maandag 28 december 2009

Onttakelen


Op de tentoonstelling Cézanne, Picasso, Mondriaan in het Haags Gemeente Museum werden in de toelichting opmerkelijke woorden gebruikt om aan te duiden wat die drie schilders nu precies deden.

Zo werd bijvoorbeeld over Picasso gezegd dat hij zijn voorstellingen ‘onttakelde’. Waar voordien landschappen en – zeker in de klassieke humanistische traditie - vooral mensen gepresenteerd werden als één en ondeelbaar, ging Picasso over tot het accentueren van onderdelen. Dat deed hij door oren, neuzen, borsten en ledematen binnenste buiten te draaien en uit te klappen.

De portretten waarin Picasso dit doet zijn wel op te vatten als treffende, levende verbeeldingen van een nieuwe kijk op de mens. Ze doen denken aan anatomische exercities, maar dan veel drastischer dan Rembrandt ze geschilderd heeft. Hier gaat het niet om lijken, maar om portretten van levende mensen die in hun onderdelen uiteengelegd worden.

Je kunt zeggen: dit is een soort anti-creativiteit, het tegendeel van scheppingswerk. Maar dan vat je ‘scheppen’ op als: het ‘maken’ van iets. Daar tegenover kun je volhouden dat ‘scheppen’ en ‘uiteenrafelen’ niet zover uit elkaar hoeven te liggen, of sterker, juist samengaan. Dat is de stelling van Ellen ten Wolde, een theologe die veel studie heeft gemaakt van het woordgebruik in het bijbelse scheppingsverhaal. Zij meent dat daarin het maken en het scheiden elkaar afwisselen en alleen in combinatie met elkaar een kosmos mogelijk maken die pluraliteit kent.

De uiteenleggende actie die behoort bij het scheppen wordt volgens Ten Wolde aangeduid met het Hebreeuwse woord bara. Dat woord wordt traditioneel vertaald met ‘scheppen’ in de zin van ‘maken’, maar ‘scheiden’ zou volgens haar een betere vertaling zijn. Daarnaast blijft de traditionele opvatting van scheppen als ‘maken’ intact, en daarvoor wijst Van Wolde het woord asa aan.

Asa en bara wisselen elkaar af, bijvoorbeeld bij de schepping van hemel en aarde. Het donker is er al, het water is er al, die zijn al ‘gemaakt’. Door vervolgens de watermassa te ‘scheiden’ ontstaat er ruimte tussen de hemelboog en de aardschijf en daarin ‘maakt’ God het licht.

De gedachte dat scheppen een scheidingsaspect heeft lijkt mij filosofisch interessant. En wel vanwege het punt dat Ten Wolde aanroert. Namelijk dat – naast de massieve, mystieke eenheid van het Al – (onder-)scheidingen mogelijk worden tussen schepselen. En daarmee, paradoxaal genoeg, relaties en verbondenheid.

Langs die weg neemt Ten Wolde – nu eens niet via de natuurwetenschap, maar op een tekstwetenschappelijke manier – afstand van een interpretatie van de schepping die lang dominant is geweest in het Westen. Namelijk de opvatting van de schepping als een eeuwige, statische en stabiele eenheid, die zijn pendant op aarde heeft in de gedaante van kerkelijke en bestuurlijke hiërarchieën.

Er ontstaat dan ruimte om in de mensenwereld anders met elkaar om te gaan. Als scheiding en onderscheiding inderdaad al in het taaleigen van het scheppingsverhaal besloten liggen, dan hoeft het niet te verbazen dat daar zoiets als een Joodse traditie uit kan groeien. Want de discussiecultuur is daarvan misschien wel het belangrijkste kenmerk.

Zie ook Kant avant la lettre

donderdag 17 december 2009

Bekvechten


Opmerkelijk is dat veel traditionele, godsdienstgebonden bezwaren tegen Joden een overeenkomst vertonen met bezwaren die, vanuit diverse hoeken, worden ingebracht tegen het democratisch bestuurssysteem zoals de meeste Westerse landen dat tegenwoordig kennen.

Traditionele anti-Joodse bezwaren komen bijvoorbeeld van het Christendom. Daar werd, onder verwijzing naar de heftigheid waarmee Joden tegen elkaar tekeer konden gaan, de uitdrukking gemunt ‘Het lijkt hier wel een Jodenkerk’ om aan te geven dat er ergens veel tumult was. En verder gebruiken Christenen wel de uitspraak ‘twee Joden, drie meningen’, een stelling overigens die door Joden niet wordt weersproken. Integendeel, alle belangrijke debatten en meningsverschillen zijn in de Talmoed uitvoerig gedocumenteerd bewaard gebleven. Met evenveel aandacht voor de winnende als voor de verliezende partijen.

Voor zover de Koran zich negatief uitlaat over Joden, heeft dat volgens de Amerikaanse Islamkenner Frank Peters in belangrijke mate te maken met de Joodse discussiecultuur. Het Jodendom kreeg daardoor het negatieve imago van een religie die ten onder ging aan schisma’s en sektarisme.

