woensdag 1 juli 2009

Het nut van geschiedenis


Wat is het nut van geschiedenis? Dat heb ik me ook vaak afgevraagd toen ik als afgestudeerd historicus niet direct een baan kon vinden. Dat laatste lukte pas na een forse omscholing in financieel administratieve richting.

Maar het bloed kruipt ook waar het geen geld verdient en mijn historisch-filosofische belangstelling kan zich tegenwoordig uitleven zonder daarover aan iemand verantwoording te hoeven afleggen. En dat is wel zo fijn.

Maar daarmee is de vraag nog niet beantwoord: wat heb je aan geschiedenis?
Ik denk dat de waarde vooral gelegen is in het taalveld dat je krijgt aangeboden. Niet het taalveld van de snelle media en de oppervlakkige journalistiek. Niet dat van de smalle economische belangen. Niet dat van de darwinistische competitie van de biologie.

Het is een taalveld van eindeloos botsende menselijke wilskrachten, van verlangens en stromingen die op elkaar inwerken. Daar horen zinnetjes bij als ‘De geesten werden rijp gemaakt’, ‘Zij wachtten op de grote kladderadatsch’, ‘De economische ontwikkeling nam een grote vlucht’, ‘In Parijs begonnen Verlichtingsideeën salonfähig te worden’. Er zijn onderstromen, stichtingsmythen en plotselinge uitbarstingen en wat er gebeurt is vaak tragisch toevallig, maar ook kleurrijk. Het besef dat een heleboel dingen net zo goed heel anders hadden kunnen lopen verankert zich diep.

Ik heb het dan natuurlijk wel over de geschiedenis beoefend als vak. Dat wil zeggen over een benadering van de geschiedenis die zich bewust is van de eindeloze complexiteit van op elkaar inwerkende krachten en van de tragiek die daarbij hoort. Ik heb het niet over het al dan niet selectief op een rijtje zetten van allerlei historische feiten. Dat betekent eigenlijk dat geschiedbeoefening voor mij een literair genre is en niet voor niets traditioneel een plaats had in de letterenfaculteiten.

En het belang dáárvan is wat mij betreft dat ik niet langer overgeleverd ben aan aan de snelle oordelen en cliché’s van de borreltafel. Je kunt aan de gemeenplaatsen voorbij komen zonder dat het per se filosofisch wordt, maar simpelweg door je te realiseren dat er zo ontzettend veel gebeurd is. Op straat, in gezinnen, in de politiek, op het slagveld. En dat schept een zekere ruimte.

Natuurlijk hoort daar wel discussie bij. Daarom herken ik me wel in de wens van de twee directeuren van het Nederlands Historisch Museum om dat museum in de stad te huisvesten. Want debat en discussie gedijen daar beter dan tussen het lommer en de folklore.

Zie ook Geschiedenis als exacte wetenschap

1 opmerking: