vrijdag 31 augustus 2012

Chicklit


Het lijkt me een leuke boekwinkel, die van Ton Schimmelpennink aan de Weteringschans, afgelopen weekend geportretteerd in NRC Zomerinterview. Ik ga er binnenkort beslist een keer kijken.

Het viel me wel op hoeveel sekse-gerelateerde kwesties een rol spelen in het boekenvak, althans afgaande op de uitspraken die Schimmelpennink deed.

Gevraagd naar het geheim van het succes van zijn winkel antwoordde hij bijvoorbeeld dat hij niet meegaat met al die “trendjes van spannende vrouwenboeken die de boekhandel binnenrollen, zoals Vijftig kleuren grijs”. Niettemin is zeventig procent van zijn klanten vrouw en hoogopgeleid.

In een bij het artikel afgedrukte column van zijn hand neemt Schimmelpennink prachtig het opbrengst-per-vierkante-centimeter-management van de Selexyz-winkels op de hak. Maar daarnaast moet het toch ook even gaan over de gebrekkige inzet van de dames communicatiewetenschappers die uitgevers op hun communicatieafdelingen in dienst hebben.

Verder is van de ongeveer twintig auteurs die met name genoemd worden er maar één vrouw: Jane Austen. Of zegt dat misschien niets omdat deze aantallen simpelweg de verhoudingen weerspiegelen tussen mannelijke en vrouwelijke auteurs in de loop van de geschiedenis?

Zie ook Baas in eigen boek

zaterdag 25 augustus 2012

Levinas en empathie


Wereldverbeteraars verwachten veel van empathie, zeg maar het vermogen van mensen om zich in te leven in de situatie van anderen. Als we dat vermogen maar meer zouden inzetten dan zou de wereld er een stuk aardiger uit kunnen gaan zien. De Verlichtingsdenkers formuleerden in de achttiende eeuw al de gedachte dat wij dankzij empathie – volgens hen een constante factor in de menselijke aard – in staat zijn tot altrüïstisch gedrag, ook al gaat dat in tegen ons onmiddellijke eigenbelang. In onze tijd is een variant op deze gedachte uitgedragen door de filosofen Richard Rorty en Martha Nussbaum. Zij moedigen ons aan om veel boeken te lezen, vooral romans. Want daardoor verbreedt zich het scala van gevoelens en gedachten waarmee we vertrouwd raken en dat helpt ons om andere mensen beter te begrijpen. Daar kan de wereld alleen maar beter van worden. 

In deze lijn van redeneren past de veel gehoorde opmerking dat Joden, gezien hun geschiedenis, toch wel beter zouden moeten weten wat geweld met mensen doet. Zij zouden, door die ervaringen, terughoudender moeten zijn in wat ze anderen aandoen dan andere volkeren (kunnen) zijn. Men brengt mijn favoriete filosoof Emmanuel Levinas ook wel in verband met het belang van empathie. Zijn nadruk op het fenomeen dat we ons plotseling schuldig en verplicht kunnen voelen ten opzichte van een ander mens zou vereisen dat we empathisch zijn. We zouden ons voor het bereiken van dat effect actief moeten verplaatsen in die ander.

Nu ben ik daar erg voor, maar het is volgens mij niet hetzelfde als waar Levinas over spreekt. Misschien is het wel het tegendeel. Want het kenmerkende van de ervaring van de ander zoals Levinas die beschrijft is dat je je juist niet ingeleefd hebt in de ander. Je wordt volkomen verrast door wat de ander te berde brengt, doordat hij stil valt bij waar jij enthousiast van wordt, doordat zij niet gediend blijkt te zijn van waar jij in gelooft. De schok die daarbij hoort zorgt voor het gevoel van verplichting.

Zo’n reactie die je zelf niet had kúnnen verzinnen, daar heb je volgens Levinas de ander voor nodig, dat is de essentie van zijn anders-zijn. Daar kan geen empathie tegenop. Een voorwaarde voor het op deze manier geraakt worden door een ander is misschien wél het volgende: dat je in staat bent om je eigen beperkingen in de ogen te kijken wanneer ze zich voordoen. Dan zul je eerder de kwetsbaarheid van een ander opmerken en de kwetsuren zien die jouw tekort aan empathie heeft veroorzaakt.

