donderdag 24 november 2011

Listig


Onlangs luchtte Nelleke Noordervliet in Trouw haar hart over de uitdijende bureaucratie in ons land en over de funeste bedrijfscultuur die daar bij hoort. Daar moet wat aan veranderen, vindt zij, en met name de PvdA zou daarin een rol moeten spelen omdat die partij van oudsher meer heeft met de overheid dan andere partijen.

“Het kan anders. Het moet anders. Ik zie een schone, snelle, slanke, betrokken overheid voor me. Daar ligt een taak voor de Partij van de Arbeid. Vooruit, het is tijd voor een grassroots beweging in de bureaucratie. Alle ambtenaren van PvdA-huize beginnen een beweging op het gemeentehuis of departement om de stroperige hiërarchie op te heffen. Elke ambtenaar maakt een lijstje van nutteloze handelingen en regels en schaft ze een voor een af. Occupy de bureaucratie!”

Eerlijk gezegd valt mij deze simplistische taal van Noordervliet wat tegen. Het gaat naar mijn idee bij het fenomeen van de bureaucratie om een Westers cultuurprobleem van de eerste orde. Daarin komen samen: de complexiteit van de moderne gedigitaliseerde samenleving, de manipulatie van loyaliteit en moraliteit die daarbij hoort en het denkgeweld waarmee we voortdurend gebombardeerd worden.

Het neerzetten van deze monsterachtige octopus als een papieren tijger die door montere individuen met een beetje goede wil kan worden neergeknald getuigt van grove onderschatting van de venijnige complexiteit en inkapselende listigheid van moderne organisaties. Noordervliet lijkt daar geen idee van te hebben.

Een concreet voorbeeld. Al bijna een jaar ben ik betrokken bij een experiment in onze gemeente dat tot doel heeft om de verlening van omgevingsvergunningen (voor bouwen, slopen, bomen kappen enzovoorts) sneller en klantvriendelijker te maken. Het probleem hierbij zat hem niet in de analyse. Die was net als in Noordervliets column relatief snel te maken, en die laat zich ook goed in haar termen verwoorden. Het echte probleem komt pas om de hoek kijken als de knellende werkelijkheid zich niet blijkt te voegen naar het wereldvreemde advies van Noordervliet: elke ambtenaar maakt een lijstje van nutteloze handelingen, vage teksten en regels en schaft ze een voor een af.

Niet dat dat niet geprobeerd is. De eerste voor de hand liggende gedachte was: we verbeteren de informatie over onze vergunningen op de website. Maar tussen ons en de website bleken drie of vier schijven te zitten dus dat schoot niet op.

Daarna bedachten we dat we minder adviezen zouden vragen aan adviesgevende instanties zoals Brandweer, Welstand en Monumentenzorg. Maar daarbij rekenden we buiten de hiërarchische lijnen die moeten worden gevolgd om dat voor elkaar te krijgen en de hiërarchie bleek zich – o wonder – niet van onderaf te laten afbreken of gezeggen.

We bedachten dat de haperende software een belangrijke vertragende factor is. Maar die is vanuit Den Haag voor alle gemeenten voorgeschreven. Zouden we misschien moeten gaan lobbyen in Den Haag? Maar dat kost veel tijd, en wat doen we ondertussen met alle nieuwe vergunningsaanvragen?

Om in een dergelijke situatie van duizenden draadjes waardoor iedere medewerker verbonden is met andere medewerkers en systemen de zaak voor te stellen alsof de oplossing een kwestie is van individuele moed of karakter is simplistisch en misleidend. Net als de bijna misdadige spreuk die een tijdlang op de startpagina van ons intranet stond: “Dienstverlening dat ben jij”.

De beschreven verwevenheid van alles met alles maakt het innemen van een individueel standpunt tot een hachelijke zaak. Niet alleen operationeel: de boel kan in het honderd lopen. Nog veel venijniger is de morele chantage die hier kan optreden. Loyaliteit aan het gezamenlijke systeem kan door bazen en collega’s opgevat worden als een morele kwestie. Het ter discussie stellen ervan geldt dan als disloyaal gedrag.

De vergelijking die soms gemaakt wordt tussen politieke totalitaire systemen en organisaties is niet vergezocht. Dezelfde soort van knellende verbanden houdt meer dan eens loyale medewerkers gevangen in de brave uitvoering van zaken die eigenlijk niemand zo wil hebben.

Zie ook Hoeradwang, Blij met de PvdA,  Constructief nee zeggen en Verspilling

vrijdag 18 november 2011

Godsdienst en geschiedenis


De psalmenvertaling 150 psalmen vrij van Huub Oosterhuis die vorige week verscheen is gedrenkt in geschiedenis. Neem bijvoorbeeld het middendeel van psalm 95 in zijn vertaling:

De rots van ons behoud zijt Gij?
Wij zijn nieuwe eeuwen ingegaan,
ruimen puin, tellen de lijken.

Was het maar waar
dat wij nog konden geloven.
Zoals een kudde kent
de voetstap en stem van haar herder.

De rots van ons behoud
zijt Gij.


Dat door en door historische karakter van Oosterhuis’ lezing van de psalmen kan twee kanten op gaan. Enerzijds komt het naar voren in de verwijzingen naar de verschrikkingen van de twintigste eeuw en met name de Sjoa. Het zou raar zijn als de schok van die gebeurtenissen geen invloed zou hebben op ons religieuze bewustzijn en Oosterhuis móet, voor zijn gevoel, dat verwerken in de psalmen. Het bijzondere is dat de psalmen zich daar ook bijzonder toe lenen, want aan God werd in de psalmen al eerder getwijfeld. Alleen, dat twijfelen wordt nu pregnanter. Zo opent Psalm 23 (“Gij zijt mijn herder, het ontbreekt mij aan niets”) nu als volgt:

Jij mijn herder? Niets zou mij ontbreken.
En psalm 74 vertelt:

Terwijl we waren op weg naar uw huis
werd het door de vijand veroverd.

Hij kapte op de balken in
als op lovertakken in het woud.

Kraste swastika’s in de muren,
bijlen beukten de oeroude poorten

kliefden hun hoofden – vuur deed de rest,
weg Woning van de Naam.


Anderzijds volgt Oosterhuis het spoor van het expliciet benoemen van de vele misstanden en wandaden waarvoor we zelf mogelijk verantwoordelijk zijn. Zaken waar we zelf bij geweest zijn, ontleend aan onze eigen geschiedenis, dus ook door en door historisch gedacht. Een mooi voorbeeld daarvan vormt de vertaling van psalm 72 waaruit de volgende fragmenten genomen zijn:

Vrede de kopermijnen
vrede de olievelden
vrede de zwanenmeren
vrede de regenwouden
zou het worden godweet –
vrede de naam van die koning,
moge zijn koninkrijk bloeien,
vrede voor jou en voor jou

Kom toch haastig, vandaag nog


In datzelfde stramien past de vertaling van psalm 62:

Jachtig en ijl
is onze generatie –
pluizen die niets wegen,
waaien hoog op, zijn weg.


Je kunt jezelf de vraag stellen: mag dat eigenlijk wel, deze actualisering van eerbiedwaardige heilige teksten, door invoeging van verwijzingen naar de recente geschiedenis?

De vorig jaar overleden Rabbijn Just zou het helemaal niets gevonden hebben. Ik herinner me een bijeenkomst in de jaren tachtig waarop de historische context van een middeleeuws Joods gebed besproken werd. Hij vroeg zich daar in lichte maar oprechte verwondering af wat de geschiedenis in vredesnaam met een heilige tekst te maken kan hebben.

De Islam houdt er ook niet van, vermenging van de categorieën van het heilige en het historische is daar niet de bedoeling. En het orthodoxe Christendom kan historiciteit alleen maar waarderen voorzover historische feiten het heilige bevestigen.

Binnen de Liberaal Joodse traditie ligt dat anders. Die gaat nadrukkelijk uit van het bestaan van een interactie tussen het historische en het heilige, waar het heilige niet onveranderd uit hoeft te komen. De Liberaal-Joodse voorman Robert Levisson sprak daarom wel van de belangstelling voor historiciteit als het onderscheidende kenmerk van het Liberale Jodendom tegenover de a-historisch ingestelde Orthodoxie.

Ik vind dat een sympathieke positie en teken daarbij aan dat een dergelijk standpunt op geen enkele manier de heilige kern van de Joodse traditie in gevaar hoeft te brengen. Integendeel. Dat kan blijken door bijvoorbeeld het concept ‘tesjoeva’ (inkeer, omkeer) nader te beschouwen. Als tesjoeva inderdaad – en volgens mij zijn alle Joodse denominaties het daarover eens – een van de kernwoorden is van de Joodse traditie dan zie ik niet goed voor me hoe je de geschiedenis erbuiten kunt houden. Waar moet tesjoeva anders over gaan dan over wat er gebeurd is? Tesjoeva kán alleen maar gaan over wat er gebeurd is. Dat moet je dus heel precies uitzoeken en in je reflecties meenemen. Dat noem je geschiedenis. Zijn goede historici niet per definitie Nieuwe Historici?

Zie ook Er is tòch vooruitgang en Geschiedenis die zich laat kennen

vrijdag 11 november 2011

Sympathiek?


Berlusconi? Bepaald niet, althans niet in mijn ogen. Als iemand de nietsigheid belichaamt van het moderne mediale amusement-politieke complex is hij het wel. Wat mij betreft staat hij model voor exhibistionistische zelfverrijking, misbruik van politiek voor louter eigen belangen en bijna-vernietiging van de Italiaanse rechtsstaat. Zijn schijndaadkrachtigheid heeft Italië aan de rand van de afgrond gebracht en in zijn val sleept hij wellicht de rest van Europa nog mee.

Waarom moet ik dan toch weerstand bieden aan mijn neiging tot sympathie als ik zo’n plaatje zie van een man die steun zoek bij zijn maat en daarbij zijn hand legt op die van de ander?

Dat zal wel te maken hebben met een tekort aan aanraking, aan basale emotionele expressie, dus met een zekere kilheid die wij elkaar in Noord-Europa aandoen. En met de sentimentaliteit die we ter compensatie van dat tekort creëren. We zijn dat vanzelfsprekende directe contact niet zo gewend en snakken er misschien wel naar. Zo’n foto activeert dat verlangen, ook al is het Berlusconi en weten we dat hij een beetje te veel heeft aangeraakt.

Vanuit die blik krijgt een dergelijk gebaar kennelijk iets sympathieks en moet ik mezelf goed voorhouden om welk heerschap het hier gaat. Het helpt dan om te bedenken dat ook maffiabazen elkaar wel ondersteunen op deze manier en dat hechte tribale of familie-verbanden bepaald geen deugdzaamheid garanderen.

donderdag 3 november 2011

Zijn Joden slimmer?


Er wordt weleens beweerd dat Joden slimmer zijn dan andere mensen. Trouwens ook dat ze rijker zijn. Ik weet niet of dat klopt. In sjoel hoor ik genoeg domme dingen. En ik kom er genoeg mensen tegen die net als ik modaal of minder verdienen.

Toch zijn er wel verschillen aan te wijzen tussen de Joodse traditie en andere tradities als het gaat om de plaats van het intellect. Zelf heb ik ook ervaring met de Katholieke traditie en ik durf te stellen dat vroomheid daar niet primair een verbinding aangaat met het intellect. Eerder met eenvoud, dienstbaarheid, bescheidenheid. De onnozelheid van kleine kinderen en de uitspraak “Zalig zijn de armen van geest” doen het goed in Katholieke kringen. En de Katholieke Volkskrant beschouwde tot lang na de oorlog haar lezers als onderdanen die beleerd en vermaakt moesten worden (door respectievelijk de bisschoppen en Godfried Bomans).

Dat wil niet zeggen dat in die kringen niet nagedacht wordt. Maar men besteedt het echte denkwerk liever niet uit aan de gemiddelde gelovige. Beter kan dat gedaan worden door intellectuele keurtroepen, zoals bijvoorbeeld de Dominicaner of Jezuïten-ordes. Die mogen zich uitleven in theologie, filosofie en wetenschap. Op hen rust voor een groot deel de verantwoordelijkheid om de Katholieke gelovigen intellectueel te leiden.

Binnen de Joodse traditie geldt dat geleerdheid ook een gewone gelovige niet misstaat. Integendeel, het geldt als een verdienste voor iedere Jood (vrouwen moesten er wel een tijd op wachten) om te lernen, dat wil zeggen intensief te studeren op de heilige teksten en daarover te discussiëren.

Of je daar slimmer van wordt weet ik niet. Dat is wel wat René Kahn beweert in zijn Tien geboden voor het brein: tien tips om het brein beter te laten presteren. Die geboden zijn, in Kahns volgorde: Studeer, Slaap, Maak muziek, Stress niet, Maak vrienden, Geniet aanzien, Drink niet, Zweet, Speel. Daarna komt nog: Kies uw ouders met zorg, maar die doet niet serieus mee, omdat het overduidelijk is dat je daar niet zelf voor kunt zorgen. Dit gebod dient er slechts toe om de rest te relativeren.

Of Kahn werkelijk aan het studeren een vooraanstaande plaats toekent kun je trouwens pas zeker weten als voor hem de volgorde van zijn tips van belang is. En als je weet of die loopt van belangrijk naar minder belangrijk of omgekeerd. Zet hij bewust “Studeer” aan het begin en “Speel” aan het einde? Dat maakt veel uit, want als spelen belangrijker is dan studeren dan heeft de Katholieke kerk misschien weer een streepje voor in het onderhoud van de hersenen.

Zie ook Waar of raar

vrijdag 28 oktober 2011

AAA


Ze hebben natuurlijk allemaal zitten slapen, de Moody’s, de Standard&Poors en de Fitches, toen de banken grossierden in waardeloze hypotheken en kansloze schulden. De kredietbeoordelaars bleven hen even gemakkelijk top status toekennen. Met als gevolg dat de bellen steeds groter werden en de klappen daarna ook.

Maar nu we vier jaar verder zijn en nu het vooral gaat om staatsschulden ben ik wel iets meer geneigd om naar hen en naar de markten te luisteren. Ik sluit niet uit dat de kredietbeoordelaars op dit moment net zo veel bellen doorprikken als ze creëren.

Allereerst omdat de kredietbeoordelaars zelf ook geschrokken zijn van de mate waarin ze zich in de financiële poppenkast hebben laten meeslepen. Ze lijken zich te hebben voorgenomen om kritischer te zijn in hun beoordelingen en om duistere en misleidende financiële constructies als zodanig te benoemen.

Daarnaast omdat de kredietbeoordelaars met in hun kielzog de markten minder speculatief en losgezongen van de werkelijkheid lijken te opereren dan voorheen. Dat maak ik op uit het feit dat op de schaarse momenten dat de EU of individuele regeringen bereidheid tonen tot werkelijk ingrijpen in hun financiën, de markten onmiddellijk reageren. De rente op staatsleningen gaat dan omlaag en de beurskoersen gaan omhoog. Kennelijk worden er op zo’n moment serieuze calculaties gemaakt door kredietbeoordelaars en financiële instellingen die aantonen dat vertrouwen weer gerechtvaardigd is en dat investeren weer kan lonen.

Dat het over het algemeen niet genoeg wordt bevonden voor een duurzaam effect, doet wat mij betreft aan die constatering niet af: er zijn kennelijk bodems en plafonds. Daaraan verbind ik de conclusie dat er, ondanks de buitenproportionele financiële schimmigheden, nog steeds een verbinding is met de reële economie. Dat er dus sprake is van een reality check die serieuze rendementen op het oog heeft.

Het belang hiervan kan duidelijk worden als je bedenkt dat het ook nog heel anders zou kunnen. Het is niet ondenkbaar dat markten op een gegeven moment in het geheel niet meer reageren op de politiek, dat er geen enkele rem meer is op de rente en op het kapotspeculeren van de euro en dat je helemaal geen kredietbeoordelaars meer nodig hebt. Daar zijn we, op een aantal speculanten na, terecht het meeste bang voor.

Zie ook Adrenaline

donderdag 20 oktober 2011

Lekker irrationeel (2)


Irrationaliteit is in, zo kun je opmaken uit recente artikelen van toonaangevende filosofen. Ger Groot en Thierry Baudet wierpen onlangs, naar aanleiding van het Catalaanse verbod op stierenvechten, de vraag op of een alles gelijkschakelende, rationalistische moderniteit niet bezig is ons te beroven van oeroude maar betekenisvolle rituelen. Die worden als overleefd en barbaars beschouwd en dienen te verdwijnen. Maar hoeveel betekenis raken we dan kwijt, die precies gelegen is in het tragische en ongepolijste karakter van die rituelen? En hoe totalitair is een samenleving “waarin het individu zich volledig conformeert aan de rationaliteit?”, zo vraagt Baudet zich af in navolging van de filosofen Horkheimer en Adorno.

Betekent deze stellingname van Groot en Baudet nu dat behalve stierenvechters ook Joden en Moslims hulp kunnen verwachten uit die hoek? Namelijk in de actuele strijd van die gelovigen voor het redden van traditionele gebruiken tegenover de voortrazende gelijkschakelende moderniteit. Immers, de parallellen in de thematiek zijn te treffend om over het hoofd te kunnen worden gezien. De twee semitische culturen strijden beide en soms zij aan zij voor zaken als rituele slacht en besnijdenis. Zij roepen daarmee in verlichte kringen dezelfde afkeuring op als die geleid heeft tot het verbod op stierenvechten en waar Groot en Baudet hun vraagtekens bij plaatsen.

De parallellen zijn vooral daarin gelegen dat de filosofen en de godsdiensten zich geplaatst voelen tegenover hetzelfde, vaak impliciete verwijt. Namelijk dat wie hecht aan traditionele rituelen wel achterlijk of barbaars moet zijn.

Zo voelt Baudet dat in ieder geval als hij beschrijft dat hij betoverd werd door het stierenvechten, “hoezeer ik ook doodgegooid was met de gebruikelijke verontwaardiging over dit ‘barbaarse gebruik’”. En als Groot zijn twijfels uit over de totaliserende doorwerking van de moderniteit voelt hij zich blijkens de titel De grenzen van het barbaarse in de hoek gedrukt waar de moderne mens slechts minachting voor kan hebben.

Religieuze groeperingen ervaren dezelfde afkeuring wanneer de KNMG stelt dat de tijd gekomen is voor het afschaffen van de besnijdenis, die gekwalificeerd wordt als ‘een pijnlijk en schadelijk ritueel’. De achterlijkheid die hierdoor gesuggereerd wordt als je om redenen van identiteit of geloof wilt vasthouden aan het ritueel kan aanleiding zijn voor “een nieuwe golf van stemmingmakerij tegen moslims en joden”, aldus Mohammed Ghaly.

Je kunt op basis van deze parallellen concluderen dat de twee filosofen en de twee godsdiensten een thema gemeen hebben: de verschralende effecten van de uniformerende moderniteit. Dat sluit niet uit dat zij op onderdelen bij verschillende posities kunnen uitkomen. Zo neigt Baudet naar omarming van de natuur en Groot van oerkrachten, terwijl Jodendom en Islam de besnijdenis beschouwen als een wijze van afstand nemen tot de natuur. Maar de gemeenschappelijke weerzin tegen de verstikkende moderniteit lijkt me belangrijker dan die verschillen.

Op grond daarvan lijkt het mij niet onmogelijk dat Jodendom en Islam de steun die zij zoeken in hun strijd tegen de moderniteit ook voor een deel bij de filosofen kunnen vinden. Dat zou in de discussies die ongetwijfeld gaan komen van grote waarde kunnen zijn, want blijkens hun publicaties zijn Groot en Baudet op dit terrein wel geneigd tot actie en bereid hun stem te verheffen.

In ieder geval in grotere mate dan waartoe ik zelf geneigd en bereid ben. Ik zie mijzelf nog niet zo gauw actievoeren voor de besnijdenis, net zo min als voor het stierenvechten trouwens. Ik kan niet goed tegen bloed.

Zie ook Ramadan en Lekker irrationeel (1)

vrijdag 14 oktober 2011

Lekker irrationeel


Modes komen en gaan, ook in de filosofie. Primair zijn dat lange termijn golfbewegingen op grote diepte in een cultuur. Voor het Westen denk ik bijvoorbeeld aan een filosofische pendelbeweging tussen ratio en gevoel zoals die tot uitdrukking kwam in de Verlichting met de Romantiek als reactie daarop, gevolgd door het nuchtere positivisme dat op zijn beurt de meer op ervaring gerichte bewegingen opriep van de fenomenologie, het existentialisme en diverse postmodernistische stromingen.

Er lijkt zich de laatste jaren, bovenop die grotere onderstromen, een extra golfje irrationaliteit voor te doen. Ik ontwaar dat golfje onder andere in recente publicaties van Ger Groot en Thierry Baudet. Ger Groot bespreekt onder de kop De grenzen van het barbaarse de afschaffing in Catalonië van het stierenvechten. Hij ziet in die afschaffing de triomf van het rationele verlichtingsdenken dat probeert al het tragische uit te bannen. Het maakt de rede almachtig en steriliseert de wereld door al het aanstootgevende eruit de bulldozeren. Maar “onderhuids weet het universele humanisme zich niettemin aangevreten door iets dat niet redelijk, niet universeel en misschien zelfs niet moreel is, maar dat wel onlosmakelijk verbonden is met ons menselijk wezen”, aldus Groot.

Groot voelde de behoefte om zelf het terrein van het irrationele te betreden en ging stierenvechten. En inderdaad, opwinding, spanning en ook een beetje trots heeft hij kunnen ervaren. Het zorgde ervoor dat zijn vraag des te klemmender werd: “hoe lang zal het duren, voordat de moderniteit zelfs de laatste resten tragisch levensgevoel heeft uitgeroeid?”

Thierry Baudet haakt in zijn NRC-column in op die vraag. Baudet stelt vast dat de corrida op algemene afkeuring kan rekenen onder zich als ‘modern’ en ‘weldenkend’ beschouwende mensen. Daardoor ziet hij veel waardevols verloren gaan, want als je stierenvechten, plezierjacht en visserij verbiedt, raak je vervreemd van de natuur. De moderniteit schiet dan door, wil alles steriel en uniform maken en heeft zo uiteindelijk ook de gaskamers mogelijk gemaakt. “Het was kortom geen toeval dat Hitler veganist was”.

Voor Baudet is het duidelijk: de waarde van het leven hangt op mysterieuze wijze samen met de aanwezigheid van dierlijkheid, gevaar en dood in ons bestaan. Hij kan helemaal warm worden van de volheid van het stierenvechten. Hij viert de gedachte dat grandeur en dood, noblesse en tragiek nauw samenhangen en dat het leven strijd is. Hetgeen mij trouwens ook even aan Hitler deed denken.

Het modegolfje dat ik hierin ontwaar wordt dus gevormd door pleidooien voor minder uniformerende en verstikkende rationaliteit. Opmerkelijk is dat die pleidooien afkomstig zijn van soepele, gevestigde filosofen die hun mars door de denk-instituties en de bijbehorende normaliteit zonder noemenswaardige problemen doorlopen, keurig binnen de bandbreedtes van de meer en minder rationalistische onderstromen. Kennelijk kom je daar op een gegeven moment niet meer mee uit en wens je wat extra irrationaliteit, beargumenteerd vanuit de gedachte dat twintigste-eeuwse rampen als fascisme en nazisme hun oorsprong vinden in de moderniteit.

Dat ik dat betitel als een modegolfje komt misschien wat denigrerend over. Maar ik vind het meeste wat ze zeggen niet raar, ik begrijp Groot en Baudet wel. Ik herken daarin veel van wat mij via Levinas bekend en sympathiek is. Ook Levinas meent dat de Westerse filosofische traditie in haar adoratie van de rede blind is geweest voor de verstikkende en totalitaire tendensen die de rede aankleven. En dat die blindheid mede totalitaire systemen als communisme en fascisme heeft mogelijk gemaakt.

Maar tegelijkertijd heb ik zo mijn reserves tegenover de invulling door Groot en Baudet van het irrationele en hun pleidooi voor het vieren van machismo en strijd. Ik ben geneigd om die reserves in verband te brengen met twee verschillen die ik vaststel tussen hen en Levinas.

Een eerste verschil is dat Levinas, al vanaf het prilste begin van zijn filosofische belangstelling, het verstikkende karakter van de rede en de moderniteit heeft onderkend en, waarschijnlijk precies om die reden, al direct voor zichzelf in de academische filosofie geen toekomst zag weggelegd.

Een tweede verschil is dat Levinas, waarschijnlijk door zijn weigering om in het academisch-modernistische keurslijf te stappen, nooit in de toch enigszins anti-intellectualistische tegenreactie is terechtgekomen die we nu bij Groot en Baudet waarnemen. Integendeel, hij heeft gezocht naar mogelijkheden om de interactie van het irrationele met het rationele te beschrijven op een manier die niet per se de strijd en het geweld als dé vieringen van het irrationele bij uitstek omarmt. Ons zintuig voor het irrationele, het tragische en het transcendente moet zeer zeker aan zijn trekken komen, aldus Levinas. Maar dat kan ook, en net zo of meer vruchtbaar, gewoon in het dagelijks leven – als we maar oog hebben voor het ongerijmde van de Ander. Want die is misschien wel de irrationaliteit zelve. En die tref ik niet aan in de arena, maar thuis of op het werk.

Dat vind ik belangrijke verschillen. Want met Groot en Baudet vind ik aandacht voor het irrationele terecht en nodig. Maar met Levinas ben ik van mening dat je ermee op moet passen. Per slot van rekening is, zoals gezegd, Hitler niet alleen in verband te brengen met het veganisme als uitdrukking van de klinische en steriele moderniteit, maar ook met de verheerlijking van strijd en geweld die een uitwas vormde van de Romantiek.

Zie ook Veranderingsporno, Lekker irrationeel (2) en Ongerijmd

donderdag 6 oktober 2011

Levinas en Machiavelli


Levinas en Machiavelli, kun je twee filosofen bedenken die - althans op het eerste gezicht - verder van elkaar af staan in hun denken? Machiavelli, bekend van zijn boek Il Principe, geldt als de filosoof van de machtspolitiek die vorsten en politici adviseert zich niet af te laten leiden door idealisme en mooie gedachten. In de plaats daarvan moeten zij louter en alleen op rationele en realistische wijze het staatsbelang dienen, als het moet op een meedogenloze, opportunistische manier.

Levinas daarentegen is bekend als de filosoof van de Ander. Hij wijst ons op het morele appèl dat medemensen op ons geweten doen en op de schaamte en schuld die het gevolg zijn van de manipulaties en beheersingsdrang waarmee we anderen aan ons onderwerpen of proberen dat te doen. Het absolute tegendeel van Machiavelli, zou je zeggen.

Toch moest ik laatst bij een artikel over Machiavelli erg aan Levinas denken. In dat artikel was Hans Achterhuis aan het woord over de Navo-interventie in Afghanistan. Onze Nederlandse bijdrage aan die missie werd door generaal Berlijn destijds gesteld in termen van een morele verplichting. Het zou een moreel failliet betekenen, zo geeft Achterhuis diens standpunt weer, als een welvarend land als Nederland zou zeggen: ach wat kan ons Afghanistan schelen, het is zo ver weg. Je zou zeggen: dat is een mooi Levinassiaans standpunt.

Maar ik geloof er niets van dat Levinas zo gedacht zou hebben. Hij was al dood toen dit speelde, dus we zullen nooit weten. Maar Levinas’ gehechtheid aan politieke zekerheid en stabiliteit kennende weet ik bijna zeker dat hij meer gevoeld had voor de redenering die Achterhuis, in het voetspoor van Machiavelli, volgt. Namelijk dat je realistisch moet zijn, dat je middelen en doelen op elkaar af moet stemmen, dat je moet beseffen dat je niet even in een paar jaar tijd van Afghanistan een Westers land kunt maken, dat je bereid moet zijn om daar tientallen jaren te blijven en dat je het anders niet moet doen. “Natuurlijk, het was moeilijk om je aan het morele appèl dat uitgaat van Berlijns woorden te onttrekken. Toch is dat in de politiek vaak nodig, en Machiavelli zou het gedaan hebben”,

En Levinas ook, ondanks zijn beschrijvingen van wat zich moreel gesproken tussen twee mensen kan afspelen. Want Levinas heeft ook nog een theorie over de derde. Waar er derden in het spel komen treedt een relativering op van het appèl dat de ander (de tweede) op mij doet. Immers, de derde kan ook een beroep op mij doen, en na de derde een vierde en een vijfde en nog veel meer. Dat maakt de morele aanspraken relatief, de absoluutheid gaat eraf. Daardoor komt er ruimte binnen het denken van Levinas voor groepsbelangen en maatschappelijke instituties en rationele afweging van belangen. Dat stelt hem in staat om behoorlijk ver mee te gaan in politieke machtstheorieën als die van Machiavelli.

Je kunt je afvragen hoeveel Levinas’ filosofie van de Ander in combinatie met zijn filosofie van de derde nog waard is, maar in elk geval kun je vaststellen dat Levinas wat minder ver af staat van de brute wereld dan vaak gedacht. Anderzijds was Machiavelli als persoon wellicht wat aandoenlijker en kwetsbaarder dan zijn stoere politieke filosofie doet vermoeden. In een recente biografie komt hij naar voren als een in zekere zin on-Machiavelliaanse persoon: emotioneel, open en eerlijk, maar ook onhandig en sociaal gebrekkig. “De meest ‘realistische’ van alle politieke denkers was in een aantal opzichten buitengewoon wereldvreemd”, aldus recensent André Gerrits. Zo ontmoeten uitersten elkaar.

Zie ook Levinas en Israël

vrijdag 30 september 2011

Soorten overleg


Intuïtief onderscheid ik, zo merk ik na jaren, op mijn werk drie soorten overleg. Er is overleg dat ergens over gaat, er is overleg dat ergens anders over gaat en er is overleg dat nergens over gaat.

Laat ik beginnen met die laatste soort. Dat is in de meeste gevallen het overleg dat ingegeven is door nieuwe managementmodes of nieuwe digitale mogelijkheden. Dat overleg wordt gedomineerd door kreten en termen die vaak voor de gebruikers ervan niet helemaal helder zijn en meestal niet voor iedereen dezelfde lading dekken. Denk hierbij aan ‘integraal werken’, ‘workflowmanagement’, ‘people management’, al dan niet in combinatie met ‘niet-directief’ of ‘wel-directief’ optreden. De uitkomsten van dergelijk overleg zijn meestal vage voornemens waarmee men elkaar bemoedigt maar waar niemand zich echt aan gebonden voelt. Ik houd er niet van.

Met overleg dat ergens anders over gaat bedoel ik dat er wel een concreet doel is waartoe het overleg moet leiden, maar dat het vooral gaat over de instrumenten om dat te bereiken. Vaak zijn die instrumenten de budgetten die aan een bepaald doel gekoppeld zijn. Er is bijvoorbeeld geld voor straatonderhoud gereserveerd, met de bepaling erbij dat dat geld wel vóór een bepaalde datum besteed moet zijn, anders is het weg. Maar de straat is er nog niet klaar voor en dan volgt soms (veel) overleg om het budget te behouden. Of we bespreken de klantvriendelijkheid van onze organisatie, maar het overleg gaat op aan de geautomatiseerde systemen die dat doel in de weg staan en veel ergernis geven. Of het doel van een overleg is om het management met iets tevreden te stellen, terwijl de relevantie daarvan voor de overlegdeelnemers niet duidelijk is. Daar houd ik ook niet van.

Overleg dat ergens over gaat situeer ik grofweg op twee plaatsen in de organisatie: aan de top en aan de basis. Aan de top worden besluiten genomen met zeer onmiddellijke effecten: de opheffing of creatie van een afdeling, samenwerking met andere organisaties, de samenstelling van het managementteam. Maar ik zit ik niet bij dat overleg, dus ik weet niet wat ik daarvan vind.

Het andere relevante overleg tref ik aan aan de basis. Bijvoorbeeld bij de groepjes uitvoerders en projectmedewerkers die zich buigen over het opknappen van een pleintje of het herstel van een kademuur of de herprofilering van een straat. Die medewerkers zitten met zijn vijven of zessen gebogen over grote tekeningen en plattegronden en stemmen heel precies met elkaar af wat er technisch en logistiek moet gebeuren. Soms als ik over de gang loop zitten er verspreid over de kamers links en rechts van die groepjes en kun je door de open deuren de afstemming volgen. Daar zit ik, ook qua werk, gelukkig nog het dichtste bij. Want daar houd ik van.

Zie ook Kunnen Amsterdammers wel samenwerken?, Zelfrealisatie en Baan kwijt

vrijdag 23 september 2011

Palestijnse staat


Wat kun je voor argumenten hebben om een Palestijnse staat nu niet te willen?

De gedachte kan zijn: we moeten de Westbank bij Israël voegen want dat is historisch Joods gebied. Dit is een ideologische positie die uit is op het inlijven van gebied. Dat is gewoon illegaal.

Je kunt zeggen: Als Israël niet meer mag vliegen boven de Westbank, verliest het militaire controle over het luchtruim en worden de grenzen moeilijker beheersbaar. Ik denk dat dat wel waar is. Maar ik zou dat willen verbinden met een andere gedachte: als militaire slagkracht zo belangrijk is, zorg dan dat je, anders dan minister van Buitenlandse Zaken Lieberman doet, de contacten met je buren goed onderhoudt. Want het verlies daarvan weegt voor de beheersing van je militaire positie waarschijnlijk nog zwaarder.

Je kunt denken: de Palestijnen willen Israël de zee indrijven. Hamas zegt dat expliciet, en dat lijkt me moeilijk zaken doen. Abbas en zijn club erkent, in ieder geval verbaal, het bestaansrecht van Israël. Dat moet je wel koesteren, denk ik.

De gedachte kan ook zijn: nu krijgen we behalve vanuit Gaza ook raketten uit de Westbank. Dat zou inderdaad goed kunnen want Abbas’ gezag is niet groot genoeg om dat te kunnen tegenhouden. Ik zou niet weten wat je daartegen kunt doen, dus dat lijkt me een echt probleem.

