vrijdag 26 juni 2015

Bij het vertrek van een hoofdredacteur


Zo vaak hecht ik me niet aan een hoofdredacteur, maar met Maurice Swirc van het Nieuw Israëlitisch Weekblad is dat anders.

Ik vond zijn hoofdredactionele commentaren – hoe kort ook – steevast de moeite waard. Hij behandelde daarin een enorme verscheidenheid aan onderwerpen, bekeek die met ruime, erudiete blik, en dat in een prettige stijl. Controversiële kwesties ging hij niet uit de weg, en hij durfde daarin positie te kiezen.

Over van alles is het gegaan. Bijvoorbeeld over de verhouding tussen Israël en de diaspora, en de Israëlische neiging om kritische diaspora-geluiden te diskwalificeren als verwend geklaag. Swirc maakte duidelijk dat de diaspora een relevante factor is voor de toekomst van de Joodse staat.

Hij maakte uitstapjes naar de Amsterdamse achterstandswijk Overtoomse Veld. Dat hoeft een hoofdredacteur van het NIW helemaal niet te doen, maar hij vond het relevant en constateerde uiteraard de omvang van het antisemitisme dat daar de gewoonste zaak van de wereld is. Hij refereert aan de angst die dat teweeg kan brengen bij Nederlandse Joden. Maar het doet hem niet de ogen sluiten voor de geïsoleerde positie van veel van die achterstandskinderen. Swirc is onder de indruk als blijkt dat geen van die kinderen ooit aan de centrumkant van de ringweg is geweest.

Na de aanslagen van januari in Parijs was er discussie over de vraag of we goede Joodse vertegenwoordigers hebben die kunnen aanschuiven bij actualiteitenprogramma’s en talkshows. Wat moeten ze doen om het goed te doen? Swirc suggereerde dat zij Joods Nederland op waardige en intelligente wijze moesten vertegenwoordigen. Hij zei er direct bij dat dat zo’n beetje de meest onmogelijke opdracht op aarde is.

Toch was het precies dát wat ik zo in hem waardeerde en wat maakt dat ik zijn vertrek betreur. In ieder geval wens ik Maurice Swirc een goed vervolg van zijn carrière.

Zie ook Antizionisme en antisemitisme

vrijdag 19 juni 2015

Directeur ethiek


Naar aanleiding van de Veolia-affaire heeft de NS besloten een ‘directeur ethiek’ aan te stellen. Je moet er toch niet aan denken dat je die functie krijgt. De verzelfstandiging van ‘de ethiek’ kan immers heel goed bedoeld zijn om de andere directeuren weer vrij spel te geven, want formeel is de ethische kant dan veilig afgedekt. Je zult, als directeur ethiek, gedwongen zijn om de andere directeuren in hun ambities af te remmen, terwijl zij voor hun gevoel met het échte werk bezig zijn. Jij bent dan de, waarschijnlijk weinig gerespecteerde, spelbreker.

Ik vat deze maatregel op als een illustratie van onze neiging in het georganiseerde leven om verregaand op te delen wat eigenlijk niet opgedeeld kan worden. Het is maar de vraag of ethiek los verkrijgbaar is, omdat het eigenlijk in alles aanwezig moet zijn. Ín de mensen, ín wat je met elkaar doet, en niet als een aparte categorie.

Betekent die laatste opvatting dat ik uitkom bij de ‘deugdenethiek’? Dat is de ethiek die propageert dat mensen deugden – zoals matigheid, moed, rechtvaardigheid – in hun karakter verankeren. Directeuren en andere organisatiemedewerkers zouden dan geen externe bewakende instantie meer nodig hebben, omdat ze vanuit zichzelf deugdzaam handelen.

Voor deze deugdenethiek is zeker wat te zeggen, in ieder geval kun je er moeilijk tegen zijn. Maar ik ben er geen grote fan van, omdat er een zweem van moeizaamheid omheen hangt. Je moet voortdurend aan je karakter werken, je hele leven lang oefenen. Ook daar is iets voor te zeggen, maar iets meer ontspanning mag wel van mij.

Bovendien: hoe meet je deugden, zonder meteen in de valse categorieën terecht te komen waar de ‘directeur ethiek’ ook een exponent van is? Als je deugden operationeel wilt gaan inzetten is het gevaar groot dat je morele kwaliteiten opnieuw reduceert tot afgebakende eigenschappen en weer buiten je plaatst.

