zondag 27 september 2009

Ik heb makkelijk praten


Vliegen zou veel duurder moeten worden, zeg ik wel eens. En waarom gaan er niet meer mensen met de trein?

Maar ja, ik heb makkelijk praten. Want ik houd niet van vakanties in Azië en ik heb een hekel aan autorijden. Ik ga liever schaatsen dan skiën en ik vind vlees wel lekker maar champignons en noten niet minder.

Er is principieel toch ook niks in te brengen tegen liefde voor verre reizen en al dan niet dure auto’s? Integendeel, reizen kan verrijken. Het kan je horizon verbreden, het kan je in contact brengen met heel andere leefstijlen en denkgewoonten en daardoor helpen je eigen vanzelfsprekendheden te relativeren. En auto’s verruimen hoe dan ook onze mobiliteit en ontplooiingsmogelijkheden.

Het is ontegenzeglijk waar dat een heleboel mensen aan die verrijking niet toekomen, omdat ze vooral de zon en hun eigen nationale vakantiekolonie opzoeken. Maar voor een aantal mensen geldt de wens verder te kijken dan hun culturele neus lang is wel degelijk. Daar is toch niks tegen? En dan zou vliegen ontmoedigd moeten worden?

Is er iets inherent beters aan mijn voorkeuren, behalve dat het milieu erbij gebaat is? Ik denk niet dat ik dat vol zou kunnen houden. De mens is kennelijk geschapen als nieuwsgierig wezen en als dat uitloopt op een botsing met de rest van de schepping, dan zit er kennelijk een weeffout in die schepping. Daar is weinig aan te doen.

Toch blijft nog één vraag hangen. In hoeverre worden we gestuurd door verveling? Zijn het misschien de monotonie van ons bestaan en een gevoel van intense zinloosheid die ons alle hoeken van de wereld doen opzoeken? Als Awee Prins in zijn boek Uit verveling de ontevreden verzadiging en moedeloosheid van de gegoede negentiende eeuwse Russische burgerij ter sprake brengt, geeft hij aan: “Een telkens weer beproefd, maar nimmer genezing brengend medicijn voor deze verveelden is: reizen”.

En de vraag die daar weer bij hoort: is dat, die verveling, ook een weeffout van de schepping? Is verveling – in een op orde gebrachte samenleving – onvermijdelijk en onafwendbaar? Of biedt diezelfde schepping ons mogelijkheden tot ontsnapping? Niet door naar Azië te vliegen, maar door de confrontatie met bepaalde verrassingen bij je thuis, op het werk, op straat?

Levinas denkt van wel.

donderdag 17 september 2009

De man van hoger honing


Dries Van Agt is diep verontwaardigd over de situatie in de Palestijnse gebieden. Hij ziet “zo mateloos veel onheil in het Heilige Land dat hij daarmee niet leven kan”. Hij voelt het als zijn plicht om, zonder de Palestijnse wandaden weg te praten, de schijnwerper te zetten op het Israëlische wangedrag.

Van Agts aanklacht in een interview met Trouw van vorige week roept bij mij een zeker onbehaaglijk gevoel op.

Voor de duidelijkheid: ik heb niks met de Israëlische kolonisten die sluipenderwijs Palestijns gebied usurperen en ik word kwaad over de vernederingen en pesterijen die Palestijnen moeten ondergaan van Israëlische soldaten. Ik vind de muur niet verkeerd, want die heeft aantoonbaar het aantal zelfmoordaanslagen verminderd. Maar ik vind het miezerige landjepik dat via het bouwen van de muur wordt uitgeoefend kleinzielig en de Joodse traditie onwaardig.

Dus de onbehaaglijkheid waar Van Agt me mee opzadelt zal daar zeker mee te maken hebben. Maar er is meer. Hier is ook een culturele houding in het geding die mij afstoot. Een beschavingspretentie met zeer oude papieren in het Westen.

Van Agt staat ergens voor. Namelijk voor een pretentie van onschuld en morele verhevenheid, die zich uitdrukt in gestyleerd taalgebruik en gesoigneerde manieren en met een heilig geloof dat de Christelijke, Westerse beschaving dat samengaan van moraal en schoonheid op een uitmuntende manier representeert. Op de foto is dat een beetje terug te zien.

Als zo’n man op een dag besluit om op bedevaart te gaan in Het Heilige Land, dan moet die even onberispelijk en zuiver verlopen als de verheven (Europees-Christelijke) wereldorde is waarin hij gelooft. Ieder checkpoint langs de West-Bank en iedere gewelddadigheid maken daar onaanvaardbare inbreuk op. Want hier staat een wereldbeeld op het spel dat geen bezoedeling verdraagt.

Relativering van het eigen Europese beschavingspeil is voor Van Agt vanuit die positie een onmogelijkheid. Hij komt in het interview dan ook niet zo ver als hij de rol van Europa bespreekt bij het ontstaan van Israël. Europa is schuldig, want het had in de oorlog meer moeten doen voor de Joden en na de oorlog meer voor de Palestijnen. Dat daar, in het Christelijke hartland, iets gebeurd is waar eigenlijk ook niet mee te leven valt, komt niet ter sprake.

Wat mij betreft komt die aap verder uit de mouw als Van Agt zijn vierde motief noemt om zich op te winden over het Israëlische onrecht. “Israël doet dagelijks zijn best om bij Europa te zijn”. Dat geeft Van Agt naar eigen zeggen reden om veel bozer te zijn wanneer Israël zich misdraagt, dan wanneer – met veel hogere aantallen slachtoffers – bijvoorbeeld de Congolezen, de Soedanezen of de Chinezen dat doen. Want dan komt de primitiviteit ineens wel erg dichtbij en wordt het des te belangrijker om goed duidelijk te maken: jullie horen niet bij ons.

Jullie zijn toch niet echt zoals wij, dat is de boodschap. Een heel oud Europees geluid inderdaad. Dat je bestaan er wel anders uitziet in situaties waar mensen elkaar naar het leven staan dan wanneer je in vrede leeft, dat maakt kennelijk niets uit. En dat het helemaal niet zo lang geleden is dat pakweg Frankrijk en Nederland in hun koloniën en Duitsland in Europa als beesten tekeer gingen, brengt Van Agt kennelijk niet van zijn geloof af. Daar zit iets onwezenlijks in.

Zie ook Bekvechten en Te dom

donderdag 10 september 2009

Wat doen Joden bij Wilders?


Het Nieuw Israëlitisch Weekblad publiceerde laatst een artikel waarin twee psychologen zich kritisch uitlieten over Geert Wilders. Dat lokte een storm van ingezonden brieven uit waarin lezers zich keerden tegen de auteurs en het opnamen voor Wilders.

De reactie die daar weer op kwam luidde in veel gevallen: hoe is het mogelijk dat Joden sympathiseren met de PVV? Zij weten toch als geen andere groep wat het is om als minderheid gediscrimineerd te worden? Zij moeten toch als eersten gevoelig zijn voor geluiden die spreken over uitwijzing en deportatie? En is het niet kortzichtig? Wilders komt immers wel erg dicht in de buurt van het klassieke antisemitisme als hij oproept tot het afhakken van de neus van Clairy Polak?

Dit zijn zeker voor de hand liggende redeneringen en die tref je gelukkig ook veelvuldig aan in Joodse kring. Maar Joden laten zich, evenmin als andere Nederlanders, niet opsluiten in politieke correctheden. Alle Joodse gevoelens en redeneringen zijn met het bovenstaande niet uitputtend getekend. Joden zijn meer dan dat.

Zij vormen inderdaad een groep, en zijn daardoor behept met het chauvinisme dat elke groep eigen is. Een groep bovendien die getalsmatig klein is, en zich bedreigd kan voelen door Islamitisch antisemitisme. En die vaak via bloedbanden verbonden is met Israël en zich daarin gesteund voelt door Wilders.

Dat zie je allemaal terugkomen in die ingezonden brieven. Dat onmiddellijk te duiden als verongelijktheid en wraakzuchtigheid is net iets te kort door de bocht. Een dergelijke duiding komt voort uit de moderne neiging om alle gehechtheid aan eigen volk, eigen groep en eigen land af te doen als achterhaald of verwerpelijk. Ik snap die neiging wel, maar ik ben bang dat daar ook enigszins naïef denken achter schuil gaat.

Die neiging gaat in ieder geval voorbij aan het diepgewortelde verlangen van mensen naar verbinding met de plaats waar ze wonen en de groep waar ze uit stammen, of je dat nu goed vindt of niet. Die behoefte is er gewoon.

