciaal voor Levinas’ opvatting van andersheid, blijft belangrijk. Het gezicht is niet alleen ontdaan van zijn fysieke kenmerken, maar ook van zijn culturele of andere contextuele bepaling” (mijn nadruk, NvdV).

Soms is bij Levinas zelfs sprake van het tegendeel van respect voor culturele verschillen. Zeker in zijn vroege jaren spreekt Levinas zich op een manier uit over Afrikanen en Aziaten die wij (en hij zelf later ook) alleen maar politiek incorrect zouden noemen.

Voor twee andere voorbeelden van (naar mijn idee) ongepast gebruik van Levinas doe ik een kleine greep uit meer recente overhaaste verwijzingen naar ‘het gelaat’ annex ‘de ander’ bij Levinas. Het gaat om twee artikelen van de afgelopen week. Bij mijn commentaar daarop laat ik me opnieuw leiden door de subtiele analyses van Ramona Rat.

Op de site van NieuwWij reageert Lisette Thooft op het verwijt door ethicus Frits de Lange dat veel aanhangers van New Age en spiritualiteitsbewegingen zich niets gelegen laten liggen aan de coronamaatregelen. In het artikel Ben ik mijn broeders hoeder? verklaart Thooft, die zich naar eigen zeggen beweegt in “spirituele kringen”, haar besluit om geen mondkapje te dragen als volgt:  

“Een gedachte-experiment. Zou de filosoof Emmanuel Levinas ermee ingestemd hebben dat we ‘voor elkaar’ ons gelaat bedekken met een masker? Wetende dat mondkapjes geen virussen tegenhouden; dat medische mondmaskers dat niet eens kunnen (een verkouden chirurg opereert niet) laat staan de niet-medische publieksversie die ons is opgedrongen? ‘Ze doen wel iets’ was het argument van overheidswege en dat is helaas maar al te waar: ze bedekken een groot deel van het heilige gelaat van de Ander, en daarmee vergroten ze ook de gevoelsmatige afstand en de angst voor elkaar. Een argument om ze niet verplicht te stellen was oorspronkelijk dat ze misschien een gevoel van veiligheid zouden geven. Toen dat niet zo bleek te zijn, werden ze verplicht.”

Ik ben bang dat Thooft Levinas hier te letterlijk neemt. Het gelaat staat bij Levinas beslist wel voor fysieke concreetheid, maar tegelijkertijd ook voor de ongrijpbaarheid ervan. En dus, zoals al gezegd, voor méér dan de fysieke concreetheid vanwege het mysterie van de andersheid van de ander die ons ook in het gelaat steeds ontglipt. Je kunt het gelaat niet tot een heilig ding of thema maken of vangen in een mondkapje. “The face cannot be shown”, aldus Rat. Het kan dus ook niet verborgen worden, het verbergt zichzelf want het is onbepaalbaar.  

Tegelijkertijd – voor zover het Levinas wél gaat om fysieke concreetheid, want dat is verwarrend genoeg soms óók het geval – maakt hij van het fysieke gelaat geen fetisj. Levinas: “De beste manier om de Ander te ontmoeten is door de kleur van zijn ogen niet eens op te merken!” Het gelaat staat voor méér dan alleen het gezicht van de ander, ook fysiek. Rat: “De belichaming van het gezicht is niet te herleiden tot het gezicht als deel van het lichaam. Het hele lichaam wordt een gezicht. En het hele lichaam – een hand of een ronding van de schouder – kan zich uitdrukken als het gezicht”. 

De teksten van Levinas laten vragen bestaan over hoe concreet het gelaat nu eigenlijk is. Maar mét Rat ben ik van mening dat een zekere onbepaalbaarheid voor Levinas in het spel is als het gaat om het gelaat. Die onbepaalbaarheid gaat ver en laat niet toe dat het gelaat verward wordt met dat wat achter een mondkapje verdwijnt alsof daarmee de ziel van de andere mens voor Levinas zou verdwijnen. Rat: “Rather than indicating a mere physical presence, we have shown that the face signifies concealment itself, the absolute alterity and mystery of the other—a mystery that loses all its meaning when we try to determine it.”

In het tweede artikel waar ik aan bleef haken ging het om een uitspraak van filosoof Ivana Ivkovic. Het woord gelaat komt daar niet in voor, maar wel een omschrijving van waar dat gelaat bij Levinas voor zou staan: voor de ander die je voorop moet stellen. Voor een algemeen gebiedende ethiek dus. 

Ivkovic: “Levinas stelt: je moet denken vanuit de ander. Hij gaat daarmee nog een stap verder dan Kant. Kant laat zien dat de mens altijd een ‘doel-op-zichzelf’ is. Vanuit dat doel hebben we universele regels opgesteld over wat dat inhoudt, namelijk de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens: waar heeft elk mens recht op? In de voetsporen van Levinas kun je de vraag stellen hoe je onze oneindige morele verantwoordelijkheid naar zo’n concreet kader kunt vertalen. Het zou een interessant experiment zijn om een Universele Verklaring van de Plichten van de Mens op te stellen. Dan schieten we nog steeds tekort, maar hebben we tenminste wel een houvast”. 

