vrijdag 21 maart 2008
Edelkitsch
Wat niet spannend meer is moet je niet geforceerd weer spannend proberen te maken. Die gedachte overviel me bij de uitvoering van de Matthäus Passion onder leiding van Paul Goodwin op de televisie.
Deze uitvoering was gedramatiseerd. Dat wil zeggen, de musici, en dan vooral de zangers, maakten niet alleen muziek maar traden deels op als acteurs. Jezus knielde soms en kreeg klappen, koorleden keken angstig of boos, en Judas gaf Jezus een kus. Uiteraard werd het geen toneelstuk, de dramaturgie was beperkt en de uitvoerenden hadden hun dagelijkse kleren aan en geen kostuums. Maar gebaren en blikken waren heel bewust toegevoegd.
Als het bedoeld was om de zaak te verlevendigen is het wat mij betreft mislukt. Op een enkele plaats in het verhaal werkte de formule wel, namelijk waar een werkelijk menselijk drama aan de orde is. Bijvoorbeeld in de scène waarin Petrus Jezus drie keer verloochent en dan bij het kraaien van de haan in diepe vertwijfeling raakt.
Maar in het merendeel van de scènes voelden de gebaren en blikken als opgelegde dramatiek. Koorleden die minutenlang met vrome nadrukkelijkheid iedere handbeweging van Jezus volgen of zangers die elkaar of een violist smartelijk aankijken, dat is wat te veel van het goede. Het leidt af en contrasteert met het juist luchtige en onnadrukkelijke voortkabbelen dat Bachs muziek – naast de dramatische muzikale accenten – ook in de Matthäus kenmerkt.
Het deed mij terugverlangen naar de uitvoeringen waar het gewichtige nog werd gezocht in zwart-wit kostuums en niet in zwaar aangezette gebaren. Dat voelde minder gekunsteld en opdringerig en liet meer ruimte voor de muziek. Die overigens, ook in deze uitvoering, niet kapot kon.
woensdag 19 maart 2008
Zionisme
“Aanslag op het hart van het Zionisme” kopte de NRC naar aanleiding van de aanslag op 6 maart op de Merkaz HaRav Jesjiva in Jeruzalem.
Ik ben het met die kop niet eens. Want Zionisme wordt daarin gelijkgesteld aan de beweging van al dan niet religieuze kolonisten die de grenzen van Israël proberen op te rekken ten koste van de Palestijnen.
Tot nu toe was dat niet de gangbare betekenis van het woord. Zionisme betekende: de beweging voor een eigen thuis voor het Joodse volk in het land waar het oorspronkelijk vandaan komt. Een beweging die ondersteund wordt door het VN-besluit van 1947 tot opdeling van het mandaatgebied Palestina in een Joods en een Arabisch deel.
Weliswaar was er vanaf de jaren twintig en dertig een vleugel binnen de Zionistische beweging die een Groter Israel voorstond. Maar aanhangers van die ideologie werden aangeduid als Revisionisten en als Zionist kon je het heel goed met hen oneens zijn. Zionist te zijn betekende niet per se dat je kolonies wilde stichten in Judea en Samaria maar simpelweg dat je voor een levensvatbare Joodse staat was.
Voor mezelf gebruik ik het woord nog steeds in die betekenis. Ik wil dat ook graag blijven doen want bij de Groter Israël beweging voel ik me niet thuis. Bewaking van de betekenis van dat woord is dan wel nodig.
zaterdag 15 maart 2008
Reality check
Afgaande op het vorige blogbericht kun je de conclusie trekken dat politiek en management, in hun nadruk op transparantie en controle, het contact met de werkelijkheid kwijt zijn. Maar je kunt net zo goed zeggen dat ze tegen de werkelijkheid zijn aangelopen.
De eerste opvatting is terug te vinden bij Graham Lock die regelmatig herhaalt dat alles nep is in de politiek van vandaag. Dit negatieve oordeel over de wijze waarop wij menen politiek en management te moeten bedrijven kan ons gemakkelijk brengen tot een veroordeling van de disciplines die de laatste decennia veel van de desastreuze denkbeelden hebben aangedragen: de politicologie, de organisatiekunde en andere sociale wetenschappen. Zo bezien is het niet vreemd dat Floris Cohen de sociale wetenschappen contrasteert met de natuurwetenschappen. Hij meent dat het tot nu toe alleen in de natuurwetenschap gelukt is om vormen van stelselmatige feedback te ontwikkelen die het contact met de werkelijkheid kunnen waarborgen. Natuurwetenschap is hard, sociale wetenschap is zacht.
De tweede opvatting, die ik zelf aanhang, is positiever over wat er op sociaal terrein gebeurt. In die visie duidt de onderkenning van zoveel grootschalige sociale mislukkingen op de ontdekking van nieuwe werkelijkheid. Namelijk: de werkelijkheid van individuen die Nee roepen tegen plannen die over hen uitgestort worden. En het realistische besef dat je er, als plannenmaker, verstandig aan doet om daar maar naar te luisteren als je niet irrelevant wilt worden. De weerstand, bijvoorbeeld, tegen de verhuizing van de gezondheidsinstellingen van de duinen naar de stad leverde het inzicht op dat de zorg voor heel diverse mensen zich niet in een universeel model laat persen.
Een dergelijke opvatting van werkelijkheid zou wel eens kunnen aansluiten bij de ervaring die Levinas centraal stelt: die van het Nee van de ander tegen mijn plannen en schema’s waarin hij geacht wordt mee te lopen. Als dat Nee hard bij me binnenkomt voelt dat misschien aan als pijnlijk, maar ik stuit daarmee wel op een sociale werkelijkheid die harder is dan mijn eigen bedenksels.
Ik waag de stelling dat dit verschijnsel – het Nee van de ander – wellicht een equivalent biedt op sociaal terrein van de stelselmatige feedback die we kennen uit de natuurwetenschappen. We raken daarmee aan een hardheid op sociaal gebied die het – net als in de natuurwetenschappen – mogelijk maakt om radicaal boven ons subjectieve vooroordeel en zelfbedrog uit te stijgen. Daarmee heeft de sociale wetenschap haar eigen stevigheid te pakken.
Overigens komt Lock misschien wel op dat zelfde punt uit als hij zegt dat onderwijs traditioneel gericht is op het individu. Wat heeft het individu nodig en op welke manier kan hij aan zijn trekken komen, die kwesties laten zich maar heel beperkt collectief organiseren. Dat weet uiteindelijk alleen het individu zelf.
En de huisartsen illustreren als beroepsgroep wellicht eveneens de werkelijkheidskracht van het Nee. Zij lijken minder dan andere artsen last te hebben van de gemanagede nepwerkelijkheid doordat hun Nee met succes allerlei grootschalige plannen heeft tegengehouden.
Honorering van het Nee betekent wel dat microsituaties, waarin de stem van individuen kan worden gehoord, als voorwerp van studie in de sociale wetenschappen een veel prominentere plaats moeten krijgen. Als het gaat om organisaties kan ik me daar wel iets bij voorstellen. Daar vindt veel één op één contact plaats. Maar voor politieke kwesties vind ik dat veel moeilijker. Misschien komt het voorstel van Huub Dijstelbloem tot het instellen van 'destabilisatierechten' in de buurt. Meer.
Zie ook Geen eer meer aan te behalen.
Labels:
de ander,
denkschaamte,
illusies,
kennis,
Levinas,
management,
Nee zeggen,
pluraliteit,
reality check,
verandering,
wetenschap
Posted by
Naud van der Ven
op
21:18
donderdag 6 maart 2008
Geen eer meer aan te behalen
Het wordt er met parlementaire onderzoeken zoals die naar de onderwijshervormingen niet leuker op voor politici en andere beleidsmakers. Er blijkt maar heel weinig maakbaar te zijn in onze samenleving.
Joop den Uyl besefte al dat de marges klein zijn. Maar hij had het nog over het politieke krachtenveld en de taaiheid van de gevestigde instituties. Met het aanhouden van politieke ideeën (wel de goede natuurlijk) was nog niets mis, de gedachte aan een andere wereld was nog mogelijk. De politicus had hoe dan ook een bepaald aureool en kon zichzelf nog een belangrijke rol toekennen. Al was het maar die van de ploeteraar die zijn moeizame mars door de instituties uitvoert.