Deze bezwaren tegen intern bekvechten lijken veel op de weerzin die je op gezette tijden hoort uiten tegen de democratie: die is omslachtig en traag, die zet aan tot manipulatie en gekissebis en genereert niet de eendrachtigheid die nodig is om de toekomst tegemoet te treden. Dit soort kritische geluiden over de democratie komen van alle kanten. Van minder opgeleide burgers tot aan reactionaire gegoede kringen, die gehecht zijn aan gezag en orde.

Ik kan me er wel iets bij voorstellen. Als je gesteld bent op een zekere orde – en dat ben ik zelf bepaald wel – dan voelt veel politiek gedoe inderdaad al gauw als ontregelend. Het ziet er vaak niet verheffend uit. Neem nou de koehandel die er kennelijk nodig is om Obama’s zorgverzekeringsstelsel door het Amerikaanse Congres aangenomen te krijgen, en dan waarschijnlijk nog in zwaar gehavende vorm. Of dichter bij huis: het partijpolitieke gemarchandeer over verlenging van ons verblijf in Afghanistan of over het Irak-onderzoek.

Het eindeloze woord en wederwoord van democratisch politiek bedrijven krijgt makkelijk het imago van bezoedelend, smerig en platvloers te zijn. Het is ook zeker niet iets waar iedereen met evenveel plezier aan mee doet. Het is meer iets voor het type Churchill ("democracy is a bad system but it’s the best we’ve got”) dan voor het type Van Agt, die er niet voor niets na de formatie van zijn derde kabinet als premier de brui aan gaf en als commissaris van de koningin graag zijn eigen gang ging.

Maar het punt is: is er een alternatief voor democratie? En hoe zou dat alternatief eruit moeten zien?

Als traagheid, gekissebis en onvoldoende uitrusting voor de toekomst de democratie uiteindelijk waardeloos maken, dan zou het antwoord gezocht moeten worden in gecentraliseerd bestuur dat via strakke, snelle besluitvorming voortvarend te werk kan gaan. Een dictatuur dus.

Maar – hoe groot mijn hang naar orde ook is – daar geloof ik niet in. Voor de godsdienst niet, omdat dan een strenge hiërarchie en denktucht de dienst zouden gaan uitmaken. En om te zien hoe dat uitpakt valt te verwijzen naar de Rooms-katholieke kerk waar op last van Rome gezwegen moest worden over het misbruik van Ierse kinderen door Ierse priesters. En Rome kon dat kennelijk afdwingen. Dat lijkt me niks.

En voor de politiek geloof ik evenmin in een dictatuur. Over de toekomst gesproken, het is niet helemaal toevallig - zoals Willem Breedveld onlangs aangaf in Trouw - dat in dictatoriaal geleide landen het klimaat tot voor kort helemaal geen issue was. Dat we zover zijn dat we er überhaupt over praten, hebben we aan de democratieën te danken. Ook al staat daar tegenover dat, juist vanwege de democratie en de angst voor de kiezers, politici nog niet ver genoeg durven gaan.

Kiften hoort er gewoon bij, zeg ik dan maar tegen mezelf.

Zie ook Wel logisch

woensdag 9 december 2009

Wel logisch


Dat is wel logisch, dacht ik, toen een krantenkop meldde dat Moskou en het Vaticaan hun onderlinge band willen verstevigen. Want, toen ik dat las, vatte ik ‘Moskou’ op als een aanduiding voor de ‘Russische ziel’. En die staat vooral voor mystieke ervaring en niet voor een politieke of diplomatieke instantie. Met die interpretatie zat ik er niet zo ver naast, want het blijkt in het bericht te gaan om toenadering tussen de Russisch-orthodoxe kerk – de hoeder van die ziel – en de Rooms-katholieke kerk.

En inderdaad hebben de Russisch-orthodoxe kerk en de katholieke kerk heel wat met elkaar gemeen. Ze zijn allebei van de warme muziek en de geborgen mystiek. Dat is niet raar, want hun culturen stammen beide uit een tijd waarin de rede nog niet zo oppermachtig was als zij vanaf de zeventiende eeuw werd. Zij hebben de kaalslag overleefd die het verstandelijke denken heeft aangericht en die het protestantisme zo kil en schraal kan doen aanvoelen. Die gedeelde oude warmte maakt de liturgieën van Rome en Moskou zeer genietbaar en hun mystiek - wat die ook waard is - zo echt. Waarschijnlijk herkennen zij dat in elkaar en waarderen ze dat van elkaar.

Daarbij zijn ze beide niet erg weg van verlichting en democratie. In Rusland zijn ze daar ze soms verrassend open over. Veel nationalisten, onder wie Solzjenitsyn, menen dat de autonomie van het individu vloekt met de mystieke beleving van de eenheid van God en vaderland in Rusland. En volgens de Russische filosoof Alexandr Tsipko kunnen de Russen zich niet helemaal vinden in het liberale gedachtengoed.

De katholieke kerk is daar niet zo open over, daarvoor is die kerk inmiddels te veel geworteld in de moderne Westerse samenleving. Ze heeft in sommige landen zelfs veel baat gehad bij moderne liberale ideeën over godsdienstvrijheid. In Nederland maakte dat bijvoorbeeld het herstel mogelijk van de kerkelijke hiërarchie in 1853.

Toch zitten naar mijn inschatting inspraak en democratie niet in het DNA van de katholieke kerk, zij heeft er gewoon niet zo veel mee. Ze is er niet tegen en ze heeft best oog voor de zegeningen die democratie en rechtstaat met zich mee gebracht hebben. Maar echt warm loopt ze er niet voor. De verbindingen hebben vooral de trekken van een verstandshuwelijk.

Nederland biedt ook daarvan een goede illustratie. Want vanaf het moment dat er in de jaren zestig geëxperimenteerd werd met invloed van onderop, met meer begrijpelijke liturgie en een plaats voor de leek en de vrouw, ging het met de kerk bergafwaarts. De Nederlandse volkskerk lijkt de interne democratisering niet te overleven. Wat overblijft zijn de meer conservatieve katholieke groeperingen. Die zijn klein, maar wel vitaal. Het echte katholicisme, zo blijkt, is sterk gebonden aan hiërarchie en klassieke vroomheid, in traditionele stijl. Precies zoals aartsbisschop Eijk het weer wil hebben.

Dan geef ik toch de voorkeur aan een traditie waarin democratisch denken en scherpzinnig redeneren in de genen zitten, gecombineerd met warme muziek en oeroude riten.

Zie ook Plato ontzenuwd?

vrijdag 4 december 2009

Weerbarstige woorden


Het valt op als doorgewinterde lezer-schijvers blijven haken aan bepaalde teksten. Zij zijn gewend om grote hoeveelheden letters soepel tot zich te nemen dan wel te produceren. Dan is het wel interessant om te zien waar dat even stokt.

Ik meende dat stokken laatst een paar keer waar te nemen, bij Ger Groot en bij Bert Keizer, die beide naar mijn idee gerekend kunnen worden tot die categorie van productieve lezer-schrijvers.

Ger Groot besprak een tijd geleden in Trouw Karl Barths De brief aan de Romeinen. Hij stuitte daarin naar eigen zeggen op een werkelijkheid die hij niet begrijpen kan, maar ook niet kan negeren. Hij noemt het een even schandalig als onmisbaar boek. De Romeinenbrief is fascinerend en schrikwekkend, zegt hij, daarmee zijn toevlucht nemend tot bijna bijbelse karakteriseringen. In ieder geval is het iets anders dan de vele filosofisch-literaire teksten of – vaak Spaanse – romans die hij met een zekere regelmaat bespreekt.

Een tijdje later beschreef Groot een soortgelijke ervaring, nu bij het lezen van Kierkegaards Het begrip Angst. Kierkegaard presenteert daarin aanstootgevende gedachten op een onaangepaste, vreemde manier, aldus Groot. Verrassing levert het wel op, maar het lezen ervan is een ongemakkelijk avontuur.

Bert Keizer werd onlangs, zo beschreef hij, naar de strot gegrepen door een biografie: die van Kafka, geschreven door Reiner Pach. Het lezen van dat boek, in combinatie met een bezoek aan de Pinkassynagoge in Praag, viel hem zo zwaar dat hij overwoog om het boek weg te leggen. Totdat hij bedenkt: er zijn dingen die je niet mag vergeten.

En ergens anders spreekt hij over waarheid als iets wat zich niet negeren laat; als iets waar je nog last van kunt krijgen als je het wel negeert. En hij voegt daaraan toe: dat onverbiddelijke nee van de werkelijkheid, daar zijn theologie, filosofie en ook veel literatuur slechts matig mee bekend. Die genres zijn daardoor niet op slag waardeloos, maar het ontbreekt daar wel aan de pittige mogelijkheid van een realitycheck. “Wat men daar beweert maakt in belangrijke mate niks uit”.

In deze gedachte – dat de genoemde genres een fundamentele existentiële ervaring buiten beschouwing laten – ligt naar mijn mening een aanknopingspunt met een discussie die al enige tijd gevoerd wordt, vooral in de NRC. Namelijk over de vraag naar de relevantie van veel van onze literatuur.

Een terugkerende constatering in dat debat werd onlangs samengevat door Margot Dijkgraaf onder de kop: "Westerse literatuur is meestal vrijblijvend". Zij stelt vast dat geëngageerde, op de maatschappij betrokken romans zeldzaam zijn in de hedendaagse Westerse literatuur. Bloeden, strijden en vechten doen wij literair het liefst uit de tweede hand, via Multatuli of Bertold Brecht. Voor ons fungeert een boek in belangrijke mate in de functie die boeken voor A. F. Th. van der Heijden naar eigen zeggen hadden toen hij in zijn tienerjaren aan zijn literaire carriere begon: zij bieden ontsnapping uit de werkelijke wereld door het verblijf in een fantasiewereld.

Dat is in andere delen van de wereld wel anders, zegt Dijkgraaf. Dat heeft veel of alles te maken met de kwalijke politieke en burgerrechtelijke situatie in veel andere landen. Terwijl Westerse auteurs het zich kunnen permitteren in hun werk enigszins vrijblijvend te zijn en hun eigen belangstelling kunnen volgen, hebben schrijvers in een groot deel van de wereld die vrijheid niet of nauwelijks.

