maandag 6 juli 2009
Wantrouw het bloedeloze intellect
In de filosofie produceren ze scherpzinnige maar doodse polemieken en vooral een grote zelfgenoegzaamheid. In de ICT zijn ze herkenbaar als dorre oncommunicatieve nerds. In de financiële wereld stellen ze eindeloos modellen op en veroorzaken ze een kredietcrisis.
Ik doel op een type mens dat je kunt beschrijven als consequent rationeel, opzichtig scherpzinnig maar zonder oog voor, of in ieder geval zonder boodschap aan de omringende wereld. Zo omschrijft Johan Schaberg dat type in zijn laatste NRC-column.
Hij voegt daar een waarschuwing aan toe, voor zover het gaat om de gretige whizzkids in maatpakken en met een smaak voor dure auto’s. Want zij hebben de wereld opgezadeld met miljardenverliezen en een economische crisis, maar staan in de coulissen al weer klaar om het afgebroken spel te hervatten. Misschien is het toch niet zo slim om deze jongens ‘slim’ te noemen?
Volgens mij ziet echte slimheid er anders uit. Echte slimheid heeft oog voor de omgeving, snapt dat bedachte lineaire rekenmodellen geen recht doen aan de complexiteit van een menselijke samenleving. Echt slim is het dus om de pretenties van het knappe rationele denken met argwaan te bezien.
Misschien is dat voor economen te veel gevraagd. Althans dat suggereert Frank Ankersmit. Hij stelt dat de economie zich iedere keer weer uitlevert aan versimpelende rationaliteit die de werkelijkheid versmalt. Daardoor zal de economie zich voortdurend in impasses blijven werken en zal die de inmenging van overheid en politiek niet kunnen missen.
Maar is het ook voor ons, als publiek, teveel gevraagd? Naar mijn idee hebben wij best wat in te brengen tegenover de nieuwe generatie graaiende whizzkids die volgens Schaberg al weer klaar staat. Wat ons te doen te staat is vooral: niet onder de indruk zijn van hun slimheid. Hun graailust kun je hen niet afleren, dat is gewoon te menselijk. Graailust vermomd als slimheid kan wél afgeleerd worden, denk ik, wanneer het publiek er niet meer intrapt. Laten we ons daarom met z’n allen iets minder vergapen aan het duizelingwekkende modelmatige denken, want het is bloedeloos en voos. En in de plaats daarvan het besef koesteren dat een samenleving kwetsbaar en complex is. Dat is namelijk al ingewikkeld genoeg.
woensdag 1 juli 2009
Het nut van geschiedenis
Wat is het nut van geschiedenis? Dat heb ik me ook vaak afgevraagd toen ik als afgestudeerd historicus niet direct een baan kon vinden. Dat laatste lukte pas na een forse omscholing in financieel administratieve richting.
Maar het bloed kruipt ook waar het geen geld verdient en mijn historisch-filosofische belangstelling kan zich tegenwoordig uitleven zonder daarover aan iemand verantwoording te hoeven afleggen. En dat is wel zo fijn.
Maar daarmee is de vraag nog niet beantwoord: wat heb je aan geschiedenis?
Ik denk dat de waarde vooral gelegen is in het taalveld dat je krijgt aangeboden. Niet het taalveld van de snelle media en de oppervlakkige journalistiek. Niet dat van de smalle economische belangen. Niet dat van de darwinistische competitie van de biologie.
Het is een taalveld van eindeloos botsende menselijke wilskrachten, van verlangens en stromingen die op elkaar inwerken. Daar horen zinnetjes bij als ‘De geesten werden rijp gemaakt’, ‘Zij wachtten op de grote kladderadatsch’, ‘De economische ontwikkeling nam een grote vlucht’, ‘In Parijs begonnen Verlichtingsideeën salonfähig te worden’. Er zijn onderstromen, stichtingsmythen en plotselinge uitbarstingen en wat er gebeurt is vaak tragisch toevallig, maar ook kleurrijk. Het besef dat een heleboel dingen net zo goed heel anders hadden kunnen lopen verankert zich diep.
Ik heb het dan natuurlijk wel over de geschiedenis beoefend als vak. Dat wil zeggen over een benadering van de geschiedenis die zich bewust is van de eindeloze complexiteit van op elkaar inwerkende krachten en van de tragiek die daarbij hoort. Ik heb het niet over het al dan niet selectief op een rijtje zetten van allerlei historische feiten. Dat betekent eigenlijk dat geschiedbeoefening voor mij een literair genre is en niet voor niets traditioneel een plaats had in de letterenfaculteiten.
En het belang dáárvan is wat mij betreft dat ik niet langer overgeleverd ben aan aan de snelle oordelen en cliché’s van de borreltafel. Je kunt aan de gemeenplaatsen voorbij komen zonder dat het per se filosofisch wordt, maar simpelweg door je te realiseren dat er zo ontzettend veel gebeurd is. Op straat, in gezinnen, in de politiek, op het slagveld. En dat schept een zekere ruimte.
