donderdag 29 november 2007

Poten in de modder


Men lijkt zich op veel plekken plotseling bewust te worden van de vitale rol die ICT speelt in moderne organisaties. Prorail gaf ooit een groot deel van de automatisering uit handen aan een trio van aannemers en ontdekt nu dat ICT te cruciaal is om op afstand te zetten. De top van de Belastingsdienst besloot op een achternamiddag de adviezen van haar ICT-afdeling te negeren als gevolg waarvan de dienst nu bijna bezwijkt aan de chaos. De Protestantse Kerk van Nederland heeft de complexiteit van haar ledenadministratie onderschat waardoor een aantal beleidsvoornemens op inhoudelijke terreinen in gevaar komen. Verder is becijferd dat de overheid jaarlijks 4 miljard Euro kwijt is aan mislukte automatisering.

We komen er kennelijk achter dat, mede vanwege het voortdurend veranderende karakter van onze omgeving en wetgeving, goeddraaiende ICT van strategisch belang is. De ICT, en dat is voornamelijk het geheel van operationele processen, gaat concurreren met productstrategie en financieel management om de aandacht van de topmanagers.

Mij interesseert de vraag: wat betekent dit voor een doorsnee organisatiemedewerker? Is dit goed nieuws of slecht nieuws?
Een negatief effect kan zijn dat het antwoord op de gebrekkige uitvoering van processen gezocht wordt in een totale technische controle van die processen. Men gaat de bedrijfsvoering volledig voorprogrammeren, bijvoorbeeld via workflow. De vrijheidsgraad voor medewerkers wordt dan nul en het werkplezier waarschijnlijk ook.

Een positief effect van het besef dat ICT belangrijk is kan zijn: de notie dat operationele processen ertoe doen. De vaak door het management aan medewerkers gerichte obligate opmerking: “jullie doen het echte werk” verliest dan zijn vrijblijvendheid.

Een dergelijke herwaardering van het basale, operationele werk zou werkelijk revolutionair zijn. Je kunt zeggen dat het klassieke management, alle vrome woorden ten spijt, juist gelijk staat aan verwaarlozing van details en een zekere minachting voor het alledaagse geploeter in de modder. Dat management staat voor grote lijnen, hoofdzaken en de bijbehorende hiërarchie.

Op het moment dat ICT (eigenlijk: de operationele processen) ontdekt wordt als van cruciaal belang, straft een dergelijke afstandelijke opvatting van management zichzelf af. Het is waar, ook als je je met ICT bezighoudt kun je tijdelijk de relevante details verwaarlozen en toch veel verdienen. Daar zijn voorbeelden genoeg van. Maar als de verantwoordelijken wakker worden, en dat lijkt bijvoorbeeld bij Prorail te gebeuren, dan is dat afgelopen.

Een goede regeling van de details wordt dan een hoofdzaak. Dat is goed nieuws voor de medewerkers met hun poten in de modder: ze zullen meer dan voorheen oprechte aandacht krijgen van afdalende managers en gehonoreerd worden voor hun specifieke kennis van de processen.

Zie ook Plato op het werk

woensdag 14 november 2007

Vista (2)


De verhouding tussen Microsoft en Linux waarover ik in mijn vorige bericht schreef vertoont enige verwantschap met de verhouding tussen het Angelsaksische en het Rijnlandse ondernemingsmodel. Microsoft heeft met het Angelsaksische model de monopolisering gemeen van de werkelijkheid door één (opgelegde) logica. Het Rijnlandse model lijkt op Linux door nadrukkelijk meerdere logica’s naast elkaar te dulden en de samenwerking daartussen te zoeken.

De verwantschap is dus gelegen in de wijze van omgang met logica. En dat heeft, volgens Nietzsche en Levinas, te maken met het listige karakter van rationaliteit. Rationaliteit, zo zeggen zij, heeft namelijk de neiging om voortdurend illusies te creëren. En misschien wel de meest venijnige van die illusies is de waan dat de aangehangen rationaliteit de enig juiste is. Ten diepste bestaat de illusie van de rationaliteit in de gedachte dat logica, mits goed doorgevoerd, noodzakelijkerwijs iedere keer bij dezelfde waarheid moet uitkomen, die daarmee dus dé waarheid is. Eén logica wordt tot zijn uiterste consequenties gevolgd en maakt alle andere logica’s aan zich ondergeschikt.