Maar de geëngageerde Indonesische schrijfster Ayu Utami wil ook eigenlijk niet anders: “Ik vind het erg moeilijk mijn angsten, mijn rusteloosheid te behouden zonder geëngageerd te zijn in een of ander sociaal gevecht. Je moet altijd bronnen buiten jezelf vinden om je drive tot het schrijven te bewaren”.

Misschien ligt daar wel een sleutel tot interessante literatuur.

Zie ook: Leiderschap

vrijdag 27 november 2009

Grand Design


Slimme mensen hebben het moeilijk tegenwoordig. Want slimme mensen denken graag groot. Zij houden van het Grand Design.

Dat was tijdenlang geen probleem. Integendeel: zolang het geloof in maakbaarheid de boventoon voerde konden groots opgezette plannen niet groot genoeg zijn. Want ze droegen per definitie bij aan de verbetering van de wereld. Grand design op tal van gebieden was tegelijkertijd een uitdaging aan het intellect én een bijdrage aan een betere wereld. Zo vonden slimme denkers emplooi in de politiek, in de stedenbouw, in de ICT en in de financiële wereld. Zij ontwierpen daar verzorgingsstaten, massale uitbreidingswijken, complexe automatisering en ingewikkelde financiële producten.

Maar de verzorgingsstaat blijkt minder houdbaar dan gedacht. En volgens bouwkundig ingenieur Rudy Stroink lopen stadsplanners en ingenieurs tegenwoordig – en al vóór de kredietcrisis – vast in hun plannen. De stappen die ze willen nemen zijn te groot, vergen te veel kapitaal en te veel vergunningen.

In de ICT zijn we het bouwen van grote, integrale geautomatiseerde systemen – denk aan het UWV en de Belastingdienst – aan het afleren. Ze blijken te megalomaan, te overmoedig; het zijn recepten voor mislukking. Niet voor niets werd in Amerika het Grand Design in de automatisering al in 1996 bij wet verboden. En in de moderne agile aanpak van automatisering moeten de denkers zich inhouden. Ze kunnen minder vooruit ontwerpen en via voortdurend overleg met de toekomstige gebruikers zijn ze meer tijd kwijt aan het managen van verwachtingen.

En voor zover de bedenkers van de complexe financiële producten niet door hebzucht werden gedreven, maar door een oprecht geloof in de creatie van een risicoloze economie, zijn ook zij op ruwe wijze uit de droom geholpen. Bankieren moet weer saai worden.

Maar wat moeten al die ambitieuze, slimme mensen dan, als Grand Design niet meer kan?
Stroink pleit voor ‘klein denken’: straten en pleinen beter verzorgen, we moeten als het ware gaan tuinieren. En de voorstanders van agile automatisering wijzen op het belang van aandacht voor de basale processen en eenvoudige interacties tussen gebruikers, ontwikkelaars en systemen.

Ik ben daar erg voor, maar ik betwijfel of die benadering wel genoeg uitdaging biedt aan slimme mensen. Komen zij daarmee aan de nodige adrenaline? Als ik naar mijn Amsterdamse werk kijk ben ik daar niet zo optimistisch over. Want daar zie ik dagelijks hoe veel hoger opgeleiden en beleidsmakers zich liever terugtrekken in hooggestemde vergezichten dan in te gaan op de triviale details die wel veel meer de werkelijkheid bepalen.

Aan de andere kant: er zijn werkterreinen waar groot denken wel degelijk nog hard nodig blijft. Bijvoorbeeld dat van de milieubescherming. Als we daar niet gecoördineerd en op grote schaal alles uit de kast trekken zou het wel eens helemaal mis kunnen gaan. Bescheidenheid is daar niet op zijn plaats, dus wellicht een goed terrein voor de liefhebbers van het Grand Design?

Zie ook Adrenaline en Verstrikt in slimheid

dinsdag 17 november 2009

Gezag


De Engelse socioloog Frank Furedi had het over gezag vorige week, maar hij kwam er niet goed uit - vond ik. Niet tijdens zijn Thomas More-lezing van woensdag en ook niet in zijn NRC-artikel van zaterdag. Ik vond het verwarde stukken.

De teneur van zijn bijdragen is overwegend somber. Pessimistisch wordt Furedi van de constatering dat de samenleving tegenwoordig iets kwijt is wat je niet missen kunt, namelijk gezag. Geen enkele maatschappij kan immers voortbestaan zonder de werking van gezaghebbende instellingen, een vorm van collectief gezag is noodzakelijk. Vroeger bestond dat gezag in het zelfvertrouwen van de professionals – leraren, rechters, wetenschappers en artsen – en het vertrouwen dat de bevolking als geheel in hen had. Daar kon je een samenleving op bouwen. Die stevigheid is nu zoek. Professionals geloven niet meer in zichzelf, zij verschuilen zich liever achter procedures en 'deskundigen'. En de bevolking vertrouwt de professionals niet meer. Vandaar de wildgroei aan regels en procedures. Die moeten het gezagsvacuüm vullen, maar hollen eigenlijk het gezag alleen maar verder uit.