Natuurlijk hoort daar wel discussie bij. Daarom herken ik me wel in de wens van de twee directeuren van het Nederlands Historisch Museum om dat museum in de stad te huisvesten. Want debat en discussie gedijen daar beter dan tussen het lommer en de folklore.
Zie ook Geschiedenis als exacte wetenschap
Labels:
cultuurgeschiedenis,
discussiecultuur,
geschiedenis als vak,
literatuur,
wetenschap
Posted by
Naud van der Ven
op
19:27
maandag 22 juni 2009
Irritant
Waarom zijn Joden zo irritant? Althans, volgens de Romeinen en de vroege Christenen? En trouwens ook volgens Mohammed en de latere Christenen en Verlichtingsdenkers zoals Voltaire en Rousseau?
Afshin Ellian legt dat uit (in de NRC van 6 juni) voor het Christendom en de Islam. Die beide godsdiensten claimen universele geldigheid. Jezus is volgens de Christelijke leer voor iedereen gekomen, en de Islam pretendeert de waarheid voor alle mensen te kennen.
Uiteraard botsen die twee universalistische claims met elkaar, want omdat ze elk de totaliteit opeisen sluiten ze elkaar uit. Maar zij hebben tenminste nog met elkaar gemeen dat ze geloven in een waarheid die voor iedereen geldt. Fundamenteler voor beide godsdiensten is dan ook de confrontatie met een stroming die níet gelooft in eenzelfde waarheid voor iedereen. En die in ieder geval weigert om haar eigen particuliere geloof op te geven ten gunste van de universaliteit. Dat is pas werkelijk aanstootgevend want algemene geldigheid, van welke kleur dan ook, biedt houvast. Wie dat ter discussie stelt gaat echt te ver.
Maar dat is precies wat de Joden eeuwenlang gedaan hebben. Zij bekeken de blijde boodschap van het evangelie met scepsis en bedankten ervoor want ze zagen nog weinig verlossing. Voor een ideologie, zoals het Christendom, die zijn kracht juist put uit de algemene geldigheid van zijn boodschap, is dat een affront.
Hetzelfde gebeurde met de waarheid die Mohammed bracht. Daarvan zeiden de Joden: dat is niet onze waarheid. Maar dat kun je niet ongestraft zeggen tegen een ideologie die voor iedereen wil gelden want dan ben je spelbreker. Dan roep je weerzin en ergernis op.
De pech – of de stommiteit? – van de Joden is dus geweest dat zij voor zichzelf het recht op vrijheid van meningsuiting opeisten op momenten in de geschiedenis dat je dat beter nog niet kon doen. Nee zeggen tegen universalistische pretenties is levensgevaarlijk als je niet door mensenrechten beschermd wordt, en dat is ook wel gebleken. Je kunt de Joden er ook om bewonderen.
Het probleem is dat de universalistische pretenties niet minder werden naarmate het Christendom aan invloed verloor. Zoals gezegd, ook Verlichtingsdenkers als Voltaire en Rousseau stoorden zich aan de koestering door de Joden van hun eigen tradities. En dat heeft alles te maken met de universele waarden die de rede, als opvolger van het Christendom, propageerde. Daar passen geen afwijkende volkeren, godsdiensten of culturen bij. Die verstoren het universalistische feestje.
Volgens Ellian konden, vanwege hun universele claims, Christendom en Islam niet zonder de ontkrachting en demonisering van Jodendom en Joden. Met als gevolg een spiraal van onderdrukking en angst, geweld en tegengeweld waarvan je mag hopen dat het ooit nog goed komt.
De pathologie als gevolg van het geweld en de angst heeft de oorspronkelijke inzet voor een groot deel overwoekerd. Maar die inzet is er – historisch gezien – wel degelijk. Het ging om de vrijheid van meningsuiting, ook zonder dat je daarvoor beschermd werd. Misschien gaat het daar nog steeds wel om.
Labels:
antisemitisme,
Christendom,
cultuurgeschiedenis,
denkgeweld,
dialoog,
geweld,
Islam,
Israël,
Joodse traditie,
mensenrechten,
Nee zeggen,
rationaliteit,
totalitarisme
Posted by
Naud van der Ven
op
19:19
donderdag 11 juni 2009
Collectieve onmacht
De krant meldde gisteren dat de Jeugdzorg hervormingen van minister Rouvoet tot niets zullen leiden. Althans dat denkt ongeveer de vierde commissie die zich hierover buigt. Coördinatie- en bekostigingsproblemen belasten de instellingen. Kinderen en gezinnen zijn de dupe van de slecht functionerende jeugdzorg, ondanks alle goede bedoelingen. Iedereen is het erover eens dat de bureaucratie bestreden moet worden maar dat blijkt iedere keer uit te lopen op nog meer bureaucratie.
Aan de vooravond van de Europese verkiezingen woonde ik een debat bij over Europees kunstbeleid waaraan onder andere Hedy d’Ancona en Stefan Sanders deelnamen. Ondanks mijn sympathie voor d’Ancona vielen me haar regelzuchtige reflexen op. Woorden als gericht beleid, stimuleringssubsidies en cultuurnota’s rolden haar net te makkelijk uit de mond. De echte inspiratie is bij mij dan al gauw zoek. Ik heb het niet zo op zijn VVD maar ik moet zeggen dat ik Sanders’ meer liberale houding wel verfrissend vond. Terwijl ik heel goed begrijp wat d’Ancona wil en het eigenlijk wel met haar eens ben.
De dag erna werd er afgerekend met de PvdA, de partij ging van 7 naar 3 zetels in het Europese parlement. Daar had d’Ancona natuurlijk niets mee te maken maar door diverse commentatoren werd wel een verband gelegd met het bleke profiel van de partij. Die barst van de goede bedoelingen en de genuanceerde standpunten maar loopt tegelijkertijd vast in gehechtheid aan procedures, overmatige politieke correctheid en regelgevingssocialisme.
Verder las ik nog over een promotieonderzoek van Lida van den Broek waarin zij concludeert dat discriminatie meer voorkomt bij organisaties waarvan de medewerkers denken dat ze juist níet discrimineren. Juist bij die bedrijven wordt veel onderscheid gemaakt tussen prestaties van allochtonen en autochtonen.
In hoeverre is er een gemeenschappelijke lijn te ontdekken in bovenstaande plannen en projecten, behalve dat ze een zekere moedeloosheid veroorzaken? Het start allemaal met goede bedoelingen en het eindigt in het tegendeel of in stroperigheid. Wat betekent dat?
Wat bovenstaande zaken gemeenschappelijk hebben is een zekere hooggestemdheid, een bepaald geloof in de eigen progressiviteit, althans bij de start van de plannen, projecten en bewegingen die hier aan de orde zijn. Er is een sterk vertrouwen in maakbaarheid aan verbonden, dat zich uitdrukt in de gedachte dat je het allemaal wel geregeld hebt of op z’n minst kúnt regelen. En juist dat blijkt in al die gevallen anders uit te pakken.
Het is zonder meer waar dat deze fiasco’s aan de linkerkant van het politieke spectrum het sterkste uitkomen. De verklaring daarvoor is waarschijnlijk dat aan die kant het aantal goede bedoelingen groter is of dat ze daar de goede bedoelingen meer uitdragen.
Maar als je goed kijkt is die onmacht om dingen goed te regelen collectief. In feite delen alle politieke stromingen in de onmacht. Rouvoet is van de Christen Unie, de VVD deed aardig mee toen Erica Terpstra in de jaren negentig de hele geestelijke gezondheid overplaatste van de duinen naar de stad, en het Innovatieplatform van premier Balkenende is blijkens het boek van Frans Nauta daarover in zijn tegendeel verkeerd.
De onmacht zit dus dieper, het heeft met de ingewikkeldheid van onze samenleving te maken. Maar ook met een geloof dat alle politieke stromingen met elkaar delen omdat het diep in onze cultuur verankerd zit. Dat is het geloof in de ordenende rede, met zijn hooggestemdheid die steeds harder aanloopt tegen het feit dat zij iets wezenlijks verwaarloost. Ik doel op het verschijnsel dat anderen niet zo makkelijk in jouw plannen te vangen zijn als je zou willen. Verwaarlozing van dat verschijnsel is gelijkelijk verdeeld over alle politieke stromingen.
Daar is wel iets tegenover te stellen, zegt Levinas: een meer ingebed besef dat een ander wel eens veel meer en totaler anders zou kunnen zijn dan je in eerste instantie geneigd bent te denken. En dat besef zou voor zowel het technocratische als het ideologische denken, van rechts én van links, een aanwinst kunnen zijn.
Al met al kan ik dus gerust PvdA blijven stemmen.
Zie ook Geen eer meer aan te behalen
Labels:
de ander,
denkgeweld,
illusies,
lekker werken,
Levinas,
management,
rationaliteit,
verandering
Posted by
Naud van der Ven
op
06:48
dinsdag 2 juni 2009
Bewaak het perspectief
Gelukkig is Breedveld realistisch genoeg om op te merken dat de God van het Christendom lange tijd niet gefunctioneerd heeft volgens het Nieuw Testamentische model. Dat zou ook lastig vol te houden zijn, niet alleen vanwege de Kruistochten die Breedveld noemt, maar ook vanwege bijvoorbeeld de Inquisitie en het Westerse imperialisme.
Toch blijft Breedveld uiteindelijk vasthouden aan het traditionele schema, tegen beter weten in, zou ik zeggen. Dat zeg ik niet alleen vanwege het krijgshaftige karakter dat de Christelijke God eeuwenlang gehad heeft. Maar ook omdat de Oud Testamentische God niet zo monolithisch wraakzuchtig was als hij vaak wordt voorgesteld. Al in het Oude Testament komt hij ook naar voren als een mededogende God. En in het rabbijnse Jodendom bleek die Bijbelse God zich verder te kunnen ontwikkelen tot een God die vooral medemenselijkheid en solidariteit ondersteunde.