Dat is, op ideologisch en praktisch vlak, precies wat er gebeurt als het kapitalisme vrij spel krijgt. Dat wil zeggen wanneer, zoals in het Angelsaksische model, de logica van het aandeelhouderbelang als veel logischer wordt bestempeld dan bijvoorbeeld de logica van de werknemers of van het milieu. Dan is het “niet meer dan logisch” dat je het milieu uitbuit; dan is het “rationeel” dat Google zich uit angst voor de aandeelhouders schikt in de censuur van de Chinese overheid; en dan geldt als “volwassen” dat je consumenten in je commercials aanspreekt als kleine kinderen.

Het Rijnlandse model stelt daartegenover dat meerdere rationaliteiten tegelijkertijd belangrijk kunnen zijn. Naast aandeelhouderswaarde (die blijft belangrijk) zijn er de rationaliteit van de omwonenden en die van de werknemers. De ene rationaliteit laat zich door de andere corrigeren.

Diezelfde tegenstelling is te zien op het praktische vlak van de softwareontwikkeling. Door zijn monopolie maakt Microsoft zijn rationaliteit dominant. Die mag als (bijna) enige de virtuele werkelijkheid definiëren, andere logica’s worden niet geduld. Linux daarentegen honoreert inbreng van totaal verschillende partijen en confronteert meerdere rationaliteiten met elkaar.

Zo beschouwd gebeurt er in de Rijnlandse en Linux modellen filosofisch gezien iets fundamenteels: er is niet langer één waarheid en één logica, maar meerdere waarheden en logica’s naast elkaar. Er zijn filosofen die betwijfelen of dat wel kan maar daar gebeurt het. Zo belichamen Linux en het Rijnlandse model een soort postmodernisme avant la lettre.

Waarschijnlijk tref je in de praktijk noch het Angelsaksische noch het Rijnlandse model als zodanig aan. Wat je tegenkomt zal zowel van het een als het ander wat weg hebben.
Maar daar tevreden over zijn, dat is ongetwijfeld een Rijnlands gevoel. Meer.

donderdag 8 november 2007

Vista


Mijn 1 maand oude Vista kan plotseling geen mail meer versturen. Een blik op de “Microsoft Community” (echt waar, zo heet het) leert me dat mijn Vista niet de enige is en dat de oplossing nog wel even op zich zal laten wachten.

Aan de ene kant hoop ik natuurlijk dat er snel een patch komt want dit schiet niet op: één computer voor het versturen en een andere voor het ontvangen van mail (dat is namelijk het enige wat mijn XP nog doet).

Aan de andere kant mogen de Vista problemen zich van mij op grote schaal vermenigvuldigen. Het onsympathieke en zelfvernietigende karakter van het denkimperium Microsoft zou daarmee worden blootgelegd. Want goed bekeken vertoont Microsoft alle trekken van een totalitair systeem. Ik doel daarmee op de volgende kenmerken: een schrale basis van slecht doordachte uitgangspunten, in dit geval een verzameling DOS-codes; machtshandhaving via een vrijwel monopolistische positie; toenemende beheersingsproblemen naarmate de buitenwereld complexer blijkt te zijn dan gedacht.

Hoe dan ook, als consument heb ik last van het gevoel gevangen te zijn in een totalitair keurslijf dat mij wordt opgedrongen.

Maar de producent moet zich hier ook niet lekker bij voelen. Want hoe houd je zo’n geconstrueerd universum overeind? Het is bijna aandoenlijk. De associaties met een centraal geleide planeconomie dringen zich op. Wat gebeurt er in de breinen van die masterplanners die met kunst- en vliegwerk een DOS-gebaseerd construct uit de vorige eeuw in de lucht proberen te houden? Dat moet een zekere gelijkenis vertonen met de wanhoop van een gemiddeld lid van het Sovjet politbureau in de jaren 80.

De vraag begint serieus te worden of de megalomane beheersingsdrang van Microsoft het niet gaat afleggen tegen het open, democratische Linux. In ieder geval lijkt me op de aanhang van Linux de aanduiding “community” meer van toepassing dan op de daders en slachtoffers die tot elkaar veroordeeld zijn in hun afhankelijkheid van Microsoft. En daarom lijkt Linux me de meest duurzame partij.

donderdag 25 oktober 2007

Verveling


Het boek “Uit verveling” van Awee Prins helpt mij om bepaalde verschijnselen in organisaties te verhelderen. Ik doel op mijn waarneming dat veel medewerkers primair bezig zijn om de verveling te verjagen. En dat daar meer gelegenheid voor is naarmate die medewerkers hoger in de hiërarchie gevestigd zijn, met navenant funeste gevolgen voor de lager gesitueerde uitvoerende medewerkers en voor de organisatie als geheel.

Van Prins leer ik dat de vervelingverjagers mogelijk nog leven in het illusietijdperk dat in de filosofie al met Nietzsche is afgesloten. Deze mensen geloven nog in een voorgegeven betekenis van het leven, die je kunt vinden als je daar je best maar voor doet en die de verveling verdrijft. Zij menen dat als je maar genoeg kicks opzoekt, ook wel “uitdagingen” genoemd, de immanente zin van het leven vanzelf boven komt drijven. Daarom moet het werk een minimaal intellectueel en esthetisch gehalte hebben, en moet er voldoende afwisseling, spektakel en amusement in zitten. Buitenlandse reizen bijvoorbeeld, of fusies, spiritualiteit of politieke hypes. Je moet je vooral niet te veel bezighouden met elementaire, basale zaken als operationele en administratieve processen.

In mijn waarneming zijn van deze verwaarlozing van het alledaagse de uitvoerende medewerkers de dupe. Zij krijgen niet de aandacht die ze verdienen, simpelweg omdat ze niet interessant zijn. Onvermijdelijk hopen zich bij hen ongenoegen en frustratie op. En dat heeft weer zijn weerslag op de organisatieprestaties.

De boodschap van Prins voor de verveling verdrijvende medewerkers is een harde: verveling is niet te verdrijven. Het leven heeft geen immanente zin, anders gezegd: het leven is niet per se interessant. Vervelend genoeg om daarvan, met reden, in een existentiële crisis te geraken.

Aan de andere kant: voor de verwaarloosde krachten aan de onderkant van de organisatie kan zo’n boodschap goed uitpakken: mogelijk komt er daardoor weer wat oprechte aandacht voor hun werk.
Zou er dan toch zin te beleven zijn in organisaties?

maandag 15 oktober 2007

Ruben Bar Mitswa


Lieve Ruben,

Op de uitnodigingskaart voor jouw bar mitswa staat een babyfotootje van jou. Jij ligt in je trappelzak op de grond en leest een krant met de tekst “Een hardnekkige wil tot weten”. Die foto is echt niet in scène gezet, het was een buitenkansje dat jij daar zo lag en er is meteen een foto van gemaakt.

Ik wil het even hebben over die tekst: een hardnekkige wil tot weten.
Jouw Joodse leraren hebben toen ze die tekst lazen misschien wel gedacht: klopt dat wel voor Ruben? In Joodse les hebben wij hem nooit op zoveel leergierigheid kunnen betrappen.

Ik eigenlijk ook niet. En toch klopt die tekst. Want jouw honger naar kennis over het ontstaan van de aarde, over landen en volkeren en over geschiedenis is groot. En niet te vergeten jouw interesse in het nieuws. Als de Kidsweek in de bus valt en steeds vaker ook de gewone krant, stort jij je daar gretig op. Voor jou geldt wat de Duitse filosoof Hegel zei: Het ochtendgebed van de moderne mens is de ochtendkrant.