Maar tegelijkertijd wijst Furedi erop dat die deskundigenadviezen maar een wankele status hebben. Dat blijkt “uit de voortdurend felle discussies over onderwerpen als opvoeding, gezondheid, levensstijl”. Veel burgers hebben lak aan de doorgeschoten regelgeving en een procedurele samenleving. Zij geloven liever in zichzelf. Dat heeft weliswaar tot gevolg, dat traditioneel gezag erodeert maar als - volgens Furedi’s eigen formulering – gezag te maken heeft met geloven in jezelf, dan is die burgerlijke mondigheid te beschouwen als een nieuwe vorm van gezag. Dat zou Furedi toch optimistisch moeten stemmen?

In die laatste gedachte word ik gesterkt door de ophef rondom de inentingscampagne tegen de Mexicaanse griep. Volgens de pessimistische opvatting verloopt die campagne niet goed. Er is reden tot zorg want het ministerie en de medische stand slagen er maar moeilijk in om grote groepen mensen aan de prik te krijgen. Zij hebben onvoldoende gezag.

Maar gezag, omschreven als de uitstraling van geloof in jezelf en daar het respect voor krijgen, is er wel degelijk. De prikweigeraar kan gezien worden als de zelfbewuste persoon die de zo door Furedi verfoeide betuttelende samenleving en doorgeschoten regelgeving afwijst. Hij gelooft in zichzelf en komt van daaruit tot relativering van de regels.

En dokter Coutinho en zijn collega’s geloven niet minder in zichzelf. Ze staan voor de boodschap die ze brengen en schuiven het gebrek aan respons niet af op falende communicatiestrategieën of domheid van de burger. In die zin zijn ze niet minder gezagsvol dan de weigeraars. Zo bezien is er bijna een surplus aan gezag, althans volgens het criterium van gezag als staan voor waar je in gelooft.

Wat er duidelijk ontbreekt, zeker ten opzichte van vroeger, is gezag in de betekenis van controle over de hele samenleving. Als iets waar een heel collectief naar luistert. Als Furedi vasthoudt aan dat idee – bijna instemmend haalt hij Odysseus en Plato aan die pleiten voor collectief gezag onder één leider – dan heeft hij reden om pessimistisch te zijn. Maar de vraag is of dat niet een achterhaald idee is. Tot halverwege de moderniteit konden natiestaten daarmee vooruit, op nationaal niveau schaarden burgers zich toen achter hun leiders. Nu werkt dat niet meer.

Thijs Jansen en Loet Leydesdorff (Trouw van 11 november) denken dat we in de situatie gekomen zijn dat nooit meer de gehele bevolking van een land overtuigd kan worden van bijvoorbeeld een inentingscampagne. Dat lukt hooguit nog bij kleinere, overzichtelijke gemeenschappen. Verschillen van inzicht zullen ons, mede dankzij de voortschrijdende wetenschap, blijven vergezellen. Immers, zo zeggen zij, het besef heeft zich diep gevestigd dat kennis toch vaak alleen maar voorlopig is. Van die gedachte had men vroeger geen last.

Daar wil ik nog een andere factor aan toevoegen, die niets te maken heeft met wetenschap of (post-)moderniteit. Die factor is zo oud als de wereld en bestaat erin dat mensen gewoon nee kunnen zeggen. Het is al vaker gebleken dat de inhoud van een onderhavige kwestie bij zo’n weigering geheel geen rol speelt. Zelfs kan het zo zijn dat mensen het met de inhoud van een plan wel eens zijn en dan toch nog weigeren. Simpelweg omdat een ander het voor je heeft bedacht.

Zie ook Parrèsia

zaterdag 14 november 2009

Een enkel zinnetje


De betovering van de rede kan groot zijn. En de kracht ervan is misschien wel het beste voelbaar als we ons laten meevoeren door een helder, sluitend, rationeel betoog, van onszelf of van een ander. We ondervinden de weldaad daarvan totdat we ergens, half verstopt, een subversief, ongemakkelijk zinnetje tegenkomen. Met als effect dat het idee waar we geheel in op gingen leegloopt als een lekgestoken ballon.

Vaak zijn het korte zinnetjes die zo’n effect teweegbrengen, veelal een beetje aarzelend en bedeesd van karakter.

De econoom Keynes maakte zo’n korte, maar dodelijke aantekening bij het verhaal van de klassieke economie. Dat verhaal, sinds de negentiende eeuw verteld door economische filosofen en gretig omarmd door praktizerende economen, is een schoolvoorbeeld van een sluitend, rationeel betoog. Het betoog komt erop neer dat een economisch systeem altijd vanuit zichzelf naar evenwicht beweegt. Er kunnen zich crises voordoen, maar die laten zich gemakkelijk verklaren als veroorzaakt door een inefficiënt aanbod. Want in de klassieke theorie vindt spaargeld op een of andere manier altijd een bestemming zodra de prijs klopt. Het kan enige tijd duren, maar evenwicht zal als vanzelf weer ontstaan. En dan komt Keynes en die zegt: mensen en instituties kunnen simpelweg, los van de prijs, stoppen met investeren en consumeren, bijvoorbeeld omdat ze onzeker zijn. Raadselachtig misschien, maar consumenten kunnen nee zeggen. En weg is de zekerheid van het sluitende model.

