dinsdag 21 april 2009
Duivels lachje
Het meest veelzeggende aan het verslag gisterenavond over het optreden van Ahmadinejad in Genève was dat intens wellustige lachje toen hij weer ging zitten. Hij moet zich erg goed gevoeld hebben na zijn meest recente ontkenning van de Holocaust en de commotie die hij daarmee losmaakte op de VN Antiracisme Conferentie. Het geeft hem kennelijk een duivels soort van plezier om te weten dat je wat raakt, juist omdat je het ontkent.
Het doet me denken aan dat andere duivelse lachje, van Gretta Duisenberg. Op de vraag tijdens een radio-interview hoeveel handtekeningen ze hoopte op te halen voor een petitie tegen Israël antwoordde ze "zes miljoen", om daarna in lachen uit te barsten.
Wat betekent zo’n lachje nou precies?
zaterdag 11 april 2009
Bristol
Afgelopen week was ik een paar dagen in Bristol en het was leuk om daar te zijn. Hoewel je kon zien dat de Tweede Wereldoorlog er behoorlijk had huisgehouden was er genoeg om van te genieten. Pittoreske straatjes, pleinen en huizen en vooral het Waterfront: de oude kades en gerestaureerde pakhuizen met trendy restaurants en terrasjes.
Ik voelde daar wat je wilt voelen in een oude, historische stad. Verbondenheid met voorgaande generaties, met een bepaalde cultuur, in dit geval die van een zeevarende bevolking. Het beleven van die dingen is een manier om je thuis te voelen op deze wereld.
En dan ineens verandert er iets. Je verdiept je wat meer in de geschiedenis van de stad. Je realiseert je dan dat Bristol niet alleen de poort was naar de Nieuwe Wereld maar ook de basis van de Engelse slavenhandel.
Dan is Bristol plotseling een minder goede plaats. Mooie straatjes verliezen hun onschuld. Het je thuis voelen krijgt concurrentie van een soort ongemak.
Is dit niet wat met onze cultuur in het groot ook is gebeurd? We voelden ons redelijk ongecompliceerd thuis in ons Europa, zeker tot aan de Eerste Wereldoorlog. Daarna is er iets geknapt, allereerst door de verschrikkingen van de Belgische en Noord-Franse loopgraven, maar meer nog door die van de Tweede Wereldoorlog.
Sindsdien is ons vermogen om ons thuis te voelen in Europa niet meer wat het geweest is. Huizen, spoorwegen, landschappen zijn niet alleen meer mooi en vertrouwd, ze kunnen nu ook schuldig zijn. Vanuit het verleden zijn ze besmet.
Ik stem niet in met Adorno die zei dat na Auschwitz poëzie niet meer mogelijk is. Net zo goed als van lekker eten of goede sex kunnen we iedere keer opnieuw genieten van poëzie en mooie muziek. Maar dat volledige, vanzelfsprekende thuis-zijn-in-de-wereld, dat heeft wel een knauw gekregen.
donderdag 2 april 2009
Er is tóch vooruitgang (2)
Termen als Eenheid, Waarheid en Hiërarchie doen het nog altijd goed in het Vaticaan. Op zijn eigen onnavolgbare wijze laat Bert Keizer zien in wat voor spiegelpaleis je dan terecht komt. Dan krijg je een Kerk met een hoofdletter en een kerk met een kleine letter. De paus en het Vaticaan hebben weet van de Kerk en bewaken daarvan de zuiverheid, zondige gelovigen en domme bisschoppen worden ondergebracht in de kerk, zodat de zuiverheid van de Kerk nooit kan worden aangetast.
Met dat soort dualistisch, platonisch denken hebben we het hier in het Westen eeuwen moeten doen. Grofweg kun je zeggen dat met Nietzsche de afbraak daarvan is begonnen, die sindsdien gestaag verder gaat. Ik ben geneigd om de ophef over de actuele stroom missers van het Vaticaan te zien als een van de vele fasen van dat afbraakproces.
Als bisschop Cardoso Sobrinho zijn veroordeling van de abortus bij een negenjarig meisje rechtvaardigt met de uitspraak dat de Wet van God staat boven de wet van de mens, dan kan dat niet anders dan de publieke minachting wekken voor zulk denken. En als Antoine Bodar naar aanleiding van het antisemitisme van bisschop Williamson verzucht dat de Kerk weliswaar onfeilbaar is, maar mensen nu eenmaal feilbaar zijn, dan komt dat eerder verhullend dan geloofwaardig over.
Ik noem dat vooruitgang. En die vooruitgang hebben we mede te danken aan het sloopwerk van Nietzsche. Ik ben het daarom niet eens met de filosoof Paul van Tongeren, die laatst in Trouw stelde dat er in de filosofie geen vooruitgang is en dat wij geen stap verder zijn gekomen dan Plato. Juist wel, zou ik zeggen, en gelukkig maar. We pikken het niet meer dat we met die platonische schijnbewegingen het bos in gestuurd worden. Het doorprikken van zogenaamde Eeuwige en Absolute Waarheid, zoals Nietzsche deed, is vooruitgang van de eerste orde.
