donderdag 29 december 2016

De ultieme vleeswording


Als zielen een materiële realisatie krijgen, kun je spreken van ‘incarnatie’, of ‘vleeswording’. En bij gebrek aan duidelijkheid over wat ‘zielen’ nu precies zijn, wordt incarnatie/vleeswording ook wel gebruikt om de materialisering van ideeën, geesten,  woorden of Het Woord aan te duiden.

Spiritueel ingestelde mensen die spreken over vleeswording doelen daarmee meestal op goden die zomaar ineens op aarde rondlopen. Bijvoorbeeld in de gedaante van de Farao in het oude Egypte, van de god Vishnu in het Hindoeïsme of van Jezus Christus in het Christendom.

Filosofen zijn niet altijd spiritueel ingesteld, maar ook zij spreken graag over incarnatie. In het verleden (bijvoorbeeld bij Plato en Thomas van Aquino) werd daarmee bedoeld dat wij in wezen zielen zijn, die tijdelijk, voor de duur van ons verblijf op aarde, gekleed gaan in een lichamelijk omhulsel. Moderne filosofen (bijvoorbeeld Merleau-Ponty en Levinas) benadrukken liever dat wij primair lichamelijke wezens zijn. Zij wijzen erop dat geestelijke menselijke vermogens als kennen en denken gesitueerd zijn, dat wil zeggen wortelen in het gegeven dat we een lichaam zijn dat geplaatst is in een materiële wereld. Die situering noemen ze ook wel incarnatie.

Hoe verschillend de tot nu toe genoemde soorten van vleeswording ook zijn, je kunt zeggen dat de ziel, of de geest, of hoe je het ook noemen wilt, eigenlijk dat vlees (weer) uit wil. Jezus’ incarnatie eindigt met zijn hemelvaart, en die start volledig geïncarneerd, maar boven aangekomen moeten de lichamelijke omhulsels zijn afgeworpen zoals bij een raket zijn hulpmotoren, zo stel ik me voor.

Voor Plato en zijn opvolgers is het eigenlijk maar behelpen, die opsluiting van de ziel in een aards lichaam. Maar gelukkig participeert de ziel nog aan de wereld van volmaakte ideeën waar zij uit voortkomt en waar ze nog herinneringen aan heeft. Moderne filosofen kennen die troost niet meer, maar zien kans om aan de beperkingen en eindigheid die het lichamelijke aankleven nog een vorm van inspiratie te ontlenen. Heidegger laat zich inspireren door het Sein zum Tode, en Levinas spreekt van het genieten van de materiële genietingen (“Het verbruik van voedsel is het voedsel van het leven”), waarmee een spirituele dimensie het materiële bestaan ingesmokkeld wordt.

Je kunt deze sublimeringen beschouwen als manieren om alsnog boven de beperkingen van de lichamelijkheid uit te vliegen en te ontsnappen aan het vlees. Er is een derde soort vleeswording waarbij dat niet meer lukt. Ik doel daarmee op de manier waarop we zélf onze menselijke ideeën, verlangens en behoefte aan zekerheid materialiseren: door ons te organiseren, door de wereld te categoriseren en een ordening op te leggen.

Kenmerk van deze laatste vorm – die zich dus manifesteert als bureaucratie, organisatie, regelgeving, registratie – is de banaliteit, de saaiheid, de onopgesmuktheid van wat je dan realiseert. Neem bijvoorbeeld het alfabet, in oorsprong de verzameling van ingekerfde tekentjes die spraakklanken konden verbeelden. De geest kan er gebruik van maken voor een ontsnappingspoging in de vorm van poëzie of een liefdesbrief. Maar historisch gezien komt het alfabet simpelweg voort uit de behoefte om handelstransacties te kunnen registreren. En daar mocht het van de uitvinders gewoon bij blijven.

Of neem het kadaster, een gortdroge opsomming van eigendomsrechten, waarvan de verdienste niet is dat het iets goeds of iets moois verbeeldt (hopelijk wel iets waars), maar dát het er überhaupt is. Als het er niet is, kan dat voor burgers in een land betekenen dat ze permanent in onzekerheid verkeren of dat een samenleving, letterlijk, niet van de grond kan komen.

Al blijkt het onontbeerlijk voor een betrouwbare samenleving, ook bij het kadaster komt geen virtuoos perspectief kijken, de ziel sterft daar bijna van de trivialiteit. Het is, net als in alle overige bureaucratie, één en al middelmatigheid, zoals René ten Bos terecht vaststelt in zijn boek over bureaucratie. Toch, en dat geldt voor alles van deze derde soort, kunnen we ons er maar het beste aan overgeven, want daaraan te willen ontsnappen is niet goed. Dat noem ik de ultieme vleeswording.

