vrijdag 1 maart 2024

Krijgersethos


Filosoof Florian Jacobs schreef een niet-politiek-correct stuk onder de titel “Oekraïne toont dat de burger niet zonder krijger kan”. Of eigenlijk: hij citeert de Oekraïense filosoof Volodymyr Yermolenko die in zijn boek Oekraïne. Geschiedenissen en verhalen een onderscheid maakt tussen het ‘burgersethos’ en het ‘krijgersethos’. Yermolenko: “Het burgersethos is goed in het opbouwen van een samenleving op het idee van compromis en dialoog; het krijgersethos moet zeggen waar het compromis ophoudt, om een compromis met het kwaad te vermijden”. We kunnen ons gelukkig prijzen, zegt Jacobs, dat wij in Nederland een bij uitstek op compromis en dialoog gebaseerd politiek systeem hebben. Maar Yermolenko waarschuwt voor een situatie waarin het burgersethos wordt verabsoluteerd, want dan krijgen we een maatschappij waarin je over alles (inclusief het menselijk leven) een compromis kunt sluiten, en alles in ruilobjecten verandert. Misschien ook kenmerkend voor Nederland.

Jacobs legt uit: “Er zijn zaken die het compromis ontstijgen, waarop geen ruilwaarde te bevestigen valt. Dat noemen we waardevolle zaken, zonder welke ons leven aan zin verliest. Het burgersethos kent een grens, de grens van wat niet in ruilwaarde is uit te drukken. Wie die grens ontkent, opent de deuren voor een vermengen van het waardevolle en het waardeloze, voor, uiteindelijk, nihilisme. Tegenover het burgersethos plaatst Yermolenko het krijgersethos. Die houding verdeelt de wereld in een wij en zij, een goed en kwaad, en geeft de voorkeur aan de duidelijke overwinning op het slagveld boven het geslaagde compromis. De verabsolutering van dit ethos leidt tot een oorlog van allen tegen allen, een samenleving waarin niemand een ander het licht in de ogen gunt. Dat kunnen we ook niet willen. Maar als we een tegenstander treffen die uit is op onze vernietiging, schiet het burgersethos hopeloos tekort. Iedere poging tot een compromis is een teken van zwakte. Neutraliteit en vredeswil zijn woorden als zeepbellen voor de krijger op oorlogspad. Een krijgersethos laat zich alleen bevechten met een krijgersethos. Oekraïne laat Europa zien dat het is vergeten dat het burgersethos slechts mogelijk is dankzij het fundament van het krijgersethos, zo stelt Yermolenko. Je kunt het je maar beter herinneren, zeker als je buurman alleen de taal van geweld kent.”

Ik ben bang dat deze passages veel waarheid bevatten, daarvoor ben ik historicus genoeg. Maar ik ken mezelf ook genoeg om te weten dat ik ongeschikt ben voor het krijgersethos, vandaar die vrees. En natuurlijk ben ik geneigd om deze stellingen van Yermolenko, gepresenteerd door Jacobs, meteen ook op het Palestijns-Israëlische conflict te betrekken. Veel Israëliërs doen dat sowieso automatisch, dat verklaart de sterke positie van de haviken ten opzichte van de duiven in de Israëlische politiek. Dat is op zichzelf al problematisch, maar de feitelijke toedracht van het ontstaan van dit conflict maakt de zaak nog tragischer en ingewikkelder. Het recht op geweld dat de Joden volgens het krijgersethos zouden hebben bestond in oorsprong alleen tegenover het Christelijke Westen, en tegenover Duitsland in het bijzonder, om redenen die we allemaal kennen. Niet tegen de Palestijnen want die stonden – oorspronkelijk – de Joden niet naar het leven. Inmiddels doen de terroristen onder hen dat wel, maar kun je op die manier een krijgersethos verdienen? En bovendien, niet alleen het burgersethos kan radicaliseren, dat kan het krijgersethos ook. Dan krijg je een samenleving waarin de democratie en de grondrechten bedreigd worden.