Als Van Tongeren desondanks geen vooruitgang waarneemt, dan is dat misschien omdat hij – Nietzschekenner als hij is – tot de conclusie is gekomen dat bijdragen als die van Nietzsche per saldo gelijk gesteld kunnen worden aan nul. Wat zulke filosofen aan bevrijding bewerkstelligen, gaat aan de andere kant weer verloren in relativisme en nihilisme.
Maar waarschijnlijk speelt hier nog iets anders mee. Hier speelt ook een rol dat Van Tongeren filosofie in traditionele en grotendeels aan Plato ontleende termen blijft definiëren. Filosofie moet het in die visie hebben over universele wetmatigheden. Dan is het logisch dat filosofie niet verandert, want wat niet aan die termen voldoet is dan per definitie geen filosofie. Terwijl er wellicht filosofie denkbaar is die recht doet aan de relativeringen van Nietzsche en tegelijkertijd ruimte laat voor het – soms, contingent, nu en dan – optreden van ervaringen van absoluutheid en transcendentie. Een filosofie dus die niet praat in universele termen van 'altijd' en 'eeuwig' en 'overal' maar in termen van 'soms wel, soms niet', 'bij de een wel, bij de ander niet'. En die daarmee een mix vertegenwoordigt van het absolute, dat de oude waarheden aankleefde, met het tijdelijke en relatieve van het postmodernisme.
Je kunt zeggen: dat noem ik geen filosofie, want filosofie gaat over universele waarheden. Dan zul je, per definitie, inderdaad nooit kunnen spreken van vooruitgang. Dan blijft het platonische schema van eeuwige waarheden je horizon. Maar wat als de vooruitgang in de filosofie nu eens precies gelegen is in de breuk daarmee?
Zie ook Er is tóch vooruitgang.
Labels:
antisemitisme,
Bert Keizer,
Christendom,
cultuurgeschiedenis,
illusies,
kennis,
Levinas,
Nietzsche,
Plato
Posted by
Naud van der Ven
op
20:02
vrijdag 27 maart 2009
Tamar Bat Mitswa
Lieve Tamar,Het liefste had je je bat mitswa de vorige week gedaan, op 21 maart. Want dat is het begin van de lente en voor jou een mooie aanleiding tot feest.
Dat zou ook om een andere reden leuk geweest zijn. Want je houdt erg van verhalen, je leest ze graag en je schrijft ze zelf. Het Tora-boek Sjemot, dat we vorige week afsloten, bevat veel verhalen: over de uittocht uit Egypte en de doortocht door de woestijn. Terwijl het Tora-boek Wajikra, waar jij nu jouw parasja uit leest, vooral voorschriften bevat. Jouw stuk gaat bijvoorbeeld over de tempeldienst, over vredeoffers en zondeoffers en hoe de priesters dat moeten uitvoeren.
Het zal een schrale troost voor je zijn dat vroeger, toen de tempel nog stond en de priesters er offers brachten, juist dit boek een centrale plaats innam. Jonge levieten en kinderen die voor priester leerden begonnen met dit Tora-boek en niet met de verhalen.
Misschien leuk om te weten, maar niet echt opwindend.
Tja, dan zit er niets anders op dan dat je van dit materiaal maar je eigen verhaal maakt. Misschien is dat wel wat de Joodse traditie zelf ook duizenden jaren lang heeft gedaan.
Want je bent natuurlijk niet de eerste of de enige die bijvoorbeeld met die offers maar weinig kan beginnen. In jouw haftara heeft de profeet Hosea (8e of 7e eeuw voor het begin van de jaartelling) er al moeite mee als hij God laat zeggen: “Want liefde wil ik, geen offers; met God vertrouwd zijn is meer waard dan enig offer”.
En toen in het jaar 70 de tempel was verwoest kón het niet eens meer. De gedachte die door profeten en schriftgeleerden al was voorbereid, namelijk dat een fatsoenlijke samenleving belangrijker is dan het brengen van offers, móest nu wel in praktijk gebracht worden. De rabbijnen die op dat moment leiding gaven aan het Joodse volk meenden dat we, als we ons zouden toeleggen op Tora-studie, gebed en goede werken, de offers konden missen en toch het belangrijkste van de traditie konden bewaren. Die rabbijnen schreven toen hun eigen verhaal. Je kunt ook zeggen dat ze het overgeleverde verhaal hebben aangepast.
Sommige mensen vinden dat je een verhaal niet moet aanpassen. Er zou een soort heilige kern verloren gaan als je dat doet. Zoals er ook mensen zijn die zeggen dat je een boek niet moet verfilmen omdat er van een mooi onderwerp dan niets overblijft. De schrijver Salman Rushdie is het daar niet mee eens. Het is misschien wel heel moeilijk, zegt hij, want er kan iets verloren gaan. Maar er kan ook iets worden gewonnen. De grote vraag is steeds: hoe maak je iets nieuws wat de ziel van het oude in zich draagt? Je moet doordringen tot de essentie en die een nieuwe vorm geven.