De politieke generaties van de jaren tachtig en negentig waren wat bescheidener. Althans wat de ideologie betreft. Die schudden zelf hun ideologische veren af of werden door anderen geplukt en aangeduid als manager-politici. Het geloof in visioenen ebde weg maar wat bleef was het geloof in centrale sturing en technische beheersing, ook al was dat op afstand. Politici werden primair technocraten. Men ging de gewenste output definiëren en indicatoren opstellen om de output te meten. Men voerde extra verplichte verslagleggingen en vele controles in die konden garanderen dat er gebeurde wat de politiek wilde.
Al met al zagen deze politici nog steeds kans om grootschalig aan de gang te gaan. Hetzij op basis van modieuze trends, zoals Erica Terpstra die in één keer de geestelijke gezondheidszorg liet overplaatsen van de duinen naar de stad. Dan wel op basis van ideologische uitlopers van de jaren zeventig zoals de onderwijshervormingen van Ritzen, Wallage en Netelenbos. Je kón als politicus nog het gevoel hebben dat je verschil maakte. Er was nog eer aan te behalen.
Voor de huidige generatie politici is dat weer een stuk moeilijker geworden. Veel van de grote projecten van de jaren 80 en 90 voldoen niet aan de verwachtingen die men ervan had. De illusie waar de manager-politicus nog in kon geloven: die van greep op de zaak, is nu aan de beurt om doorgeprikt te worden. Het blijkt dat het sturen op afstand, via indicatoren en vele controles, maar matig tot slecht werkt. Want, zoals Graham Lock onlangs uitlegde in de NRC, de indicatoren creëren hun eigen werkelijkheid die vaak niets meer te maken heeft met wat gewone mensen daaraan beleven. Overmatige nadruk op transparantie en controles demotiveert professionals zoals onderwijzers en artsen en het levert de burger dus misschien wel niks op. Er is nog wel een dashboard in Den Haag, er zijn nog knoppen om aan te draaien en over te praten maar er zit niets meer achter.
Daar word je als politicus uiteraard niet vrolijk van.Valt er dan in het geheel geen eer meer te behalen? Misschien moet je daarvoor zijn op terreinen waar denken in het groot nog legitiem is. Dat zijn mijns inziens niet de sociale terreinen zoals het onderwijsveld of de zorg. Het bekomt de factor mens immers maar slecht als er teveel voor hem gedacht wordt. Ik zou het eerder zoeken op terreinen als het milieu of duurzaamheid. De nood is ook daar hoog genoeg.
Zie ook Reality Check
Labels:
denkgeweld,
illusies,
management,
reality check,
vakmanschap,
verandering
Posted by
Naud van der Ven
op
12:02
maandag 25 februari 2008
Ongewild kwetsen
Als het gaat om de legitimiteit van kwetsen en beledigen zijn er allerlei en heel verschillende standpunten mogelijk.
In de NRC las ik laatst de stelling dat kwetsen functioneel is. Al was het maar om de intolerantie, de lichtgeraaktheid en de lange tenen van de gekwetsten bloot te leggen. Het is mogelijk in deze positie een schampere ondertoon van superioriteit en wellust te beluisteren, zoals ook Theo van Gogh die tentoonspreidde.
Daar niet zo ver vanaf maar dan zonder die toon van wellust ligt de opvatting dat het wellicht vervelend is om te kwetsen maar dat het opvoedkundige waarde heeft en daarom soms nodig is. De gedachte is dat de gekwetste partij er een bekrompen of naïef wereldbeeld op na houdt. Kritische ondervraging ervan kan de groei naar volwassenheid bevorderen. Deze opvatting werd onlangs in Trouw verdedigd onder verwijzing naar de Bijbel. De profeet Hosea shockeerde heel bewust zijn volksgenoten door Israël te vergelijken met een hoer.
Er is ook de opvatting waarbij alle strategie of shockerende opzet verdwenen is en die de nadruk legt op een subjectieve noodzaak. De kwetsuur is een ongewild bijprodukt van de behoefte van de kwetser om een minimum van zijn eigen gevoelens en overtuigingen te kunnen uitdrukken. Martin Luther, die zijn verzet tegen Rome rechtvaardigde met de uitspraak: ‘hier sta ik, ik kan niet anders’, is hiervan de belichaming.
