donderdag 8 december 2022

Grossman, Kafka en de roman


‘Is dat wel waar?’, vroeg ik me af over de uitspraak van David Grossman in de weergave van Ilan Roos. Namelijk dat een schrijver probeert, bij de ontmoeting met andere mensen – en speciaal met de personages in zijn boeken – tot het uiterste te gaan om ze te leren kennen. Ter illustratie vertelde Grossman een anekdote over een psycholoog die onmiddellijk achter een drenkeling het water in springt om deze uiteindelijk te redden. Terwijl een schrijver erachteraan springt en naar hem toe zwemt om uiteindelijk met hem te verdrinken.

Maar de meerderheid van de schrijvers die ik ken (toegegeven, dat zijn er niet zo veel) voldoen niet aan dat beeld. Schrijvers als Harry Mülisch of A.F.Th. van der Heijden, maar ook wel Amos Oz zijn wat mij betreft het tegendeel van een drenkeling. Zij zijn als goden in een zelf-gecreëerd universum vol al dan niet lineair verlopende verwikkelingen, waarin zij zelf tot op het allerlaatst de touwtjes in handen hebben. Reden voor mij om met het genre ‘roman’ niet zoveel op te hebben, ik ben meer van de poëzie.

Wel maak ik voor sommige schrijvers een uitzondering omdat zij de vreemdheid van de ander – of in termen van de filosoof Levinas: de scheiding – tot het eind toe serieus lijken te nemen. Met de scheiding doelt Levinas op het verstorende moment dat volgens hem optreedt bij iedere ontmoeting met een ander mens. Verstorend, maar tegelijkertijd voorwaarde voor echte dialoog en ontmoeting, wat verklaart dat er verwikkelingen mogelijk zijn en er over de ander geschreven kan worden. Al zal dat laatste bij het type schrijvers dat hier gevoelig voor is al gauw een hakkelend en voortdurend zoekend karakter hebben.

Voor Kafka geldt dat bijvoorbeeld, gezien de mate waarin hij door zijn eigen werk verrast en overvallen kon worden – zie zijn recent verschenen nagelaten verhalen In het labyrinth. En ik denk dat het voor Grossman ook geldt, wat te maken zal hebben met de vaststelling van Roos tegen het eind van zijn bespreking: David Grossman is niet bang om te voelen.

Maar moet je met dat besef van de scheiding, en dus van de onkenbaarheid van de ander, per se eindigen als drenkeling? Of, metaforisch opgevat, als verstoken van maatschappelijke inbedding en samenwerking en gedoemd tot eenzaamheid? Kafka’s levensloop lijkt dat te suggereren, maar Grossman laat het tegendeel zien.

Zie ook Buber, Levinas en het schandaal van de filosofie.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Grossman, Kafka en de roman en scrol naar beneden door.

donderdag 1 december 2022

Woke avant la lettre


Jammer, de Levinas Studiedag van 3 december over het thema “Safe spaces en het risico van het gesprek” gaat niet door. Te weinig aanmeldingen. Ik keek er naar uit vanwege de verfrissende invalshoek die beloofde de actualiteit van maatschappelijke polarisatie en het haperende publieke gesprek te belichten vanuit het denken van Levinas.

Wat zegt het tekort aan aanmeldingen? Misschien dat de gemiddelde Levinas-fan de voorkeur geeft – behalve aan Sinterklaas – aan de brave Levinas. Dat wil zeggen aan de interpretatie van zijn werk in de richting van het hebt-uw-naaste-lief-sfeertje, nu eens niet uit Christelijke maar uit Joodse hoek afkomstig en daarom van nieuwe geloofwaardigheid voorzien.

Maar die interpretatie gaat gemakkelijk voorbij aan de oncomfortabele elementen van Levinas’ filosofie. Zoals Erik Hagoort zegt in de folder waarin hij vertelt over zijn workshop die gepland stond voor de studiedag: “Levinas werkt zijn gedachten over het gesprek uit in termen van ongelijkheid, asymmetrie en scheiding. Niet bepaald comfortabel”. Beslist oncomfortabel, maar het zou wel eens kunnen dat juist dit soort termen de scherpte bezitten die ons mede helpen inzien waarom oncomfortabele verschijnselen als safe spaces, woke en identiteitspolitiek maatschappelijk op dit moment zo’n grote vlucht nemen. Waarschijnlijk hebben die lastige levinassiaanse termen meer potentie dan de langzamerhand onmachtig klinkende oproepen tot verbinding en empathische dialoog. Hoewel daar als vormen van beschaving, ook vanuit Levinas gezien, natuurlijk niks tegen is.

Al in vroege besprekingen van het werk van Levinas, voordat er überhaupt sprake was van woke bewegingen, wijzen commentatoren op de ongemakkelijk radicale, maar ook krachtige implicaties van het denken van Levinas. Dat doet bijvoorbeeld Robert Bernasconi in zijn artikel uit 1995 met de titel You Don’t Know What I’m Talking About. Bernasconi bekritiseert daarin vanuit een levinassiaans perspectief de hermeneutische opvatting van dialoog als versmelting van de horizonnen van de gesprekspartners met elkaar door inleving in en kennismaking met elkaars werelden. Bernasconi zet daar vraagtekens bij omdat zo’n dialoog de andersheid van de ander teniet kan doen, en die vernietiging doet spontaan de gedachte opkomen: you don’t know what I’m talking about. Daarmee wordt het idee verwoord dat wanneer de claim van de ander wordt geïntegreerd in mijn kennishorizon, de ander daardoor wordt gereduceerd tot de categorieën van ‘hetzelfde’, om de taal van Levinas te gebruiken: er vindt onterechte versmelting plaats. Voor Levinas, maar ook voor Bernasconi, wordt daarmee de ander geweld aan gedaan.

Warempel een gedachte die je woke avant la lettre zou kunnen noemen. Zeker als Bernasconi  vervolgens zegt: “The phrase says, ‘You cannot be yourself and understand me.’ Women say it to men; the poor say it to the rich; the victim says it to the oppressor; the target of racism says it to the racist”. 

Dit alles presenteer ik niet omdat ik zelf zo’n voorstander ben van radicale polarisatie of identiteitspolitiek of cancelculture. Ik ben eerder van het harmoniemodel. Maar het harmoniemodel heeft het moeilijk momenteel, en we snappen niet goed waarom. We doen eindeloos beroep op termen als ‘verbinding’ en ‘dialoog’ maar die blijken in toenemende mate loos en hun uitwerking te missen. Op dat punt kan het – inderdaad soms radicale – denken van Levinas over scheiding en andersheid ons wat verheldering bieden.

Zie ook Levinas en empathie.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Woke avant la lettre en scrol naar beneden door.

vrijdag 25 november 2022

Rusland en China


Er  bestaat een categorie landen die je, gezien hun gedrag, tiranniek, moorddadig, autoritair, mensrechtenschendend en imperialistisch moet noemen. Naast andere landen behoren Rusland en China wat mij betreft tot die categorie.

Als het zo massief hopeloos is met die landen dan is het opmerkelijk dat ik geneigd ben om binnen die categorie toch nog een nader onderscheid te maken. Met name tussen Rusland en China: mijn intuïtieve oordeel over China is net iets positiever. Dat heeft er denk ik mee te maken dat Rusland bij al die andere kwalijke eigenschappen ook nog eens een zwaar soort nihilisme vertoont. 

De toekomst kan er voor Rusland – of eigenlijk moet je zeggen: voor Poetin en zijn slavofiele kliek – maar op één manier uitzien: als die van een glorieus continentaal imperium van Ierland tot Vladivostok, met een desnoods lijdend maar trots volk en gouden paleizen voor de elite in Moskou. Zo niet, dan maar geen toekomst. Dan mag de vernietiging toeslaan, van Rusland en de rest van de wereld. Het interesseert ze geen zier. Dat noem ik nihilistisch. 

Je kunt veel zeggen van China, maar nihilistisch is het niet, als daaronder verstaan wordt: geen belang kunnen hechten aan de toekomst en het ontbreken van ieder verantwoordelijkheidsgevoel dat verder gaat dan het strikte eigenbelang. China schendt  mensenrechten, legt de massa kadaverdiscipline op en verliest individualiteit van mensen volledig uit het oog; maar het wil wél een toekomst voor China en de aarde, niet de vernietiging.

Dat voor Rusland de toekomst nauwelijks een categorie is, drukt Giuliano da Empoli uit in zijn boek De Kremlinfluisteraar: de Russische politiek is in de eerste plaats een komedie, met meedogenloos cynisme en geweld als de belangrijkste ingrediënten.

Zie ook Marx op zijn kop en China en het Westen.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Rusland en China en scrol naar beneden door.

vrijdag 18 november 2022

Abraham de Sympathieke

Er zijn van die stukken in de Tora die je alleen met dichtgeknepen neus kunt lezen. De laatste parasja van Deuteronomium die we nog maar een maand geleden lazen in sjoel bevat daar voorbeelden van. Zoals de verzen 41 en 42 van hoofdstuk 32: “Ik wet mijn bliksemend zwaard, ik ga het vonnis voltrekken. Ik zal mij wreken op mijn vijanden, ik reken af met wie mij haatten. Mijn pijlen maak ik dronken van het bloed van vijanden, gevallen en gevangen”. 

Hoe anders is dat met de verhalen over Abraham waar we met de Toralezingen nu middenin zitten. Wat we lezen is een onafgebroken parade van wellevendheid, gastvrijheid, edelmoedigheid, relativeringsvermogen, zin voor rechtvaardigheid, dankbaarheid en zorgzaamheid van het mooie karakter Abraham. Gastvrij betoont hij zich tegenover de drie vreemde mannen die in hoofdstuk 18 ineens voor zijn tent verschijnen. Rechtvaardig is hij als hij daarna in discussie gaat met God over de bestraffing van Sedom, en wellevend in de zakelijke perikelen die hij bespreekt met de grootgrondbezitter Avimelech. Zo’n man wil je wel als aartsvader hebben, ik kan best begrijpen dat behalve het Jodendom ook de Christenen en Moslims daarvoor gekozen hebben.

Humanisten en verlichte gelovigen zullen daar niet makkelijk mee instemmen, en wel vanwege een andere eigenschap van Abraham: zijn opofferingsgezindheid en gehoorzaamheid. Abraham bleek bereid om zijn zoon Jitschak als offer aan God aan te bieden, en over de prijzenswaardigheid van die bereidheid kun je inderdaad van mening verschillen.  

Overigens, terugkomend op het begin van dit stukje, de aanwezigheid van oorlogsverhalen en overwinningszucht in de Tora vind ik op zichzelf niet problematisch. Ze getuigen van realiteitszin en die kan akelig actueel zijn, bijvoorbeeld als we daar de wrede oorlogsdrift van dictator Poetin in Oekraïne bij betrekken. Ook daar moet je wat mee.

Zie ook Krijgshaftige taal.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Abraham de Sympathieke en scrol naar beneden door.

vrijdag 11 november 2022

Meer van de Tora houden dan van God


Deze week lezen we in sjoel de hoofdstukken 18 t/m 22 van Genesis, dat is de parasja Wajera. Het begin van dit Toragedeelte kun je best verwarrend noemen. Vers 1 vertelt: “De Eeuwige verscheen opnieuw aan Abraham, bij de eiken van Mamree…”. Waarop vers 2 opent met “Toen hij opkeek, zag hij even verderop plotseling drie mannen staan”. Wat is het nou, denk je dan; wie staat of staan er voor Abraham? God, of drie mannen, of zijn ze met zijn vieren?

De verwarring wordt alleen maar groter als vers 3 vertelt dat Abraham, na een diepe buiging, zegt: “Adonai, wees toch zo goed uw dienaar niet voorbij te gaan”. Immers, ‘Adonai’ kan een verwijzing zijn naar een van de namen van God, maar kan ook gelezen worden als ‘Mijne heren’, dus gericht zijn aan de drie mannen. 

Omdat even later (19,2) in het verhaal over Lot twee van de drie mannen aangesproken worden met ‘Adonai’ in de betekenis van ‘Mijne heren’, kun je ook in 18,3 kiezen voor die  vertaling, dus voor aanspreking van de drie mannen. Dan zou de eerste zin, over de verschijning van God aan Abraham, eerder een uitbreiding van de hoofdstuktitel zijn, en verwijzen naar tekstplaatsen zoals 18,13 of 18,20 en volgende waar het onmiskenbaar God zelf is die verschijnt. De Middeleeuwse Joodse geleerde Maimonides maakt die keuze.

Maar zo ziet de bredere Joodse traditie het niet. Die bepaalt, aldus rabbijn Jonathan Sacks, dat in vers 3 ‘Adonai’ gelezen moet worden als ‘God’. Volgens het Talmoedtraktaat Sjabbat komt de hele passage er dan, ondersteund door ingevoegde hulpzinnetjes, als volgt uit te zien:

De Heer verscheen aan Abraham…Toen hij opkeek, zag hij even verderop drie mannen staan. Onmiddellijk snelde hij de tent uit om hen te ontmoeten en hij boog diep. [Terwijl hij zich tot God wendde] zei hij: ‘Mijn God, wees toch zo goed uw dienaar niet voorbij te gaan [dat wil zeggen: wacht alstublieft totdat ik deze mannen gastvrij heb ontvangen]’. [Vervolgens wendde hij zich tot de mannen en zei:] ‘Ik zal water voor u laten halen, zodat u uw voeten kunt wassen en kunt rusten onder deze boom…’

Deze interpretatie komt erop neer dat, als je de keuze hebt tussen luisteren naar God en het bieden van gastvrijheid aan vreemdelingen, je in de voetsporen van Abraham voor dat laatste moet kiezen. Sacks: “Het is gemakkelijk de Goddelijke Aanwezigheid gastvrij te ontvangen wanneer God verschijnt als God. Het is moeilijk de Goddelijke Aanwezigheid op te merken als zij komt in de vermomming van drie anonieme voorbijgangers”.

Dit stemt overeen met de grote lijn in het denken van mijn favoriete filosoof Levinas, zoals die bijvoorbeeld tot uitdrukking komt in de titel van een van zijn artikelen: Meer van de Tora houden dan van God. Daarmee bedoelt hij dat de ethische boodschap belangrijker is dan de afzender. Het is leuk om bij dezen te kunnen vaststellen dat deze denkwijze niet helemaal het product is van Levinas zelf. Het is eerder omgekeerd: Levinas sluit overtuigend aan bij veel oudere Joodse gedachtenstromen.

Zie ook Levinas en de gangbare ethiek.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Meer van de Tora houden dan van God en scrol naar beneden door.

donderdag 27 oktober 2022

Filosofie als elitaire bezigheid


De filosoof Carlo Ierna doet onderzoek naar de canon van de filosofie, dat wil zeggen naar de klassieke lijst van grote denkers die vooral witte, dode mannen bevat. Hij vraagt zich af of het gezag dat traditioneel aan die lijst wordt toegekend terecht is. Hij gaat na hoe die canon tot stand is gekomen, of er misschien ten onrechte grote denkers buiten zijn gevallen en of we nieuwe namen kunnen toevoegen. Zo komt hij tot het voorstel om drie vrouwen en twee mannen (waarvan één zwarte) op te nemen die volgens hem ten onrechte genegeerd zijn.

Dat levert een meer divers gezelschap op maar, zegt Trouw, noem Ierna geen diversiteitsactivist of, nog erger, woke: “De diversiteit die ik presenteer is relatief, alle denkers waren in goeden doen. Studeren, lezen en boeken schrijven vergden een zekere welstand. Het was een spelletje voor wie rijk was, of van adel.”

Filosofie als een spelletje. En nog elitair ook. Dat raakte me wel, en niet in positieve zin. Waarschijnlijk omdat ik filosofische reflectie beleef als meer dan een spelletje, eerder als een onbedwingbare existentiële activiteit voor het verkrijgen van minimaal noodzakelijke helderheid over ons bestaan en over de inrichting van ons samenleven.

Toch zit er beslist waarheid in die elitaire opvatting van filosofie. De dominante westerse filosofietraditie heeft onmiskenbaar aristocratische trekken. De Grieken en Romeinen koppelden van oudsher filosofie aan vrije tijd en vrijgesteld zijn en sloten daarmee de werkende klasse per definitie uit. Zij hebben daarmee de toon gezet, en – zoals gezegd – wat mij betreft met dubieuze gevolgen, want hoe werkelijk sociaal kan dat denken dan nog zijn? 

De oppositie tot de werkende klasse werd iets verzacht toen in de Middeleeuwen kloosterlingen zoals Thomas van Aquino, Duns Scotus en Nicolaas van Cusa hun leven aan het denken wijdden, maar vrijgesteld waren ook zij beslist wel. Daarna wordt het beeld wat gemengder. Hobbes, Leibniz en Russell, om er maar een paar te noemen, waren in goeden doen. Maar Descartes, hoewel van adellijke afkomst, moest een basisbaan buiten de filosofie voor zichzelf regelen en werd soldaat, Spinoza ging lenzen slijpen en Marx moest een groot deel van zijn leven sappelen en was overgeleverd aan de financiële genade van zijn schoonvader. 

Maar goed, laat het waar zijn dat een zekere welstand in het verleden vereist was voor het bedrijven van filosofie. Hoe zit het dan in onze dagen? Als er ooit welstand op grote schaal bestaan heeft is het nu wel, dus filosofie zou op grotere schaal dan ooit bedreven kunnen worden. Gebeurt dat ook?

Nagedacht wordt er zeker wel, en diepgaand ook. Maar dat vindt niet direct plaats op het terrein van bestaansverheldering en inrichting van de samenleving. Denkinvesteringen gaan voor het merendeel over nóg slimmere marketingtechnieken, nóg geraffineerdere juridische en financiële constructies, nóg meer sophisticated technische snufjes. Terwijl we uit oogpunt van welstand de bestaansverheldering niet hoeven te laten. Gaat misschien de lol eraf als het ‘spelletje’ niet meer elitair is? Of nemen we onszelf niet serieus genoeg? Wijlen de filosoof René Gude stelde in zijn werk die lacune aan de orde, en Huub Oosterhuis verwees er ooit naar met de vraag: “Als je zo goed kunt denken, waarom denk je dan niet méér na over hoe wij samenleven?”

Zie ook La trahison des clercs.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Filosofie als elitaire bezigheid en scrol naar beneden door.

vrijdag 21 oktober 2022

Gerechtvaardigd particularisme


“Als Harari één boodschap mag kiezen die hij zelf als kind meegekregen had willen hebben, is het die van het universalisme”, vertelde Trouw onlangs naar aanleiding van de presentatie van een kinderboek door Yuval Harari.

De formulering raakt aan boosheid bij mij over mijn eigen jeugd, over wat ik “zelf als kind meegekregen had willen hebben”. Namelijk: geen vrome, onrealistische verhaaltjes over etherische universele naastenliefde, maar doordachte verhalen over hoe genegenheid en solidariteit een tastbaar begin nodig hebben, een concreet sociaal verband waarbinnen socialiteit geoefend kan worden en waarvan je de grenzen vervolgens hopelijk een beetje kunt verleggen en uitbreiden. Dus geënt op de wijsheid van de haalbaarheid, en niet op ethische overvraging. Universele liefde bestaat niet; als je iedereen lief moet hebben heb je niemand lief.

Dus ja, ik had het wel prettig gevonden als de ethiek van mijn jeugd het aangedurfd had om wat meer particularistisch te zijn in plaats van zielloos universalistisch. Nu ontbrak het, in de jaren zestig van de vorige eeuw, niet volledig aan particularisme. Er was nog zoiets als een met trots uitgedragen ‘vaderlandse geschiedenis’, Jan Pieterszoon Coen en Piet Hein waren nog niet van hun voetstuk gevallen, en ‘Indië’ had nog de klank van ‘daar werd iets groots verricht’. Maar hoe dat moest samengaan met de Christelijke moraal van zelfopoffering en wereldwijde solidariteit werd nooit duidelijk. Die combinatie kon niet anders dan tot een verscheurd en eigenlijk hypocriet wereldbeeld leiden. Dat vervolgens vanaf de jaren zeventig de pretenties van dat chauvinistische geschiedbeeld aan grondige kritiek werden onderworpen vond ik dan ook alleen maar prima.

