woensdag 25 juli 2007
Doodzonde
Hoe gefrustreerd kun je raken van Levinas?
Behoorlijk tot zeer gefrustreerd, als ik afga op de fel negatieve reacties die ik soms hoor als het over de ‘Filosoof van de Ander’ gaat. Die reacties doen me denken aan het ressentiment dat sommige mensen aan hun Christelijke opvoeding hebben overgehouden. Zij hebben die beleefd als te veeleisend, levensvijandig en onrealistisch en willen er niets meer mee te maken hebben. Als het belang dat Levinas toekent aan onze confrontatie met de andere mens eenzelfde lading krijgt toebedeeld ligt het voor de hand dat zijn werk al snel als onrealistisch ter zijde kan worden gelegd. En dat zou doodzonde zijn.
De tendens om Levinas in absolute termen te presenteren is duidelijk aanwijsbaar. Onlangs gebeurde dat bijvoorbeeld bij de opening van een naar hem vernoemd gezondheidscentrum aan het Erasmusziekenhuis in Rotterdam. Een van de initiatiefnemers vertelde bij die gelegenheid dat het gezondheidscentrum de onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid voor de ander als uitgangspunt neemt.
Maar hoe realistisch is het om uit te gaan van permanente, absolute verantwoordelijkheid voor (iedere?) ander? Ik denk dat een dergelijk uitgangspunt mensen niet echt verder helpt. Het zadelt hen op met een onmogelijke opdracht. Een dergelijke interpretatie van Levinas (waartoe hij overigens zelf in zijn latere werk genoeg aanleiding heeft gegeven) maakt zijn werk irrelevant. Door te praten in permanent absolute termen treedt versimpeling op: de echte puzzel wordt aan het oog onttrokken. Namelijk de ongerijmdheid dat in een wereld waarin alles relatief is zich plotseling iets voor kan doen dat geen relativering duldt.
Nu hoéf je Levinas niet zo te interpreteren als gebeurt in bovenstaande uitspraak. Dat blijkt uit het feit dat sommige lezers alle nadruk leggen op het bestaan van derden: behalve de ander waar ik dwingend mee te maken kan krijgen zijn er nog weer anderen die mij evenzeer claimen. Omdat ik geen tien dingen tegelijk kan doen beperkt de claim van de ene ander die van de andere ander. Zo wordt het absolute gerelativeerd en kan sociaal handelen alsnog volledig een kwestie van calculatie worden.
Maar ik vind dat ook geen mooie oplossing. Want op die manier haal je de prikkeling die uitgaat van Levinas’ dwingende ander weer helemaal weg. Om hem interessant te houden moet je dus zowel de urgentie recht doen die hij verbindt aan het gelaat van de Ander, als de ervaring dat alles betrekkelijk is binnen een rationeel geordend geheel.
Dat leidt tot een onmogelijke maar tegelijkertijd zeer ware woordcombinatie: relatieve absoluutheid. De paradox die daarin besloten ligt is moeilijk onder woorden te brengen. Het is vooral de jonge Levinas die die paradox overtuigend weet te presenteren. Die speelt het klaar om te laten zien dat de voortkabbelende tijd van belangenevenwichten plotseling doorbroken kan worden door de absoluutheid van de dood of van de ander. Om vervolgens uit te monden in een situatie van een nieuw, relativerend belangenevenwicht dat op zijn beurt ongetwijfeld doorbroken zal worden.
Dit klinkt realistisch. Levinas hoeft dus niet belastender te zijn dan de werkelijkheid zelf.
Zie ook Noodopvang, De Levinas van de verplichtingen en Levinas en egoïsme
maandag 11 juni 2007
Benedictus XVI denkt voor u
Als vervolg op mijn boek 'Schaamte en verandering' heb ik een workshop Illusieonderzoek ontwikkeld. Deze workshop gaat over de listigheid van het denken en de blindheid van rationaliteit. Ik geef deze workshop in groepjes van 5 à 6 personen, voor ieder die geïnteresseerd is.
De workshop gaat uit van de gedachte – ontleend aan de filosoof Emmanuel Levinas – dat denken voor een ander altijd iets gewelddadigs heeft. Overal waar, hoe goed bedoeld ook, de ene mens voor de andere denkt, daar kan dat bij die andere mens verdriet of weerstand oproepen.
Deelnemers aan de workshop hebben soms moeite om zich daar iets bij voor te stellen. Hoezo geweld, in het denken nog wel, hoe zo verdriet en weerstand? Ik probeer dan aan de hand van uit het leven gegrepen voorvallen tussen managers en medewerkers of tussen ouders en kinderen te verduidelijken wat ik bedoel. Managers en ouders zitten daarbij in de rol van de denker: zij bedenken plannen en schema’s en de medewerkers of de kinderen moeten daarin meelopen. En dat kan bij die medewerkers of die kinderen heel wat kwetsuren veroorzaken.
Sinds vorige maand heb ik er een prachtvoorbeeld bij. Namelijk van de paus die meent beter te weten wat mensen willen dan de mensen zelf. Tijdens zijn bezoek in mei aan Brazilië vertelde Benedictus dat het katholicisme de oorspronkelijke bewoners van Latijns-Amerika niet is opgedrongen. Volgens de paus wilden de indianen daar al christen worden vóór de komst van Europese veroveraars. Toen deze uitspraak veel commotie bleek te veroorzaken onder de Latijns-Amerikaanse indianen riep de Venezolaanse president Hugo Chávez – zelf overigens ook niet ongenegen om het denken van anderen te bepalen – de paus op om zijn excuses aan te bieden. Dat deed Benedictus niet. Hij gaf wel toe dat de kolonisatie gepaard is gegaan met onrecht en lijden maar dat het evangelie altijd de ware identiteit van de Latijns-Amerikaanse volkeren heeft uitgedrukt en blijft uitdrukken. Volgens de paus is Christus de redder naar wie de inheemse volkeren in stilte altijd al verlangden. Als dat geen heerszuchtig denken is!
De workshop gaat uit van de gedachte – ontleend aan de filosoof Emmanuel Levinas – dat denken voor een ander altijd iets gewelddadigs heeft. Overal waar, hoe goed bedoeld ook, de ene mens voor de andere denkt, daar kan dat bij die andere mens verdriet of weerstand oproepen.
Deelnemers aan de workshop hebben soms moeite om zich daar iets bij voor te stellen. Hoezo geweld, in het denken nog wel, hoe zo verdriet en weerstand? Ik probeer dan aan de hand van uit het leven gegrepen voorvallen tussen managers en medewerkers of tussen ouders en kinderen te verduidelijken wat ik bedoel. Managers en ouders zitten daarbij in de rol van de denker: zij bedenken plannen en schema’s en de medewerkers of de kinderen moeten daarin meelopen. En dat kan bij die medewerkers of die kinderen heel wat kwetsuren veroorzaken.
Sinds vorige maand heb ik er een prachtvoorbeeld bij. Namelijk van de paus die meent beter te weten wat mensen willen dan de mensen zelf. Tijdens zijn bezoek in mei aan Brazilië vertelde Benedictus dat het katholicisme de oorspronkelijke bewoners van Latijns-Amerika niet is opgedrongen. Volgens de paus wilden de indianen daar al christen worden vóór de komst van Europese veroveraars. Toen deze uitspraak veel commotie bleek te veroorzaken onder de Latijns-Amerikaanse indianen riep de Venezolaanse president Hugo Chávez – zelf overigens ook niet ongenegen om het denken van anderen te bepalen – de paus op om zijn excuses aan te bieden. Dat deed Benedictus niet. Hij gaf wel toe dat de kolonisatie gepaard is gegaan met onrecht en lijden maar dat het evangelie altijd de ware identiteit van de Latijns-Amerikaanse volkeren heeft uitgedrukt en blijft uitdrukken. Volgens de paus is Christus de redder naar wie de inheemse volkeren in stilte altijd al verlangden. Als dat geen heerszuchtig denken is!
