vrijdag 12 augustus 2011

Het dorp Noorwegen


Na de aanslagen in Noorwegen ging een aantal commentaren over het dorpachtige karakter van Noorwegen. Daar heerst nog gemeenschapsgevoel, mensen vertrouwen elkaar en ze houden Europa en het kosmopolitisme buiten de deur. Bijna de droom van Geert Wilders, als die verrekte sociaal-democraten daar de Moslims niet zo zouden knuffelen. In dit dorp mogen alleen de Moslims ritueel slachten en de Joden niet, en dat zou Geert het liefst precies omgekeerd zien.

Iets dorpachtigs kun je Noorwegen inderdaad niet ontzeggen. Aanslagen kende men niet uit eigen ervaring. Misschien kwam daarom de misdaad van Breivik wel extra hard aan, hoewel leed op deze manier aangericht universeel verschrikkelijk is, waar het ook plaats vindt.

Iets merkwaardigs, ik zou zeggen dorpachtigs, zat er ook wel in de eerste reacties van de conferentiedeelnemers op de schoten van de terrorist, namelijk onmiddellijke associaties met het Israëlisch-Palestijnse conflict. Om dat helder te krijgen is het van belang te weten dat men de dagen tevoren op het eiland Utoya onder andere uitgebreid bezig was geweest met het promoten van de Palestijnse zaak.

Daar zaten wat mij betreft behartenswaardige zaken bij zoals oproepen tot beëindiging van de bezetting van de Westbank en steun aan een te vormen Palestijnse staat.

Maar daar zaten ook problematische zaken bij. De minister van Buitenlandse Zaken Gahr Stoere kon zich op het eiland goed vinden in een pleidooi voor een Israël-boycot - zie foto-, wat iets anders is dan een boycot van de nederzettingen. Hij bracht aan de conferentie het demoniserende gedachtegoed over dat na de aanslag opnieuw door Noorwegens ambassadeur in Israël werd verwoord: dat Hamas’ terrorisme tegen Israël meer gerechtvaardigd is dan ander terrorisme. Kortom, men ging al dagen lang lekker tekeer tegen Israël.

Vanuit de aldus gecreëerde dorpse overzichtelijkheid van bad guys versus good guys kan het volgende gebeuren. Volgens een verslag van Adrian Pracon, een overlevende van de moordpartij, dachten sommigen toen het schieten begon onmiddellijk aan Gaza. Dit zou een simulatie zijn van wat ze hadden geleerd, dus van wat Israël volgens de conferentie gewoon is te doen in Gaza.

“Sommige van mijn vrienden probeerden hem te stoppen door te praten met hem. Veel mensen op het eiland dachten dat het een test was, een vergelijking met hoe het is om in Gaza te leven. Daarom gingen veel mensen naar hem toe en probeerden met hem te praten, maar ze werden meteen doodgeschoten”, aldus Adrian Pracon.

Behalve dat de gedachte dat het menens zou kunnen zijn (gelukzalig) ver weg was, is de enige verbinding die de conferentiedeelnemers konden leggen tussen het schieten en de rest van de wereld: de gedachte aan het Israëlisch-Palestijnse conflict. Kennelijk is voor deze mensen ‘geweld’, ‘schieten’, ‘ruzie’ in hoge mate synoniem met dat conflict. Het is spreekwoordelijk geworden voor alles wat met schieten te maken heeft, je kunt niets anders meer bedenken.

Als mensen zo schematisch zijn gaan denken, wat is er dan gebeurd in hun hoofden? Want er is iets gebeurd, dat kan niet anders. Mensen hebben wat gedaan met beelden in hun hoofden, of zich wat laten doen.

Er vindt verdraaiing van informatie plaats. Immers, wat de inhoud betreft is er geen rechtvaardiging voor die stereotypering en toekenning van die unieke negatieve symboolwaarde aan alleen Israël. Niet dat er geen vreselijke dingen te melden zijn. Maar dat is niet uniek voor Israël en ook niet in hoge mate kenmerkend.

Zo kan ik het met iedereen eens zijn die vindt dat de sluipende bebouwing van de Westbank een rotstreek is en dat ieder slachtoffer dat valt in de strijd tegen raketten uit Gaza er een te veel is. Maar tegelijkertijd moet gezegd worden dat over die situatie binnen Israël veel discussie is. Er zijn historici die met ongekende openheid uitzoeken wat er precies gebeurd is en gebeurt en die Israël niet sparen. En er gaan deze zomer 60.000 Palestijnen in Israël op vakantie.

Daarbij: er zijn nogal wat regimes en milities op de wereld die evenveel of nog meer slachtoffers maken en op nog gruwelijkere manieren. En dat ook al jaren lang en onder de eigen bevolking. Of zou de gedachte zijn dat dat vooral de leiders zijn? Die zijn verderfelijk - het gewone volk is in al die landen, als edele wilden, alleen maar slachtoffer. En zou dan de gedachte zijn dat in Israël misschien wel het hele volk slecht is?