Rushdie benadrukt dat zo’n omwerking niet gemakkelijk is. In Hollywood niet, maar in het gewone leven ook niet. Je eigen verhaal (her)schrijven doe je niet zonder slag of stoot. Eigenlijk komen mensen daar pas toe als er de noodzaak voor is, door een groot verlies of in tijden van crisis.
Op zulke momenten, zegt Rushdie, hangt ons beeld van de wereld scheef aan de muur. Maar dan, als we het kunnen opbrengen, passen wij ons aan. En daaraan kun je zien wat de essentie is van wat je meekreeg – het is wat ons erdoor sleept.
Zo bleken in de crisis van het jaar 70 de offers niet tot de essentie te behoren. De Joodse traditie had inmiddels andere dingen gevonden die wezenlijker waren. Die kon men ook zonder tempel in ere houden en die waren samen te vatten onder de noemer menselijkheid.
Wat ons betreft is dat de boodschap van de Joodse traditie: zoek de essentie in menselijkheid en pas je verder maar aan zoveel als nodig is om dat te behouden. We twijfelen er niet aan dat jij genoeg verhaaltalent hebt om op jouw eigen manier het ruwe materiaal van jouw parasja om te zetten in inspiratie waar je mee verder kunt.
maandag 23 maart 2009
Met lege handen
Als Ger Groot zijn bespreking van het boek Nederlandse democratie door J.A.A van Doorn presenteert onder de titel “Kijken, blootleggen, ontleden” raakt hij niet alleen aan de kwaliteiten van Van Doorn. Hij raakt ook aan het beste wat onze samenleving als geheel te bieden heeft: analyse, scherpte, objectiviteit. Omgekeerd weerspiegelt zich in de somberheid die Van Doorns analyses hem opleverden de onmacht van die samenleving die zich geen raad weet met de geïndividualiseerde massamens.
De onwikkeling van het denken van Van Doorn laat zich heel goed vergelijken met de ontwikkeling die onze samenleving de laatste halve eeuw heeft doorgemaakt, zij het dat Van Doorn vaak steeds wat voorlag op de maatschappelijke trends.
In de jaren ’50 was Van Doorn hoopvol gestemd over de ontzuiling en de mogelijkheden van het individu om zich te emanciperen en mondiger te worden. Dat was het optimisme dat in de jaren ’60 vleugels kreeg en de hele samenleving doordrong.
De jaren ’70 stelden Van Doorn teleur: het bevrijde individu bleek in toenemende mate zelfgenoegzaam en vooral consument te zijn. Van Doorn profileerde zich meer en meer als een conservatieve cultuurcriticus. Dit vond maatschappelijk zijn parallel in de jaren ’80 en ’90 toen het in toenemende mate salonfähig werd om jaren-60-taboes en bijbehorende wereldvreemdheid te doorbreken.
Na de eeuwwisseling stelde Van Doorn vast dat de mensen, in hun collectieve streven individu en vooral zichzelf te zijn, meer en meer massamensen zijn geworden. De mondigheid van de burgers heeft het maatschappelijke stelsel niet versterkt maar verzwakt en kwetsbaar gemaakt. Van Doorn waarschuwde dat de democratie daardoor misschien weleens gevaar zou kunnen lopen. Hij werd in die observatie bevestigd door de maatschappelijke en politieke ontregeling als gevolg van het optreden van Fortuyn en de moorden op Fortuyn en Van Gogh.
Van Doorn wist zich, zo stelt Ger Groot, net als vele andere intellectuelen, geen raad met de mondige massamens. Tegelijkertijd ging Van Doorn verder dan veel andere observatoren. Want behalve met de massamens weten die vaak evenmin raad met de terugkeer van religie in de samenleving. Terwijl Van Doorn in een van zijn columns uit zijn laatste jaar juist suggereert dat religie wellicht weer het sociale bindmiddel kan worden dat zij ooit was. Hij denkt daarbij bijvoorbeeld aan de wijze waarop het katholicisme functioneerde voor zijn Limburgse dorpsgenoten, maar ook aan de Islam.
Alleen, zo stelt hij vast, religie wordt tegenwoordig strikt individueel beleefd als iets wat tot de persoon beperkt is. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt verwezen naar anderen of naar een geloofsgemeenschap. Dat baart hem zorgen want zo heb je nog geen bindmiddel.
Wel geeft hij duidelijk aan zichzelf in deze zaken niet als gids te zien. Hij is immers niet uitgerust met een “religieus instinct”. Dat ben ik met hem eens, want ik vind dat hij een beperkt beeld heeft van wat religie is. Als hij zegt dat “een zo strikt persoonlijke beleving van religie haaks staat op alles wat we over religies en religiositeit weten” dan houdt hij geen rekening met de plaats van het individuele, het dwarse, het afwijkende dat in de Joods-Christelijke traditie altijd een plaats heeft gehad. Denk aan Jonas en de andere profeten, maar ook aan Jezus. Denk aan John Locke die benadrukt dat het geloof van binnenuit komt en daarin een argument ziet voor de scheiding van kerk en staat.