Soms denk ik: dat snap ik ook wel. Wat moet je nou met stenen tafelen in een wereld van plastic en aluminium? Je kunt beter zoveel mogelijk harde kennis over de wereld verzamelen dan je bezighouden met eeuwenoude verhalen en mythische verzinsels. Zeker als daar ook nog eens op grote schaal oorlog over gevoerd wordt.

Maar toch is dat te simpel gedacht. Godsdienst gaat ook over diepste betekenissen die mensen ervaren in de wereld. Godsdiensten vertegenwoordigen enorme krachten, ten goede of ten kwade, en het lijkt erop dat onze samenleving dat opnieuw ontdekt.

Ik denk dat de kennismaking die jij ermee gehad hebt, via de Joodse traditie, hele goede mogelijkheden biedt om godsdienst een plaats te geven in de moderne wereld. Ingewikkeld blijft het, maar in de Joodse traditie hoef je je denkkracht niet in te leveren als je godsdienstig wilt zijn. Kritisch denken wordt er nadrukkelijk op prijs gesteld, het wordt als een verdienste gezien om diepgaand over dingen te discussiëren.
Het kan niet anders of je hebt daar de afgelopen dertien jaar iets van meegekregen.

Ik hoop dat je doorgaat met kranten lezen. En dat je doorgaat te leren over de wereld, met alle godsdienstige veelkleurigheid die daarbij hoort. En ik hoop dat de openheid en gevoeligheid van de Joodse traditie je daarbij kunnen helpen.

zondag 16 september 2007

Minister Vogelaar is niet dom


Er wordt wel gezegd: minister Vogelaar is dom. Men verwijst dan naar haar suggestie dat we misschien nog eens zullen spreken van een Joods-Christelijk-Islamitische samenleving zoals er ook wel gesproken wordt van een Joods-Christelijke samenleving. Critici werpen haar tegen dat er niet zoiets bestaat als een Joods-Christelijke traditie. De woordcombinatie zou na de tweede wereldoorlog zijn ontstaan als “goedmakertje” voor wat de Joden was aangedaan. Er zou inhoudelijk te weinig verwantschap bestaan tussen de twee tradities om ze met elkaar te verbinden.

Naar mijn idee valt hierover te twisten. Ik snap de reserves van de critici maar ontkom niet aan de gedachte dat, religieus gezien, het oud-testamentische Jodendom twee kinderen gebaard heeft: het rabbijnse Jodendom en het Christendom. Het kan niet anders of daar zit verwantschap tussen.

Maar deze discussie is niet zo relevant in relatie tot Vogelaars uitspraken. Zo bedoelde zij het niet. Zij had het volgens mij niet over de religieuze inhoud maar deed een feitelijke constatering op seculier gebied. Zoals een Trouw-lezer het formuleerde: de minister stelt dat mensen met verschillende achtergronden in de toekomst weer een samenleving zullen vormen, zoals dat vroeger ook al eens gebeurde.

En daarin kan ze gewoon gelijk hebben, mits we tijd hebben van leven en dialoog.

dinsdag 4 september 2007

You look sensational


Een mens hecht eraan dat anderen zijn grenzen respecteren. En dat niet alleen fysiek, in die zin dat zijn lichaam niet geschonden wordt. Hij wil ook niet gekwetst worden door het gedrag of de woorden van anderen. Het opmerkelijke van de kwetsuur die woorden aanrichten is dat de inhoud van die woorden er soms niet toe lijkt te doen. Het verdriet en de weerstand die zo’n kwetsuur oproept hebben vaak niets met de inhoud te maken.

Neem bijvoorbeeld het voorval van SP-kamerlid Harry van Bommel op de Jordaanse ambassade. “You look sensational” zou hij tijdens een werkbezoek in Jordanië gezegd hebben tegen een lokale medewerkster van de Nederlandse ambassade. De Jordaanse vrouw kon deze opmerking niet waarderen en diende een aanklacht in.