Ja, zoiets moet er wel aan de hand zijn. Een dergelijke verdraaiing moet er wel plaatsvinden in hoofden van mensen, anders kan ik de exclusieve demonisering van Israël niet verklaren. Objectief gezien is er namelijk geen enkele reden om de demonkaart speciaal Israël toe te spelen. Dus als je dat toch doet, dan doe je zelf wat – in je hoofd. Dan gebeurt er meer dan zich laat verantwoorden, ben ik bang.

Of dan weldenkende mensen voor hun rekening willen nemen, hoop ik - ook in een dorp. Dat mág ik wel hopen want het dorp Noorwegen is per slot van rekening het decor geweest van het eerste verdrag tussen Israël en de Palestijnen.

Zie ook Denkpolitie

donderdag 4 augustus 2011

Lucht en daadkracht


Hoewel het eigenlijk niet kan en dus heel frustrerend is doe ik het toch maar een keer: vechten tegen wind en lucht. Dat is nog moeilijker dan tegen windmolens.

Want het blijft fascinerend. Hoe zo’n bestuursapparaat als dat van de gemeente Amsterdam al pratend en elkaar bemoedigend een structuur in stand houdt die eigenlijk maar voor de helft echt bestaat en iets oplevert. Zoveel lucht zit erin.

U begint dit nu ook irritant te vinden. Waar gaat dit over? Over lucht, inderdaad. En toch houden zich daar dagelijks honderden goed betaalde krachten in Amsterdam mee bezig. Ewald Engelen beschreef dat twee weken geleden erg goed in zijn NRC-artikel over de “lulkoek van de beleidselite” die haar dagen vult met het spinnen van beleidssprookjes.

Maar hoe werkt dat dan? Dat werkt door de retoriek van de daadkrachtige termen. ‘Vertrouwen hebben in elkaar’, ‘Targets formuleren’, ‘Enthousiasme tonen’, ‘Ervoor gaan’. Dat werkt doordat het helemaal niet gaat om haalbaarheid of werkelijke resultaten, maar om mobilisatie. Daarvoor zijn vooral de verhalen belangrijk die daadkracht suggereren, groei en succes verbeelden en daarmee draagvlak moeten genereren, aldus Engelen.

Het is net monetaire politiek, van de Euro of de Dollar. Cruciaal is het om de illusie in de lucht te houden. En, als het vertrouwen dreigt minder te worden, om elkaar op te peppen en enthousiasme te eisen.

Maar hoe lang kun je daarmee doorgaan? Zoiets wordt toch doorgeprikt, net zoals Moody’s de retoriek van de regeringsleiders over schuldoplossingen doorprikt?

Nou, dat gaat niet zo gemakkelijk, laat Engelen zien. “Kenmerkend voor lulkoek is dat hij geen enkele waarheid claimt en daardoor resistent is tegen weerlegging. Dat verklaart waarom lulkoek niet kan worden ontmaskerd als leugen”.

Maar is er dan niemand die dat doorziet? Jawel, sommigen zien dit scherp. Maar, juist omdat lulkoek niet rechtstreeks te ontmaskeren is hebben die daar een harde dobber aan. Vechten tegen lucht en tegen de beleids- en managementfabriek is voor een groot deel: nee zeggen tegen wat je beschouwt als lulkoek. En dat is nooit leuk, het kan bovendien bijna gelijkstaan aan ambtelijke ongehoorzaamheid.

Gelukkig zijn er ook externe adviseurs die dit scherp zien, zoals het revolutionaire, uit Engeland overgewaaide bureau Vanguard dat daar op weldoordachte manier ondersteuning bij kan bieden. Zo wordt lucht misschien toch nog omgezet in (echte) energie.

Zie ook Soorten overleg, Van groot naar klein en terug en Leiderschap en energie

vrijdag 29 juli 2011

Denkpolitie


Morele beslissingen kunnen extreem moeilijk zijn.

Er zijn mensen die met het vingertje wijzen naar de leden van de Joodse Raden in de Tweede Wereldoorlog of naar anderen die door een perverse vijand gedwongen werden om de onmogelijke keuze te maken tussen nog een beetje te redden wat er te redden viel of totaal verzet.

Ik zou het werkelijk niet geweten hebben. Het belangrijkste in deze kwesties is naar mijn idee dat we niet te snel oordelen en veroordelen.

Er zijn ook kwesties waar heel moeilijk over gedaan wordt maar die moreel gesproken zo klaar als een klontje zijn. Wat mij betreft is de bezetting door Israël van de Westoever zo’n kwestie. Daar is niets moeilijks aan, dat gebied is van de Palestijnen en Israël heeft daar niets te zoeken. Een boycot van producten uit de nederzettingen – goed te onderscheiden van een boycot van Israël of Israëlische producten in het algemeen – vind ik dan ook helemaal niet verkeerd.

