maandag 24 augustus 2009
Ramadan
De gemeente Rotterdam en de Erasmus Universiteit besloten vorige week Tariq Ramadan te ontslaan uit zijn functie van bruggenbouwer tussen allochtone (met name Islamitische) en autochtone bevolkingsgroepen. Dit vanwege twijfel of Ramadan wel genoeg afstand neemt van repressieve Islamitische regimes en praktijken, met name in Iran. De ophef die vervolgens ontstond over het ontslag van Ramadan maakt de vraag los wat nu de beste benadering is als je wilt bruggen bouwen in Rotterdam.
Gisteravond in Zomergasten hoorde ik Alexander Pechtold zeggen dat ze in Rotterdam al van meet af aan fout zaten door iemand te benoemen uit gelovige hoek. Zo iemand kan, vanwege alle dogmatiek waarmee hij behept is, volgens Pechtold per definitie geen bruggenbouwer kan zijn.
Maar, met alle respect voor Pechtold (en ik waardeer hem zeer), ik vind dit standpunt wel erg D66 op z’n smalst. Er spreekt een zeer herkenbaar verlangen uit naar redelijkheid en niets dan redelijkheid, maar het gaat volkomen voorbij aan het feit dat religieuze hartstochten krachtig zijn en in allerlei spanningen een grote rol spelen. En dat religie als zodanig serieus genomen wil worden. Dus naar mijn idee ben je kansloos als je die erbuiten laat.
Yoessef Azghari neemt vandaag in Trouw de religie wel mee in zijn advies. Hij meent dat je voor de functie van bruggenbouwer een liberaal denkende moslim nodig hebt. In ieder geval iemand die het geloof serieus neemt, maar tegelijkertijd een open geest heeft en naar vernieuwing streeft. Hij moet geen missie bedrijven.
Maar dit advies is tricky. Uitvoering ervan zou inhouden dat de overheid positie kiest in religieuze zaken. Die zou bepalen wat de juiste inhoud van een godsdienst is. Dat kan naar mijn idee ook nooit werken.
Academici van de Erasmus Universiteit stellen in de NRC dat je de academische traditie van vrijheid van denken en spreken te grabbel gooit door een intellectueel van het kaliber Ramadan de deur te wijzen. Ik moet zeggen, dat argument spreekt me wel aan. Academische tolerantie en debat behoren tot de kroonjuwelen van onze cultuur, en daarbij: Ramadan is ontegenzeglijk thuis in de Westerse traditie. Hij is gepromoveerd op Nietzsche, spreekt zeer verzorgd Engels en Frans en kent de academische manieren. Als hij nu ook nog eens van binnenuit bekend is met de Islam en daarover helder kan spreken, wat wil je dan nog meer? Wie dat afwijst verraadt het beste van de Westerse academische traditie.
Maar je kunt je afvragen of deze academici niet teveel afgaan op uiterlijkheden. Want hoeveel discussie vindt er nu werkelijk plaats met Ramadan? Hoeveel discussie kán er überhaupt plaatsvinden als hij de enige echte van-binnen-uit deskundige is? Ik ben bang dat de verontwaardigde academici vergeten dat voor het debat dat zij op het oog hebben, er botsende meningen moeten zijn. Nu zijn zij het zelf lang niet altijd met Ramadan eens, maar van echt academisch weerwoord tegenover hem kan eigenlijk, ook in dit hooggeleerd gezelschap, helemaal geen sprake zijn. Want alleen Ramadan weet in die kringen waar hij het over heeft.
Daarop voortbordurend zou ik zeggen: zoek het niet buiten de godsdienst, laat Ramadan in zijn functie, en zet er een ander naast met even veel kennis van de Islam, maar met een totaal andere kijk erop. Of liever nog: meerdere van zulke personen. Moslims dus, bijvoorbeeld van de richting Azghari. Want dan kun je de échte discussie krijgen die nu zo node gemist wordt. Een discussie namelijk tussen Moslims onderling, desnoods gevoerd in Oxford-English.
En wij maar luisteren.
Zie ook Ongerijmd
zaterdag 22 augustus 2009
Naïef
Anderen verwijten dat ze naïef zijn heeft altijd als bij-effect dat je de indruk wekt net iets verder te kijken dan die anderen. Toch doe ik het maar even want het gaat mij hier om de naïviteit van de Verlichting, die zelf grossierde in verwijten van naïviteit. Die verwijten kwamen er over het algemeen op neer dat ieder achterlijk was die niet de universele idealen van de rede aanhing en die hechtte aan overgeleverde religies of andere groepsverbanden.
Een bloeiperiode van dit soort verlichtingsdenken heb ik zelf meegemaakt. Het waren de jaren '70 en '80, toen een golf van rationele vrijgevochtenheid het verzuilde nederland overspoelde. Met Vrij Nederland als het lijfblad van de ontmaskeringsbeweging en Piet Grijs als de onbetwiste paus van het cynisch arrogante denken.
Bas Heijne beschrijft in een terugblik in zijn boek Onredelijkheid hoe alle groepsvorming door het progressieve establishment van de jaren zeventig en tachtig met wantrouwen werd bezien. Zo algemeen mogelijk moest je zijn, dat wilde zeggen: geen groepsvorming toelaten en individualiseren.
Deels is deze beweging wel begrijpelijk, want zij vormde mede een reactie op de blinde groepsvorming in het fascisme en communisme. Maar anderzijds getuigen die opvattingen en taboes van een ontstellende naïviteit. Want het is maar de vraag of een individu wel kan bestaan als je hem losmaakt van sociale verbanden en hem verbiedt die banden te koesteren. Niemand kan leven in een leeg ideaal van volstrekte individualiteit en autonomie.
Behalve een onderschatting van het belang van sociale inbedding was hier sprake van een miskenning van het belang en vooral van de aard van de identiteit die mensen met zich meedragen.
In eerste instantie (jaren '70 en '80) bestond die miskenning erin dat onze identiteit – volgens de grondbeginselen van de Verlichting – beschouwd werd als een zuiver autonome kwestie. Je bepaalt toch zelf, in alle vrijheid, wie je bent? Een zekere romantiek is aan die opvatting niet te ontzeggen, die gaat kennelijk hand in hand met rationeel denken.
In tweede instantie (jaren '90), toen er wel erg veel mensen bijkwamen die hun identiteit duidelijk niet zelf bepaald hadden, bleek die opvatting niet houdbaar, althans niet voor iedereen. Er kwam ruimte om identiteit wat ruimer op te vatten, maar de romantisch versluierende neigingen bleven onverminderd sterk. Voor bepaalde, met name nieuwe, bevolkingsgroepen werd identiteit nu gekoppeld aan hun cultuur, en die werd vooral als kleurrijk opgevat. Zeker als er smakelijke culinaire attracties aan vastzaten.
Wat deze varianten van de identiteitsopvatting met elkaar gemeen hebben is dat identiteit in beide gevallen iets aardigs is: voor de autochtonen hun eigen vrijgevochtenheid en voor de allochtonen hun eigen pittoreske tradities.
Maar dit komt naar mijn mening niet in de buurt van wat identiteit echt inhoudt. Identiteit kan namelijk ook een last kan zijn. Een schurend bezit, waar je eigenlijk wel vanaf wilt maar niet vanaf kunt komen. Door je identiteit ben je vaak juist niet vrij, want de mensen kijken je op van alles aan, ook op een achtergrond waar je niets aan kunt doen. Simpelweg omdat je dingen hebt meegekregen, zelfs dingen waarvan je je niet eens bewust bent.
Alleen als je daar oog voor hebt is een aantal verschijnselen te verklaren van de laatste vijftien jaar die het naïeve verlichtingsdenken compleet moeten hebben verrast.
Bijvoorbeeld het uiteen vallen van de eenheidsstaat Joegoslavië in entiteiten die elkaar op basis van tradities en historie bestrijden. Of de ontmaskering van de romantische multi-culti gezelligheid doordat zich daaronder heetgebakerde en gewelddadige ideeën bleken te kunnen schuilhouden. Of de ‘eigen cultuur eerst’ gedachte waarmee Nederlanders van diverse snit zich in de armen van Geert Wilders laten drijven. Of de diepe behoefte aan collectieve intense ervaringen, bijvoorbeeld rondom André Hazes of het Koninginnedagdrama, waardoor we onszelf kunnen overtuigen dat we níet cynisch zijn.
Je kunt alleen maar concluderen dat het niet kan wat de Verlichting wil, en wat wethouder Wibaut in zijn tijd nog als levend ideaal kon verwoorden: Ik ken geen burgers van nationale staten, ik ken alleen mensen. Dan kun je wel eens absurde en levensgevaarlijke tegenreacties krijgen.
Zie ook Zie mij eens open zijn en Hoe naïef is Levinas eigenlijk?
Labels:
autonomie,
chauvinisme,
dialoog,
illusies,
naïviteit,
rationaliteit,
totalitarisme,
Wilders
Posted by
Naud van der Ven
op
11:20
donderdag 6 augustus 2009
Adrenaline
Het was zo’n comfortabele gedachte, ontleend aan Adam Smith. Namelijk, dat als iedereen nu maar goed voor zichzelf zorgt ook de samenleving als geheel zal floreren. En wel dankzij het geheimzinnige mechanisme van de markt – Smiths ‘Onzichtbare Hand’ die de harmonie tussen private en publieke belangen garandeert. Met andere woorden, voel je niet geremd in je streven naar zelfverrijking want je bent geheel moreel gedekt, het is bijna sociaal werk! Dus laat de adrenaline maar stromen die gewekt wordt door de behartiging van private belangen.
Maar er is geen onzichtbare hand, zegt de Franse denker Jean-Claude Milner, en dat is ons weer eens goed ingewreven door de kredietcrisis. Daar bleek maar al te zeer hoe de jacht op persoonlijk gewin niet per se harmonieus samengaat met het belang van een samenleving. Integendeel, de samenleving stond even bijna op instorten en we weten nog steeds niet hoe het af zal lopen. Het idee van een gemakkelijke harmonie via de onzichtbare hand is dus eigenlijk een staaltje van zelfmisleiding. Als je eerlijk bent zit er aan die bron van adrenaline een luchtje.
Maar waar moet je dán je adrenaline vandaan halen?
Johan Schaberg vroeg zich laatst in de NRC af of het bedrijfsleven geen andere drijfveren voor actie kent dan geldzucht. Hij stelt, op basis van interviews met onder andere Cor Herkströter en Frits Goldschmeding, enigszins gerustgesteld vast dat geld, optieplannen en bonussen bij deze topmannen als drijfveer geen belangrijke rol spelen. Maar, vraagt hij zich af, waarom vertellen ze dat pas aan het eind van hun carrière? En waarom hebben ze in hun werkzame leven kritiekloos gedaan wat het hele beursgenoteerde bedrijfsleven doet: juist wel massaal inzetten op beloningspakketten?