Opnieuw wordt, nu door Ivkovic, veel meer bepaaldheid en grip aan de ander/het gelaat toegekend dan voor Levinas zelf de bedoeling was. Hier wordt de ander tot abstract beginsel, dat de basis zou zijn voor Universele Verklaringen van de Rechten of de Plichten van de Mens. Met Rat ben ik van mening dat het creëren van een universeel concept van de Ander, “a generalized notion of otherness”, en een daarop gebaseerde ethische code het laatste is wat Levinas voor ogen stond

Áls Levinas al over ethiek praat is dat volgens Rat “Het in twijfel trekken van het zelf door de ander”. Daar ontstaat verantwoordelijkheid, en daarmee ontstaat tegelijkertijd het zelf.  

Rat: “By offering a reading of responsibility as responsiveness, and by connecting ethics to the emergence of the self, we will attempt consistently to displace Levinas’s writings from their categorization as ethical theory and underline instead the role they hold in examining the relation of the self in responsiveness to the other(s).” 

Zo gemakkelijk als in de voorbeelden laten Levinas’ ideeën over het gelaat en de ander zich dus niet aan onze gangbare manier van (ethisch) denken koppelen. Daarvoor zijn ze te weerbarstig, maar ook te krachtig.

Zie ook Wie is de ander bij Levinas? en Levinas als revolutionair

Wil je commentaar geven of zien: klik op Het Gelaat als ethisch duizenddingendoekje en scrol naar beneden door.

dinsdag 6 april 2021

Pragmatisch omgaan met Rutte

Rutte heeft gelogen, daar ben ik wel van overtuigd. Maar of hij door kan mag van mij op puur pragmatische gronden bepaald worden. Als er op de terreinen van een meer beschermende overheid, klimaat en Europa nu wél voortgang kan worden geboekt met Rutte, dan moet het maar op die manier.

Tot nu toe schoot het op die punten niet op met Rutte omdat hij nooit gehoord had van toeslagenonrecht, klimaaturgentie en de noodzaak van een sterk Europa. En als hij er wel van gehoord had wist hij niet meer dàt hij het gehoord had. Dat kan nu anders zijn. En met zo’n sterke VVD zou een enigszins bekeerde liberale leider wel eens de enige manier kunnen zijn om te doen wat nodig is.

Hoe je het ook bekijkt, Rutte wordt door de Omtzigtaffaire gedwongen tot beter en kritischer denken. Dat is pure winst, want zoals schrijver van het Maand van de Filosofie essay Eva Meijer zegt: denken is iets griezeligs. Zeker in kringen van de VVD waar men onwelgevallige delen van de werkelijkheid liever buiten beschouwing laat om niet uit de comfortzone te vallen. 

Er wacht Rutte een schone taak!

Zie ook Vijftig jaar achterop en Herhaling van zetten

Wil je commentaar geven of zien: klik op Pragmatisch omgaan met Rutte en scrol naar beneden door.

dinsdag 30 maart 2021

China en het Westen


Het gaat in de media veel over de opkomende macht van China. Natuurlijk wordt er dan gesproken over de dreiging op economisch en militair gebied die daarvan uitgaat. Maar mij interesseert in dit stukje een ander aspect, namelijk de levensbeschouwelijke oriëntatie van de Chinese samenleving die zich zo krachtig ontwikkelt.

Er wordt regelmatig gesuggereerd dat China bepaalde morele kwaliteiten bezit, Confucianistisch of Taoïstisch geïnspireerd, die het Westen ontbeert. Uiteraard gaat het dan niet over de onderdrukking van de Oeigoeren en de dwingende sociale controle in de Chinese maatschappij, want die zien wij eerder als morele tekortkomingen.

Nee, dan wordt met bewondering gekeken naar een aantal andere aspecten van de Chinese samenleving zoals de hoge waardering voor het collectief, het gevoel verantwoordelijk te zijn voor komende generaties en de afwezigheid van opdringerige ideologie.

Hoge waardering voor het collectief en aandacht voor de langere termijn komen bijvoorbeeld tot uitdrukking in de verweving van Chinese bedrijven, juist ook van private ondernemingen, met afdelingen van de Communistische Partij die ecologische maatregelen stimuleren. De keuze voor investeringen in verbetering van het milieu wordt niet zomaar aan de individuele eigenaars overgelaten. China beschouwt het als verantwoordelijkheid van zijn regering om het land niet alleen economisch maar ook sociaal en duurzaam te ontwikkelen. 

Daarbij gaat het land te werk zonder opdringerige ideologie. In zijn boek De wederopstanding van China laat Frans-Paul van der Putten zien dat China er niet op uit is de wereld te domineren en haar zijn ideeën en denkwijzen op te leggen. 

Bij de benoeming van die Chinese kwaliteiten is een contrast al gauw geschapen. Want je kunt die kwaliteiten stuk voor stuk afzetten tegen Westerse accenten die een stuk minder sympathiek ogen. 

Zo is in het kapitalistische Westen het individualistisme van ieder-voor-zich dominant, en daar heeft zowel in het heden het collectief (met een grote kloof tussen arm en rijk), als op langere termijn het milieu ernstig onder te lijden. Het is nog steeds serieus de vraag of het liberale kapitalisme die kwesties tot een goed einde kan brengen.

Wat China niet doet: z’n eigen ideologie verspreiden en opleggen, dat deed het Westen bij uitstek wel. Het Westen is daarin terughoudender geworden maar deep down houdt het vast aan het gevoel van morele superioriteit dat verbonden is met westerse ideeën als de liberale democratie en de mensenrechten. In andere delen van de wereld neemt men daar vaak aanstoot aan.

Zo bezien lijken de Chinezen met hun staatskapitalisme een stuk bescheidener, wijzer, volwassener en spiritueler dan het liberaal-kapitalistische Westen. Maar in zijn serie De wereld van de Chinezen brengt documentairemaker Ruben Terlou dat contrast terug tot meer nuchtere proporties. 