Leuker is het, en ontspannener, om goede verhoudingen gewoon aan te treffen, te vinden in de werkelijkheid. Probleem is: als dat goede geen van te voren afgebakende, vaststaande categorie wil zijn, dan moet het steeds ter plekke nieuw ontstaan in de situaties en configuraties die optreden, in de relaties die zich voordoen. Dus eigenlijk niet zozeer in de mensen en de dingen, maar tussen wat er gebeurt. Dat heeft iets verrassends en onplanbaars.

Maar dat móet het ook wel hebben, want scherpe afbakening van categorieën kan ons vaak niet meer overtuigen. Denk maar aan de ‘directeur ethiek’.

Zie ook Definiëren van de wereld

vrijdag 12 juni 2015

Plato ontzenuwd?


“Van een volmaakte wereld weten we niets. Plato, die er nog in geloofde, hebben we allang ontzenuwd.” Dat schreef Rob Schouten onlangs in Trouw. Schouten beschouwt die afwerping van Plato als een fase van volwassenwording, en ik ben dat met hem eens. Maar ik heb zo mijn twijfels over de achteloosheid en vanzelfsprekendheid waarmee hij die ontzenuwing als een voldongen feit poneert.

In de Joodse traditie is Plato inderdaad niet storend aanwezig, maar hij is dat daar waarschijnlijk ook nooit zo heel erg geweest. Het Jodendom heeft oude papieren als het gaat om een niet-platonische, meer realistische kijk op goed en kwaad in deze wereld, zonder overigens de hoop op een messiaanse tijd te verliezen. Het besef dat het aardse leven ten volle geleefd moet worden, en niet inferieur is ten opzichte van ons geestelijke bestaan, zit van meet af aan diep verankerd in het Jodendom.

Maar andere instituties, die ooit bolwerken waren van platonisch denken, zijn dat naar mijn idee nu nog evenzeer als vroeger. Ik denk aan zulke verschillende grootheden als de Katholieke kerk, de wereld van management en organisatie, en de filosofiebeoefening.

Binnen de kerk gold de superioriteit van het geestelijke boven het lichamelijke vanaf het begin zo sterk, dat het beeld van de volmaakte mens voor de kerk onlosmakelijk gekoppeld was aan seksuele onthouding. Zowel voor mannen als voor vrouwen betekende dit dat de staat van maagdelijkheid verheven was boven de huwelijkse staat. Natuurlijk werd het huwelijk niet verboden, want voortplanting was belangrijk, maar de platonische hiërarchie was duidelijk. Bij mijn weten is dat, anders dan Schouten suggereert, nog steeds de officiële lijn van de RK kerk.

In management en organisatie is steeds, vanaf de periode dat men daar systematisch ging nadenken over organisaties, sterk de nadruk gelegd op een scheiding tussen denken en doen, beleid en uitvoering, met prioriteit in de zeggenschap voor de denkers en beleidsmakers. Voor de grondleggers van de organisatiekunde, zoals Frederick Taylor en Henri Fayol, gold dat als vanzelfsprekend uitgangspunt voor het bereiken van de hoogste efficiency en effectiviteit. In wezen is deze voorrang van het denken over het doen een platonische reflex. En al wordt dat principe regelmatig aangevochten en uitgedaagd, het is zeer sterk verankerd in ons georganiseerde leven.

Wat de filosofie betreft: voor zover die graag ‘ivoren toren’-werk doet, is dat een platonische aangelegenheid. Het zou daar ‘dieper’ en ‘fundamenteler’ toegaan dan in andere wetenschappelijke disciplines, en daardoor een echtere werkelijkheid vertegenwoordigen. De bijbehorende opvattingen van filosofie als ‘een voortdurende geestelijke oefening, waarbij het denken zonder vooropgezet doel over tijdloze vragen nadenkt’ of als het ‘bedrijven van ken-theorie’ zijn nog steeds zeer gangbaar. Ook daar gaan stemmen op die pleiten voor minder platonisch-filosofisch isolement en voor het meer nadenken over concrete zaken. Maar die stemmen hebben het pleit bepaald niet gewonnen.

De ontzenuwing van Plato is dus nog geen gelopen race. Zoals gezegd, ik denk wel dat de Joodse traditie hierin een voortrekkersrol vervult, en dat al eeuwenlang. Dat levert niet altijd keurige ordening of systeembouw op, laat staan een volmaakte wereld. Maar van Plato’s levensvijandige schema’s heb je daar in ieder geval minder last.