Een soortgelijke plotselinge overgang van zekerheid naar onzekerheid voltrekt zich in het artikel over de economische crisis dat Frank Ankersmit laatst presenteerde in Trouw. Hij voert je mee in zijn uiteenzetting van de modellen die werden opgesteld tijdens de financieel-economische hype. Je voelt de geruststelling die uitgaat van de gedachte dat alle variabelen in kaart gebracht zijn: toekomstige opbrengsten, risico’s en de invloed van die risico’s op de opbrengsten. Maar dan zegt hij ineens: “Er is altijd de mogelijkheid dat een belangrijke variabele buiten beschouwing bleef”. Zo’n zinnetje is vernietigend want het trekt in één keer de absolute zekerheid onderuit. Immers, als één steen wankelt kan het hele bouwwerk instorten. En dat is ook wel gebleken.

In de filosofie zijn eveneens vaak alomvattende ideeën omarmd. Bijvoorbeeld de gedachte dat alle mensen ‘ten diepste’ hetzelfde zijn, en dat iedere ethiek vanuit die gedachte moet vertrekken. Maar wat, zegt de filosoof Hillary Putnam, als soms iemand gelooft dat sommige anderen nét niet ‘echt’ hetzelfde zijn? Dat zet, zegt hij, de deur open naar een holocaust. Weg betoog, weg ethiek, met dat ene zinnetje als boosdoener. De veronderstelde, en gezochte universaliteit is ineens verdwenen, er sluipt onmiddellijk willekeur in het verhaal. Ons houvast is weg.

Je kunt er verdrietig van worden, dat onze sluitende verhalen vaak niet houdbaar blijken te zijn. Maar is het dan een oplossing om, zoals het Handvest voor compassie recent deed, nog eens extra de intentie te benadrukken om "een ieder, zonder enige uitzondering, te behandelen met volstrekte waardigheid, billijkheid en respect". Of is zo'n uitspraak eigenlijk totalitair? En kan die eigenlijk niet anders dan cynisme in de hand werken, en daarmee de ethiek als geheel op het spel zetten, omdat het gewoon onmogelijk is?

Het is de verdienste van onder andere Levinas geweest om erop te wijzen dat die verstorende zinnetjes ook positief te duiden zijn. Ze doorbreken het totalitaire karakter dat onze ideeën al gauw krijgen als ze ongestoord hun gang kunnen gaan.

donderdag 5 november 2009

Ontzettend fout


Ik kan er niks aan doen, maar ik word er een beetje vrolijk van. Van die barokke Zaanse geveltjes, tot hoog in de lucht gestapeld als aankleding van de nieuwe gebouwen die in het centrum van Zaandam verrijzen. Zij maken deel uit van het plan Inverdan van Sjoerd Soeters voor een nieuw stadshart bij het station van Zaandam. 

Dat mijn vrolijkheid esthetisch incorrect is weet ik heel goed. Zoals Abram de Swaan onlangs vaststelde in de NRC leven wij sinds het begin van de twintigste eeuw onder het regime van het functionele bouwen. Om sociale en technische redenen (de noodzaak en mogelijkheid van massabouw) deed men versieringen in de bouw in de ban en concentreerde men zich op een nieuwe norm. De constructie moest getoond worden en die moest de functie verhelderen in de vorm. Zo komt de naakte waarheid aan de oppervlakte.

Dit kan ook esthetisch heel bevredigend zijn. Het is onmiskenbaar waar dat die functionele focus zijn eigen schoonheid met zich meebrengt. Er zijn genoeg gebouwen uit die school die zeer te genieten zijn, bijvoorbeeld van Mies van der Rohe of Frank Lloyd Wright.

Maar tegelijkertijd heeft die kraakheldere functionaliteit iets bits en steekt als reactie daarop een verlangen naar ornament en decoratie de kop weer op. De Swaan constateert dat dat bijvoorbeeld geldt voor veel Turkse en Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders. Zij trekken in onze strakke, onversierde huizen, maar zo gauw ze de kans krijgen brengen ze wat boogjes aan in de hal of stuccen ze de woonkamer met allerlei profielen. In die trend voegen zich nu de Zaankanters met gekleurde collages van trap- en klokgeveltjes.

Je riskeert natuurlijk wel om in levengrote kitsch terecht te komen, en ik ben er, ondanks mijn vrolijkheid, nog niet helemaal van overtuigd dat dat in Zaandam niet gaat gebeuren. Maar, zoals Joep Schrijvers onlangs zei, brutaal is het wel, en over the top. Ze durven het toch maar.

In die sprong is meer in het geding dan alleen nostalgische heimwee naar vroeger. Er zit ook een soort verzet in tegen het modernistische smaakdictaat. Want je kunt weliswaar genieten van de helderheid daarvan, maar de afstandelijkheid creëert vervreemding. Het kan in zijn genadeloze soberheid een totalitair karakter krijgen. De stadsvisionair Charles Landry was laatst in Amsterdam en vertelde daar dat, als je verbinding met een plek wilt creëren, zintuigen en emoties mogen concurreren met technische en functionele kwaliteiten. Desnoods voorbij het punt van de functionaliteit.