Het lijkt me sterk dat de vrouw protesteert tegen de inhoud van de opmerking. Want als ze zichzelf ook mooi vindt dan is ze het dus gewoon eens met de inhoud. En als ze zichzelf niet mooi vindt dan zal ze er geen behoefte aan hebben om dat luid en duidelijk te zeggen.

Ze protesteert dus tegen iets anders. Op basis van mijn ervaringen in de workshop Illusieonderzoek denk ik te kunnen zeggen dat de vrouw protesteert tegen het feit dat de ander met zijn gedachten teveel op haar terrein komt. In de illusieonderzoeken blijkt namelijk vaak dat een illusie lang niet altijd gelegen is in een verkeerde gedachteninhoud maar veel vaker in de aanname dat je gesprekspartner het wel met je eens zal zijn. Want, ook bij inhoudelijke overeenstemming, hoeft die er niet van gediend te zijn dat jij voor haar of hem denkt. Dat voelt immers, zegt Levinas, voor die ander als geweld. En dan verwordt de gezamenlijkheid die je met de opmerking beoogt tot de werkelijke illusie.

woensdag 25 juli 2007

Doodzonde


Hoe gefrustreerd kun je raken van Levinas?

Behoorlijk tot zeer gefrustreerd, als ik afga op de fel negatieve reacties die ik soms hoor als het over de ‘Filosoof van de Ander’ gaat. Die reacties doen me denken aan het ressentiment dat sommige mensen aan hun Christelijke opvoeding hebben overgehouden. Zij hebben die beleefd als te veeleisend, levensvijandig en onrealistisch en willen er niets meer mee te maken hebben. Als het belang dat Levinas toekent aan onze confrontatie met de andere mens eenzelfde lading krijgt toebedeeld ligt het voor de hand dat zijn werk al snel als onrealistisch ter zijde kan worden gelegd. En dat zou doodzonde zijn.

De tendens om Levinas in absolute termen te presenteren is duidelijk aanwijsbaar. Onlangs gebeurde dat bijvoorbeeld bij de opening van een naar hem vernoemd gezondheidscentrum aan het Erasmusziekenhuis in Rotterdam. Een van de initiatiefnemers vertelde bij die gelegenheid dat het gezondheidscentrum de onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid voor de ander als uitgangspunt neemt.

Maar hoe realistisch is het om uit te gaan van permanente, absolute verantwoordelijkheid voor (iedere?) ander? Ik denk dat een dergelijk uitgangspunt mensen niet echt verder helpt. Het zadelt hen op met een onmogelijke opdracht. Een dergelijke interpretatie van Levinas (waartoe hij overigens zelf in zijn latere werk genoeg aanleiding heeft gegeven) maakt zijn werk irrelevant. Door te praten in permanent absolute termen treedt versimpeling op: de echte puzzel wordt aan het oog onttrokken. Namelijk de ongerijmdheid dat in een wereld waarin alles relatief is zich plotseling iets voor kan doen dat geen relativering duldt.

Nu hoéf je Levinas niet zo te interpreteren als gebeurt in bovenstaande uitspraak. Dat blijkt uit het feit dat sommige lezers alle nadruk leggen op het bestaan van derden: behalve de ander waar ik dwingend mee te maken kan krijgen zijn er nog weer anderen die mij evenzeer claimen. Omdat ik geen tien dingen tegelijk kan doen beperkt de claim van de ene ander die van de andere ander. Zo wordt het absolute gerelativeerd en kan sociaal handelen alsnog volledig een kwestie van calculatie worden.

Maar ik vind dat ook geen mooie oplossing. Want op die manier haal je de prikkeling die uitgaat van Levinas’ dwingende ander weer helemaal weg. Om hem interessant te houden moet je dus zowel de urgentie recht doen die hij verbindt aan het gelaat van de Ander, als de ervaring dat alles betrekkelijk is binnen een rationeel geordend geheel.