Dat kan blijken uit de mensvriendelijke manier waarop de rabbijnen omgingen met meningsverschillen, uit de democratische besluitvorming en de gerichtheid op onderlinge solidariteit. Het blijkt ook, zoals Ron van der Wieken onlangs opmerkte in het NIW, uit de relatieve vrouwvriendelijkheid van de Joodse traditie. “In de andere Midden Oosterse culturen waren vrouwen vaak niet meer waard dan vee, terwijl in het Jodendom de huwelijks- en scheidingswetten vaak relatief zachtzinnig waren. Ze stelden de man niet altijd bij voorbaat in het gelijk, de erfwetten lieten alleenstaande vrouwen niet helemaal berooid achter, en bij verdenking van overspel had een vrouw tenminste een kans om haar onschuld te bewijzen.”
Van der Wieken wijst erop dat pas na 1800 die relatieve vooruitstrevendheid werd ingehaald door ontwikkelingen in de omringende Westerse samenleving. Die kwam met grote stappen voorop te lopen waar het ging om de gelijkberechtiging van vrouwen, maar ook in de bestrijding van armoede en verankering van democratische praktijken. Tegelijkertijd geldt dat de inspiratie voor deze verworvenheden niet meer exclusief Christelijk was, maar ook humanistisch of socialistisch.
Zo schematisch als dat vroeger gebeurde vallen de Oud Testamentische en Nieuw Testamentische tradities dus niet tegenover elkaar te stellen. Renée van Riessen toont dat in haar boek Man as a place of God. Zij laat zien dat een nederige, mededogende voorstelling van God eigenlijk pas na Hegel een plaats krijgt in de Westerse filosofie, in de periode waarin ook de secularisatie een aanvang neemt. Tot die tijd heerst daar het beeld van God als de verhevene die bij voorkeur bij zichzelf blijft en alleen door zichzelf begrepen kan worden.
Tot 1800 dus. Dat is, voor het juiste perspectief, wel negen tiende deel van de afgelopen 2000 jaar.
Zie ook Heilig vuur
zondag 31 mei 2009
Veranderingsporno
Deze titel overwoog ik even voor het blogbericht over het boek De wereldburger bestaat niet van René Cuperus, omdat de term in dat boek voorkomt. Maar ik vond het toch iets te demagogisch klinken. Ik gebruik het woord nu wel omdat het zich als titel opdrong tijdens het lezen van het artikel Als ik, dan iedereen van Willem Jan Otten.
Het woord drong zich op onder de invloed van uitspraken die Otten doet naar aanleiding van het Pinkstergebeuren. Daarover schrijft hij bijvoorbeeld: “Het is een evenement waarbij in principe iedereen, ongeacht kunnen, afkomst, sekse, of mate van reinheid, hoogstpersoonlijk en afzonderlijk één gedachte of denkbeweging deelachtig wordt. Het is, zou je kunnen zeggen, het feest van het universalisme”.
En: “Hoezeer de waarheid in ieder afzonderlijk ook op haar eigen, afzonderlijke wijze werkzaam is, sinds Paulus kunnen we niet anders dan zeggen: er zijn geen objectieve verschillen meer”.”Iedereen is in potentie aanspreekbaar. Iedereen zou door de bocht kunnen”.
Deze uitspraken, zeker de laatste, hadden – afgezien van de verwijzing naar Paulus – niet misstaan in een willekeurig managementboek van de opwekkende soort. De boodschap daarvan is meestal: we zijn allemaal uniek maar uiteindelijk krijgen we de neuzen wel dezelfde kant op. Op die denktrant sloeg het woord veranderingsporno, dat Cuperus in zijn boek gebruikt om het streven van de Nederlandse beleidselite aan te duiden.
Waar komt die gretigheid om iedereen te veranderen toch vandaan? Waar komt die drang vandaan om ons allen één te maken? Vanwaar dat streven naar die ene, universeel beleefde waarheid?
Je begint te vermoeden dat er een grote aantrekkingskracht uitgaat van iets wat universeel is, iets wat door iedereen wordt gedeeld. Dat is naar mijn idee paradoxaal genoeg ook de aantrekkingskracht van de rede waar Otten zich in zijn stuk juist tegen keert. Goed beschouwd is de aantrekkingskracht van de rede eveneens dat zij universaliteit belooft. De rede kan het in principe mogelijk maken dat iedereen hetzelfde begrijpt. Dus de afstand tussen Ottens waarheid en de rede is niet zo groot als hij zou willen. Beide hebben met elkaar het streven gemeen naar de kick die kennelijk verbonden is met ervaringen van ultieme universaliteit. Daar doe je het allemaal voor.
Als Frank Ankersmit in De sublieme historische ervaring zegt dat de Westerse nadruk op waarheid en rede de ervaring heeft verdonkermaand, heeft hij dus misschien in één opzicht niet gelijk: de kick van de universeel ervaren waarheid heeft het altijd goed gedaan, zowel in het Christendom als in de politiek (denk aan fascisme en communisme) als in management. Met zoveel mogelijk tegelijk door dezelfde bocht.
Aangepast aan Ottens onderwerp zouden we misschien moeten spreken van ‘bekeringsporno’: een feest voor het universaliserende denken.