Zie ook Plato op het werk en Bijna

donderdag 4 juni 2015

Het weggeperfectioneerde leven


Minister Bussemaker heeft het goed begrepen: bij professionals zoals docenten aan hogescholen en universiteiten zijn werkplezier en mogelijkheden tot creativiteit van groot belang. “Ik ben geschrokken”,  zegt ze, “van verhalen van docenten die steeds meer tijd kwijt zijn aan bureaucratie; het leidt af van het lesgeven. Er zijn opleidingen die tachtig ordners aanleveren als bewijs dat zij doen wat ze moeten doen. Dat moet je niet willen.”

Toch kreeg ik een acuut gevoel van moeheid over me toen ik de eerste regels van het kranteartikel over dit onderwerp las. “Het toezicht op opleidingen in het hoger onderwijs is doorgeschoten. Sinds de diplomafraude bij Hogeschool Inholland is de verantwoordingsplicht dusdanig gegroeid dat die ten koste gaat van het verbeteren van het onderwijs. Minister Bussemaker gaat daarom de bureaucratie rond de opleidingskeuringen met de helft terugdringen.” Ik dacht: daar gaan we weer in de jojo, nu ongetwijfeld met indicatoren voor werkplezier en creativiteit, en over zes jaar na de volgende megafraude weer de andere kant op.

Dat gevoel van vermoeidheid zal ermee te maken hebben dat onze middelen tot controle, waar en hoe we die ook inzetten, zo waanzinnig perfect geworden zijn. Vroeger waren er ook standaarden en normen, maar daar glipte veel tussendoor. Ten goede en ten kwade, maar daar leefde je mee. De huidige middelen tot controle van elkaar – technisch, sociaal-psychologisch, bureaucratisch – zijn zo omvattend en vervolmaakt dat voor je gevoel soms alle leven uit ons bestaan wordt geperst.

Op een of andere manier dringt zich hier een vergelijking op met een ontwikkeling in de schilderkunst. Dat gevoel van levendodende perfectie krijg ik namelijk ook bij het bekijken van laat-negentiende eeuwse realistische schilderkunst. De beheersing van schildertechnieken was dusdanig dat de plaatjes meer dan fotografisch echt lijken (zie bijgaand schilderij uit 1889 van Eugène Buland). Dat is een vorm van perfectie, maar van een andere soort dan bijvoorbeeld Rembrandts perfectie. Rembrandt betrapt het leven en raakt iets wezenlijks. Uit de bedoelde realistische schilderkunst daarentegen is het leven weggeperfectioneerd, waardoor er iets onwezenlijks ontstaat.

Precies dat gevoel van onwezenlijkheid krijg ik soms bij onze bureaucratieën, mede als gevolg van onze volmaakte beheersingstechnieken. Valt daar nog te leven?

Nu ben ik de laatste om te ontkennen dan onze beheersingstechnieken ons veel goeds gebracht hebben, zoals een veilig land en een functionerende samenleving. En de jojo-beweging van meer naar minder controle en weer terug heeft ook zijn eigen logica, daar is misschien niets mis mee.

Maar tóch, er is dat gevoel van vermoeidheid. Als veel van de betrokken docenten dat gevoel ook kennen, dan is er wél iets mis. Dan voelen zij zich waarschijnlijk als pionnen waarmee op een beheersende manier geschoven wordt. Of als parameters in een systeem dat vooral bestaat uit indicatoren en stuurvariabelen. Of ze nu wel of niet hun eigen professionaliteit moeten/mogen inzetten, wel of niet bergen papier moeten invullen, alles wordt teruggebracht tot knoppen in een systeem, waar woorden als ‘eigenheid’, ‘reflectie’, ja zelfs ‘leven’ een moeizaam, zo niet verboden bestaan leiden.

Dit los je niet meer op door om de zes jaar te schuiven van meer naar minder bureaucratie en weer terug. Dit vraagt om een fundamenteel nieuw inzicht. Namelijk het inzicht dat een ander mens misschien wel eens écht anders, en totaal anders kan zijn, op een manier die jij niet kunt verzinnen en de minister ook niet. Daar worden woorden als ‘beheersen’ en ‘controleren’ ineens betekenisloos.

Probleem: een dergelijk inzicht druist wel zeer in tegen de tweeënhalfduizend jaar van Grieks-Westers autonomie-denken, waarin een mens geacht wordt alles te kunnen verzinnen en vanuit zichzelf te doorgronden. We zijn gedrenkt in dat denken, onze verantwoordingssystemen zijn erop gebaseerd. Het voelt als onverantwoord om daar een gaatje in te prikken.

Zie ook Meetbaarheid en Is veranderen uit?