Zie ook Kitsch is al best oud

donderdag 29 oktober 2009

Erbij horen


Daar werd wel erg minnetjes over gedaan in de jaren zeventig en tachtig: ergens bij willen horen. Het waren de hoogtijdagen van het vrijgevochten individu. En van de afkeer van het collectivisme. De behoefte aan verbinding met een groep gold als een teken van zwakte. De reflectie op de collectieve wanen van fascisme en nazisme en het menselijk kuddegedrag speelde in die veroordeling van groepslidmaatschap een grote rol.

Maar we komen er nu achter dat ergens bij willen horen een diep menselijke behoefte is. Het is die behoefte, volgens Tineke Bennema in een reactie op Femke Halsema, waardoor grote groepen vrouwen zich happy voelen met hoofddoek. In veel gevallen is het motief daarvoor niet vroomheid of kuisheid, maar de wens van die vrouwen om deel uit te maken van een geheel.

Erbij horen geeft inderdaad een kick. Dat weldadige gevoel herinner ik me nog wel van de carnaval in Bergen op Zoom. Daar is het echt zoals Cornald Maas onlangs vertelde in de Tien Geboden: “Je voelt daar de oprechte intentie om met elkaar feest te vieren. Zoiets heb ik tijdens Koninginnedag in Amsterdam nog nooit meegemaakt”. Toch doet iedere Amsterdammer alsof die ranzige Koninginnedag na de middag nog leuk is. Ook zij hebben kennelijk de behoefte om op te gaan in dat grotere geheel.

De kwestie is dus niet meer zo zeer of je je wel mag engageren met een groep of dat je moet kiezen voor een individueel bestaan. Het is al lang weer geaccepteerd dat mensen zich identificeren met een cultureel, etnisch of politiek gekleurde groep, dat is niet per se een teken van zwakte meer. Tegelijkertijd is duidelijk geworden dat het dan vaak niet meer gaat om een massieve, monomane loyaliteit aan één groep. Wij staan onszelf veelal toe verbonden te zijn met meerdere groepen, die soms ook nog in een ingewikkelde verhouding staan met elkaar. Dat lijkt me alleen maar realistisch te zijn en winst ten opzichte van het strikte groepsdenken van vroeger.

Blijft staan dat iedere groep de neiging heeft tot verheerlijken van de eigen kring en tot het uitsluiten van anderen. Zeker met de opkomst van nationalistische bewegingen als die van Wilders komen de verwerpelijke varianten van groepsvorming dan weer akelig dichtbij.

Tegelijkertijd blijken sociale groeperingen erg te kunnen verschillen als het gaat om die tendens tot uitsluiting. Zelfkritiek en openheid kunnen overheersen, dan wel groepsdwang en censuur. Alertheid tegenover groepsvorming blijft dus geboden, waarbij het punt niet meer zozeer is dát je ergens bij wilt horen. Belangrijker – voor mij althans – is het een punt te maken van de vraag wáár je precies bij wilt horen. Ergens bij horen luistert nauw.

Zie ook Wat doen Joden bij Wilders?

donderdag 22 oktober 2009

Leiderschap


Het lukt de literaire wereld maar niet om de aansluiting met de samenleving te (her)vinden. Zowel schrijvers, recensenten als lezers ontbreekt het aan inbedding in het straatrumoer, ze verliezen aan maatschappelijke relevantie. Dat althans stelt Thomas Vaessens in zijn boek De revanche van de roman dat voor de nodige beroering heeft gezorgd in de diverse boekenbijlagen.

Bas Heijne is het met Vaessens stelling niet eens en hij haalt in een recente NRC-column Theodore Dalrymple aan, die meent dat literatuur beter dan bijvoorbeeld de filosofie kan afdalen tot in de vezels van ons bestaan. Vervolgens waagt Heijne een poging om de beschuldiging van Vaessens te weerleggen door heel kordaat een boek te nemen – De stille kracht van Louis Couperus – en een (altijd) actueel issue – leiderschap – en te laten zien hoe het boek licht kan werpen op dat thema.

Die verheldering is volgens Heijne met name te vinden in de bespiegelingen van een van de hoofdpersonen, de bestuurder Van Oudijck, die zich aan het eind van zijn mislukte Indische regentschap afvraagt wat er nu fout is gegaan. Die mislukking kwam voort, laat Couperus Van Oudijck zeggen, uit zijn neiging om als rationalist het leven te zien zoals het moet zijn, niet zoals het is. Het ontbrak hem aan gevoeligheid, intuïtie en empathie.

Heijnes column overtuigt mij niet echt. Ik heb het gevoel dat hij een negentiende eeuws schema – dat van de tegenstelling tussen rede en gevoel – wil toepassen op een hedendaagse discussie. Maar hebben we dat allemaal niet allang gehad? Empathie en intuïtie vierden hoogtij in de jaren zeventig en tachtig. Toevallig kan de genoemde Dalrymple goed uitweiden over de omzwachteling en versluiering van maatschappelijke problemen die daar het gevolg van waren. Veel leiderschap heeft dat niet direct opgeleverd.

Is ons probleem niet eerder dat wij inmiddels weten dat er niet één logica is, of die ene overzichtelijke tegenstelling van rede en gevoel; maar dat er vele logica’s zijn, waaronder die van allerlei gevoelens, die vaak met elkaar botsen en elk evenveel aanspraak kunnen maken op hun gelijk. En dat je vaak meerdere logica’s recht wilt doen en toch moet kiezen. Had Heijne er niet goed aan gedaan om een boek te nemen waarin een dergelijke, meer eigentijds geformuleerde patstelling centraal staat?