Dus de voorstelling dat geloof en gemeenschap vanzelfsprekend bij elkaar horen klopt niet. Er is een transcendente ruimte voor het individu die spanning kan opleveren in de gemeenschap. Maar die ook precies maakt dat een geloofsgemeenschap geen massa is. Zo gemakkelijk laat religie zich dus niet instrumenteel inzetten voor het bevorderen van sociale samenhang. Van Doorns suggestie in die richting is daarom wat gebrekkig.
Los daarvan is die suggestie ook een beetje ongeloofwaardig. Want, behalve dat hij de “intuitie” miste, kan ik me zo voorstellen dat hij een zekere weerzin heeft gehad tegen godsdienstig gedoe. Hij moet zich nooit helemaal lekker gevoeld hebben bij zaken als openbaring, transcendentie, eschatologie en andere mystiek die de religie nu eenmaal inherent aankleven. En daarin is hij weer geheel representatief voor een groot deel van de spraakmakende elite. Die voelt zich tamelijk ongemakkelijk bij religie.
Blijft over: Van Doorn als afstandelijke observator die de teloorgang van religie betreurt en de opkomst van de massamens met zorg beziet. Scherp, analytisch, liberaal, maar uiteindelijk met lege handen. Op excellente wijze exemplarisch voor veel moderne Nederlanders.
Zie ook Bij het afscheid van een columnist.
Labels:
Christendom,
cultuurgeschiedenis,
Islam,
Joodse traditie
Posted by
Naud van der Ven
op
19:56
donderdag 12 maart 2009
Geen ontkomen aan
Ik ben bang dat hij gelijk heeft, Pieter Winsemius. Bij gelegenheid van zijn uitverkiezing tot invloedrijkste duurzame Nederlander zei hij dat het milieuprobleem uiteindelijk een probleem is van sociale samenhang. Natuurlijk moet je windmolens bouwen, zorgen voor schone auto’s en duurzaam bouwen. Maar alleen daarmee red je het niet, zo ontdekte Winsemius, want “een duurzame wereld kan niet bestaan als het onder de mensen in sociaal opzicht rammelt”. Denk hierbij aan mensen die in het geheel geen boodschap meer hebben aan de samenleving. Of aan de sociale leegte die mensen aanzet tot energieverslindende competitie en consumptie. Vandaar dat Winsemius tegenwoordig de wijken in gaat en aandacht vraagt voor de vele outcasts.
Deze opvatting van het probleem maakt de zaak er niet eenvoudiger op. Technische oplossingen voor milieuproblemen bedenken is nog tot daar aan toe. Maar door duurzaamheid te verbinden met sociale samenhang krijg je er nog eens een ander, en wellicht veel lastiger, probleemveld bij van werkeloosheid, verwaarlozing, achterstand. De nummer zeven van de Duurzame Honderd, Diederik Samson, vindt het zorgelijk: "De techniek is er wel, maar intussen blijft de energievraag van mensen maar stijgen". De moed zou je wel eens geheel in de schoenen kunnen zinken.
Gek genoeg doet Winsemius’ constatering me ook goed. Want die komt tegemoet aan mijn intuïtie dat besef van wederzijdse sociale afhankelijkheid wezenlijk is voor alles wat de omvang van een individueel project overstijgt en wat we samen moeten realiseren.
Het stemt ook overeen met de ervaringen die ik heb in mijn eigen werk als kwaliteitsmedewerker bij de gemeente Amsterdam. Qua ernst van de problematiek is mijn werkterrein in de verste verte niet te vergelijken met de problematiek die Winsemius aanroert. Als ik mijn werk erbij haal is het dus alleen maar vanwege de formele parallel die is vast te stellen in de manieren van denken over menselijke samenwerking.
Mijn werk bestaat erin dat ik beschrijvingen maak van werkprocessen in de organisatie, in opdracht van de directeur en de accountant. Nu leidt dat helemaal nergens toe als ik daar de betrokken medewerkers niet in meeneem. Dat wil zeggen, het leidt wel ergens toe, namelijk plaatjes en teksten, maar niemand doet er wat mee. Als ik mensen er wél bij betrek worden het praatplaatjes. Die ondersteunen de communicatie en helpen het energielek te dichten dat ontstaat doordat er geen helder beeld is van een proces.
Nu vinden mijn opdrachtgevers dat helemaal niet nodig. Die zijn al tevreden als er plaatjes en teksten worden opgeleverd. Of iemand er nu wat mee doet of niet, op dat moment is aan de formele vereisten voldaan en is de kous af.
Naar mijn stellige overtuiging levert dat niets op, hooguit vervreemding, vermoeidheid, en veel wollige schijn. Daar ligt een eerste parallel tussen mijn werk en het milieuwerk waar Winsemius het over heeft. Je kunt doelen stellen wat je wilt, heeft hij geconstateerd, maar je zult het sociale weefsel moeten raken om ze meer dan alleen formeel te realiseren. Ik kan plaatjes maken wat ik wil, maar pas als mensen meedoen gaan die plaatjes functioneren.
En omgekeerd ligt er een parallel in de inspiratie die Winsemius opdoet in zijn werk en ik in het mijne. Hij raakt begeesterd als hij verbinding maakt met de sociale werkelijkheid, alsof het uiteindelijk daar vandaan moet komen. En ik krijg energie op de momenten dat ik aansluit bij de thema’s waar de medewerkers in het dagelijkse gedoe het met elkaar over hebben. Want dan pas gaat het ergens over.