Verder zijn er mensen die menen dat je nooit mag kwetsen, per definitie niet. Het mag niet want je maakt iets kapot bij anderen. Kwetsen dat dóe je niet, zegt Doekle Terpstra in zijn manifest Benoemen en Bouwen. Ik vind dat een gevaarlijk standpunt omdat het kan leiden tot taboeïsering en ongezonde zelfcensuur. Het maakt mensen, met de overtuigingen en gevoelens die ze nu eenmaal hebben, vatbaar voor chantage door anderen die dreigen daardoor gekwetst te zullen gaan worden. De zo in het leven geroepen taboes zullen frustraties kweken en daardoor uiteindelijk destructiever zijn dan welke kwetsende uitspraken of beelden dan ook.
Voor mezelf houd ik het erop niet met opzet te willen kwetsen. Er zijn al genoeg momenten dat je het onopzettelijk moet doen, eenvoudig om je geestelijke gezondheid te bewaren en niet gesmoord te worden in een overmaat aan zelfcensuur. Mijn opvatting heeft dus wel iets weg van die van Luther, maar dan hopelijk iets minder pathetisch.
donderdag 14 februari 2008
Plaatjes maken
Stel, je bent manager van een afdeling. Je vangt signalen op van wrijving en irritatie tussen jouw medewerkers en die van een andere afdeling waar je veel mee te maken hebt. Wat doe je dan?
Je kunt de signalen negeren. Als je er serieus op ingaat moet je namelijk misschien wel ingewikkelde gesprekken gaan voeren met je collega van de andere afdeling. En wie weet wordt de wrijving alleen maar groter. Dit kun je best een paar jaar volhouden.
Je kunt ook de signalen oppakken en je mensen stimuleren om zich assertiever op te stellen tegenover de andere afdeling. Zo ontstaat er misschien een saamhorige en strijdlustige stemming waardoor je als afdeling sterker komt te staan. Je eigen positie tegenover je collega zal daardoor sterker worden.
Een derde mogelijkheid is: contact opnemen met de Plaatjesmaker van je organisatie. Het is namelijk zijn taak om gesprekken over haperende bedrijfsvoering te ondersteunen, of het nu gaat over wrijvingen tussen managers, tussen medewerkers of tussen managers en medewerkers dan wel simpelweg om inefficiënte inrichting van de processen.
Die ondersteuning bestaat er op zo’n moment niet in dat de Plaatjesmaker inhoudelijk oplossingen kan aanreiken. Daarvoor staat hij als leek te ver van veel inhoudsmaterie af. Nee, die ondersteuning komt tot stand doordat de Plaatjesmaker een plaatje aanbiedt van de bedrijfsvoering – procesbeschrijvingen genaamd – aan de hand waarvan de verschillende partijen het gesprek over de afbakening van hun taken en verantwoordelijkheden kunnen voeren. Wat de Plaatjesmaker levert is dus: communicatie.
Het plaatje dat hij maakt vervangt als het goed is de afzonderlijke plaatjes die zich hebben vastgezet in de hoofden van de verschillende betrokkenen. De aard van plaatjes brengt met zich mee dat mensen zich daaraan vastklampen. Door de creatie van één Superplaatje waarmee alle betrokkenen het moeten doen worden ze minder gehinderd door de beperkingen van hun eigen beelden. Zij kunnen zakelijker en gerichter met elkaar praten over de materie.
Maar, als plaatjes gevaarlijk zijn, dan geldt dat net zo hard voor het Superplaatje. Ook dat misleidt ons door de bedrieglijke suggestie van stabiliteit en het veroorzaakt stolling van wat beweeglijk is. Ook het Superplaatje kan een eigen leven gaan leiden en doel op zich worden in plaats van middel tot communicatie.
Moet je het dan maar zonder doen?
Dat lijkt me geen oplossing want plaatjes maken doen we hoe dan ook allemaal. We kunnen namelijk niet anders zolang wij denkende wezens zijn. En als dat zo is, laat het Plaatje dan zo bewust en democratisch mogelijk tot stand komen.
Dus niet meer: tien beelden in tien hoofden, min of meer onbewust maar vaak zeer hardnekkig met alle spraakverwarring die daarbij hoort. Maar één beeld, zo bewust mogelijk gecreëerd en zonder pretenties van ultieme waarheid of van eeuwigheidswaarde. En zo flexibel dat het op aangeven van alle betrokkenen voortdurend kan worden aangepast. Maar dan nog: misleidend blijft het.
