woensdag 25 juli 2007

Doodzonde


Hoe gefrustreerd kun je raken van Levinas?

Behoorlijk tot zeer gefrustreerd, als ik afga op de fel negatieve reacties die ik soms hoor als het over de ‘Filosoof van de Ander’ gaat. Die reacties doen me denken aan het ressentiment dat sommige mensen aan hun Christelijke opvoeding hebben overgehouden. Zij hebben die beleefd als te veeleisend, levensvijandig en onrealistisch en willen er niets meer mee te maken hebben. Als het belang dat Levinas toekent aan onze confrontatie met de andere mens eenzelfde lading krijgt toebedeeld ligt het voor de hand dat zijn werk al snel als onrealistisch ter zijde kan worden gelegd. En dat zou doodzonde zijn.

De tendens om Levinas in absolute termen te presenteren is duidelijk aanwijsbaar. Onlangs gebeurde dat bijvoorbeeld bij de opening van een naar hem vernoemd gezondheidscentrum aan het Erasmusziekenhuis in Rotterdam. Een van de initiatiefnemers vertelde bij die gelegenheid dat het gezondheidscentrum de onvoorwaardelijke verantwoordelijkheid voor de ander als uitgangspunt neemt.

Maar hoe realistisch is het om uit te gaan van permanente, absolute verantwoordelijkheid voor (iedere?) ander? Ik denk dat een dergelijk uitgangspunt mensen niet echt verder helpt. Het zadelt hen op met een onmogelijke opdracht. Een dergelijke interpretatie van Levinas (waartoe hij overigens zelf in zijn latere werk genoeg aanleiding heeft gegeven) maakt zijn werk irrelevant. Door te praten in permanent absolute termen treedt versimpeling op: de echte puzzel wordt aan het oog onttrokken. Namelijk de ongerijmdheid dat in een wereld waarin alles relatief is zich plotseling iets voor kan doen dat geen relativering duldt.

Nu hoéf je Levinas niet zo te interpreteren als gebeurt in bovenstaande uitspraak. Dat blijkt uit het feit dat sommige lezers alle nadruk leggen op het bestaan van derden: behalve de ander waar ik dwingend mee te maken kan krijgen zijn er nog weer anderen die mij evenzeer claimen. Omdat ik geen tien dingen tegelijk kan doen beperkt de claim van de ene ander die van de andere ander. Zo wordt het absolute gerelativeerd en kan sociaal handelen alsnog volledig een kwestie van calculatie worden.

Maar ik vind dat ook geen mooie oplossing. Want op die manier haal je de prikkeling die uitgaat van Levinas’ dwingende ander weer helemaal weg. Om hem interessant te houden moet je dus zowel de urgentie recht doen die hij verbindt aan het gelaat van de Ander, als de ervaring dat alles betrekkelijk is binnen een rationeel geordend geheel.

Dat leidt tot een onmogelijke maar tegelijkertijd zeer ware woordcombinatie: relatieve absoluutheid. De paradox die daarin besloten ligt is moeilijk onder woorden te brengen. Het is vooral de jonge Levinas die die paradox overtuigend weet te presenteren. Die speelt het klaar om te laten zien dat de voortkabbelende tijd van belangenevenwichten plotseling doorbroken kan worden door de absoluutheid van de dood of van de ander. Om vervolgens uit te monden in een situatie van een nieuw, relativerend belangenevenwicht dat op zijn beurt ongetwijfeld doorbroken zal worden.

Dit klinkt realistisch. Levinas hoeft dus niet belastender te zijn dan de werkelijkheid zelf.

Zie ook Noodopvang, Levinas en Israël en Levinas en egoïsme