Zie ook Saai en heldhaftig en Incarnatie als Joods begrip

vrijdag 23 december 2016

Rechtsstaat


Over het algemeen wordt aangenomen dat de overwinning van Donald Trump een steun in de rug zal betekenen voor meer uitgesproken rechtse krachten in Israël. Dat zal onder andere tot gevolg hebben dat de nederzettingenpolitiek wordt uitgebreid, de twee-statenoplossing definitief achter de horizon verdwijnt en de Amerikaanse ambassade naar Jeruzalem verplaatst wordt.

Het betekent ook dat de bange vraag die naar aanleiding van Trumps uitverkiezing in Amerika gesteld wordt – namelijk: kunnen de Amerikaanse rechtsstatelijke instituties deze ruk naar rechts wel absorberen? – ook gesteld kan worden ten aanzien van Israël. Gaat de Israëlische rechtsstaat dit rechtse geweld overleven?

Die vraag klemt temeer omdat het Israëlische institutionele bouwwerk minder hecht in elkaar zit dan het Amerikaanse. Er is in Israël een sterke en moedige onafhankelijke rechtspraak, maar er is geen grondwet waarin die onafhankelijkheid verankerd ligt. En het besef van het belang van onafhankelijke rechtspraak, dat zou kunnen dienen als vervanging van een grondwet, is niet altijd even sterk en bovendien aan erosie onderhevig.

Daarnaast hebben notoir anti-rechtsstatelijke groeperingen, zoals de charediem, een relatief grote, ongecontroleerde vinger in de pap.

Al met al houd ik mijn hart vast. In ieder geval kan ik niet volledig gerustgesteld worden door het veel gehoorde antwoord dat Israël toch een functionerende democratie is. Dat biedt niet altijd de garantie dat ook de rechtsstaat overleeft, zo is in het verleden gebleken.

donderdag 15 december 2016

Nep


Je kunt gerust zeggen dat het woordje ‘nep’ op dit moment een trefwoord is. Afgezien van wat Geert Wilders doet met dat woord, zingt het rond in de media, hoofdzakelijk in drie contexten: het gaat veel over ‘nepnieuws’, ‘nepplezier’ en ‘nepbanen’. En in de wat serieuzere analyses wordt vaak de koppeling gelegd van zoveel nep met de invloed van het kapitalisme.

Nep-nieuws wordt in die analyses natuurlijk gekoppeld aan de beschikbaarheid van sociale media. Naar aanleiding van de Amerikaanse presidentsverkiezingen constateerde Hubert Smeets dat Facebook en vergelijkbare fora ruim baan geven aan nepnieuws, omdat het bezoekers en dus klikverkeer oplevert. De opzichtige verspreiding van bullshit heeft dus alles te maken met het maximaliseren van kliks. Met kapitalisme dus.

Nepplezier is aan de orde van dag door de eisen die zelfpresentatie op social media aan mensen stelt. Je hoort veel mee te maken en er vooral bij te lachen. Gij zult zichtbaar genieten!  Écht leuk is anders, zou ik zeggen, want dan denk ik aan dingen zoals muziek luisteren, schilderen, een boek lezen, wandelen – dat is qua plezier werkelijk iets heel anders. Maar daar maak je minder indruk mee, en indruk maken is kennelijk cruciaal. Op dat punt  ligt de verbinding met een kapitalistische, competitieve samenleving. Je moet immers permanent en vooral zichtbaar kansen creëren, voor relaties en voor banen.

Nepbanen vormen al langer het onderwerp voor kritische journalisten, antropologen en sociologen. Zo meent de antropoloog David Graeber dat “through some strange alchemy no one can quite explain, the number of salaried paper-pushers ultimately seems to expand. Huge swaths of people spend their entire working lives performing tasks they secretly believe do not really need to be performed. We have seen the ballooning of the administrative sector, financial services or telemarketing, corporate law, academic and health administration, human resources, and public relations. These are what I propose to call ‘bullshit jobs’. The moral and spiritual damage that comes from this situation is profound. It is a scar across our collective soul. Yet virtually no one talks about it.”

Journalist Hans Goslinga vertelt dat hij van verscheidene mensen op de werkvloer hoort dat zij de lol in hun werk verliezen door een doorgedraaide verantwoordingsplicht, die hen berooft van hun autonomie, beroepseer en zelfrespect, en die bovendien een papieren werkelijkheid creëert die zich steeds verder verwijdert van de sociale werkelijkheid. Sociologe Christien Brinkgreve vertelt precies datzelfde, puttend uit haar eigen ervaringen bij de universiteit.

Nepnieuws, nepplezier en nepbanen hebben met elkaar gemeen dat ze ons het gevoel geven niet meer in contact te zijn met de wereld om ons heen. Maar ze zijn verschillend in hun momenten van ontstaan. Het komt mij voor dat de nep-banen de meest oorspronkelijke nep zijn (al is dat een rare woordcombinatie), van eerdere datum dan nepnieuws en nepplezier, die duidelijk met de sociale media samenhangen. Daar, in het werk, is het twintig, dertig jaar geleden al begonnen. En inmiddels is het heel gewoon als mensen hun eigen werk betekenisloos vinden.

Voor filosoof Philippe van Parijs zijn die nepbanen onlosmakelijk met het kapitalisme verbonden: het treft hem dat misschien wel het meeste nutteloze, of zelfs schadelijke, werk plaatsvindt in de de financiële sector, en dat dat ook nog eens buitenproportioneel goed wordt beloond.

Filosoof Joep Dohmen ziet er eveneens de hand in van de kapitalistische economie die ons, naar de woorden van Max Weber, in een ‘ijzeren kooi’ heeft vastgezet. Weber bedoelde daarmee dat we bijna al onze energie richten op het vergaren en efficiënt inzetten van middelen, en nauwelijks nog nadenken over de waarden die we daarmee dienen. Dohmen wil dat probleem benoemen: we moeten toegeven dat die kooi echt een kooi is, en onze wereld voor een veel te groot deel nep. Maar hij wil daar niet cynisch van worden, dus, zegt hij, zijn we ertoe veroordeeld om de gaten in de ijzeren kooi te zoeken.

Van de suggesties die er links en rechts gedaan worden voor het creëren van gaten in de kooi, en dus voor nieuwe verbindingen met de wereld om ons heen noem ik er twee. Allereerst lijkt mij de invoering van een basisinkomen een goed idee. Een basisinkomen voor iedereen, en daarmee het verdwijnen van de noodzaak om te werken, zou heel goed kunnen helpen om onzinnig werk vanzelf te laten verdwijnen. Het zou immers iedereen de mogelijkheid geven om nee te zeggen tegen werk dat te zwaar, zinloos of slecht betaald is, voor zover robots dat al niet overgenomen hebben. Bovendien zou het eraan kunnen bijdragen om degenen die naast hun basisinkomen willen blijven werken, op de 15 uur werk per week te krijgen waarvan de econoom Keynes al tachtig jaar geleden dacht dat die écht nodig waren. Het echt noodzakelijke werk (zorg, vuilophaal, onderwijs, autoherstel) zou beter zichtbaar worden en daardoor beter beloond gaan worden.

De tweede suggestie die ik mensen hoor opperen betreft dat resterende werk, dus het werk waarvan voor iedereen duidelijk is dat het ergens toe dient, en dat, door wie daar zin in heeft, volgens Keynes gedaan kan worden in 15 uur per week. Dat resterende werk zouden we zodanig moeten herinrichten dat de vervreemding waar we nu last van hebben geen kans meer krijgt. De aanbevelingen die diverse commentatoren daarvoor doen gaan onveranderlijk in de richting van een andere wijze van omgaan met gezag en minder dwingende formats (Christien Brinkgreve) en het meer betrekken van werknemers bij de organisatie door het delegeren van vertrouwen en verantwoordelijkheid naar de mensen op de werkvloer (Hans Goslinga).

Goslinga ziet dat laatste trouwens ook als een maatschappelijk belang, doordat het  bijdraagt aan een sterker burgerethos. En dat is op zijn beurt een onmisbare voorwaarde voor een vitale democratie.

Daar zou hij nog best eens gelijk in kunnen hebben. Zo bezien zou het bestaan van zoveel  nepplezier, nepnieuws en nepbanen, en het verlies van contact met de werkelijkheid dat ze impliceren, een verklaring kunnen bieden voor de weerklank die het woord ‘nepdemocratie’ op dit moment blijkt te hebben.

Maar ook: omgekeerd kan het korte metten maken met de grootschalige bullshit op het werk en thuis, een bijdrage leveren aan politieke weerbaarheid. Want je voelt dan weer de wind van de werkelijkheid.

Zie ook Meetbaarheid


vrijdag 9 december 2016

De boekhouder van Auschwitz


Vorige week besloot de hoogste Duitse rechtsinstantie, het Bundesgerichtshof in Karlsruhe, dat iedereen die een functie had in een nazi-vernietigingskamp beschouwd moet worden als medeplichtig aan de daar gepleegde moorden.

