woensdag 8 februari 2012

Je peux (pas)


Het lichaam, zegt de Franse filosoof Maurice Merleau-Ponty, wéét dingen, en heeft kennis van de wereld om zich heen. Volgens hem is het lichaam altijd gericht op zijn omgeving, en ons lichaam is oorspronkelijk op de wereld betrokken, in die zin dat het met de wereld samenvalt. Wanneer je bijvoorbeeld piano speelt, valt je lichaam tijdelijk samen met het instrument. Mijn lijf weet van alles over de wereld waarvan ik me, als denkend wezen, niet bewust ben.

Merleau-Ponty noemt deze kennis van zintuigen en ledematen ‘het zwijgende denken’ en hij duidt het ook wel aan als het gevoel van ‘ik kan’ (‘je peux’). Met die laatste uitdrukking neemt hij een positie in tegenover René Descartes voor wie niet het lichaam maar de geest fundamenteel is, door Descartes samengevat in de formule ‘ik denk’ (‘cogito’). Merleau-Ponty stelt dat ónder de bewuste kennis van het ik-denk de meer oorspronkelijke laag van het ik-kan schuil gaat: een lichamelijke kennis van de wereld om je heen.

Waarom kan ik deze gedachte maar gedeeltelijk beamen? Niet omdat ik zoals Descartes aan het denken het primaat geef, want ik geloof wel in die lichamelijke situering in de wereld. Maar waarom zegt hij ik-kan? En waarom spreekt hij van samenvallen-met? In mijn beleving is mijn gesitueerdheid minstens zo vaak een geval van ik-kan-niet. En samenvallen-met is minstens zo vaak een kwestie van botsen-met.

Neem nu het schaatsen, over (samen)vallen gesproken. Het ik-kan was niet bepaald mijn eerste ervaring met de ijzers onder mijn voeten. En dat is het nog steeds niet wanneer ik na een tijd weer op het ijs sta, pas aanhoudende winters zoals we nu hebben stellen me in staat het ik-kan enigszins te beleven. Door goed af te zetten en m’n gewicht te gebruiken. Er komt kennelijk ook heel wat ik-denk bij kijken voordat er bij mij sprake is van ik-kan.

Mijn spontane bewegingen lijken soms wel precies de verkeerde te zijn. Of het nu gaat om schaatsen, schrijven, voetballen of een instrument bespelen, het ik-kan-niet is er zeker zo vaak als het ik-kan. Onwennig, houterig, een beetje zoals Levinas schrijft over het op gang komen van het menselijk handelen dat “als het ware over een onverharde weg gaat, heen en weer geschud door de ogenblikken die telkens weer een nieuw begin zijn – het werk gaat niet, het loopt niet, komt in discontinuïteit die, misschien, de ware aard ervan is”.

Wel constateer ik om me heen dat er mensen zijn voor wie – anders dan voor mij – het ik-kan inderdaad de meest  primaire en vanzelfsprekende beleving is. Die hebben een soort onmiddellijk contact met zichzelf, met het ijs, met de bal, met de viool. Zou Merleau-Ponty ook zo iemand geweest zijn?

Mijn bezwaar tegen het ontbreken van het ik-kan-niet tast het filosofische punt van Merleau-Ponty wat mij betreft niet aan, dat blijft volledig overeind staan. Met zijn afwijzing van een vrij zwevende geest ben ik het helemaal eens, evenals met zijn nadruk op de situering van onszelf in de wereld en op de wederzijdse betrokkenheid op elkaar van lichaam en geest. Maar vanuit die laatste positie kom ik net zo vaak uit bij het ik-kan-niet als bij het ik-kan. En bij het ik-kan-niet heb ik het ik-denk al gauw hard nodig.

Zie ook Goudmijn en Heidegger, Wittgenstein en het verkeer

7 opmerkingen:

  1. Leuk stukje Naud. Alleen die laatste zin, daar moest ik over nadenken, Naud. Zou MP niet propageren dat je van het ik-kan-niet direct probeert het ik-kan te bereiken, ipv via het ik-denk?
    En wat dat schaatsen betreft: neem les. Dat is een feest en binnen een paar weken schaats je zo weg!

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Tja, in het stukje zitten de lessen die ik gehad heb al verdisconteerd...

      Verwijderen
    2. Als dat zo is, is het de vraag of je met denken verder komt. Tussen ik-kan-niet en ik-kan zit meestal vooral ik-oefen. Voor mij geldt dat dat oefenen bij het schaatsen geleid heeft tot ik-kan-een-beetje. De weg naar meer loopt via meer oefenen, niet via meer denken.

      Verwijderen
    3. ik-kan-een-beetje, zo zou ik het voor mezelf ook omschrijven. En inderdaad door veel oefenen, maar wel degelijk in de zin van wat musici "deliberate practice" noemen.

      Verwijderen
    4. Heb trouwens wel mooi twee rondjes Westzaan geschaatst.

      Verwijderen
  2. Leuk stuk, maar mijn mening is dat de onderste laag de "ik doe" laag is. Ieder pasgeboren mens begint met doen, niet met kunnen en denken. En die doe/impuls-laag blijft ( zie freud) altijd het kunnen, maar zeker het denken beïnvloeden zo niet het sturen. Ik denk als een mens ergens mee samenvalt is het wel zijn impuls tot doen of bij anderen zijn gebrek aan impuls tot doen. En als dat gebrek aan impuls per definitie zou samenvallen met wel kunnen of wel denken, kon je het gebrek aan doe-impuls zien als een hogere vorm, maar dat blijkt in de praktijk helemaal niet het geval. Wie geen doe- impuls heeft komt vaak ook niet tot kunnen of denken.
    Rosa van der Wieken- de Leeuw

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Dag Naud,

    Deze Heer van Stand kende ik nog niet, maar ik zal er eens preciezer naar kijken. Voorlopig vermoed ik dat de filosoof een liefhebber van aantrekkelijke vrouwen was. Een mix van lichamelijkheid en filosofie is een geducht recept om het vrouwvolk je bed in te krijgen. Een soort pratende Klashorst dus.
    Hoe dan ook, het verheugt me dat er meer mensen zijn of waren die het kale Ik Ben Mijn Brein niet klakkeloos aanhangen. Overigens lijkt me dat ook het denken in voortdurenbde wisselwerking staat met de omgeving. Elke ideologie of cultuurfilosofie hangt samen met wat in de maatschappij speelt en de behoeften die eruit voortvloeien. Alleen in de "werkelijkheid" passende theorieen hebben een kans de prullenmand of het gekkenhuis te overleven. Zo wordt vandaag de dag zowat alles afgerekend op nut en toepasbaarheid.

    Monk

    BeantwoordenVerwijderen