Zie ook Disproportioneel geweld en Krijgshaftige taal.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Krijgersethos en scrol naar beneden door.

donderdag 15 februari 2024

Woorden

Ik vind het wel een sympathieke uitspraak van de filosoof Wittgenstein: “Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen”. De uitspraak impliceert dat niet woorden, maar alleen daden laten zien wat je ten diepste beweegt en doet handelen. De uitspraak  spreekt aan vanwege de bescheidenheid die eruit spreekt: pas op met grote woorden. En vanwege een herkenbaar verlangen naar helderheid in ons taalgebruik en opruiming van wollige metafysische onzin.

Maar we redden het niet zonder woorden over onze diepere zieleroerselen, ben ik bang. Daarin volg ik Levinas die meent dat we, inderdaad, het onzegbare niet kunnen zeggen. Maar dat we ook niet kunnen zonder woorden daarover, dus dat we ons wel móeten uitspreken. En dat we vervolgens het gezegde moeten ontzeggen, omdat het altijd inadequaat is ten opzichte van wat het wil zeggen. We moeten dire en dédire

Die noodzaak van te móeten spreken over wat niet gezegd kan worden zie ik terug in een recente uitlating van schrijver/arts en Wittgensteinkenner Bert Keizer. Keizer heeft zich altijd geprofileerd als strijder tegen ‘metafysische onzin’, en daar rekende hij het werk van Levinas ook toe. Die zat wat Keizer betreft met zijn uitwerking van de ontmoeting met ‘het gelaat van de ander’ in de hoek van de goedbedoelende dromerigheid. Mensen die over het appèl van de ander begonnen omschreef hij enigszins laatdunkend als brave, politiek correcte types “die hun Levinas kennen”. Maar recent – na vele columns in Trouw over het kille technocratische klimaat van de hedendaagse geneeskunde – verzucht hij: “Levinas is de filosoof die ons erop wijst hoe het gelaat van de ander die ons aankijkt ons uitnodigt tot verantwoordelijkheid. Is er ergens in de mallemolen van het ziekenhuis een plaats waar je ‘de ander’ op die manier kunt aankijken?”

Ik concludeer uit die wending dat Keizer het uiteindelijk toch onontkoombaar vindt om woorden te wijden aan wat in zuiver logische taal misschien onzegbaar is. Het sluit aan bij de wending van Marjoleine de Vos in haar artikel Het onzegbare buiten de woorden om over de pretenties van poëzie, die het onzegbare zou kunnen uitdrukken. “Soms lijkt dat een nogal belachelijke pretentie”, aldus De Vos. Dan is de verleiding groot om, met de choreograaf Hans van Maanen, te zeggen dat je beter geen woorden kunt gebruiken om iets uit te drukken, maar alleen maar te kijken, naar dans bijvoorbeeld, of te luisteren, naar muziek. Toch besluit zij haar artikel als volgt: 

“Onzegbaarheid betekent wat Hans van Manen bedoelde: dat er geen ándere manier is om het te zeggen, dan zo. Door dans. Door muziek. Door verf.

En door woorden.”

Zie ook Hoe naïef is Levinas eigenlijk?

Wil je commentaar geven of zien: klik op Woorden en scrol naar beneden door.

maandag 29 januari 2024

Het koekenatelier


Eerlijk gezegd vind ik de gestage toekenning van cultureel erfgoedlabels aan zaken als zaklopen of carbidschieten een beetje uit de hand lopen, net zoals de ‘Europese erkenning van streekproduct’ aan Parmaham, Goudse kaas en Irish whiskey. Er treedt al gauw een soort inflatie op bij dat soort titels, zo dadelijk is mijn door menskracht aangedreven Gazelle ook ineens werelderfgoed geworden en dat vind ik overdreven. Maar vorige week werd ik toch aangenaam verrast toen de Limburgse vlaai de Europese erkenning van streekproduct kreeg. Ik had net in mijn vorige blogbericht gesomberd over de afwezigheid van aandacht en liefde bij de fabricage van moderne producten, en het management van een koekjesfabriek als voorbeeld genomen. 