Meer overtuigende voorbeelden van inzet van zakenlieden voor de publieke zaak vindt Schaberg door verder terug te gaan in het verleden. In de jaren dertig verenigden links-liberale Rotterdamse zakenlieden zich in het Woodbrokerhuis. Daar spraken ze over hun eigen verantwoordelijkheid tegenover de samenleving en oriënteerden zich op linkse ideologische modellen die verbetering zouden kunnen brengen.
Maar het geloof in dat soort modellen was in de jaren dertig, vóór het failliet van het communisme en de problematiek van de verzorgingsstaat, wat makkelijker op te brengen dan tegenwoordig. Schaberg stelt dan ook enigszins mistroostig vast dat dit soort maatschappelijke betrokkenheid bij de huidige generaties ver te zoeken is. En dat dat gevaarlijk is omdat een samenleving niet zomaar vanzelf gezond blijft.
Kun je dan nergens meer in geloven? Ik ben bang dat de grote ideologische verhalen inderdaad weinig prikkelend vermogen meer hebben, en daartoe reken ik zowel de Onzichtbare Hand als het idealisme van de jaren dertig. Als ik ergens in geloof is het dat soms, nu en dan, de ene mens de andere echt toegewijd is. En dat niet per se als romantische geliefden. Iets kleins dus, maar wel iets wat ons gewone leven even spannend kan maken en ons werk kleur kan geven. Dat creëert zijn eigen adrenaline. Voorwaarde is wel dat er een gewoon leven mogelijk is. Dus dat er goede maatschappelijke instituties zijn: democratie, degelijk bestuur en eerlijke rechtspraak.
Nu is het probleem, zegt Milner, dat het kapitalisme aan die maatschappelijke instituties geen boodschap meer heeft. Misschien wel omdat het zorgvuldig onderhouden daarvan te prozaïsch is en te weinig adrenaline losmaakt. Het koortsachtige kapitalisme wil alleen maar grote stoten adrenaline. Het maalt niet meer om de vraag waar de regels vandaan komen. Als er maar regels zijn, dan zorgen de aggressiefsten wel dat ze daaraan verdienen. Volgens Milner is dat pas echt gevaarlijk. Hij meent dan ook dat we niet zuinig genoeg kunnen zijn op onze rechtsstatelijke verworvenheden. Laten we onze denkkracht ook daaraan besteden en niet alleen aan geld verdienen.
Zie ook Kun je tegenkracht wel organiseren?
Labels:
de ander,
illusies,
kredietcrisis,
lekker werken,
totalitarisme,
verveling
Posted by
Naud van der Ven
op
08:36
zondag 2 augustus 2009
Orde
Het is vrij gebruikelijk in de Westerse traditie om de vita activa en de vita contemplativa te zien als ultieme tegenoverliggende polen van de mensenwereld. Vita activa staat dan voor de uitgaande beweging van de mens die de wereld ingaat ter ontginning en verovering; vita contemplativa voor de naar binnen gekeerde beweging van de mens, die de wereld met zijn geest beschouwt. Maar de vraag is of die twee wel zover van elkaar verwijderd zijn. Zijn het niet twee kanten van dezelfde medaille? Die medaille heet dan: orde, of fascinatie voor orde.
Neem bijvoorbeeld de rol die de Benedictijner monniken in de loop van de eeuwen gespeeld hebben in West-Europa. Daarin blijken orde beleven (vita contemplativa) en orde scheppen (vita activa) in elkaars verlengde te liggen. En dan doel ik niet primair op het voorschrift van de Regel van Benedictus dat de monniken hun tijd moeten verdelen over gebed, studie en (handen)arbeid. Want met die arbeid lijkt vooral ambachtelijk of agrarisch werk bedoeld te worden dat keurig past binnen een geordend geheel. Het versterkt als zodanig eerder de contemplatie dan dat het orde op de wereld verovert.
Nee, dan doel ik op een verschijnsel dat je kunt beleven als je als Nederlandse vakantieganger naar Zuid-Frankrijk gaat en weer terugkomt. Je kunt dan constateren dat de Benedictijner beschavingsbrengers in die verschillende gebieden actief waren op zeer verschillende terreinen.
In Zuid-Frankrijk lag de nadruk inderdaad op agrarisch en ambachtelijk werk en op het kopiëren van heilige boeken. Werk dus met een vrij sterk contemplatief karakter. In Nederland daarentegen hielden de monniken zich voor een groot deel bezig met (of werden beziggehouden door) de strijd tegen het water. De Benedictijnen van Egmond bijvoorbeeld legden dijken aan en polderden stukken land in. Dat lijkt mij bij uitstek te behoren tot de categorie ‘orde veroveren op chaos’, en daarmee tot de vita activa.
Maar al die monniken, in Zuid-Frankrijk zowel als in Nederland, behoorden tot dezelfde congregatie met dezelfde regel. Het bewaren en koesteren van orde, waar het zwaartepunt lag in het Christelijke hartland Frankrijk, kon dus naadloos overgaan in het scheppen van orde in de woestere randgebieden. Het is niet voor niets dat moderne managementboeken de Benedictijner praktijken hebben ontdekt als managementmodel: de fascinatie voor orde dringt ver de aardse wereld binnen en heeft daar ontginnende kracht.