Zie ook Lekker irrationeel en Zie mij eens open zijn
Labels:
Ankersmit,
boeken,
Christendom,
denkgeweld,
management,
pluraliteit,
rationaliteit,
rede en ervaring,
verandering
Posted by
Naud van der Ven
op
19:53
donderdag 21 mei 2009
Taylor, Levinas en de leegte
De afgelopen week stonden de kranten vol met artikelen over Charles Taylor vanwege het verschijnen van de Nederlandse vertaling van zijn boek A Secular Age. In dat boek legt Taylor uit hoe de kerkverlating in het Westen paradoxaal genoeg voortkomt uit het onderricht dat die kerk haar gelovigen aanbood. In de krantenartikelen licht hij zijn standpunten toe.
Het is opmerkelijk hoeveel parallellen er naar aanleiding van die artikelen te trekken zijn tussen de denkbeelden van Taylor en die van Levinas.
Om te beginnen maken beide filosofen de zorg om de existentiële leegte van veel mensen in het Westen tot een belangrijk thema van hun werk. Taylor spreekt over de teloorgang van sociale verbanden en traditionele betekenisgeving vanuit de religie. Het is alsof de band is doorgeknipt tussen onszelf en de kosmos en dat we dat steeds meer als een verlies ervaren.
Levinas spreekt, vooral in zijn vroege werk, over een overmaat aan zelfbewustzijn en zelfgenoegzaamheid van de moderne mens. Deze heeft de mens eenzaam gemaakt en in een gevangenis van verveling en walging geplaatst.
Beiden leggen verder – weliswaar op totaal verschillend wijze – een verband tussen die leegte en de verzelfstandiging van het individu die zich in de loop van de tijd in het Westen heeft voltrokken. Taylor doet dat middels een cultuurhistorische beschrijving van ontwikkelingen in het Christendom. De kerk droeg de mensen op te leven naar het Evangelie. Dat vroeg om discipline en die kwam er ook. Hard werken en het gezinsleven werden belangrijk. Zo ontstond een geordende, productieve en vredige samenleving. Maar juist daardoor kregen de mensen geleidelijk aan het gevoel het ook wel te redden zonder God.
Levinas presenteert de verzelfstandiging van het individu als de uitkomst van de strijd van de mens tegen het il-y-a. Het il-y-a staat bij Levinas voor de bedreiging die uitgaat van een ijzige kosmos die in zijn onverschilligheid de mensen treft met meteorietinslagen, tsunami’s en bosbranden. Door aanwending van zijn rationele vermogens bindt de mens de strijd aan met de elementen. Hij dringt ze terug en organiseert een geordende eigen wereld.
De beide auteurs geven in verwante termen een beschrijving van de geestestoestand van de mens in zo’n geordende samenleving. Taylor spreekt van het omsloten zelf, als tegengesteld aan het poreuze zelf van vóór de disciplinering, dat in vanzelfsprekend contact stond met de omringende wereld. Het omsloten zelf heeft de mogelijkheid afstand te nemen, zich los te maken van alles buiten de geest. Alles wordt vatbaar voor manipulatie. Hierdoor kan dit zelf zich als onkwetsbaar zien, als meester van de betekenissen die de dingen voor hem hebben.
Levinas typeert de georganiseerde mens, in zijn gescheidenheid van de kosmos, als soeverein, zichzelf genoeg. Hij kan zichzelf beschouwen als zijn eigen oorsprong. Eenzaamheid en verveling zijn kenmerken die zowel Taylor als Levinas toekennen aan deze verzelfstandigde mens. Daarbij is het wel zo is dat Levinas de verzelfstandiging van de mens ten opzichte van een ijzingwekkende kosmos een grote verdienste vindt, maar de bijbehorende leegte noemt hij beklemmend.
Waarin ze opvallend van elkaar verschillen is een nadere analyse van de wortels van die ontwikkeling naar afsluiting, zelfgenoegzaamheid en eenzaamheid die zij beide beschrijven.
Taylor constateert een kentering in de uitwerking die de nadruk op het Evangelie had. Hij stelt vast dat de oorspronkelijke bedoeling die de kerk had met haar disciplinering naar de achtergrond verdween. De discipline zelf kwam op de voorgrond te staan en die bracht ons welvaart en veiligheid. Toen hadden we de Heilige Geest niet meer nodig. Het is, wat Taylor betreft, nu zaak om nieuwe vormen van betekenisvolle verbinding te creëren.
Levinas gaat voor zijn analyse verder terug in de tijd. Hij constateert dat het Westen al veel langer in de greep is van het geloof in rationalisering en ordening. Dat is een filosofische attitude die teruggaat op Parmenides en Plato en die het Christendom heeft overgenomen. Binnen die attitude geldt de ratio als laatste grond van betekenisgeving en werkelijkheid en wordt de menselijke ervaring gewantrouwd. Het Christendom heeft dat schema niet verlaten maar er een religieuze inkleding aan gegeven door de geschiedenis voor te stellen als een doelgericht goddelijk plan met de verlossing door Jezus Christus als spil.
Zo beschouwd is wat er nu gebeurt met het Christendom helemaal niet zo raadselachtig en zijn disciplinering en rationalisering niet zomaar de uit de hand gelopen bij-effecten die Taylor ervan maakt. Wat er nu uitkomt heeft er vanaf het begin in gezeten.