Ik ben genoeg historicus om te snappen dat die gebieden grote aantrekkingskracht uitoefenen en dat Joden zich daar willen vestigen. Per slot van rekening waren Judea en Samaria in de Bijbelse tijd belangrijke onderdelen van het Joodse territorium. Daarnaast zijn er veiligheidsoverwegingen die wenken in de richting van bezetting, aangezien Israëls militaire positie wat steviger is met de Westbank erbij. En tenslotte spelen hier ordinaire machts- en landhonger hier een rol.

Maar die overwegingen maken de kwestie moreel niet moeilijker. Uitgaande van Israëls fundering in de VN-beslissing van 1947 overschrijdt Israël op de Westbank letterlijk zijn grenzen, het heeft daar niets te maken. Los daarvan bezorgt die grensoverschrijding Israël op het politiek-diplomatieke vlak veel schade en komt daardoor de veiligheidspositie meer in gevaar dan de fysiek-militaire posities kunnen goedmaken.

Deze situatie is erg genoeg, maar misschien vind ik het ergste van alles nog wel dat sinds het aannemen van de Boycotwet door het Israëlische parlement twee weken geleden het open gesprek over deze kwesties van hogerhand wordt verboden. Wie bezwaar maakt tegen de bezetting en om die reden oproept tot een boycot van producten uit de nederzettingen is voortaan in overtreding.

Hier staat niet alleen meer het Joodse land op het spel, maar de hele Joodse traditie. Dit raakt die traditie in het hart. Want als er iets is dat het Jodendom eeuwenlang heeft gekenmerkt is het de debatcultuur en het van vele kanten bekijken van (morele) standpunten. Je kunt voor of tegen een boycot zijn, maar daar moet je vrij over kunnen discussiëren. Ik kan me daarom helemaal vinden in de uitspraak van de Israëlische Raad van Liberale Rabbijnen: “This is an unprecedented dangerous step onto a slippery slope that continuously erodes the Jewish character and democratic nature of Israel”.

Bij Israël hoort geen denkpolitie.

vrijdag 22 juli 2011

Geld is niet goed voor u


Zou kardinaal Simonis dan toch gelijk hebben gehad? Als een van de traditionele handelaars in angst en geruststelling zei hij jaren geleden al naar aanleiding van de ontkerkelijking: wacht maar tot de mensen het materieel weer moeilijk krijgen, dan komen ze wel terug.

Wat een armzalig mensbeeld. Zorg dat mensen het niet te goed hebben, want alleen dan is hen iets bij te brengen van de Echte en Eeuwige Waarheid.

Toch hoor ik respectabele intellectuelen wel dingen zeggen die in de buurt komen van Simonis’ uitspraak. Zo bijvoorbeeld Paul Frissen, die schrijft dat bezuinigen en minder geld voor de mensen zo’n weldadige uitwerking heeft. “In termen van beleid stelt het kabinet me allerminst teleur. Inderdaad: de staat is geen geluksmachine. De logica dat problematiek groter wordt naarmate er meer beleid en geld op wordt gericht wordt doorbroken. De samenleving mag grotere zelfredzaamheid en solidariteit tonen”.

En Heikelien Verrijn Stuart zegt in Filosofie Magazine, naar aanleiding van Ortega y Gasset en diens bespiegelingen over de materialistische massamens: “De democratie is kapitalisme geworden. Zelfs als sommige mensen nog waarden uitzenden, is de massa te vol met zoet, zout en flitsende beelden om ze te ontvangen. Misschien zal een totaal onverwachte ramp tot inkeer leiden? Ortega bleef hopen dat er een menselijk vermogen tot waarheid was dat de vernietiging zou afwenden”.

Als ik nu even het denken van Ortega als vertrekpunt neem, dan kan het van daaruit twee kanten op. Allereerst is er de platonische richting die ervan uit gaat dat de waarheid ergens klaar ligt om ontdekt te worden, als mensen maar genoeg opoffering en volharding opbrengen. In die visie is een elite noodzakelijk van onbaatzuchtige zoekers die de weg naar de waarheid aan anderen kunnen wijzen. En daar hoort cultuurpessimisme bij, want er is gerede twijfel mogelijk over het bestaan van zo’n voorhoede en dat vermogen tot waarheid.

Simonis hoort bij deze platonische richting en, ik weet het niet zeker, maar ik denk Ortega uiteindelijk ook. Hij heeft het niet voor niets over een voorhoede, en het bouwen van een kosmopolitische internationale rechtsorde. Simonis en Ortega vinden elkaar in hun cultuurpessimisme, ze stellen beiden vast dat het treurig gesteld is met het onderzoek naar de waarheid, en vragen zich net zo min als Plato af of De Waarheid in die massieve vorm eigenlijk wel bestaat.

De tweede richting die je op kunt na Ortega’s vaststelling van de terreur van de massacultuur ziet er anders uit. Met name de opvatting van waarheid en de omgang daarmee zijn verschillend. De waarheid ligt nu niet, zoals bij Plato, massief klaar om ontdekt te worden. In deze tweede visie vertoont de waarheid zich wel, zelfs dagelijks en in triviale zaken, maar op een niet te voorspellen en te organiseren wijze. Altijd onverwachts en, zou ik zeggen, bijna transcendent.