Labels:
Christendom,
denkgeweld,
illusies,
Levinas,
Schaamte en verandering
Posted by
Naud van der Ven
op
18:34
maandag 14 mei 2007
Mohammed B. wil ook meepraten
Dat we geneigd zijn in onze onderlinge omgang veel versluierende taal te gebruiken kan blijken uit het feit dat we in bepaalde situaties van elkaar vragen om dat níet te doen. Zo wordt bijvoorbeeld tijdens een rechtzitting van een getuige gevraagd om te verklaren dat hij de waarheid zal spreken.
Het zal duidelijk zijn dat hiermee geen absolute garantie op waarheid verkregen wordt. Want zo’n verklaring kan ook vals zijn. Je kunt vervolgens eisen dat die verklaring in oprechtheid gedaan wordt maar daarmee sla je een pad in dat geen einde kent, want wie zegt dat de getuige dan in zijn antwoord wel oprecht is? Wie uit is op ultieme zekerheid zal onophoudelijk door moeten vragen. Het helpt niet echt als een getuige God in het spel brengt door de eed af te leggen. Het kan lijken alsof daarmee een metafysische garantie op waarheid gegeven is maar we weten eigenlijk wel beter. De belofte of de eed op een rechtszitting kunnen dus geen waarheid afdwingen. In laatste instantie hebben zij de functie om de getuige te wijzen op het belang van zijn verklaring. Zij appelleren aan zijn verantwoordelijkheid tegenover zijn medemensen.
Zo zag Mohammed B. dat niet toen hij op 9 mei optrad als getuige in het hoger beroep in de Hofstadzaak. B. weigerde de eed of belofte af te leggen. “Ik beloof niks en ik geef geen eed”, liet B. de rechter weten. “Ik ken u niet, waarom zou ik beloven dat ik tegenover u de waarheid spreek?” Op de vraag of hij wel op Allah zou willen zweren, kaatste B. terug: “Gelooft u in Allah?” Na ruim twintig minuten geharrewar over de vraag of B.’s verklaringen ook zonder belofte bruikbaar zouden zijn, zei B. tot verbazing van de aanwezigen plotseling: “Ik beloof het”. Vervolgens zette hij op uitnodiging van het hof uitvoerig en breed gebarend zijn wereldbeeld uiteen.
Wat gebeurt hier? In eerste instantie is B. niet geneigd te treden buiten de kring van Allah en zijn gelovigen. Want alleen daar is de ultieme zekerheid voorhanden, daarbuiten heerst onbetrouwbaarheid. Maar als eenmaal zijn integriteit in twijfel is getrokken kan een spreker, of een getuige, geen kant meer op. Dan maar liever geen ultieme zekerheid, moet B. gedacht hebben. In plaats van een metafysische garantie kiest hij dan ook voor een persoonlijk garant staan, het begin van elk gesprek.
Deze breuk met de ultieme zekerheid van een alomvattende orde is wat Levinas benoemt als prijzenswaardig 'atheisme'. Die gedurfde stap biedt volgens hem perspectief op aanraking door het werkelijk Andere.
donderdag 26 april 2007
Zien en niet gezien worden
De mythologische figuur Gyges vindt ergens een ring die hem onzichtbaar kan maken. Vanaf het moment dat hij dat ontdekt glijdt hij af naar een toestand van volstrekte immoraliteit. Doordat hij ongestraft zijn gang kan gaan schaamt hij zich nergens meer voor. Hij begint mensen te bedriegen en dat loopt uit op verkrachting van de koningin en moord op de koning. Voor Plato, die dit verhaal vertelt, is er dus een duidelijk verband tussen onzichtbaarheid, schaamteloosheid en zedelijk verval.