Wat Levinas betreft is er dus meer nodig om onze leegte en eenzaamheid te overkomen dan nieuwe vormen van betekenisvolle verbinding. Want dat zou wel eens meer van het zelfde kunnen blijken te zijn: georganiseerde, gedisciplineerde, afgedwongen betekenis volgens de beste Grieks-Christelijke tradities, uiteindelijk gefundeerd in de ratio en voorbijgaand aan concrete individuele ervaring van betekenis. En met nog meer leegte als gevolg.
Het enige wat Levinas daartegenover kan stellen is de werkzaamheid van een transcendentie die niet de gedaante heeft van een systematisch uit te werken historisch plan, maar die zich in onvoorspelbare sociale ontmoetingen voordoet. In zulke ontmoetingen breekt het beeld van een historische samenhang, een kloppend plaatje, daar valt niets te manipuleren maar daar gebeurt wel wat. Daar is geen leegte en verveling. Daar gebeurt, om met Taylor te spreken, "iets groots".
Zie ook Bestemming bereikt
Labels:
boeken,
Christendom,
cultuurgeschiedenis,
de ander,
Griekse filosofie,
il-y-a,
Levinas,
Plato,
rationaliteit,
rede en ervaring,
versluierd il-y-a,
verveling
Posted by
Naud van der Ven
op
13:41
woensdag 13 mei 2009
Nee zeggen
Denken voor iets anders, dat lukt nog wel. Als de ketting eraf ligt dan is de gedachte snel gemaakt dat die er weer op moet, en de fiets zal niet protesteren. Hooguit moeten nog wat andere onderdelen in de reparatie betrokken worden.
Denken voor iemand anders is veel moeilijker. Als iemand ongelukkig is en je stelt hem voor om iets leuks te doen, dan zal die ander uiteindelijk zelf bepalen of dat een geslaagde gedachte is.
Het succes van denken voor anderen is dus in laatste instantie niet afhankelijk van de denker of de kwaliteit van zijn denken, maar van de acceptatie van degene voor wie hij denkt. Het besef van deze afhankelijkheid kan bij ons een zekere mate van terughouding of verlegenheid teweeg brengen tegenover elkaar.
Op dat verschijnsel wijst René Cuperus in zijn boek De wereldburger bestaat niet. Cuperus signaleert daarin dat in onze samenleving bij sommige middenklasse-groepen veel onvrede leeft. Een antwoord daarop komt in de vorm van flinke uitspraken van populistische leiders. Maar dat antwoord stuit het merendeel van de traditionele elite tegen de borst. Daar doet zich juist het verschijnsel voor van de terughouding. Men weet het antwoord niet precies meer en raakt enigszins geblokkeerd. Laten we vooral niet te veel willen voor de mensen in het land, zo is de leidende gedachte.
Een mooi voorbeeld van dat verschijnsel is de omgang door politici en journalisten met het referendum over de Europese grondwet in 2005. In de aanloop tot het referendum droegen tal van politici, van links tot rechts, aanvankelijk de boodschap uit dat Europa ons heel belangrijke dingen te bieden heeft. Bijvoorbeeld indamming van rivaliteit tussen staten waardoor we al zestig jaar vrede hebben, economische samenwerking en financiële stabiliteit.
Opmerkelijk veel commentatoren reageerden daar destijds afwijzend op. Dergelijke pleidooien werden gezien als schoolmeesterachtig en vernederend voor de aangesprokenen. De mensen in het land wisten heel goed zelf wat ze van Europa vonden en hadden geen lesje nodig van pedante politici. En wat ze in meerderheid van Europa vonden bleek bij de uitslag van het referendum: nee tegen de grondwet.
De vraag die zich hier aandient is: wat staat je te doen als maatschappelijke elite als je het gevoel hebt dat argumenten niet meer tellen? Zoals gezegd, die politici stelden zich vervolgens wat terughoudender op en dat is ook wat Cuperus bepleit: de elite zou beter kunnen luisteren. De terughouding wordt dan expliciet als constructieve politieke attitude omarmd.
Daar is niets mis mee, zegt Pieter van Os in zijn NRC-bespreking van het boek van Cuperus, maar je zult daarna de mensen toch ook iets moeten terugzeggen? Van Os meent dat het daaraan schort.
Ik weet niet of dat waar is. Ten aanzien van Europa bijvoorbeeld hoor ik leidende politici in feite al weer dezelfde argumenten gebruiken die vier jaar geleden niet genoemd mochten worden. Bijvoorbeeld dat Europa kan bijdragen aan vergroting van onze veiligheid en welvaart. Het verschil is dat die argumenten op dit moment lijken te worden geaccepteerd.
Betekent deze vaststelling dat die periode van terughouding een bepaald effect gehad heeft? Ik durf het niet te zeggen. Ik kan alleen maar concluderen dat het denken voor anderen een hachelijke zaak is en ondoorgrondelijke wegen volgt. Want die anderen zeggen soms gewoon nee. Dat heeft waarschijnlijk veel te maken met kwetsuren en gevoelens van vernedering.