Overigens vind ik de noodkreten over leiderschap en dan vooral over het veronderstelde gebrek daaraan wat overdreven. Er wordt veel over geklaagd, bijvoorbeeld in de Trouw-columns van Goslinga en Oomkes en in de bedoelde column van Heijne waarin hij onze leiders verwijt dat ze alles doen om de burger tegemoet te komen en dan verongelijkt worden als ze toch worden gehoond en gehaat.

Maar volgens mij valt het met dat slechte leiderschap bij ons wel mee. De oogst aan belangrijke besluiten van de afgelopen twee weken stelt niet teleur. Ondanks rampzalige peilingen, die daar echt niet beter van zullen worden, heeft PvdA-leider Bos mede gezorgd voor verhoging van de AOW-leeftijd en de verleiding weerstaan om de DSB geld toe te stoppen. En Frank de Grave blijkt zich bij de DSB niet de mond te hebben laten snoeren, waardoor hij ontslag riskeerde en kreeg.

Ook voor al die situaties geldt trouwens dat het hedendaagse bewustzijn van de vele gelijktijdige en tegenstrijdige logica’s volop van kracht was. Voor alle standpunten was wel wat te zeggen, zowel iets rationeels als iets empathisch. Om dat drama te zien heb je niet per se literatuur nodig. Blijven denken en tegelijkertijd er afstand van kunnen nemen is van zichzelf in de gewone werkelijkheid al instructief en spannend genoeg.

Zie ook Leunstoelgeweld

donderdag 15 oktober 2009

Té triviaal


Een DSB-medewerker vertelde met tranen in zijn ogen dat zijn afdeling Financiële Administratie maar een trap verwijderd was van de kamer van topman Scheringa.

Misschien, dacht ik, heeft Dick Scheringa die nabijheid tactisch ingezet. Misschien ook voelde hij zich zelf het prettigste bij een dergelijke inrichting. In ieder geval kon hij – zolang als het duurde - zijn mensen niet gelukkiger maken dan door het zo in te richten, dat blijkt wel.

Dat is een indicatie voor managers die hun mensen willen motiveren. En eigenlijk weten ze dat ook wel: de lof der alledaagsheid wordt in brede kring gezongen. In ieder geval met de mond wordt beleden dat “we het samen doen met mensen van de werkvloer”. Niet op afstand sturen maar aandacht hebben voor wat mensen doen. ‘Gewoon doen’ is het parool.

Grappig is dat deze intentie om gewoon te doen zijn parallel heeft in de filosofie. Levinas koos in de jaren dertig voor een baan als leraar aan een middelbare school in plaats van de academische carrière waaraan hij had kunnen beginnen. Heidegger omhelsde het alledaagse en beoogde daarin te volharden tot in de diepe verveling toe. En veel postmodernistische filosofen hebben hun best gedaan om alle hiërarchie ongedaan te maken door het onderscheid tussen verheven en ordinair volledig op te heffen. Het ene is niet interessanter dan het andere. Beschouw alles maar als gelijkvloers, zonder zelfs nog maar één trap ertussen.

Maar de valkuil lijkt groot te zijn. Als het erop aankomt, is bij deze omhelzers van het gewone de onwil om het gewone en triviale werkelijk serieus te nemen teleurstellend te noemen. Dat geldt zowel voor de managers als de filosofen onder hen.

Voor de meeste managers blijkt ‘gewoon doen’ toch iets té triviaal. Ik merk dat op mijn werk waar de vaak doorslaggevende, simpele logistieke en administratieve problemen net niet interessant genoeg zijn om meer dan tactische aandacht te krijgen. Zo krijgen ze de kans om door te woekeren, want daar leg je als knappe kop geen eer mee in.

Op het vlak van de filosofie blijkt het verhevene, in de gedaante van een carrière in de academische filosofie, in de meeste gevallen het ook te winnen van het gewone. Heidegger kon al snel geen weerstand bieden aan het idee dat zijn filosofie, gekoppeld aan het nazisme, vanuit de universiteit voor een revolutionaire historische doorbraak kon zorgen. En toen dat op niets uitliep heeft hij gedurende de rest van zijn carrière het academische milieu niet meer verlaten, behalve voor zijn berghut.

Levinas is goed begonnen, maar hij heeft het niet volgehouden. Na het succes van Totalité et Infini werd hij de academische wereld binnengezogen. Dat heeft, naar mijn smaak, zijn latere werk geen goed gedaan.

Gewoon doen is kennelijk moeilijk vol te houden. Als je dat echt serieus probeert, krijg je al snel de meewarige reacties die Bert Keizer ooit in zijn column beschreef. Hij vertelde daarin over de verbazing waarmee collega artsen, die zelf academisch carrière maakten, hem soms vroegen waarom iemand met zoveel intellectuele capaciteiten gewoon bleef werken in een verpleeghuis.

Gewoon doen, en het niet alleen met de mond belijden, is eigenlijk iets té triviaal. Ik hoop dat ik het zelf vol kan houden - tot mijn zesenzestigste.

Zie ook Ongevraagd advies