Dat is revolutionair, want tot dan toe gold de bepaling dat iemand die werkzaam geweest was in een kamp pas schuldig was als zijn of haar deelname aan het moordproces objectief was vastgesteld. Het Hof nam deze beslissing naar aanleiding van de zaak tegen de ‘boekhouder van Auschwitz’, de 95-jarige Oskar Gröning.

Moet je nu blij zijn met zo’n beslissing of niet?

Mijn eerste reactie is dat ik de gang van zaken nogal ontluisterend vind. Het recht hobbelt kennelijk zover achter de gebeurtenissen aan dat het zichzelf irrelevant dreigt te maken. Twee generaties van mensen die nu als daders zouden worden aangemerkt hebben ongestoord hun leven verder kunnen leiden. Het huidige oordeel kan hooguit nog een handjevol grijsaards raken die daarvoor uit verzorgings- en verpleegtehuizen moeten worden gehaald.

De vraag is ook hoe dit oordeel zich verhoudt tot de soms regelrechte straffeloosheid van daders van veel zwaardere vergrijpen die na de oorlog hun carrières konden hervatten. Je kunt zeggen: lekker makkelijk oordelen, na zeventig jaar.

Aan de andere kant, ten opzichte van de eerdere beslissing van het Bundesgerichtshof om de ‘kleintjes’ te laten lopen, getuigt dit oordeel van een terechte inhoudelijke omslag. We weten inmiddels immers dat meelopen niet onschuldig is: een misdadig systeem drijft op meelopers.

Tenslotte zou je, ter instemming met dit late oordeel, kunnen aanvoeren dat hier een denkwijze en jurisprudentie worden ontwikkeld die maken dat het een volgende keer geen zeventig jaar hoeft te duren.

Maar juist dat willen we toch niet meer: een volgende keer?

Zie ook Vergangenheitsbewältigung

vrijdag 2 december 2016

Historische ervaring


Ik houd van de zogenoemde ‘historische ervaring’: het gevoel dat je even contact hebt met het verleden, of met mensen uit het verleden. Meestal heb ik dat naar aanleiding van de nabijheid van oude gebouwen of de aanraking met oude objecten.

Naar aanleiding van een recent bezoek aan Nijmegen vroeg ik me af: waardoor wordt die historische ervaring nu het meest getriggerd? Door een volledig bewaarde historische omgeving, desnoods in volledig gerestaureerde staat? Of mogen er ook moderne gebouwen (waaronder veel lelijke) staan tussen de oude? Of mag zelfs het grootste deel modern zijn, terwijl er slechts zo nu en dan een stukje 15e, 16e, 17e of 18e eeuw doorheen piept?

Ik geef de voorkeur aan het laatste. Juist door de onverwachtsheid van hun verschijning treffen die oude fragmenten als direct uit het verleden op mij toekomend. Dat beleefde ik in Nijmegen, met zijn wederopgebouwde centrum. In een jaren-vijftig straatwand opent één oud pand of oud poortje al de tijdsdimensie, misschien wel meer dan een geheel historische straatwand.

Het eerste – een volledig bewaarde historische omgeving – bestaat in originele staat bijna niet meer in Nederland. In Frankrijk wel, en daar kan ik er wel van genieten maar ik betrap mezelf dan tegelijkertijd op een bijna totalitair verlangen: de omgeving moet compleet kloppen met het historische beeld, als in een kostuumdrama.

In Nederland is dat totalitaire karakter van historische sites nog sterker, omdat de originele staat in de meeste gevallen ver te zoeken is, en het gerestaureerde karakter van erfgoed er soms vanaf spat.

Voor associaties met een totalitair stedelijk landschap hoef ik in mijn woonplaats Zaandam niet bang te zijn. Hier staan de oorspronkelijke en minder oorspronkelijke groene huisjes tussen betonnen kolossen.

Zie ook Bakstenen

vrijdag 25 november 2016

Als Heidegger filosofisch deugt...


Toen ik laatst een filosofiedocent vroeg naar zijn favoriete filosoof was zijn antwoord: “Heidegger, helaas”.

Dit antwoord vat goed de spagaat samen waar veel filosofen zich in bevinden: tussen bewondering voor Heidegger als filosoof, en afschuw van zijn nazisympathieën en zijn antisemitisme. Die afschuw werd recent fors gevoed door publicatie van zijn briefwisseling met zijn broer Fritz waarin hij ongeremd antisemitisch tekeer gaat.