Daarmee vormen in het Christendom vita activa en vita contemplativa dus niet het paar van ultieme tegengestelden dat er vaak in gezien wordt. Er is een verbindend element tussen die twee. Namelijk, de gedachte dat er een diepere, in feite objectieve, heilige orde in de wereld te vinden is. Die orde manifesteert zich in de diepte van studie en gebed, maar wordt ook weerspiegeld in de ordentelijkheid van droge en veilige stukken land. So wie so is orde van de laatste soort een voorwaarde voor het schouwen van de orde op een dieper niveau en zo verbindt zich de vita activa met de vita contemplativa. Als vita activa en vita contemplativa inderdaad niet meer het ultieme paar van tegengestelde polen vormen, omdat ze beide gemotiveerd worden door het motief van orde, dan zou er een nieuw polenveld ontstaan. Dan wordt de ultieme tegenstelling eerder die tussen datgene wat zich binnen de orde bevindt en datgene wat de orde doorbreekt omdat het erbuiten valt.
Zie ook Bestemming bereikt en De dingen en de mensen
maandag 6 juli 2009
Wantrouw het bloedeloze intellect
In de filosofie produceren ze scherpzinnige maar doodse polemieken en vooral een grote zelfgenoegzaamheid. In de ICT zijn ze herkenbaar als dorre oncommunicatieve nerds. In de financiële wereld stellen ze eindeloos modellen op en veroorzaken ze een kredietcrisis.
Ik doel op een type mens dat je kunt beschrijven als consequent rationeel, opzichtig scherpzinnig maar zonder oog voor, of in ieder geval zonder boodschap aan de omringende wereld. Zo omschrijft Johan Schaberg dat type in zijn laatste NRC-column.
Hij voegt daar een waarschuwing aan toe, voor zover het gaat om de gretige whizzkids in maatpakken en met een smaak voor dure auto’s. Want zij hebben de wereld opgezadeld met miljardenverliezen en een economische crisis, maar staan in de coulissen al weer klaar om het afgebroken spel te hervatten. Misschien is het toch niet zo slim om deze jongens ‘slim’ te noemen?
Volgens mij ziet echte slimheid er anders uit. Echte slimheid heeft oog voor de omgeving, snapt dat bedachte lineaire rekenmodellen geen recht doen aan de complexiteit van een menselijke samenleving. Echt slim is het dus om de pretenties van het knappe rationele denken met argwaan te bezien.
Misschien is dat voor economen te veel gevraagd. Althans dat suggereert Frank Ankersmit. Hij stelt dat de economie zich iedere keer weer uitlevert aan versimpelende rationaliteit die de werkelijkheid versmalt. Daardoor zal de economie zich voortdurend in impasses blijven werken en zal die de inmenging van overheid en politiek niet kunnen missen.
Maar is het ook voor ons, als publiek, teveel gevraagd? Naar mijn idee hebben wij best wat in te brengen tegenover de nieuwe generatie graaiende whizzkids die volgens Schaberg al weer klaar staat. Wat ons te doen te staat is vooral: niet onder de indruk zijn van hun slimheid. Hun graailust kun je hen niet afleren, dat is gewoon te menselijk. Graailust vermomd als slimheid kan wél afgeleerd worden, denk ik, wanneer het publiek er niet meer intrapt. Laten we ons daarom met z’n allen iets minder vergapen aan het duizelingwekkende modelmatige denken, want het is bloedeloos en voos. En in de plaats daarvan het besef koesteren dat een samenleving kwetsbaar en complex is. Dat is namelijk al ingewikkeld genoeg.
woensdag 1 juli 2009
Het nut van geschiedenis
Wat is het nut van geschiedenis? Dat heb ik me ook vaak afgevraagd toen ik als afgestudeerd historicus niet direct een baan kon vinden. Dat laatste lukte pas na een forse omscholing in financieel administratieve richting.
Maar het bloed kruipt ook waar het geen geld verdient en mijn historisch-filosofische belangstelling kan zich tegenwoordig uitleven zonder daarover aan iemand verantwoording te hoeven afleggen. En dat is wel zo fijn.
Maar daarmee is de vraag nog niet beantwoord: wat heb je aan geschiedenis?
Ik denk dat de waarde vooral gelegen is in het taalveld dat je krijgt aangeboden. Niet het taalveld van de snelle media en de oppervlakkige journalistiek. Niet dat van de smalle economische belangen. Niet dat van de darwinistische competitie van de biologie.
Het is een taalveld van eindeloos botsende menselijke wilskrachten, van verlangens en stromingen die op elkaar inwerken. Daar horen zinnetjes bij als ‘De geesten werden rijp gemaakt’, ‘Zij wachtten op de grote kladderadatsch’, ‘De economische ontwikkeling nam een grote vlucht’, ‘In Parijs begonnen Verlichtingsideeën salonfähig te worden’. Er zijn onderstromen, stichtingsmythen en plotselinge uitbarstingen en wat er gebeurt is vaak tragisch toevallig, maar ook kleurrijk. Het besef dat een heleboel dingen net zo goed heel anders hadden kunnen lopen verankert zich diep.
Ik heb het dan natuurlijk wel over de geschiedenis beoefend als vak. Dat wil zeggen over een benadering van de geschiedenis die zich bewust is van de eindeloze complexiteit van op elkaar inwerkende krachten en van de tragiek die daarbij hoort. Ik heb het niet over het al dan niet selectief op een rijtje zetten van allerlei historische feiten. Dat betekent eigenlijk dat geschiedbeoefening voor mij een literair genre is en niet voor niets traditioneel een plaats had in de letterenfaculteiten.
En het belang dáárvan is wat mij betreft dat ik niet langer overgeleverd ben aan aan de snelle oordelen en cliché’s van de borreltafel. Je kunt aan de gemeenplaatsen voorbij komen zonder dat het per se filosofisch wordt, maar simpelweg door je te realiseren dat er zo ontzettend veel gebeurd is. Op straat, in gezinnen, in de politiek, op het slagveld. En dat schept een zekere ruimte.