Hij laat zien dat de Chinezen zich inderdaad laten leiden door een moreel kompas. Maar dat bestaat er vooral uit zakelijk succesvol te zijn, ook ver buiten de grenzen van China. “Geld verdienen, dat is pas genieten”, zegt een Chinese pannenkoekenbakker in Nairobi. Daar wordt altijd bij gezegd dat dat mede van belang is om de ouders te helpen en de kinderen een betere start te geven. Noem dat een collectief belang, maar zulke overwegingen zijn ons in het Westen ook niet vreemd.

En ideologisch opdringerig zoals het Westen is China misschien niet. Maar, zegt Renate van der Bas in haar verslag van de documentaire van Terlou, “ze vragen zich ook niet af of ze wel op hun plek zijn met hun handel. Ze komen gewoon, varend op hun eigen kompas”. En als ze samenwerken, dan wordt de plaatselijke cultuur daaraan ondergeschikt gemaakt. Zo moet  bijvoorbeeld in Kenia de lokale bevolking maar Chinees leren voor de communicatie en zich schikken in een zevendaagse werkweek, terwijl de meeste Kenianen Christelijk zijn en in het weekend naar de kerk willen. “Maar begin je tegen een Chinees over God, gaat hij op Google zoeken wat dat is.” Nu hoeft dat niet zoveel te zeggen, maar een toonbeeld van spiritualiteit en zen kun je zulke Chinezen niet direct noemen.

Concluderend ben ik geneigd te denken dat China en het Westen qua materialistische instelling elkaar niet zoveel ontlopen. Op het vlak van denken op langere versus korte termijn zou er wel eens sprake kunnen zijn van een fundamenteel, en uiteindelijk doorslaggevend verschil.

Zie ook Harmonie en Autonomie en Marx op zijn kop

Wil je commentaar geven of zien: klik op China en het Westen en scrol naar beneden door.

dinsdag 16 maart 2021

De mensen zijn (niet) gek


De mensen zijn niet gek. Dat lijkt me een goed, ja noodzakelijk uitgangspunt voor een democratische samenleving, zeker in verkiezingstijd.

Historicus Rob de Wijk doet die uitspraak naar aanleiding van de geopolitieke situatie. Uit onderzoek van de European Council on Foreign Relations onder EU-burgers blijkt dat die heel goed in de gaten hebben wat er mondiaal aan de hand is. De meesten zijn blij met Joe Biden als nieuwe Amerikaanse president, maar zij zien ook dat het Amerikaanse politieke systeem niet functioneert en dat de VS geen comeback kunnen maken als wereldleider. Europa zal zijn eigen kracht verder moeten uitbouwen.

Op een ander terrein, dat van de binnenlandse sociaal-economische politiek, hebben veel Nederlanders de indruk dat de markt is doorgeschoten en de ongelijkheid onaanvaardbare proporties begint aan te nemen. Men maakt zich zorgen over de woningmarkt, de gezondheidszorg en het onderwijs. Ook dat is goed aangevoeld door ‘de mensen’.

Maar dan is het raar dat zoveel mensen VVD gaan stemmen. Want als we ons even beperken tot de twee genoemde terreinen (buitenlands: een sterk Europa, binnenlands: meer rechtvaardigheid), dan zou je mogen verwachten dat ‘de mensen’ in meerderheid gaan stemmen op partijen die de EU ook openlijk een warm hart toedragen en/of sociaal-economisch links beleid voorstaan. Maar dat gebeurt niet, de grootste groep stemt VVD. Zijn veel mensen dan toch gek?

Dat hoeft niet. Stevo Akkerman wijst er in zijn column op dat politieke partijen collectief opschuiven naar links. “Zo kan het natuurlijk ook: als de kiezers weigeren linkser te gaan stemmen, moeten de partijen zelf maar een stapje in die richting zetten”. En in de praktijk kiezen partijen toch ook wel Europese eieren voor hun geld.

Dus je kunt zeggen: partijen zijn niet gek. En ergens weet de kiezer dat ook, hij vertrouwt erop dat partijen die verstandige bewegingen maken, dus de kiezer is ook niet gek. Dan blijf ik nog wel zitten met de rare paradox op klimaatgebied waar Lubach onlangs op wees. ‘De mensen’ zijn in meerderheid voor maatregelen om vleesgebruik te ontmoedigen, ook CDA-stemmers. Maar het CDA wil daar niet aan. Hier zijn de mensen niet gek, maar de partij wel.

Hoe dan ook, voor Nederland durf ik in het algemeen de stelling wel te onderschrijven. Maar dat mensen niet gek zijn is beslist geen universele wet. Voor andere delen van de wereld steek ik mijn hand daarvoor niet in het vuur. In de VS heeft meerderheid in 2016 toch maar mooi voor Trump gekozen en in Brazilië in 2018 voor Bolsonaro. Maar gelukkig woon ik daar niet.