Daarvan vind ik iets terug in de suggestie waarmee Verrijn Stuart haar artikel afsluit. Zij zegt namelijk: Je moet op zoek naar dwarsliggers die een andere taal durven spreken. Daarmee zou ze kunnen doelen op mensen die gevoelig zijn voor de manier waarop onze menselijke interactie regelmatig van ons vraagt om vastliggende patronen en waarden te doorbreken. Een dergelijke triviale, niet te organiseren waarheid breekt bij veel mensen iedere dag wel een keertje in. Het kan helpen om ons besef daarvan te scherpen, zo is wellicht de boodschap van Verrijn Stuart.

Maar het kan ook zijn dat zij bij 'dwarsliggers' iets heroïsch op het oog heeft, à la Socrates. Dat zou een variant zijn van Plato’s visie. Want dan heb je het opnieuw over een visionair die doorheeft wat anderen niet zien en die dat vervolgens, heel pedant, aan de anderen gaat uitleggen. Dat zou opnieuw uitlopen op cultuurpessimisme want alleen al de gedachte daaraan maakt loodzwaar: we hebben onbaatzuchtige helden nodig, en die hebben we te weinig.

Zie ook Culturele asielzoekers

vrijdag 15 juli 2011

Net op tijd


Vorige week verscheen The Shame of reason, de Engelse vertaling door David Bevan van mijn boek Schaamte en verandering. Vlak voor de vakantie, dus net op tijd voor al die Engelsen, Amerikanen en Australiërs die op hun stranden het boek massaal gaan lezen.

Onzin natuurlijk, maar misschien geldt het net-op-tijd wel als het gaat om een andere trend die de media nogal bezig houdt: de dreigende teloorgang van het boekenvak. Over een paar jaar zou zo’n boek misschien geen uitgever meer vinden, althans voor een papieren editie.

Alom hoor ik sombere berichten uit de hoek van uitgeverijen en boekhandels. De verkoop van algemene boeken kromp in de afgelopen vijf maanden met 3,8 procent en in 2010 met 4,7 procent. Uitgevers schrappen banen en titels en trekken bij elkaar in om te kunnen overleven. Boekhandels hebben het moeilijk, en bijvoorbeeld Selexyz vermindert zijn personeelsbestand met veertig plaatsen. De boekverkopende markten die op dit moment het beste overeind blijven zijn die van de benzinepomp en de supermarkt. Als oorzaken worden genoemd de voortschrijdende ontlezing, de digitalisering en de economische crisis.

Word ik daar zelf ook somber van?

Wel als het zou gaan om de teloorgang van interessante ideeën die goed verwoord worden, want daar kan ik niet gauw genoeg van krijgen. En hoe dan ook, de klassieke uitgeverijen en boekhandels zijn wel de plaatsen waar je moet zijn daarvoor. Je kunt daar zelfs fysiek genieten van die mooie combinatie van stijl- en denkwerk, al dan niet met een kopje koffie erbij. Maar de vraag is of die fysieke plekken zo wezenlijk zijn en of goede geschriften in elektronische vorm niet even goed voldoen aan mijn behoefte.

Mijn somberheid wordt verder gerelativeerd doordat ik, eerlijk gezegd, nooit zoveel heb gehad met het strenge literaire gedoe van “de betere boekhandel”, met de psychologische roman “als pijler van uw geletterdheid” (Maartje Somers) en met de coterieën die daarbij horen. Voor mij geldt eerder een sympathie voor degenen die, zoals Theo de Boer onlangs beschreef met betrekking tot de Vijftigers, radicaal breken met een eeuwenlange traditie van ‘letterdames’ en ‘letterheren’. Welke breuk in de visie van De Boer tevens een afscheid is van de platonische metafysica en de klassieke esthetica.

Blijft staan dat ik blij ben met de papieren publicatie van mijn boek. Eigenlijk heb ik het beste van twee werelden, want de volledige elektronische versie is tegelijkertijd al beschikbaar.

Zie ook Iets kleins

zaterdag 9 juli 2011

De negentiende eeuw is terug


Er was een tijd dat veel goed opgeleide mensen oprecht van mening waren dat alleen wat meetbaar is er toe doet. Slechts het tastbare, meetbare, materieel aanwijsbare mocht werkelijkheid heten. De rest is op zijn best schoonheid of versiering, maar in ieder geval te subjectief of te willekeurig of te soft om serieus genomen te worden.

Die tijd was de negentiende eeuw en de bijbehorende opvattingen waren die van het positivisme. Zo genoemd naar het antwoord op de vraag of iets in staat is om de wijzer van een meetapparaat te doen uitslaan of niet. Als dat wel het geval is – het apparaat meet dan het gewicht of het volume of de druk van iets – dan heb je een positief resultaat. Dan bestaat zoiets. Slaat de meter niet uit, is er geen fysieke reactie, dan bestaat dat iets niet.

Het was de bloeitijd van het technisch-wetenschappelijke enthousiasme waarin de grondslagen werden gelegd voor de ontwikkeling van spoorwegen, bouwtechnieken, chemische ontdekkingen en medische kennis.

Sindsdien hebben we geleerd dat deze visie de werkelijkheid ernstig tekort doet. Onze realiteit bestaat voor – laten we zeggen, maar hoe meten we dat? – minstens de helft uit beelden, betekenissen, herinneringen en belevingen. En het effect daarvan kan tegenwoordig neurowetenschappelijk wel gemeten worden, maar pas nadat de drager van die effecten heeft verteld dát ze, bij haar of hem van binnen, bestaan en hoe ze voelen. We hebben geleerd dat betekenis vooraf kan gaan aan meetbaar bestaan.

En nu ineens, het is ongelofelijk, is de negentiende eeuw weer terug, althans in Nederland. Minister Schippers heeft bepaald dat lichamelijke, goed meetbare ziektes ‘echter’ zijn dan psychische, minder meetbare ziektes en dat daarom voor de laatste moet worden bijbetaald. En in de discussie over ritueel slachten wordt dierenleed gereduceerd tot meetbare, fysieke pijn. Daardoor kan het veel grotere schandaal van de industriële vleesproductie en het bijbehorende dierenleed buiten beschouwing blijven. Dat is immers een stuk vager dan de pijn van een doodssteek.

Hoe is het nu mogelijk dat dit soort negentiende-eeuwse denkbeelden in onze hedendaagse politiek zo sterk terugkomen?

Allereerst kan het zo zijn dat het positivisme helemaal niet zover weg is geweest als ik wel dacht. Per slot van rekening is onze samenleving sinds de 19e eeuw alleen maar technocratischer geworden. Het bijbehorende denken leeft voort in ons doen en laten.

Verder kan er sprake zijn van een bepaalde intellectuele luiheid. Het is nu eenmaal gemakkelijker gegevens van een metertje af te lezen dan het gesprek aan te gaan met mensen, laat staan met dieren, over hun belevingen en de interpretatie daarvan.

Dat laatste verbindt zich vervolgens naadloos met een derde factor: het politieke opportunisme van dit kabinet en zijn doelstellingen. Er moet bezuinigd worden en dan is de gedachte: hoe kunnen we met de minst mogelijke inspanning het grootst mogelijke aantal mensen achter onze noodmaatregelen krijgen? Dan blijken 19e eeuws positivisme, rechtse intellectuele luiheid en politiek opportunisme een ijzersterke 21e eeuwse verbinding met elkaar aan te gaan.

Zie ook Ongerijmd en Meetbaarheid

zaterdag 2 juli 2011

Alles is besmet


Soms lijkt het wel alsof onschuld niet meer bestaat. Alsof alles besmet is geraakt met de smerigheid van de geschiedenis.

Tot halverwege de vorige eeuw was het misschien nog mogelijk om te geloven in onschuld en idylles, en dat die in zuiverheid konden bestaan. Al waren het maar lieflijke landschappen, eenvoudige boerenhoeven op de heide, meisjes met vlechtjes in de haren of verhalen van Kuifje.

Maar door die landschappen en langs die boerenhoeven bleken treinen te hebben gereden, heen en weer naar de vernietigingskampen. De kunstenaar Armando sprak om die reden van ‘schuldige landschappen’.

De meisjes met de vlechtjes werden op Nationaal-socialistische landdagen door Hitler en trawanten massaal ingezet om zich te laten toejuichen en om het publiek te vertederen. En Kuifje, de frisse blonde held-reporter, werd door zijn geestelijke vader Hergé zonder enige gêne neergezet als racistische kolonialist in Afrika temidden van domme negertjes. Of in scènes waarin doortrapte Amerikaanse bankiers de ergste antisemitische clichés bevestigden. Kuifje blijft leuk om te lezen, maar besmet is hij wel.

Dat is verlies, zeker. Maar misschien zit er ook wel een goede kant aan deze ontnuchtering. Het verlies van onschuld en de luchtjes aan de idylles hebben ons weerbaarder gemaakt. Propaganda krijgt wellicht minder vat op goede mensen.

Populisten worden gevaarlijk als ze vele argeloze goedwillende mensen aan hun kant kunnen krijgen. Zo kwam Hitler mede aan zijn democratische meerderheid door in te spelen op het oprechte geloof in saamhorigheid en zuiverheid en idylle, juist van vele gewone mensen. Hij kon hen misleiden door op verraderlijke wijze de onschuld in te zetten. Nog steeds kun je onder de indruk raken van zijn propagandafilms waarin frisse, vrolijke jongens en meisjes je overtuigen van een natuurlijke gehechtheid aan hun vaderland.

