vrijdag 8 oktober 2021

Levinas en gender


Door corona teruggedrongen in de binnenkamer kwam ik de afgelopen anderhalf jaar tot een onderzoekje naar parallellen tussen de dynamiek van de genderbeweging en het denken van Emmanuel Levinas. De aanleiding was een gelijksoortige irritatie die ik voelde bij die twee ideeënstromen en die te maken heeft met wat ik op sommige momenten beleef als vervaging van concepten en willekeurige taalvernieuwing. ‘Hoe vaag kun je zijn?’ roep ik op die momenten inwendig uit.

De eerste stroom, die van de genderdiscussie, is natuurlijk al veel langer aan de gang maar voor mij kennelijk pas recent onontkoombaar actueel geworden. De andere stroom is die van het boek Un-common Sociality. Thinking sociality with Levinas van de Zweedse filosoof Ramona Rat, waar ik door de relatieve rust van de corona lockdown grondig kennis van kon nemen.

De eerste stroom zit dicht op de huid van concrete personen en groepen en daarvan pik ik de ideeën op uit een bijna dagelijkse vloed van artikelen in kranten en tijdschriften, en soms uit boeken. De tweede stroom, bijna volledig ontleend aan het boek van Rat, is theoretischer en beweegt zich door een intellectuele ruimte van noties en concepten.

Opmerkelijk genoeg bleken in mijn hoofd de twee stromen elkaar te kruisen en een verbinding aan te gaan. Ik kreeg de indruk dat veel van wat Levinas volgens Ramona Rat teweegbrengt in zijn denken over socialiteit lijkt op de dynamiek die de genderbeweging genereert.

Tot die dynamiek behoren verschijnselen zoals vervaging van concepten en creatie van nieuwe taal. Vervaging van concepten treedt in de genderbeweging onder andere op door een minder scherpe afbakening van het onderscheid tussen man en vrouw dan traditioneel gangbaar is. Aansluitend leeft het verlangen naar nieuwe taal zich daar uit in nieuwe woorden voor man en vrouw, bijvoorbeeld ‘mevreer’ en ‘menouw’.

Bij Levinas toont zich de conceptvervaging doordat hij, als het gaat om de mens, de termen ‘binnen’ en ‘buiten’ (bedoeld als: de binnenwereld en de buitenwereld van de mens) meer in elkaar laat overvloeien dan gebruikelijk is, evenals de aanduidingen ‘passief’ en ‘actief’. 

Nogmaals: hoe vaag kun je zijn? Hier gaan echt dingen schuiven. Als er – voor het gevoel van de meeste mensen – iets is wat sinds het oerbegin van de mensheid vastlag was dat het verschil tussen man en vrouw, onder toekenning van specifieke en niet alleen biologische kenmerken voor elk van de twee categorieën. En anders wel het verschil tussen binnen en buiten, van elkaar gescheiden door de grenslijn daartussen.

Wat daar zo irritant aan is: je hele wereldbeeld gaat schuiven. Aan de vaste ordening in taal en woorden ontlenen we veel van onze oriëntatie in de wereld. Noem het ontologische zekerheid, omdat de ontologie de leer is van de ordening van al wat is in categorieën en patronen. Als die zekerheid je ontglipt kunnen verwarring en boosheid toeslaan. 

Als het gaat om de genderbeweging kun je van die ergernis in de media op dagelijkse basis uitingen tegenkomen. Een greep daaruit: “Zo wordt ‘vrouw’ ineens uit het woordenboek geschrapt!”, “De Franse taal gaat ten onder als het bestaan van genderneutrale voornaamwoorden wordt erkend”, “Kunnen we dan niet beter het verschijnsel taal opheffen?” 

Bij mij zal de irritatie ongetwijfeld uit eenzelfde soort verwarring voortkomen. Waarom hecht ik desondanks toch veel waarde aan de genderbeweging en het denken van Levinas? Dat heeft ermee te maken dat zowel de genderbeweging als Levinas een motief hebben voor hun knagen aan de ontologische zekerheid. 

In beide gevallen is het motief dat de keurige ontologische ordening van onze wereld in categorieën – je kunt het ook hokjes noemen, en ontologie hokjesdenken – beklemming en onvrijheid kunnen opleveren. Dan zijn de kosten te hoog.

De genderbeweging wijst op de beklemming die uitgaat van traditionele enge omschrijvingen van identiteiten als man en vrouw. Het loslaten daarvan kan een ware bevrijding vormen zoals bij de transvrouw Jan Morris waarover in Trouw gerapporteerd werd: “De opluchting die Jan voelde was immens. Ook in haar oude vertrouwde wereldje kon ze haar oude-nieuwe zelf zijn: in één en dezelfde wereld was alles veranderd en tegelijkertijd ook precies hetzelfde gebleven.”

Voor Levinas bestaan de kosten van hokjesdenken uit de totaliserende werking die ervan uitgaat wanneer de hele wereld in één groot systeem wordt ondergebracht. Oprechte communicatie tussen mensen is dan de verliezer want, zegt Levinas, voor werkelijke communicatie is ontsnapping noodzakelijk uit een alomvattend systeem.

Zó vaag mag je zijn, dus.

Zie ook Moeilijker dan postmodern

Wil je commentaar geven of zien: klik op Levinas en gender en scrol naar beneden door.

woensdag 15 september 2021

Smartphonewappie


Eigenlijk kun je mij wel een wappie noemen, maar dan een smartphonewappie. Want ik wil geen smartphone, en daar maak ik best een punt van. Een smartphone biedt veel moois, maar ik heb het meeste niet nodig. Wat ik nodig heb vind ik op mijn gewone mobiele telefoon en het meerdere leidt alleen maar af en vreet energie die ik daar niet aan wil besteden. 

Een coronawappie ben ik beslist niet, de officieel voorgeschreven maatregelen heb ik tot nu toe braaf en vrij onbewogen gevolgd. Soms waren ze inconsistent of halfslachtig, maar dat kon ik wel begrijpen gezien de onbekendheid van de overheid met dit virus dat plotseling kwam opduiken. Soms vond ik de maatregelen ronduit vervelend, zoals de verplichting een mondkapje te dragen in de winkel en, nog steeds, in het ov. Ik krijg het gauw benauwd achter die lap, en mijn bril beslaat. Maar ik deed en doe het gewoon.

Tegen vaccinatie heb ik nooit bezwaar gehad, dus ik heb op tijd mijn prikken gehaald en stel tevreden vast dat ze tot nu toe hun werk doen.

Als ik toch iets gemeen heb met de vaccinwappies zal het een soort van trots zijn over verzet tegen maatschappelijke trends waar je je zo maar aan te onderwerpen hebt. Bij de vaccinweigeraars betreft dat de gedwongen inbreuk op je lichamelijke integriteit, bij mijn smartphoneweigering de opdringerigheid waarmee ik in de rol van steeds meer eisende consument gedwongen word. Noem het culturele ongehoorzaamheid: als de dominante cultuur zegt: je kunt het krijgen dus zul je het nemen ook, dan weiger ik dat lekker. 

Het kan zijn dat ik het, net als de vaccinwappies, nog moeilijk krijg. In plaats van een druk op de knop die de QR-code genereert, zit ik te hannesen met papieren kopieën die ook nog verslijten en snel onleesbaar worden voor de scanners, zodat ik steeds een nieuwe moet printen. En misschien is dit nog maar het begin, en volgen er veel meer toegangscodes op de telefoon, die mij gaan dwingen tot een complete QR-code papierwinkel.

Ik weet niet hoelang ik dat volhoud. Ik sta niet in voor de heldhaftigheid van mijn culturele verzet als blijkt dat het veel gedoe gaat opleveren. Maar vooralsnog houd ik stand!

Zie ook Levinas en scepsis

vrijdag 10 september 2021

Hoge Feestdagen 5782/2021


De Hoge Feestdagen zoals gebruikelijk in sjoel: een gedruis van vriendelijk rumoer, mensen die in- en uitlopen, elkaar begroeten, sjmoezen. Gecombineerd met een continue stroom van gebeden en gezangen, af en toe onderbroken door momenten van intense stilte en concentratie.

Maar dit jaar is het anders. In verband met corona functioneert de ‘Jodenkerk’ als iedere andere kerk. De bedoeling is dat we op tijd binnen zijn, en dat er niet rondgelopen wordt. We mogen geen handen schudden, niet meezingen en niet napraten in sjoel. En hoe dan ook, er zijn minder mensen, al ziet de sjoel er best goed gevuld uit.

Wat overblijft zijn vooral de plechtige momenten, gezangen en gebeden. Je kunt zeggen: dat is toch waar je voor komt. Nou, dat is dus maar gedeeltelijk waar. Ik hoop daarom van harte dat het niet té onbeweeglijk en plechtstatig wordt.

Een goed en zoet Joods nieuwjaar gewenst!

Zie ook Kol Nidrei en andere illusies

vrijdag 27 augustus 2021

Paulus en het vlees


Laatst las ik over een merkwaardige oplossing voor een merkwaardig probleem. Het speelt bij de levensbeschouwelijke buren, de Christenen, dus het gaat me niet direct aan, maar ik vind de gevolgde redeneringen zo curieus dat ik het er even over wil hebben en mijn positie wil bepalen.

De kwestie start met een probleem voor de vertalers van de Nieuwe Bijbelvertaling. Nu zij aangekomen zijn bij de brieven van de apostel Paulus blijven zij haken aan de traditionele vertaling van het Griekse woordje sarx als ‘vlees’ of ‘lichaam’. In Trouw omschrijft Nico de Fijter het probleem als volgt: “In de brieven van Paulus heeft het woord meestal een negatieve betekenis: sarx is fout, zondig. Paulus zet daar dan de Geest tegenover, die van God komt”. Daar zou je uit kunnen afleiden dat Paulus het menselijk lichaam afkeurt, en ook niet veel van seks moet hebben, aldus De Fijter.

Nog niet zolang geleden was die opvatting over lichamelijkheid en seks in allerlei maatschappelijke kringen gemeengoed. Maar al geruime tijd wint de waardering voor lichamelijke geneugten het van de afwijzing daarvan, en dus ook voor de vrije beleving van seksualiteit. Die laten we ons na de seksuele revolutie niet meer afpakken.

Curieus genoeg is nu de veronderstelling van de vertalers dat, omdat wij tegenwoordig waarderend spreken over lichaam en seks, Paulus daar niet negatief over geweest kan zijn. Als sarx dan toch een negatieve klank heeft voor Paulus, dan moet het wel iets anders betekenen. De vertalers komen voor dat andere uit op ‘aards’: het aardse is tegengesteld aan het hemelse. Het aardse mag je kennelijk blijven zien als negatief. 

Het blijft een beetje vaag wat je dan onder aards moet verstaan. Seks en andere lichamelijke geneugten dus niet want die zijn tegenwoordig hemels, maar verder moet daar toch nog veel van het overige onder vallen dat traditioneel als aards betiteld werd: lichamelijke behoeftigheid, misschien ook wel hedonisme, in ieder geval ziekte en imperfectie.

Ik denk dat dat laatste woord ‘imperfectie’ het beste aanduidt wat de Bijbelvertalers op het oog hebben met ‘aards’. Daar zou Paulus op gedoeld hebben: hij houdt niet van aardsheid want dat is imperfect. Seksualiteit en ander plezier hoeft daar niet meer toe gerekend te worden, dus dat probleem is opgelost. Tegelijkertijd is het dualisme van Paulus – dat wil zeggen een scherpe tweedeling tussen het negatieve aardse en het positieve hemelse – met de voorgestelde oplossing gered. 

De onttrekking van lichamelijke geneugten aan het begrip aards die daarvoor nodig is impliceert wel een verschuiving van de traditionele invulling van dat woord; het is een kunstgreep. Dat ik het hele proces merkwaardig noem heeft daarmee te maken. Ik snap niet waarom je de paulinische tegenstelling perfect versus imperfect in stand zou willen houden. Waarom zou je dat platoonse dualisme per se willen redden, met behulp van een toch tamelijk geforceerde kunstgreep? 

De Joodse traditie waar ik me toe beken spreekt zich regelmatig uit tegen een dergelijk dualisme en kiest voluit voor het aardse bestaan, met zijn geneugten én zijn imperfecties. Zie bijvoorbeeld Deuteronomium 30: “Niet in de hemel is het, dat je zeggen zou: Wie stijgt voor ons ten hemel om het voor ons te halen, en het ons te doen horen, zodat we het doen?”. Dat voelt een stuk relaxter. 

Zie ook Verdwijntruc

Wil je commentaar geven of zien: klik op Paulus en het vlees en scrol naar beneden door.

vrijdag 20 augustus 2021

Even slikken


Een grote groep Nederlanders vraagt zich steeds vaker af: hoe zijn we in godsnaam in deze politieke situatie terecht gekomen van afbrokkelende werkzekerheid, haperende jeugdzorg, onbetaalbare huren en afkalvend onderwijs? En waar gaat dit eindigen?

Voor het antwoord tasten we dan wat in het duister: het was de neoliberale op de markt gerichte tijdgeest van de jaren tachtig, de Angelsaksische invloed van Margareth Thatcher en Milton Friedman die eigenlijk on-Nederlands was, maar waar we mede door de kwakkelende economie van de jaren zeventig maar aan toegaven. 

Nu denk ik inderdaad dat er tijdens de jaren tachtig grote en deels terechte politieke zorgen bestonden over een onhoudbaar doorschietende verzorgingsstaat. “Nederland is ziek”, zei premier Lubbers naar aanleiding van het uitdijend aantal mensen in de WAO, en PvdA-leider Kok bleek het daarmee eens te zijn. Al eerder waren de sociale partners het eens geworden over loonmatiging en de noodzaak van bezuinigen, en daarover werden afspraken gemaakt in het Akkoord van Wassenaar.

Zo bezien lijkt de politieke koers van de Nederlandse regeringen in de jaren tachtig en negentig vooral pragmatisch van aard geweest te zijn. De verzorgingsstaat stond niet ter discussie, maar was hier en daar uit zijn voegen gegroeid en de politieke ingrepen waren niet meer dan correcties op die scheefgroei. Daar kwam geen ideologie aan te pas en daarom verliep de heroriëntatie in goede harmonie, volgens de beste tradities van het Nederlandse poldermodel. 

Maar klopt dat beeld wel? Ging het echt om alleen maar technische, ideologisch neutrale ingrepen? Hoe kan het dan dat we op dit moment in een regelrechte neoliberale dystopie terecht lijken te komen?

In een interessant NRC interview maakt de politiek socioloog Merijn Oudenampsen duidelijk dat er begin jaren tachtig meer aan de hand was: er werden wel degelijk scherpe ideologische keuzes gemaakt, precies in neoliberale richting. 

Toen Lubbers de verkiezingen won in 1982, vertelt Oudenampsen, lagen er twee rapporten klaar die elk een eigen antwoord formuleerde op de actuele sociaal-economische problematiek. Het eerste rapport, opgesteld onder leiding van de econoom Schouten, bepleitte een keynesiaanse koers. Waar nodig moest de verzorgingsstaat aangepakt worden, maar over het algemeen moest er meer in geïnvesteerd worden. Het tweede rapport was afkomstig van een commissie onder leiding van oud-Shell-topman Gerrit Wagner. Dat rapport stelde loonmatiging, deregulering en hervorming van de sociale zekerheid voor.

Als aantredend premier maakte Lubbers de keuze voor het tweede rapport, hij nam de neoliberale voorstellen van de commissie Wagner integraal over.

Om de desillusie compleet te maken laat Oudenampsen zien dat dat niet eens zo verrassend is: het paste in een Christendemocratische stroming die eigenlijk al vanaf de Tweede Wereld Oorlog neoliberaal geöriënteerd was – met een kort keynesiaans intermezzo van 1965 tot 1975 – en niet veel had met de verzorgingsstaat en een sterke overheid. Bij de eerste tekenen van economische crisis zag je dan ook, aldus Oudenampsen, Christendemocratische ambtenaren en politici als Frans Rutten, Jelle Zijlstra en Nout Wellink zich daarvan afwenden en opschuiven naar de ideologie van de vrije markt.

Ik spreek over desillusie, omdat het mensbeeld achter het neoliberalisme nogal plat is: mensen handelen in die visie vooral vanuit welbegrepen eigenbelang. Dat verwacht je niet direct van Christendemocraten. Waarschijnlijk werd om die reden, toen Lubbers Wagners plan ook daadwerkelijk ging uitvoeren, “het typisch liberale vrijemarktverhaal overgoten met een christelijk sausje van zorgzaamheid en verantwoordelijkheidszin”, aldus Oudenampsen.

De overgang naar neoliberaal beleid verliep dus helemaal niet zo terloops en ideologisch neutraal als we vaak denken. Er is een moment van expliciete keuze geweest. Oudenampsen stelt het scherp wanneer hij zegt dat, als we op dat moment hadden gekozen voor het rapport Schouten, we nu een meer Scandinavisch model zouden hebben in plaats van de huidige liberale verzorgingsstaat. 

Dat is even slikken.

Zie ook Crisis van het geld of van het denken? en Gevaarlijk optimistisch

Wil je commentaar geven of zien: klik op Even slikken en scrol naar beneden door.

dinsdag 10 augustus 2021

Klimaat en leiderschap


Een paar citaten van de voorpagina van mijn krant vanmorgen:

“Rutte voelt weinig voor maatregelen die GroenLinks en PvdA aandragen, zoals een strenge CO2-heffing of inkrimping van de veestapel.”

Het tegengaan van klimaatverandering “kost veel geld, en het vraagt veel van burgers en bedrijven, onherroepelijk met protest en verzet tot gevolg. Dat aspect laat Rutte liever onbenoemd.”

Rutte wees op de kansen die de energietransitie biedt voor de economie. “Nederland kan vooroplopen, want we zijn ook zevende geworden wat het aantal medailles betreft bij de Olympische Spelen. Ik ben ervan overtuigd dat Nederland bij de Olympische Spelen van het Klimaat ook nummer één kan zijn.”

De citaten brengen mij op het thema  ‘leiderschap’. Met tegenzin, want dat vind ik een problematisch concept. Ik heb nooit zoveel met de gebruikelijke verhandelingen over ‘Leiderschap en organisatie’ of ‘Eigenschappen van een echte leider’. Ik weet niet of er zoiets bestaat als ‘de essentie van leiderschap’. Voor mijn gevoel is leiderschap altijd gebonden aan een situatie en toont de één het meer in de ene en de andere meer in de andere situatie. 

Wat ik wel weet is dat Rutte geen leiderschap toont op het cruciale vlak van klimaatverandering. Op dat vlak vraagt leiderschap om het uitdragen van de ernst van de situatie en dat doet hij niet of mondjesmaat, uit angst voor weerstand. Dan wordt het moeilijk om de mensen te vragen om hun bijdrage te leveren, hij denkt dat hij ze moet motiveren als kleine kinderen door er een Olympisch spelletje van te maken. Rutte neemt zo in feite behalve de situatie ook de mensen niet serieus. Dat is een ernstige onderschatting van hun zorgen en hun vermogen tot verandering, en dat betitel ik als falend leiderschap.

De urgentie die ik zoek tref ik eerder aan bij D66 en GroenLinks. En bij de Christen Unie die spreekt van een levensbedreigende situatie, en waarvan partijleider Segers zegt: “Als mensen veroorzaken we opwarming, maar we kunnen ook onze troep weer opruimen”. Hier wordt weinig gelikt naar de kiezers-consumenten en ik denk dat, op dit moment in onze situatie, leiderschap zo’n houding vereist.

Ik weet ook wel dat Segers geen partij is voor Rutte qua kamerzetels. Maar als Rutte niet met GroenLinks en/of de PvdA wil praten (“heel veel klimaat”) kan hij Segers nog nodig hebben. Niet alleen voor een kabinet, maar ook voor leiderschap.

Zie ook Gevaarlijk optimistisch en Leiderschap en energie.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Klimaat en leiderschap en scrol naar beneden door.

vrijdag 6 augustus 2021

Eindstrijd


Het is een aardige man, rabbijn Raphael Evers, dus over zijn persoon wil ik het niet hebben. Maar wel over zijn wereldbeeld, want dat vind ik op onderdelen nogal bizar. Het komt aan de orde in een recent interview met Evers in het Nieuw Israëlitisch Weekblad naar aanleiding van zijn aanstaande verhuizing naar Israël. 

De rabbijn vertelt daarin dat hij zich zorgen maakt over het toenemende antisemitisme in Europa, dat zich onder andere via social media voortdurend opdringt. “Er wordt veel gedaan aan antisemitismebestrijding, maar het haalt niets uit.” Bij die uitspraak kan ik me iets voorstellen, net als bij de dreiging vanuit Iran voor Israël waar Evers over spreekt. Maar de conclusie die hij daaraan verbindt is wel erg totaal: “Het lijkt wel alsof de hele samenleving aan het instorten is.”

En dat kan hij verklaren op basis van de Joodse geschriften, wanneer die spreken over Abrahams zoon Jismaël, de stamvader van de Moslims. Evers ziet het al beschreven in Genesis 16. God zegt daar dat Jismaël een wildeman onder de volkeren zal zijn. Evers: “Tot nu was de wereld ingedeeld in twee verschillende rijken: het westen was christelijk, het oosten islamitisch. Die twee waren gescheiden, maar in onze generatie zien we dat Jismaël overal is. Lees je de heilige teksten erop na, dan volgt er een eindstrijd waarin westerse en oosterse volken tegen elkaar strijden. In de Joodse staat zal het zwaartepunt liggen. Ik wil daar dan toch bij zijn. Er staat geschreven dat die eindstrijd maar heel kort zal duren, een paar minuten.”

Hoe wereldvreemd wil je het hebben? ‘De wereld’ opgebouwd te zien uit de componenten Christendom en Islam met het Jodendom daartussen laat zonder blikken of blozen hele continenten van beschaving buiten beschouwing, waaronder miljarden Chinezen, Indiërs en Afrikanen. 

Hoe narcistisch wil je het hebben? Jouw eigen volk met Jeruzalem als centrum tot middelpunt te maken van zowel de mondiale geografie (het zwaartepunt tussen Oost en West) als van de wereldgeschiedenis. 

De wereldvreemdheid en het narcisme van deze opvattingen stuiten me tegen de borst. Vanwege het megalomane en potentieel gewelddadige karakter van zulke fantasieën, maar ook vanwege het totale gebrek aan wetenschappelijkheid ervan. 

Ik weet niet in hoeverre deze opvattingen de pretentie hebben wetenschappelijk te zijn. Evers wijst graag op zijn academische titels ‘meester’ (in de rechten) en ‘doctorandus’ (in de psychologie) maar ik ben bang dat de wetenschappelijkheid in zijn benadering van de geschiedenis ver te zoeken is. Terwijl de ultieme test voor wetenschappelijkheid van veel uitspraken misschien wel ligt in de manier waarop historische feiten en ontwikkelingen erin worden weergegeven. Zorgvuldige benadering van het verleden, en dat het liefst wereldbreed, biedt de mogelijkheid om narcistische en wereldvreemde bias te vermijden.

Ik denk trouwens wel dat de Sjoa van wereldhistorische betekenis is, in de zin dat het een absoluut moreel dieptepunt van menselijk handelen vertegenwoordigt. Maar om vervolgens de hele wereldgeschiedenis om Israël heen te draperen? Dat grenst aan grootheidswaanzin, en vooral: het doet geen recht aan de rest van de wereld. 

Los daarvan: de kans op een klimaatapocalyps lijkt op dit moment groter te zijn dan die op de klassiek-bijbelse apocalyps.

Zie ook God en Psyche

Wil je commentaar geven of zien: klik op Eindstrijd en scrol naar beneden door.

dinsdag 27 juli 2021

Reppen


Ongerepte natuur is mooi. In Nederland hebben we dat niet meer, dus ik denk daarbij al gauw aan beelden van steppes in Tanzania of bossen in Finland.

Maar mooier nog dan ongerept natuurlandschap vind ik ongerept cultuurlandschap. Daarmee bedoel ik een landschap dat door de mens, meestal voor de landbouw, in cultuur gebracht is, maar op een manier die nog nauw aansluit bij het oorspronkelijke natuurlandschap. Denk aan de rijstvelden in Indonesië of aan de wijngaarden van Toscane. 

Onlangs was ik op Texel en zag ik glimpen van de Nederlandse variant daarvan langs de Texelse oostkust: afwisselende lapjes grond van diverse kleuren, omzoomd door heggen en bosschages, met traditionele boerderijen en schuren daartussen verspreid. Prachtig!

Ongerept cultuurlandschap is natuurlijk gewoon gerepte natuur, maar ik noem het toch ongerept omdat het nog een eigen oorspronkelijkheid heeft. Het is nog niet beschadigd door ruilverkaveling en grote stalen schuren. Die reppen pas echt omdat ze het landschap saai en lelijk maken.

Of zou men dat duizend jaar geleden, toen men daar begon met landbouw bedrijven en schuren bouwen, ook beleefd hebben als verlelijking – repping – van het landschap? En is men zich pas in de loop van de tijd gaan hechten aan het cultuurlandschap? Dat zou betekenen dat wij op onze beurt ons nog kunnen gaan hechten aan de stalen dozen en onmetelijke percelen raaigras in ons land.

Maar ik denk niet dat dat kan.

Zie ook Bakstenen en Windmolens

Wil je commentaar geven of zien: klik op Reppen en scrol naar beneden door.

maandag 19 juli 2021

Branson, Bezos, Musk en innerlijke motivatie


Je hoort het de laatste tijd wel vaker: organisatiemedewerkers, waaronder leidinggevenden, verlangen van hun werk dat het voor hen persoonlijk van betekenis is. Daar moet de motivatie vandaan komen. Dit in contrast tot andere motiverende aspecten van werk die tot nu toe minstens zo krachtig waren maar aan betekenis zouden verliezen, zoals sociaal  aanzien, maatschappelijke status en gehoorzaamheid aan de autoriteit van anderen. Vandaar de vele verhalen over mensen die met succes een prestigieuze positie hebben verworven maar nu besluiten om hun hart te volgen en iets anders te gaan doen.

Overigens gaat zo’n werkswitch in veel gevallen niet gepaard met een verlies aan inkomsten. Kennelijk is de arbeidsmarkt voor werknemers zo gunstig dat je je innerlijke drijfveren kunt volgen zonder daar materieel veel voor in te leveren.

Over het belang van persoonlijke motivatie kwam in Trouw laatst een interessant interview voorbij met Wiebe Draijer, de bestuursvoorzitter van de Rabobank. “Blijf dichtbij wat je echt drijft, dan ben je tot veel meer in staat dan je denkt én kom je pas echt tot je recht”, zegt Draijer. Hij noemt dat “je diepere motivatie”, die kan zorgen voor inspiratie en houvast. Daar krijgt je overtuiging vorm, begint authenticiteit en transparantie in de communicatie. 

Voor Draijer zelf bestaat de innerlijke drijfveer eruit dat hij maatschappelijk wat wil betekenen. Hij ziet met lede ogen “de grotere afstand tussen arm en rijk, een bepaalde richtingloosheid, gebrek aan moreel leiderschap en de instabiliteit die daar het gevolg van is” en dat motiveert hem tot het volhouden van zijn intensieve leefstijl als CEO, iedere dag opnieuw. 

Draijer meent dat bij een groeiende groep CEOs aandacht is voor diepere motivatie en authenticiteit. Hij denkt te zien “dat er een leiderschapstransitie gaande is waarbij we de persoonlijke motivatie veel meer een eerlijke plek geven. Organisaties en uiteindelijk de wereld gaan er denk ik beter van worden als mensen sneller uitsorteren naar de plek waar ze met hun diepere motivatie het beste tot hun recht kunnen komen. Daar wordt iedereen gelukkiger van”.

Draijer heeft zonder meer een punt als hij zegt dat innerlijke motivatie voor je werk het meest gezonde uitgangspunt is. Dan kom je inderdaad het beste tot je recht, ben je verzekerd van energie en het beste beschermd tegen burn-out. Ik snap alleen niet waarom Draijer denkt dat de wereld er beter van wordt als iedereen zijn eigen drijfveren meer volgt. Want de termen ‘innerlijke motivatie’ of ‘diepste motivatie’ zeggen nog helemaal niets over de aard van die motivatie. 

In het geval van Draijer zit dat wel goed, hij wil graag zijn bijdrage leveren aan grotere gelijkheid en rechtvaardigheid in de samenleving. Dat kun je gerust nobele motieven noemen. Maar zijn verhaal suggereert dat diepere innerlijke motivatie per definitie, als tegengesteld aan uitwendige motivatie, altijd nobel van aard is. Dieper is nobeler.

Ik betwijfel of dat zo is. Bij sommige mensen, bijvoorbeeld Drayer, beslist wel. Maar waarom zouden er deep down van binnen bij andere mensen niet heel andere motieven klaarliggen? Veel geld verdienen bijvoorbeeld, dat is voor een handelsman best een intrinsieke drijfveer te noemen, en het kan zijn dat hoe meer hij naar binnen kijkt, des te meer blijkt dat dat zijn motivatie vormt. Daar gaat hij voor!  

En als Richard Branson, Jeff Bezos en Elon Musk in hun nadagen ‘dieper in hun innerlijk’ duiken willen ze ineens op de meest klimaatdestructieve en geldverspillende manier de ruimte in. Marc Zuckerberg wil naarmate hij ouder wordt alleen maar nog groter groeien. Waarschijnlijk hebben die mannen diep van binnen een grote leegte aangetroffen en drijft bestrijding van de verveling hen tot grote daden.

Motivatie kan dus heel goed van binnenuit komen, maar niet per se die maatschappijbetrokken trekken vertonen als van Draijers motivatie. De termen van persoonlijke diepte en innerlijkheid volstaan daarom niet om uit te komen bij een betere wereld. Daarvoor is eerder het permanente gesprek met anderen nodig over de vraag ‘Wat willen wij voor samenleving zijn?’. Niet zozeer in persoonlijke diepte, alswel in maatschappelijke breedte.

Wat blijft staan van Draijers verhaal: zo’n eigen innerlijke drijfveer waarbij je gedreven wordt door je eigen betekenisgeving en motivatie maakt je krachtig. Je zult niet zo gauw omvallen.

Zie ook Leiderschap en energie en Adrenaline

Wil je commentaar geven of zien: klik op Branson, Bezos, Musk en innerlijke motivatie en scrol naar beneden door.

vrijdag 9 juli 2021

Zijn Joden wit?


Horen Nederlandse Joden historisch gezien nu bij de onderdrukkers of bij de onderdrukten? De vraag komt voort uit een te simplistisch denkkader, maar naar aanleiding van de groeiende belangstelling voor het slavernijverleden van Nederland wordt hij toch regelmatig gesteld.

Het antwoord kan nooit eenduidig zijn. Het is overduidelijk dat Joden in de Nederlandse geschiedenis te maken hebben gehad met juridische achterstelling (tot 1800), met maatschappelijke discriminatie (negentiende en twintigste eeuw) en uitroeiingsmaatregelen. Dus dat ze hun portie onderdrukking wel gehad hebben.

Maar historisch onderzoek naar de slavernij maakt ook duidelijk dat van de zeventiende tot de negentiende eeuw Joden een flink aandeel hadden in de Surinaamse en Antilliaanse plantages en daar slaven hielden. Ze hebben daar opgetreden als onderdrukkers.

Om die laatste reden worden Joden in de huidige racismediscussie, die zich versmalt tot de vraag of je wit/onderdrukker bent of zwart/onderdrukt, regelmatig in het witte kamp ondergebracht. De tentoonstelling ‘Zijn Joden wit?’ in het Joods Cultureel Kwartier probeert in die zwart/wit-discussie wat tussenschakeringen aan te brengen. Niet door feiten over het slavernijverleden te verdoezelen of te ontkennen dat Joden soms inderdaad geprivilegieerde posities van macht konden bekleden. Maar door te laten zien dat het voor Joden als de eeuwige ander ook zo maar, ineens, onvoorspelbaar afgelopen kon zijn met iedere macht of positie. En dat vanuit die ervaring, gevoegd bij de eeuwenlang liturgisch herdachte bevrijding van de Joden uit de Egyptische slavernij, Joodse groeperingen een bijna vanzelfsprekende solidariteit hebben gevoeld met emancipatiebewegingen van anderen, zoals de Amerikaanse Burgerrechtenbeweging in de jaren zestig van de vorige eeuw en de Black Lives Matter beweging nu.

Wat mij opvalt, naar aanleiding van een artikel van historicus Karwan Fatah-Black, is dat op een gevoelig punt de Nederlandse Joden en de Nederlandse nazaten van tot slaaf gemaakten een onmiskenbare gelijkenis vertonen. Waar mainstream Nederland, zoals vertegenwoordigd door opiniemakers, politici en kunstenaars, het wel een beetje heeft gehad met de ‘enge focus’ in het herdenken van historische rampen van het slavernijverleden en de Jodenvervolging en de aandacht wil uitbreiden naar ‘moderne slavernij’ of ‘universeel onrecht’, maakt zowel de Joodse als de zwarte gemeenschap daar ernstig bezwaar tegen. En zij gebruiken dezelfde woorden om hun bezwaren te formuleren: de verbreding betekent ‘verwatering’ en leidt af van waar het de herdenkers om gaat: de ramp die hun voorouders trof. Die is te groot om te vermengen met andere rampen, hoe gerechtvaardigd de aandacht daarvoor ook is.

‘Haal er niet van alles bij’ als je gaat herdenken. Dat is kennelijk wat onderdrukking – van welke aard ook – als impact achterlaat bij de onderdrukten. Je kunt het er gewoon niet bij hebben.

Zie ook 4 Mei 2012, Humane slavenhouders en Utopisch universalisme is ook voor Joden te hoog gegrepen

Wil je commentaar geven of zien: klik op Zijn Joden wit? en scrol naar beneden door.

donderdag 1 juli 2021

De mensenrechten revisited


In allerlei blogberichten heb ik me weleens sceptisch getoond over de manier waarop universele mensenrechten functioneren in onze samenleving.

Ik vond bijvoorbeeld de kritische analyse van Hannah Arendt over het recht op asiel wel realistisch. Dat mensenrecht is sinds de jaren vijftig uitgewerkt in diverse vluchtelingenverdragen, maar Arendt dacht dat formulering en toekenning ervan weinig bescherming zouden kunnen bieden aan de mensen die het nodig hebben. In de praktijk, zag ze en wist ze uit eigen ervaring, zijn mensenrechten in feite burgerrechten. Burgers van nationale staten kunnen succesvol rechten claimen. Maar als je om wat voor reden dan ook stateloos bent is er geen claimadres. Dan blijkt zo’n mensenrecht een hol en abstract begrip.