Hier verscheen ineens een tegenvoorbeeld. Want de vlaai mag ongezond zijn, hij biedt in zijn beschermde variant wel waar het bij zoveel producten aan ontbreekt: ambachtelijkheid, trots en liefde voor het vak. In de krant vertelde een meester bakker hoe klanten soms hun eigen vlaaivulling meebrachten naar de bakker, gemaakt van gekookt en gebonden fruit. “Elk pannetje kreeg een naamplaatje en ging schoon en gewassen terug naar de eigenaar”, samen met de van de vulling gemaakte vlaai. De tijden waarin dat zo ging zijn weliswaar voorbij, maar de zorg voor de receptuur van het deeg, de vulling, het bakken en “het afmaken” zijn nog springlevend. De winstmarges zullen niet hoog zijn, maar het is duidelijk: deze bakker/manager krijgt er iets anders voor terug.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Het koekenatelier en scrol naar beneden door.

vrijdag 19 januari 2024

Begrijpend lezen en de koekjesfabriek


‘Het managementdenken is overal’. Die klacht hoor je wekelijks, zo niet dagelijks uit de mond van totaal verschillende groepen professionals. Zorgmedewerkers spreken over het verlies van de liefde voor het vak als gevolg van de administratieve en bedrijfsmatige eisen die aan ze gesteld worden. Ministeriemedewerkers met inhoudelijke kennis (bijvoorbeeld ingenieurs, internationaal rechtexperts) zien hun invloed tanen omdat roulerende managers hun inbreng niet op waarde kunnen schatten en vooral druk zijn met ‘prestatie-indicatoren’. Veel inhoudelijk deskundigen zijn zelfs wegbezuinigd, de lege plaatsen worden opgevuld door peperdure consultants.

Deze trend van het inruilen van inhoud voor, ik noem het maar, ‘inhoudsloos managen’ meen ik terug te zien in een verschijnsel dat ik daar tot nu toe niet mee in verband bracht: het leesonderwijs op de basisschool. Dat onderwijs verloopt sinds de jaren ’90 via de methode van begrijpend lezen, en de dramatische daling van leesvaardigheid van basisschoolleerlingen wordt daar deels aan toegeschreven. De methode focust op zogenaamde leesstrategieën, waarbij je moet denken aan eerst kijken naar de kop boven de tekst, of letten op signaalwoorden zoals ‘maar’ of ‘omdat’ in de tekst. Daar is op zichzelf niet zoveel mis mee, want iedereen die een stuk leest gebruikt bewust of onbewust in meer of mindere mate zulke strategieën. Het ging pas fout, zegt Marten van de Wier in Trouw, “toen leerlingen (vanaf begin jaren negentig) die strategieën bewust moesten leren, in een apart vak met een eigen methode: ‘begrijpend lezen’”. In veel gevallen gaat dat zo: leerlingen krijgen een losstaande tekst voorgelegd – bijvoorbeeld een versimpeld krantenartikel – met vragen erbij. De antwoorden kunnen ze vinden via de geleerde trucs, zoals de positie van woorden in een zin of ten opzichte van een signaalwoord. Waar het over gaat doet er niet toe. Deze methode benadert teksten als zo efficiënt mogelijk te tackelen barrières door ze op formele kenmerken te bekijken en iedere inhoud - en ieder plezier - te vermijden. 

Zo geformuleerd is de gelijkenis frappant met management zoals dat al decennia wordt onderwezen: een kwestie van liefst inhoudsvrij sturen op indicatoren van formele aard, bij voorkeur financiële kwartaalcijfers, maar het mogen ook productiecijfers zijn, of HR-tevredenheids- of klanttevredenheidscores. Alles is goed zolang het maar cijfermatig (kwantitatief) te ‘processen’ is en in protocollen te vangen. Inhoud, laat staan liefde voor de inhoud, is alleen maar ballast. Vakkennis, voeling met grondstoffen, aaibaarheid van een product, het is allemaal van ondergeschikt belang. Dat kwam tot uitdrukking in een onder managers in de jaren negentig favoriete uitspraak: ‘wat je maakt doet er niet toe, al zijn het koekjes in een koekjesfabriek; je bent een goede manager als je op indicatoren en processen kunt sturen’. En dan liefst niet de primaire processen – die van het máken; maar de afgeleide financiële en besturingsprocessen. Volkomen onthecht moest je zijn van de stoffelijke, zintuiglijke materialiteit. Als je wilt kun je hier de bevestiging in zien van de verbinding die sommige historici poneren tussen het Christelijke onthechtingsstreven en het kapitalisme. (Met dit verschil dat de managers voor hun onthechting alsnog graag een materiële beloning in het hier en nu ontvangen in plaats van een spirituele in het hiernamaals.) 

De parallel tussen begrijpend lezen en het managementdenken biedt ook een lichtpuntje. Het onderwijs heeft ontdekt dat die methode niet werkt. Dat liefde en aandacht voor de inhoud van de wereld, via geschiedenis, aardrijkskunde en biologie niet door gladde formele strategieën kan worden vervangen. Nu de managers nog.

Zie ook Soorten overleg.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Begrijpend lezen en de koekjesfabriek en scrol naar beneden door.

donderdag 11 januari 2024

Universaliteit en hypocrisie


Bijna achteloos gooide Johan Remkes er dit zinnetje tussendoor tijdens zijn interview met NRC: “Ik zou het wel legitiem vinden als afgesproken zou worden om in Europees verband te bekijken hoe het VN-Vluchtelingenverdrag bij de tijd kan worden gebracht.” Hij zegt er wel bij dat je met internationale verdragen zorgvuldig moet omspringen en nu geen verdragsafspraken moet schenden. Maar toch, tussen neus en lippen door roert hij een explosief thema aan. Misschien is deze soepelheid de manier geweest waarop hij eerder notoir vastzittende zaken zoals bestuurlijke vernieuwing en het stikstofdossier enigszins heeft kunnen vlottrekken. Hij speelt het klaar om quasi nonchalant een kernthema ter sprake brengen en ter discussie te stellen. 

Want een kernthema ís het wel, de verzameling van verdragen over mensenrechten en vluchtelingen van rond 1950. Tot stand gekomen na en onder invloed van de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog en de Sjoa vormen zij een fundament van de na-oorlogse door het Westen geleide orde. Maar ze dragen ook de sporen van die tijd, in die zin dat de ‘universaliteit’ in de praktijk beperkt was tot wie zich in de westerse wereld bevond. De afstanden tot de uitgestrekte in armoede gedrenkte delen van de wereld waren simpelweg te groot, de communicatiemiddelen te ontoereikend en de machtsverhoudingen te scheef om de universaliteit echt universeel te maken. Het aan iedereen toekennen van allerlei rechten was nog redelijk risicoloos.

Dat is veranderd. In tal van wereldstreken mag de armoede nog steeds schrijnend zijn, mobieltjes zijn er meestal wel en daarmee mogelijkheden voor de bevolking om meer te weten van andere delen van de wereld en andermans rijkdom. De mogelijkheden om te reizen zijn bovendien onvergelijkbaar veel groter dan 75 jaar geleden, dus universaliteit van (gelijke) rechten krijgt serieuze praktische consequenties. Veel meer mensen kloppen aan bij onze grenzen, en eisen hun rechten op. Kunnen en willen wij daarvoor onze grenzen écht open zetten? Het leidt tot hypocriet gedrag: in theorie aan iedereen dezelfde rechten toekennen, maar in de praktijk asielzoekers terugduwen. Dus er moet wel wat gebeuren met die verdragen, denk ik, want dit was niet de bedoeling. Maar hoe dan? Kun je rechten ook zien als niet-universeel? Moet je dan spreken over relatieve rechten? Het is duidelijk, uiterste  zorgvuldigheid is hier vereist, en dan klinkt Remkes wel erg tussen neus en lippen door. Maar misschien kon hij daardoor al die klussen klaren.

Zie ook Hannah Arendt en vluchtelingenToen was naïviteit heel gewoon en Verdienste en hypocrisie.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Universaliteit en hypocrisie en scrol naar beneden door.