Natuurlijk hoort daar wel discussie bij. Daarom herken ik me wel in de wens van de twee directeuren van het Nederlands Historisch Museum om dat museum in de stad te huisvesten. Want debat en discussie gedijen daar beter dan tussen het lommer en de folklore.
Zie ook Geschiedenis als exacte wetenschap
Labels:
cultuurgeschiedenis,
discussiecultuur,
geschiedenis als vak,
literatuur,
wetenschap
Posted by
Naud van der Ven
op
19:27
maandag 22 juni 2009
Irritant
Waarom zijn Joden zo irritant? Althans, volgens de Romeinen en de vroege Christenen? En trouwens ook volgens Mohammed en de latere Christenen en Verlichtingsdenkers zoals Voltaire en Rousseau?
Afshin Ellian legt dat uit (in de NRC van 6 juni) voor het Christendom en de Islam. Die beide godsdiensten claimen universele geldigheid. Jezus is volgens de Christelijke leer voor iedereen gekomen, en de Islam pretendeert de waarheid voor alle mensen te kennen.
Uiteraard botsen die twee universalistische claims met elkaar, want omdat ze elk de totaliteit opeisen sluiten ze elkaar uit. Maar zij hebben tenminste nog met elkaar gemeen dat ze geloven in een waarheid die voor iedereen geldt. Fundamenteler voor beide godsdiensten is dan ook de confrontatie met een stroming die níet gelooft in eenzelfde waarheid voor iedereen. En die in ieder geval weigert om haar eigen particuliere geloof op te geven ten gunste van de universaliteit. Dat is pas werkelijk aanstootgevend want algemene geldigheid, van welke kleur dan ook, biedt houvast. Wie dat ter discussie stelt gaat echt te ver.
Maar dat is precies wat de Joden eeuwenlang gedaan hebben. Zij bekeken de blijde boodschap van het evangelie met scepsis en bedankten ervoor want ze zagen nog weinig verlossing. Voor een ideologie, zoals het Christendom, die zijn kracht juist put uit de algemene geldigheid van zijn boodschap, is dat een affront.
Hetzelfde gebeurde met de waarheid die Mohammed bracht. Daarvan zeiden de Joden: dat is niet onze waarheid. Maar dat kun je niet ongestraft zeggen tegen een ideologie die voor iedereen wil gelden want dan ben je spelbreker. Dan roep je weerzin en ergernis op.
De pech – of de stommiteit? – van de Joden is dus geweest dat zij voor zichzelf het recht op vrijheid van meningsuiting opeisten op momenten in de geschiedenis dat je dat beter nog niet kon doen. Nee zeggen tegen universalistische pretenties is levensgevaarlijk als je niet door mensenrechten beschermd wordt, en dat is ook wel gebleken. Je kunt de Joden er ook om bewonderen.
Het probleem is dat de universalistische pretenties niet minder werden naarmate het Christendom aan invloed verloor. Zoals gezegd, ook Verlichtingsdenkers als Voltaire en Rousseau stoorden zich aan de koestering door de Joden van hun eigen tradities. En dat heeft alles te maken met de universele waarden die de rede, als opvolger van het Christendom, propageerde. Daar passen geen afwijkende volkeren, godsdiensten of culturen bij. Die verstoren het universalistische feestje.
Volgens Ellian konden, vanwege hun universele claims, Christendom en Islam niet zonder de ontkrachting en demonisering van Jodendom en Joden. Met als gevolg een spiraal van onderdrukking en angst, geweld en tegengeweld waarvan je mag hopen dat het ooit nog goed komt.
De pathologie als gevolg van het geweld en de angst heeft de oorspronkelijke inzet voor een groot deel overwoekerd. Maar die inzet is er – historisch gezien – wel degelijk. Het ging om de vrijheid van meningsuiting, ook zonder dat je daarvoor beschermd werd. Misschien gaat het daar nog steeds wel om.
Labels:
antisemitisme,
Christendom,
cultuurgeschiedenis,
denkgeweld,
dialoog,
geweld,
Islam,
Israël,
Joodse traditie,
mensenrechten,
Nee zeggen,
rationaliteit,
totalitarisme
Posted by
Naud van der Ven
op
19:19
donderdag 11 juni 2009
Collectieve onmacht
De krant meldde gisteren dat de Jeugdzorg hervormingen van minister Rouvoet tot niets zullen leiden. Althans dat denkt ongeveer de vierde commissie die zich hierover buigt. Coördinatie- en bekostigingsproblemen belasten de instellingen. Kinderen en gezinnen zijn de dupe van de slecht functionerende jeugdzorg, ondanks alle goede bedoelingen. Iedereen is het erover eens dat de bureaucratie bestreden moet worden maar dat blijkt iedere keer uit te lopen op nog meer bureaucratie.
Aan de vooravond van de Europese verkiezingen woonde ik een debat bij over Europees kunstbeleid waaraan onder andere Hedy d’Ancona en Stefan Sanders deelnamen. Ondanks mijn sympathie voor d’Ancona vielen me haar regelzuchtige reflexen op. Woorden als gericht beleid, stimuleringssubsidies en cultuurnota’s rolden haar net te makkelijk uit de mond. De echte inspiratie is bij mij dan al gauw zoek. Ik heb het niet zo op zijn VVD maar ik moet zeggen dat ik Sanders’ meer liberale houding wel verfrissend vond. Terwijl ik heel goed begrijp wat d’Ancona wil en het eigenlijk wel met haar eens ben.
