donderdag 25 juni 2026

Alfa’s, bèta’s en vrijheid


Zodra wetenschappelijke uitspraken en voorspellingen over mensen gaan ontneem je ze een stuk vrijheid. Je verkleint de mogelijkheid tot ontsnapping aan zichzelf en hun omstandigheden.

Natuurwetenschappers (bèta’s) hebben dat probleem niet, want hun uitspraken gaan over moleculen of sterrenstelsels, niet over mensen. Met de ingewikkelde opgave om relevante uitspraken te doen over menselijk gedrag en sociale interactie - zonder de betrokken mensen vast te pinnen - worden specifiek de mens- en geesteswetenschappers (alfa’s) geconfronteerd. Dat komt omdat die uitspraken op onvoorspelbare manier van invloed zijn op de mensen waar ze over gaan. Een weersvoorspelling beïnvloedt het weer niet, een sociale voorspelling doet wél wat met haar ‘objecten’. Dat zorgt voor twee effecten waar natuurwetenschappers geen last van hebben. 

Een eerste effect kan zijn dat mensen, uit weerzin tegen vastpinning of ter afwending van bedreigende voorspellingen, kiezen voor ander gedrag dan voorspeld. Dan kloppen de uitkomsten van het onderzoek dus niet meer, daar gaan je ‘feiten’. Dat is weer van invloed op de status en het prestige van de alfa wetenschappen: de verkregen kennis wordt gezien als ‘soft’, en over het algemeen krijg je er dan minder geld voor.

Een tweede effect kan zijn dat mensen de sociaalwetenschappelijke inzichten wel degelijk als feiten opvatten, en zich laten determineren door de uitspraken die over hen gedaan worden. Filosoof Carissa Véliz zegt: een sociale voorspelling “buigt als een magneet de werkelijkheid naar zich toe”. En zij waarschuwt voor de gevaren daarvan: een hoge voorspellende nauwkeurigheid over individuen is geen wetenschappelijke vooruitgang, maar een symptoom van tirannie. Sociale voorspellingen zijn in feite versluierde bevelen, “wat als objectieve kans wordt gepresenteerd kan een oordeel worden waaraan niet meer te ontsnappen valt”. Je krijgt dan machtsuitoefening vermomd als wetenschappelijke analyse. Voor gewetensvolle sociaalwetenschappers is dat ongewenst en al decennia een bron van kritische reflectie op hun vak.

Het is dan ook geen toeval dat de alfa’s meer oog lijken te hebben voor de potentieel gevaarlijke kanten van AI dan de bèta’s. De opkomst van AI versterkt immers het deterministische karakter van uitspraken over mensen omdat ze door algoritmes als feiten worden behandeld. Véliz: “Als een algoritme exact weet wat jij gaat doen, is dat omdat de wereld via massasurveillance, zo is ingericht dat je geen keuzevrijheid meer hebt”. En alfa wetenschappers zijn gevoelig voor de gevaren daarvan, want die kennen ze van hun eigen sociaalwetenschappelijke inzichten.

Een filosofiedocent aan een hogeschool vertelde mij laatst dat er binnen haar vakgroep veel discussie is over de omgang met AI. Omdat voor schriftelijke werkstukken studenten AI grotendeels het werk laten doen overweegt men om over te gaan op mondelinge examens. En men zoekt naar terreinen die nog niet door AI zijn afgegraasd, om die aan de studenten te presenteren (al wordt dat gebied met de dag kleiner). Deze zorgen leven breed maar, zei zij, eigenlijk alleen bij de geestes- en sociale wetenschappers, niet of nauwelijks bij de docenten van de natuurwetenschappen. Door het deterministische karakter van AI en de natuurwetenschappen is dat verklaarbaar. Maar het betekent wel dat de gewichtige taak van bewaking van de menselijke vrijheid een zaak is van de alfa-wetenschappen. Dan is het niet leuk om voor ‘soft’ te worden versleten.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Alfa's, bèta's en vrijheid en scrol naar beneden door.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten