maandag 13 maart 2023

Kunnen dieren handelen?


Kunnen dieren handelen, dat wil zeggen: kunnen zij actor zijn, zoals we van mensen zeggen dat ze actoren zijn? In de laatste aflevering van de workshopserie Werk en Reflectie kwam die vraag aan de orde. Het ging toen over Bruno Latour, en die beantwoordt de vraag bevestigend. Ja, zegt hij, dieren en zelfs planten en dingen hebben een zeker handelend vermogen. Zij vormen met elkaar en met ons, mensen, Actor Networks.

Aan de andere kant, als je strikt logisch redeneert, beantwoord je die vraag ontkennend. Nee, dieren (om het daartoe te beperken) kunnen niet handelen. Want handelen hangt samen met het stellen van doelen, intentionaliteit, en met betekenisgeving. Dat is alleen mogelijk met behulp van taal en ratio, en daarmee voorbehouden aan de mens, zoals Aristoteles al zegt. Het toekennen van betekenis en het expliciet benoemen ervan verloopt altijd via de mens. Dus dieren kunnen geen actor zijn.

Die laatste opvatting klinkt steekhoudend, daar is geen speld tussen te krijgen. Behalve als je die betekenistoekenning door de mens beschouwt als altijd beperkt en tijdgebonden. En daar is veel voor te zeggen, want dieren, planten en dingen geven hun betekenissen niet direct ten volle prijs aan de mens. Ze houden betekenissen voor ons in petto. Zo wisten we bij de uitvinding van de verbrandingsmotor nog niet dat die zou leiden tot opwarming van de aarde, en bij de introductie van de pil dat er een seksuele revolutie uit voort zou komen. We kunnen niet alle mogelijk optredende betekenissen verzinnen en voorzien. Wij mensen zullen door de rest van de wereld verrast blijven worden. Dat kun je wel beschouwen als een soort actorschap dat dieren, planten en dingen ten opzichte van ons hebben.

Zie ook Levinas en Bruno Latour.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Kunnen dieren handelen? en scrol naar beneden door.

vrijdag 3 maart 2023

Troost

Het boek Vertroostingen. Gewone woorden van Dirk de Wachter levert wat het belooft. Doordat de psychiater De Wachter herkenbaar spreekt over de diepe menselijke behoefte aan troost en die behoefte illustreert aan de hand van zijn eigen recente confrontatie met een levensbedreigende ziekte. Op aanstekelijke manier vertelt hij hoe hij troost put uit Bach en Leonard Cohen, uit godsdienstige rituelen, ook al gelooft De Wachter niet meer, en uit zijn liefde voor de stad Parijs. Wat steeds terugkeert als bron van troost is wat hij noemt “het kleine goede”, dat hij met name heeft beleefd tijdens zijn verblijf in het ziekenhuis. Daar was een schoonmaakster die hem na een slapeloze nacht even aandacht schonk, en daar waren verpleegkundigen en artsen die hem in zijn verdriet serieus namen ook al konden ze de dreiging niet definitief wegnemen. 

Herhaaldelijk verwijst hij, bij die aandacht voor het kleine goede, naar de filosoof Levinas. Want de aandacht die hij kreeg als patiënt, net als trouwens de aandacht die hij zelf als psychiater geeft aan zijn cliënten, heeft niks te maken met het weten van een oplossing of het volledig kennen van elkaar. De troost die daar gewekt wordt komt juist voort uit een niet-weten, uit de erkenning van een andersheid die wel tegelijkertijd de erkenning is van de ernst van het verdriet van de ander. “Waardoor we opnieuw bij Levinas zijn. Hij zegt: ‘De ander is een radicaal andere die ik nooit helemaal kan kennen.’”

Maar heel goed komt Levinas niet uit de verf in zijn verhaal. Dat komt waarschijnlijk omdat De Wachter denkt dat “u, als lezer, geen boodschap hebt aan moeilijke filosofen of abstracte theorieën”. Ook al denkt hij zelf dat filosofie wezenlijk is voor de maatschappij omdat mensen moeten leren nadenken en vragen durven stellen die niet altijd te beantwoorden zijn, hij blijft heel voorzichtig in zijn presentatie van Levinas. Door het over niet meer te hebben dan de waardering voor het kleine goede doet hij de filosoof eigenlijk tekort.

Dat is echt jammer, want in zijn verlangen om het simpel te houden overschrijdt hij een grens, niet in zijn boek maar in een interview in NRC naar aanleiding van zijn boek. Hij gaat daarin zover dat hij Levinas en Heidegger in één zin samenbrengt als filosofen van de ontmoeting die verloopt via het face-to-face: “Voor Heidegger en Levinas is de face à face, het elkaar in de ogen kijken, de essentie van het bestaan.” Dat klopt niet, want één van de dingen die Levinas zijn leven lang hebben beziggehouden is nu juist het onderscheid tussen wat hij noemt het “face-à-face” in het Gelaat van de ander, en het Mitsein van Heidegger. Dat laatste (in het Nederlands: ‘mede-zijn’) ligt volgens Levinas aan de basis van totaliserende tendensen. Hij maakt veel werk van de bestrijding ervan.