Zie ook Iets kleins en Levinas en egoïsme

Wil je commentaar geven of zien: klik op Levinas en empathie en scrol naar beneden door.

vrijdag 17 augustus 2012

Wee


In België woedt al enige tijd een discussie over Michelle Martin, de ex-vrouw en medeplichtige van Marc Dutroux. Is het wel of niet een goede zaak dat zij onderdak krijgt in het klooster van de Arme Klaren in Namen, zodat ze vervroegd vrij gelaten kan worden uit de gevangenis?

De Belgische discussie heeft inmiddels ons land bereikt en diverse abten en abdissen spreken zich uit over de kwestie. Zo ook het dagblad Trouw dat de actie van de Arme Klaren moedig noemt. De krant haalt instemmend de Vlaamse Christen-democratische senator Rik Torfs aan die zei: “Ze doen wat Jezus in zijn tijd gedaan zou hebben”.

Waarom word ik nu altijd zo wee van dit soort what-would-Jezus-do argumentatie?

Omdat dan, in ieder geval bij mij, de sjablonen toeslaan. Ja, denk ik dan bij mezelf, ook als Hitler had aangeklopt zou Jezus wel open gedaan hebben.

Want Jezus kan alles. En dat is slaapverwekkend. Ik vind het intellectueel gesproken dus niet spannend genoeg.

Wat ik interessant zou vinden: te weten hoe Jezus het gedaan zou hebben met twee studerende kinderen erbij, een hypotheek en brandende seksuele verlangens en dat alles in combinatie met zijn visioen van een betere wereld.

Of moet je met zo’n visioen, net als Spinoza deed, afzien van een huwelijk, kinderen en een eigen huis?

Zie ook Plato, Bambi en Danneels en Heilig Vuur

vrijdag 10 augustus 2012

Fair play


Al veertien dagen beleven we de roes van topprestaties, in de geest van mondiale verbroedering en fair play. Tot nog toe niet overschaduwd door een terroristische aanslag, alles zoals bedoeld door de stichters van de Spelen. En de wereld geniet ervan.

Maar ik kan het niet laten om er een paar kanttekeningen bij te maken, het zal wel te maken hebben met mijn gebrekkig ontwikkelde interesse voor sport. Waar ik met name aan blijf haken, is het vaak ondoordacht bejubelde concept van fair play.

Want fair play is een begrip dat bij overwinnaars hoort, het wordt vooral gehanteerd door degenen die al de baas zijn. Binnen gemeenschappen die het – politiek en economisch – goed voor elkaar hebben, zijn verliezers nog altijd relatieve winnaars en in zo’n situatie gedijt fair play.

Dat verklaart waarom het begrip afkomstig is uit het Britse Rijk, dat ten tijde van de stichting van de Spelen op het toppunt van zijn macht was. Maar, zegt hoogleraar sportgeschiedenis Tony Collins, dat zegt iets over het illusiegehalte van fair play: “De Britten breidden hun rijk uit door geweld en manipulatie. Het idee van eerlijk spel kan je alleen volhouden als je de dominante wereldmacht bent.”

Ook in de politiek hechten we aan fair play: de gedachte dat redelijke mensen op redelijke manier met elkaar praten en met respect voor de regels van het spel wedijverend hun eigen belangen zo goed mogelijk behartigen.

Daniel Gordis verwoordt deze door en door hoffelijke en optimistische opvatting van politiek bedrijven in een terugblik op zijn jeugd: “In the American suburban home in which I was raised, we were taught that war was an aberration. Conflict is solvable. If war persisted, the both sides had been less bold than they needed to be. If Americans and North Vietnamese wanted to, they could figure out a way to end the conflict; the same was clearly true of Jews and Arabs.” En hij stelt zich vervolgens de vraag of je, net als bij fair play, niet al tot de overwinnaars moet behoren om je een dergelijke hoogstaande morele opvatting over conflictbeheersing en politiek te kunnen veroorloven.

Gordis komt tot deze gedachten na zijn verhuizing naar Israël. “The Middle East is not a Hebrew-speaking version of the comfortable, safe, conflict-free suburban Baltimore in which I had been raised.” Daar gelden misschien wel heel andere spelregels.

Die gedachten worden bij hem versterkt door het recente overlijden van Yitzchak Shamir, de onverzettelijke rechtse Israëlische premier van de jaren negentig. Gordis heeft gemengde gevoelens bij een terugblik op diens leven. Hij weet dat Shamir bij leven al niet bijster geliefd was vanwege zijn compromisloze standpunten, en bij zijn begrafenis bleek er bijna geheel geen belangstelling meer voor hem te bestaan.

