vrijdag 7 februari 2020

Arendt en Beethoven


‘Alle Menschen werden Brüder’, dat hoor je regelmatig in dit Beethovenjaar. Niks ten nadele van de geniale muziek van Beethoven, maar de tekst van Friedrich Schiller klonk de filosoof Hannah Arendt wat vals in de oren. “Het zou geen teken van menselijkheid geweest zijn als een Duitser en een Jood tijdens het Derde Rijk over hun onderlinge relatie zouden hebben gezegd: ‘Zijn wij niet allebei mensen?’ Op die manier zouden ze alleen maar op de vlucht geslagen zijn voor de werkelijkheid en de wereld, die ze op dat ogenblik deelden”, zo stelt zij in haar lezing Over menselijkheid in donkere tijden: gedachten over Lessing. Met het uitroepen van broederschap kun je ook iets te snel zijn, zo stelt ze vast.

Als ik iets mooi vind aan Hannah Arendt is het haar realiteitszin. Naast haar liefde voor de wereld en haar hoop voor de mensheid – noem het maar: haar spirituele neigingen – houdt zij niet aflatend in de gaten wat de netto opbrengsten zijn van die spirituele impulsen. Welke bijdrage leveren ze wérkelijk aan de vooruitgang van ons samenleven?

Arendt snapt de vervoering wel die mensen ervaren bij de achttiende-eeuwse ideeën van wereldwijde broederschap en universele mensenrechten. Maar ze wijst erop dat deze ideeën een compensatiekarakter hebben. Ze zijn ontstaan in de achttiende eeuw en dat is goed te begrijpen omdat op dat moment het materialistische wereldbeeld in Europa overal terrein wint. Onder invloed van de wetenschappelijke tijdgeest zijn ‘zakelijkheid’ en ‘objectiviteit’ de trefwoorden. Wat erbij inschiet is de tot dan toe gedeelde wereld van Christelijke waarden en normen. Mensen verleren daardoor het onderlinge gesprek over wat werkelijk van waarde is, en verliezen zo, met al hun objectiviteit en zakelijkheid, hun werkelijke relatie met de wereld.

Dat is onleefbaar, en schreeuwde om compensatie. Zo lag het voor de hand, aldus Arendt,  dat men ging zoeken naar een nieuwe gemeenschappelijke noemer. Die meende men te vinden in een universele menselijke natuur, waarbij sommigen het accent legden op een bij alle mensen gelijke rede (rationalisme) en anderen op een door alle mensen gedeeld vermogen tot medelijden (sentimentalisme).

Arendt: “Het rationalisme en sentimentalisme van de achttiende eeuw zijn slechts twee kanten van dezelfde medaille, en allebei kunnen ze tot dweperige overdrijving leiden, waarin men zich met alle mensen broederlijk verbonden voelt. In elk geval waren dit rationalisme en sentimentalisme slechts het innerlijke, in het onzichtbare gelokaliseerde vervangmiddel voor het verlies van een gemeenschappelijke, zichtbare wereld”.

Dus, zegt ze – en hier spreekt haar realiteitszin – daar moet je mee oppassen. Voordat je het weet verworden ‘gedeelde menselijkheid’ en ‘broederschap’ tot holle frasen. Haar eigen ervaringen zijn niet vreemd aan deze gedachte. Toen zij zelf op de vlucht moest voor de nazi’s, konden alleen particuliere, nationale burgerrechten haar beschermen, maar die had ze niet meer. De veelgeprezen mensenrechten bleken van nul en gener waarde en daarom blijft het wat haar betreft zaak om zo goed mogelijk “weerstand te bieden aan de ijselijke ‘werkelijkheidloosheid’ van universele broederschap”.

Ze heeft daarom meer met vriendschap dan met broederschap. En dan bedoelt ze met vriendschap niet de verheven versmelting van twee zielen, want dat zou haar opnieuw te spiritueel zijn. Vriendschap formeert zich tussen mensen altijd door betrokkenheid op een zichtbare, gedeelde wereld waarin fysieke bescherming telt, en minstens zozeer: tolerantie voor de verschillende of juist gelijkgestemde manieren van in de wereld staan. Daar waar meningen uitgewisseld mogen worden kan vriendschap zich ontwikkelen, en die biedt meer menselijkheid dan abstracte, universele van de wereld losgemaakte concepten, zoals broederschap.

Nou ja, de muziek is gelukkig van Beethoven.

Zie ook Levinas zoals ik hem begrijp