Zie ook: Geen ontkomen aan en De eerste prijs
Labels:
beelden,
communicatie,
illusies,
lekker werken,
management
Posted by
Naud van der Ven
op
10:37
zondag 3 februari 2008
Het verlangen naar Krabbegat
Laat ik eerst even mijn terrein afbakenen. Mijn carnaval heeft niets van doen met de kleffe commercie uit Hilversum. En eigenlijk ook niet met het platte gehos in veel Brabantse en Limburgse steden en dorpen. Het gaat over Bergen op Zoom. Want daar is carnaval zo’n bloedserieuze aangelegenheid dat het in deze weblog niet hoeft te misstaan.
Wat heeft Bergen dan wat andere plaatsen niet hebben? Ze hebben er droge humor, het ligt er niet te dik bovenop. Het stadje is oud, met mooie gebouwen, leuke straatjes en een markt als een huiskamer. En bovenal leeft er een bijna chauvinistisch zelfbewustzijn waarvan je je afvraagt hoe zoiets ontstaat. Heeft het te maken met een rijk verleden waarvan de overblijfselen er nog staan? Of eerder met de geografische ligging: op de hoge zoom tussen zee en land, klei en zand en de wederzijdse invloed op elkaar van vissers, tuinders en burgers?
Hoe dan ook, de Bergse carnaval heeft een nostalgische, reflexieve kant die maakt dat de carnavalsdreunen (uiteraard alleen van eigen bodem) je in een meditatieve sfeer kunnen brengen. En dat je regelmatig Krabben tegenkomt die niets anders doen dan het schouwspel in zich opnemen: van dweilen die elkaar begroeten en verbale of non-verbale onzin met elkaar uitwisselen, alles tegen het decor van eeuwenoude gevels. In Bergen is het mogelijk om te spreken van goede smaak en karakter als je het hebt over dweilen.
In wezen gaat het om de uiting van een diepe bestaansvreugde, en dat in verbondenheid met de plaats en zijn bewoners. Om een feestvierende gemeenschap.
Maar nu moet ik op m'n woorden letten. Wat ik opvang in Krabbegat roept teksten in herinnering van Heidegger waarin hij het heeft over bestaansvreugde, feestende gemeenschappen en verbondenheid met bodem en plaats. Maar zou ik dan via de carnaval een soort geheime verwantschap hebben met het denken van Heidegger? Wie weet.
Gelukkig komt Levinas – avant la lettre – ook nog langs. En wel bij Anton van Duinkerken, geboren als Willem Asselbergs in wat hij noemt het ‘Jubelstadje aan de Schelde’. In zijn Verdediging van Carnaval (1928) schrijft hij over het masker: “Het masker is het symbool van een vervreemding, het is een afscheidsteken. Het ontkent de souvereiniteit van wat het verbergt, om niets te gedogen, dan de straling der ziel, die door onthulde ogen licht. De opslag der ogen, die van iedere menselijkheid het diepst persoonlijke openbaren, blijft onverborgen”.
Zie ook Rome, Mekka en Halsteren
maandag 28 januari 2008
Het bestaat wél
Soms geloof je er zelf niet meer in. Dat het leuk kan zijn op het werk. Dat er zoiets is als lekker werken.
Maar het bestaat wel, ik heb het laatst weer een paar keer meegemaakt. En niet alleen omdat ik zelf lekker op gang was, flow had. Nee, vooral omdat je met elkaar als collega’s even gelijkgerichte aandacht hebt, iets deelt.
Het klinkt bijna sentimenteel en als de overopgewekte peptalk uit de gemiddelde cursusfolder of het blije managementboek. En daar moet ik niks van hebben.
Maar als ik daar wat tegen heb, wat is dan het verschil tussen mijn ervaring en die foldertaal?
Misschien is er niet eens zoveel verschil. Behalve dan dat die folders en managementgoeroes er te makkelijk over doen. Zij poetsen te snel fundamentele verschillen op de werkvloer weg. In die folders bespeuren de blije managers al teamspirit, saamhorigheid en drive bij hun mensen terwijl in de kantines het onderlinge gekanker gewoon doorgaat. En dat vertrouw ik niet.