Zie ook Gevaarlijk optimistisch

Wil je commentaar geven of zien: klik op De mensen zijn (niet) gek en scrol naar beneden door.

vrijdag 12 maart 2021

Nationalismes


Het woord ‘nationalisme’ is beladen, althans in Europa. De bloedige oorlogen waarin Europese naties in de negentiende en twintigste eeuw elkaar naar het leven stonden hebben het woord bezoedeld. Alleen extreem-rechts durft zich nog nationalistisch te noemen, politici van andere richtingen hebben zich na de Tweede Wereldoorlog ingespannen om via Europese eenwording de scherpe kanten van de natiestaten af te slijpen, ten gunste van meer universele waarden. En het is beslist niet de bedoeling dat vervolgens het nieuwe blok van verenigde Europese landen zich nationalistisch profileert zoals voorheen de afzonderlijke naties dat deden. Het woord blijft vies, bijvoorbeeld blijkens de recente uitspraak van de Europese commissie die het verwijt van ‘vaccin-nationalisme’ verre van zich werpt.

Maar zo is het niet overal. In Amerika bijvoorbeeld gaat nationalisme, voor het gevoel van de Amerikanen, heel goed samen met een oriëntatie op universele waarden en rechten. Om dat te staven halen ze graag de Amerikaanse grondwet aan waarin die waarden en rechten zijn vastgelegd. De Amerikaanse filosoof Martha Nussbaum concludeert in haar boek Toward a Globally Sensitive Patriotism dat de liefde voor het eigen thuis, familie of volk niet haaks staat op universele waarden en rechten. Patriottisme kan daar probleemloos mee samengaan.

De Amerikaanse historica Jill Lepore graaft wat dieper dan Nussbaum. In haar boek Dit Amerika stelt zij vast dat bij het opbouwen van de Amerikaanse staat allerlei mensenrechten op allerlei manieren grof geschonden zijn. Denk aan de verjaging van de oorspronkelijke inwoners van hun woongebieden, maar ook aan de slavernij die volop bloeide toen de grondwet werd opgesteld en pas in 1865 in het hele land officieel werd afgeschaft. Je kunt, aldus Lepore, zeggen dat Amerika gegrondvest is op geweld. Maar dat weerhoudt haar er niet van om in het laatste hoofdstuk vol op het patriottistische orgel te gaan: “De VS zijn een natie gebouwd op een revolutionaire, grootmoedige en moreel diepgevoelde verplichting aan menselijke gelijkheid en waardigheid”. 

De omgang met nationalisme in Israël heeft veel weg van de omgang daarmee in Amerika, met name zoals vertegenwoordigd door Lepore. Er is trots op wat er bereikt is, bijvoorbeeld op de vlakken van de inrichting van een democratische samenleving en van religieuze tolerantie (nu ook voor Liberale Joden!). Tegelijkertijd is het stichtingsgeweld van de staat niet te ontkennen, en door de Palestijnse problematiek in het dagelijks leven indringend aanwezig, meer dan de Indiaanse problematiek in de VS. Maar net als in de VS is nationalisme – maar dan in de Israëlische variant van het zionisme – bepaald geen vies woord. De staat wordt gekoesterd en patriottisme is een deugd.

Zie ook Right en Wrong en Natiestaat

Wil je commentaar geven of zien: klik op Nationalismes en scrol naar beneden door.

dinsdag 2 maart 2021

Het Rijnsaksisch-Angellandse model


Ik kom er niet goed uit. Er is duidelijk een omslag aan de gang in het denken over de manier waarop wij in de samenleving onze samenwerking willen organiseren. Maar kun je dat benoemen als een verandering in de richting van het Rijnlandse model? Met niet alleen aandacht voor de aandeelhouders zoals in het Angelsaksische model, maar ook voor medewerkers, klanten en de omgeving?

Als het gaat om overheidsorganisaties is dit wat we zien: minder denken in markttermen met de burger als consument of kostenpost en met efficiencytargets als hoogste doel; en meer aandacht voor de menselijke maat en kwaliteit door meer regelruimte te geven aan frontlijnprofessionals zoals leraren, zorgmedewerkers en ambtenaren.

Ik zou zeggen: dat is inderdaad een omslag naar het Rijnlandse model van organiseren, weg van het Angelsaksische model met zijn top-down-command-and-control management.

Maar dat is te simpel gedacht. Er doen zich zeker tendensen voor in de Rijnlandse richting, het woord wordt ook door steeds meer politici en beleidsmakers in de mond genomen. Maar die tendensen gaan gepaard met daaraan juist tegengestelde bewegingen.

Als voorbeeld zet ik een aantal uitspraken in Trouw van minister De Jonge naast elkaar over de werking van ons zorgstelsel. De Rijnlandse accenten zijn duidelijk aanwezig, zoals de volgende:

“De markt gaat onze problemen niet oplossen”; We moeten toe naar “minder markt en meer samenwerken, een sterke overheid”; “Concurrentie is van vroeger, samenwerken is de toekomst”; “Er zijn in deze crisis fantastische vormen van regionale samenwerking ontstaan”.

Maar dat gaat geruisloos over in pleidooien voor meer centrale regie en top-down management: 

“De zorg is wel héél decentraal ingericht”; “Wij hechten aan autonomie, ook voor de zorgverleners zelf geldt dat in sterke mate. Op een geweldige manier is alles verdeeld in kleine eilandjes waarop zorgaanbieders zelf mogen bepalen hoe ze dachten dat de dingen zouden gaan. Prima in vredestijd, maar in oorlogstijd buitengewoon complex”; “Normaal mag ik graag samen optrekken in plaats van van bovenaf te sturen”; “Er is veel meer centrale regie nodig in de zorg…een directe commandolijn”. 

