Veel mensen staan sceptisch tegenover filosofie. “Het is allemaal zo abstract”, zeggen ze dan. Zelf houd ik van filosofie, die helpt me om mijn positie te bepalen in een complexe en verwarrende wereld. Maar dan moet dat denken uiteraard wel gáán over de wereld, eruit putten en er contact mee maken. Heel veel filosofie, en zeker de academische, doet dat niet en als je dat constateert kun je gemakkelijk instemmen met de scepsis ten aanzien van de filosofie.
Allereerst is er het probleem van het jargon waarin filosofen met elkaar praten. Maar misschien is dat wel onvermijdelijk, dat geldt waarschijnlijk voor ieder vakgebied als je eenmaal de diepte ingaat. Maar vervolgens – en dat is veel ernstiger – is er veel filosofie die zintuiglijk contact met de wereld expliciet buiten het filosofische domein wil houden. Empirische waarneming die ons bereikt via de zintuigen zou, volgens die filosofische opvatting, laagwaardige informatie opleveren en het zuivere denken alleen maar vertroebelen. Waarbij ‘zuiver’ al gauw staat voor aftroevend cerebraal.
Het is nodig op dit punt een onderscheid te maken tussen twee grote westerse filosofische stromingen: de angelsaksische, meestal ‘analytisch’ genoemde richting, en de continentale. De laatstgenoemde is op zoek naar betekenis in brede zin. Zij wil, in ieder geval gedurende de laatste decennia, de volle breedte van het menselijk bestaan in haar reflecties betrekken, inclusief dus de empirie van zintuiglijke en lichamelijke ervaringen.
De angelsaksische richting wijst dat categorisch af. Filosoof Miriam Rasch zegt daarover: “Analytische filosofie houdt zich bezig met argumenten, definities en concepten en stript de taal graag van de zintuigen”. De angelsaksische filosofie beweegt zich dus binnen de kring van de formele logica. Door afwijzing van het belang van zintuiglijkheid gaat het bij de analytici niet meer over de wereld. Sterker, hier geldt de uitspraak van Wittgenstein dat logica nergens over gaat want ze produceert hetzij tautologieën dan wel tegenstrijdigheden.
Tegelijkertijd: in de academische wereld is het analytische genre de meest prestigieuze en prominente, voor velen zelfs de enige echte vorm van filosofie. Je kunt daar om glimlachen of mild spottend verwijzen naar de doodse of ontbrekende analytische levensopvatting. Dat doet Sjoerd de Jong bijvoorbeeld in zijn beschrijving van Indiase logica. Die is totaal onaanvaardbaar voor het analytische establishment omdat die “– foei! – een empirische waarneming bevat”. Maar laat het even tot je doordringen: de mores van de dominante (analytische) academische filosofie eisen complete wereldvreemdheid! Hoe is het mogelijk?
Voor de beantwoording van die vraag is het goed om te beseffen dat de laatdunkendheid tegenover zintuigen en empirie oude papieren heeft in het Westen. René Descartes, grondlegger van de moderne filosofie stript het denken zoveel mogelijk van alle zintuiglijke toevalligheden die de buitenwereld op zijn weg strooit. Dit cartesiaanse denken zijn we gaan beschouwen als het echte denken maar dat was mede mogelijk omdat al veel eerder Plato de materiële en lichamelijke wereld bestempelde als vluchtig en minder werkelijk dan de wereld van de geest en de ideeën.
Zo bekeken is huidige continentale filosofie misschien de werkelijk progressieve stroming, omdat zij bezig is om los te komen van een duizenden jaren oude minachting van de wereld. Maar ze zit in een minderheidspositie.
Zie ook Filosofie als elitaire bezigheid.
Wil je commentaar geven of zien: klik op Foei! en scrol naar beneden door.