Maar, stelt Gordis vast, Shamir was niet van de comfortabele suburb met zijn fair play. Hij had heel andere ervaringen met de wereld. Zijn vader ontsnapte aan de nazi’s om, toen hij terugkwam in zijn geboorteplaats Ruzhany in Wit-Rusland, alsnog door zijn voormalige buren te worden vermoord. Shamir kon niet anders dan de wereld zien als vijandig ten opzichte van Joden, waartegenover Joden zich vooral strijdbaar en waakzaam moesten opstellen.

Daarom was Shamir ten tijde van het Britse mandaat tot 1948 niet geneigd zich zijn terrorisme tegen de Britten te laten afnemen omdat dat unfair play zou zijn. Naar aanleiding van de moordpoging op Harold MacMichael, de hoge commissaris van het Britse Mandaatgebied, zei hij bijvoorbeeld later zonder enige spijt: “Er zijn mensen die zeggen dat het terrorisme is om MacMichael te doden en dat het bombarderen van burgers professionele oorlogsvoering is. Maar ik denk dat het vanuit een moreel oogpunt hetzelfde is.”

Op dit moment, zegt Gordis, behoort Israël tot de overwinnaars. “Ours is not the world that Shamir and his generation inherited. Ours is a world in which the Jews are secure, and largely safe,” en dat is in niet geringe mate te danken aan controversiële acties van Shamir, Begin en Ariel Sharon.

De ironie van het verhaal is dat, nu Israël relatief comfortabel is, het op zijn beurt met fair play gaat schermen: met terroristen (lees Palestijnen) praat je niet.

Het is niet eerlijk.

Zie ook Een kwestie van PR? en De Groene en de Rode Lijn

donderdag 2 augustus 2012

Statusangst


De meeste psychologen hebben statusangst. Althans, dat zegt hoogleraar psychologie Jan Derksen: “Kijk maar naar enquetes: psychologen scoren altijd het laagst op zelfbeeld. Daarom is de verleiding groot om de natuurwetenschappen te gaan nadoen. Dat kan door je te beperken tot hersenonderzoek. Psychologen schaden zo hun eigen vak”.

Zelf vind ik het wel iets sympathieks hebben, dat bewustzijn van psychologen van de beperktheid van hun eigen vak. Hun zelftwijfel is beter te pruimen dan de zelfgenoegzaamheid van veel economen. Die laatste beroepsgroep is niet minder dol op de natuurwetenschappen en waarschijnlijk komt dat in gelijke mate als bij psychologie voort uit statusangst. Alleen, zij doen door de bank genomen minder aan introspectie en zelfkennis.

Maar moeten psychologen zich dan niet even achter de oren krabben voordat ze zich laten inschakelen door economen? Bijvoorbeeld zoals nu gebeurt bij de Nederlandse Bank, die sinds dit jaar twee psychologen in dienst heeft om de cultuur van banken te doorgronden. Zij gaan bij de banken op zoek naar sporen van narcisme, bokitogedrag, gebrek aan tegenspraak. Ze sturen vervolgens hun rapporten naar de bankdirecties, zodat die zich geconfronteerd zien met hun eigen gedrag.

Laten psychologen zich hier voor het karretje spannen van de economen, of voegen ze echt iets toe? Of – nog een geheel andere suggestie – is misschien het verschil toch niet zo groot tussen wat de psychologie leert over onze natuurlijke aanleg en wat de economie leert over de vergaring van rijkdommen, en daarmee over de uitputting van onze hulpbronnen? Die gedachte zou je kunnen afleiden uit het werk van de psychologen Mark van Vugt en Daniël Goleman.

Als ik de evolutionair psycholoog Van Vugt goed begrijp dan zit duurzaam gedrag gewoon niet in onze genen. Niet in onze omgang met onze hulpbronnen, noch communicatief in de omgang met onze medemensen. Onze hersenen zijn zo geëvolueerd dat we het hier en nu voorrang geven boven de toekomst, want wat de toekomst brengt weten we niet. “Zeker in onze voorouderlijke omgeving was het best riskant om niet die onmiddellijke beloning – dat stuk vlees of die honingraat – te pakken maar dat uit te stellen”. De mismatch tussen korte termijn menselijk denken en welbegrepen lange termijn menselijke belangen zit in de schepping ingebakken.

Managementpsycholoog en goeroe Daniel Goleman doelt op hetzelfde als hij zegt dat we een foute bedrading in onze hersenen hebben. Het systeem voor het herkennen van dreigingen en het reageren daarop is meer dan honderdduizend jaar oud. Het is geworteld in een tijd dat gevaar fysiek was en plotseling kon opdoemen. In zulke situaties is lange-termijn-denken niet verstandig.