‘Oorlogstijd’, ‘commandolijn’, dat soort woorden lijken regelrecht te komen uit de koker van het Angelsaksische model met zijn martiale retoriek. Daar koestert men graag de voorstelling van het dagelijkse economische leven als een permanente noodtoestand en struggle for life, ofwel van ‘de wereld als markt en strijd’, naar het boek van Michel Houellebecq. ‘Excelleren’, ‘uiterste inspanningen’, ‘competitie’ en ‘overwinnen’ zijn dagelijkse strijdkreten uit het Angelsaksische arsenaal, ook in volle vredestijd, crisis of geen crisis. Die termen lenen zich niet goed voor het Rijnlandse model waar onmiskenbaar ook gezocht wordt naar vormen van harmonie, ontspanning en gemoedelijkheid. 

Nu weet ik wel dat het op dit moment écht crisis is, en dat Hugo de Jonge die moet managen. En dat centrale regie over de ziekenhuizen en de GGD’s waarschijnlijk had geholpen om de bestrijding van de pandemie eerder op de rails te zetten. Noem het maar even oorlogstijd waar we in zitten. 

Maar ik ben er niet helemaal gerust op dat bij het terugkeren van de vrede het crisismodel van centrale aansturing weer mag wijken voor meer inbreng van de lokale frontlijnwerkers. De verleiding van permanente centrale regie is voor sommige bestuurders erg groot, en als de markt niet meer in de mode is, dan realiseren ze dat net zo makkelijk via een centraal gestuurde planeconomie. Dan zijn de verwijzingen naar het Rijnlandse model gratuit, resteert een ratjetoe van Angelsaksische en Rijnlandse elementen, en hebben de vakmensen opnieuw het nakijken.

Zie voor een heldere inleiding in het Rijnlandse denken het nieuwe boek van Jaap Peters, een van de aartsvaders van de Rijnlandse beweging, die vandaag 65 jaar wordt. Gefeliciteerd Jaap!

Wil je commentaar geven of zien: klik op Het Rijnsaksisch-Angellandse model en scrol naar beneden door.

vrijdag 26 februari 2021

Levinas en De Beauvoir


Het kan niet anders of ze zijn elkaar meerdere keren op straat tegengekomen op die paar academische vierkante kilometer rondom de Boulevard Saint-Germain en de Sorbonne. Emmanuel Levinas (van 1906) en Simone de Beauvoir (van 1908) woonden en werkten grote delen van hun leven in Parijs als schrijvende intellectuelen. Maar ze zullen elkaar woordeloos gepasseerd zijn want hun intellectuele universums lagen mijlenver uit elkaar.

Toch zijn er tal van parallel lopende interessegebieden in de werken van Levinas en De Beauvoir te vinden die het interessant maken om de standpunten van beiden te vergelijken. Dat geldt bijvoorbeeld voor het onderwerp denkschaamte, dat bij Levinas uitgebreid aan de orde komt. Denkschaamte is de schaamte die je kunt hebben voor je eigen denken, vooral als je meent het beste voor te hebben met een ander. Wanneer dat leidt tot denken voor die andere mens en wanneer die ander dat vervolgens evident niet leuk vindt, dan kan bij de denker het gevoel optreden: ik ga te ver, ik overschrijd een grens.

Een noodzakelijke voorwaarde voor het optreden van denkschaamte is dus het koesteren van ideeën, en het bijna heilige geloof dat uitvoering van die ideeën niet alleen goed is voor jouzelf, maar voor ieder ander. Welnu, het ontbrak De Beauvoir bepaald niet aan idealen, de hele maatschappij moest op de schop om te komen tot meer rechtvaardige en adequate sociale verhoudingen. Daarvoor moest liefdevolle strijd worden gevoerd.

Maar dat euforische geloof in goedbedoelde plannen kende grenzen, en De Beauvoir wist dat. In de woorden van haar biograaf Kirkpatrick: “Het bestaan willen rechtvaardigen door liefdevolle toewijding was ook problematisch, schreef ze. Ten eerste kon het voorwerp van onze toewijding zich eraan ergeren dat we ons geluk baseren op de aanvaarding van iets waar die ander niet om heeft gevraagd. Toewijding aan anderen kan tiranniek zijn, als we door toewijding de vrijheid van de ander ongewild beperken.” Omdat er zo veel mensen zijn die zich willen toewijden aan anderen wilde de Beauvoir weten: is het mogelijk om toegewijd te zijn zonder een tiran te worden?

Hier nadert De Beauvoir het denken van Levinas in het hart. Bijvoorbeeld als die in het voorwoord van Totaliteit en Oneindigheid aankondigt dat het hem in dat boek te doen is om de vraag in hoeverre wij misschien de dupe zijn van de moraal. Is het mogelijk dat ons geloof in onze goede bedoelingen uitmondt in totalitaire systemen?

Dat noem ik een besef van denkschaamte, bij Levinas en bij De Beauvoir. Ik kom dat bij De Beauvoir opnieuw tegen als ze met haar levenslange intellectuele partner Sartre terugkijkend bespreekt wat hun geloof in radicale vrijheid en autonomie op relationeel gebied anderen aan schade heeft berokkend. Zij waren er steeds vanuit gegaan dat hun incidentele geliefden, jong of oud, rijk of berooid, vrij waren om te handelen en zelf keuzes te maken. In het gesprek met Sartre beseft ze de gemakzuchtigheid van dat denkbeeld: “Wat ik ons verwijt, mijzelf net zo goed als u overigens, is de manier waarop wij in het verleden, in de toekomst, in het absolute de mensen behandelen; dat we zover waren gekomen dat we hen op die manier verdriet deden leek me onaanvaardbaar.”