De dag erna werd er afgerekend met de PvdA, de partij ging van 7 naar 3 zetels in het Europese parlement. Daar had d’Ancona natuurlijk niets mee te maken maar door diverse commentatoren werd wel een verband gelegd met het bleke profiel van de partij. Die barst van de goede bedoelingen en de genuanceerde standpunten maar loopt tegelijkertijd vast in gehechtheid aan procedures, overmatige politieke correctheid en regelgevingssocialisme.
Verder las ik nog over een promotieonderzoek van Lida van den Broek waarin zij concludeert dat discriminatie meer voorkomt bij organisaties waarvan de medewerkers denken dat ze juist níet discrimineren. Juist bij die bedrijven wordt veel onderscheid gemaakt tussen prestaties van allochtonen en autochtonen.
In hoeverre is er een gemeenschappelijke lijn te ontdekken in bovenstaande plannen en projecten, behalve dat ze een zekere moedeloosheid veroorzaken? Het start allemaal met goede bedoelingen en het eindigt in het tegendeel of in stroperigheid. Wat betekent dat?
Wat bovenstaande zaken gemeenschappelijk hebben is een zekere hooggestemdheid, een bepaald geloof in de eigen progressiviteit, althans bij de start van de plannen, projecten en bewegingen die hier aan de orde zijn. Er is een sterk vertrouwen in maakbaarheid aan verbonden, dat zich uitdrukt in de gedachte dat je het allemaal wel geregeld hebt of op z’n minst kúnt regelen. En juist dat blijkt in al die gevallen anders uit te pakken.
Het is zonder meer waar dat deze fiasco’s aan de linkerkant van het politieke spectrum het sterkste uitkomen. De verklaring daarvoor is waarschijnlijk dat aan die kant het aantal goede bedoelingen groter is of dat ze daar de goede bedoelingen meer uitdragen.
Maar als je goed kijkt is die onmacht om dingen goed te regelen collectief. In feite delen alle politieke stromingen in de onmacht. Rouvoet is van de Christen Unie, de VVD deed aardig mee toen Erica Terpstra in de jaren negentig de hele geestelijke gezondheid overplaatste van de duinen naar de stad, en het Innovatieplatform van premier Balkenende is blijkens het boek van Frans Nauta daarover in zijn tegendeel verkeerd.
De onmacht zit dus dieper, het heeft met de ingewikkeldheid van onze samenleving te maken. Maar ook met een geloof dat alle politieke stromingen met elkaar delen omdat het diep in onze cultuur verankerd zit. Dat is het geloof in de ordenende rede, met zijn hooggestemdheid die steeds harder aanloopt tegen het feit dat zij iets wezenlijks verwaarloost. Ik doel op het verschijnsel dat anderen niet zo makkelijk in jouw plannen te vangen zijn als je zou willen. Verwaarlozing van dat verschijnsel is gelijkelijk verdeeld over alle politieke stromingen.
Daar is wel iets tegenover te stellen, zegt Levinas: een meer ingebed besef dat een ander wel eens veel meer en totaler anders zou kunnen zijn dan je in eerste instantie geneigd bent te denken. En dat besef zou voor zowel het technocratische als het ideologische denken, van rechts én van links, een aanwinst kunnen zijn.
Al met al kan ik dus gerust PvdA blijven stemmen.
Zie ook Geen eer meer aan te behalen
Labels:
de ander,
denkgeweld,
illusies,
lekker werken,
Levinas,
management,
rationaliteit,
verandering
Posted by
Naud van der Ven
op
06:48
dinsdag 2 juni 2009
Bewaak het perspectief
Gelukkig is Breedveld realistisch genoeg om op te merken dat de God van het Christendom lange tijd niet gefunctioneerd heeft volgens het Nieuw Testamentische model. Dat zou ook lastig vol te houden zijn, niet alleen vanwege de Kruistochten die Breedveld noemt, maar ook vanwege bijvoorbeeld de Inquisitie en het Westerse imperialisme.
Toch blijft Breedveld uiteindelijk vasthouden aan het traditionele schema, tegen beter weten in, zou ik zeggen. Dat zeg ik niet alleen vanwege het krijgshaftige karakter dat de Christelijke God eeuwenlang gehad heeft. Maar ook omdat de Oud Testamentische God niet zo monolithisch wraakzuchtig was als hij vaak wordt voorgesteld. Al in het Oude Testament komt hij ook naar voren als een mededogende God. En in het rabbijnse Jodendom bleek die Bijbelse God zich verder te kunnen ontwikkelen tot een God die vooral medemenselijkheid en solidariteit ondersteunde.
Dat kan blijken uit de mensvriendelijke manier waarop de rabbijnen omgingen met meningsverschillen, uit de democratische besluitvorming en de gerichtheid op onderlinge solidariteit. Het blijkt ook, zoals Ron van der Wieken onlangs opmerkte in het NIW, uit de relatieve vrouwvriendelijkheid van de Joodse traditie. “In de andere Midden Oosterse culturen waren vrouwen vaak niet meer waard dan vee, terwijl in het Jodendom de huwelijks- en scheidingswetten vaak relatief zachtzinnig waren. Ze stelden de man niet altijd bij voorbaat in het gelijk, de erfwetten lieten alleenstaande vrouwen niet helemaal berooid achter, en bij verdenking van overspel had een vrouw tenminste een kans om haar onschuld te bewijzen.”