Denken voor dieren zit misschien tussen het denken voor dingen en het denken voor mensen in. Je kunt het prettige gevoel hebben dat dieren instemmen met wat je voor ze bedenkt, anders dan stenen of andere dingen. Maar ze kunnen niet echt nee zeggen zoals mensen dat kunnen, dus je kunt ook lekker je gang gaan met voor hen te denken. Misschien ligt daar wel de verleiding van het dierenactivisme.
Zie ook Zie mij eens open zijn.
Labels:
de ander,
denkgeweld,
denkschaamte,
discussiecultuur,
Europa,
illusies,
nationalisme,
Nee zeggen,
politiek,
Schaamte en verandering,
Wilders
Posted by
Naud van der Ven
op
20:25
Voorwaardelijk bestaan
Schokkend, noemde Raymond van den Boogaard afgelopen vrijdag in de NRC de constatering dat tegenwoordig bijna niemand het meer opneemt voor Israël. Verstandige mensen vinden Israël niet aardig meer.
Het is inderdaad best schokkend dat Israël, vanwege bruut gedrag, in een rijtje komt te staan met, zeg maar, Saoedi Arabië, Rusland, Soedan of Frankrijk ten tijde van de Algerijnse oorlog.
Schokkender vind ik dat Van den Boogaard daaraan toevoegt dat dit, op den duur, het voortbestaan van Israël in gevaar brengt. Voor die andere staten haalt toch niemand het in zijn hoofd om het voortbestaan ervan voorwaardelijk te koppelen aan aardigheid?
woensdag 29 april 2009
Sociaal geweld
Laatst verscheen het boek Joden-haat en Zions-haat van Herman van Praag. Naar aanleiding daarvan publiceerde de auteur in Trouw een artikel over de herkomst van de jodenhaat door de eeuwen heen onder de titel Haat behoeft een motief.
Van Praag presenteert in dat artikel een mix van inhoudelijke en sociale factoren die hebben bijgedragen aan het ontstaan van antisemitisme. Daarbij legt hij veel nadruk op de inhoudelijke factoren en kent hij een relatief bescheiden rol toe aan de neiging van de Joodse gemeenschap tot afzondering door spijswetten en eigen regelgeving.
Wat de inhoud betreft wijst Van Praag op de Joodse opvatting van de ene God als een ethisch wezen dat ethische eisen stelt: de ander moet behandeld worden als jouws gelijke, ongeacht diens antecedenten. Ook aan die ander waren van hogerhand zeer bepaalde rechten toegekend. Dat was, aldus Van Praag, in vroeger tijden strijdig met zowat alles wat gangbaar was en wekte daardoor intense weerstand.
De sociale aspecten komen in het artikel pas in tweede instantie aan bod als oorzaken van Jodenhaat: “Bovendien speelde mee dat Joden in betrekkelijk gesloten gemeenschappen leefden. Zij waren in het dagelijkse leven gehouden aan allerlei voorschriften. De betekenis hiervan werd niet begrepen. Zij leken het leven alleen maar gecompliceerder te maken”.
Over de doorwerking van die dagelijkse, op afzondering gerichte leefregels valt naar mijn idee wel wat meer te zeggen in relatie tot antisemitisme. Want die afzondering is niet zo onschuldig als uit het terloopse vermelden daarvan kan worden opgemaakt. Afzondering van de ene groep ten opzichte van de andere heeft altijd een dimensie van sociaal geweld. 'Ik wil niet bij jullie horen' kun je als boodschap best aanstootgevend noemen. Het is niet raar als dat weerzin oproept.
Maar dat zo zijnde kun je er nog redenen voor hebben om je eigenheid te willen markeren. En ik denk dat de Joodse traditie die redenen wel heeft. Daarmee doel ik niet direct op het goddelijke gebod tot heiliging en afzondering, maar eerder op de behoefte van een cultuur om zichzelf vorm te geven. Tot in materiële zaken toe, zoals wat je eet en hoe je je kleedt. Je kunt deze vormgeving zien als begeleidend verschijnsel van een spiritueel standpunt. En dat verschijnsel doet zich niet alleen voor in de Joodse traditie maar bijvoorbeeld ook in de Islam.
Alleen, wat doe je dan met de spanningen die die behoefte in sociaal opzicht oplevert? Als je bewust kiest voor een zekere afzondering dan mag je toch ook best bedacht zijn op wat je daarmee bij anderen teweeg brengt? Dat hoef je naar mijn idee niet meteen af te doen als haat, of het begin van haat.
Veel meer nuanceringen over de werking van een dergelijk sociaal-psychologisch mechanisme zouden daar aangebracht kunnen worden. Ik had het wel mooi gevonden als de psychotherapeut Van Praag daar nader op in was gegaan.
Want zo onschuldig is het – sociaal gezien – niet om jezelf te willen markeren.
