donderdag 15 november 2012

Seculiere varianten


Wat te doen als het niet meer vanzelf gaat?

Ik bedoel: als geloven in een God niet meer vanzelf gaat. Want is dat niet de situatie van velen van ons? Als we niet zelf afkomstig zijn uit gezinnen waar de Eeuwige nog een levende aanwezigheid was, dan zijn we toch allemaal minstens erfgenamen van tradities waarin Zijn aanwezigheid vanzelfsprekend was en nu niet meer.

Zijn afwezigheid kun je dan als gemis ervaren, ook al was het nooit jouw persoonlijke deel. En ook een samenleving als geheel kan dat missen, ook al is die samenleving grotendeels geseculariseerd. Wat doen mensen met dat gemis?

Sommigen vinden een vervangend idee of ideaal. Misschien is natuurkundige Robbert Burggraaf zo iemand. In ieder geval gelooft hij in iets dat grenst aan tijdloze zuiverheid, namelijk het bestaan van de eenheid van alle menselijke kennis, waarin alles met alles op een betekenisvolle manier verbonden is. Dat inspireert hem om in zijn wetenschappelijke onderzoeken de wereld steeds verder te verkennen en dat levert hem de betekenisvolheid waar hij naar zoekt.

In Joodse, ook synagogale, kringen is het tekort ruim voorradig: de persoonlijke God is er lang niet meer voor iedereen, en voor sommigen al heel lang niet meer. Maar daar is wat op gevonden: gewoon doorgaan met de rituelen. Maak kiddoesj op vrijdagavond en havdala op zaterdagavond. Bouw een loofhut met Soekot, vertel verhalen met Pesach en eet melkkost met Sjavoeot. Op die manier blijf je dicht bij de traditie en blijft daar een levende werkelijkheid voelbaar.

In Christelijke kringen worstelt men het meeste met het gemis, waarschijnlijk omdat het wegvallen van het godsgeloof bij velen relatief kortgeleden plaats vond. Immers, tot in de jaren zestig waren de dogma’s en godsbewijzen in die kringen nog springlevend. De leegte van het modernisme die daarvoor in de plaats is gekomen voelt nog rauw en bedreigend.

Als tegenwicht tegen die bedreigende kilte beveelt de verklaarde atheïst Ger Groot post-Christelijke zoekers aan om de oude rituelen opnieuw op te nemen, zonder de theologische ideeën die er oorspronkelijk bijhoorden. Want rituelen hebben hun eigen kracht en creëren hun eigen werkelijkheid die zich niet modernistisch laat wegpoetsen. En dat voelt warm en heilzaam.

Om zich de kunst van “rituelen zonder geloof” eigen te maken wordt vanuit Christelijke hoek wel gekeken naar de manier waarop veel Joden dat al veel langer doen. Thierry Baudet zegt daarover in de NRC: “Misschien is het daarom toch een goed idee het christendom op een seculiere manier te herwaarderen. Vele Joden doen het ook zo: ze geloven dikwijls geen woord meer van de Torah, maar ervaren niettemin dat in de religieuze traditie veel wijsheid is gelegen; ze zijn trots zichzelf als Joods te zien, en beseffen dat de rituelen en gebruiken ons bestaan op een vreemde manier completeren.”

Spannend. Maar ik weet niet of het Christendom zich voor deze benadering even goed leent als het Jodendom.

Zie ook Liberale varianten en Bestemming bereikt

vrijdag 9 november 2012

Kant avant la lettre


Pas als iemand weet wat er van binnen gebeurt – dus hoe het in hemzelf toegaat – blijkt hij dat te kunnen overdragen op anderen. Pas dan kan hij dat inzetten voor communicatie.

Deze gedachte valt me in na mijn bezoek aan de tentoonstelling De weg naar Van Eyck in het Museum Boijmans Van Beuningen. De aanleiding voor die gedachte is de wijze waarop Jan van Eyck in zijn schilderijen werkt met lichtinval en lichtweerkaatsing en door illusievorming de werkelijkheid meer nabij komt dan zijn voorgangers.

“Als eerste slaagde hij erin om de tastbare werkelijkheid overtuigend op te roepen” vertelt de begeleidende tekst. En dat lukt hem, paradoxaal genoeg, juist omdat hij afziet van het tastbare echte spul.

Neem bijvoorbeeld de manier waarop hij goud afbeeldt. Tot aan Jan van Eyck gebruikte men voor weergave daarvan echt goud. Wat wil je nog meer, zou je zeggen, om goud overtuigend te kunnen afbeelden. Welnu, dat echte goud blijkt veel minder overtuigend dan de lichte verfstipjes, -vlakjes, en -veegjes die de schilder neerzet, bijvoorbeeld om goudbrokaat te tonen.

Van Eyck heeft kennelijk in zichzelf waargenomen hoe het van binnen toegaat. Zijn brein maakte goud van stipjes en vlakjes en veegjes op een manier die hij overtuigender vond dan bladgoud. Zijn brein vond onecht echter dan echt. Dus koos Van Eyck voor het effect dat zijn brein produceerde in plaats van voor echt goud.

De gedachte die zich opdringt is: dit is Immanuel Kant, maar dan vierhonderd jaar avant la lettre. Immers, Kant hield de werkelijke wereld voor onkenbaar, dus minder relevant dan de wereld die wij met behulp van de categorieën van ons verstand construeren. Die geconstrueerde wereld is volgens Kant onze werkelijkheid.

Uit de parallel tussen Van Eyck en Kant blijkt nog meer dan alleen het feit dat wij een groot deel van onze werkelijkheid zelf construeren. De manier waarop de schilder primair in zichzelf moet hebben geobserveerd wat de verf met hem deed wijst op een vorm van introspectie die ons in het Westen revolutionaire wendingen in cultureel en filosofisch opzicht heeft opgeleverd.

Het meest particuliere subject toont zich een vindplaats voor inzichten die, als ze eenmaal naar buiten gebracht zijn, voor meer mensen blijken te gelden. Toen Jan eenmaal besefte wat er in hemzelf gebeurde bleek hij in staat dat effect ook in andere mensen op te roepen. Dit soort van generaliseren mag ik wel: dat is universaliteit die blijkt uit wat er gebeurt, geen universaliteit die vooraf door een abstracte rede wordt gepostuleerd.

Dat blijft het eeuwige gelijk van de nadruk op het subject, het menselijke individu. Pas als iemand weet hoe zaken bij hemzelf binnenkomen blijkt hij die te kunnen mededelen aan anderen. En is er een begin van gedeelde ervaring mogelijk, vanuit de eenzaamheid.

Zie ook Onttakelen en Monet in de Vinexwijk

donderdag 1 november 2012

Wilde dieren


Regelmatig lees je trotse berichtjes in de krant dat de wilde dieren terugkeren in Nederland en Europa. Wolven en beren worden, dankzij expliciet daarop gericht beleid, weer gesignaleerd in het Oosten van Duitsland en tot tevredenheid van de beleidsmakers vertonen zich voor het eerst sinds vijftig jaar weer met enige regelmaat haaien in de Oosterschelde.

Zoiets zie ik in Israël nog niet zo gauw gebeuren: gesubsidieerde leeuwen of hyena’s die worden teruggebracht in de gebieden waaruit ze met succes verdreven waren. Gesubsidieerde wilde dieren lijken mij bij uitstek symptomen van een verveelde samenleving die na zeventig jaar rust weer toe is aan een beetje opwinding en avontuur. Want de EU levert dan wel vrede maar is voor veel mensen zo spannend als een belastingformulier. We willen het gevaar weer kunnen ruiken.

Israël heeft zonder wilde dieren al meer dan genoeg om regelmatig van wakker te liggen, zoals raketbeschietingen, aanslagen, nucleaire dreiging of recent gesneuvelde familieleden. Dat is geen situatie waarin je voor je plezier wat spanning gaat toevoegen.

Of lijkt dat maar zo? Dat zou je soms denken als je ziet hoe ideologisch gedreven kolonisten het nodig vinden om zich diep in Palestijns gebied te vestigen en daarmee hun lot en iedere kans op vrede te tarten. Of bij berichten over arrogant gedrag en willekeur van soldaten die tekeer gaan op de Westoever. Er wordt wel gezegd dat het voor de veiligheid gebeurt maar dat is niet goed vol te houden. Het lijkt mij spelen met vuur, gevaarlijker dan een paar gesubsidieerde wolven.

Zie ook Koosjere wijn en Een kwestie van PR?

vrijdag 26 oktober 2012

I think to myself


Toch heb ik dat werk maar mooi vijftien jaar kunnen doen, denk ik bij mezelf.

Er waren genoeg, geenszins onverstandige, mensen die destijds tegen me zeiden: “Wat jij wilt, dat kan niet. Zoveel tijd en aandacht besteden aan wat er op de werkvloer gebeurt, en dan ook nog de inbreng van de medewerkers honoreren? Dat is onbestaanbaar binnen dit managementregime dat het liever simpel wil houden”. Wat in de meeste gevallen wil zeggen: simpel en monter top down.

Nou, denk ik dan bij mezelf, ik heb toch heel wat mooie sessies kunnen leiden, met deelnemers die er veel aan hadden en nu direct met me verder zouden willen.

En hoe dan ook, denk ik bij mezelf – ja natuurlijk bij mezelf, want Het Grote Isoleren is begonnen – daar staat nog steeds een schitterende database met geïntegreerde informatie over processen, informatiestromen en databestanden.

Denk ik dan bij mezelf. 

What a wonderful world.

Zie ook Verwondering of verbijstering


vrijdag 19 oktober 2012

Levinas en Rousseau


Het kan soms lijken alsof Jean-Jeacques Rousseau (1712 – 1778) nog springlevend is en misschien wel de meest actuele filosoof die we hebben. “Lekker jezelf zijn”, of “terug naar de natuur” zijn slogans die het goed doen en die je zo op Rousseau zou kunnen terugvoeren. En iets serieuzer maar niet minder modieus: de wens om achter de schijn van zaken terug te gaan naar de authentieke kern van je ware identiteit, al dan niet geworteld in een traditie. Met zijn nadruk op het Ware Zelf is Rousseau paradigmatisch te noemen voor een uitgesproken Westerse preoccupatie met het Zelf, ook van wedergeboren Joden of Christenen en tegenwoordig ook Moslims.

Maar hedendaagse commentatoren maken ons duidelijk dat die actualiteit van Rousseau toch vooral schijn is. Want het collectieve streven naar authenticiteit holt dat streven zodanig uit dat er onechtheid overblijft. “Zodra je authentiek probeert te zijn ga je die echtheid spelen en ben je niet meer onbekommerd jezelf”, aldus Wilfred van de Poll.

Nadat God en religieuze tradities al eerder gesneuveld waren als absolute waarden, is het nu de beurt aan het geloof in een authentiek zelf à la Rousseau om te verdwijnen. Daarmee vervalt ons laatste baken van absoluutheid, “doen alsof” is na het postmodernisme nog het enige dat ons rest. Eigenlijk gelooft geen enkele hedendaagse filosoof nog in de absoluutheid van wat dan ook.

Geen enkele? Nou, één – toch zeer Franse – filosoof doet zijn best om, temidden van het postmodernistische geweld, iets van een absolute waarde hoog te houden. Maar hij moet daarvoor aan die absoluutheid wel een radicaal andere draai geven. Die geldt dan niet meer, zoals eeuwen het geval was met Rousseau als een hoogtepunt, het Zelf – maar de Ander. Want volgens hem verschijnt de ander soms aan ons op een manier die zich niet laat tegenspreken, dus: absoluut.

De filosoof die deze draai maakt is Levinas, en de radicaliteit van zijn oriëntatie wordt zichtbaar doordat Levinas met betrekking tot allerlei thema’s uitkomt op posities die tegengesteld zijn aan die van Rousseau. Bijvoorbeeld als het gaat om de waardering van de rede en de waardering van de techniek.

Rousseau speelt het klaar om, hoewel hij filosoof was, een romantisch anti-intellectualisme te omhelzen. Hij kan ons er zelfs toe brengen om te stoppen met denken. Dat doet hij via zijn grote nadruk op authenticiteit en door de gedachte dat de rede ons berooft van een oorspronkelijk gegeven aangeboren zuiverheid.

Deze gedachte is Levinas geheel vreemd. Levinas formuleert wel degelijk belangrijke bezwaren tegen de rede, maar het laatste wat hij voorstaat is om het denken te stoppen. We moeten daar vooral mee doorgaan, en laat de confrontatie van ons denken met de ander ons dan maar corrigeren.

In het verlengde van die positie heeft Levinas een optimistische kijk op techniek en wetenschap, anders dan Rousseau die techniek en wetenschap ervan beschuldigt de mens te vervreemden van zijn oorspronkelijke zelf, waarvan hij de weerspiegeling nog terug meent te vinden in de primitieve volkeren en de nobele wilden.