De Beauvoir onderkende haar eigen solipsisme, en schaamde zich naar ik aanneem over de hoogdravende denkbeelden die daaraan ten grondslag lagen. Maar dan ligt ook meteen de ommekeer ten goede binnen handbereik.

Zie ook Hoe totalitair is Levinas zelf?

donderdag 18 februari 2021

Niet (helemaal) verkeerd


Nieuws over de financiële sector doet over het algemeen mijn hart niet sneller kloppen, althans niet in positieve zin. Voor zover het de handel in simpele aandelen betreft vind ik het allemaal best, ook al doe ik er zelf niet aan – behalve via mijn deelname in het ABP. 

Wat mijn weerzin wekt is het circus van derivaten en opgeklopte financiële constructies vanwege de compleet van de gewone economie losgezongen werkelijkheid die daar is ontstaan. En die vervolgens wel op verregaande manier de bezitsverhoudingen in de gewone werkelijkheid verstoort. Daar is iets fundamenteel mis.

Maar goed, toen ik onlangs las dat Amsterdam Londen overvleugelt als financieel centrum vond ik dat toch niet verkeerd. Niet alleen om het Oranje- en vooral Europa-chauvinisme wat bij mij dan ondanks alles de kop opsteekt, maar vooral vanwege de criteria die genoemd worden als redenen voor de verhuizing naar Amsterdam. Want dat zijn zinnige criteria. 

Anders dan je zou denken bij het beeld van een financiële Bonanza hechten de spelers (banken en beleggingsmaatschappijen) belang aan goed toezicht, dus bij de keuze van een nieuwe vestigingsplaats speelt de aanwezigheid van goede regulering en toezichthoudende instanties een rol. Omgekeerd lijkt onze strenge bonuswetgeving geen obstakel te zijn.

Verder blijken, in weerwil van de cowboyreputatie van de financiële bedrijven, solide factoren als de bestendigheid van een land, de handelscultuur, het leefklimaat en goede (digitale) infrastructuur van groot belang te zijn voor de vestigingsbeslissing. 

Niet verkeerd, denk ik dan. Het financiële Wilde Westen is misschien nog in de hand te houden.

Zie ook Adrenaline

Wil je commentaar geven of zien: klik op Niet (helemaal) verkeerd en scrol naar beneden door.

woensdag 10 februari 2021

Utopisch universalisme is ook voor Joden te hoog gegrepen


Het is ontegenzeglijk waar: de Sjoa en de daaraan onvermijdelijk gekoppelde gedachte ‘Dat nooit meer’ hebben een grote stimulans betekend voor het idee van mensenrechten. Het is beslist niet toevallig dat in het eerste decennium na de Tweede Wereldoorlog het internationale recht als discipline, de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de VN-afdeling voor de mensenrechten tot stand kwamen.

Het is ook niet toevallig dat Joden een grote rol speelden in de totstandkoming daarvan. De juristen Jacob Robinson en Hersch Lauterpacht, de zakenman Jacob Blaustein en de rabbijn Maurice Perlzweig kunnen gezien worden als intellectuele founding fathers van de conceptuele vormgeving van het internationaal recht en de mensenrechten. Tien jaar later was het de politicus en advocaat Peter Benenson die overging tot de oprichting van Amnesty International. Inmiddels ingeburgerde begrippen als ‘misdaden tegen de menselijkheid’ of ‘gewetensgevangenen’ komen uit zijn koker. 

Zo bezien is het niet vreemd dat allerlei herinneringsmonumenten en gelegenheden ter herdenking van de Tweede Wereldoorlog met diezelfde brede, universele focus aan de slag gingen. Langs die weg kwamen permanente zorg voor tolerantie en alertheid op onderdrukkende maatschappelijke tendensen als doelstellingen terecht in de statuten van die  herinneringsinstituten. Voor Kazerne Dossin in Mechelen, het Belgische monument ter herinnering aan de Tweede Wereldoorlog, blijkt dat direct al uit de volledige naam: “Kazerne Dossin-Museum, Memoriaal en Documentatiecentrum over Holocaust en Mensenrechten”. Voor het Nederlandse Comité 4 en 5 mei bleek dat een tijd lang uit de pogingen om nieuwe groepen, die slachtoffer waren van actuele onderdrukking, toe te voegen aan de oorspronkelijke groepen van slachtoffers. 

Het is ook niet vreemd, gezien de Joodse betrokkenheid bij zowel de Sjoa als de gedachte van ‘Dat nooit meer’, dat in de besturen van die monumenten en herdenkingen Joden plaatsnamen die zich konden vinden in de bevordering van waarden als tolerantie, vrijheid en democratie. Zo zijn Joden meestal vertegenwoordigd in het bestuur van het Nationaal Comité, en datzelfde geldt voor Kazerne Dossin.

Maar nu: universaliteit is niet meer wat het geweest is. Anno 2021 zijn wij minder geneigd om daar onbekommerd in te geloven dan het geval was in de jaren vijftig en zestig. Daar zijn allerlei redenen voor aan te wijzen. Om maar wat te noemen, we hebben een nuchterdere kijk op de aard van de mens en zijn behoefte om in overzichtelijke verbanden te leven, we zien de hardnekkigheid van nationalistische gevoelens, en we nemen kennis van het einde van de grote verhalen zoals Christendom, communisme en humanisme. Het was iets te veel ‘grote stappen, snel thuis’, we weten nu dat het bereiken van de utopie meer tijd en tussenstappen vergt.

Dat hoeft allemaal niet rampzalig te zijn, het kan getuigen van meer realiteitsgevoel. Maar in het verband van deze column is het belangrijk vast te stellen dat de universele component van herdenkingen en monumenten steeds meer gaat knellen. Voor Joden net zo goed als voor anderen. Maar ze zitten daar wel: die Joodse bestuursleden van op universele gerechtigheid ingerichte besturen. Die zijn zelf, of onder invloed van hun achterban, misschien ook anders tegen de ooit toegejuichte goede bedoelingen gaan aankijken, maar ze worden door de statuten en nog steeds een deel van de samenleving geacht de universeel correcte positie te kiezen.

Door die klemsituatie ontstaan regelmatig verdrietige conflicten. Zoals nu rondom Abdelkader Benali die door het Comité was gevraagd voor de 4 mei lezing, en zich heeft moeten terugtrekken. In Mechelen liep het vorig jaar nog erger uit de hand. Er was in december 2019 in de Kazerne een prijsuitreiking gepland van de Pax Christi vredesprijs aan Brigitte Herremans. Herremans is wetenschappelijk medewerkster aan het Human Rights Centre van de Universiteit Gent. Zij doet onderzoek naar de situatie van Palestijnen, voert actie voor de tweestaten-oplossing en schuwt daarbij soms scherpe kritiek op Israël niet. 

De raad van bestuur van de Kazerne oordeelde dat Herremans blijk gaf van anti-Israëlische standpunten en besloot, op het laatste moment, toestemming voor de prijsuitreiking in de Kazerne te weigeren. De plechtigheid was al begonnen maar het bestuur liet op brute wijze  iedereen buitenzetten. Als reactie daarop stapte de helft van de achttien leden van de wetenschappelijke raad van Kazerne Dossin op. 

Misschien knelde de dubbele doelstelling van herdenken en goede bedoelingen voor Joodse bestuurders al eerder. Maar zolang het na de oorlog ging om het uitspreken van solidariteit met slachtoffers van dictaturen in Spanje, Rusland of Chili was dat nog wel te doen. Maar de universaliteit van mensenrechten vraagt ook om solidariteit met Palestijnse slachtoffers van Israëlisch bezettingsgeweld, of met Islamitische achterstandsgroepen in Nederland en België die er soms antisemitische opvattingen op na houden.

Dat die Joodse bestuursleden de gevraagde solidariteit niet altijd opbrengen lijkt me een menselijk gegeven, ik kan dat wel begrijpen. Dat soort messiaans universalisme is ook voor Joden te hoog gegrepen, hoezeer de mensenrechten-founding fathers daar ook anders over dachten.

Daar hoeven Joden zich niet voor te schamen, ik denk dat het aan elkaar breien van zulke tegengestelde posities voor de meeste mensen te moeilijk is. Het Christendom, dat van meet af aan het verbroederende universalisme predikte, heeft daar historisch gezien eveneens opzichtig in gefaald. De moordzucht van elkaar bestrijdende broedernaties heeft bijna nergens zulke heftigheid gekend als in het Christelijke Europa van de negentiende en twintigste eeuw. 

Kennelijk is de universalistische utopie, hoe idealistisch ook, nog een brug te ver voor het gemiddelde menselijke gemoed. Ook voor Joden. Dat betekent wel dat Joden zich minder snel en ondoordacht aan (voor hen) onrealistische universele utopieën zouden moeten laten koppelen.

Zie ook Europa is mijn land en Hannah Arendt en vluchtelingen

Wil je commentaar geven of zien: klik op Utopisch universalisme is ook voor Joden te hoog gegrepen en scrol naar beneden door.

vrijdag 5 februari 2021

Hoe totalitair is Levinas zelf?


Levinas heeft de reputatie de denker te zijn van de Ander en van het anti-totalitarisme. Van dat laatste heeft hij expliciet werk gemaakt in een van zijn hoofdwerken, Totaliteit en Oneindigheid, waar het thema al in de titel is opgenomen. Hij waarschuwt in dat boek voor manieren van denken die in de samenleving kunnen leiden tot gesloten systemen en totalitarisme.  

Zo beschouwd vind ik het wel pikant dat de filosoof Victor Kal in zijn boek De joodse religie in de moderne wijsbegeerte Levinas beschuldigt van totalitaristische neigingen. Dat is trouwens mijn weergave, want Kal zelf gebruikt het woord ‘totalitair’ niet voor Levinas. Maar ik benoem het zo scherp omdat Kal twee belangrijke verschijnselen die volgens Levinas tot totalitair denken leiden (en waar Levinas zich dus sterk tegen verzet), júist bij hem ziet terugkomen. Dan doel ik op een doorgeschoten waardering voor de autonomie van de mens en op een totale en fanatieke overgave aan een ideologie (ook al heet die ideologie in het geval van Levinas ‘het Andere’ of ‘de Ander’).

Die twee verschijnselen noemt Kal tegen de achtergrond van zijn schets van het werk van Levinas. Dat werk, zegt Kal geheel juist en terecht, kent nadrukkelijk en voortdurend een centrale plaats toe aan de andere mens (de Ander). Hij citeert ter illustratie Levinas wanneer die het heeft over “een relatie tot het Andere die ‘voorafgaat aan de culturen’ en ‘voorafgaat aan de Wet’”.