Zie ook Sterpsychiaters in de Stopera.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Troost en scrol naar beneden door.

vrijdag 17 februari 2023

Kleine letters


Echt waar, kopen mensen dat blad? Ik bedoel De Groene Amsterdammer, met zijn vele dichtbedrukte pagina’s, piepkleine lettertjes en doorwrochte artikelen. Kennelijk wel, want het blad loopt goed, naar het schijnt. In ieder geval groeien de oplagecijfers van de gedrukte versie.

Maar hoe verhoudt zich dat dan tot de ongerustheid in geletterde kringen over ‘ontlezing’, over gemakzuchtige infotainment en over vervanging van de aanduiding ‘essay’ voor het boekenweekproduct? Ongerustheid die trouwens ook bij De Groene zelf leeft blijkens bijgaande illustratie. Misschien valt het allemaal wel mee. In ieder geval voel ik, mede door het succes van de dichtbedrukte en best veeleisende Groene Amsterdammer, geen noodzaak om op mijn weblogpagina’s grotere letters te gebruiken.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Kleine letters en scrol naar beneden door.

vrijdag 10 februari 2023

Tussen nostalgie en ongemak

Het is niet van de lucht, het verlangen naar de terugkeer van een gevoel van gemeenschappelijkheid, weg van de ikkigheid. Zo formuleert James Kennedy het in een overzicht over recente verzuchtingen van politici en psychiaters in die richting. Maar hij constateert ook dat die verzuchtingen al klinken sinds de jaren tachtig en al veertig jaar onmachtig lijken te zijn tegenover het eigenlijke fenomeen dat onze tijd beheerst: de levensvisie gericht op zelfontplooiing waarin je eigen ontwikkeling en groei centraal staan.

Zo sterk is die levensvisie dat het voor de traditionele gemeenschapszin centrale woord ‘plichtsbesef’ weinig betekenis meer heeft. “Willen we echt gemeenschapszin?”, zo vraagt Kennedy zich af. “Waarschijnlijk niet als het ons raakt of beperkt in onze eigen ontwikkeling als individuen.” De vraag is dus of het Westen de weg terug zal vinden naar een wereld van plichten jegens elkaar.

Mijn vraag is een andere dan die van Kennedy. Ik vraag me af of de bedoelde gemeenschapszin niet te simplistisch wordt opgevat. Er is momenteel meer met individuen aan de hand dan dat ze alleen in hun rechten geïnteresseerd zijn. Het is niet (in ieder geval niet meer) zo dat individuen vanzelfsprekend, al dan niet op basis van een intrinsiek plichtsbesef, tot en bij elkaar komen, Dat wordt voorondersteld in het traditionele gebruik van het woord gemeenschapszin, maar die knuffelbare invulling van het woord gemeenschapszin is voorgoed verleden tijd. Die ging uit van een diepliggende, vanzelfsprekende onderlinge solidariteit en van een gemeenschappelijk toebehoren aan een gemeenschappelijke zaak. Maar juist dát gevoel (Mitsein op z’n Heideggers) is verdwenen.

En met reden. Want hoe knuffelbaar dat Mitsein ook klinkt, het heeft geen weet van de fundamentele andersheid van individuen ten opzichte van elkaar, wat de filosoof Levinas ‘de scheiding’ noemt. Zo lang je die scheiding en het discomfort wat daarbij hoort niet onderkent, blijft de hang naar gemeenschapszin een nostalgische en voor ons tijdsgewricht onrealistische klank behouden. Het vanzelfsprekende onderlinge ‘bijeen horen’ strookt eenvoudig niet met de fundamentele verschillen die we – op het gebied van al dan niet meerlagige genders, religies, culturen, en nationaliteiten – hebben leren onderkennen.

Dus, om met Levinas te spreken, alleen door de scheiding serieus te nemen die er bestaat tussen individuen en het ongemak dat daarbij hoort, is nieuwe solidariteit mogelijk. De rest is nostalgie.

Zie ook Woke avant la lettre.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Tussen nostalgie en ongemak en scrol naar beneden door.

vrijdag 27 januari 2023

Is wij-denken gezond voor ons?


