donderdag 26 april 2007

Zien en niet gezien worden


De mythologische figuur Gyges vindt ergens een ring die hem onzichtbaar kan maken. Vanaf het moment dat hij dat ontdekt glijdt hij af naar een toestand van volstrekte immoraliteit. Doordat hij ongestraft zijn gang kan gaan schaamt hij zich nergens meer voor. Hij begint mensen te bedriegen en dat loopt uit op verkrachting van de koningin en moord op de koning. Voor Plato, die dit verhaal vertelt, is er dus een duidelijk verband tussen onzichtbaarheid, schaamteloosheid en zedelijk verval.

Levinas grijpt graag terug op het verhaal van Gyges. Hij past het toe op het proces van wetenschappelijke kennisverwerving. Dat kenmerkt zich volgens Levinas door het afstand nemen van het te bestuderen object en het vellen van rationele oordelen daarover. Het is kortom het begluren van de wereld vanuit een schuilhut: zien en niet gezien worden.

Door deze opvatting van Gyges beoordeelt Levinas diens optreden, anders dan Plato, niet als alleen maar negatief. Natuurlijk is het onsympathiek om de wereld te reduceren tot dood materiaal dat je via experimenten en redeneringen naar hartelust kunt manipuleren. Maar we zullen wel moeten, een mens is nu eenmaal een voorstellend wezen dat de wereld reconstrueert in zijn hoofd en zich zo staande houdt. En ook al is die reconstructie illusoir, we kunnen niet anders. Bovendien is, aldus Levinas, het streven naar objectieve kennis iets zeer prijzenswaardigs: we maken daardoor voor elkaar de wereld toegankelijk.

Daarnaast hangt voor Levinas, anders dan voor Plato, schaamte niet samen met gezien worden maar met zien. Het is inderdaad maar de vraag of onaangedaan kijken wel mogelijk is. De manipulator (Gyges) kan, al is het maar voor een ogenblik, getroffen worden door wat zijn manipulatief geweld en objectiverende blik aanrichten in de wereld. De schaamte die dan optreedt komt van binnenuit en is daardoor niet afhankelijk van de zichtbaarheid van zijn daden. Die schaamte zal een corrigerende werking hebben op zijn omgang met de wereld.


woensdag 18 april 2007

Welk geweld heb je liever?


Sommige van zijn lezers menen dat voor Levinas de Ander bron is van een permanent schuldgevoel. Zover ga ik niet, voor mij gaat zijn werk meer over incidentele confrontaties met andere mensen die momenten van schaamte opwekken. Dus ik til minder zwaar aan zijn filosofie in die zin dat ik de mens niet gebukt zie gaan onder een permanent gevoel van tekortschieten ten opzichte van alle anderen.
Maar dat laat onverlet dat ik de term ‘confrontatie’ wel passend vind voor het beschrijven van de momenten waarop een ander mij terugfluit voor mijn zelfingenomen hooggestemdheid waarmee ik hem kwets. Zo’n terechtwijzing kan inslaan als een bom en mijn bestaan als imperialistisch ter discussie stellen. Dat kan voelen als een inbreuk op mijn soevereiniteit.

Je kunt die inbreuk best benoemen als geweld. Van Riessen spreekt over ‘de ander als storing’ en dat is wel adequaat uitgedrukt. Voor haar is dat niet per se negatief. Maar dat geweld kan voor lezers ook reden zijn om Levinas’ Ander te associëren met negativiteit en ongezellige zaken als het Boze Oog. Zij vinden Levinas maar somberstemmend.

Vergeten wordt dan dat, door die confrontatie, een ander geweld doorbroken wordt of op zijn minst terecht gewezen. Dat is namelijk precies het geweld dat gelegen is in die hooggestemde maar blinde soevereiniteit. Daar waar ik, bijvoorbeeld als manager, als vanzelfsprekend mijn plannen aan anderen opleg kan er sprake zijn van geweld. Weliswaar misschien niet direct herkenbaar als geweld, want ik heb er toch goed over na gedacht en ik heb toch het beste voor met de organisatie? Toch is het geweld. En het kan even heftig aankomen als bruut geweld, misschien wel juist vanwege de vanzelfsprekende macht die van goedbedoelde rationaliteit uitgaat. Daar zit iets listigs in. Geef mij dan maar het geweld van de confrontatie dat de listigheid doorbreekt. Het open vizier is mij liever dan het blinde geloof in de eigen ideologie.


woensdag 4 april 2007

Waarom Heidegger ons niet verder brengt


Dat doordenkende managementauteurs als Weick, Winograd en Flores zich laten inspireren door Heidegger is wel begrijpelijk. Als je los wilt komen van het denken over organisaties in termen van hokjes en harkjes dan biedt hij een bevrijdend perspectief. Hij stelt dat “knowledge lies in the being that situates us in the world”. Dat wil zeggen: kennis doen wij niet op door afstand te nemen en als buitenstaander verschijnselen te observeren, maar door actief betrokken te zijn in de wereld via werk en relaties. Heidegger verleent voorrang aan het zijn in de wereld en aan de praxis. De misleiding die uitgaat van modellen en structuren wordt zo doorbroken. Kennis is altijd ingebed in een handelende wijze van zijn die aan alles voorafgaat.

Tegelijkertijd stel ik bij de op Heidegger georiënteerde managementauteurs twee blinde vlekken vast. De eerste blinde vlek betreft de onwil tot communicatie die mensen kunnen vertonen. Het spontane handelende zijn gaat in hun beschrijvingen als vanzelf samen met een voortdurende bereidheid tot communicatie.

De tweede blinde vlek gaat over het verschil dat de ene mens maakt ten opzichte van de andere. Dat mensen fundamenteel van mening kunnen verschillen over de richting en het doel van hun handelen komt bij de genoemde auteurs niet ter sprake.

Ik ben geneigd om een samenhang te zien tussen die twee blinde vlekken. Die samenhang is naar mijn idee te herleiden tot de wijze waarop bij Heidegger het begrip Mitsein functioneert. Namelijk, als verwijzing naar een gedeelde werkelijkheid waarin wij mensen allen participeren. Wij delen Mitsein met elkaar als onderdeel van ons handelende zijn-in-de-wereld. Communicatie vloeit daar als het ware vanzelf uit voort.

Heidegger laat zeker ruimte aan individuen voor het op een eigen, oorspronkelijke manier opvatten van het primaire zijn, waarin zich het handelen afspeelt. Maar door de plaats die hij aan het Mitsein toekent verschuift de balans: het aandeel gemeenschappelijkheid in de wereldverheldering van mensen heeft een groot overwicht boven het aandeel oorspronkelijkheid daarin. Het zijn is primair één en gemeenschappelijk, ook al bestaat er een veelheid van persoonlijke inzichten in het zijn.

Dit kan verklaren waarom pluraliteit van opvattingen en diepgaande verschillen tussen mensen zo weinig aandacht krijgen bij auteurs die zich baseren op Heidegger. Zoals Safranski zegt: wat écht politiek denken is zal Hannah Arendt – ook als antwoord op Martin Heidegger – ontwikkelen: zo’n denken ontspruit aan het 'samen-en-met-elkaar-zijn' van wat verschilt.

Daar wil ik aan toevoegen dat we voor een uitwerking van het radicale verschil tussen de ene en de andere mens bij Levinas goed terecht kunnen.

Zie ook Klopt de wereld? en Als Heidegger filosofisch deugt...