Dat leidt tot een onmogelijke maar tegelijkertijd zeer ware woordcombinatie: relatieve absoluutheid. De paradox die daarin besloten ligt is moeilijk onder woorden te brengen. Het is vooral de jonge Levinas die die paradox overtuigend weet te presenteren. Die speelt het klaar om te laten zien dat de voortkabbelende tijd van belangenevenwichten plotseling doorbroken kan worden door de absoluutheid van de dood of van de ander. Om vervolgens uit te monden in een situatie van een nieuw, relativerend belangenevenwicht dat op zijn beurt ongetwijfeld doorbroken zal worden.

Dit klinkt realistisch. Levinas hoeft dus niet belastender te zijn dan de werkelijkheid zelf.

Zie ook Noodopvang, De Levinas van de verplichtingen en Levinas en egoïsme

maandag 11 juni 2007

Benedictus XVI denkt voor u


Als vervolg op mijn boek 'Schaamte en verandering' heb ik een workshop Illusieonderzoek ontwikkeld. Deze workshop gaat over de listigheid van het denken en de blindheid van rationaliteit. Ik geef deze workshop in groepjes van 5 à 6 personen, voor ieder die geïnteresseerd is.
De workshop gaat uit van de gedachte – ontleend aan de filosoof Emmanuel Levinas – dat denken voor een ander altijd iets gewelddadigs heeft. Overal waar, hoe goed bedoeld ook, de ene mens voor de andere denkt, daar kan dat bij die andere mens verdriet of weerstand oproepen.

Deelnemers aan de workshop hebben soms moeite om zich daar iets bij voor te stellen. Hoezo geweld, in het denken nog wel, hoe zo verdriet en weerstand? Ik probeer dan aan de hand van uit het leven gegrepen voorvallen tussen managers en medewerkers of tussen ouders en kinderen te verduidelijken wat ik bedoel. Managers en ouders zitten daarbij in de rol van de denker: zij bedenken plannen en schema’s en de medewerkers of de kinderen moeten daarin meelopen. En dat kan bij die medewerkers of die kinderen heel wat kwetsuren veroorzaken.

Sinds vorige maand heb ik er een prachtvoorbeeld bij. Namelijk van de paus die meent beter te weten wat mensen willen dan de mensen zelf. Tijdens zijn bezoek in mei aan Brazilië vertelde Benedictus dat het katholicisme de oorspronkelijke bewoners van Latijns-Amerika niet is opgedrongen. Volgens de paus wilden de indianen daar al christen worden vóór de komst van Europese veroveraars. Toen deze uitspraak veel commotie bleek te veroorzaken onder de Latijns-Amerikaanse indianen riep de Venezolaanse president Hugo Chávez – zelf overigens ook niet ongenegen om het denken van anderen te bepalen – de paus op om zijn excuses aan te bieden. Dat deed Benedictus niet. Hij gaf wel toe dat de kolonisatie gepaard is gegaan met onrecht en lijden maar dat het evangelie altijd de ware identiteit van de Latijns-Amerikaanse volkeren heeft uitgedrukt en blijft uitdrukken. Volgens de paus is Christus de redder naar wie de inheemse volkeren in stilte altijd al verlangden. Als dat geen heerszuchtig denken is!


maandag 14 mei 2007

Mohammed B. wil ook meepraten


Dat we geneigd zijn in onze onderlinge omgang veel versluierende taal te gebruiken kan blijken uit het feit dat we in bepaalde situaties van elkaar vragen om dat níet te doen. Zo wordt bijvoorbeeld tijdens een rechtzitting van een getuige gevraagd om te verklaren dat hij de waarheid zal spreken.

Het zal duidelijk zijn dat hiermee geen absolute garantie op waarheid verkregen wordt. Want zo’n verklaring kan ook vals zijn. Je kunt vervolgens eisen dat die verklaring in oprechtheid gedaan wordt maar daarmee sla je een pad in dat geen einde kent, want wie zegt dat de getuige dan in zijn antwoord wel oprecht is? Wie uit is op ultieme zekerheid zal onophoudelijk door moeten vragen. Het helpt niet echt als een getuige God in het spel brengt door de eed af te leggen. Het kan lijken alsof daarmee een metafysische garantie op waarheid gegeven is maar we weten eigenlijk wel beter. De belofte of de eed op een rechtszitting kunnen dus geen waarheid afdwingen. In laatste instantie hebben zij de functie om de getuige te wijzen op het belang van zijn verklaring. Zij appelleren aan zijn verantwoordelijkheid tegenover zijn medemensen.