Want dat kenmerk heeft mijn flow wel: het is het plezier dat pas ontstaat nadat en doordat een heleboel verschillen tussen mensen zijn onderkend en er manieren zijn gevonden om daaraan recht te doen. Daar kun je samen, inderdaad, blij van worden. Het is dan in feite een soort gedeelde wijsheid die je vrolijk maakt.
donderdag 17 januari 2008
Goede bedoelingen en illusies
De listigheid van de rede is groot. Dat blijkt iedere keer weer uit pogingen van filosofen of anderen om te ontsnappen aan de opdringerige rede. In die pogingen wordt de kwelling van overmatige en inperkende rationaliteit geassocieerd met opsluiting van het ik in zichzelf en zijn eigen redeneringen, ook wel het ik-perspectief genoemd. Het breken van de macht van de rede vereist zo bezien het doorbreken van het ik-perspectief. Opmerkelijk is nu dat vele pogingen om die opsluiting te doorbreken vaak uitmonden in betogen waarin sluipenderwijs het ik-perspectief opnieuw bevestigd wordt.
Zo vergaat het naar mijn idee Marc van den Bossche in zijn lovende bespreking van het boek “Eindelijk buiten” van Ann Meskens (Trouw, 14 januari). Hij benadrukt daarin de noodzaak voor ons mensen om te treden uit het op zichzelf gerichte ik-perspectief. Dat zou bijvoorbeeld de communicatie weer op gang kunnen helpen tussen de Vlaamse en Waalse politici die momenteel in hun eigen rationele tunnelvisies vastlopen.
Zij belichamen voor van den Bossche de voor het Westen karakteristieke rationaliteit. Die neemt als enig vertrekpunt de eigen, ontwijfelbare subjectiviteit. Daar tegenover stelt hij voor dat we proberen de achtergrond van andere standpunten beter te begrijpen en zo meer ruimte laten voor twijfel, zoals Gadamer deed. Voorts bepleit hij een ‘esthetisch kijken’. Esthetisch kijken heeft te maken met verbeelding. Het is veel meer dan alleen maar zien, het is: het standpunt van de ander kunnen mee-denken.
Ik betwijfel of hier de breuk met de rede gemaakt wordt die hij beoogt. Want de breedte opzoeken en het plaatsen van verschijnselen in hun geschiedenis hoeft geen breuk te zijn. Dat kan wel degelijk een manifestatie zijn van toeëigening van de wereld aan zichzelf. Zoals Levinas het verwoordt: het ultieme doel van Odysseus’ zwerftochten was niet anders dan om verrijkt weer bij zichzelf thuis te komen. Je kunt vanuit die invalshoek serieus de vraag stellen of de indrukwekkende inlevende methode van Gadamer wel zo revolutionair is en niet alleen een meer bedachtzame (en wellicht sympathiekere) vorm van toeëigening inhoudt.
En de verbeelding laten werken, zoals van den Bossche bepleit, is dat dan geen breuk met de rede? Ik ben bang dat de verbeelding meer in het verlengde ligt van het redenerende bewustzijn dan veel romanlezers willen weten. Wellicht kenmerkt de verbeelding zich inderdaad niet door dor, op efficiëncy gericht denken. Maar naar mijn idee stellig wel door het bij elkaar denken van een eigen wereld in je eigen hoofd. Het is niet voor niets dat romanschrijvers ook wel worden aangeduid als tirannen binnen hun eigen universum. De zo geprezen breuk met de rede is een schijnbreuk, een list van de rede. De verbeelding is net zo autistisch als de rede en misschien wel erger vanwege de pretentie het niet te zijn.
De suggestie dat ik, via serieuze inspanning, zou kunnen waarnemen of me verbeelden wat de ander wil hanteert een vertrekpunt dat slechts gradueel verschilt van het ik-standpunt van de karikaturale lineaire rationaliteit. Het ultieme uitgangspunt is voor beide gelijk: je vertrekt vanuit jezelf. En de illusies die goedbedoelende ruimdenkendheid kan creëren doen uiteindelijk niet onder voor de illusies van de lineaire rationaliteit. Goede bedoelingen zijn vaak genoeg geëindigd als nachtmerries. In laatste instantie is het alleen de ander zelf die kan zeggen: dit wil ik wel of niet. Dat kan ik niet voor een ander bedenken.
Maar – die vraag dringt zich op – kan ik dan zelf niets doen aan betere communicatie en het serieus nemen van anderen? Want dat willen we zo graag, en niet alleen in België.