Maar, zoals gezegd, een minimum aan particularisme heeft een mens nodig, dat mag er zijn zonder dat je Baudet-aanhanger wordt. Zelf vond ik dat in de Joodse traditie, waar een minder abstracte ethiek samengaat met de omhelzing van een historische identiteit, inclusief de bijbehorende aspecten van volk, land en staat. Precies datgene dus waar Harari van los wil komen ten gunste van een meer universalistische oriëntatie. 

Deels snap ik de weerzin van Harari wel, namelijk als het gaat om benauwd, kleingeestig chauvinistisch nationalisme waar hij in zijn Israëlische jeugd waarschijnlijk last van gehad heeft. En de benadrukking van een zogenaamd unieke uitverkoren status van het Joodse volk spreekt mij ook niet aan. Dat kan gauw alweer de vorm aannemen van hypocriete flauwekul, zoals dat het Israëlische leger ethischer zou zijn dan andere legers of de bezetting van de Westbank door Israël meer gerechtvaardigd dan de bezetting van de Westelijke Sahara door Marokko. 

Maar ik geloof wel in identiteiten die verbinding maken met een concrete geschiedenis en concrete geografische gebieden. En ook in een gevoel van uitverkorenheid – in de zin van eigenheid – dat iedere identiteit, niet alleen de Joodse, met zich mee kan dragen. Alleen door dat soort identiteiten wereldwijd te respecteren kunnen we hopen nog eens een mondiale harmonie te bereiken.

Zie ook Levinas en Harari en Dikke en dunne moraal.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Gerechtvaardigd particularisme en scrol naar beneden door.

donderdag 6 oktober 2022

Waar gaat het over als het over Joden gaat?


Onlangs verscheen het boek Waar gaat het over als het over Joden gaat? van David Wertheim. Naar aanleiding daarvan werd de auteur geïnterviewd door Joris Luyendijk, en dat interview was erg de moeite waard. Het sympathieke karakter van de historicus en denker Wertheim, en de genuanceerde en authentieke manier waarop hij zijn antwoorden formuleerde hadden daar alles mee te maken.

Eén antwoord stelde me teleur. Dat was Wertheims reactie op de vraag van Luyendijk of de Sjoa een moreel ijkpunt in zich bergt, met andere woorden: of we wat leren van die vreselijke geschiedenis? Wertheim zei: dat de mens tot zulke dingen in staat is, en kennelijk een beest kan worden. Dat vond ik een onnodig vlak antwoord. Dat wisten we toch al wel?

Naar mijn idee valt er wel wat meer over te zeggen, en is het ook van belang om dat te doen. Namelijk dat er iets aan de hand is met de westerse denktraditie en beschaving. Hoe is het mogelijk dat die systematisch, meer dan tweeduizend jaar lang een bepaalde groepering in haar midden – de Joden – heeft verguisd, vervolgd en uiteindelijk met uitroeiing bedreigd? Die constatering is toch op zijn minst een diep verontrustend gegeven dat verder strekt dan de algemene psychologische waarheid dat mensen tot vreselijke dingen in staat zijn? Het kan bijna niet anders dan tot diepgravend onderzoek leiden: wát is het precies in de westerse traditie dat aangezet heeft tot zoveel bijna metafysische haat tegen Joden?

Maar voor dergelijke fundamentele vragen moet je misschien niet in Nederland zijn. In Frankrijk bijvoorbeeld verschijnen sinds een jaar of twintig aan de lopende band boeken die de eeuwenlange problematische filosofische en religieuze omgang met het Jodendom tot onderwerp nemen. Onlangs las ik het boek Banaliteit van Heidegger van Jean-Luc Nancy, dat hij in 2015 schreef naar aanleiding van de ontdekking van de Schwartze Hefte, de dagboeken van Heidegger die lopen van 1931 tot 1969.

Nancy maakt duidelijk dat Heidegger het Westen, als erfgenaam van de vroegste Griekse filosofen, beschouwt als drager van een missie. De verheven missie namelijk om door te dringen tot een diep en puur “zijnsverstaan” dat zich moeilijk laat uitleggen, maar waarvan wel duidelijk is dat het een berekenende, technische en rationalistische omgang met de wereld te boven gaat. Laten in Heideggers denken nu juist de Joden bij uitstek de vertegenwoordigers zijn van dat berekenende, technische en rationalistische denken, dat de ondergang van het Westen als beschaving naderbij brengt. 

Als je zo denkt wordt het, aldus Nancy, verklaarbaar hoe, voor een nieuw begin van het Westen, de ondergang van de Joden als noodzaak bestempeld kan worden. Nancy: “De uitvoerder van de westerse vernietiging moest daarom worden vernietigd. Dat is het hoogtepunt van de historische-bestemmingslogica die het Zijn zichzelf als opdracht heeft meegegeven”. Langs die weg krijgt Heideggers afkeer van Joden een metafysische dimensie: “Heidegger was niet alleen antisemitisch: hij wilde tot het uiterste de fundamentele en historisch voorbestemde noodzaak doordenken van het antisemitisme”. Hoe banaal en ordinair dat antisemitisme er ook uit kon zien.

Verbijsterend is, aldus Nancy, hoe Heidegger deze opvattingen, blijkens de Schwartze Hefte, tot in de jaren zestig blijft volhouden. Als de volle omvang van de vernietiging in de nazi-kampen al lang is onthuld. En voor de formulering van deze opvattingen blijft hij ongegeneerd gebruikmaken van de meest banale antisemitische stereotypen. “Heidegger weet heel goed wat hij doet. Hij verzamelt de banale vuiligheid voor hogere doeleinden. Wat ook betekent dat hij een hogere waarheid in het antisemitisme herkent.”

De belijdende Katholiek Nancy beschrijft dit gegeven gedetailleerd voor Heideggers denken, maar hij ontkomt er niet aan om af en toe te laten zien hoe dit in een veel ouder patroon past. Hij vermeldt hoe het westerse streven naar verhevenheid en zuiverheid in eerdere periodes zich evenzeer gehinderd voelde door de Joodse aanwezigheid. Ook al waren in die periodes de redenen voor aanstoot totaal anders (bijvoorbeeld de afwijzing door de Joden van de universaliteit van de Christelijke heilsboodschap of van de klassieke beschaving), ook toen werd dat beleefd als een inbreuk op de verheven missie van het Westen. “Het is moeilijk om de doorgaande lijn te ontkennen die loopt van Athene en Rome naar Parijs, Londen, Berlijn, Moskou, Auschwitz, Hiroshima, enz. – We zijn nog lang niet begonnen over deze vraag na te denken”.

De afwijzing van Joden was een rode draad door de westerse geschiedenis. Als er enige speling zat in de manieren waarop die afwijzing geformuleerd of gepraktiseerd werd, ging het om de vraag of de Joden nog gewonnen konden worden voor de missie van het Westen of niet. Nancy: “De christelijke (en/of rationele, filosofische, enz.) relatie tot het Jodendom is altijd blijven schommelen tussen veroordeling en bekering, tussen de bevestiging van een fundamentele onverenigbaarheid en die van een noodzakelijke verzoening”.

Als men dacht dat verzoening met de Joden onmogelijk was, dan achtte men de verhevenheid van de Westerse missie voldoende rechtvaardiging om tegenstribbelaars daaraan te mogen opofferen, desnoods door bloedige actie. De beschaafde verlichtingsfilosoof Kant zag er liever geen bloed aan te pas komen maar, evengoed, ook voor hem moest het klaar zijn met de Joodse traditie. Kant stelde voor dat het Jodendom zichzelf zou opheffen in een proces dat hij aanduidde als een “euthanasie” van het Jodendom, waarmee de toegang voor de Joden tot de ware morele religie zou worden gecreëerd.

Tegenover het verzengende geweld van deze religieus-filosofische traditie weet Nancy af en toe niet meer uit te brengen dan “On reste sans voix” – “Ik sta sprakeloos”. Maar ook stelt hij, zoals we boven al lazen, dat hier verder over nagedacht moet worden. Om daar op het eind van zijn boek, schuchter, een verbetersuggestie aan toe te voegen voor de westerse filosofie: “We zullen moeten leren te bestaan zonder ‘puur zijn’ en zonder bestemming”. Zonder verheven begin en zonder verheven afsluiting. 

Zie ook Als Heidegger filosofisch deugt....

Wil je commentaar geven of zien: klik op Waar gaat het over als het over Joden gaat? en scrol naar beneden door.

vrijdag 16 september 2022

Falsificatie: iedereen kan het!


Wetenschap wordt soms aangemerkt als een ingewikkelde onderneming, en daarbinnen is dan nog iets dat door sommigen als het állermoeilijkste, maar ook als het summum van wetenschap gezien wordt. Dat is het primair door Karl Popper uitgewerkte principe van de falsifieerbaarheid van wetenschappelijke uitspraken. Daarbij probeer je bewust je stellingen zo te formuleren dat ze toetsbaar zijn en door (goed) tegenonderzoek onderuit gehaald kunnen worden. Goede wetenschap zou gekenmerkt worden door de falsifieerbaarheid van haar uitspraken.

Dat klinkt veeleisend, maar nu lees ik in de krant dat deze omgang met het verwerven van kennis en het trekken van conclusies eigenlijk een alledaagse routine is van gewone mensen. Volgens een onderzoek van het Nijmeegse universitaire Donders Instituut werkt onze menselijke manier van informatie verwerken eigenlijk altijd zo. Op basis van signalen die we ontvangen werken we al snel naar verwachtingen en conclusies toe (noem het maar stellingen of voorspellingen), maar we staan voortdurend open voor het aanpassen van die voorspellingen door nieuwe informatie. “Het brein wacht niet af, maar voorspelt wat er komen gaat. Het heeft een beeld van zijn omgeving en weet welke signalen het kan verwachten. Of beter: dénkt dat te weten. En het meet het verschil tussen de eigen verwachting en de signalen van buiten om zijn beeld bij te stellen. Gewaarwording is het meten van de voorspelfout.” 

Dus, als je iemand het begin van een zin hoort uitspreken en inwendig voorspelt hoe die zin verder zal gaan dan stel je je niet alleen falsifieerbaar op. Je voert vervolgens ook de falsificatie zelf uit door je voorspelling bij te stellen als de tweede helft van de zin daar aanleiding toe geeft. Je hoeft, behalve voor de tweede helft van de zin, voor de falsificatie niet eens op een ander te wachten: die doe je helemaal zelf. Dat is nog eens wetenschap op hoog niveau!

Deze voorspellingstheorie is inmiddels het centrale concept in de hersenwetenschappen, aldus Willem Schoonen in Trouw, en daarmee is falsificatie te beschouwen als een zo goed als alledaagse routine die wij allemaal toepassen. Ik vind dit een gerustellend idee. Het biedt namelijk tegenwicht aan het alarmistische discours dat we veel om ons heen horen over bubbels waarin alleen informatie wordt toegelaten die bevestigt wat we al denken, over post-truth ideologieën die zich afsluiten voor afwijkende geluiden en woke ontkenningen van de werkelijkheid. Zo gauw raken we kennelijk niet afgesloten van de werkelijkheid. Op diep, elementair niveau zijn wij dagelijks onze kennis en wereldbeeld aan het bijstellen. We toetsen voortdurend of onze aannames door nieuwe binnenkomende informatie over de werkelijkheid nog wel kloppen, en passen ons daarop aan. Zelfcorrectie en permanente uitwisseling van informatie zijn als het ware ingebouwd in ons systeem.

Een ander bericht in diezelfde krant sloot daar aardig op aan: “Negatieve effecten van sociale media op jongeren vallen mee”. Die veel gerapporteerd negatieve effecten blijken, aldus promovenda Nastasia Griffioen, vooral voort te komen uit de methodes die gebruikt worden om de negatieve invloed van smartphones te meten. Die methodes “zijn niet altijd betrouwbaar gebleken. Het probleem zit hem in de vragenlijsten die ontzettend populair zijn bij de meeste onderzoekers. Dat is een eenrichtingsweg waarbij je niet door kunt vragen.” Griffioen kon met haar diepte-interviews met jongeren wél doorvragen en kwam tot andere conclusies.

Gesteld in de termen van dit stukje: de gemiddelde onderzoeker blijft steken in zijn voorspellingen en komt niet toe aan ‘de tweede helft van de zin’, die de voorspellingen kan corrigeren. Vergeleken daarmee doen wij het in onze dagelijkse routines nog niet zo gek.

Zie ook Zwarte zwaan.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Falsificatie: iedereen kan het! en scrol naar beneden door.

vrijdag 9 september 2022

Voorbij de cognitieve dissonantie


Het kon zomaar gebeuren in de krant: een pagina met de kop “Schiphol weer in de lift” boven een monter verslag over weer toenemende aantallen vliegbewegingen en groeiende inkomsten. Schiphol komt de coronacrisis te boven! En op de volgende pagina een verhaal over de kwalijke bijdrage van vliegen aan de CO2-uitstoot en de noodzaak om vliegbewegingen in te perken voor het behalen van de klimaatafspraken.

Elk van de twee pagina’s had zijn eigen, goed te volgen logica, met zijn eigen wenselijke uitkomst. Maar die wenselijke uitkomsten waren wel compleet tegengesteld aan elkaar. De twee logica’s volkomen los van elkaar gepresenteerd te zien worden had iets vervreemdends. In welke wereld leef ik nu eigenlijk? En in wat voor wereld leeft de krant? Hoe rijmen die journalisten die boodschappen met elkaar? Ik ben toch niet gek? En zij toch ook niet?

Inderdaad, ze bleken niet gek. Met ingang van vorige week heeft Trouw de redacties Economie en Natuur/Duurzaamheid samengevoegd tot de redactie Duurzaamheid en Economie. Hoofdredacteur Cees van der Laan daarover: “Je ziet bij alle grote economische onderwerpen dat er een duurzaamheidsvraagstuk speelt”. De scheiding tussen duurzaamheid en economie heeft iets geforceerds gekregen. “Samenvoegen is logisch omdat er zoveel raakvlakken zijn.” 

Toch zal mijn cognitieve dissonantie niet op slag verdwijnen. Op verjaardagen en andere sociale aangelegenheden is er een grens aan wat je kunt aankaarten aan klimaatproblematiek zonder jezelf sociaal compleet te isoleren. Maar van een krant mag je inderdaad meer verwachten dan beleefdheid en sociale prudentie, want die lees je niet alleen voor je geruststelling. Een goede krant neemt diepere zorgen serieus. Alle lof voor Trouw!


Wil je commentaar geven of zien: klik op Voorbij de cognitieve dissonantie en scrol naar beneden door.

vrijdag 2 september 2022

Krijgshaftige taal


De afgelopen maanden kwamen op het Journaal al heel wat keren de eerste regels in Nederlandse vertaling van het Oekraïense volkslied voorbij. In zijn geheel luidt het als volgt:

Nog is Oekraïne’s glorie niet vergaan, noch zijn vrijheid

Nog zal het lot ons, jonge broeders, toelachen

Verdwijnen zullen onze vijanden

Als dauw in de zon

En ook wij, broeders, zullen heersen in ons eigen land

Onze ziel en ons lichaam

Zullen wij geven voor onze vrijheid

En wij zullen tonen dat wij, broeders, 

van het geslacht der Kozakken zijn.

De manier waarop het Journaal deze en andere Oekraïense patriottische teksten toont is aandachtig en ernstig, er is geen zweem van ironie of verbazing te bekennen.

Dat vind ik best opmerkelijk. We hadden het hier in het vreedzame West-Europa zo’n beetje afgeleerd om volksliederen te associëren met existentiële kwesties, alleen in Joodse context voelde ik bij het klinken van het Hatikwa de geladenheid ervan voor wie het zong of hoorde. Het Wilhelmus, de Marseillaise of Fratelli d’Italia worden toch vooral geassocieerd met voetbalwedstrijden.

Een vergelijkbare omslag doet zich voor in de presentatie op tv van militaire confrontaties. Ik kan me van de laatste decennia geen verslagen herinneren die zo uitgebreid ingaan op de tactieken van de strijdende partijen, de geografische omstandigheden en de soorten gebruikte wapens als nu het geval is bij de oorlog tussen Rusland en Oekraïne. Daar wordt op gedetailleerde wijze over verteld door defensiedeskundige Bob Deen en oud-Commandant der Landstrijdkrachten Mart de Kruif en soms klinkt er nauw verholen sympathie in door voor de verrichtingen van Oekraïne.

Triomfantelijke liederen, krijgshaftige taal, betrokkenheid bij een van de strijdende partijen: ze lijken weer salonfähig te zijn. Het kan verkeren.

Zie ook Proportioneel.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Krijgshaftige taal en scrol naar beneden door.

donderdag 25 augustus 2022

Management by magic?


Wie moet je geloven en wie niet? Een antwoord op die vragen is in tijden van nepnieuws en politieke demagogie geen overbodige luxe. Het leek – ooit – zo simpel en overzichtelijk: we hebben publieke leiders en politici die het beste met ons voor hebben, en die laten zich mede leiden door wetenschappelijke raadgevers. Die raadgevers op hun beurt laten zich inspireren door het wetenschappelijke ideaal van onafhankelijk onderzoek, in het volle besef dat ze in hun moeizame proces van voortdurende onderlinge kritiek en bijstelling van meningen de absolute waarheid nooit zullen bereiken. En ondertussen leveren die exacte waarheidsliefde en verbeterdrift ons mooie wonderen op zoals auto’s en democratie en genezing van ziektes.

Het was een beetje zoals met het geloof in wonderen waarover het begin van Exodus hoofdstuk 4 ons vertelt. Mozes maakt bezwaar tegen de leidersrol die Eeuwige hem oplegt, want de mensen zullen hem niet geloofwaardig vinden en niet naar hem luisteren. Dan laat de Eeuwige hem een staf in een slang veranderen en nog meer wonderen verrichten. Mozes is niet direct overtuigd, maar de boodschap achter deze wonderen is niettemin duidelijk: het licht van de waarheid (Tora) zal gepaard gaan met wonderen, en die wonderen bevestigen de waarheid van de Tora. Het goede en het wonderbaarlijke gaan hand in hand, en dat maakt de zaak geruststellend overzichtelijk. 

Maar het Bijbelboek Deuteronomium, dat stamt uit een later moment in de geschiedenis van Israël, gelooft niet meer in die vanzelfsprekende verbinding van het goede en het wonderbaarlijke. Daar staat in hoofdstuk 13 vers 2: “Wanneer een profeet of een droomuitlegger uit uw midden een teken of een wonder voorspelt, dat vervolgens uitkomt, en hij verbindt daaraan een oproep om andere, u onbekende goden te volgen en te dienen – luister dan niet naar wat hij zegt…Blijf de Eeuwige, uw God, volgen en heb alleen voor hem ontzag”. Kennelijk zijn er in de loop van de tijd té veel pijnlijke en verwarrende ervaringen opgedaan met verleidelijke profeten en andere wonderdoeners die wel indruk konden maken maar een valse boodschap hadden. Dat is verwarrend, want wie kun je dan nog geloven, als wonderen niks zeggen?

Er resteert nog maar één criterium: geen boodschap volgen die oproept tot het volgen van andere goden. Verleidelijke spectaculaire goocheltrucs zijn geen garantie voor de toekomst. Ik zet de vergelijking met huidige wonderboodschappers voort en moet denken aan een bericht in de krant van deze week. Een wetenschapper voorspelt, samen met de boeren, zodanige technische innovaties dat geen andere maatregelen voor het terugdringen van stikstof meer nodig zijn. Afgemeten aan de stand van de oprechte wetenschap impliceert dit een wonder. Deze wetenschapper verlaat daarmee het pad van kritische zelfreflectie en integriteit dat goede wetenschap kenmerkt. Dat pad heeft met die kenmerken (misschien niet toevallig) veel weg van het uiteindelijke pad van de ene God van de Tora. Moeizaam en met mogelijk onwelgevallige uitkomsten, maar geen reden om andere goden en hun verleidelijke drogredeneringen achterna te lopen.