Welnu, dat kan niet meer vandaag de dag in West-Europa, daar ben ik van overtuigd. Daarvoor zijn we met zijn allen te sceptisch geworden. Te veel van die idylles zijn dubbelzinnig en misdadig gebleken. De meesten van ons laten zich niet meer zo veel wijsmaken.

Om die reden ben ik niet zo bang voor een democratische meerderheid voor Geert Wilders en andere Kuifjes.

Zie ook Erbij horen

zaterdag 25 juni 2011

Geschiedenis in het kwadraat


Geschiedenis is een ding, de geschiedenis van de geschiedenis een ander ding. Veel geschiedschrijving heeft zijn eigen geschiedenis.

Niets is zo gevaarlijk als de gedachte dat feiten uit het verleden klaar liggen om verzameld te worden en na verzameling automatisch het verhaal opleveren wat erbij hoort. Het blijkt dat de feiten vaak op meerdere manieren geordend en gepresenteerd kunnen worden en dat de wijze van presentatie veelal ideologisch bepaald is en onderwerp kan zijn van heftige strijd.

Zo kent de officiële geschiedschrijving van Nederland in de Tweede Wereldoorlog zijn eigen voorgeschiedenis. Nu denken we daarbij onmiddellijk aan Loe de Jong omdat hij het grote veertiendelige werk daarover heeft uitgebracht. Maar aanvankelijk, rond 1950, was het de bedoeling dat vertegenwoordigers van de vier zuilen in gezamenlijkheid de geschiedschrijving ter hand zouden nemen. Hiervoor werden de liberaal Brugmans, de socialist Brandt, de katholiek Rogier en de protestant De Pater aangezocht.

Waarschijnlijk was dit plan ingegeven door het optimisme over een na-oorlogse doorbraak en betere samenwerking tussen de zuilen. Maar begin jaren vijftig kwam de verzuiling keihard terug. Katholieken mochten geen lid meer zijn van een socialistische vakbond en VARA-medewerkers mochten niet naar de AVRO luisteren. In dat klimaat was geschiedschrijving over de oorlog door vertegenwoordigers van de vier zuilen te veel gevraagd, zo ideologisch gekleurd waren hun perspectieven of achterbannen. Toen het viertal in 1954 constateerde dat ze er niet uitkwamen kreeg RIOD-directeur Lou de Jong de opdracht. Hij was een relatieve buitenstaander, althans wat de verzuiling betreft.

Het werk van de nieuwe historici in Israël is ook niet zonder slag of stoot tot stand gekomen. Benny Morris bijvoorbeeld deed in 1982 als jonge Israëlische journalist en historicus onderzoek naar het optreden van de Palmach, een Joodse gevechtseenheid, in de jaren veertig. Daartoe kreeg hij van de legerleiding toegang tot geheime Palmach-documenten.

Morris ontdekte aan de hand van die documenten dat Israël in 1948 een serie gruwelijkheden - massamoorden, vernietigingen en verkrachtingen - tegen de Palestijnse Arabieren had begaan. Dat was schokkend nieuws en in strijd met de officiële Israëlische visie op het ontstaan van de Joodse staat. Daarom werd Morris verdere toegang tot de Palmach archieven ontzegd.

Maar op basis van de Israëlische archiefwet werden in datzelfde jaar geheime documenten uit de Israëlische staatsarchieven vrijgegeven en tien jaar daarna ook die uit militaire archieven zodat Morris zijn onderzoek toch nog kon voortzetten. In Morris’ boeken werden veel van zijn allereerste, schokkende bevindingen bevestigd.

Benny Morris is nu hoogleraar geschiedenis aan de Ben Goerion Universiteit. Andere New Historians die met lastige waarheden kwamen, zoals Ilan Pappé of Avi Shlaim, bleven in Israël last houden van pesterijen of uitsluiting. Zij werken tegenwoordig aan Engelse universiteiten.

Geliefd werden de New Historians dus niet, maar ze worden beschermd door de (archief)wet en blijken soms door te kunnen dringen tot het academische establishment. Zo verlicht is Israël kennelijk wel.

Zie ook Meerstemmigheid

donderdag 16 juni 2011

Markt en klant


Marktgeoriënteerd is niet hetzelfde als klantgericht.

Als het dat wel is word je daar helemaal warm van. Bijvoorbeeld wanneer Bart Becht, topman van Reckitt Benckiser, over de marketing en innovatie van zijn bedrijf het volgende zegt: “Begrijpen wat de klant wil is de sleutel. Om dat te weten moet je niet alleen de plaatsen bezoeken waar producten worden gekocht, maar ook weten hoe die producten thuis worden gebruikt. Eigenlijk komt het erop neer dat je innovatieve ideeën eerst goed afstemt op wat de consument wil. We spenderen daaraan erg veel tijd en onderzoek”. Hij komt bij je thuis en neemt je serieus.

Dat is net iets anders dan de marktoriëntatie die schermt met begrippen als 'unique sellingpoints', of 'een strategische marktpositie innemen' of 'alleen maar zwarte auto’s maken omdat de consument ze toch wel koopt'.