Een dergelijke inbedding van procesbeschrijvingen in hun sociale context is niet gebruikelijk. Net zomin als de inbedding door Winsemius van milieuproblemen in hun sociale context gebruikelijk is. Het is integendeel geheel geaccepteerd om dit en andersoortig werk op te vatten als technische kwesties die je bij voorkeur geïsoleerd behandelt. Clean en projectmatig, via planningen, tijdpaden en targets.
Deze wijze van werken weerspiegelt een voorkeur voor afstand, klinisch kijken, en het zoveel mogelijk buitensluiten van sociaal gedoe. Dat zou wel eens de favoriete Westerse methode van managen kunnen zijn. Ik stel me zo voor dat het zogenaamde toezicht op de banken de afgelopen tien jaren op deze volkomen van de werkelijkheid losgezongen manier heeft gefunctioneerd. Opdrachten tot controle werden routinematig verstrekt, uitgevoerd en voltooid en het effect was nul, zonder dat de verantwoordelijken daardoor zeer verontrust werden.
Op die manier kun je net zo goed niets doen. Als werk niet raakt aan het sociale weefsel van de organisatie of de samenleving dan is het gewoon formaliteitenwerk. Dat is vervreemdend en kán daardoor niet werken. We zullen de veilige steriliteit van het werken op afstand moeten prijsgeven en de werkvloer dan wel de wijken moeten opzoeken. Er is geen ontkomen aan.
Zie ook De eerste prijs en Plaatjes maken
Labels:
Amsterdam,
illusies,
kennis,
kredietcrisis,
management,
milieu,
uitvoerend werk,
vakmanschap,
verandering
Posted by
Naud van der Ven
op
15:42
zaterdag 7 maart 2009
Als het denken blind wordt
Waarom nemen zoveel competente managers zo vaak 'stomme' beslissingen? Hoe kunnen foute hersenprocessen goede beslissingen in de weg staan en hoe kunnen leiders oprecht denken dat ze gelijk hebben terwijl dat helemaal niet zo is?
Die vraag werd onlangs gesteld op Managementsite.nl en verklaringen werden onder andere gezocht in de richting van misleidende ervaringen en vooroordelen. Correctie zou wellicht mogelijk zijn door meer en beter nadenken.
Dat lijkt mij niet onaannemelijk, maar tegelijkertijd ook maar de helft van het verhaal. Dat weldenkende managers zo vaak stomme beslissingen nemen heeft namelijk ook te maken met de valkuilen van het denken zélf. Er is een mechanisme in het denken werkzaam dat blikvernauwing en tunnelvisies in de hand werkt. Dat komt doordat het denken - per definitie - werkt met abstraheringen en categoriseringen die de werkelijkheid geweld aan doen.
Het is goed om dat te beseffen. We hoeven dan niet alles wat misgaat aan kwade opzet van het management te wijten en dat kan ruimte scheppen om missers in alle openheid te bespreken. Vergissingen kunnen in sommige gevallen aan de verraderlijkheid van het denken zelf worden toegeschreven, niet per se aan 'fouten' van managers.
Deze constatering roept wel de vraag op of de suggesties die de auteur aanreikt onder het hoofdje “Klankbord” toereikend kunnen zijn. Hij roept managers op open te staan voor andere ideeën, fouten onder ogen te zien en veranderingen te willen zien. Hoe je het ook wendt of keert, dat start allemaal weer bij henzelf: waarop richten zij hun aandacht, wat laten ze in hun denken toe en wat niet. Maar als het denken zo verraderlijk is, dan kan het terugvallen op je eigen denkkracht en oordeelsvermogen maar heel gedeeltelijk het antwoord zijn.
Ik denk – met de filosoof Emmanuel Levinas – dat het maar beperkt mogelijk is om je eigen blinde vlekken te ontdekken. Daar is een externe kracht voor nodig. Het denken voor een ander begeeft zich vaak op dwaalwegen en het is in laatste instantie alleen die ander zelf die jou daarop wijst. Het meeste kun je niet zelf verzinnen.
Dus als de ontsporingen van het denken bij managers maar beperkt verwijtbaar zijn, dan geldt dat wellicht minder voor de overschatting van het autonome denken. Rationaliteit staat in onze cultuur, en zeker in organisaties, hoog aangeschreven. Waarschijnlijk té hoog, gezien de blindheid van het denken die zich links en rechts manifesteert.
Nu is daar ook wel een suggestie voor te bedenken: meer reflectie op wat er gebeurt als de ene mens denkt voor de andere.
Labels:
autonomie,
communicatie,
de ander,
denkgeweld,
denkschaamte,
heteronomie,
illusies,
Levinas,
management,
rationaliteit,
Schaamte en verandering,
verandering
Posted by
Naud van der Ven
op
16:03
zaterdag 28 februari 2009
God en Psyche
Gisterenavond heb ik Herman van Praag gehoord over zijn boek God en Psyche. En vooral ook gezien, want de kaarsrechte tachtigjarige hersenonderzoeker maakte indruk met zijn wendbare mimiek en zijn flitsende ogen die één op één zijn gedachten lijken te volgen. Wat een snel en scherp verstand al niet kan bijdragen aan onze fysieke conditie! Al weet ik natuurlijk niets van de sportscholen die hij mogelijk bezoekt.