Levinas grijpt graag terug op het verhaal van Gyges. Hij past het toe op het proces van wetenschappelijke kennisverwerving. Dat kenmerkt zich volgens Levinas door het afstand nemen van het te bestuderen object en het vellen van rationele oordelen daarover. Het is kortom het begluren van de wereld vanuit een schuilhut: zien en niet gezien worden.
Door deze opvatting van Gyges beoordeelt Levinas diens optreden, anders dan Plato, niet als alleen maar negatief. Natuurlijk is het onsympathiek om de wereld te reduceren tot dood materiaal dat je via experimenten en redeneringen naar hartelust kunt manipuleren. Maar we zullen wel moeten, een mens is nu eenmaal een voorstellend wezen dat de wereld reconstrueert in zijn hoofd en zich zo staande houdt. En ook al is die reconstructie illusoir, we kunnen niet anders. Bovendien is, aldus Levinas, het streven naar objectieve kennis iets zeer prijzenswaardigs: we maken daardoor voor elkaar de wereld toegankelijk.
Daarnaast hangt voor Levinas, anders dan voor Plato, schaamte niet samen met gezien worden maar met zien. Het is inderdaad maar de vraag of onaangedaan kijken wel mogelijk is. De manipulator (Gyges) kan, al is het maar voor een ogenblik, getroffen worden door wat zijn manipulatief geweld en objectiverende blik aanrichten in de wereld. De schaamte die dan optreedt komt van binnenuit en is daardoor niet afhankelijk van de zichtbaarheid van zijn daden. Die schaamte zal een corrigerende werking hebben op zijn omgang met de wereld.
Labels:
de ander,
denkgeweld,
denkschaamte,
illusies,
kennis,
Levinas,
wetenschap
Posted by
Naud van der Ven
op
12:29
woensdag 18 april 2007
Welk geweld heb je liever?
Sommige van zijn lezers menen dat voor Levinas de Ander bron is van een permanent schuldgevoel. Zover ga ik niet, voor mij gaat zijn werk meer over incidentele confrontaties met andere mensen die momenten van schaamte opwekken. Dus ik til minder zwaar aan zijn filosofie in die zin dat ik de mens niet gebukt zie gaan onder een permanent gevoel van tekortschieten ten opzichte van alle anderen.
Maar dat laat onverlet dat ik de term ‘confrontatie’ wel passend vind voor het beschrijven van de momenten waarop een ander mij terugfluit voor mijn zelfingenomen hooggestemdheid waarmee ik hem kwets. Zo’n terechtwijzing kan inslaan als een bom en mijn bestaan als imperialistisch ter discussie stellen. Dat kan voelen als een inbreuk op mijn soevereiniteit.
Je kunt die inbreuk best benoemen als geweld. Van Riessen spreekt over ‘de ander als storing’ en dat is wel adequaat uitgedrukt. Voor haar is dat niet per se negatief. Maar dat geweld kan voor lezers ook reden zijn om Levinas’ Ander te associëren met negativiteit en ongezellige zaken als het Boze Oog. Zij vinden Levinas maar somberstemmend.
Vergeten wordt dan dat, door die confrontatie, een ander geweld doorbroken wordt of op zijn minst terecht gewezen. Dat is namelijk precies het geweld dat gelegen is in die hooggestemde maar blinde soevereiniteit. Daar waar ik, bijvoorbeeld als manager, als vanzelfsprekend mijn plannen aan anderen opleg kan er sprake zijn van geweld. Weliswaar misschien niet direct herkenbaar als geweld, want ik heb er toch goed over na gedacht en ik heb toch het beste voor met de organisatie? Toch is het geweld. En het kan even heftig aankomen als bruut geweld, misschien wel juist vanwege de vanzelfsprekende macht die van goedbedoelde rationaliteit uitgaat. Daar zit iets listigs in. Geef mij dan maar het geweld van de confrontatie dat de listigheid doorbreekt. Het open vizier is mij liever dan het blinde geloof in de eigen ideologie.
Maar dat laat onverlet dat ik de term ‘confrontatie’ wel passend vind voor het beschrijven van de momenten waarop een ander mij terugfluit voor mijn zelfingenomen hooggestemdheid waarmee ik hem kwets. Zo’n terechtwijzing kan inslaan als een bom en mijn bestaan als imperialistisch ter discussie stellen. Dat kan voelen als een inbreuk op mijn soevereiniteit.
Je kunt die inbreuk best benoemen als geweld. Van Riessen spreekt over ‘de ander als storing’ en dat is wel adequaat uitgedrukt. Voor haar is dat niet per se negatief. Maar dat geweld kan voor lezers ook reden zijn om Levinas’ Ander te associëren met negativiteit en ongezellige zaken als het Boze Oog. Zij vinden Levinas maar somberstemmend.
Vergeten wordt dan dat, door die confrontatie, een ander geweld doorbroken wordt of op zijn minst terecht gewezen. Dat is namelijk precies het geweld dat gelegen is in die hooggestemde maar blinde soevereiniteit. Daar waar ik, bijvoorbeeld als manager, als vanzelfsprekend mijn plannen aan anderen opleg kan er sprake zijn van geweld. Weliswaar misschien niet direct herkenbaar als geweld, want ik heb er toch goed over na gedacht en ik heb toch het beste voor met de organisatie? Toch is het geweld. En het kan even heftig aankomen als bruut geweld, misschien wel juist vanwege de vanzelfsprekende macht die van goedbedoelde rationaliteit uitgaat. Daar zit iets listigs in. Geef mij dan maar het geweld van de confrontatie dat de listigheid doorbreekt. Het open vizier is mij liever dan het blinde geloof in de eigen ideologie.
woensdag 4 april 2007
Waarom Heidegger ons niet verder brengt
Dat doordenkende managementauteurs als Weick, Winograd en Flores zich laten inspireren door Heidegger is wel begrijpelijk. Als je los wilt komen van het denken over organisaties in termen van hokjes en harkjes dan biedt hij een bevrijdend perspectief. Hij stelt dat “knowledge lies in the being that situates us in the world”. Dat wil zeggen: kennis doen wij niet op door afstand te nemen en als buitenstaander verschijnselen te observeren, maar door actief betrokken te zijn in de wereld via werk en relaties. Heidegger verleent voorrang aan het zijn in de wereld en aan de praxis. De misleiding die uitgaat van modellen en structuren wordt zo doorbroken. Kennis is altijd ingebed in een handelende wijze van zijn die aan alles voorafgaat.
Tegelijkertijd stel ik bij de op Heidegger georiënteerde managementauteurs twee blinde vlekken vast. De eerste blinde vlek betreft de onwil tot communicatie die mensen kunnen vertonen. Het spontane handelende zijn gaat in hun beschrijvingen als vanzelf samen met een voortdurende bereidheid tot communicatie.
De tweede blinde vlek gaat over het verschil dat de ene mens maakt ten opzichte van de andere. Dat mensen fundamenteel van mening kunnen verschillen over de richting en het doel van hun handelen komt bij de genoemde auteurs niet ter sprake.
Ik ben geneigd om een samenhang te zien tussen die twee blinde vlekken. Die samenhang is naar mijn idee te herleiden tot de wijze waarop bij Heidegger het begrip Mitsein functioneert. Namelijk, als verwijzing naar een gedeelde werkelijkheid waarin wij mensen allen participeren. Wij delen Mitsein met elkaar als onderdeel van ons handelende zijn-in-de-wereld. Communicatie vloeit daar als het ware vanzelf uit voort.
Heidegger laat zeker ruimte aan individuen voor het op een eigen, oorspronkelijke manier opvatten van het primaire zijn, waarin zich het handelen afspeelt. Maar door de plaats die hij aan het Mitsein toekent verschuift de balans: het aandeel gemeenschappelijkheid in de wereldverheldering van mensen heeft een groot overwicht boven het aandeel oorspronkelijkheid daarin. Het zijn is primair één en gemeenschappelijk, ook al bestaat er een veelheid van persoonlijke inzichten in het zijn.
Dit kan verklaren waarom pluraliteit van opvattingen en diepgaande verschillen tussen mensen zo weinig aandacht krijgen bij auteurs die zich baseren op Heidegger. Zoals Safranski zegt: wat écht politiek denken is zal Hannah Arendt – ook als antwoord op Martin Heidegger – ontwikkelen: zo’n denken ontspruit aan het 'samen-en-met-elkaar-zijn' van wat verschilt.
Daar wil ik aan toevoegen dat we voor een uitwerking van het radicale verschil tussen de ene en de andere mens bij Levinas goed terecht kunnen.
Zie ook Klopt de wereld?, Heidegger en de Joden en Als Heidegger filosofisch deugt...
zaterdag 17 maart 2007
Heidegger, Wittgenstein en het verkeer
Organisatiekundigen die filosofisch worden moet je koesteren. Zij zullen al gauw wat meer speelruimte en diepgang in hun redeneringen toelaten dan degenen die alleen in bedrijfskunde getraind zijn. Niettemin wil ik een waarschuwende kanttekening maken bij organisatiekundigen die zich oriënteren op Heidegger en de late Wittgenstein. Wat een aantal organisatiekundige volgelingen van die twee filosofen met elkaar delen - en daar wil ik het over hebben - is het gebruik van het beeld van autoverkeer als metafoor voor menselijke communicatie in organisaties. Ik vind dat irritant. Want naar mijn overtuiging schiet die metafoor voor dat doel wezenlijk tekort.
Wat kun je zeggen over het autoverkeer? Het verkeer vormt een eenduidige, uniforme werkelijkheid en die werkelijkheid steunt op een set van door (bijna) alle deelnemers aan het verkeer aanvaarde regels. Degenen onder ons die op de snelweg links gaan rijden of hun auto dwars op de rijstrook parkeren vormen een kleine minderheid. Uiteraard kunnen de diverse bestemmingen van de weggebruikers ver uiteenlopen maar dat is voor hun hoedanigheid van weggebruiker niet van betekenis. Hun werkelijkheid wordt gedefinieerd door de twee witte lijnen waar ze tussen moeten blijven, de pijlen die ze moeten volgen en de stoplichten die ze tegenkomen. Voor wat betreft de deelname aan het verkeer delen automobilisten één en dezelfde voorgeprogrammeerde rationaliteit met elkaar die slechts beperkte interpretatiemogelijkheden toelaat.
Als je nu het verkeer als metafoor toepast op het menselijk functioneren in organisaties dan heeft dat een vervreemdend effect. Neem bijvoorbeeld John Shotter, die zich laat inspireren door Wittgenstein. Shotter beschouwt sociale interactie als ‘to know how to go on’ en voor zijn uitleg van die uitspraak grijpt hij terug op de metafoor van het autoverkeer: “Just as in driving down a multi-lane interstate highway, we sense those cars here as near, and those there as far away, this one as requiring us to move away as it is moving too close, and we possess a synoptic grasp of how ‘to go on’ in a skilful way in many other spheres of our lives”.
De managementauteurs Winograd en Flores, die zich oriënteren op Heidegger, gebruiken eveneens de besturing van een auto als beeld voor communicatie en taal in organisaties. Er is daar sprake van een soort vanzelfsprekende intermenselijke communicatie en afstemming, waarbij de dingen gewoon gaan zoals ze moeten gaan en de mensen, intuïtief of hoe dan ook, weten wat hen te doen staat. Natuurlijk kunnen er misverstanden tussen mensen voorkomen, zoals er aanrijdingen plaatsvinden in het verkeer. En je kunt in organisaties ook wijzen op non-communicatievelingen, zoals er in het verkeer hufters en middelvingergebruikers zijn. Dus zo eenduidig is kennelijk het verkeer ook niet. Maar dat zijn – in de visie van genoemde auteurs – , zowel op de werkvloer als in het verkeer, uitzonderingen die te verhelpen of te betreuren zijn. Uiteindelijk doen die niets af aan de eenduidigheid van de regels en de eenvormigheid van de werkelijkheid. In principe functioneert menselijk verkeer, net als autoverkeer, gewoon vanzelf.
Die opvatting van menselijke interactie vind ik vervreemdend omdat die niet overeenkomt met de ervaren werkelijkheid. Die opvatting leunt zwaar op de vooronderstelling dat bij mensen sprake is van voortdurende bereidheid tot communicatie. Dat vind ik een naief-romantische gedachte. De praktijk in organisaties geeft teveel voorbeelden te zien van het tegendeel. Ik doel op de weigerachtigheid van mensen om met anderen te praten, op het grootschalig gebruik van taal die juist niet functioneert maar versluiert en op de energie die het kost, niet zozeer om misverstanden op te ruimen maar om mensen überhaupt met elkaar in gesprek te brengen.
Het verschil tussen het relatief probleemloos functioneren van het wegverkeer en de moeizaamheid van menselijke interactie is bij nader inzien wel te verklaren. Zo staan, tegenover de eenduidige rationaliteit en beperkte interpretatiemogelijkheden van de set verkeersregels, op het gebied van wereldinterpretaties en menselijk handelen vele uiteenlopende rationaliteiten. En tegenover de totale vrijheid voor iedere weggebruiker om zijn eigen bestemming te kiezen staat in organisaties een hiërarchie waarbij sommige medewerkers (managers) anderen voorschrijven wat ze moeten doen. Conflicten op de weg beperken zich eigenlijk tot pesterijen, terwijl ze in organisaties vaak te maken hebben met het al dan niet legitiem opleggen van zijn wil door de één aan de ander.
Deze verschillen raken aan de elementen die communicatie in organisaties zo lastig maar ook zo interessant maken. Organisatiekundigen, zoals Shotter, Winograd en Flores, die zich oriënteren op Heidegger en Wittgenstein, lijken precies die punten te missen. Zij komen uit bij een simplistische en technocratische karikatuur van intermenselijke communicatie. Je kunt je afvragen of er iets wezenlijks ontbreekt in de filosofieën van Heidegger en Wittgenstein waardoor hun organisatiekundige volgelingen op die karikatuur uitkomen?
Zie ook Je peux (pas)
maandag 26 februari 2007
Communicatie is een waagstuk
Wie eist dat een boodschap met zekerheid verstaan zal worden verwart communicatie met kennen, aldus Levinas in Anders dan zijn. Hij maakt dus onderscheid tussen kennen en communiceren. Maar toch heeft volgens hem het kennen meer te maken met communicatie dan met kennis zoals die in onze ‘kenniseconomie’ wordt opgevat: als pakketjes die je op maat kunt samenstellen en vakkundig kunt overdragen.
Echt kennen streeft naar eerlijkheid in de uitwisseling van informatie. Dat vereist goede en vooral oprechte communicatie. Maar die is niet zomaar voorhanden, oprechte communicatie is een waagstuk. Communicatie maakt kwetsbaar: je geeft een teken en je hebt geen enkele zekerheid of het goed aankomt. Het is tasten in onzekerheid. De zekerheid van de oprechte kennis kan niet anders dan via dit tasten tot stand komen.
De mythologische figuur Gyges denkt daar anders over. Die kon zichzelf onzichtbaar maken door een magische ring. Daardoor kon hij zien zonder gezien te worden. Maar hij is daardoor wel het symbool van de valse wetenschap, van de dwaling en de dogmatiek.