Zie ook Winter en woestijn.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Management by magic? en scrol naar beneden door.

vrijdag 19 augustus 2022

Disproportioneel geweld


“De wraak van de staat Israël heeft waarlijk oudtestamentische proporties”, schrijft Anton van Hooff in NRC van 12 augustus, naar aanleiding van de disproportionaliteit van aantallen dodelijke slachtoffers in de diverse ‘Gazarondes’ sinds 2008. Die disproportionaliteit is inderdaad schokkend: 5298 aan Palestijnse kant, 52 aan Israëlische kant. 

Maar het is nergens voor nodig om daarvoor het woord ‘oudtestamentisch’ te gebruiken. Ik schat in dat die wanverhouding ongeveer gelijk is aan de scores die gehaald werden toen gedurende de afgelopen eeuwen het imperialistische Christelijke Westen de gekoloniseerde rest van de wereld afschuimde: 1 slachtoffer aan Westerse kant tegen 100 aan de andere kant. Dus dat imperialistische gedrag mag je net zo goed ‘nieuwtestamentisch’ noemen. 

Maar waarom zou je een oude, uiterst vernietigend gebleken tegenstelling nieuw leven inblazen, als het ook in andere bewoordingen gezegd kan worden? ‘Imperialistisch’ is een goed woord voor aanduiding van het gedrag van het Europa van toen en het Israël van nu. Laat de testamenten erbuiten.


Wil je commentaar geven of zien: klik op Disproportioneel geweld en scrol naar beneden door.

vrijdag 12 augustus 2022

De wethouders van Europa


Sommige Eurocommissarissen doen me weleens denken aan de krachtdadige grote-stedenwethouders uit het begin van de twintigste eeuw, zoals Wibaut en De Miranda in Amsterdam en Heijkoop en De Zeeuw in Rotterdam.

Die associatie van bijvoorbeeld Margrethe Vestager of Frans Timmermans met het wethouderssocialisme is raar, want hun beleid is op een aantal terreinen ronduit liberaal kapitalistisch van aard. Ze verdedigen de vrije markteconomie, stimuleren optimale concurrentie en straffen staatssteun aan bedrijven categorisch af.

Maar tegelijkertijd lanceren en stimuleren ze op andere terreinen initiatieven die je gerust progressief of zelfs socialistisch mag noemen. Ze promoten bijvoorbeeld plannen voor gelijke, dus niet concurrerende belastingheffing in de verschillende lidstaten (commissaris Dombrovski) en bepleiten het optrekken van het sociale minimum voor heel Europa (commissievoorzitter Von der Leyen). Commissaris Vestager bestrijdt met kracht de monopoliepositie van Big Tech in Europa.

Wat me het meeste aan die wethouders van vroeger doet denken is de aanwezigheid van een doordachte en heldere visie op wat er gebeuren moet, dus in hun geval: wat Europa nodig heeft. En gekoppeld daaraan hun vermogen om dingen daadwerkelijk in gang te zetten. Op een of andere manier steekt dat prettig af tegenover het onvermogen in de Nederlandse politiek om een consistente visie te ontwikkelen op de problemen die zich voordoen. Er lijkt  op het nationale vlak vaak niet meer in te zitten dan pappen en nathouden. Hooguit heeft op dit moment oud-wethouder Hugo de Jonge met zijn huisvestingsplannen nog iets weg van de vroegere doorduwers. 

Misschien lenen veel huidige problemen zich ook niet meer voor aanpak op nationale schaal en kun je alleen in Europees verband effectief zijn. Om die reden hoor je zelfs van de VVD tegenwoordig pleidooien om dingen Europees aan te pakken, zoals Silvio Erkens’ voorstel voor Europese verplichtingen voor schone brandstof. 

Nu nog het EU-gevoel bij ons, gewone burgers. Daar mag best wat meer aan gewerkt worden, ook al zal dat het authentieke 020- of 010-gevoel nooit kunnen evenaren.

Zie ook Decadent?

Wil je commentaar geven of zien: klik op De wethouders van Europa en scrol naar beneden door.

vrijdag 5 augustus 2022

Niet gehoord en niet gezien


‘Het gelaat’ was het onderwerp van mijn vorige column, en daar ga ik nog even op door want ik voel behoefte om de betekenis van dat woord enigszins af te bakenen. Door de openheid van het woord ‘gelaat’ kan het zomaar gekoppeld worden aan van alles dat je onder de noemer van ‘sociale warmte’ kunt scharen: verbondenheid, empathie, gemeenschap. Daardoor kan het geassocieerd worden met een soort van intermenselijke rijkdom en volheid.

Maar met Levinas ben ik geneigd om die koppeling niet te maken, en het woord in eerste instantie eerder in verband te brengen met een zekere armoede. Hij zegt niet voor niets: “De huid van het gezicht is het meest naakt, het meest behoeftig”. Zo opgevat komt het gelaat te staan voor: niet gehoord en niet gezien worden. En: voor mijn confrontatie met dat niet gehoord en gezien worden van de ander.

Wordt het daarmee minder herkenbaar, of iets zeldzaams? Ik ben bang van niet. Niet gehoord en niet gezien worden zijn misschien wel veel wijder verspreid dan we denken. En dan gaat het niet per se over het niveau van maatschappelijke of beroepsgroepen (toeslagenouders of boeren), hoewel het daar zeker ook aan de orde is. Maar meer over het niveau van persoonlijke behoeften, verlangens, frustraties. Dit is recent goed verwoord door Jurriën Hamer in een column in Trouw waarin hij zegt dat het gevecht tegen angst, eenzaamheid en depressie misschien voor veel mensen wel tot onze dagelijkse prestaties behoort, maar ook dat we dat nauwelijks onderkennen.

Die onderschatting is spijtig, maar voor mijn onderwerp – het gelaat – betekent dat ook goed nieuws. Want de ontmoeting met het gelaat vindt kennelijk veel vaker plaats dan we ons realiseren. En ook al is het gelaat armoedig, de ontmoeting ermee heeft – in tweede instantie – wel degelijk een krachtige verbindende werking. Het echte contact wat daarbij hoort is dus misschien ook wel veel gewoner dan we denken.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Niet gehoord en niet gezien en scrol naar beneden door.

donderdag 21 juli 2022

Levinas en Zoom


Mijn favoriete filosoof Emmanuel Levinas formuleert het kernthema van zijn filosofie vaak als “de ontmoeting met het gelaat van de ander”. Het woord ‘gelaat’ is kennelijk een sleutelwoord in zijn gedachtengoed. Maar wat verstaat Levinas dan precies onder het gelaat, en het appèl dat daarvan uit kan gaan? De ervaringen die veel van ons de afgelopen twee jaar hebben gehad met het digitale communicatieprogramma Zoom bieden me de gelegenheid voor een aantal gedachten over de betekenis van het gelaat bij Levinas.

Want Zoom werd in coronatijd gebruikt voor allerlei bijeenkomsten – werkvergaderingen, cursussen, tweegesprekken – die niet meer fysiek konden plaatsvinden. En wat je dan meestal op je scherm zag waren gezichten. Soms twintig in klein formaat onder en naast elkaar op een scherm, soms enkele in wat groter formaat, maar ook dan gewoonlijk (maar niet altijd) met de focus op de gezichten. 

Je kunt gelaat opvatten als een ander woord voor gezicht. Zo bezien zouden, uitgaande van het denken van Levinas, Zoomsessies een rijke bron van echte, menselijke ontmoetingen kunnen zijn. Al zegt hij op allerlei plekken dat gelaat meer is dan dat, bijvoorbeeld in De totaliteit en het Oneindige: “Het hele lichaam – een hand of een kromming van de schouder – kan expressie zijn zoals het gelaat dat is”. Dat je in Zoomsessies elkaar meestal niet in de ogen ziet (want dan moet je in de camera kijken) hoeft dus ook niet af te doen aan de toepasselijkheid van het woord gelaat in Levinassiaanse zin.

En inderdaad, sommige effecten die Levinas aan het gelaat toekent worden versterkt door de werking van Zoom. Levinas heeft het veel over wat hij noemt de “naaktheid” van het gelaat. Daarmee bedoelt hij dat het zich onttrekt aan een gedeelde context, zoals een professionele of sociale omgeving. Het gelaat staat absoluut los staat van maatschappelijke rollen, categorieën en sociale conventies. Levinas: “Gewoonlijk heb je een rol: je bent professor aan de Sorbonne, rechter van het Hooggerechtshof, zoon van die-en-die, alles wat in je paspoort staat, de manier van kleden, jezelf presenteren. En alle betekenissen in de gebruikelijke zin van het woord ‘rol’ hebben betrekking op zo’n context: de betekenis van iets staat in relatie tot een ander ding. Het gelaat, daarentegen, is een betekenis op zichzelf. De naaktheid van het gezicht is relatieloos, een armoede, het is onthecht terwijl het optreedt. Een gelaat komt onze wereld binnen vanuit een absoluut vreemde sfeer – dat wil zeggen, juist vanuit een absoluutheid, wat in feite de naam is voor fundamentele vreemdheid”. 

Deze beschrijvingen zijn nogal extreem geformuleerd, maar iets van de bedoelde onbepaaldheid gaat wel op voor de degene die niet in de gebruikelijke vergaderzaal of cursuslocatie, met hun vaste rangorde en zitplaatsen, en gekleed in casual kleren, aan anderen op het scherm verschijnt. In zekere zin ontsnapt de Zoomdeelnemer aan de categoriserende en determinerende blikken van de anderen. De thuiszoomer is in zekere mate losgemaakt van zijn standaardmanifestatie, hij drukt meer zichzelf uit. En dat komt in de buurt van wat Levinas zegt over het gelaat. Er is dus iets te zeggen voor de gedachte dat Zoom goed is voor de manifestatie van het gelaat.

Daar staan een aantal dingen tegenover die Zoom en gelaat minder goed doen samengaan. Allereerst dat, vergeleken met de standaard neutrale kantoor- of cursusomgeving, er een nieuwe context verschijnt, gewild of ongewild, namelijk de privé-context. Die kan variëren van de zichtbaarheid van een hoop rommel in de kamer op de achtergrond, een onopgemaakt bed en maaltijdresten, tot juist een zeer zorgvuldig ingerichte achtergrond en geregisseerde belichting. Hoe dan ook, je kunt opnieuw de verschijnende persoon relateren aan haar omgeving, je kunt opnieuw determineren. Requisieten geven hun eigen context, en leiden zo af van het gelaat en zijn naaktheid.

Daar komt bij, als de naaktheid van het gelaat zo belangrijk is, dan is de aanwezigheid van een scherm per definitie een verzwakking daarvan. Het scherm dekt af, het is een nieuwe laag tussen het gelaat en de kijker. En behalve een scherm zit er een heel regelsysteem tussen de kijker en de ander; je kunt met je dashboard de zichtbaarheid zomaar uitzetten, van beide kanten trouwens. De onontkoombaarheid van de ontmoeting is daardoor minder, de vrijblijvendheid is groter. Dat zal ten koste gaan van de wederzijdse aandacht, en kan zorgen voor afleiding. 

Omgekeerd komt zonder scherm in the open air de naaktheid van het gelaat van de ander harder aan. En dit impliceert veel voor Levinas, want de ontmoeting met het gelaat is, zoals we zagen, voor hem ook altijd de ontmoeting met behoeftigheid: “De huid van het gezicht is het meest naakt, het meest behoeftig”. De ontmoeting met de ander is zelfs altijd, wat hem betreft, een beschuldiging aan mijn adres. In de woorden van Levinas-kenner Ramona Rat, waar ze over de onbepaaldheid spreekt van het gelaat: “Instead of affirming something, the face is an accusation”. Open contact, jawel, maar direct een stuk gecompliceerder dan met een scherm ertussen. 

Alles afwegende is mijn conclusie dat het verschijnsel gelaat zoals Levinas dat beschrijft eerder optreedt zonder Zoom, dan met Zoom. Het gelaat werkt beter zónder scherm. Die gedachte kan de twee ervaringen verklaren die je veel hoort van mensen over hun Zoomgebruik. In de eerste plaats dat je op Zoom zakelijker overleg kunt voeren dan in elkaars fysieke aanwezigheid. Vergaderingen gaan een stuk sneller en efficiënter, kennelijk mis je een bepaalde ballast. Dat zou weleens die intermenselijke complexiteit kunnen zijn die Levinas toekent aan de open ontmoeting met de ander, dus aan het gelaat. Maar, in de tweede plaats, en waarschijnlijk als tegenhanger van de eerste ervaring, je míst ook werkelijk iets dat niet alleen maar ballast is. Het contact is minder intensief en volwaardig, vanwege het ontbreken van de complexiteit. Er is minder gelaat, zeker als het hele lichaam telt als gelaat. En ja, dat voel je.

Zie ook Het Gelaat als duizenddingendoekje en Levinas zoals ik hem begrijp.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Levinas en Zoom en scrol naar beneden door.

donderdag 7 juli 2022

Van ‘oud wij’ via ‘heilig’ naar ‘nieuw wij’


Het is nogal een traject dat godsdienstwetenschapper Karen Armstrong in een bestek van twee A4tjes overbrugt. Of eigenlijk nog minder, want in het interview dat Marjoleine de Vos in NRC met haar heeft voltrekt zich pas op de laatste pagina de overgang van een bepaalde invulling van de woorden ‘wij’ en ‘heiligheid’ naar een totaal andere opvatting ervan.

De aanvankelijke opvatting van een maatschappelijk ‘wij’ klinkt nogal geijkt, traditioneel en simplistisch, als die van een vroom-romantisch collectief wij. In plaats van persoonsgericht het steeds te hebben over ‘mij’ en ‘mijn gevoelens’ moeten we, aldus Armstrong, onze sympathie en liefde uitbreiden naar iedereen en de hele aarde. Want de schepping is heilig.

De Vos protesteert, zij vindt deze opdracht getuigen van een onmogelijk soort deugdzaamheid. Ze werpt tegen: “U zegt ‘wij’. Veel mensen interesseren zich totaal niet voor de heiligheid van de natuur of voor zelfverbetering”, waarop Armstrong antwoordt: “Zeker. Maar we moeten echt iets doen, willen we een ramp voorkomen, het is hoe dan ook ‘wij’, we zitten er allemaal in. Iedereen moet zijn eigen weg vinden”. 

Marjoleine de Vos is niet overtuigd en vraagt of het gebruik van zo’n massief begrip als ‘heiligheid’ wel behulpzaam is. “Heilig is een lastig begrip”. En dan blijkt dat Armstrong het niet zo simplistisch en zoet bedoelt als het in eerste instantie door De Vos en mij begrepen wordt. Dat heiligheid juist iets gecompliceerds is, en te maken heeft met respect voor singulariteiten met elk zijn eigen eigenheid. Niks collectiefs of gelijkvormigs dus. “Heilig betekent oorspronkelijk vooral ‘anders’. Dat is wat we zien als we naar een bloem kijken, dat die ‘anders’ is dan wij. Die andersheid moeten we respecteren. Net zoals we dat met andere mensen moeten doen.”

Dat schept ademruimte waarin de zoetheid wijkt voor meer realistische menselijke omstandigheden en (on)hebbelijkheden. De Vos: “Ik zou best iemand willen zijn die vriendelijk is tegen alle mensen maar…”. Armstrong: “Ik ben dat niet. Ik heb een scherpe tong”. Conclusie: “Heilig wil niet zeggen: dat iets goed is, of moreel juist of voorbeeldig. Het betekent alleen dat alles een eigen leven heeft, apart en verschillend van het onze, met eigen pijn en moeilijkheden en vreugde.”

En ‘wij’? Wij zijn een zootje ongeregeld.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Van ‘oud wij’ via ‘heilig’ naar ‘nieuw wij’ en scrol naar beneden door.

vrijdag 1 juli 2022

Hannah Arendt als Talmoedist


De filosoof Hannah Arendt is moeilijk in een hokje te stoppen. Ik probeer het regelmatig, maar dat lukt niet goed. Ze komt vanzelf in meerdere hokjes tegelijk terecht (wie niet trouwens).

Allereerst het hokje ‘Joods’, vanwege de prominente aanwezigheid van antisemitisme in haar levensgeschiedenis. Geboren in een Joods gezin in Linden en opgegroeid in Königsberg heeft ze in haar opvoeding en opleidingen niet veel van de Joodse traditie meegekregen, maar haar Joodse afkomst dwong haar wel om in 1933 het naziregime te ontvluchten, en bracht haar tot omarming en daarna verwerping van het zionisme. Ondertussen reflecteerde en schreef zij over tal van Joodse onderwerpen, waaronder het Eichmannproces in Jeruzalem.

Dan is er het hokje van de ‘contemplatieve westerse denker’. In de beste traditie van de  Christelijke metafysica zocht Arendt naar een vrijplaats voor beschouwende reflectie. Zoals monniken in hun kloosters een thuis vonden voor hun intellectuele en spirituele behoeften, zo beschreef Arendt het metafysische gebied buiten de dagelijkse tijd en ruimte soms als een Bleibe, een verblijfplaats waar de geest lang genoeg rondhangt (bleibt) voor het creëren van een rijke voorraad van toegankelijke ideeën.

Maar dat verlangen naar reflectie kon allerlei wendingen nemen, en die brachten haar van een verblijfplaats buiten tijd en ruimte naar juist en bij uitstek op de eigen tijd betrokken worstelingen. Dat noem ik het ‘Talmoedische hokje’ van Arendt, niet omdat zij ook maar iets met de Talmoed van doen had, maar wel omdat haar gedrevenheid om de eigen tijd te begrijpen doet denken aan de intensiteit waarmee de Talmoedische rabbijnen hún tijden probeerden te duiden. Jasmina Tacheva zegt daarover dat, in het beroemde interview dat Günter Gaus met Arendt had in 1964, “ze herhaaldelijk spreekt over een ‘fundamentele’, niet aflatende innerlijke drang die haar bij al haar inspanningen volgt – haar Verstehenmuss, ‘de behoefte om te begrijpen’. Ze legt bijvoorbeeld uit dat schrijven haar helpt bij het begrijpen en dat de sensatie die voortkomt uit iets te vatten, is als een Heimatsgefühl. Het denkproces is niet alleen een middel om intellectueel en spiritueel thuis te komen; het ís thuis”. 

De associatie met de rabbijnse traditie van de Talmoed wordt nog versterkt door twee kenmerken van Arendts werken. Allereerst de nadruk daarin op het belang voor dat genoemde denkproces van pluraliteit, het tot zijn recht laten komen van verschillende stemmen en meningen naast elkaar. Want dat is hoe de Talmoed werkt. En daarnaast haar opvatting over de geschiedenis. Die wordt volgens haar bepaald door een eindeloze variëteit van alternatieve mogelijkheden maar toch, zegt Tacheva, gelooft Arendt dat als we terugkijken naar het verleden, “we can ‘tell a story that makes sense’”. Arendt zou er vast van schrikken te horen dat dat mij Talmoedisch in de oren klinkt.

Zie ook Levinas en Arendt en Wittgenstein als Talmoedist.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Hannah Arendt als Talmoedist en scrol naar beneden door.

vrijdag 24 juni 2022

Een dun maar cruciaal lijntje


Er zijn presentaties van Levinas die hem op zo’n manier weergeven dat de essentie van zijn boodschap verloren gaat. Dat gebeurt gemakkelijk omdat het om een subtiel maar weerbarstig punt gaat dat onwennig aanvoelt. Waar we getraind zijn in het denken vanuit het ik – ook als het gaat om empathie of de ander of compassie – draait hij iedere keer de denkrichting om: het start niet bij ons en onze goede bedoelingen; we worden overvallen, het initiatief ligt bij de ander. We kunnen dus helemaal niks doen, en dat is verwarrend.