De twee – marktoriëntatie en klantoriëntatie - worden makkelijk door elkaar gehaald. Dat gebeurt op dit moment met name in het debat over de gezondheidszorg. Dat die zorg nu marktgericht wordt gemaakt zou, volgens de marktgelovigen, goed nieuws zijn voor de consument omdat die door concurrentie betere kwaliteit gaat krijgen tegen lagere premies. Maar deze taal, die begrippen als 'budgetsturing' en 'centrale loketten' intact laat, scheert langs de voor de consument meest wezenlijke gewaarwording die Marc Chavannes laatst formuleerde in de NRC: te veel mensen krijgen zorg die ze niet nodig hebben en niet de zorg waaraan ze wel behoefte hebben.

Dan praat buurtzorgondernemer De Blok net ietsje anders over hoe hij aan zijn kwaliteitsimpuls en kostenbeheersing denkt te komen: “Avonden lang heb ik keukentafel- en huiskamersessies gehouden over het vak van wijkverpleging en hoe dit in een nieuwe vorm beter uit te oefenen”. Dit noem ik klantgericht, en het verschil met marktgericht is groot omdat de woorden 'marktsegmenten', 'strategische aanbiedingen' en 'raad van bestuur' in De Blok’s vocabulaire niet voorkomen.

Eerst de klant, dan de aandeelhouder, aldus Becht. Eerst de zorgklant, dan de organisatie, zegt De Blok. Beiden sparen zich kosten noch moeite om dat vorm te geven. Dat is klantgericht, en het verdient zich terug op de markt. Maar het is net iets anders dan marktgericht.

Van beide uitspraken kan ik warm worden. Pikant blijft het verschil: Becht houdt er jaarlijks het obscene salaris van 100 miljoen euro (inclusief bonussen) aan over, De Blok waarschijnlijk zoiets als wat gewone mensen verdienen. Maar het is niet ondenkbaar dat De Blok met zijn aanpak die 100 miljoen juist bespaart.

Zie ook Iedereen CEO: Wie gaat dat betalen?

donderdag 9 juni 2011

Meerstemmigheid


De Joodse traditie wordt regelmatig (ook door mij) geprezen om de veelstemmigheid die daarbinnen mogelijk is. De Talmoed neemt diverse interpretaties van de overgeleverde teksten serieus en stimuleert de discussie daarover. Dogmatische dwang is er niet aan de orde, en dat kun je zien als een prettige en rijpe manier van omgang met traditie en teksten.

Maar er is nog een andere stroming binnen de Joodse traditie met even oude papieren. Die stroming benadrukt harmonie en een soort mystieke eensgezindheid van het Joodse volk. Hoe zit dat dan precies met die meerstemmigheid? Het feest van Sjavoeot deze week, over de ontvangst van de Tora op de berg Sinai, biedt de gelegenheid om daar eens nader naar te kijken. 

Dan blijkt dat er in eerste instantie weinig sprake is van meerduidigheid. Want in het boek Exodus staat beschreven hoe Mozes in zijn eentje de berg op ging en daar alleen was met God toen hij de Tora ontving. Daarop borduurt de Midrasj voort die de eenduidigheid van de openbaring onderstreept door de uitspraak dat waar ook maar enige verdeeldheid heerst, Gods aanwezigheid niet wil huizen. Philo van Alexandrië sluit daarop aan als hij zegt dat allen die rebelleren verteerd zullen worden door hun innerlijke lusten, en Jehuda Halevi benadrukt het bestaan van een Joodse volksziel die alle Joden verenigt.

Maar er staat ook in Exodus dat het hele volk heeft meegeluisterd naar wat er op Sinai gebeurde. Of eigenlijk: heeft meegekeken naar de stemmen. Verder verkondigde God aan Moses op de Sinai niet alleen de later door hem opgeschreven Tora, maar hij gaf daarbij ook mondelinge uitleg, inclusief alle uitleg die er nog ooit zou komen, hoe tijdeigen die ook mag zijn. Want, zo zegt de Talmoed, zelfs wat een kiene en serieuze leerling in de toekomst aan zijn leermeester zal vragen, is al aan Mozes op Sinaï geopenbaard. Dat betekent dat de Tora wel een explosief mengsel moet zijn, waarin ook heel veel verschillends, of zelfs tegenstrijdigs bij elkaar zit.

Ik sluit me nadrukkelijk aan bij de stroming die de veelvormigheid en veelstemmigheid koestert. Want ik associeer het onderkennen van de veelvormigheid met volwassenheid. In die zin vind ik de Joodse traditie volwassen. Er is die zucht naar een idyllische, rimpelloze eenheid, maar de tolerantie voor afwijkende meningen is ook goed ontwikkeld. Dat blijkt uit de veelheid van discussiërende stemmen in de Talmoed.

Het blijkt in onze dagen nog op een andere manier. Namelijk in de manier waarop het Joodse beeld van de staat Israël meer volwassen aan het worden is. Lange tijd was er onder Israëlische historici maar één en dus dominant beeld van Israël en het ontstaan van de staat. Dat was het beeld van het kleine, moedige Israël dat alleen stond tegenover oppermachtige Arabische vijanden. Als David tegen Goliath. Waarbij de staat werd gezien als de messiaanse, triomfantelijke uitkomst van tweeduizend jaar diaspora en vervolging. En waarbij het mislukken van vredesplannen geheel aan de Arabieren te wijten is.

Dit was een manier van historici om bij te dragen aan de eensgezindheid en het moreel van de nieuwe staat. Het was een bijdrage aan de mythevorming, een soort feel-good history die de bevolking nodig had om de grote inspanningen te verrichten die er nodig waren. Maar, zoals dat gaat met idyllische beelden en mythes, die vallen vroeg of laat een keer aan diggelen. In de jaren tachtig kwam er een groep nieuwe Israëlische historici (die worden dan ook de New Historians genoemd) die zich verzetten tegen dat idyllische beeld van Israël. Zij noemen dat beeld eenzijdig en propagandistisch. Zij leggen zich erop toe om de zaak niet alleen vanuit Israëlisch perspectief bekijken. In hun visie is er niet slechts één speler (Israël) met de anderen als figuranten, de Palestijnen en Arabieren zijn ook volwaardige spelers.

De zelfkritiek die deze historici beoefenen veroorzaakte veel ophef: men sprak van nestbevuiling en zelfs linkse politici hadden het over een zelfmoordstrategie. Waar het mij om gaat is dat het deze historici gelukt is om het beklemmende en dwingende, dat altijd verbonden is met een gesloten dominant geschiedbeeld, te doorbreken. Er is nu wat te kiezen. Er zijn nu meerdere gedocumenteerde en legitieme manieren om naar hetzelfde te kijken, er is meerstemmigheid, ook al spelen de discussies zich vooral af in academische kringen.

Zelf ben ik geneigd de opkomst van deze tegenstemmen te beschouwen als tekenen van de kracht van de Israëlische samenleving. Ik vind het getuigen van volwassenheid als een samenleving in staat is tot het produceren en serieus nemen van dit soort interne kritische stemmen. Op dezelfde manier als waarop Tora mensen altijd geïnspireerd heeft tot het nemen van verantwoordelijkheid en tot het doorbreken van het sfeertje van mystieke eenheid dat ook de Tora kan omringen. De New Historians vormen een uitdrukking van kritisch Joods bewustzijn en daarmee een aanwinst om trots op te zijn.

Zie ook Geschiedenis als exacte wetenschap en Geschiedenis in het kwadraat

Wil je commentaar geven of zien: klik op Meerstemmigheid en scrol naar beneden door.

donderdag 2 juni 2011

Rijtjes


Soms word ik er een beetje moe van: van alle indelingen en onderscheidingen die wij mensen maken om de wereld te ordenen. Vaak geven die een valse schijn van precisie of de indruk van een zekere willekeur in de onderscheidingen. Ze zijn meestal afkomstig van specialisten die al hun tijd en energie aan een bepaald onderwerp wijden en voor wie de onderscheidingen daarbinnen vanzelfsprekender zijn dan voor hun publiek.

Zo las ik laatst in Managementboek Magazine dat een leiderschapsdeskundige wel dertien soorten leiderschap onderscheidde waaronder de visionaire leider, de bestuurlijke, de betekenisvolle, de tegendraadse, de verlichte, de beteugelde, de androgyne, de interculturele, de ondernemende, de resultaatgerichte en nog een aantal andere die de journalist zich niet meer kon herinneren. Dat laatste kon ik me goed voorstellen want zoveel indelingsgeweld voelt een beetje arbitrair of overdone.

Maar zelf doe ik het ook. In een oud artikel van mijn hand dat ik onlangs herlas had ik het over benaderingen van de Joodse geschiedenis. Ik kwam daarbij tot vijf stromingen en de presentatie ervan suggereerde een soort volledigheid van overzicht, terwijl ik me nu afvroeg of dat niet zes of vier stromingen hadden kunnen zijn. Ach, je moet dat onderscheiden ook maar zien als een middel om een beetje grip op de stof te krijgen en om er gestructureerd wat over te kunnen zeggen.

Juist daarom trof mij een lijstje dat ik vorige week onder ogen kreeg en waarvan ik geen item kon wegdenken, ze zijn allemaal even waar en onmisbaar. Het ging om de Better Life Index aan de hand waarvan de OECD (Organization for Economic Co-operation and Development) geluk en welzijn meet in de Westerse landen. Daarop staan elf criteria voor het meten van geluk en welzijn: behuizing, inkomen, werk, gemeenschap, opleiding, omgeving, bestuur, gezondheid, levensvervulling, veiligheid en werk/privé-balans.

Ik vind ze stuk voor stuk relevant en niet arbitrair. Misschien omdat ik specialist ben als het gaat om geluk en welzijn van mijn eigen leven?