Naar aanleiding van het overlijden van paus Benedictus schreef journalist Sjoerd de Jong over een onverwachts eigentijdse trek van die paus. Namelijk zijn heimwee naar het ongebroken Katholicisme van vóór de Reformatie. Niet dat dat nu ineens zo’n hype is, maar De Jong wees op een kenmerk van die heimwee die wél een eigentijdse variant kent: het verlangen naar een collectieve harmonie van hoofd en hart, waar de Reformatie en de Verlichting met hun nadruk op individuele gewetenskwesties een einde aan hadden gemaakt. Die holistische heimwee van Benedictus, zegt de Jong, is eigenlijk heel actueel, want de “hang naar holisme is inmiddels confetti op elk cultuurkritisch feestje”. En dat niet alleen op de cultureel conservatieve rechterflank, maar “ook in het midden is het zoeken naar nieuwe gemeenschapszin en ‘verbinding’ pasmunt geworden. In meer progressieve kring vliegt ubuntu je om de oren, of inheemse wijsheden over de verbondenheid van alles met, nou ja alles”.

Inderdaad is er veel aandacht voor de Afrikaanse ubuntufilosofie, waarvan een kerngedachte is dat ieder mens onlosmakelijk is verbonden met andere mensen. Westerlingen zeggen: ik denk dus ik ben. Afrikanen zeggen: ik ben mens omdat ik meedoe en deel. Daaruit volgt de aansporing om conflicten op te lossen door sociale harmonie, voortdurend overleg en dialoog. Publicist Babah Tarawally noemt ubuntu “the biggest gift to the world”.

Het aantal voorbeelden van deze hang naar meer gemeenschap is moeiteloos uit te breiden. Dichter bij huis zijn er bijvoorbeeld de aansporingen tot het creëren van meer verbinding van psychiater Jim van Os. Hij sprak over verbinding, die “lijkt veelal weggevallen in de samenleving: het gemeenschappelijke perspectief. Je zou kunnen zeggen dat een belangrijke kernvraag voor onze tijd is: hoe verbonden voel jij je met de samenleving?”

En Dirk de Wachter, toevallig of niet ook een psychiater, vertelt dat zijn werk erin bestaat om verbinding te maken. Dat is hard nodig nu oude rituelen die daarvoor altijd een bodem boden zijn weggevallen. “Als we daar niet opnieuw aandacht aan geven, dreigen we te verkruimelen tot een maatschappij waar iedereen zich in zijn eigen studio terugtrekt met een diepvriesmaaltijd en een Netflix-account”. Verder is er de site NieuwWij, waarvan alleen de naam al een statement is: ‘wij’ moeten elkaar opnieuw vinden.

De vraag die ik hierbij heb is: doen we er goed aan om argeloos al het wij-denken en hunkeren naar gemeenschappelijkheid te omarmen? De aantrekkingskracht ervan is me goed bekend en heel begrijpelijk: we leven in een fragmentariserende samenleving waar van oudsher bekende verbanden langzamerhand uit elkaar vallen. Dat kan eng aanvoelen. Maar wat bedoelen we precies met het alternatief van verbinding en gemeenschap? En moeten we er misschien ook voorzichtig mee zijn?

Dat laatste is stellig de opvatting van mijn huisfilosoof Emmanuel Levinas. Levinas ziet in de westerse culturele traditie een gevaarlijke neiging om het werkelijk persoonlijke ondergeschikt te maken aan een gemeenschappelijk iets, en dat iets is dan vooral de ene, door iedereen erkende waarheid. Levinas: “Sinds Plato is het ideaal van het sociale steeds weer gezocht in een ideaal van eenwording. Men denkt dat het subject, in zijn verhouding tot de ander, geneigd is zich met hem te identificeren, volledig opgaand in een collectieve voorstelling, in een gemeenschappelijk ideaal. Dit is de collectiviteit die ‘wij’ zegt, die, gekeerd naar de intelligibele zon, naar de waarheid, de ander naast zich voelt en niet in de ogen kijkt”. 

Levinas trekt wat dat betreft één rechte lijn vanaf Plato via Hegel naar Hitler en Stalin en andere totalitaire ideologen. Daarbij doet hij met nadruk ook Heidegger aan, die de op het oog zo knuffelbare termen Mitsein en Miteinandersein muntte en daarmee aan die gevaarlijke inzet op collectieve waarheid zijn eigen bijdrage leverde. Levinas: “Ook het Miteinandersein blijft fungeren als de collectiviteit van het mit, en het openbaart zich in zijn authentieke vorm rond de waarheid. Het is collectiviteit rond iets gemeenschappelijks”. Door een teveel aan wij-denken heeft het nationalisme in de 20ste eeuw zo’n vernietigende vlucht kunnen nemen, en Heidegger stond daarbij niet alleen maar aan de zijlijn.

Opmerkelijk genoeg ziet Tarawally het precies omgekeerd: “Het gemeenschappelijke en hogere belang boven het individuele belang, is iets wat de mensheid nodig heeft. Tot nu toe heeft het Westen daarin gefaald”. Daarom spreekt ubuntu hem juist aan, want zorgen voor elkaar is daarin een kernbegrip. “Nu is dat in het Westen uitbesteed aan de overheid, instituten en verzekeringen. Dat is volgens mij de reden waarom het individu afstand neemt van de collectief.”

Ik denk dat beide visies, die van Levinas en Tarawally, beide bestaansrecht hebben. Levinas duidt op een heel specifiek cultuuraspect waar in het Westen de collectiviteitsdwang aan gebonden is: het aspect van kennis verwerven en waarheid zoeken. Dáár toonde zich van vroegs af aan een sterke, zo niet destructieve hang naar eenheid, en afwijzing van dissidente meningen. Maar gemeenschappelijkheid op zichzelf hoéft die op waarheid gerichte unificerende trek helemaal niet te hebben. In die zin kan Tarawally groot gelijk hebben als hij een lans breekt voor de gemeenschappelijkheid van ubuntu.

Het liefste sluit ik me in dit koor van deze en andere stemmen aan bij auteurs van een paar recente artikelen die een middenpositie innemen. Zij pleiten voor tussenvormen die  open staan voor zowel een eigen identiteit als voor de rest van de wereld. Allereerst is er opnieuw Babah Tarawally die in zijn recente boek De getemde man een veelzeggende hoofdstuktitel heeft opgenomen: "Tussen wij en ik". Daarnaast vertelt hij over zichzelf: “In den beginne was er mijn achternaam, mijn stam, mijn geloof, mijn geboorteland, Afrika, de wereld en het universum. Dus ik ben eerst mijn achternaam, dan komt mijn voornaam. Ik ben geplukt uit de Mandingo stam, geboren in Sierra Leone en gedoopt tot de Islam. Ik ben nu zoveel meer. Wat kan ik nog meer zijn? En wat wil ik niet meer zijn?”

Verder is er Yuval Harari die als Joodse Israëliër pleit voor het relativeren van je eigen identiteit, ook al is die bijvoorbeeld in zijn geval ijzersterk. Hij meent dat wie zijn identiteit tot één menselijke groep beperkt, voorbijgaat aan al het andere in de wereld. “Dan laat ik in mijn identiteit weinig ruimte voor voetbal en chocola, voor Aramees en Tolstoj, en zelfs voor romantiek”, want die hebben aantoonbaar een oorsprong van buiten het Jodendom. “Tolstoj is niet het exclusieve eigendom van de Russen, elk mens is erfgenaam van de gehele menselijke schepping”. Wat er overblijft als je dat buiten beschouwing laat “is een beperkt stamverhaal, dat misschien wel als scherp wapen dient in de strijd van de identiteitspolitiek, maar dat ook een hoge prijs heeft. Zolang ik aan dat beperkte verhaal vasthoud, kom ik nooit de waarheid over mezelf te weten.”

Een andere stem uit het midden is Youssef Azghari, auteur van het recent verschenen Boom, vaas, vis. Hij pleit voor “ruimte voor uiteenlopende geluiden. Je zou dat een beetje democratisch kunnen noemen. Ik ben voor iets tussen cultureel isolement en assimilatie in, namelijk voor sterk in je schoenen staan”, en hij wijst erop dat daar een andere omgang met waarheid voor nodig is dan we in het Westen gewend zijn: “Een waarheid is er wel, maar die ene weg ernaartoe bestaat inderdaad niet”. Net als Harari relativeert hij om die reden zijn eigen religieuze traditie, in zijn geval de Islam. Voor een ideale samenleving is “de Islam niet per se nodig”, bovendien is er historisch sprake van zoveel kruisbestuiving dat een eenduidige identiteit voor religies eigenlijk niet bestaat. Als voorbeeld geeft hij de herkomst van het Marokkaanse liedje Wayaralabuya, dat volgens zijn oom komt van het Hebreeuwse hallelujah. Maar voor het toelaten van dat soort verbindingen “heb je een open blik nodig, en kennis van je eigen geschiedenis”. En je moet vooral loskomen van gelijkhebberigheid: “Ga er stevig in door verschillen te bespreken, maar houd de connectie in het oog. Zonder ruimte voor verschillen krijg je geen nieuwe kennis of inzichten. Durf dus anders tegen kwesties aan te kijken, prikkel elkaar om na te denken. Maar druk op jouw positie niet meteen het etiket ‘laatste waarheid’”. 

Dat laatste advies was aan paus Benedictus waarschijnlijk niet besteed. Daarvoor stond hij te stevig in de specifiek westerse waarheidstraditie.

Zie ook Ubuntu.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Is wij-denken gezond voor ons? en scrol naar beneden door.