Iets professoraals heeft hij ook, waardoor je een zekere afstand voelt. Maar waarschijnlijk stelt die afstand hem weer in staat om bewonderswaardig onafhankelijke posities in te nemen. Bijvoorbeeld ten aanzien van Freuds ideaalbeeld van de volwassen mens die volledig onafhankelijk en autonoom zou moeten zijn. Dat ideaalbeeld was lange tijd onder psychiaters dominant en lijkt nu overheersend te zijn geworden in de hele samenleving. Van Praag gaat tegen de stroom in als hij dat ideaal ter discussie stelt. Volgens hem zijn mensen nu eenmaal fundamenteel van elkaar afhankelijk en is daar ook niets mis mee.
Van Praags kritische geest komt daarnaast tot uitdrukking in zijn behandeling van de zogenaamde achterlijkheid van religie. Onder psychotherapeuten is die negatieve kwalificatie van religie wijdverspreid. Maar Van Praag aarzelt in zijn boek niet om de transcendente werkelijkheid even serieus te nemen als de psychische.
Toch blijft hij voor mij, als historicus, een bèta. Dat blijkt als hij het terrein van het hersenonderzoek en de neurowetenschap verlaat en dat van de geschiedenis betreedt. Ik doel op de stelligheid waarmee hij het Zionisme omarmde, zonder een woord te wijden aan de problematische aspecten die er aan vast zitten. Op zo’n moment neemt Van Praag het streven naar volkomen exactheid, dat in die bètawetenschappen op zijn plaats is en stellig spreken mogelijk maakt, mee naar het terrein van de geschiedenis, waar het misstaat of op zijn minst van kleur zou moeten veranderen.
Zelfs het doel van een – eventueel complexe – psychosociale balans dat hij als psychiater voor zijn cliënten nastreeft, is niet helemaal geschikt als richtsnoer bij de beoordeling van de geschiedenis. Daarvoor gaat het in de werkelijkheid – ook die van Israël – te vaak om duistere materie. Het verlangen naar eenduidigheid of naar het aanbrengen van een prettig evenwicht kan een adequate verantwoording van een complex verleden weleens in de weg staan.
Een serieuze wetenschapper op het vlak van de geschiedenis zal – noodgedwongen – dan ook op andere posities uitkomen dan die van een stellige omarming van het Zionisme. Het is niet voor niets dat de generatie van de Nieuwe Historici in Israël zich gedwongen zag om een nieuw, ontmythogiserend en misschien wel ontluisterend verslag van het ontstaan van de Joodse staat te schrijven. En die historici zijn werkelijk niet allemaal anti-Zionistisch.
Herman van Praag is direct overgestoken van de bètawetenschappen naar de geschiedenis als onderdeel van een metafysisch plan. Hij heeft de geschiedenis als wetenschap, met de weerbarstige en vaak verwarrende menselijke werkelijkheid als onderwerp, overgeslagen. Hij heeft het over geschiedenis als heilsgeschiedenis, niet meer over geschiedenis beoefend als wetenschap.
Nu ís Herman van Praag natuurlijk helemaal geen historicus, dus is hij niet gehouden aan de ernst die daar geboden is. Maar het is wel goed om dat te constateren, zeker bij iemand met een dergelijk wetenschappelijk prestige als Van Praag. Zijn uitspraken over het Zionisme doet hij niet als wetenschapper maar als gelovige, en moeten dus niet als wetenschappelijk gelegitimeerd beschouwd worden.
Mooi meegenomen dat het bedrijven van geschiedenis hierdoor weer eens kan verschijnen als een volwaardig vak op zichzelf.
Zie ook Sociaal geweld en geschiedenis als exacte wetenschap.
Labels:
autonomie,
boeken,
geschiedenis als vak,
heteronomie,
Israël,
New Historians,
rede en ervaring,
wetenschap,
zionisme
Posted by
Naud van der Ven
op
20:57
woensdag 18 februari 2009
Bestemming bereikt
In Trouw sprak Bert Keizer vorige week zijn verbazing uit over de snelheid waarmee de Katholieke kerken vanaf de jaren zestig zijn leeggelopen. Zijn verbazing spitst zich toe op de constatering dat dit juist gebeurde vanaf het moment dat de kerkleiders besloten de kerk een meer humaan gezicht te geven. “Wie het snapt mag het zeggen”.
Dit brengt mij de uitroep in gedachten van een Franse revolutionair die rond 1790 verklaarde dat de Christelijke beschaving zijn doel had bereikt met de instelling van een regime van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap. Zo bezien is de diepste bestemming van het Christendom een humane samenleving waar redelijkheid heerst en die best geseculariseerd mag zijn, als de Christelijke idealen eenmaal hun belichaming in deugdelijke instituties hebben gevonden. Dat zou een eerste verklaring kunnen zijn voor de afnemende aantrekkingskracht van het Christendom in onze ontwikkelde samenleving. Het heeft zijn bestemming bereikt en zichzelf overbodig gemaakt.