Safranski laat in zijn boek Romantiek. Een Duitse affaire zien hoe als reactie op de verheerlijking van de universele rede tijdens de Franse Revolutie in Duitsland een beweging ontstond die het lokale en de Heimat verheerlijkte. En vorige week maakte Ad Verbrugge (in Trouw) duidelijk dat de kosmopolitische tendenzen van de spraakmakende elite bij veel mensen gevoelens van ontaarding en vervreemding in de eigen leefwereld opleveren. Er is juist meer behoefte aan verbinding met en zorg voor de plaats waar men woont.

Het is wel zo realistisch om deze krachten serieus te nemen. In ieder geval lijkt het mij contraproductief om dergelijk chauvinisme bestraffend af te wijzen en als achterlijk weg te zetten. Dan voelen mensen zich miskend.

Dat geldt voor de gewone autochtone Nederlander die zich gekapitteld voelt door een kosmopolitische elite. En dat geldt even hard voor veel Joden die zich in hún leefwereld bedreigd voelen. Het is niet anders.

Zie ook Erbij horen

zondag 6 september 2009

Sartre, Levinas en het café


Het café was Sartres habitat. Hij werkte er en observeerde er zijn medemensen. Hij kreeg er zijn ideeën en het bood een decor voor illustraties van zijn denkbeelden.

Levinas moest er niets van hebben. Hij is nooit betrapt op een terrasje en hij omschrijft het café ergens streng en afkeurend als “een open huis, gelijkvloers met de straat; de plaats van het comfortabele samenleven, zonder wederzijdse verantwoordelijkheid. Men komt er niet om iets te doen, men gaat er zitten terwijl men niet moe is, men drinkt er zonder dat men dorst heeft”.

Nu hoeft deze tegenstelling tussen Sartre en Levinas niet zo te verwonderen, want veel van hun andere denkbeelden zijn ook tegengesteld. Dat geldt bijvoorbeeld voor de menselijke blik die voor Sartre het voertuig is van overheersing over anderen en voor Levinas van geraakt te worden door een ander. Of voor de omarming door Sartre van totalitaire systemen, terwijl Levinas niet anders doet dan daarvoor waarschuwen.

Het opmerkelijke is dat de inspiratie voor hun beider denken aan dezelfde bron ontspringt, namelijk de filosofie van Edmund Husserl. Deze filosofie zocht naar het serieus nemen van concrete ervaringen en concrete betekenissen binnen het denken.

Grappig genoeg vond Sartres kennismaking met Husserl in het begin van de jaren dertig plaats in een café. Zijn vriend Raymond Aron wees hem daar op een glas op de tapkast en vertelde hem dat de Duitse filosoof Husserl zodanig kon praten over zo’n glas dat het filosofie werd. Dat sprak Sartre onmiddellijk aan. Voor hem vormen de dingen in hun ondoordringbaarheid (zelfs als ze doorzichtig zijn als glas) de grootste concreetheid. Dus moest filosofie in ieder geval daarover gaan. Alle objecten worden daarmee interessant, ook die in een café. Dat in het café (in ieder geval in Parijs) ook de mensen object worden en ondoordringbare buitenkant, maakt het café alleen maar interessanter voor hem.

Levinas heeft daar niets te zoeken. Ook hij is, in het voetspoor van Husserl, op zoek naar het concrete. Maar het meest concrete voor hem is geraakt te worden door anderen; dat heeft de grootste betekenis. Maar dat is precies wat in Sartres café niet gebeurt. Want in het Parijse café heerst wat Ger Groot noemt een sfeer van doelloosheid en bijna agressief individualisme. Levinas noemt het ook wel een niet-plaats voor een niet-gemeenschappelijkheid, voor een samenleving zonder solidariteit, een gemeenschap van het louter verstrooiende spel.

Nu moet ik zeggen dat deze karakterisering van het Parijse café voor mij enigszins nieuw is. Ik had me tot nu toe van de horeca aan de Rive Gauche in de jaren veertig en vijftig een wat romantischer voorstelling gevormd. Van terrasjes en kelders en café’s waar mensen tot diep in de nacht met elkaar in gesprek waren en waar intensieve, intellectuele ontmoetingen plaatsvonden.

Zo was het dus niet, maar dat zou wellicht meer naar Levinas’ smaak zijn geweest. Misschien had hij eens - althans voor de gemoedelijkheid - een Amsterdams bruin café moeten proberen.

Zie ook De dingen en de mensen en Levinas en Bergson