Inderdaad, niets staat verder af van Levinas dan dat. En eigenlijk staat ook niets verder af van de Joodse traditie dan die gedachte van Rousseau.

Zie ook Moeilijker dan postmodern en Eigenzinnig

vrijdag 12 oktober 2012

Evenwicht


Wil een mens enigszins geestelijk gezond blijven, dan zal er op een of andere manier een evenwicht moeten zijn tussen idealen en werkelijkheidszin.

Dat evenwicht zal er ook moeten zijn binnen grote levensbeschouwelijke tradities die pretenderen de mens te bedienen. Bij de levensbeschouwingen die al millennia meegaan zal dat ongetwijfeld het geval zijn.

Wel ziet dit evenwicht er per traditie anders uit, daardoor verschillen ze precies van elkaar. Wat mij daarbij al lang intrigeert is de vraag waarin het Joodse evenwicht precies verschilt van het Christelijke. Want ik ben toch niet voor niets van de ene traditie overgestapt naar de andere?

Als we beginnen met het Christendom, hoe ziet dan de idealistische kant eruit? Opvallend is de grote reikwijdte van de boodschap van naastenliefde. Die is in principe universeel en nadrukkelijk ook bedoeld voor mensen aan de andere kant van de wereld, ver van je bed. Daarnaast gelooft het Christendom in geweldloosheid, en dat is weer gekoppeld aan een sterk geloof in de mogelijkheid tot onthechting van menselijke materiële en biologische behoeften.

De Christelijke realistische kant die als tegenhanger kan worden beschouwd van dat idealisme, is het besef dat dit alles wel wat kost. Het vergt training, disciplinering en bescheidenheid om tot de gewenste onthechting te komen. Daarbij past de strenge Christelijke ethiek van soberheid en afzien van geneugten.

De idealen van de Joodse traditie sluiten op het allerhoogste niveau wel de hele mensheid in, want het droombeeld van de Messiaanse tijd betreft de wereld en alles wat erop is. Maar onder dat niveau maken de idealen al snel onderscheid tussen mensen die dichter bij staan en die verder weg zijn, zeg maar tussen dikke en dunne relaties. De meeste aandacht gaat daarbij uit naar de dikke relaties van de familie- en volksgenoten en mensen in de directe omgeving. Daarmee wil je het goed hebben, emotierijk communiceren en, zegt Levinas, vertoeven in de schaduw van je wijngaard en vijgenboom. Of, zoals Abel Herzberg het zei in zijn taal: “Ik versta onder leven: leven in vreugd”.

Dat heeft gevolgen voor de realistische kant van de zaak. Het betekent bijvoorbeeld dat pacifisme geen groot thema is. Het belang van een voortbestaan als volk of als land maakt de mogelijkheid tot zelfverdediging en de aanwezigheid van een leger tot een vanzelfsprekendheid. Het streven het goed te willen hebben maakt geld, bezit, sexualiteit en andere trivialiteiten tot zaken die er helemaal bij horen. In de wetenschap dat ze gevaarlijk misleidend kunnen zijn.

Ja, als ik zo het tableau overzie dan weet ik wel waarom ik ben overgestapt.

Zie ook Levinas en Spinoza en De dingen en de mensen

vrijdag 5 oktober 2012

Hutten


Dit jaar heb ik veel beleefd aan het opzetten van de loofhut.

Allereerst omdat ik de soeka dit jaar in gedachten heb opgedragen aan mijn recent overleden moeder. Het fragiele maar pittoreske bouwsel met zijn licht- en schaduwvlekken sluit aan bij de omringende natuur zoals zij dat deed. Daarbij, zij was een mens van de inkeer, van de voortdurende terugkeer in haar innerlijke hut. De loofhut is dus dit jaar een gedenkhut.

Dat leverde me associaties op met het boek De geheugenhut van Tony Judt. Gelukkig niet vanwege een parallel met de verschrikkelijke spierziekte ALS waardoor Judt getroffen werd. Maar wel vanwege Judts beschrijving van zijn situatie waarin hij geen macht meer had over zijn spieren en alleen nog maar beschikte over zijn intellectuele functie. Hij getuigt daarin van de kracht van het menselijke innerlijk op een manier waarvan ik de smaak bij mijn moeder voor het eerst heb geproefd.

Albert Hogeweij schrijft: “’s Nachts lag Judt urenlang wakker en liet hij zich door zijn geheugen vervoeren naar die speciale ervaringen, belevenissen en gebeurtenissen die zijn leven hadden verbijzonderd en verrijkt. Tot weinig anders inmiddels meer in staat schreef hij ’s nachts ‘in zijn hoofd’ hele verhalen waarin hij veel scherper dan voorheen verbanden bleek te kunnen leggen. Zo ontstonden allerlei ‘kroniekjes’ van zijn leven. Alleen was hij niet meer bij machte ze zelf op te tekenen. Hij moest wachten tot de volgende dag iemand kwam aan wie hij het kon dicteren”. Ondertussen sloeg hij ze op in zijn geheugenhut.

Tenslotte is er de gewetenhut waar Levinas het graag over heeft in zijn artikel Eer zonder vlagvertoon. “Het echte innerlijke leven is geen vrome of revolutionaire gedachte die in een gevestigde wereld bij ons opkomt, maar de verplichting om de hele menselijkheid van de mens te behoeden binnen een hut die naar alle kanten openstaat: ons geweten”.

Zie ook Spinaziegroen en Kol Nidrei en andere illusies

vrijdag 28 september 2012

Baan kwijt


Tenzij de rechter nog anders beslist ben ik ben dus (zie slot vorig blogbericht) mijn baan kwijt. Ik moest solliciteren op mijn eigen functie en ik ben afgewezen. “Te nerderig”.

Wat ik het meeste zal missen van mijn werk is het directe contact met de mensen op de werkvloer: degenen die los van kengetallen en managementmodes de toegevoegde waarde creëren voor onze klanten. Zij moeten hun werk doen in een hel van details en regeltjes waar hun bazen ook liever niet in afdalen tenzij de politiek of Het Parool hen daartoe dwingt.

Ik kon die medewerkers ondersteunen door enerzijds de grote lijn te bewaken en anderzijds hun zorgen over de details te honoreren. Zodanig dat zij zich gehoord konden voelen en er, temidden van de details, toch een structuur te voorschijn kwam. Waardoor gesprekken beter gestructureerd en geïnformeerd konden verlopen.

Met pijn in het hart laat ik dat los, en de vraag die blijft hangen is: hoe is het te verklaren dat er zo’n verschil is tussen mijn eigen opvatting van mijn werk en het nerderige beeld ervan bij de beslissers?

Het kan niet anders of de beslissers hebben geen weet gehad van de sessies waarin mensen, gefaciliteerd door mijn ondersteuning, hun processen bespraken. De vraag is dan: had ik dat beter uit moeten leggen, er meer over moeten praten? Het probleem is dat erover praten in dit geval niet werkt, zelfs contraproductief is. Mensen moeten het meemaken. Dat bleek bij de bazen die meededen aan de sessies en na afloop zeiden: Naud, dit wordt nog wat.

Maar het werd niks meer.

Zie ook Constructief nee zeggen, I think to myself en Soorten overleg

donderdag 20 september 2012

Spinaziegroen


Mijn moeder is overleden. Ze was drieënnegentig en ze was eraan toe. Maar verdrietig maakt het wel.

Eén van de diepstgewortelde herinneringen die ik van haar heb stamt uit mijn vierde of vijfde levensjaar. Ze neemt me apart, ik zit op haar schoot, ze heeft haar spinaziegroene zachtwollen vest aan. Ze vertelt me dat ik voortaan geen je en jou meer moet zeggen tegen haar en andere grote mensen. Ik moet voortaan u zeggen.

Er zijn vele momenten waarop stukjes paradijs en baarmoederlijke eenheid voor een kind verloren gaan. Dit was er voor mij waarschijnlijk een van en dat kan verklaren waarom ik het heb onthouden als een van de stappen waarin een tegenover wordt gecreëerd. Er ontstaat afstand tot de wereld, je bent niet alleen meer één daarmee.

Maar desondanks bleef ik juist met mijn moeder levenslang verbonden in een verwante betrokkenheid op de wereld. Zeg maar een beetje filosofisch: willen dat het ergens over gaat en tegelijkertijd weten dat veel mensen daar niet op zitten te wachten. Dat deelden wij met elkaar.

Twee maanden geleden vertelde ik aan haar dat ik waarschijnlijk mijn baan zou verliezen. “Managers houden niet van filosofen”, zei ik. Het was even stil en toen zei ze: “Ik ben bang dat het mijn schuld is”.

Zie ook Bellen blazen

donderdag 13 september 2012

Kiest Trouw voor de brave Levinas?


Dat kan nog spannend worden. Althans, voor mij als Levinasklant. Gaat Trouw kiezen voor de brave Levinas van “alles voor de ander” of voor de gelaagde Levinas waarin egoïsme en altruïsme op subtiele manier hun legitieme plaats krijgen?

Deze vraag komt in me op naar aanleiding van de aankondiging van de boekenserie De Grote Filosofen die door het dagblad Trouw tegen zeer gereduceerd tarief wordt aangeboden aan zijn abonnees. De serie wordt omschreven als een reeks toegankelijke inleidingen op het leven en denken van sleutelfiguren uit de geschiedenis van de Westerse filosofie. Daarin krijgt ook Levinas een plaats.

Nu weet ik uit ervaring dat in veel presentaties van zijn denken Levinas nogal snel en gemakkelijk wordt ingelijfd in Christelijk gedachtengoed, als een soort kampioen van de orde van de ontologische goedheid. En ik weet ook dat door die inlijving aan de subtiliteit van zijn denken geen recht wordt gedaan. En bovendien dat Levinas vervolgens als naïef en irrelevant door vakfilosofen terzijde geschoven kan worden.

Om die reden vind ik het van groot belang om te weten hoe hij gepresenteerd zal worden, ook in de krantenartikelen die de boeken vergezellen. Het korte tekstje dat in de begeleidende folder aan Levinas gewijd is laat alle opties open. Het luidt: “Voor Emmanuel Levinas is moraal een kwestie van geven wat je hebt, van ruimte maken voor de ander in je eigen leefwereld”.

“Geven wat je hebt” aan anderen, dat klinkt nogal totaal. En dan: aan iedere ander? Dat lijkt me dusdanig utopisch dat je iemand die zo denkt snel achter je laat.

“Ruimte maken voor de ander”, daar kan niemand op tegen zijn, zeker als er niet bij staat hoeveel ruimte. Maar misschien is Levinas op dat punt juist wat ingewikkelder: het is niet zozeer het zelf (ik) dat de ruimte maakt, het is de ander die dat bij mij doet.

Misschien ook braaf, maar dan anders.

Zie ook Doodzonde, Eigenzinnig en Hoe naïef is Levinas eigenlijk?

vrijdag 7 september 2012

Sjabbat en crisis


Volgens de Joodse traditie zal de Messias komen als alle Joden zonder uitzondering zich een keer aan de sjabbat houden. Wie weet, misschien is het bijna ooit gelukt, in meer godvruchtige tijden dan de onze. Je zult het maar op je geweten hebben dat je toen de spelbreker was.

In onze tijd is het uitkomen van die hoop minder waarschijnlijk dan ooit, gegeven de vele Joden die de sjabbat op andere wijze doorbrengen dan de voorschriften vereisen.

Toch denk ik wel eens dat de sjabbat al een aantal malen onze (voorlopige) redding is geweest. Daarmee bedoel ik: redding uit de klauwen van het monster van de financiële markten. In de afgelopen jaren van kredietcrisis waren weekenden van cruciaal belang om orde op zaken te stellen in de dreigende chaos. Het is waar, de sjabbat was dan niet lang genoeg en er moest tot zondagavond hard doorgered worden, voordat de beurzen op maandagochtend weer open zouden gaan.

Maar op basis van dat weekendritme werden diverse financiële rampen afgewend. De redding van Fortis en ABN AMRO bijvoorbeeld startte na het sluiten van de beurzen op vrijdag 3 oktober 2008 en werd in de nacht van 5 op 6 oktober afgerond. En de belangrijkste Eurotoppen van de afgelopen jaren werden alle in beursvrije weekenden gehouden.

En ook nu er gespeculeerd wordt op een vertrek van Griekenland uit de Euro speelt de sjabbat een rol, maar dan een stuk minder messiaans. Er worden al gedetailleerde scenario’s voor uitgewerkt, die alle van start moeten gaan op een vrijdagavond. Stel dat de sjabbat nooit was uitgevonden, en de zondag dus ook niet. Dan had het financiële monster onophoudelijk doorgemarcheerd en waren we nu zeker al verzwolgen.

Maar of we iets meer dan tijd gekocht hebben moet nog blijken.

Zie ook De crisis van hoog en laag en Kun je tegenkracht wel organiseren?