Daarnaast had ik het een keer over de weerzin van veel ontwikkelingslanden tegenover  propaganda voor de mensenrechten door westerse landen. Het opgeheven vingertje wordt beleefd als neokoloniale betutteling door de voormalige kolonisatoren. Veel Afrikaanse landen hebben daarom liever te maken met China omdat Chinese hulp niet gepaard gaat met opdringerige ideologie. De evidente machtspolitieke motieven nemen ze daarbij maar voor lief.

Verder kan het iconische plaatje van de waardigheid van het individu in de Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948 de indruk wekken dat totale vrijwaring van iedere inbreuk daarop gegarandeerd kan worden. Die combinatie van geloof in maakbaarheid en absolute rechten van het individu kwam bijvoorbeeld tot uitdrukking in de definitie van het recht op gezondheid door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) uit de jaren vijftig. Gezondheid werd daarin omschreven als ‘a state of total physical and mental well-being’ waar ieder mens recht op zou hebben. Het leidde tot uitbundig claimgedrag van zelfbewuste individuen en tot een lawyers paradise, en liet wat mij betreft zien hoe pervers formulering van ‘totale’ mensenrechten kan uitpakken in een ik-gerichte samenleving. Ik vond daarom het absolute karakter gedateerd aandoen, als product van een idealistische humanistische traditie die aan herijking toe is.

Al die bedenkingen bij de mensenrechten snijden ongetwijfeld enig hout, maar mijn achting voor het fenomeen mensenrechten is de laatste tijd met sprongen gegroeid. Dat heeft te maken met de rechtszaken voor milieubescherming tegen Shell, tegen nalatige overheden en binnenkort misschien ook tegen financiers als het ABP. Daarbij wordt een beroep gedaan op de fundamentele rechten op leven, gezondheid, voedsel van huidige en toekomstige generaties. Dat is beslist mensenrechtenjargon, maar het werkt! “Mensenrechten en bescherming van de leefomgeving blijken een bruikbare juridische basis voor klimaatzaken”, zo meldt de krant deze week. 

Laten mensenrechten dan absoluut geformuleerd, abstract of neokoloniaal zijn, een kniesoor die daar nog op let met zulke resultaten. Misschien gloort er opnieuw een paradijs voor advocaten, maar dan van de goede soort.

Zie ook Met universele waarden kom je niet ver

vrijdag 25 juni 2021

Paradoxaal


Het klinkt paradoxaal, maar soms denk ik wel eens dat het meedogenloze politieke en militaire beheersingsbeleid van de staat Israël per saldo een gunstig effect heeft op het imago van Joden in de wereld. Zij doen ook gewoon aan machtspolitiek!

Het is niet verheffend wat we zien: het landjepik op de Westbank, het afknijpen van een overbevolkt reservaat in Gaza, en een buitenlandse politiek die coalities met Saoedi-Arabië en andere duistere regimes niet schuwt.

Maar met dit soort Realpolitik voegt Israël zich in het bekende machiavellistische machtsspel van raison d’état dat al eeuwen gespeeld wordt door westerse grootmachten, en waar we allemaal vertrouwd mee zijn.

Heel anders dan de bevreemdende rol die de Joden ongeveer tweeduizend jaar, tussen de eerste en de twintigste eeuw, gespeeld hebben. Namelijk die van een volk dat op militair onbeschermde wijze, verspreid over de continenten, afhankelijk van de voortdurend wisselende luimen van anderen, overleefde door zich vast te houden aan zijn spirituele erfenis zoals vastgelegd in Tenach en Talmoed.

Misschien een hele prestatie, maar niet goed voor het Joodse imago. Want wat waren dat voor mensen die dit hachelijke bestaan verkozen? Luftmenschen! Dat is toch niet normaal? Daar moest een steekje aan los zijn! Of beschikten ze over geheime duistere krachten? De bevreemding riep complottheorieën op, en agressie. En dat bleek meermalen in de geschiedenis levensgevaarlijk te zijn. 

Dan kun je beter, net als de anderen, een eigen land hebben. Dat heeft ook beslist nadelen voor je imago, want je gaat vuile handen maken en het roept nieuwe conflicten op. Maar per saldo zal dat toch beter begrepen worden dan een schimmig ontworteld bestaan, zo is de redenering. Paradoxaal genoeg.

Zie ook Acceptabel cynisme en Houdt het dan nooit op?

Wil je commentaar geven of zien: klik op Paradoxaal en scrol naar beneden door.

donderdag 17 juni 2021

Het meest misbruikte woordje


Er is bijna geen woord zo vaag als het woordje ‘echt’. Of de equivalenten ervan zoals ‘authentiek’, of ‘werkelijk’. En misschien ook wel: ‘transparant’. 

Dichter des vaderlands Lieke Marsman ziet politici die woorden veel gebruiken (“dit gaan we nu eens écht aanpakken”), en zij leidt daaruit af dat echtheid, authenticiteit en transparantie in die kringen juist ver te zoeken zijn. “Politici zijn de grip op de werkelijkheid kwijtgeraakt. Dat dit inderdaad zo is, valt af te lezen aan hoe vaak ze het woord ‘echt’ gebruiken.” Columnist Stevo Akkerman vat de omgang daar met authenticiteit samen via de vuistregel ‘Zodra je dat (authenticiteit) kunt nadoen, ben je binnen’. 

Maar niet alleen politici ge- of misbruiken die woorden. In de volle breedte van het maatschappelijke en culturele leven kom je het woordje ‘echt’ opvallend veel tegen. 

Neem de discussie over het ‘ontlezen’, dat wil zeggen het probleem dat de huidige scholieren en jongeren veel minder lezen dan voorgaande generaties, onder andere als gevolg van het overvloedige social media gebruik. Akkerman zegt daarover: “Het echte lezen – dat draait om wat de tekst met je doet, hoe die je raakt, ergert, ontroert, verveelt, bedrukt, aanvuurt, overtuigt of tegenstaat – heeft natuurlijk een onpraktisch trekje: het laat zich lastig toetsen”.

Opmerkelijk vaak gaat het ook over het ontbreken van dialoog of menselijke ontmoetingen in onze samenleving. TedX presentator Sira Abenoza maakt dat tot expliciet onderwerp van haar Ted Talks, ze wil haar publiek laten ervaren wat werkelijke dialoog is. Die belangstelling komt voort uit de twee studies die ze ooit naast elkaar deed. ’s Ochtends volgde ze college aan een Business School tussen studenten die alleen maar geïnteresseerd waren in zo snel mogelijk rijk worden. ’s Middags zat ze tussen de filosofiestudenten die eindeloze gesprekken voerden over het verbeteren van de wereld. Die moesten dus met elkaar in gesprek komen. “Maar weten we eigenlijk wel wat een echte dialoog is?”

Schrijver Abdelkader Benali kan ook niet om echtheid heen als hij het over communicatie heeft: “Ik ben ongemak in het contact gaan zien als voorwaarde voor een echt gesprek, het startpunt voor toenadering en wederzijds respect”. En: “Wanneer je denkt dat je iets van elkaar weet en bij de ontmoeting ontstaat door die verkeerde aannames het ene na het andere kleine conflict, dan is er echt sprake van een gesprek. Dan komen we ergens”.

Communicatiedeskundige Betteke van Ruler zegt: “Het moet in onze tijd meer gaan over het echte verhaal: meer verbindende communicatie, die meer de menselijke ervaringen meeneemt. Hoe we kunnen doorgaan. Niet als doelgroep of draagvlak maar als mensen”.

Deze voorbeelden (met mijn markeringen) laten wat mij betreft zien dat het wijdverspreide gebruik van het woordje ‘echt’, anders dan Marsman suggereert, meer is dan windowdressing of de maskering van een tekort. Ze getuigen beslist wel van een tekort, maar dan in combinatie met een diepgevoeld verlangen om het tekort aan echtheid op te heffen, of liever: om te zetten in een weldadige overvloed van echtheid.

Maar het is nog niet zo makkelijk om de vinger te leggen op die echtheid. Misschien weten we eigenlijk vooral wat het niet is: echtheid dreigt ons te ontglippen bij een teveel aan beheersingsdrang. Als we per se grip willen houden (bij leesonderwijs: via toetsen; bij dialoog: het uit de weg gaan van pijnpunten en ongemak; in de politiek: via afvinkbare protocollen) dan slaat de onechtheid toe.

Dat is een veelgehoorde, bijna unanieme conclusie, maar toch ben ik er niet helemaal van overtuigd dat het zo eenduidig ligt. Stel, om even aan te sluiten bij de situatie van Abenoza, dat iemand is opgegroeid in diepe armoede, en zij krijgt de kans om te gaan studeren aan een Business School. Zij zal misschien alle informatie over zakendoen en businesscontrol fanatiek in zich opzuigen als weldadige moedermelk, en de uitwisseling over het opbouwen van een verzekerd materieel bestaan beleven als een zaak van primair existentieel belang. Contact daarover zal aanvoelen als beantwoording van een diepe behoefte.

Dat contact, ook al gaat het over grip of beheersing, zou ik dan ook echt of authentiek noemen, in de zin van betekenisvol. Net zoals het politieke programma dat Lodewijk Asscher voor de PvdA in zijn hoofd had (en helaas niet kan uitvoeren) om de behoefte aan zekerheid tot speerpunt van de politiek te maken. Zekerheid en grip dus als kern van zijn aspiraties, maar toch ben ik geneigd dat streven en het contact daarover echt te noemen.

Het punt van die vaststelling is: bij de business-student en Asscher gaat vervulling van de aspiraties kennelijk wél samen met beheersingsdrang, die is er zelfs voor vereist. Hier lopen echtheid en de behoefte aan grip dus heel natuurlijk parallel, anders dan in de veelgehoorde conclusie die suggereert dat ‘echtheid pas mogelijk is door het loslaten van beheersingsdrang’.

Blijft staan dat, voor andere levensterreinen, de critici van de beheersingsdrang voor een groot deel gelijk hebben: het streven naar grip en maakbaarheid staat voor aspiraties zoals leesplezier, erotische relaties, artistieke prestaties en betekenisvolle contacten de echtheid in de weg. 

Wellicht kan op dit punt de piramide van Maslow verhelderend werken. De piramide beschrijft een ordening van fundamentele menselijke behoeften en aspiraties in opklimmende volgorde. Die volgorde loopt van fysiek-economische bevrediging via sociale en psychologische veiligheid tot aan erkenning, zelfrespect en zelfexpressie.

Het gaat mij hier niet om de inhoud van de piramide, ik haal die er alleen maar bij vanwege de verschillende niveaus die hij onderscheidt. Want de mate waarin aspiraties wel of niet kunnen samengaan met beheersingsdrang zou wel eens kunnen verschillen per behoefteniveau; in sommige lagen van de piramide worden aspiraties eerder onecht dan in andere.

Grofweg kun je onderscheiden tussen de onderste lagen van de piramide en de rest. Het lijkt erop, voor de aspiraties op het lichamelijke en economische terrein, dus aan de voet van de piramide, dat echtheid goed samengaat met beheersingsdrang. Voor wie niet zeker is van zijn dagelijks brood, zijn arbeidscontract, geen pensioen opbouwt of niet uitkomt met zijn uitkering is het niet zo moeilijk om betekenis te geven aan echte verbetering. Die ziet eruit als een gedekte tafel, een vaste baan, een pensioen of een ruimere toelage. En hoe meer goed georkestreerde en beheerste organisatiekracht daarvoor wordt ingezet, hoe beter. Echt is maakbaar, voor de vakbond.

Maar voor de hogere lagen in de piramide geldt dat niet op dezelfde manier. Op het vlak van persoonlijke ontmoetingen, artistieke expressie en cultuur kunnen de aspiraties te lijden hebben van dat maakbaarheidssyndroom. Daar wordt het beheersingsstreven makkelijk contraproductief. Dat kan verklaren waarom diegenen van ons voor wie de meeste basisbehoeften al lang en breed bevredigd zijn, zo’n punt maken van echtheid. Die is bovenin niet zo makkelijk te vinden als in de onderste regionen, in ieder geval niet door inzet van de maakbaarheid en beheersing die onderin zo goed werken.