Naar mijn idee is het antwoord: gegeven de listigheid van de op zichzelf gerichte rede moeten onze pretenties bescheiden blijven. Hooguit kun je je voorbereiden door rekening te houden met al dan niet aangename verrassingen op de momenten dat de ander Nee of Ja roept. Maar dat betekent ook dat ik me iets minder druk hoef te maken over mijn goede bedoelingen. De ander fluit me toch wel terug. Als ik het maar hoor op dat moment.
Labels:
beelden,
communicatie,
de ander,
illusies,
Levinas,
rationaliteit
Posted by
Naud van der Ven
op
11:51
zondag 6 januari 2008
Waar of raar
Het hoeft niet te verbazen dat de ontwikkeling van de wetenschappen juist in het Christelijke Westen zo’n vlucht heeft genomen. Dat heeft naar mijn idee alles te maken met de gigantische kennisclaims van het Christendom. Niet alleen op metafysisch gebied: dat er een God is die zich om ons bekommert en daartoe een heilsplan heeft ontworpen. Nee, het bijzondere van de Christelijke pretenties zit er juist in dat de uitvoering van het heilsplan een empirisch waarneembare vorm kreeg en historisch gezien heel precies gesitueerd werd. Rond het jaar dertig van onze jaartelling liep God rond op aarde, als mens. Je kon hem aanraken en je kon, volgens ooggetuigen, zien en voelen dat hij een bijzondere man was. En dat werd vervolgens zichtbaar bevestigd op het uur waarop de verlossing zich voltrok: bij zijn sterven beefde de aarde en scheurde het gordijn van de tempel in tweeën.
Deze concreetheid mag vooral niet beschouwd worden als iets bijkomstigs; het is het hart van de zaak, zoals blijkt uit verhitte discussies in Christelijke kringen. Maar daarmee voegt zich bij de metafysische kennisclaim een empirische kennisclaim.
Het laat zich raden dat een dergelijke afhankelijkheid van een beperkte set overgeleverde gegevens een geloof kwetsbaar maakt. Als die koppeling tussen geloof en feiten zo cruciaal is zal de vraag gauw opkomen: hoe weten we dit allemaal en weten we het wel zeker. De Christelijke mens zal al zijn verstand willen gebruiken om die zekerheid te verkrijgen.
Enerzijds gebeurde dat inderdaad door overal naar tekenen te zoeken die konden worden opgevat als bevestiging van het geloof. De beperkte set empirische gegevens kon langs die weg worden uitgebreid. Men zocht en vond ze in oudere teksten, in de natuur, in de kosmos, in het verloop van de geschiedenis. Dit rationele onderzoek van de wereld, ook al diende het ter bevestiging van een bepaald geloofsstandpunt, is te beschouwen als een begin van wetenschappelijke interesse in de wereld.
Anderzijds was het belangrijk om te reflecteren op de wijze waarop valide kennis verworven kan worden. Deze kentheoretische interesse mondde uit in de grote natuurwetenschappelijke omwentelingen van de zeventiende eeuw en daarna. Christelijk onderzoek naar de wereld en naar de kenmogelijkheden stimuleerden aldus het wetenschappelijk bedrijf in het Westen.
Het kon echter niet uitblijven dat de wetenschappelijke exercities zich gingen keren tegen de oorspronkelijke inspiratie. Naarmate het kritische historische en natuurwetenschappelijke onderzoek zich verder ontwikkelde nam de twijfel toe over het feitelijke gehalte van bepaalde overleveringen. En de kentheoretische reflecties vergrootten de scepsis over de mogelijkheid om ooit zekerheid te verkrijgen over welke feiten dan ook. Maar als voor het Christendom die koppeling tussen geloof en historische feiten zo cruciaal is dan vormen deze ontwikkelingen een tragische bedreiging: het hart van het Christendom wordt er door aangetast.
Voor de Joodse traditie ligt dit alles een slag anders. Op het metafysische vlak zijn de pretenties vergelijkbaar. Ook het Jodendom gaat uit van een God die zich om ons bekommert. Maar de afhankelijkheid van een beperkte set historische feiten is er in veel mindere mate. Verhalen over Gods handelen met mensen zijn er in overvloed maar de koppeling met het reëel bestaande wordt in laatste instantie niet in het verleden gezocht. De ultieme concreetheid is gelegen in het doorgaande bestaan van het Joodse volk. Dat levert geen grote kentheoretische problemen op. Die kennisclaim is minder onwaarschijnlijk dan die van een tastbare God op aarde in het jaar dertig van de gebruikelijke jaartelling.