Op het risico af dat ik beschuldigd wordt van het ‘narcisme van het kleine verschil’ wil ik ter illustratie een paar van die verwijzingen naar Levinas die net langs de kern scheren nader presenteren. Een eerste voorbeeld komt uit een lezing over menselijk lijden. Daarin opperde de spreker dat lijden mede voortkomt uit een verhoogd individueel zelfbewustzijn dat pijnprikkels kan accentueren. De spreker stelde dat een situatie van in andere richting gekanaliseerd bewustzijn – of iets anders dan bewustzijn – daarvoor tegenwicht kon bieden, bijvoorbeeld middels poëzie of aandacht voor andere mensen. Hij benoemde dat als “het vermijden van bewustzijn”, en vroeg mij of dat ook niet levinassiaans gedacht was. Ik snapte wat de spreker bedoelde, want Levinas heeft het over de verlossing, zeker via de ander, uit een overmaat van zelfbewustzijn, en benoemt dat als een bevrijding. Maar ik aarzelde en dat had te maken met het werkwoord ‘vermijden’, dat de spreker gebruikte. Dat klinkt te actief, als een initiatief van – opnieuw – het ik. Terwijl wezenlijk is voor Levinas dat het je overkómt; je wordt verrast door de ander, en dáárdoor wijkt het (zelf)bewustzijn. 

Een ander voorbeeld vind ik in een interview met filosoof Annemarie Mol. Zij beschrijft de aandacht voor de ander als volgt: “Levinas neemt herkenning van hetzelfde – ik zie mezelf in de ander – als voorwaarde voor respect voor die ander”. Opnieuw snap ik wat de spreker bedoelt, namelijk dat empathie en respect voor de andere mens bij Levinas veel nadruk krijgen. Maar de voorgestelde denkrichting is weer egologisch: ik ken mezelf, en omdat ik de ander waarneem als een heruitgave van mezelf kan ik respect opbrengen voor de ander. Het  initiatief en het referentiepunt worden gevormd door het ik, en dat is precies waar Levinas vanaf wil: hij wil het omdraaien. Niks door mezelf opgebracht respect, ik word overvállen.

Zelfs Martin Buber, toch bij uitstek een Joodse, dialogische denker, laat het, in de ogen van Levinas, op dit punt soms afweten. Dat bracht Levinas bijvoorbeeld naar voren op een bijeenkomst in 1975 aan de Universiteit van Leiden waar hij werd gevraagd commentaar te geven op de weergave in de Bijbelvertaling door Buber en Rosenzweig van vers 19,18 van het Bijbelboek Leviticus. Dat vers wordt gebruikelijk vertaald met ‘Heb je naaste lief als jezelf’, maar door Buber en Rosenzweig als ‘Heb je naaste lief, hij is zoals jij’. Een fundamentele gelijkheid tussen mij en de ander zou in die vertaling dus de brug slaan. Levinas wierp tegen: “Wat betekent ‘als jezelf?’ Buber en Rosenzweig waren hier in de war. De Bijbel belijdt de prioriteit van de ander in relatie tot mij. De andere komt altijd op de eerste plaats. Dit is wat ik de dissymmetrie van de interpersoonlijke relatie heb genoemd”. De visie van Buber gaat uit van een verwantschap, die ik van binnenuit kan activeren. De visie van Levinas gaat uit van een verschil, de ander overvalt me als het ware van buitenaf. 

Dit is geen klein verschil; dit is een complete omkering van de denkrichting. Maar het lijntje tussen die twee visies is gauw overschreden.

Zie ook Levinas en empathie.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Een dun maar cruciaal lijntje en scrol naar beneden door.

vrijdag 10 juni 2022

Eindtijdgedachten in NRC


Het is bijna niet te geloven maar zelfs de nuchter liberale NRC komt tegenwoordig met apocalyptische visioenen over gevaarlijke tendenzen in de wereld. In een van de laatste weekendbijlagen deed Maxim Februari dat onder de titel De wereld stort in, maar hoe maak je dat hot?

Februari benoemt vooral de groei van kunstmatige intelligentie als grote bedreiging, maar breidt zijn zorg daarna uit naar andere mogelijke wereldrampen. Maar dat niet alleen, hij sluit zijn stukje af met de roep om een sterke man: “Aan goede bedoelingen heb je niks. Je hebt iemand nodig die het onderwerp van de dreiging onbesuisd hot en sexy kan maken. Maar ja, waar vind je zo iemand?” Zo’n roep werd tot nog toe toch vooral gezien als uitvloeisel van onderbuikgevoelens, bepaald niet salonfähig in NRC-kringen. Maar nu staat het er gewoon! 

Al eerder deed Stevo Akkerman in Trouw verslag van een interview met Jan Rotmans en Marcel Levi waarin zij vertelden wel wat te zien in een tijdelijke dictatuur voor de oplossing van de gigantische milieuproblemen waar we voor staan. “Maar niet langer dan een jaar en nooit meer dan één keer.” Dan kunnen alle stuur-, klankbord- of regiegroepen in één keer opgedoekt worden. En dat terwijl Rotmans toch ook bekend staat als de veranderprofessor die altijd gepleit heeft voor sociale innovatie, zoals minder centralistische sturing en meer inbreng van onderop. Een dictator aanstellen kun je natuurlijk ook benoemen als sociale innovatie, maar dan toch met een heel andere strekking.

Kortom, soms weet ik niet wat ik lees! Aan de andere kant: ik denk dat drastisch ingrijpen inmiddels wel heel hard nodig is, maar vooralsnog schaar ik me net als Akkerman liever achter Rob Jetten, die doelen aanscherpt en regie voert over het milieubeleid voor landbouw, verkeer en wonen. En misschien kan het dreigende eindtijdgevoel ook mensen als Jetten een steun in de rug geven zonder dat een dictatuur nodig is.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Eindtijdgedachten in NRC en scrol naar beneden door.

donderdag 26 mei 2022

Confrontaties met sympathieke denkers


Met mijn schrijverij beland ik langzamerhand in het stadium dat ik met de meest sympathieke en welwillende lezers in aanvaring kom. Door een blogbericht en een paar artikelen deden zich recent diverse confrontaties voor. Ze hebben met elkaar gemeen dat ze voortkomen uit mijn benadrukking, in navolging van Levinas, van de schaduwkanten van het denken, of van het hebben van ideeën.

Immers, als ik Levinas goed begrijp, zit er iets problematisch aan de act van het denken. Dat wil zeggen, aan al het denken, óók als het denken goede dingen denkt. Dat heeft te maken met de gelijkschakelende werking van het denken dat vanuit zijn aard mikt op universeel geldige conclusies, maar daarmee ook illusies creëert. Een dergelijke relativering door mij van het denken en zijn producten roept weerstand op, zeker als de ideeën en minstens de intenties van de denkers goed zijn. Hieronder ga ik kort in op de bezwaren die ik kreeg toegestuurd van Renée Citroen, Jan-Ewout Ruiter, Jan Keij en, jawel, Immanuel Kant.

Mede-Crescascolumnist Renée Citroen is het apert oneens met de aandacht die ik vraag voor de hoogleraren Zwart en Peverelli als zij de universalistische pretentie van het VN-mensenrechtenverdrag “problematisch” noemen. Hun motief voor het relativeren van die pretentie is dat die voor niet-westerse werelddelen arrogant overkomt en lokale rechtstradities onderschoffelt. Citroen vecht die relativering aan, iedereen wil immers ‘onze’ vrijheid, zegt ze, en dat heeft niets met een arrogante witte blik te maken. Het is gewoon een ideaal, en een ideaal mag je best absoluut en universeel noemen. “Als je dat allemaal loslaat, omdat anderen daar geen zin in hebben, verval je in chaos en immoraliteit.”

Dat weet ik zo net nog niet. Zeker niet als Citroen haar afwijzing van dialoog en zoeken naar verbinding uitbreidt naar mensen “met een ondemocratische mening”. We zouden, zegt ze,  bijvoorbeeld niet moeten toelaten dat antivaxers en mensen als Thierry Baudet en Willem Engel kunnen worden gehoord. Wie de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens niet onderschrijft verliest zijn spreekrecht. “Censuur? Kom nou, er zijn grenzen”. 

Dan voel ik meer voor de genuanceerde benadering van Fleur Jongepier die in Trouw zich afvraagt wat de wenselijke mate van tolerantie is die de overheid voor afwijkende en potentieel gevaarlijke meningen kan opbrengen, bijvoorbeeld voor antivaxers. Haar conclusie is dat het beter is om niet in absolute termen te denken, maar liever uit te gaan van het empirische, het rommelige, het praktische, en het niet-ideale van veel situaties. Dan houd je wel oog voor de eventueel gevaarlijke praktische consequenties die tolerantie van antivaxers tot gevolg heeft, maar tegelijkertijd probeer je als overheid juist zoveel mogelijk met vaccinsceptici in gesprek te blijven, hen niet op persconferenties te bespotten en hen niet te dwingen tot vaccinatie. Al is het maar om de pragmatische, instrumentele waarde van een dergelijke tolerantie. Als je de twee benaderingen tegen elkaar afzet (in het voorbeeld: geen of wel spreekrecht voor antivaxers) wordt duidelijk hoeveel dwang en geweld het beroep op universele mensenrechten – hoe lofwaardig ze op zichzelf ook zijn – met zich mee kan brengen.

Met Jan-Ewout Ruiter heb ik te maken in zijn kwaliteit van redacteur van een ISVW-bundel met praktijkwijzers voor praktische filosofie waaraan ik een bijdrage lever. Ruiter stoort zich aan de, hierboven al beschreven, suggestie die ik ook in mijn bijdrage aan de bundel naar voren breng, namelijk dat van denken een dwingende, imperialistische werking kan uitgaan. Dat staat haaks op zijn opvatting van denken als een gevoelige, onderzoekende activiteit die per definitie als alleen maar positief beoordeeld kan worden. Zoiets als ‘denkschaamte’, niet opgevat als schaamte voor slecht uitgevoerd denken, maar als schaamte voor het denken op zich – omdat het gewelddadig is – is voor Ruiter dan ook niet alleen bizar als combinatie van woorden, maar ook moreel dubieus. Het brengt immers de deugd die denken is in diskrediet. Terwijl denkschaamte voor mij, in het voetspoor van Levinas, een centraal begrip is. 

Filosoof Jan Keij reageerde onlangs op mijn recensie van zijn boek Tijd als kwetsbaarheid. In de recensie vertel ik dat ik blijf haken aan een centrale stelling van Keij door heel zijn boek heen, namelijk dat ieder mens de ervaring heeft van geraakt te zijn door het appèl van de ander. Deze stelling komt mij voor als te dwingend en generaliserend, zeg ik in de recensie. Dat is een gewaagde uitspraak van mij, want Levinas doet zelf soms soortgelijke generaliserende uitspraken en dat pepert Keij mij niet onterecht in. Toch belet dat mij niet om Levinas tegen Levinas in te zetten, door andere uitspraken van hem te noemen en te benadrukken dat Levinas’ ultieme opzet was om dwingende totaliserende tendenzen in het denken, en dus in uitspraken, tegen te gaan.

De vierde confrontatie, die met de filosoof Immanuel Kant, moet eigenlijk nog plaatsvinden. Of beter gezegd, die gaat van mij uit. Ik neem aanstoot aan een opvatting van Kant, andersom zou tijdtechnisch ook niet goed kunnen omdat hij leefde in de achttiende eeuw. Het gaat om Kants opvatting van de menselijke schoonheidservaring. In zijn artikel Waarom vinden we het ‘Erbarme Dich’ zo mooi? vertelt Jabik Veenbaas dat Kant de schoonheidservaring koppelt aan het menselijk oordeelsvermogen. “Wanneer we zeggen dat we iets mooi vinden, aldus Kant, vellen we een reflectief schoonheidsoordeel. We ervaren een welbehagen, maar dan een welbehagen dat de sfeer van de toevallige gevoelens en belangen overstijgt, doordat we het projecteren op alle andere mensen in de wereld. We vinden dat onze schoonheidservaring noodzakelijk voor iedereen moet gelden.”  

In de kantlijn heb ik hierbij gekrabbeld: Wat een geweld! Want juist de combinatie van de woorden ‘oordeel’ en ‘alle andere mensen’ is een levensgevaarlijke. Wat als iemand die specifieke schoonheidservaring niet heeft? Of weigert? Dan is de stap van oordeel naar veroordeling snel gezet. Zo iemand onttrekt zich immers aan wat voor alle mensen geldt. Zo iemand is kennelijk niet menselijk? Met het denkgereedschap van Kant ligt uitsluiting van mensen met andere ervaringen kennelijk om de hoek.

Zoals gezegd, de confrontatie met Kant gaat van mij uit. Maar die past in het rijtje van de andere beschreven confrontaties omdat, daar twijfel ik niet aan, nobele motieven Kant tot zijn denkwerk inspireerden, net zoals bij de andere genoemde denkers het geval is. Als Kant weet had gehad van de bezwaren zoals ik ze formuleer zou hij zich waarschijnlijk ook onterecht aangevallen voelen en de bezwaren verontwaardigd van de hand wijzen.

Maar, zoveel is wel duidelijk, ik kan er niet omheen. Ik ervaar de universaliserende uitspraken, of ze nu gaan over mensenrechten, de verhevenheid van het denken, het appèl van de ander of de menselijke schoonheidservaring, als geweld. Er wordt voor mij of voor een ander gedacht en gevoeld, en ik word gedwongen daarin mee te gaan. Met Levinas benoem ik mijn weerzin als allergie voor het radicaal doorgevoerde geloof in eigen ideeën dat het denken met zich mee kan brengen. En met Levinas ben ik van mening dat daarin een verklaring ligt voor de eeuwenlange nogal arrogante en hardvochtige omgang met afwijkende meningen in het Westen, tot in de kantiaans verlichte laatste twee eeuwen toe.

Zie ook Niet Niet universeel,wel hartverwarmendHoe totalitair is Jan Keij? en Utopisch universalisme is ook voor Joden te hoog gegrepen.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Confrontaties met sympathieke denkers en scrol naar beneden door.

donderdag 12 mei 2022

Sjieke nonchalance


Ooit getuigde het van een zekere chique: niet te veel tijd besteden aan de materiële omgeving waar je in zit. Niet aan het huishouden, want er zijn belangrijkere dingen in het leven: cultuur, zelfontplooiing, uitgaan. Lekker snel een pizza in de oven of uit eten, zo min mogelijk gedoe met koken, dat kon doorgaan voor een goede focus. Besteed geen aandacht aan hergebruik van een plastic zakje als een nieuw zakje zo klaarligt, ga niet omfietsen naar een uitgiftepunt voor pakketjes als het pakketje ook thuis afgeleverd kan worden. Niet zozeer omdat tijd geld is, maar omdat er met tijd betere, waardevollere, hoogstaandere dingen gedaan kunnen worden. 

Zo was ook, als je het kon betalen, de aanschaf van een tweede autootje prima te rechtvaardigen vanuit de gedachte dat je je beter met andere dingen kunt bezighouden dan een omslachtige ov-reis of te letten op je geld- of materieverbruik. Gewoon pragmatisch, met een ‘hoger’ doel voor ogen. Ik heb het hier dus niet over big spenders die opzichtig hun welstand etaleren, maar eerder over spiritueel geïnteresseerden die zich liever niet laten afleiden door allerlei materieel gedoe. Daar rekende ik mezelf ook wel toe, al hebben wij nooit een tweede auto gehad. 

En nog steeds houd ik me liever bezig met boeken lezen dan met het huishouden, maar de allure van slimheid die vastzat aan het vermijden van praktisch werk is er wel vanaf. Het is beslist niet per se goed om een beroep te doen op zoveel materiële ondersteuning omwille van je eigen ontplooiing. Vanwege de planeetverwoestende effecten van onze gemakseconomie, maar ook vanwege de verstikkende hiërarchie tussen zogenaamd hoogstaand en laagstaand werk.

Zie ook Het goede en het echte leven.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Sjieke nonchalance en scrol naar beneden door.

vrijdag 6 mei 2022

Angsthazen en lefgozers


Hoe vruchtbaar is het om angsthazen af te zetten tegenover lefgozers? Overleven tegenover leven? Met weinig begrip voor elkaars positie. 

Dat is onvruchtbaar, maar ik werd verleid tot die schematisering toen in één weekend twee NRC-columnisten zich op dit vlak nogal verschillend opstelden. Sarah Sluimer hemelde in Het gore lef om je leven aan iets anders dan centjes en leegte te wijden de beroepsgroep van kunstenaars op, omdat zij de waarachtig vrije mensen zouden zijn. Terwijl Ben Tiggelaar  in The Voice: angst en je stem verheffen, mede naar aanleiding van het schandaal bij The Voice, vertrok vanuit begrip voor de gemiddelde mens/medewerker die in zijn bezigheden voor een belangrijk deel door angst gestuurd wordt.

Sarah Sluimer beschrijft haar bezoek aan een kunstenaarscollectief dat bij elkaar komt voor de repetitie van een opera. Men probeert dingen met elkaar uit en gaat zijn eigen creatieve gang. “Iemand speelde ‘Erbarme Dich’ op een piano, een ander zong hoog en mooi, een synthesizer bromde er onheilspellend doorheen, twee mensen dansten, ze leken van de vloer los te komen. Een moment van verheffing…” Ze ziet “Een kalme waarachtigheid die ik al een poos nergens anders gezien heb”, maar stelt vast dat we degenen die het gore lef hebben om hun leven aan iets anders dan centjes en leegte te wijden verafschuwen.

Ben Tiggelaar beschrijft hoe mensen ertoe komen om zich, bijvoorbeeld in organisaties, te schikken naar conventies en grillen van boven hen gestelden omdat ze voor hun broodwinning van hen afhankelijk zijn. Zij leveren vrijheid in en voegen zich naar een angstcultuur. Bij Talpa werd die angstcultuur door een medewerker als volgt benoemd: “Als John de Mol de werkvloer op loopt, klikt het personeel met de hakken. Bang voor de grote baas”. En Tiggelaar snapt hoe dat werkt: angst is essentieel voor het overleven van het organisme mens. Vermijden van verlies is voor ons in de regel belangrijker dan afwijken, tegenspreken en andere risico’s nemen.

Is hier nu sprake van twee verschillende soorten mensen, en kun je daar een normatieve beoordeling op loslaten, in die zin dat de vrije mens à la Sluimer wat hoger staat dan de organisatiemedewerker? Zo zou ik de tegenstelling toch niet willen zien, en daarom ben ik blij met het begrip voor de organisatiemedewerker dat Tiggelaar toont in zijn beschrijving. Maar er valt aan beide kanten van de vergelijking wel wat toe te voegen waardoor de posities gelaagder worden en de tegenstelling aan scherpte kan verliezen.

Aan de kant van Sarah Sluimer denk ik dat de angst zoals Tiggelaar hem benoemt ook een plaats kan krijgen. Zouden kunstenaars geen angst kennen? Zeker, zij hebben het gore lef, maar ze zullen toch ook weleens over de centjes inzitten? 

Aan de kant van Ben Tiggelaar: zoals gezegd, ik ben blij met zijn begrip voor het verschijnsel angst. Maar moet doorbreking van de angst van anderen komen, in casu leidinggevenden? Daar lijkt het op, Tiggelaar bepleit dat je je als leidinggevende bescheiden opstelt, de nadruk legt op leren, vragen stelt, luistert en de inbreng van collega’s waardeert. Maar medewerkers kunnen zich toch ook zelf verenigen, of gezamenlijk hun stem verheffen? Dat hebben de vrouwen bij Talpa tenslotte ook gedaan. 

Zie ook Een gevalletje denkschaamte.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Angsthazen en lefgozers en scrol naar beneden door.