Helaas is deze voorstelling van zaken iets te schematisch. Want ook op dat basale niveau van economisch-politieke organisatie, aan de voet van de piramide, kan de beheersingsdrang contraproductief worden. De complexiteit ervan kan namelijk gigantische vormen aannemen met als gevolg een overmaat aan regulering. Een totaal gebrek aan speling kan zet zaken onbeweeglijk vast. Dat lijkt in onze samenleving een serieus probleem te zijn voor allerlei, vooral uitvoerende, overheidsorganisaties zoals UWV, Belastingdienst en de Jeugdzorg. Er wordt hard gewerkt daar en ze presteren veel, maar soms niet helemaal volgens de bedoeling. Je kunt dat ook een gebrek aan echtheid noemen: niet meer voldoen aan de oorspronkelijke bedoelingen waarvoor je bent opgericht.

Kennelijk stuit ieder menselijk streven, ook het basale economisch-politieke, op een grens aan maakbaarheid en afdwingbaarheid. Als je toch doorgaat, voorbij die grens, gaat dat ten koste van de oorspronkelijke authenticiteit, of echtheid. 

Als er dan toch nog een verschil is tussen de verschillende niveaus van de piramide, dan zal het zijn dat de grenzen van de maakbaarheid in de hogere regionen beter bekend zijn dan aan de basis. Zo bezien kunnen politici en bedrijfskundigen nog altijd iets opsteken van schrijvers, dichters en gewone mensen.

Zie ook Liefde en passie op het werk en Herkantelen

Wil je commentaar geven of zien: klik op Het meest misbruikte woordje en scrol naar beneden door.

donderdag 10 juni 2021

De meeste mensen deugen, maar dat kun je aan de buitenkant niet zien


Eventjes was het motto voor de overheid: ga uit van vertrouwen in de burger, stop met het geïnstitutionaliseerde wantrouwen. Dit uiteraard vanwege de excessen van de Toeslagenaffaire en de vele onschuldige burgers die daardoor getroffen werden.

Maar de slogan is nu een beetje bijgesteld: vertrouw iedereen, behalve medewerkers van ING en Rabobank want die probeerden eind 2020 voor enkele tientallen miljoenen euros’s extra hypotheekrenteaftrek aan te vragen, zonder dat zij daar recht op hadden. En Sywert van Lienden, die natuurlijk ook niet. Ongetwijfeld allemaal van het type hardwerkende Nederlander, maar ze flikken het toch maar.

De pendule van vertrouwen/wantrouwen is alweer op weg naar de andere kant, en dat is logisch want blind uitgaan van vertrouwen in de medemens is best extreem. In ons dagelijks leven doen we dat toch ook niet? Bijna als vanzelf peilen we bij een wat meer gewichtige transactie wat voor vlees we in de kuip hebben. Welke indruk maakt die mobiele telefoonverkoper op me, hoe klinkt die vrouw als ze haar financiële product aanprijst? Heeft dit huis geen verborgen gebreken?

Wat me verbaast is dat we in ons persoonlijk leven grosso modo een aardige balans weten te vinden tussen vertrouwen en gezond wantrouwen, maar dat dat in de politiek gepaard gaat met heftige schommelingen. De hype gaat nu eens naar ultiem wantrouwen (Bulgarenfraude, frauderende gastouders) en dan weer naar onverantwoord blanco vertrouwen (de huidige stemming). Althans voor wat de volksvertegenwoordiging en spraakmakende politici, inclusief premier Rutte, betreft. Het zal wel te maken hebben met de uitvergrotende werking van de media die er bovenop zitten in combinatie met de profileringsdrang van politici. Gemakzuchtig onnadenkend, zou Hannah Arendt zeggen.

Des te knapper dat sommige politici zich niet van de wijs laten brengen en een aardig midden weten te houden. Zoals bijvoorbeeld minister Koolmees, die in het NRC interview van afgelopen weekend benadrukte dat zowel onbestrafte fraude als onzinnige fraudejacht de democratie ondermijnen. 

De meeste mensen deugen, maar wat heb je aan die wijsheid als je aan de buitenkant niet kunt zien wie wel en wie niet?


Wil je commentaar geven of zien: klik op De meeste mensen deugen, maar dat kun je aan de buitenkant niet zien en scrol naar beneden door.

donderdag 3 juni 2021

Zo moet dat gevoeld hebben


“Natuurlijk gaat het niet lukken om vaccins internationaal eerlijk te verdelen. Volstrekt logisch toch? We zijn het zat, die pandemie, en terecht want de economie lijdt eronder en onze geestelijke gezondheid staat op het spel.”

“Je doet wat je kunt, en gelukkig kunnen wij in het Westen heel veel. In de voorraadschuren van de VS liggen inmiddels tientallen miljoenen doses overtollige vaccins opgehoopt, binnenkort zelfs honderden miljoenen. Het land houdt een strategische reserve aan, omdat nog niet duidelijk is wanneer er eventueel boosters nodig zijn. Logisch toch?” 

“Je neemt je verantwoordelijkheid, en daarom heeft Canada nu ongeveer tien keer zoveel vaccins als nodig zijn om zijn bevolking in te enten. In de EU bestaat druk op politici om de eigen bevolking voorrang te geven, en dat werd tijd want die Europese overheden sukkelden overal maar een beetje achteraan.”

Dit type van redenering moet de welgestelde zeventiende-eeuwse Hollandse burger ook gevolgd hebben als hij bezig was met de opstapeling van zijn voorraden en verzameling van rijkdommen. Hij wist heel goed dat hij en zijn familiekring tot de paar procent van de maatschappelijke bovenlaag behoorden, en dat meer dan 95 procent van zijn medeburgers moest sappelen of bedelen om überhaupt in leven te blijven. Hij kon in weelde leven en zag op straat de mensen creperen. 

Maar wat wil je anders? Dat gemak is nu eenmaal gekoppeld aan je stand. Zo is het verdeeld, dat is vanzelfsprekend, daar hoef je niet eens veel voor te doen. Je hoeft geen mensen in bedwang te houden of zo, je zit als vanzelf aan de goede kant van de lijn. Logisch toch?

Zie ook Burgerpaleizen

Wil je commentaar geven of zien: klik op Zo moet dat gevoeld hebben en scrol naar beneden door.

donderdag 27 mei 2021

Buber, Levinas en het schandaal van de filosofie


Ze hebben wortels in het Jodendom van Oost-Europa, laafden zich in de eerste helft van de twintigste eeuw intensief aan de West-Europese intellectuele traditie en combineerden die invloeden vervolgens tot eigen levensbeschouwelijke inzichten. Die biografische overeenkomsten  maken de verhouding tussen de Joodse filosofen Martin Buber en Emmanuel Levinas tot een onuitputtelijk onderwerp van onderzoek. De vraag naar vergelijking dringt zich op.

Behalve biografische zijn er ook inhoudelijke parallellen in hun ontwikkeling en dat verklaart het flinke aantal studies die Buber en Levinas onder een en dezelfde noemer onderbrengen, namelijk die van de ‘dialogische filosofie’. Voor zover daarmee bedoeld wordt dat in hun werk relaties centraal staan en dat ze die nadruk als een vernieuwing presenteren kunnen zowel Buber als Levinas zo gelabeld worden, ook al sprak Levinas nooit over zichzelf als hij het had over de dialogische filosofie.

Over die vernieuwing: het is beslist waar dat beide denkers in hun geschriften veel werk maken van het bepalen van hun positie ten opzichte van de westerse filosofische traditie. Wat daarin volgens hen ontbreekt is adequate aandacht voor de relatie van de ene mens tot de andere. Buber benoemt die relatie als die van ‘Ik-Jij’, ook wel het ‘dialogische principe’ genoemd; Levinas spreekt veel over de ‘ontmoeting met het gelaat van de ander’. 

Het gebrek waar Buber en Levinas op doelen betreft iets dat ontsnapt aan de vooronderstellingen van de gevestigde filosofische traditie. Die traditie kent immers grote waarde toe aan een manier van doorgronden van de wereld, mensen incluis, naar het model van het doorgronden van de dingen. Dat wil zeggen, met behulp van kijken en meten, empirie en theorievorming. Maar, zeggen Buber en Levinas, de geloofwaardigheid van de ‘Ik-Jij’ relatie hangt niet af van abstracte theoretische principes en observatiemethodes, zoals in het gebruikelijke kennen van de dingen. Mensen zijn geen dingen en mensen laten zich op een andere manier kennen. Of misschien wel helemaal niet. 

Zo’n laatste uitspraak klinkt voor de gevestigde filosofie wellicht als een brevet van onvermogen, of zelfs als een schandaal. In de woorden van Levinas-kenner Robert Bernasconi: “If thinking fails to reabsorb the Other in the course of thought’s return to itself, then this is regarded as a deficiency”. Dat is logisch, zegt Levinas, want kennis en bewustzijn maken binnen de traditionele filosofie de essentie van mens-zijn uit. Kennis is immers het instrument dat leidt tot het meest gewenste resultaat binnen het heersende humanistische wereldbeeld: beheersing van de omgeving ten bate van de mens. Dus moet de andere mens ook in jouw kennis geabsorbeerd worden. De alomaanwezigheid in onze wereld van Human resource management is zo bezien niets anders dan een illustratie en logisch uitvloeisel van elementaire westerse filosofische uitgangspunten.

Buber en de andere dialogische filosofen zijn fel gekant tegen die wereld- en mensopvatting, en daar vinden zij Levinas aan hun zijde. Bernasconi zegt daarover in zijn artikel ‘Failure of Communication’ as a Surplus: Dialogue and Lack of Dialogue between Buber and Levinas: “De betekenis van de filosofie van de dialoog, volgens Levinas, is dat zij het standaard model uitdaagt”. En wel omdat zij laat zien “dat het onmogelijk is de ontmoeting met de Ander in een theorie te vatten, alsof die ontmoeting een ervaring is waarvan je door reflectie de betekenis kunt achterhalen”. De dialogische filosofie toont dus aan, volgens Levinas, dat niet het denkende bewustzijn, maar de directe relatie met de Ander de toegang is tot de waarheid, in ieder geval als het niet om dingen maar om mensen gaat.

Tot zover lopen Buber en Levinas aardig gelijk op in hun oordeel over de blinde vlek van de westerse filosofische traditie. Maar Levinas vindt op een aantal plekken dat Buber de bedoelde tekortkomingen niet scherp genoeg doordenkt en er daarom in zekere zin mee besmet blijft. Dat heeft tot gevolg dat Buber, volgens Levinas op die plekken, niet loskomt van het formele westerse kenmodel waarin mensen in laatste instantie als objecten worden gezien.

Voor onderbouwing van dat verwijt grijpt Levinas naar een nog pregnantere beschrijving van de westerse manier van kennen van objecten. Hij benoemt die manier van kennen in agressieve termen als een grijpen van objecten, een erin doordringen, het vormen van een eenheid (totaliteit) daarmee. En hij meent in Bubers beschrijvingen over de relatie met de ander datzelfde schema terug te zien, of zoals Bernasconi het formuleert, “dat Bubers weergave van de Ander de ambities van de kennistheorie in zijn oude klassieke vorm vervulde”. Dus helemaal volgens het verkeerde boekje.

Dan zou namelijk, wat Buber betreft in deze aangescherpte interpretatie van Levinas, de verdienste van de Ik-Jij relatie daarin liggen dat die bij uitstek tot de complete doordringing in staat is die vereist is voor kennis. Alleen de Ik-Jij relatie zou erin slagen om de onafhankelijke ander in te palmen; alleen daar wordt iemand één met de totaliteit van het zijn. Daarmee biedt Buber ons dus, zegt Levinas, louter een vereniging aan in plaats van een ontmoeting. 

En daar heeft Levinas groot bezwaar tegen. De fusie of eenwording met het object van kennis – juist als dat de ander is – wijst hij af. Afkeurend spreekt Levinas ook wel over de ‘wederkerigheid’ tussen de een en de ander bij Buber. Zijn grootste bezwaar is dat dergelijke gelijkschakelende termen de eigenheid van de ander niet respecteren, en er geweld aan doen. De asymmetrie en gescheidenheid die er zijn tussen mensen gaan verloren, en dat is een ethisch verlies. 

Laat er dan liever, zegt Levinas, maar wat onoverbrugbaar verschil (‘onwederkerigheid’, ‘asymmetrie’, of ‘scheiding’) tussen mensen bestaan. Maar de bescherming van dat verschil is bij Buber volgens Levinas niet in goede handen want, zegt Liesbeth Levy in haar boek Dialoog, in tegenstelling tot Bubers opvatting is naar Levinas’ idee “de openbaring van de Ander in de dialoog geen zaak van wederzijdse bevestiging, maar van confrontatie”.  De ander treedt mij tegemoet vanuit een positie van hoogte.

Dit alles maakt, zegt Bernasconi, dat Levinas zich wil profileren ten opzichte van Buber. Hij keert zich daarom in tal van geschriften tegen de wederkerigheid waarvan bij Buber sprake zou zijn en benadrukt de gescheidenheid van individuen als een oergegeven. 

Wat te denken van dit verwijt aan Buber, zo sterk aangezet door Levinas? Bernasconi oordeelt dat Bubers denken te subtiel is om het zo in de hoek te zetten als Levinas doet. Buber benadrukt bijvoorbeeld, op vergelijkbare wijze als Levinas, ook de ongrijpbaarheid en onwederkerigheid van de ontmoeting met een ander mens als hij zegt: “De Jij ontmoet mij door genade; ik heb er geen controle over”.

Daar kwam Levinas overigens, na zijn verwijten, zelf ook al snel achter. Of eigenlijk, zegt Bernasconi, wist Levinas toen hij ze opschreef al dat Buber het met zijn interpretatie niet eens zou zijn: “Levinas wist heel goed dat Buber de toepasselijkheid van de termen ‘object’ en ‘totaliteit’ zou ontkennen, zoals hij inderdaad deed in zijn antwoord op Levinas”.

Bernasconi denkt dat Levinas het tijdelijk nodig heeft gehad om zich af te zetten tegen Buber. “Levinas was aanvankelijk vooral bezig met het onderscheiden van zijn eigen positie van die van Buber. Maar nadat hij de verschillen had vastgesteld, merkte hij dat hij Buber op een nieuwe manier kon lezen” en een nieuwe fase kon introduceren in zijn relatie met Buber.

Als we nu met de gerijpte Levinas de vroegere verwijten aan Buber nalopen dan constateren we, zegt Bernasconi, dat ze niet terecht zijn.

Voor wat betreft de scheiding en de absolute waarde van het subject: die kent Buber wel degelijk. Daarmee samenhangend: bij Buber krijgt juist de onmiddellijkheid van het verschijnen van de ander in de relatie – dus zonder het soort bemiddeling of manipulatie dat kenmerkend is voor onze relatie met objecten – veel nadruk. Levinas erkent dit in Le dialogue als een verdienste van Buber en prijst hem ervoor.

Als het gaat om Bubers omhelzing van gelijkwaardige wederkerigheid, dan stellen we vast dat Buber niet zo eenkennig is. Hij kent wel degelijk ook de onwederkerigheid, de asymmetrie. En via de absoluutheid van het goddelijke, komt Buber, niet veel anders dan Levinas, ook uit bij de absolute verhevenheid van de andere mens. Levinas erkent, in het artikel Martin Buber, Gabriel Marcel et la Philosophie, dat, “op grond van de relatie tot de eeuwige Jij, verhevenheid kon worden gevonden te midden van wederkerigheid”.

Tweeslachtig bleef het wel, de waardering van Levinas voor Buber. Buber komt volgens Levinas niet helemaal los van de gebruikelijke manieren van kennen. Dus Levinas herzag zijn mening over Buber niet volledig, meent Bernasconi, maar wel zag hij nieuwe ethische potentie in Bubers dialoogbegrip. 

Alles bij elkaar vindt Bernasconi dat Levinas nogal zwabbert in zijn verhouding met Buber: “Het blijft fundamenteel onduidelijk waarom Levinas zo schijnbaar inconsistent was in zijn beoordeling, waarbij hij soms bevestigde en soms ontkende dat Buber de transcendente ethische relatie erkende, maar nooit ondubbelzinnig was in die bevestiging of ontkenning”.

Als ik zelf een verschil moet benoemen tussen Levinas en Buber, dan zoek ik dat binnen de relatie tussen twee mensen waar ze het beiden over hebben. Ik denk dat hun visies op de rol van het Ik daarin sterk verschillen. Hoewel Buber, zoals we zagen, de ontmoeting van Ik en Jij als een kwestie van genade beschouwt waarover je geen controle hebt, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat het initiatief voor ontmoeting en dialoog voor Buber bij het Ik ligt. Dat is beslist anders bij Levinas, die niet ophoudt te benadrukken dat de Ander je overkomt, dat je het vaak niet zelf kunt verzinnen, en dat een zekere passiviteit aan de kant van het Ik te vinden is. 

Zo bezien zou ik zeggen dat Levinas radicaler is dan Buber doordat hij, inderdaad heel ongebruikelijk voor de westerse filosofie, werkelijk van de ander uitgaat als bron van dialoog en ontmoeting.

Zie ook de meer uitgebreide versie van dit artikel (met verwijzingen) op de site.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Buber, Levinas en het schandaal van de filosofie en scrol naar beneden door.

donderdag 13 mei 2021

Burgerpaleizen


Wie heeft, in alle eerlijkheid, bij het aanschouwen van het paleis van Versailles zich ooit hevig emotioneel aangesproken gevoeld en uitgeroepen: “Wow, wat is het leven goed!”?

Ja, Lodewijk XIV misschien, maar voor de meesten van ons staat Versailles voor spilzucht, megalomanie en volkomen uit het lood geslagen sociale verhoudingen. Het paleis boezemt ontzag in door zijn grandeur en het zal kunsthistorici interesseren vanwege de esthetische concepten die erin verwerkt zijn. Toeristen verlustigen zich in de aanblik van het zilver, goud en marmer.

Maar de tevreden verzuchting dat het leven mooi kan zijn vraagt om andere dingen: iets meer bescheidenheid, menselijke maat en minder minachting voor elementaire sociale verhoudingen.

Raar genoeg kan ik wél genieten van wat ik nu maar even noem de ‘burgerpaleizen’, zoals ze te vinden zijn aan de Amsterdamse grachten. Pronkzucht is ook die gebouwen niet te ontzeggen, maar toch, het zijn vaak bakstenen huizen, ze staan gewoon in een rijtje, en herinneren met takels en luiken bovenin voor opslag van de handelswaar aan triviale economische activiteit. Het blijft binnen menselijke proporties. Als de zon daar goed op staat kan dat bij mij wel de verzuchting ontlokken “Wow, dat is goed en mooi!”. 

Voor het gemak vergeet ik op zo’n moment maar even dat de kloof tussen arm en rijk in het Amsterdam van de 17e eeuw ook gigantisch was en dat dit soort huizen maar voor een paar procent van de bevolking waren weggelegd. De meesten moesten het doen met armzalige en tochtige krotten. Vat de term ‘Gouden eeuw’ dus niet te gauw op als een morele kwalificatie, het goud werd duur verdiend door onderliggende klassen in eigen land en slaven in de koloniën.

Niettemin, de grachten vormden een burgersamenleving, en daarmee een andere categorie dan het universum van Versailles. De burgerpaleizen zijn mooi, maar niet wanstaltig, het zijn nog huizen.

Zie ook Heerlijk en Het Goede, het Ware en het Schone 

Wil je commentaar geven of zien: klik op Burgerpaleizen en scrol naar beneden door.

vrijdag 7 mei 2021

Levinas en Wopke Hoekstra


‘Sensibiliseren’, over de precieze betekenis daarvan in de uitspraak van Hoekstra – er was vergeefs geprobeerd om in de Toeslagenaffaire “Pieter Omtzigt te sensibiliseren” – werd heel wat gespeculeerd de afgelopen weken. Sommige speculaties zochten aansluiting bij de betekenis van het Franse woord sensibilité, te vertalen als ‘gevoeligheid’. Omtzigt zou als het ware gevoelig gemaakt moeten worden voor problemen in de uitvoering van taken van de Belastingdienst.

Maar over het algemeen volgde men de betekenis van het Engelse woord sensibility, dat staat voor verstandigheid, of rationaliteit. Sensibiliseren kan dan in goed Nederlands vertaald worden als ‘tot rede brengen’; dat moest met Omtzigt gebeuren.

Waarom roept het gebruik van dat woord in die betekenis zoveel verontwaardiging op in de context van de Toeslagenaffaire? Redelijkheid is toch een prettige deugd voor mensen die geacht worden constructief met elkaar samen te werken?

De angel zit waarschijnlijk in het misbruik van het woord ‘rede’. Van dat woord kan de suggestie uitgaan dat de rede enkelvoudig is, Rede schrijf je dan met een hoofdletter, en die is voor iedereen hetzelfde. Dat is een venijnige illusie, maar die kan heel krachtig zijn. In situaties waarin verschillende tegengestelde belangen in het spel zijn kan een dominante partij via die illusie zijn belang koppelen aan het woord Rede. De andere partijen zijn dan per definitie niet redelijk, en moeten tot rede gebracht worden. En ja, dat kan maar één kant op, want er is maar één Rede. 

Neem inderdaad de Toeslagenaffaire. Daar waren op een bepaald moment – zeg zomer en najaar 2019, afgaande op de nu geopenbaarde notulen – verschillende belangen zichtbaar geworden. Om het overzichtelijk te houden noem ik er twee: het bestuurlijke belang van de regeringscoalitie om de vloed aan verontrustende berichten over wreedheid van de Belastingdienst in goede banen te leiden. En het existentiële belang van slachtoffers van de affaire om de zaak tot op de bodem uit te zoeken, omdat hun leven erdoor geruïneerd is. Pieter Omtzigt en Renske Leijten waren voor dat belang de woordvoerders.

Die belangen kunnen beide op hun eigen manier redelijk genoemd worden, en zouden zo bezien naast elkaar en gelijk opgaand behartigd moeten worden. Maar door het machtsverschil is de ene partij (de regering) in staat om het woord rede te monopoliseren, zodat het gaat samenvallen met controle op de communicatie en beheersing van de informatievoorziening. In die visie ontbreekt het Omtzigt en Leijten aan redelijkheid, dus zij moeten gesensibiliseerd worden.

Daar gaan je haren van overeind staan, en dan wordt sensibiliseren ineens een heel onsympathiek woord. Daaraan kleeft de truc van de misleiding die zegt dat er  ‘vanzelfsprekend’ maar één rede is en dat andere rationaliteiten tot zwijgen gebracht moeten worden.

De kwestie raakt aan een thema dat voor de filosoof Levinas heel groot is: de dwang in de samenleving om de veelheid van meningen tegen te gaan (vooral de aan jou visie tegengestelde) en te komen tot één zienswijze, die dan de juiste zou zijn. Dat veronderstelt dát er maar een de juiste kan zijn, en op allerlei terreinen van het leven blijkt dat de manier te zijn waarop we met redelijkheid omgaan. Of het nu gaat om religie of managementtheorieën, wetenschap of ethiek, de gedachte van dominante stromingen op die terreinen is dat hun waarheden universele geldigheid hebben. Omdat er maar één Rede (of Waarheid) is.