Van der Wieken wijst erop dat pas na 1800 die relatieve vooruitstrevendheid werd ingehaald door ontwikkelingen in de omringende Westerse samenleving. Die kwam met grote stappen voorop te lopen waar het ging om de gelijkberechtiging van vrouwen, maar ook in de bestrijding van armoede en verankering van democratische praktijken. Tegelijkertijd geldt dat de inspiratie voor deze verworvenheden niet meer exclusief Christelijk was, maar ook humanistisch of socialistisch.
Zo schematisch als dat vroeger gebeurde vallen de Oud Testamentische en Nieuw Testamentische tradities dus niet tegenover elkaar te stellen. Renée van Riessen toont dat in haar boek Man as a place of God. Zij laat zien dat een nederige, mededogende voorstelling van God eigenlijk pas na Hegel een plaats krijgt in de Westerse filosofie, in de periode waarin ook de secularisatie een aanvang neemt. Tot die tijd heerst daar het beeld van God als de verhevene die bij voorkeur bij zichzelf blijft en alleen door zichzelf begrepen kan worden.
Tot 1800 dus. Dat is, voor het juiste perspectief, wel negen tiende deel van de afgelopen 2000 jaar.
Zie ook Heilig vuur
zondag 31 mei 2009
Veranderingsporno
Deze titel overwoog ik even voor het blogbericht over het boek De wereldburger bestaat niet van René Cuperus, omdat de term in dat boek voorkomt. Maar ik vond het toch iets te demagogisch klinken. Ik gebruik het woord nu wel omdat het zich als titel opdrong tijdens het lezen van het artikel Als ik, dan iedereen van Willem Jan Otten.
Het woord drong zich op onder de invloed van uitspraken die Otten doet naar aanleiding van het Pinkstergebeuren. Daarover schrijft hij bijvoorbeeld: “Het is een evenement waarbij in principe iedereen, ongeacht kunnen, afkomst, sekse, of mate van reinheid, hoogstpersoonlijk en afzonderlijk één gedachte of denkbeweging deelachtig wordt. Het is, zou je kunnen zeggen, het feest van het universalisme”.
En: “Hoezeer de waarheid in ieder afzonderlijk ook op haar eigen, afzonderlijke wijze werkzaam is, sinds Paulus kunnen we niet anders dan zeggen: er zijn geen objectieve verschillen meer”.”Iedereen is in potentie aanspreekbaar. Iedereen zou door de bocht kunnen”.
Deze uitspraken, zeker de laatste, hadden – afgezien van de verwijzing naar Paulus – niet misstaan in een willekeurig managementboek van de opwekkende soort. De boodschap daarvan is meestal: we zijn allemaal uniek maar uiteindelijk krijgen we de neuzen wel dezelfde kant op. Op die denktrant sloeg het woord veranderingsporno, dat Cuperus in zijn boek gebruikt om het streven van de Nederlandse beleidselite aan te duiden.
Waar komt die gretigheid om iedereen te veranderen toch vandaan? Waar komt die drang vandaan om ons allen één te maken? Vanwaar dat streven naar die ene, universeel beleefde waarheid?
Je begint te vermoeden dat er een grote aantrekkingskracht uitgaat van iets wat universeel is, iets wat door iedereen wordt gedeeld. Dat is naar mijn idee paradoxaal genoeg ook de aantrekkingskracht van de rede waar Otten zich in zijn stuk juist tegen keert. Goed beschouwd is de aantrekkingskracht van de rede eveneens dat zij universaliteit belooft. De rede kan het in principe mogelijk maken dat iedereen hetzelfde begrijpt. Dus de afstand tussen Ottens waarheid en de rede is niet zo groot als hij zou willen. Beide hebben met elkaar het streven gemeen naar de kick die kennelijk verbonden is met ervaringen van ultieme universaliteit. Daar doe je het allemaal voor.
Als Frank Ankersmit in De sublieme historische ervaring zegt dat de Westerse nadruk op waarheid en rede de ervaring heeft verdonkermaand, heeft hij dus misschien in één opzicht niet gelijk: de kick van de universeel ervaren waarheid heeft het altijd goed gedaan, zowel in het Christendom als in de politiek (denk aan fascisme en communisme) als in management. Met zoveel mogelijk tegelijk door dezelfde bocht.
Aangepast aan Ottens onderwerp zouden we misschien moeten spreken van ‘bekeringsporno’: een feest voor het universaliserende denken.
Zie ook Lekker irrationeel en Zie mij eens open zijn
Labels:
Ankersmit,
boeken,
Christendom,
denkgeweld,
management,
pluraliteit,
rationaliteit,
rede en ervaring,
verandering
Posted by
Naud van der Ven
op
19:53
donderdag 21 mei 2009
Taylor, Levinas en de leegte
De afgelopen week stonden de kranten vol met artikelen over Charles Taylor vanwege het verschijnen van de Nederlandse vertaling van zijn boek A Secular Age. In dat boek legt Taylor uit hoe de kerkverlating in het Westen paradoxaal genoeg voortkomt uit het onderricht dat die kerk haar gelovigen aanbood. In de krantenartikelen licht hij zijn standpunten toe.
Het is opmerkelijk hoeveel parallellen er naar aanleiding van die artikelen te trekken zijn tussen de denkbeelden van Taylor en die van Levinas.
Om te beginnen maken beide filosofen de zorg om de existentiële leegte van veel mensen in het Westen tot een belangrijk thema van hun werk. Taylor spreekt over de teloorgang van sociale verbanden en traditionele betekenisgeving vanuit de religie. Het is alsof de band is doorgeknipt tussen onszelf en de kosmos en dat we dat steeds meer als een verlies ervaren.