Zo zag Mohammed B. dat niet toen hij op 9 mei optrad als getuige in het hoger beroep in de Hofstadzaak. B. weigerde de eed of belofte af te leggen. “Ik beloof niks en ik geef geen eed”, liet B. de rechter weten. “Ik ken u niet, waarom zou ik beloven dat ik tegenover u de waarheid spreek?” Op de vraag of hij wel op Allah zou willen zweren, kaatste B. terug: “Gelooft u in Allah?” Na ruim twintig minuten geharrewar over de vraag of B.’s verklaringen ook zonder belofte bruikbaar zouden zijn, zei B. tot verbazing van de aanwezigen plotseling: “Ik beloof het”. Vervolgens zette hij op uitnodiging van het hof uitvoerig en breed gebarend zijn wereldbeeld uiteen.

Wat gebeurt hier? In eerste instantie is B. niet geneigd te treden buiten de kring van Allah en zijn gelovigen. Want alleen daar is de ultieme zekerheid voorhanden, daarbuiten heerst onbetrouwbaarheid. Maar als eenmaal zijn integriteit in twijfel is getrokken kan een spreker, of een getuige, geen kant meer op. Dan maar liever geen ultieme zekerheid, moet B. gedacht hebben. In plaats van een metafysische garantie kiest hij dan ook voor een persoonlijk garant staan, het begin van elk gesprek.

Deze breuk met de ultieme zekerheid van een alomvattende orde is wat Levinas benoemt als prijzenswaardig 'atheisme'. Die gedurfde stap biedt volgens hem perspectief op aanraking door het werkelijk Andere.

donderdag 26 april 2007

Zien en niet gezien worden


De mythologische figuur Gyges vindt ergens een ring die hem onzichtbaar kan maken. Vanaf het moment dat hij dat ontdekt glijdt hij af naar een toestand van volstrekte immoraliteit. Doordat hij ongestraft zijn gang kan gaan schaamt hij zich nergens meer voor. Hij begint mensen te bedriegen en dat loopt uit op verkrachting van de koningin en moord op de koning. Voor Plato, die dit verhaal vertelt, is er dus een duidelijk verband tussen onzichtbaarheid, schaamteloosheid en zedelijk verval.

Levinas grijpt graag terug op het verhaal van Gyges. Hij past het toe op het proces van wetenschappelijke kennisverwerving. Dat kenmerkt zich volgens Levinas door het afstand nemen van het te bestuderen object en het vellen van rationele oordelen daarover. Het is kortom het begluren van de wereld vanuit een schuilhut: zien en niet gezien worden.

Door deze opvatting van Gyges beoordeelt Levinas diens optreden, anders dan Plato, niet als alleen maar negatief. Natuurlijk is het onsympathiek om de wereld te reduceren tot dood materiaal dat je via experimenten en redeneringen naar hartelust kunt manipuleren. Maar we zullen wel moeten, een mens is nu eenmaal een voorstellend wezen dat de wereld reconstrueert in zijn hoofd en zich zo staande houdt. En ook al is die reconstructie illusoir, we kunnen niet anders. Bovendien is, aldus Levinas, het streven naar objectieve kennis iets zeer prijzenswaardigs: we maken daardoor voor elkaar de wereld toegankelijk.

Daarnaast hangt voor Levinas, anders dan voor Plato, schaamte niet samen met gezien worden maar met zien. Het is inderdaad maar de vraag of onaangedaan kijken wel mogelijk is. De manipulator (Gyges) kan, al is het maar voor een ogenblik, getroffen worden door wat zijn manipulatief geweld en objectiverende blik aanrichten in de wereld. De schaamte die dan optreedt komt van binnenuit en is daardoor niet afhankelijk van de zichtbaarheid van zijn daden. Die schaamte zal een corrigerende werking hebben op zijn omgang met de wereld.