Levinas wijst erop dat we tot die omgang met de rede gelegitimeerd zijn geweest door zo’n beetje de hele westerse filosofische traditie vanaf de Grieken. Een citaat: “Tegenover de passies en de meningen zou de Rede het ware innerlijke leven representeren. De rede is één…En blijft één, volgens de traditionele opvatting van het innerlijk gesprek, hoeveel uitstapjes en zelfkritiek de geest ook toelaat”.  

Dat kan verklaren waarom in het Westen eeuwenlang nogal arrogant en hardvochtig is omgegaan met afwijkende meningen. Levinas keurt daarom die traditionele omgang met de rede hartstochtelijk af. Daar worden immers, met een beroep op de eenduidigheid van de Rede, tunnelvisies dominant en concurrerende manieren van denken gemarginaliseerd.

Ik vind het goed om gewaarschuwd te worden dat een eerbiedwaardige filosofische traditie als de westerse verstrikt kan raken in dat soort valse illusies. Levinas is trouwens beslist niet de eerste en enige die komt met die waarschuwing. Al in de negentiende eeuw ging, om maar iemand te noemen, Nietzsche hem daarin voor. Maar anders dan Nietzsche eindigt Levinas niet in nihilisme. Levinas koppelt kritiek op de westerse traditie aan een geloof in  positieve waarden. Bijvoorbeeld de waarde van gevoeligheid voor het vanzelfsprekende gebruik door de macht van een woord als sensibiliseren.

Zie ook Verdriet en Misleidende ideeën over verantwoording

Wil je commentaar geven of zien: klik op Levinas en Wopke Hoekstra en scrol naar beneden door.

donderdag 29 april 2021

Ongekend en Ongehoord onrecht: twee werelden


Ongehoord. Onrecht in het vreemdelingenrecht is de titel van een recent boek waarin vreemdelingenadvocaten signaleren dat nieuwkomers geregeld spijkerhard en onheus aangepakt worden door de overheid, belichaamd in de IND. In een artikel in het Nederlands Juristenblad waren onderzoekers van de Radboud Universiteit tot dezelfde conclusie gekomen: een overmatig wantrouwen tegenover kwetsbare vreemdelingen zit diep ingebakken in het Nederlandse ambtelijke apparaat, in laatste instantie gesanctioneerd door de Raad van State. 

De titel van het boek allitereert met de titel Ongekend onrecht van het rapport over de Toeslagenaffaire. Met de aanbieding van hun boek aan de leden van de Tweede Kamer mikken de vreemdelingenadvocaten waarschijnlijk op hetzelfde soort effect als Ongekend onrecht teweegbracht. Omdat ‘de menselijke maat’ sinds de Toeslagenaffaire zo’n ding is geworden, hopen sommigen dat de ophef bij vreemdelingenzaken ook groot kan worden.

Maar ik betwijfel of het zo zal werken. Het zal mij benieuwen of bijvoorbeeld de Raad van State zich in deze kwestie net zo aangesproken gaat voelen als (uiteindelijk) bij de Toeslagenaffaire het geval was. 

Ik denk zo maar dat dat niet zal gebeuren, en wel omdat er op juridisch vlak twee soms compleet losgezongen juridische universums naast elkaar bestaan. Voor het gemak neem ik als vertegenwoordigers van die universums twee polen die ver van elkaar afstaan: aan de ene kant de pool van de bestuursjuristen, zoals bijvoorbeeld belichaamd door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de  Raad van State. En aan de andere kant de pool van de mensenrechtenjuristen en -onderzoekers waar bijvoorbeeld de schrijvers van het genoemde boek toe behoren.

Voor mensenrechtenjuristen was het al vanaf 2013 duidelijk dat er in de bestrijding van de toeslagenfraude door de Belastingdienst en de Raad van State met zeer grof geschut geschoten werd en ook onschuldige mensen tot aan of over de rand van de afgrond geduwd werden. Grondrechten werden geschonden, klonk het vanuit die hoek al lang.

Aan de andere kant, die van de bestuursjuristen – zeg de Raad van State – duurde het jaren om het eigen falen in de Toeslagenaffaire te erkennen. Lang had de Raad het laten passeren dat politici hardvochtige maatregelen voorstelden, dat de Tweede Kamer de ruimte die er nog was in de wetgeving volledig dichttimmerde en dat lagere en hogere bestuursrechters de Belastingdienst steevast in het gelijk stelden. Tot 2019 duurde deze ontkenningsfase.  

Maar goed, vanaf 2019 begonnen voor wat betreft de toeslagen de twee universums langzaamaan samen op te lopen. Uiteindelijk vonden de bestuursjuristen en de mensenrechtenjuristen elkaar in het begrip ‘de menselijke maat’. Die was, vonden beide polen, zoekgeraakt en zou teruggebracht moeten worden. Dat zou bijvoorbeeld kunnen door in wetgeving standaard hardheidsclausules in te bouwen en aan ambtenaren van de Belastingdienst en UWV meer ruimte te geven voor tegemoetkoming van ‘schrijnende gevallen’.

Maar die overeenstemming tussen de twee universums is niet vanzelfsprekend en eigenlijk heel beperkt. Met name op het terrein van het vreemdelingenrecht lijkt die niet te bestaan. Dat maakte ik op uit uitlatingen van Bart Jan van Ettekoven, voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. In een gesprek over het falen van zijn afdeling in de Toeslagenaffaire ging hij diep door het stof over de gemaakte missers. Maar in dat debat merkte hij bijna terloops en achteloos op dat de zorgvuldigheid die nu gezocht werd voor de slachtoffers van de Belastingdienst vanzelfsprekend niet kon worden verwacht voor de slachtoffers van de IND. Want daarvoor geldt een speciale wet, de Koppelingswet.

De koppeling waar die wet over spreekt houdt in dat toegang tot sociale voorzieningen verbonden is aan rechtmatig verblijf in Nederland. Toeslagen en andere voorzieningen waarop een Nederlandse burger recht heeft, zijn daardoor simpelweg ontoegankelijk voor wie niet legaal in Nederland verblijft. Maar die ongelijke behandeling gaat nog veel verder: bijvoorbeeld het elementaire recht op motivering van een beslissing die over je wordt genomen is afgeschaft voor vreemdelingen. Als de Raad van State een beslissing neemt op een bezwaar of beroep in een vreemdelingenzaak hoeft ze die sinds de Vreemdelingenwet van 2001 niet meer te verantwoorden.

En ja, zei Van Ettekoven, de Koppelingswet kan leiden tot ongekend onrecht aan afgewezen asielzoekers. Ik vond het bijna adembenemend om mee te maken hoe, in een debat over de onzorgvuldigheid van juridisch handelen in de ene zaak, de onzorgvuldigheid van handelen in de andere zaak alweer werd afgeschermd. Van Ettekoven leek er niet mee te zitten dat bestuursrechtelijk voor het ene terrein compleet andere maatstaven werden aangelegd dan voor het andere, dat is kennelijk voor bestuursjuristen helemaal geen probleem. De kloof met de mensenrechtenjuristen opent zich hier dus opnieuw wagenwijd, want omdat voor deze laatsten de menselijke maat het altijd geldende criterium is kunnen zij de onderscheiding tussen gebieden met en zonder menselijke maat van Van Ettekoven niet zo makkelijk meemaken.

Dat die twee universums naast elkaar bestaan is al ingewikkeld genoeg, maar wat het nog ingewikkelder maakt is dat in de publieke discussie de illusie wordt hoog gehouden van een eenduidige, absolute en universele menselijke waardigheid die de grondslag zou zijn voor onze rechtssystemen. Waardoor je dus met een beroep op ‘het’ recht zou kunnen volstaan voor het realiseren van eerlijke verhoudingen. Dat is een heel groot misverstand, maar het verklaart waarom kreten als ‘menselijkheid’ en ‘menselijke maat’ zo vaak genoemd worden in rechtsstatelijke discussies: men gaat er te gemakkelijk vanuit dat onze rechtssystemen zich – vanzelfsprekend – in laatste instantie op menselijke gelijkwaardigheid oriënteren. 

Die gelijkwaardigheid is er, filosofisch gezien, misschien wel maar dus niet in de juridische praktijk. Als bestuursjuristen het verlies van de menselijke maat benoemen als schending van het sociaal contract dan gaat de bekommernis in beslissende mate uit naar de staatsburgers van het land, en niet naar anderen. Sommige mensen zijn dus gelijker dan anderen. Het is waar dat, historisch gezien, de rechten van de mens en de burger vaak in één adem genoemd worden, bijvoorbeeld in de Declaratie van de Rechten van de Mens en van de Burger uit de Franse Revolutie (zie plaatje). Maar dat geeft eigenlijk alleen maar aan hoe diep de verwarring geworteld is die er tussen mensenrechtenjuristen en bestuursjuristen bestaat. 

Overigens zijn, zoals daarnet beschreven, bestuursjuristen vaak op verbijsterende wijze eerlijk over de beperking van hun bekommernis, zij vertellen zonder veel omhaal dat die universele menselijke waardigheid in de praktijk van de nationale wetgeving niet bestaat. Hij bestaat wel, maar alleen voor Nederlandse staatsburgers, en dat is dus niet echt universeel. En wat hen betreft moet je ophouden met te doen alsof Nederlanders en niet-Nederlanders in Nederland gelijk zijn. De eersten hebben recht op toeslagen van de staat, en op motivering als er over hen een beslissing wordt genomen. Niet-Nederlandse burgers hebben dat niet.

Dat heeft natuurlijk alles te maken met waar de uitdrukking ‘sociaal contract’ voor staat. Dat is de, al dan niet expliciete, afspraak tussen burgers en hun regering waarbij de burgers de overheid vertrouwen schenken en omgekeerd de overheid zo goed mogelijk de belangen van de burgers zal behartigen. Per definitie beperkt zo’n afspraak zich tot de burgers van het land en hun regering. Die geldt dus wel voor de mensen waar de Belastingdienst voor werkt en niet voor de mensen van wie hun zaak door de IND behandeld wordt. Op het vlak van vreemdelingenzaken is van de kant van bestuursjuristen dus niet zo gauw opnieuw een wending te verwachten. Vanuit bestuursrechtelijk oogpunt is dat niet meer dan logisch.

Wat nog belangrijker is: ook van de kant van de politiek is actie niet te verwachten. Want politici bewegen zich in principe ook binnen de ruimte van het sociaal contract. Als figuren als Omtzigt of Leijten stennis maken en actievoeren voor slachtoffers van de Belastingdienst worden zij primair gemotiveerd door het politieke contract dat in de Nederlandse democratie de overheid heeft met de burger. 

Ook daar is niks raars aan, volksvertegenwoordigers zijn primair verantwoording schuldig aan hun kiezers. Maar het betekent wel dat hun motivatie een andere is dan motivatie door universele mensenrechten. En dat ik hen niet in actie zie komen voor vreemdelingenrechten zoals ze dat gedaan hebben voor rechten van de gedupeerde burgers. 

Terugkomend op de opening van dit stukje: om die reden geloof ik niet dat de – ook mijn – verontwaardiging over de bejegening van vreemdelingen tot een affaire kan worden, zoals bij de toeslagen het geval was. Als mensenrechtenjuristen die verwachting wel hebben zie ik dat als resultaat van een diepgaande verwarring. 

En misschien is de situatie van ons eigen sociaal contract, met affaires als de aardbevingen in Groningen, de kinderopvangtoeslagen en het huisvestingsdrama, inderdaad al precair genoeg.