Levinas spreekt, vooral in zijn vroege werk, over een overmaat aan zelfbewustzijn en zelfgenoegzaamheid van de moderne mens. Deze heeft de mens eenzaam gemaakt en in een gevangenis van verveling en walging geplaatst.
Beiden leggen verder – weliswaar op totaal verschillend wijze – een verband tussen die leegte en de verzelfstandiging van het individu die zich in de loop van de tijd in het Westen heeft voltrokken. Taylor doet dat middels een cultuurhistorische beschrijving van ontwikkelingen in het Christendom. De kerk droeg de mensen op te leven naar het Evangelie. Dat vroeg om discipline en die kwam er ook. Hard werken en het gezinsleven werden belangrijk. Zo ontstond een geordende, productieve en vredige samenleving. Maar juist daardoor kregen de mensen geleidelijk aan het gevoel het ook wel te redden zonder God.
Levinas presenteert de verzelfstandiging van het individu als de uitkomst van de strijd van de mens tegen het il-y-a. Het il-y-a staat bij Levinas voor de bedreiging die uitgaat van een ijzige kosmos die in zijn onverschilligheid de mensen treft met meteorietinslagen, tsunami’s en bosbranden. Door aanwending van zijn rationele vermogens bindt de mens de strijd aan met de elementen. Hij dringt ze terug en organiseert een geordende eigen wereld.
De beide auteurs geven in verwante termen een beschrijving van de geestestoestand van de mens in zo’n geordende samenleving. Taylor spreekt van het omsloten zelf, als tegengesteld aan het poreuze zelf van vóór de disciplinering, dat in vanzelfsprekend contact stond met de omringende wereld. Het omsloten zelf heeft de mogelijkheid afstand te nemen, zich los te maken van alles buiten de geest. Alles wordt vatbaar voor manipulatie. Hierdoor kan dit zelf zich als onkwetsbaar zien, als meester van de betekenissen die de dingen voor hem hebben.
Levinas typeert de georganiseerde mens, in zijn gescheidenheid van de kosmos, als soeverein, zichzelf genoeg. Hij kan zichzelf beschouwen als zijn eigen oorsprong. Eenzaamheid en verveling zijn kenmerken die zowel Taylor als Levinas toekennen aan deze verzelfstandigde mens. Daarbij is het wel zo is dat Levinas de verzelfstandiging van de mens ten opzichte van een ijzingwekkende kosmos een grote verdienste vindt, maar de bijbehorende leegte noemt hij beklemmend.
Waarin ze opvallend van elkaar verschillen is een nadere analyse van de wortels van die ontwikkeling naar afsluiting, zelfgenoegzaamheid en eenzaamheid die zij beide beschrijven.
Taylor constateert een kentering in de uitwerking die de nadruk op het Evangelie had. Hij stelt vast dat de oorspronkelijke bedoeling die de kerk had met haar disciplinering naar de achtergrond verdween. De discipline zelf kwam op de voorgrond te staan en die bracht ons welvaart en veiligheid. Toen hadden we de Heilige Geest niet meer nodig. Het is, wat Taylor betreft, nu zaak om nieuwe vormen van betekenisvolle verbinding te creëren.
Levinas gaat voor zijn analyse verder terug in de tijd. Hij constateert dat het Westen al veel langer in de greep is van het geloof in rationalisering en ordening. Dat is een filosofische attitude die teruggaat op Parmenides en Plato en die het Christendom heeft overgenomen. Binnen die attitude geldt de ratio als laatste grond van betekenisgeving en werkelijkheid en wordt de menselijke ervaring gewantrouwd. Het Christendom heeft dat schema niet verlaten maar er een religieuze inkleding aan gegeven door de geschiedenis voor te stellen als een doelgericht goddelijk plan met de verlossing door Jezus Christus als spil.
Zo beschouwd is wat er nu gebeurt met het Christendom helemaal niet zo raadselachtig en zijn disciplinering en rationalisering niet zomaar de uit de hand gelopen bij-effecten die Taylor ervan maakt. Wat er nu uitkomt heeft er vanaf het begin in gezeten.
Wat Levinas betreft is er dus meer nodig om onze leegte en eenzaamheid te overkomen dan nieuwe vormen van betekenisvolle verbinding. Want dat zou wel eens meer van het zelfde kunnen blijken te zijn: georganiseerde, gedisciplineerde, afgedwongen betekenis volgens de beste Grieks-Christelijke tradities, uiteindelijk gefundeerd in de ratio en voorbijgaand aan concrete individuele ervaring van betekenis. En met nog meer leegte als gevolg.
Het enige wat Levinas daartegenover kan stellen is de werkzaamheid van een transcendentie die niet de gedaante heeft van een systematisch uit te werken historisch plan, maar die zich in onvoorspelbare sociale ontmoetingen voordoet. In zulke ontmoetingen breekt het beeld van een historische samenhang, een kloppend plaatje, daar valt niets te manipuleren maar daar gebeurt wel wat. Daar is geen leegte en verveling. Daar gebeurt, om met Taylor te spreken, "iets groots".
Zie ook Bestemming bereikt
Labels:
boeken,
Christendom,
cultuurgeschiedenis,
de ander,
Griekse filosofie,
il-y-a,
Levinas,
Plato,
rationaliteit,
rede en ervaring,
versluierd il-y-a,
verveling
Posted by
Naud van der Ven
op
13:41
Abonneren op:
Posts (Atom)