Als Van Vugt en Goleman gelijk hebben dan is het maar de vraag of de psychologie de economie wel kan corrigeren, zoals de Nederlandse Bank het wil. Dan lijkt het eerder zo te zijn dat de psychologie en de economie elkaar versterken in hun korte termijn gerichtheid.

Van Vugt en Goleman zien niettemin wel mogelijkheden voor de psychologie. Zij wijzen erop dat gedrag te sturen is door middel van stimuli en afstraffing, naming en shaming. Daarbij is kennis van psychische mechanismen zeer bruikbaar. De statusgevoeligheid van mensen kan er bijvoorbeeld toe bijdragen dat als beroemdheden om duurzaamheidsredenen rondrijden in een Toyota Prius, veel andere mensen dat voorbeeld willen volgen. De neiging elkaar na te apen kan hier als positief middel worden ingezet.

Maar andere psychologen waarschuwen dat je niet al te grote verwachtingen moet hebben van de mogelijkheid van beleidsmakers en marketeers om gedrag te sturen. Gedrag is moeilijk voorspelbaar, aldus Joke Harte, en daardoor ook moeilijk stuurbaar.

Mijn conclusie is dat je met de psychologie in de hand net zo goed kunt uitkomen bij een correctie op, als bij een rechtvaardiging van het graaigedrag van de homo economicus. Het is niet ondenkbaar dat de inzet van psychologen bij de Nederlandse Bank hetzelfde effect krijgt als destijds de publicatie van topsalarissen en bonussen. Daar moest, via publieke verontwaardiging, een matigend effect vanuit gaan maar het werkte omgekeerd: publicatie van jouw hoge salaris verhoogde je status. Op gelijke manier steekt straks de ene bankdirecteur de andere de loef af door te melden dat hij wel vier psychologen van de Nederlandse Bank aan zijn broek heeft hangen in plaats van twee.

Zie ook Crisis van hoog en laag

zaterdag 28 juli 2012

De Levinas van de verplichtingen


Nu was het Rick Jacobs die, wat mij betreft, in de fout ging. Rabbi Rick Jacobs is de nieuwe president van de Union for Reform Judaism, de Amerikaanse Reform beweging. Hij hield op 9 juni zijn installatierede en benadrukte daarin dat – anders dan het vooroordeel vaak luidt – ook het Reform Jodendom zijn mitswot, dat wil zeggen: zijn verplichtingen kent.

Met die opmerking lijkt me niets mis, maar het stoort mij dat Jacobs ter onderbouwing van die uitspraak mijn favoriete filosoof Levinas erbij haalt. Hij zegt: “The Jewish philosopher Emmanuel Levinas taught that we come into the world already obligated by the mere gaze of the other, a gaze that demands a response from us. By this, Levinas means that relationships always come with obligations”.

Hier wordt Levinas, zoals zo vaak, opgevoerd als moralist, als filosoof van de plichtethiek. En dat is doodzonde, want als je het sprankelende van zijn werk eruit wilt halen dan moet je het zo doen. Levinas als ons eigentijdse geheven vingertje.

Terwijl er alle ruimte is om Levinas in een ander licht te zien. Je kunt hem ook lezen als een filosoof die niet zozeer voorschrijft als wel beschrijft. Hij levert namelijk beschrijvingen van het verschijnsel dat wij, midden in het legitieme op ons zelf gerichte bestaan, ons zomaar plotseling verantwoordelijk kunnen voelen voor een ander. Verrassend genoeg.

Als je Levinas zo leest dan valt nog iets anders op, namelijk dat hij breekt met een onder filosofen gebruikelijke opvatting van de wereld als opgebouwd uit diverse lagen waarvan een aantal meer fundamenteel zijn en een aantal meer oppervlakkig, met alle hiërarchie die daarbij hoort. Als het zo is dat egoïsme en altruïsme elkaar op volstrekt onvoorspelbare manier kunnen afwisselen, dan is er van zo’n hiërarchisch en gestructureerd bouwwerk geen sprake meer.

Maar dan kun je dus ook niet meer, zoals Jacobs doet, spreken van een “altijd al voorafgaande” morele verplichting of van relaties die “altijd” gepaard gaan met verplichtingen, alsof er een voorgegeven systeem van eeuwige waarheden zou zijn. Dat doet geen recht aan de verrassingen en de volstrekt transcendente blikseminslagen waar het Levinas mijns inziens primair om gaat.

Zie ook Levinas en egoïsme

vrijdag 20 juli 2012

Rome, Mekka en Halsteren
















Het is allemaal al een keer eerder vertoond, het neerzetten van aan de omgeving vreemde bedehuizen. Waar wij soms opkijken van moskeeën met minaretten tussen de doorzonwoningen, moeten mensen vroeger ook overrompeld zijn geweest.

Bijvoorbeeld Protestanten door de hausse aan nieuwe Katholieke kerken die rondom 1900 gebouwd werden. Zie op bijgaande foto (links) maar eens wat voor Fremdkörper er in 1913 werd neergezet in het Katholieke dorp Halsteren, waar ik ben opgegroeid. Een soort basiliek in een mengeling van Byzantijns- en Romaansachtige neostijlen tussen de eenvoudige huizen die tot dan toe het dorp vulden. Dit in het kader van het Katholieke offensief dat in Nederland na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 alle ruimte kreeg.

Hier betreft het dan nog een Katholiek dorp. Maar even verderop lag het Protestantse Tholen en de rest van Zeeland. Voor de Nederlanders daar moet het behoorlijk schokkend geweest zijn om overal in Brabant dergelijke monumentale Katholieke kerkgebouwen te zien verrijzen. Komend van over het water uit het Westen had de Tholenaar nu niet alleen meer de Brabantse Wal te beklimmen. Hij moest ook in het reine komen met het aanzicht van de nieuwe kerken die als fortificaties prominent op de wal werden neergezet (foto rechts).

Zie ook Een klas met twee derde MoslimsRegeren met de PVV en Bestemming bereikt

vrijdag 13 juli 2012

Ook hier is (ontoereikend) over nagedacht


Hoe komt iemand erbij om van godsdienst te veranderen, laat staan om Joods te worden? Ik moest me wel aangesproken voelen toen ik bij Norman Solomon las dat je zo’n keuze nooit kunt maken op basis van rationele overwegingen. Want je zou dan eerst alle religies moeten leren kennen en tegen elkaar af kunnen wegen en daarvoor is een mensenleven simpelweg te kort.

Bovendien, zegt hij, georganiseerde religie is een sociaal fenomeen, geen intellectuele exercitie. “Er is een gevoel van kameraadschap, van gedeelde geschiedenis, taal en gewoonten, een ruimte waarin het individu stabiliteit kan vinden, hetzij op zichzelf of in gezelschap met gelijkgezinde mensen, in een onzekere wereld”.

Met andere woorden: uitkomen omdat je via een huwelijk de gemeenschap binnenkomt is nog te begrijpen, maar claimen dat er intellectuele overwegingen in het spel zijn is zelfbedrog.

Toch denk ik dat bij mijn keuze voor de Joodse traditie intellectuele redenen wél een doorslaggevende rol hebben gespeeld.

Want ook al ben ik het met iedereen eens die zegt dat gevoelsmatige redenen de boventoon voeren, ik ben wel degelijk afgekomen op een soort intellectualisme: de – voor mijn part illusoire – plicht van mensen tot zelf nadenken. En tegelijkertijd op het besef van de ontoereikendheid ervan. Beide worden in de Joodse traditie meer dan elders hoog gehouden.

Een illustratie van hoe het elders is – dus van de tendens om het zelf nadenken op het tweede plan te zetten – vind ik in een rede van de Christelijke kerkvader Origenes. Deze leefde in het begin van de derde eeuw, toen het Romeinse rijk een grote variëteit aan filosofische scholen en religieuze secten herbergde. Hoe moesten de mensen kiezen tussen al die lifestyles?

Origenes stelt terecht vast dat de meeste mensen niet de tijd en de capaciteiten hebben voor een systematische beoordeling van het gehele aanbod van levensbeschouwingen. En dan vervolgt hij: “Nu er zoveel over geloof gesproken wordt is mijn antwoord dat ik het geloof zie als nuttig voor de massa en dat ik diegenen train om te geloven zonder erover na te denken die niet al hun tijd kunnen besteden aan rationele bewijsvoering”.

In de kiem is hier al terug te vinden wat mij tegen staat in zoveel godsdiensten: ze hebben in hun ordendrift de neiging om schaamteloos te denken voor anderen. Nu doen rabbijnen dat ook, maar ik vind ze net wat terughoudender. Ze zullen niet gauw over “de massa” praten en zolang als het kan het disputeren voortzetten en daarmee hun publiek serieus nemen.

Bovendien: Origenes gaat niet écht in op het probleem van de ontoereikende rede. Hij noemt die wel, maar dat is toch vooral het probleem van anderen. Zichzelf rekent hij tot de welgeïnformeerde elite die kennis heeft van de juiste doctrines en vanuit die positie is de ontoereikendheid van de rede ineens veel minder problematisch: de waarheid komt dan binnen handbereik. Het Rooms-Katholieke model ten voeten uit.

Bij de rabbijnen lijkt de ontoereikendheid van de rede iets zwaarder te wegen. Want naast de vraag hoe wij met gebruik van de rede de wereld enigszins kunnen ordenen is er deep down een tweede vraag te horen: wat betekent het dat wij niet geheel rationele wezens zijn? Of, om het gechargeerd te zeggen: hoe moeten wij, al ordenend, omgaan met de raarheid van onszelf en van onze medemensen? Raarheid in die zin dat geen mens in eenzelfde overkoepelende rationele orde te vatten is, en dat ieder mens daar op zijn eigen manier uitspringt. Deze preoccupatie met de onbestaanbaarheid van een sluitend rationeel betoog is af te lezen aan de gewoonte in de Misjna en de Talmoed om afwijkende meningen niet uit de boeken te schrijven maar vast te houden. Dat is bijzonder.

Deze relativering van het rationele discours voegt zich bij de voorzichtigheid in het denken voor anderen. En dat spreekt mij wel aan, levend in een democratische en individualistische samenleving waarin inkapselende top-down communicatie niet meer werkt en mensen pas gedijen als ze zich serieus genomen voelen.

Er is dus wel over nagedacht.

Zie ook Geen garantie en Benedictus XVI denkt voor u

vrijdag 6 juli 2012

Kunnen wij het CDA wel missen?


Ik stem geen CDA, laat dat duidelijk zijn. Maar toch bespeur ik bij mezelf enig ongemak bij de gedachte dat die grote Christen-democratische politieke stroming in Nederland aan het verdwijnen is. Want staat de Nederlandse Christen-democratie niet voor meer dan een eeuw van degelijke politiek, welvaartsopbouw en omgang met levensbeschouwelijkheid die ons land bepaald ook veel gebracht hebben. De wijsheid van bestuurlijke ervaring, gedrenkt in consensusdenken, vind ik regelmatig een verademing ten opzichte van geschreeuw ter linker- en ter rechterzijde.

Kunnen wij dat wel missen?

Sommigen zijn ervan overtuigd dat we dat niet kunnen missen. Zij vinden niet alleen dat een op het Christendom gebaseerde politieke stroming noodzakelijk is, maar ook nog dat alleen een orthodox-Christelijke basis de samenleving kan borgen. James Kennedy haalt in dit verband Ross Douthat aan die beweert dat de inbreng van orthodoxe geloofsgemeenschappen noodzakelijk is om maatschappelijke excessen te voorkomen. ‘Ketters’ ondermijnen de samenleving.

En de Nederlanders Bart Spruyt en Andreas Kinneging stemmen in met de gedachte dat Ietsisten (niet-orthodoxe gelovigen) de maatschappij ontwrichten doordat ze niet ingebed zijn in historische kaders en Christelijke tradities en zich zo te veel kunnen laten meeslepen door hun eigen wensen en begeerten.

Zelf houd ik niet zo van deze cultuurpessimistische opvattingen die graag de ketterse menselijke neigingen tot uitgangspunt nemen en het basisvertrouwen in de democratie als fatsoenlijk maatschappelijk systeem lijken te missen.

Ik sta dichter bij de opvatting van Piet-Hein Donner. Die meent dat de seculiere samenleving zoals wij die hebben opgebouwd sinds de Tweede Wereld Oorlog onvoldoende antwoord geeft op levensbeschouwelijke onrust in de wereld. Met name stem ik in met zijn observatie dat een deugdelijke levensbeschouwing helpt om een politiek systeem als democratie goed te laten functioneren.

Maar als je dat vindt dan is de Christen-democratie eerder onderdeel van het probleem dan van de oplossing. Want de Christelijke levensbeschouwing is, ook blijkens de observatie van Donner, onvoldoende geloofwaardig gebleken.

Wat dat betreft is de figuur van Ruud Lubbers wel illustratief voor de ontoereikendheid van die levensbeschouwelijke oriëntatie. Het is bijna aandoenlijk om te zien hoe Lubbers worstelt met de dualistische spagaat in het hart van het Christendom, het gebrek aan verbinding daarin tussen het beest in onszelf en ons betere ik.