Zie ook Hannah Arendt en vluchtelingen

Wil je commentaar geven of zien: klik op Ongekend en Ongehoord onrecht: twee werelden en scrol naar beneden door.

vrijdag 23 april 2021

Winkelschaamte


De Trouw publieksvraag van afgelopen week luidde: “Is winkelen op afspraak aantrekkelijk genoeg of werkt het niet?”. Aanleiding voor de vraag, geformuleerd door Monic Slingerland, was het winkelen op afspraak dat sinds 3 maart is ingesteld, en de haken en ogen die daaraan vastzitten. Zo kun je niet zomaar meer een winkel binnenlopen en wat rondsnuffelen. Je moet als klant na een kwartier weer naar buiten, en die tijdsdruk kan stress opleveren. Als ondernemer zit je hoe dan ook met sterk verminderde omzet; van een stormloop op de winkels is geen sprake, mensen zijn eerder voorzichtig dan gretig. En zo is het ook bedoeld natuurlijk, nog even.

Wat klanten vooral bezig houdt, stelt Slingerland, is de vraag of je wel zonder iets te kopen weer weg mag gaan. “Kun je die winkelier, die nauwelijks inkomsten heeft, door je bezoek de hoop geven dat hij iets gaat verdienen en dan toch niets aanschaffen (‘Prettige dag nog’). Mag je een winkelier wel moeite laten doen om op de website een systeem te maken met tijdsloten en dat alleen maar gebruiken voor het eigen winkelplezier zonder er iets tegenover te zetten?”

Ik vind het grappig dat dat dilemma precies zo aan de orde komt in de Talmoed, de eeuwenoude gezaghebbende verzameling van Rabbijnse commentaren en beslissingen. Niet de vraag over het eigen winkelplezier, want funshoppen is een vrij recente uitvinding (ik meen dat Wim Kok de eerste politicus was die de term gebruikte), maar de vraag ‘mag je wel zonder iets te kopen weer weggaan?’ heeft een bijna gelijkluidende parallel in de Talmoed. 

Daar wordt de vraag opgehangen aan de waarschuwing (Gemara in Chullin, 94a) tegen ‘het stelen van iemands geest’. Dat brengt de Talmoed tot het verbod om tijd en aandacht van een winkelier te stelen – bijvoorbeeld door hem te vragen naar de prijs van een artikel – als je niet van plan bent om dat artikel te kopen.

Met dat verbod moet je wel nuchter omgaan, zegt de hedendaagse rabbijn Aron Tendler. “Als de persoon die naar de prijs vraagt, écht geïnteresseerd is in aankoop van het artikel, en elke winkelier die hij benadert een gelijke kans heeft op zijn bestelling als hij een passende prijs opgeeft, dan kun je niet zeggen dat hij winkeliers schade berokkent. Want de potentiële koper biedt hen de kans om zijn opdracht te krijgen als de voorwaarden goed zijn, en dat is gewoon waar het in business om draait! Een winkelier kan het niet maken om alleen een prijsopgave te doen aan mensen die bij hem willen kopen.”

Zo verweven zich de kwesties van down-to-earth business mooi met vragen die je met recht ethisch mag noemen. Misschien zijn er geen andere ethische vragen dan down-to-earth vragen?

Zie ook Ethici en De markt van hoop en troost

Wil je commentaar geven of zien: klik op Winkelschaamte en scrol naar beneden door.

vrijdag 9 april 2021

Het Gelaat als ethisch duizenddingendoekje


De Frans-Joodse filosoof Levinas wordt wel erg makkelijk voor van alles en nog wat erbij gehaald als het maar een beetje ethisch klinkt. Verheugend natuurlijk, dat mijn favoriete denker een grote bekendheid lijkt te genieten, maar het doet niet altijd recht aan zijn bedoelingen.

Dat zal te maken hebben met de centrale plaats in het werk van Levinas van ‘Het Gelaat’. Gelaat bij Levinas staat voor het morele appèl dat uit kan gaan van een andere mens die ik ontmoet. In de ogen van het gelaat lees ik: ‘Help mij’ of ‘Verneder me niet’, aldus Levinas. 

De ander opgevat als gelaat is kennelijk een aansprekend, bijna aaibaar beeld, maar het gevolg is wel dat het ingezet wordt op manieren die Levinas zelf niet bedoeld heeft. 

Een voorbeeld van die door Levinas niet bedoelde inzet is de veelvuldige koppeling van het gelaat van de ander aan culturele minderheidsgroepen. Mensen met een donkere huidskleur of uit andere, vooral ooit gekoloniseerde culturen worden aangeduid als ‘de Ander’ en daar zou Levinas het over hebben via het woord ‘gelaat’. Die koppeling maakt bijvoorbeeld de Australische Rosalyn Diprose in Bearing Wittness to Cultural Difference: “In this essay I welcome cultural difference, with apology to indigenous Australians. This apology is a gift offered in the spirit of decolonisation and in the words of Emmanuel Levinas. Levinas’s words lend themselves to a philosophy of the gift…as ethical openness to the other”. Diprose vermeldt er trouwens bij dat dit niet in de geest is van Levinas zelf.

En daar heeft ze gelijk in, want er is voor zover ik weet geen passage te vinden in het werk van Levinas die je kunt verbinden met deze progressieve identiteitspolitieke ideeën. In haar boek Un-common Sociality verwoordt de Zweedse Ramona Rat het naar mijn idee correct als ze zegt “Laten we vaststellen dat Levinas het gelaat in méér dan fysieke termen bespreekt. Het gelaat (gezicht) vertegenwoordigt niet de opeenhoping van fysieke kenmerken. Onbepaaldheid, cruciaal voor Levinas’ opvatting van andersheid, blijft belangrijk. Het gezicht is niet alleen ontdaan van zijn fysieke kenmerken, maar ook van zijn culturele of andere contextuele bepaling” (mijn nadruk, NvdV).

Soms is bij Levinas zelfs sprake van het tegendeel van respect voor culturele verschillen. Zeker in zijn vroege jaren spreekt Levinas zich op een manier uit over Afrikanen en Aziaten die wij (en hij zelf later ook) alleen maar politiek incorrect zouden noemen.

Voor twee andere voorbeelden van (naar mijn idee) ongepast gebruik van Levinas doe ik een kleine greep uit meer recente overhaaste verwijzingen naar ‘het gelaat’ annex ‘de ander’ bij Levinas. Het gaat om twee artikelen van de afgelopen week. Bij mijn commentaar daarop laat ik me opnieuw leiden door de subtiele analyses van Ramona Rat.

Op de site van NieuwWij reageert Lisette Thooft op het verwijt door ethicus Frits de Lange dat veel aanhangers van New Age en spiritualiteitsbewegingen zich niets gelegen laten liggen aan de coronamaatregelen. In het artikel Ben ik mijn broeders hoeder? verklaart Thooft, die zich naar eigen zeggen beweegt in “spirituele kringen”, haar besluit om geen mondkapje te dragen als volgt:  

“Een gedachte-experiment. Zou de filosoof Emmanuel Levinas ermee ingestemd hebben dat we ‘voor elkaar’ ons gelaat bedekken met een masker? Wetende dat mondkapjes geen virussen tegenhouden; dat medische mondmaskers dat niet eens kunnen (een verkouden chirurg opereert niet) laat staan de niet-medische publieksversie die ons is opgedrongen? ‘Ze doen wel iets’ was het argument van overheidswege en dat is helaas maar al te waar: ze bedekken een groot deel van het heilige gelaat van de Ander, en daarmee vergroten ze ook de gevoelsmatige afstand en de angst voor elkaar. Een argument om ze niet verplicht te stellen was oorspronkelijk dat ze misschien een gevoel van veiligheid zouden geven. Toen dat niet zo bleek te zijn, werden ze verplicht.”

Ik ben bang dat Thooft Levinas hier te letterlijk neemt. Het gelaat staat bij Levinas beslist wel voor fysieke concreetheid, maar tegelijkertijd ook voor de ongrijpbaarheid ervan. En dus, zoals al gezegd, voor méér dan de fysieke concreetheid vanwege het mysterie van de andersheid van de ander die ons ook in het gelaat steeds ontglipt. Je kunt het gelaat niet tot een heilig ding of thema maken of vangen in een mondkapje. “The face cannot be shown”, aldus Rat. Het kan dus ook niet verborgen worden, het verbergt zichzelf want het is onbepaalbaar.  

Tegelijkertijd – voor zover het Levinas wél gaat om fysieke concreetheid, want dat is verwarrend genoeg soms óók het geval – maakt hij van het fysieke gelaat geen fetisj. Levinas: “De beste manier om de Ander te ontmoeten is door de kleur van zijn ogen niet eens op te merken!” Het gelaat staat voor méér dan alleen het gezicht van de ander, ook fysiek. Rat: “De belichaming van het gezicht is niet te herleiden tot het gezicht als deel van het lichaam. Het hele lichaam wordt een gezicht. En het hele lichaam – een hand of een ronding van de schouder – kan zich uitdrukken als het gezicht”. 

De teksten van Levinas laten vragen bestaan over hoe concreet het gelaat nu eigenlijk is. Maar mét Rat ben ik van mening dat een zekere onbepaalbaarheid voor Levinas in het spel is als het gaat om het gelaat. Die onbepaalbaarheid gaat ver en laat niet toe dat het gelaat verward wordt met dat wat achter een mondkapje verdwijnt alsof daarmee de ziel van de andere mens voor Levinas zou verdwijnen. Rat: “Rather than indicating a mere physical presence, we have shown that the face signifies concealment itself, the absolute alterity and mystery of the other—a mystery that loses all its meaning when we try to determine it.”

In het tweede artikel waar ik aan bleef haken ging het om een uitspraak van filosoof Ivana Ivkovic. Het woord gelaat komt daar niet in voor, maar wel een omschrijving van waar dat gelaat bij Levinas voor zou staan: voor de ander die je voorop moet stellen. Voor een algemeen gebiedende ethiek dus. 

Ivkovic: “Levinas stelt: je moet denken vanuit de ander. Hij gaat daarmee nog een stap verder dan Kant. Kant laat zien dat de mens altijd een ‘doel-op-zichzelf’ is. Vanuit dat doel hebben we universele regels opgesteld over wat dat inhoudt, namelijk de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens: waar heeft elk mens recht op? In de voetsporen van Levinas kun je de vraag stellen hoe je onze oneindige morele verantwoordelijkheid naar zo’n concreet kader kunt vertalen. Het zou een interessant experiment zijn om een Universele Verklaring van de Plichten van de Mens op te stellen. Dan schieten we nog steeds tekort, maar hebben we tenminste wel een houvast”. 

Opnieuw wordt, nu door Ivkovic, veel meer bepaaldheid en grip aan de ander/het gelaat toegekend dan voor Levinas zelf de bedoeling was. Hier wordt de ander tot abstract beginsel, dat de basis zou zijn voor Universele Verklaringen van de Rechten of de Plichten van de Mens. Met Rat meen ik dat het creëren van een universeel concept van de Ander, “a generalized notion of otherness”, en een daarop gebaseerde ethische code het laatste is wat Levinas voor ogen stond

Áls Levinas al over ethiek praat is dat volgens Rat “Het in twijfel trekken van het zelf door de ander”. Daar ontstaat verantwoordelijkheid, en daarmee ontstaat tegelijkertijd het zelf.  

Rat: “By offering a reading of responsibility as responsiveness, and by connecting ethics to the emergence of the self, we will attempt consistently to displace Levinas’s writings from their categorization as ethical theory and underline instead the role they hold in examining the relation of the self in responsiveness to the other(s).” 

Zo gemakkelijk als in de voorbeelden laten Levinas’ ideeën over het gelaat en de ander zich dus niet aan onze gangbare manier van (ethisch) denken koppelen. Daarvoor zijn ze te weerbarstig, maar ook te krachtig.

Zie ook Wie is de ander bij Levinas? en Levinas als revolutionair

Wil je commentaar geven of zien: klik op Het Gelaat als ethisch duizenddingendoekje en scrol naar beneden door.