Zo kom ik uit op drie argumenten voor en een argument tegen. Natuurlijk zijn er nog veel meer kwesties en argumenten in te brengen, maar ik denk dat mijn afwegingen al gauw het patroon zullen volgen dat er zojuist uitkwam: meer argumenten voor de Palestijnse staat dan ertegen.

Waar ik bang voor ben is dat voor de huidige Israëlische regering het eerste argument het allerzwaarste weegt: de ideologie van Groot Israël. En dat alle andere argumenten daarvoor moeten wijken. Ik koester de gedachte dat als we de ideologie loslaten, er wel zaken gedaan kunnen worden over de rest.

Zie ook Het kan wél en Schuiven

vrijdag 16 september 2011

Onhoudbare barmhartigheid


Het verbaasde me toch weer, dat dat nog bestaat. Een pastoor die spreekt over voorgaan in de waarheid, over objectieve regels voor het bereiken van het zieleheil en over het bewaken van het zieleheil van anderen omdat je precies weet wat goed is en wat niet. Dit alles naar aanleiding van de euthanasie van een parochiaan in Liempde en de weigering van pastoor Van der Sluis om de man een kerkelijke uitvaart te geven omdat euthanasie volgens de Katholieke leer niet is toegestaan.

Maar ik had het kunnen weten. Ik was even vergeten dat ik vertrouwd ben met een bepaalde historische verschijningsvorm van de kerk, namelijk die van pakweg de jaren zestig tot negentig, waarin ruimdenkendheid, experiment en ruimhartigheid de boventoon voerden.

Ik had kunnen bedenken dat, op het totaal van tweeduizend jaar Christendom, die eind-twintigste-eeuwse gestalte van de kerk waarschijnlijk beschouwd moet worden als een wezensvreemde en daarom zeer tijdelijke uitstap van het Christelijke denken. Dat is zich al weer een tijdje op zijn fratsen aan het bezinnen en keert terug naar de ingrediënten die vanaf het begin het hart van de Christelijke traditie hebben uitgemaakt: een claim op objectieve kennis van diepere waarheden en regels voor het verwerven van zieleheil. Platonisme voor het volk, zou je met Nietzsche kunnen zeggen. Dus als dat de kern van de Christelijke traditie is, is het logisch dat het weer terugkomt. Het is eerder raar dat het even weg was.

Het koesteren van een werkelijkheid die ergens anders ligt dan hier is trouwens niet specifiek Christelijk. Ook in de Islam is de gedachte terug te vinden dat het leven hier op aarde een voorbereiding is voor een bestaan in het hiernamaals dat alles pas echt de moeite waard maakt. En ook dat er behoorlijk precieze en vaststelbare objectieve criteria zijn die kunnen helpen om ons daarnaar toe te leiden. Wat mensen op aarde doen is van rechtstreekse invloed op hun positie in het hiernamaals, aldus de Islam.

Wat deze waarheidspretentie in het Christendom ingewikkelder maakt dan in de Islam is de boodschap van absolute barmhartigheid en naastenliefde die tegelijkertijd centraal staat in het Christendom. Want barmhartigheid en denkdwang gaan nu eenmaal niet samen, zo is mijn diepste overtuiging. Het kan niet anders dat, wanneer gepoogd wordt die twee wel te combineren, er iets moeizaams uitkomt: ofwel de barmhartigheid overheerst en men krijgt het gevoel de waarheid kwijt te zijn, ofwel de denkdwang overheerst en de pretentie van barmhartigheid krijgt iets hypocriets. Van die spagaat heeft de Islam wat minder last.

De spanning tussen de pretenties van barmhartigheid en van waarheid is in de Katholieke kerk altijd voelbaar geweest. En ook nu is men zich daarvan bewust, zoals blijkt uit de woorden van Van der Sluis: “Een dienaar van de kerk moet voorgaan in de waarheid. Dan kun je niet alles onder de mantel der barmhartigheid brengen”.

Maar het feit dat de Katholieke traditie, net zoals Van der Sluis nu, in veel gevallen in haar lange bestaan heeft gekozen voor de waarheid boven barmhartigheid zegt veel. Die keuze geeft aan dat de kerk niet zo zwaar tilt aan de terreur die van denkdwang uitgaat en aan de kwetsuren die daardoor veroorzaakt worden. Die traditie bagatelliseert systematisch het geweld van denkdwang, een beetje zoals kardinaal Danneels meende dat het wel meeviel met de kwetsuren van de man die in zijn jeugd was misbruikt door zijn bisschoppelijke heeroom. Het besef dat denkdwang niet onschuldig is maar iets diep kwaadaardigs – dat besef ligt in de Katholieke geest niet vooraan.

Zoals gezegd, Van der Sluis lijkt zich bewust te zijn van de spanning tussen zijn waarheidspretentie en barmhartigheid en kiest expliciet voor de eerste. Daarmee verdwijnt de tweede want tegenover zoveel bagatellisering van geestelijke terreur houdt de barmhartigheid geen stand. Het wordt tijd voor Levinas en zijn diagnose van wat er allemaal gebeurt als de ene mens denkt voor de andere.

Zie ook Bestemming bereikt en Geweld, denken en denkgeweld