Daarnaast is er nog een andere verklaring mogelijk, en die situeer ik in de Christelijke gerichtheid op waarheid. Het centraal stellen van de waarheidsvraag – metafysische maar ook feitelijke waarheid – brengt mogelijk een soort schraalheid met zich mee die het Christendom op dit moment opbreekt. De centrale plaats van de waarheidsvraag in het Christendom laat zich gemakkelijk vaststellen aan de hand van de opwinding die er ooit geweest is over de ware aard van Jezus – God of mens – of over het spreken van de slang in het paradijs. Er is – voor zover ik weet – geen andere godsdienst waarin de vraag of iets letterlijk zo gebeurd is als het in de heilige boeken staat de gemoederen zozeer kan verhitten.
Dat geldt bijvoorbeeld op dit moment voor de vraag of de wereld nu wel of niet in zes dagen geschapen is. Uit de krant begrijp ik dat Moslims daar wel over discussiëren maar er soepel mee omgaan. Wat als een dag staat aangeduid kan evengoed duizend jaar zijn. Het verhaal van de schepping in zes dagen kan door Moslims gemakkelijk worden uitgelegd als een geleidelijk proces van miljoenen jaren. Voor Joden, ook orthodoxe, is het evenmin een heet hangijzer. Maar onder Christenen is de verdeeldheid over deze kwestie groot. Dat komt niet omdat die Christenen fundamentalistischer zijn. Want fanatieke Moslims of Joden zijn dat net zo zeer of nog meer. Maar hun fundamentalisme heeft een andere kleur dan die van de Christenen. Hun fundamentalisme gaat niet over wel of niet echt gebeurd. Zij zijn fundamentalistisch over opdrachten, het letterlijk nemen van wat je al dan niet moet doen.
Ook op dit vlak, van het zoeken naar waarheid, lijkt het Christendom door zijn eigen succes te worden ingehaald, net als bij het streven naar een humane samenleving. Die gerichtheid namelijk, op de juistheid en betrouwbaarheid van de overgeleverde waarheden, stimuleerde in het Westen kritisch, wetenschappelijk onderzoek. Ook historisch onderzoek, en de uitkomsten daarvan bleken dodelijk te zijn voor die religie waarin zoveel afhangt van de vraag of een bepaalde gebeurtenis nu wel of niet echt gebeurd is.
De Islam kent die kwetsbaarheid veel minder. Ik weet dat uitspraken over het gedrag, de moraal en de manier van leven van de Profeet voor Moslims gevoelig liggen. Maar ik denk niet dat Moslims vreselijk van slag raken als zou blijken dat Mohammed niet echt ten hemel is gevaren maar ergens begraven ligt. De praktijk van geboden en gebeden wordt er niet minder om. En voor de Joodse traditie is het niet zo’n probleem als de Uittocht uit Egypte niet precies zo blijkt te hebben plaatsgevonden als de Bijbel vertelt. Zelfs niet als die helemaal niet zou hebben plaatsgevonden. De opdracht om erover te blijven vertellen blijft recht overeind staan, zelfs als er geen Exodus geweest is.
De twee genoemde verklaringen voor de verdamping van het Christendom zouden wel eens samen kunnen hangen. Gerichtheid op de waarheid ligt dicht bij de gerichtheid op de rede die streeft naar een humane samenleving. Wat die twee gemeen hebben is een moeizame verhouding tot ervaring. Zoals Frank Ankersmit zegt in zijn boek De sublieme historische ervaring: aandacht voor de waarheid en de rede heeft het in het Westen altijd gewonnen van die voor de ervaring. Dat breekt het Christendom op dit moment op. Want gehechtheid aan een traditie komt primair voort uit doorgaande, gemeenschappelijke ervaringen. En die zijn eerder gelegen in het doen van dingen, in het uitvoeren van geboden, dan in het scherp stellen van de rede en de waarheid. Met dat laatste kun je zeker vooruitgang boeken, maar ook jezelf overbodig maken.
(Wetenschappelijk Naschrift: Uit betrouwbare bron heb ik begrepen dat ten aanzien van Mohammed niet gauw een probleem zal optreden: hij is zowel ten hemel gevaren, als - tien jaar na terugkomst op aarde - in Medina begraven.)
Zie ook La trahison des clercs, Lekker irrationeel en Taylor, Levinas en de leegte
Labels:
Christendom,
cultuurgeschiedenis,
Islam,
Joodse traditie,
kennis,
rationaliteit,
rede en ervaring,
wetenschap
Posted by
Naud van der Ven
op
20:42
donderdag 12 februari 2009
Heerlijk
"Heerlijk”, al die Mariabeeldjes uit de Middeleeuwen die in de Amsterdamse bodem worden gevonden. Je komt daardoor dicht bij de gevoelens van geborgenheid die de vroegere Amsterdammers daaraan beleefd moeten hebben. En “prachtig, toch?”, die hoge bordestrappen voor de grachtenhuizen. Van daaraf kon je lekker een beetje neerkijken op het volk dat voorbij kwam.
Prachtig en heerlijk, het waren terugkerende uitroepen van de gids die ons laatst op het afdelingsuitje rondleidde in het Amsterdams Historisch Museum. Wij vonden dat op een gegeven moment een beetje raar worden.
Maar aan de andere kant herken ik het wel, de opwinding die uitgaat van het gevoel even in contact te staan met een heel ander tijdvak dan het onze. Ben ik daarom niet geschiedenis gaan studeren? Was ik niet altijd gefascineerd door het historische stadje Bergen op Zoom waar wij vlakbij woonden?
Gelukkig ben ik nu gelegitimeerd in die belangstelling door een interessant boek. Frank Ankersmit schrijft in De sublieme historische ervaring over momenten waarop je het gevoel hebt in direct contact te staan met het verleden. Hij pleit ervoor die momenten te koesteren omdat ze een tegenwicht bieden tegen het overwicht van theorie in de geschiedschrijving. Existentiële verbondenheid met het verleden hoeft niet achter te blijven bij historische objectiviteit.
Aangemoedigd door Ankersmit vermeerder ik tegenwoordig mijn historische sensaties als ik van het Centraal Station naar het werk loop en terug. Ik stel me de laatste tijd vooral voor hoe ze die hoge huizen uit de drassige bodem hebben opgetrokken. Veel hout gebruiken, behendig timmeren en woekeren met de krappe ruimte die met heipalen gewonnen werd. Bakstenen boten, dat zijn het vaak. En lang niet altijd voorzien van bordestrappen maar van kippetrappetjes of hardstenen touwladders.
Zie ook Burgerpaleizen, Een moeder voor de stad en Historische ervaring
Labels:
Amsterdam,
Ankersmit,
Bergen op Zoom,
cultuurgeschiedenis,
rede en ervaring
Posted by
Naud van der Ven
op
15:38
woensdag 4 februari 2009
Er is tóch vooruitgang
Geweldig wat een mens, die Angela Merkel in haar vermaning aan de paus over de Holocaustontkenning van bischop Williamson! Wie had dat kunnen denken, dat in ons tijdperk van waarden- en waarheidsrelativisme op hoog politiek niveau een punt gemaakt wordt van historische feitelijkheid?
Wat mij betreft is dat drievoudige vooruitgang.
Allereerst is dat vooruitgang ten opzichte van een eerdere ruzie tussen Duitsland en de paus. In de Middeleeuwen twistten de Duitse keizer en de paus om de vraag bij wie van hen het hoogste gezag lag. Ook toen, tijdens de Investituurstrijd, werd er geschermd met de waarheid maar die was vooral van het vage, bovennatuurlijke soort: beide partijen meenden de wil van God te kennen. In wezen was het een ordinaire machtsstrijd.
Nu heb ik niets principieels tegen machtsspelletjes, daar kun je vaak niet omheen. Maar ik vind het wel verwarrend als die gepaard gaan met waarheidsclaims, zeker speculatieve en oncontroleerbare claims. En dat was het geval met de theologische gedachtenconstructies waarmee paus en keizer elkaar bevochten.
Het verschil met de Middeleeuwen is dat er in de huidige interactie tussen Merkel en de paus niets anders aan de orde is dan de sobere, historische waarheid – in ieder geval aan de kant van Merkel. Dat noem ik vooruitgang.
Daarnaast maakt de Bondskanselier met haar opstelling duidelijk dat Duitsland een volwassen democratie is waarin discussie over het eigen verleden niet wordt gemeden. En waar het signaal wordt afgegeven dat de historische feitelijkheid ook in de toekomst geen geweld mag worden aangedaan. Die houding was in West-Duitsland al eerder te constateren maar dat dat ook voor het verenigde Duitsland opgaat is bemoedigend.
Tenslotte is er vooruitgang ten opzichte van ons eigentijdse intellectuele klimaat. Onder invloed van het postmoderne denken zijn we gewend geraakt aan de gedachte dat waarheid relatief is. Er zijn meerdere waarheden, het hangt er maar net vanaf vanuit welk perspectief je de zaken bekijkt. De notie dat sommige feiten onomstotelijk feiten zijn en in het geheel niet afhankelijk van hoe je ernaar kijkt, wil wel eens oplossen in een algehele onverschilligheid voor de waarheid.
Waarheidsscepsis heeft ongetwijfeld iets bevrijdends als het gaat om allerlei metafysische waarheidsclaims. Maar postmodernisten passeren een grens als ze ook feitelijke waarheden non-existent verklaren. De Grote Verhalen zijn misschien ten einde maar er zijn nog altijd dingen die je nooit mag vergeten. Met haar optreden heeft Merkel bijgedragen aan het markeren van dat verschil.
Zie ook Er is tóch vooruitgang(2)
Labels:
antisemitisme,
Christendom,
cultuurgeschiedenis,
denkgeweld,
Sjoa,
wetenschap
Posted by
Naud van der Ven
op
21:29
Abonneren op:
Posts (Atom)