De spagaat wordt er alleen maar groter van, want de meeste filosofen menen dat je in de filosofie niet om Heidegger heen kunt. “Hem negeren is eigenlijk onmogelijk, omdat hij zo diepzinnig en invloedrijk is als denker”, zegt filosoof Gert-Jan van der Heiden.

Ik denk dat Van der Heiden daar wel gelijk in heeft. Maar die spagaat zou wel eens mogen leiden tot een andere vraag: als Heidegger filosofisch deugt, deugt de filosofie dan wel? Of op zijn minst: deugt de Westerse filosofie dan wel? Het antwoord op die vraag vereist een onderzoek naar de fundamenten van de Westerse filosofische traditie.

De ironie van dit verhaal is dat het nu precies Heidegger is geweest die iets dergelijks gedaan heeft. Hij heeft inzichtelijk gemaakt hoe schraal eigenlijk de filosofische traditie is vanaf Plato, door een eenzijdige aandacht voor het afstandelijke kennen en vervolgens gebruiken van objecten, uitmondend in een diabolische overheersing door ‘de techniek’. Dit alles onder verwaarlozing, aldus Heidegger, van het basale levensgevoel van een mens, namelijk: er-te-zijn, in deze wereld, met andere mensen.

Het is onmiskenbaar een, misschien wel dé zwakke plek in de Westerse filosofische traditie waar Heidegger de vinger op legt, en dat rechtvaardigt de grote reputatie die hij heeft onder filosofen. Maar de spagaat blijft wel bestaan. Heideggers zwijgen over de Jodenvervolging en zijn antisemitisme zijn hoe dan ook onverteerbaar. Sommigen lossen dat op door de mens en de filosoof in Heidegger van elkaar te scheiden. De méns zou niet deugen, maar de filosoof wel.

Ik vind dat een gekunstelde oplossing, net als Marli Huijers oproep tot het overwinnen van de weerzin, in navolging van Hannah Arendt – ooit Heidegger liefje – die na de oorlog weer contact met hem opnam. Die oplossingen bieden geen serieus antwoord op de vraag.

Wat mij betreft licht Levinas een tipje van de sluier op. Hij zegt: ja, Heidegger heeft de filosofische aandacht terecht verlegd, weg van het afstandelijke, objectiverende en technische kennen van de wereld. Maar hij verruilde dat voor een nieuwe afstandelijkheid: het akelig neutrale Zijn.

Hiermee wijst Levinas een nog omvattender zwakke plek aan in de filosofie, waaraan zowel de Platoonse filosofische traditie als Heideggers remedie daarvoor in gelijke mate mank gaan. Namelijk: het zoeken naar neutrale middentermen waarlangs het begrijpende individu zich de wereld kan toeëigenen en beheersen. Voor Plato en zijn navolgers verliep dat via het kennen van objecten, voor Heidegger via de bemiddeling van het Zijn.

Heideggers Zijn schept misschien meer ruimte dan de Platoons/Westerse gerichtheid op objecten en techniek, maar hij deelt daarmee ook een vernietigende eigenschap. Zijn denken is net zo amoreel, net zo ethisch onverschillig als de klassieke Platoonse focus. Het gaat nog steeds om het (be)grijpen van de wereld, gezien vanuit het autonome individu. Je laten verrassen en gezeggen door de Ander is er nog steeds niet bij.

Daarvoor moet je, volgens Levinas, bij een andere traditie zijn.

Zie ook Waarom Heidegger ons niet verder brengt en Heidegger en de Joden

vrijdag 11 november 2016

Achterlopen


Bestaat er zoiets als vóórlopen of achterlopen van culturen ten opzichte van elkaar? En zo ja, mag je daar dan hardop over praten?

Die beide vragen werden eeuwenlang met ja beantwoord door Christenen met betrekking tot onder andere Joden. Deze laatsten kregen het verwijt dat ze de tekenen des tijds niet verstaan hadden doordat ze Jezus Christus als verlosser hadden afgewezen. Daarom waren Joden vervolgens gedoemd om bijna tweeduizend jaar als levend anachronisme en daardoor als derde rangs mensen door het leven te gaan. Je mocht ze hardop uitschelden voor fossielen.

Tegenwoordig is de kwestie nog steeds relevant, maar dan in de verhouding van de Westerse cultuur tot de Islam of tot zwarte bevolkingsgroepen.

Met betrekking tot Moslims hoor je geregeld de stelling dat het logisch is dat zij achterlopen, omdat de Islam (nog) geen Reformatie of Verlichting heeft doorgemaakt. De fase waarin de Islamitische wereld zich bevindt laat zich het beste vergelijken met die van de Dertigjarige Oorlog, aldus Ian Buruma in NRC. De achterstand zou daarmee vastgesteld zijn op zo’n vierhonderd jaar.