Vanuit die achtergrond is het begrijpelijk dat Levinas de in het Westen breed gedeelde waardering voor autonomie ter discussie stelt. Immers de nadruk die in de filosofische traditie wordt gelegd op het eigen kritische vermogen van het individu en het zo onafhankelijk mogelijk bepalen van een eigen waardenstelsel veroorzaakt een blinde vlek in die traditie voor relaties met andere mensen. En om dat laatste is het Levinas voor een groot deel te doen.

Maar, zegt Kal, Levinas bewerkstelligt met zijn betoog eigenlijk het tegendeel. Want de toewending tot het Andere leidt in de praktijk – soms bij Levinas zelf, maar zeker bij bepaalde volgelingen van Levinas – tot het propageren van een “vrome overgave aan het Andere” die daardoor “onmiddellijk weer omslaat in het activisme en in de pretentieuze autonomie waaraan men nu juist had willen ontkomen”. Waaraan in ieder geval Levinas juist wilde ontkomen.

Een tweede negatief effect ziet Kal eveneens optreden wanneer men zich “in opperste vroomheid in de armen van het Andere geworpen heeft”. Dat kan de vorm krijgen van een zodanig totale overgave aan het andere dat het totalitaire trekken krijgt, of in ieder geval “terreur” genoemd kan worden: “Op dat moment begint het Andere in feite een heilige terreur uit te oefenen.” Kal treft dergelijke terreur, vanuit een beroep op Levinas, vooral aan bij bepaalde Christelijke theologieën, zoals bijvoorbeeld die van Friedrich-Wilhelm Marquardt. 

Ik kan wel volgen wat Kal bedoelt te zeggen. En ook dat Kal dat koppelt aan pretenties van (met name de late) Levinas over universele structuren die ‘altijd en overal’ in mensen aanwezig zijn en ‘voorafgaan aan de culturen’. Dit soort alomvattende taal kan inderdaad, op z’n slechtst, leiden tot het starre ‘dogmatisme van de Ander’ dat Kal als terreur ervaart.

Op z’n best krijgt Levinas toch nog een beetje gelijk en is het een illustratie van wat hij zelf omschrijft als het ‘betekenisverlies van woorden’ en de permanent dreigende verstarring van het denken. Levinas werd immers niet moe ervoor te waarschuwen dat al het ‘gezegde’ (gedachten, woorden, theorieën) onophoudelijk het gevaar loopt betekenisloos en dogmatisch te worden. Uitgesproken gedachten moeten dus even hard weer ‘ontzegd’ worden, ook die van hemzelf.

Misschien is Levinas in het gebruik van woorden als ‘universele structuur’ en ‘overal en altijd’ iets minder waakzaam geweest dan zijn eigen ideeën over het weer ongezegd maken van uitspraken hem voorschreven.

Zie ook Kiest Trouw voor de brave Levinas? en Levinas zoals ik hem begrijp

dinsdag 26 januari 2021

Saai, saai….


Aandacht voor de uitvoering van werkzaamheden geldt als saai, al minstens sinds Plato. Die wilde graag denkwerk en het opstellen van plannen zoveel mogelijk gescheiden houden van het uitvoeren ervan. Die verschillende werksoorten moesten dan ook, volgens Plato, aan verschillende groepen in de samenleving worden toebedeeld: het denken aan een intellectuele elite van leiders, het uitvoeren aan de grotere massa van gewone mensen. Dat zou recht doen aan de verschillende capaciteiten van die groepen en daardoor rechtvaardig zijn. Dat de meeste macht en het grootste maatschappelijk aanzien bij de eerste groep kwamen te liggen was (dus?) ook logisch en rechtvaardig.

Wij in onze westerse samenleving, zo’n tweeënhalfduizend jaar later, zitten nog steeds opgescheept met die erfenis van Plato. En dat is beslist niet alleen een filosofische kwestie, dat toont zich in het werkende leven van velen, via de standaard managementhiërarchie in bedrijven en overheidsorganisaties. Daar houdt de top maximaal afstand van de werkvloer, omdat dat maar afleidt van het echte denkwerk. De details die in de uitvoering aan de orde zijn, die zijn ook zo vreselijk saai….Beleid en strategie, die zijn spannend. En prestigieuzer.

Zo bezien is het behoorlijk revolutionair dat deze principiële tweedeling steeds meer, ook van de kant van de denkers, ter discussie wordt gesteld. Een recent voorbeeld daarvan zijn uitspraken van de president van de Algemene Rekenkamer Arno Visser. Naar aanleiding van steeds terugkerende problemen bij overheidsorganisaties als het UWV en de Belastingdienst stelt Visser: “In het algemeen geldt: let op de uitvoering. Zorg voor een heldere organisatie, goed opgeleid personeel en moderne computersystemen. Daarvoor moet de politiek de scheiding tussen beleid en uitvoering ter discussie stellen. Als je beleid en uitvoering samenbrengt, weet je beter wat er gaande is. Nu is het nog zo dat bijvoorbeeld Sociale Zaken het beleid bepaalt en de Belastingdienst en het UWV dat uitvoeren. Of: het ministerie van Volksgezondheid heeft een plan en de gemeenten moeten ermee werken, Infrastructuur en Waterstaat heeft het geld en Rijkswaterstaat moet ermee aan de slag”.

Het zal duidelijk zijn: dit vergt een andere mindset. En dan vooral een andere opvatting van wat ‘uitdagend’ en ‘spannend’ en ‘prestigieus’ genoemd kan worden. En liefde voor gewone mensen.

Zie ook Verstrikt in slimheid en Plato ontzenuwd?

Wil je commentaar geven of zien: klik op Saai, saai.... en scrol naar beneden door.