Als de Joodse traditie er een bizar of onwaarschijnlijk denkbeeld op na houdt is dat wellicht als volgt te formuleren: dat we fundamenteel afhankelijk zijn van elkaar. Zo’n denkbeeld prikkelt de kritische zin en nodigt uit tot verder nadenken. Voor zover zich Joodse wetenschap als Joodse wetenschap manifesteert – dus zonder dat er direct een Nobelprijs aan vast zit – komt die dan ook voort uit de fascinatie voor de afhankelijkheid van de Ander. Dat is wat filosofen als Buber, Arendt, Derrida en Levinas proberen te onderzoeken en beschrijven.
Zie ook Eindtijd
Labels:
Christendom,
de ander,
Joodse traditie,
kennis,
Levinas,
wetenschap
Posted by
Naud van der Ven
op
12:52
donderdag 20 december 2007
Kankerpitten
Wat doe je met kankerpitten in je organisatie? Dat kan een voor de hand liggende vraag zijn voor wie bloot gesteld wordt aan het verhaal van Levinas. Zeker als men zichzelf beschouwt als realist en enigszins geïrriteerd raakt door het verhaal van Levinas.
Oorzaak van de irritatie kunnen Levinas' beschrijvingen zijn van het verschijnsel dat de Ander ons soms overrompelt door zijn kwetsbaarheid. Dat voelt alsof onze machtsuitoefening, en daarmee wij zelf, ter discussie gesteld worden. Op zo’n moment – hoe kort het ook duurt – laten we onszelf terugfluiten door de ander. Levinas vindt dat een mooi verschijnsel. Want zo’n moment kan het begin zijn van reflectie, creativiteit en betere ideeën.
Dat is allemaal heel mooi, zeggen de geïrriteerde realisten, maar dat bestaat niet echt. Want de échte wereld bestaat uit machtsevenwichten, strategisch denken en wederkerigheid. Daar is geen plaats voor raadselachtige onmacht, uitgelokt door gekwetstheid of verdriet van een toevallige ander. Is Levinas niet een tikkeltje naïef en wishful thinking in zijn beschrijvingen?
Het realistische en waarschijnlijk geruststellende antwoord is: het fenomeen dat Levinas beschrijft zal zich niet zo gauw voordoen in het geval van een agressieve, onsympathieke medewerker tegenover je. In de verhalen die mensen erover vertellen gaat het meestal om zachtaardige types in de rol van de ander.
Maar – en dat is het punt – je hebt er niets over te zeggen. Het gebeurt of het gebeurt niet, of die ander nu sympathiek is of niet. Het overkomt je, je doet het niet zelf. En dat is het verschil met iemand te labelen als “kankerpit”. Dat doe je wél zelf. Maar dan ben je het moment al voorbij waarin de aanraking door de ander had kunnen optreden maar niet opgetreden is. Je redeneert ongestoord vanuit het ik. In die sfeer is inderdaad de enige realistische vraag: wat doe ik met die kankerpit.
In de bijzondere situatie dat het verschijnsel zich daadwerkelijk voordoet (dat wil zeggen: voordat je het weet word je geraakt door die mens tegenover je, je bent even je initiatief kwijt) dan doe je dus dat: even je initiatief kwijt zijn en even reflecteren op jezelf. De ruimte om iemand te labelen als kankerpit heb je in dat geval niet. Met als mogelijke uitkomst een veranderd plan waar die (al dan niet sympathieke) ander meer vrede mee heeft. Dat blijkt voor te komen.
Op zo’n moment mist de vraag “Wat doe je met kankerpitten?” dus iedere relevantie: je bent dan door het verhaal van Levinas heen gegaan en dat verhindert je – althans tijdelijk – iemand te labelen. Je kunt dan dus ook – tijdelijk – die vraag niet stellen. Wat overblijft is een zekere passiviteit.
Maar troost u: zo vaak komt het niet voor.
Zie ook Hoe naïef is Levinas eigenlijk? en Zwarte zwaan
Labels:
communicatie,
de ander,
Levinas,
management,
pluraliteit
Posted by
Naud van der Ven
op
11:19
Abonneren op:
Posts (Atom)