Als het gaat om zwarte culturen woedt er momenteel in de literaire wereld een controverse rondom de afbeelding van zwarten in boeken van witte auteurs. Deze krijgen van zwarte critici het verwijt dat ze gekleurde personages als primitievelingen opvoeren. Zo stoort Anousha Nzume zich aan Robert Vuijsje die een romanfiguur laat zeggen dat je met zwarte vrouwen goede seks hebt, “omdat zij dichter bij de natuur staan”. En Karin Amatmoekrim vraagt zich af, na een bespreking van boeken van onder andere Lionel Shriver en P.F. Thomése, of het nodig is om de karikatuur van de zwarte wildeling opnieuw leven in te blazen.

Dat uitspraken, zoals bovenstaande, over primitiviteit of achterstand als kwetsend ervaren worden door degenen tot wie ze gericht zijn, kan ik goed begrijpen. Je kunt eigenlijk niet veel anders dan die kwetsing serieus nemen, en dus misschien beter niet spreken over achterlopen of ontwikkelingsverschillen.

Toch liggen de zaken niet altijd heel eenduidig. Dat kan blijken uit een uitspraak van Chimamanda Ngozi Adichie die naar aanleiding van Shrivers verdediging van de vrijheid van fictie (dus van de vrijheid om te schrijven over wie en wat ze wil) het volgende opmerkte: “Verhalen bestaan niet in een vacuüm maar in een machtsspectrum. Dus als een witte schrijft over een historisch onderdrukte minderheid, waarvan de leden nog niet afdoende hun eigen verhalen kunnen vertellen, mag je dat als lezer ook bekritiseren”.

Ook in dit argument, ook al is het nu van Adichie, is weer sprake van een ‘nog niet’, dus van een ontwikkeling die minder ver is dan ergens anders. De dimensie van tijd en ontwikkeling is kennelijk niet te vermijden, en daarmee de noties van voorlopen en achterlopen.

Ter relativering daarvan kun je aanvoeren dat culturen kunnen voor- en achterlopen tegelijkertijd. De Joodse traditie geeft ook daarvan een illustratie. Wat eeuwenlang door de Christelijke omgeving als een symptoom van achterlijkheid gezien werd: het verhalend redeneren – dat is in de moderne filosofie weer hip en voorlijk. Omgekeerd vervalt dat hippe rabbijnse denken op veel jesjivot tegenwoordig weer in peilloze diepten van obscurantisme.

Ik zou zeggen: gewoon over praten maar.

Zie ook Bewaak het perspectief

donderdag 3 november 2016

Geen visie


Ze zeggen dat hij geen visie heeft, premier Rutte, en dat zegt hij zelf ook graag. Maar ik heb hem nu toch al twee keer op visie betrapt.

Vorige week meende ik dat daar sprake van was, toen het ging om een poging tot redding van het Oekraïneverdrag na de afwijzing daarvan door het Oekraïnereferendum in april. Rutte toonde openlijk zijn wanhoop over de vastgelopen gesprekken over een reddingsplan in het parlement. “Ik doe in het landsbelang een beroep op de redelijke krachten in dit land. Dit onderwerp is groter dan Nederland alleen, véél groter”, zei de premier op zijn wekelijkse persconferentie. “Nederland maakt een grote fout als wij het Oekraïneverdrag laten ontsporen”. Hij wees op de verbindingen tussen ratificatie van het verdrag, de uitstraling van Europa naar de buitenwereld en de noodzaak om destructieve krachten in Rusland en het Midden-Oosten tot de orde te roepen.

Hier was geen goedlachse manager van de BV Nederland aan het woord, maar een politicus/intellectueel met gevoel voor realpolitiek en tegelijkertijd een besef van de waarden waar Europa voor kan staan. Dat hij niet te koop loopt met deze kwaliteiten en ze pas toont als ze dringend nodig zijn maakt het voor mij nog wat sympathieker. Ik geloof trouwens dat D66 dit visiemoment wel op waarde heeft geschat.

De andere keer dat er onmiskenbaar visie sijpelde door Rutte’s uitspraken was tijdens zijn optreden in Zomergasten, afgelopen augustus. Op zijn verzoek begon de uitzending met een hommage aan de componist Bach, en dat was al een statement op zichzelf. Maar dat werd het nog meer toen Rutte in vervoering sprak over de eeuwenlange doorwerking van Bachs inspiratie. “Mozart, Beethoven, en alles wat erna kwam, het zou er niet geweest zijn zonder Bach”, iets dergelijks liet hij zich ontvallen.

Een zeker gevoel voor datgene wat de enkele mens overstijgt, noem het visie, perspecief, transcendentie – horizontaal of verticaal – is de premier beslist niet te ontzeggen.

Voor de duidelijkheid: ik ben geen VVD-stemmer.

Zie ook Rechts en milieu

vrijdag 28 oktober 2016

Geschiedschrijving die zich laat kennen


De Vergangenheitsbewältigung werkt nog even door bij mij. Want: in het reine komen met je geschiedenis kan op verschillende manieren gebeuren, en dat kunnen interessante verschillen zijn.

Bijvoorbeeld het verschil tussen de op objectiviteit en exacte reconstructie gerichte geschiedschrijving die gangbaar is in de Westerse wereld en de etnocentrische Joodse omgang met het verleden.

Wat betreft de Westerse geschiedschrijving zijn de geleerden het er wel over eens dat die is uitgevonden door de Grieken, met onder andere Herodotus en Thucydides als vroege beoefenaars daarvan. Dit is kritische geschiedschrijving, waarbij de onderzoeker zich zoveel mogelijk als onpartijdige toeschouwer opstelt, onbevooroordeeld en van een afstand feiten weegt en vervolgens een zo objectief mogelijk verhaal vertelt. Behalve aan hoge professionele standaarden moet deze variant van geschiedschrijving tegelijkertijd voldoen aan een hoge morele standaard. Gebeurtenissen en personen moeten immers los van hun populariteit op hun feitelijke verdiensten worden beoordeeld. Blinde adoratie van leiders (rehabilitatie van Stalin, of bewieroking van Poetin en Erdogan) zou op die manier minder kans moeten krijgen.

De andere wijze van geschiedschrijving die ik op het oog heb is er een die meer van binnenuit de gemeenschap werkt, en dus wat intiemer is. De geschiedschrijver stelt zich daarbij op als betrokken deelhebber, in plaats van als afstandelijke toeschouwer. Veel Joodse geschiedschrijving van voor 1800 is van dit type, dat al teruggaat tot de wijze waarop de Tenach omgaat met historische helden.

Het verschil met de gangbare wetenschappelijke variant van geschiedschrijving is duidelijk: het gaat in Tenach niet om een via zorgvuldige bronnenkritiek uitgevoerde exacte reconstructie van het verleden. Maar dat wil niet zeggen dat deze variant niet zijn eigen kritische standaarden kent voor de omgang met het verleden. Ik doel daarmee op standaarden van vooral morele aard, dus sterk gekleurd door expliciete noties van goed en kwaad. Denk aan de behandeling – aan het eind van de Tora – van Mozes, die ondanks zijn grote verdiensten na de veertig jaren woestijn het beloofde land niet mocht binnentrekken vanwege de tekortkomingen die hij óók had. Of aan David, die zowat de belichaming was van het Joodse koningschap, maar vanwege zijn overtredingen de bouw van de tempel in Jeruzalem aan Salomo moest overlaten.

Waar in de Griekse variant wordt gepoogd tot een zuiver oordeel te komen door inzet van kritische afstand, is in de bedoelde Joodse geschiedschrijving een set van ingebouwde checks and balances aan het werk die moet maken dat historische figuren niet zo maar wegkomen met hun gedrag. Die normen moeten, meer vanuit een inwendige betrokkenheid, gebeurtenissen en personen hun juiste proporties toedelen.

Ik noem dat: geschiedschrijving die zich laat kennen. Vanwege de intimiteit, en vanwege de bereidheid ook minder mooie zaken te tonen.

Zie ook Geschiedenis als exacte wetenschap

donderdag 20 oktober 2016

Bureaucratie is een inktvis


Met die titel won hoogleraar filosofie René ten Bos dit jaar de Socrateswisselbeker. In het boek gaat het onder andere om de vraag waarom we allemaal tegen bureaucratie zijn en we er toch steeds meer van krijgen.

Het antwoord van Ten Bos op die vraag heeft iets sombers en geruststellends tegelijkertijd. Somberstemmend is zijn waarneming dat bureaucratie onontkoombaar is, omdat het verschijnsel inherent is aan ons samenleven, en ook diep in ieder van ons en in ons brein verankerd zit. In dat licht verschijnen alle pogingen om bureaucratie-vrij en ‘authentiek’ samen te leven als hopeloos naïef en romantisch, dus daar kunnen droombeelden aan flarden gaan.

Het geruststellende van Ten Bos’ betoog is zijn waarneming dat bureaucratie ons ook veel oplevert. Een goed georganiseerde samenleving is de prijs wel waard van traagheid, vervreemding en middelmatigheid.