Zie ook Die moeilijke Levinas, Gewaagd en het langere artikel Communicatie is een waagstuk.
zondag 11 februari 2007
(Mc)Donald Duck versie
In zijn recensie van Schaamte en verandering doet Jaap Peters de goede suggestie om van het boek ook een (Mc)Donald Duck versie uit te brengen. Je kunt je natuurlijk wel afvragen hoeveel concessies dan gedaan worden aan de oude taal terwijl het boek een nieuwe taal wil introduceren. Maar toegankelijkheid van het gedachtegoed van Levinas is zonder meer ook mijn streven. En op dit moment wordt dat op schrift nog niet echt gerealiseerd, wel in praktijk via de workshops Illusieonderzoek.
dinsdag 30 januari 2007
Het is pure macht die telt
Dus de manager wint het altijd van de vakman, zou je zeggen.
Toch is dat de vraag. Het blijkt mogelijk te zijn dat de manager, zonder iets te verliezen van zijn formele macht, geraakt wordt door verdriet van vakmensen en andere medewerkers. En dat hij beseft dat dat verdriet veroorzaakt wordt door zijn rationele plannen, hoe overwogen ook. Dat besef kan ruimte scheppen voor de afweging van verschillende rationaliteiten. Zoals Ger Groot het zegt: "...zien we wat mensen werkelijk doen, dan komen we nauwelijks een najagen van eigenbelang ten koste van alles tegen. Het vreemde is dat bijna niemand het voor die sociale inslag van mensen durft op te nemen, wanneer hem daar expliciet naar gevraagd wordt. Bijna ieder zal - bang om voor naïef te worden versleten - de nadruk leggen op het cynische aspect in het menselijk gedrag, dat daardoor van de weeromstuit als de waarheid daarvan beschouwd wordt".
Zie ook Kankerpitten en Zwarte zwaan
Toch is dat de vraag. Het blijkt mogelijk te zijn dat de manager, zonder iets te verliezen van zijn formele macht, geraakt wordt door verdriet van vakmensen en andere medewerkers. En dat hij beseft dat dat verdriet veroorzaakt wordt door zijn rationele plannen, hoe overwogen ook. Dat besef kan ruimte scheppen voor de afweging van verschillende rationaliteiten. Zoals Ger Groot het zegt: "...zien we wat mensen werkelijk doen, dan komen we nauwelijks een najagen van eigenbelang ten koste van alles tegen. Het vreemde is dat bijna niemand het voor die sociale inslag van mensen durft op te nemen, wanneer hem daar expliciet naar gevraagd wordt. Bijna ieder zal - bang om voor naïef te worden versleten - de nadruk leggen op het cynische aspect in het menselijk gedrag, dat daardoor van de weeromstuit als de waarheid daarvan beschouwd wordt".
Zie ook Kankerpitten en Zwarte zwaan
Labels:
denkschaamte,
management,
naïviteit,
pluraliteit,
vakmanschap
Posted by
Naud van der Ven
op
11:38
donderdag 25 januari 2007
Zit de leraar klem tussen de managers?
Dat stellen Ad Verbrugge en zijn geestverwanten van Beter Onderwijs Nederland (BON).
Daar zit zeker iets in, al was het maar het heimwee naar een tijd dat niet alles georganiseerd was. Maar zorgen die managers ook niet voor goede voorzieningen en betere werkomstandigheden? Kortom: is het wel of/of: vakmanschap of management? Is het niet eerder en/en? Ik denk dat er meerdere rationaliteiten tegelijkertijd naast elkaar kunnen bestaan: de rationaliteit van de vakman naast die van de manager. De vraag is dan: hoe bepaal je de grens? Wanneer weet je of jouw rationaliteit meer kwaad doet dan goed, en een illusie wordt? Die vraag komt op 15 maart 2007 aan de orde in de workshop Organisatieverandering in het licht van Emmanuel Levinas op het congres van de Algemene Vereniging van Schoolleiders.
Abonneren op:
Posts (Atom)