Zie ook God en Psyche
Labels:
antisemitisme,
communicatie,
de ander,
Islam,
Joodse traditie,
pluraliteit
Posted by
Naud van der Ven
op
16:27
dinsdag 21 april 2009
Zie mij eens open zijn
Een aantal progressieve weldenkenden, vooral uit de hoek van D66, bracht onlangs een boek uit onder de titel Open en onbevangen. Zij bepleiten daarin een open blik op de wereld, gezonde twijfel en wat meer veranderlustigheid.
Natuurlijk moet je zo’n titel primair opvatten als een richtinggevend ideaal. Maar het is wel degelijk ook mogelijk om er een berisping in te horen aan het adres van diegenen die de globalisering met zorg gadeslaan of liever in eigen land geborgen dan kosmopoliet willen zijn. Je kunt de titel dan ook opvatten als een pretentie van de auteurs in de zin van ‘Wat hebben wij een wijde blik’.
Die pretentie is precies het mikpunt van een ander boek, namelijk De wereldburger bestaat niet door René Cuperus. Om die reden werden de boeken onlangs met elkaar (en nog een ander boek) geconfronteerd door Pieter van Os in de NRC.
Cuperus neemt in zijn boek de veranderlustigheid en het globaliseringsenthousiasme van de spraakmakende Nederlandse elite op de korrel. Hij spreekt over de terreur van de openheid en de “veranderingsporno” die het progressieve establishment over het land uitstort. Het kan niet anders – zo zegt Cuperus – dan dat mensen die opstelling als arrogant en vernederend ervaren. Cuperus verklaart daaruit de groei van populistische bewegingen in Nederland. De geproclameerde openheid wekt weerzin.
Nu is er inderdaad iets aan de hand met het proclameren van openheid. Want kun je wel van jezelf zeggen dat je open bent zonder dat het onmiddellijk in zijn tegendeel verkeert? Of kun je wel menen dat je je uiterste best doet om open te zijn zonder dat dat onmiddellijk zijn eigen blinde vlekken creëert?
Dat lijkt paradoxaal maar die paradox kom ik wel vaker tegen, bijvoorbeeld in de workshops Denken voor een ander. Daarin onderzoek ik met deelnemers het merkwaardige verschijnsel dat je oprecht meent in alle openheid en in goed overleg een mooi plannetje te hebben bedacht, maar dat degene voor wie het bedoeld is er niet van gediend blijkt te zijn. Die gewaarwording kan je even helemaal door elkaar schudden, je goede bedoelingen konden kennelijk geen échte openheid garanderen. De verlegenheid daarmee kan reflectie, en nieuwe openheid opleveren.
Tijdens de workshops komt regelmatig een vraag op die ik niet kan beantwoorden, namelijk of er bepaalde mensen zijn die gevoeliger zijn voor dit verschijnsel dan andere mensen. Treedt het verschijnsel bijvoorbeeld vaker op bij vrouwen of bij mannen, bij ouderen of jongeren, bij conservatieven of bij verantwoord progressieve mensen?
Vooral dat laatste lijkt voor de hand te liggen. Maar toch heb ik dat niet als wetmatigheid kunnen ontdekken. Het paradoxale is namelijk dat openheid of het gevoel zo lekker open te zijn op zichzelf alweer afsluiting kan veroorzaken. 'Zie mij eens open zijn' wordt dan een ideologie die zich afsluit voor meer of minder subtiele signalen van weerstand.
Maar je kunt ook weer niet zeggen dat denkschaamte bij deze bewust openminded mensen het minste voorkomt. Want juist waar een gedachte tot ideologie geworden is kan de schaamte voor dat denken genadeloos toeslaan. Dus ook bij progressieven met een bewust open mind.
Er is dus niet zo veel over te zeggen. Behalve dát het geloof in de eigen openheid en flexibiliteit in zijn tegendeel kan verkeren. En dan bij anderen weerzin en ressentiment kan oproepen. Het is waarschijnlijk precies dat wat Cuperus zo irriteert aan de winnaars van de globalisering, de wereldburgers, de verheerlijkers van de open blik. Zij zetten, bedoeld of niet, de achterblijvers neer als xenofoob en provinciaals en dragen daarmee bij tot maatschappelijk ressentiment en politieke onrust.
Maar is dat een reden om het denken te stoppen? Ook al zou dat denken – zoals Van Os aangeeft in zijn bespreking – opnieuw tot conclusies kunnen komen die veel mensen niet aanstaan. Bijvoorbeeld dat protectionisme geen oplossing is, dat buitenlanders niet gevaarlijk zijn en dat Europese integratie helpt in ons verlangen naar welvaart en veiligheid.
Als Cuperus die conclusies niet meer zou toelaten, omdat ze moeilijk uit te leggen zijn, ben ik het met Van Os eens dat zijn antwoord ons niet veel verder helpt. Mijn eigen antwoord zou zijn: blijf wel denken – ook voor anderen, want alle denken is altijd denken voor anderen – op het gevaar af elitair te zijn. Maar laat je ook terugfluiten.
Zie ook Nee zeggen.
Labels:
boeken,
chauvinisme,
communicatie,
denkschaamte,
illusies,
Nee zeggen,
Schaamte en verandering,
verandering,
Wilders
Posted by
Naud van der Ven
op
19:13
Abonneren op:
Posts (Atom)