Vanuit deze milde, realistische appreciatie van bureaucratie als vertrekpunt heeft Ten Bos nog wel een zorg, want niet alle varianten van bureaucratie zijn even onschuldig. In grote lijnen onderscheidt hij een Angelsaksische variant en een Europese variant.

De Angelsaksische variant is venijnig, want die pretendeert soms de bureaucratie achter zich te laten. Dat doet die door tegenspraak in organisaties zoveel mogelijk weg te structureren en alle ruimte te geven aan een machtige, daadkrachtige baas. Die variant gelooft in one best way van handelen. Dat lijkt on-bureaucratisch, want effectieve besluitvorming te bevorderen, maar dat is grotendeels schijn omdat de weerstand en uitsluiting die dit model oproept zich vertalen in juridisering van interactie, veel kleine lettertjes en controle-instanties. Net zo goed bureaucratie dus, maar dan van de minst aangename soort.

De Europese variant kent meer ingebouwde checks and balances. In bedrijven en andere arbeidsorganisaties bestaat er naast de raad van bestuur meestal een raad van commissarissen of ander toezicht, regeringen zijn vaak gebouwd op coalities en burgemeesters zijn voor veel zaken afhankelijk van raadsbeslissingen.

Ten Bos prefereert het Europese model vanwege de pluraliteit van perspectieven en de breedheid van de discussies die daar mogelijk zijn. Helaas, aldus Ten Bos, wint het Angelsaksische model bij ons terrein. Dat kan blijken uit de toenemende nadruk op centraal opgestelde financiële en kwantitatieve targets, ten koste van professionele en kwalitatieve standaarden, resulterend in een verschraling van inhoudelijke debatten.

Als we dan toch met bureaucratie moeten leven, zo benadrukt Ten Bos, laten we ons dan niet uitleveren aan die armzalige Angelsaksische variant. Dan liever de moeizame, chaotische Europese variant.

Geeft de EU dan misschien toch het goede voorbeeld?

Zie ook Werk en Reflectie met René ten Bos

donderdag 13 oktober 2016

Vergangenheitsbewältigung


Beatrice de Graaf sneed in NRC een mooi thema aan voor de (afgelopen) dagen van inkeer. Zij schaamt zich als historicus dat het echte verhaal over de Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië door haar beroepsgroep van Nederlandse historici nog niet is geleverd. En dat, nu de waarheid boven tafel komt, dat te danken is aan een Zwitserse onderzoeker, weliswaar met Nederlandse wortels.

Betekent dit dat er, kennelijk, een afstand van 70 jaar voor nodig is om tot dergelijk zelfonderzoek te komen?

Toch niet voor een mens, met betrekking tot zichzelf? Want dan zou er nog maar weinig zelfonderzoek plaatsvinden, als je ook de onschuldige kinderjaren nog mag passeren. En dan zou de jaarlijkse cyclus van inkeer, spijtbetuiging en verzoening, die we in de synagoge net achter de rug hebben, nergens op slaan.

Maar voor een volk misschien wel? Dat er decennia voor nodig zijn zou je inderdaad kunnen afleiden uit de omgang van de Duitsers met hun duistere periode. De confrontatie die zij hebben durven aangaan, ook wel bekend als Vergangenheitsbewältigung, geldt als voorbeeldig en passend bij een vrije, open en inclusieve democratie. Maar de standaard voor het afleggen van rekenschap op deze manier moest wel eerst gezet worden door de geallieerden, tijdens de Neurenbergprocessen van 1945/46. Het duurde vervolgens tot 1963 voor de Auschwitz-processen begonnen, en tot in de jaren 70 en 80 voordat er brede maatschappelijke discussies over ontstonden. De Graaf: “Nu zijn de Duitsers nog steeds niet klaar, over de rol van de andere staatsapparaten, over het lot van Sinti en Roma, van de LBTG-gemeenschap moet nog veel worden aufgeklärt.”

En hoe is dat voor Israël? Ook daar heeft het decennia geduurd voordat historici serieus werk gingen maken van de werkelijkheid van de stichting van de staat Israël in 1948 en wat eraan vooraf ging. Dat deden de New Historians, vanaf de jaren tachtig. Een verschil met Duitsland is dat hun invloed hoofdzakelijk beperkt bleef tot het academische milieu, met een enkele uitzondering in de journalistiek zoals Ari Shavit. Voor doorwerking ervan in brede lagen van de bevolking is in Israël kennelijk 70 jaar niet genoeg.

Waarschijnlijk is daar ook vrede voor nodig.

Zie ook Bewaak het perspectief