Tot zijn pensioengerechtigde leeftijd had Lubbers geen probleem met het machtsbeest dat in hem huisde. Integendeel, het bracht hem (meestal) veel succes en plezier. Sinds zijn pensionering zien wij Lubbers druk met heel andere dingen: duurzaamheid, mededogen, vrede. Als een dolende ridder lijkt hij erop uit om vooral goed te doen. De indruk die overblijft als je het totaal overziet is er een van volledig van elkaar losstaande werelden.

Ik vermoed dat dit dualisme, deze disconnectedness van strevingen, diep in de Christelijke levensbeschouwing verankerd zit en die levensbeschouwing uiteindelijk ongeloofwaardig maakt. Dat breekt het CDA nu op.

Is dat jammer? Wel vanwege de grote bestuurlijke en politieke know how die verdwijnt. Niet om levensbeschouwelijke redenen, want op dat terrein rammelt de zaak.

Zie ook Bos Balkenende en Calvijn en Ook hier is (ontoereikend) over nagedacht

vrijdag 29 juni 2012

Monotheïsme en concentratie


De filosoof Ad Verbrugge sprak laatst over de versnippering van onze aandacht als gevolg van de virtualisering van ons leven. Hij slaat de Wii-games en computerspelletjes van zijn zoontje gade en koppelt dat aan de geestelijke fragmentatie en rusteloosheid die hij in de samenleving waarneemt. “Kijk naar het zappen, naar het copy-pasten van flarden tekst; ons vermogen tot concentratie neemt af en daarmee de kwaliteit van levensuitingen”.

Dit klinkt al gauw als een moralistisch praatje van een man van middelbare leeftijd over de jeugd van tegenwoordig. Behalve dan dat Verbrugge aangeeft dat hij het zelf ook leuk vindt om met zijn zoontje een potje te Wii-en.

Los daarvan ben ik het wel met hem eens: concentratie is gewoon ook iets heel prettigs. En virtualiteit heeft iets onbevredigends: het is niet echt, alsof je kunt geloven wat je zelf wilt en verzint.

Zoals, volgens een andere filosoof, gebeurt in het polytheïsme. De vele goden die in sommige culturen naast elkaar bestaan zijn volgens Marc de Kesel te beschouwen als de producten van onze uiteenlopende fantasieën en oververhitte dromen.

Dat geldt trouwens net zo goed voor de monotheïstische God maar het verschil is dat die niet toestaat dat we geloven wat we willen. Die dwingt ons ertoe ons te verhouden tot een ondeelbare werkelijkheid waarmee we het met ons allen en met God moeten doen.

Dat heeft iets despotisch, aldus De Kesel, en daar heeft het monotheïsme zijn slechte reputatie aan te danken. Maar het verschaft tegelijkertijd de mogelijkheid tot concentratie. En tot het uitdiepen van een relatie: doordat de twee partijen geen escape hebben en het met elkaar moeten doen ontstaat er ontwikkeling. De twee partijen kunnen elkaar bekritiseren, dat behoort tot de rechten binnen het verbond dat God en de mensen met elkaar sluiten. Doordat mensen God bekritiseren eren zij hem juist. En waar mensen kritisch worden is het bestaan meestal niet virtueel meer. Het echte leven is dan zeer dichtbij.

Dat brengt me terug bij Verbrugge. Want in zijn overdenking van de tegenstelling tussen virtueel en echt vraagt hij zich op een gegeven moment af: “heeft dat zogenoemde echte leven dan niet te maken met verbinding? Zoals wij het woord ergens ook gebruiken in de uitdrukking ‘in de echt treden’”?

Ook daar geldt dat je maar een beperkt aantal zijpaden kunt inslaan, dat je niet altijd kunt geloven wat je zou willen geloven. 

Zie ook Godsdienst en geschiedenis en Ongerijmd

vrijdag 22 juni 2012

Kun je tegenkracht wel organiseren?


Dat is wel wat de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (RMO) bepleit in zijn advies Tegenkracht organiseren. Lessen uit de kredietcrisis. Daarin stelt de Raad vast dat de kredietcrisis kon ontstaan doordat drie goedbedoelde financiële sturingsinstrumenten – hypotheekverstrekkingen aan mindervermogenden, het gebruik van risicoprofielen en de toebedeling van bonussen – gaandeweg perverse effecten zijn gaan vertonen.

Verder benadrukt de Raad dat het verschijnsel van ontsporende goede bedoelingen niet beperkt is tot de financiële sector. In de welzijnsector, de zorg en het onderwijs doen zich dezelfde problemen voor als in de financiële sector: oorspronkelijke doelen worden uit het oog verloren, classificaties gaan een eigen leven leiden los van de werkelijkheid en financiële prikkels leiden tot verkeerde handelingen. “Het is de miskenning van de altijd aanwezige meervoudigheid die een langzaam en vaak onzichtbaar proces creëert waarin een productief sturingsmechanisme geleidelijk omslaat in een pervers sturingsmechanisme. Eén belang gaat domineren en alle actoren gaan vervolgens strategisch gedrag vertonen dat van tevoren niet was ingecalculeerd. Sturingsinstrumenten zijn vaak bedoeld om al deze belangen met elkaar te verenigen, maar – en dat is de kern van de analyse – dat blijkt in de praktijk een utopie”.

Dit zijn nogal conclusies. Als het waar is dat sturingsmechanismen problematisch zijn dan betekent dat wel wat voor de manier waarop wij gewend zijn onszelf te organiseren. En voor de managing class die het bij uitstek moet hebben van sturingsmechanismen. In veel gevallen blijken, volgens de Raad, die laatste tot calculerend gedrag te leiden en daarmee uiteindelijk tot het tegendeel van wat ze beogen.

Bij elkaar vormen de adviesconclusies een diagnose van de crisis die ik wel kan herkennen. Dat geldt niet voor de remedie die de Raad vervolgens voorstelt. Die komt neer op de aanbeveling om de meervoudige belangen binnen de systemen tot hun recht te laten komen door duurzame tegenkrachten te organiseren. Het is van belang “om voortdurend tegendruk binnen de eigen organisatie of sector mogelijk te maken die bestaande handelingspatronen ter discussie kan stellen, hoe moeilijk dat soms ook is”. Zo voorkom je dat één visie dominant wordt en leidt tot tunneldenken.

Ik snap wat de Raad bedoelt maar ik heb mijn twijfels bij deze remedie. Want die is erop gericht om denken (sturen) te bestrijden met denken (organiseren). En de fundamentele vraag die je je, met de filosoof Emmanuel Levinas, kunt stellen is of het niet ons denken zélf is dat voortdurend dat patroon produceert waar we last van hebben: van goede bedoelingen, utopieën die zich vastgrijpen aan sturingsmechanismen en organisatieprincipes, en de illusie dat er uiteindelijk één koers de  beste is. De productie van dit soort illusies en eenzijdigheid is inherent aan ons denken, zegt Levinas, dus ook aan het denken dat wordt ingezet voor tegenkrachten.

Je zou Levinas zo kunnen uitleggen dat hij zegt: we zijn allemaal een beetje autistisch. Want ons denken is een beetje autistisch: het vertoont de neiging tot monomanie en tunnelvisie omdat de rede graag gelooft in zijn eigen one best way. Dat is nu eenmaal de manier waarop ons denken werkt, er treedt werkelijkheidsverlies op.

En net als bij autisme hoeft daar geen kwade wil achter te zitten, zo benadrukt Levinas, ook al maken we wel brokken in onze monomanie. Maar tegelijkertijd – anders dan bij autisme –  zijn er correctiemechanismen werkzaam die precies de blindheid doorbreken waarin ons denken ons brengt. Eén daarvan is de verlegenheid die we kunnen voelen als we met ons denken inbreuk blijken te maken op de integriteit van een ander. Die zogenaamde denkschaamte kan ons van onze illusies bewust maken en ons terugbrengen in de bredere werkelijkheid.

Om uit de valstrikken van het denken te komen is er volgens Levinas dus iets anders nodig dan denken. Een schok, een trilling, een gezicht, een beschamende stilte. Hoe dan ook: iets anders dan denken. Dus geen organiseren, want organiseren is denken.

Daarmee wordt de aanbeveling van de Raad beperkt in zijn bruikbaarheid. Is dat iets om moedeloos van te worden?

Vind ik niet, ik zou zeggen: juist niet. Want als andere mensen de tegenkrachten kunnen vormen, dan hebben we daar geen tekort aan. Dan kún je er in principe iedere dag eentje tegenkomen, zo'n tegenkracht. Ik word eerder moedeloos van de montere blindheid van het denken dat zijn eigen blindheid wil weg managen via het organiseren van tegenkracht, terwijl die al voorhanden is.

Betekent dit misschien dat sturingsmechanismen vervangen moeten worden door iets anders? Door verhelderingsacties bijvoorbeeld, die recht doen en blijven doen aan de meervoudigheid?

Zie ook Iets kleins