donderdag 30 augustus 2018

Bottom up


Er is een opmerkelijke parallel tussen de berichten die ik lees over gewenste hervormingen in de Rooms-Katholieke kerk naar aanleiding van de misbruikschandalen, en de inspanningen van een groepje mensen waarin ik zit binnen de gemeente Amsterdam. De parallel is gelegen in de regelmatig geopperde wens om de organisatie (respectievelijk de kerk en de gemeente) bottom up te laten veranderen in plaats van top down: van onderop in plaats van van bovenaf. Als dat inderdaad de ambitie is van paus Franciscus voor de RK kerk, dan lijkt dat wel op de ambitie van mij en een aantal collega’s ten aanzien van verandering binnen de gemeente Amsterdam.

Dat die parallel kan optreden heeft ermee te maken dat er achterliggend meer punten van overeenkomst aan te wijzen zijn tussen Amsterdam en het Vaticaan. Om te beginnen is er de aard van die organisaties. Beide zijn het, elk op zijn eigen schaal, machinerieën, logge bureaucratieën, aan elkaar hangend van regelgeving en protocollen. Compleet met de machinaties van interne lobbies en stoelpootzagerijen die daarbij horen.

Verder zijn ze beide bedreven in het optuigen van goede pr. De kerk met behulp van het arsenaal van mooie woorden als vergiffenis, deemoed, zonde, en natuurlijk de mantel der liefde, Amsterdam met de presentatie van een swingend en flitsend imago. Er is, aan de binnenkant van beide organisaties, veel verstoorde communicatie, maar dat zie je niet direct dankzij de statige of gloedvolle buitenkant.

Een derde punt van overeenkomst vloeit daaruit voort. Door de discrepantie tussen het beeld dat de organisaties met succes van zichzelf neerzetten, en de werkelijkheid van de interne verhoudingen, is het lastig om tot een goede en eerlijk analyse te komen van de problemen die er spelen. Je kunt daar de conclusie aan verbinden dat voor beide organisaties de kans op werkelijke verandering ingeschat moet worden als gering.

In ieder geval lukt dat beide organisaties via de top down benadering maar moeizaam of helemaal niet. Toen Femke Halsema werd benoemd tot burgemeester van Amsterdam, kreeg  ze behalve felicitaties nogal wat waarschuwingen voor de slangenkuil die Stopera heet, waar al zoveel veranderenergie op is stukgelopen. Voor wat betreft het Vaticaan: het lijkt erop dat de paus al heeft afgezien van verandering van bovenaf. Er is te veel verstarring bovenin de organisatie en gebrek aan betrokkenheid onderin. Bovendien vindt Franciscus werken van onderop sympathieker.

Dat verklaart waarom de wens tot bottom up werken optreedt in zowel Amsterdam en het Vaticaan. Maar na het vaststellen van die parallel denk ik dat de kansen om die wens te vervullen voor de twee organisaties wel uiteenlopen.

In beide gevallen is, zoals gezegd, de uitgangssituatie niet gunstig. Bij de gemeente Amsterdam zal bottom up werken aan verandering lastig zijn, want door de vaak verstoorde interne communicatie is er op veel plaatsen gebrek aan vertrouwen. Maar, zeg ik mede op basis van eigen ervaringen, het kán soms wel. Het is moeilijk, maar niet onmogelijk. Daar houden mijn collega’s en ik ons aan vast.

Voor de RK kerk schat ik de mogelijkheden een stuk somberder in. Ik denk zelfs dat die mogelijkheden niet bestaan, althans zonder de identiteit van de kerk geheel kwijt te raken. Want die identiteit hangt aan elkaar van leerstelligheid, dus van leergezag, en dus van hiërarchie. Dat is ten enenmale onverenigbaar met bottom up veranderen.

Verklaart dat het mismoedig gebogen hoofd van deze overigens zo montere en communicatieve paus?

Zie ook Monseigneur Léonard en Het bestaat wél

vrijdag 24 augustus 2018

Terloopse zinnen


Het zijn subtiele hints en tussenzinnetjes, ik geef het toe. Ze zijn van een tussen-neus-en-lippen-door terloopsheid, maar qua impact niet te onderschatten veelzeggend. Ik doel op twee verstopte zinnetjes, de ene uit een krantenbericht, de andere uit een boekrecensie.

Het krantenbericht ging over de nieuwe opstelling van de vaste collectie van het Tropenmuseum. Onder de titel Things That Matter groepeert het museum zijn voorwerpen rondom tien vragen, die elk een paviljoen hebben op de begane grond. Het gaat om vragen zoals ‘Wanneer voel jij je thuis?’ of ‘Verandert het klimaat jouw cultuur?’. De getoonde voorwerpen worden toegelicht door middel van filmpjes en geluidsopnamen, waarin hedendaagse personen iets vertellen over de betekenis ervan voor hen.

Op zichzelf vind ik dit een creatieve en aansprekende manier om voorwerpen, mensen en actuele gebeurtenissen met elkaar te verbinden en te presenteren. Waar ik aan blijf hangen is de vraag ‘Waar kom je voor op?’, en de vanzelfsprekendheid waarmee die vraag via een opzwepende rap in combinatie met traditionele Arabische kleding gekoppeld wordt aan de strijd tegen Israël van een Palestijnse activiste.

Laat me duidelijk zijn, ik begrijp de woede van de Palestijnen en hun strijd voor een eigen land. Maar ik struikel over de opzet van het Tropenmuseum om via opstelling van hun vaste collectie Israël te maken tot een iconische boeman. Meteen voor vijf jaar (semi-permanent) is de zaak op deze manier ingericht. Dat getuigt niet van veel hoop op een oplossing op korte termijn, en dat mag een realistische inschatting zijn, maar het effect is wel dat de vijandschap van Israël hier museaal bekrachtigd wordt als een vanzelfsprekend, zeg maar Metafysisch Kwaad.

Met in de afgelopen drie jaar inmiddels meer dan 10.000 Jemenitische doden door de schaduwoorlog tussen het Soennitische Saoedi-Arabië en diens Shi’itische tegenhanger Iran, lijkt me ‘Waar kom je voor op?’ ook zeer toepasselijk als vraag aan een Jemenitische vrouw in haar strijd tegen Arabische en Iraanse inmenging. Of wat te denken van een Syrische rebel die weigert om zich neer te leggen bij de dictatuur van Assad? Maar iedereen voelt meteen: daar kan het Tropenmuseum niet aan beginnen. Waarom eigenlijk niet?

Een ander bericht, met een andere strekking maar van eenzelfde soort terloopsheid, komt uit de bespreking van het boek Schaduwoorlog. Israël en het geheime liquidatieprogramma van de Mossad van Ronen Bergman. Je laat je bij het lezen van de bespreking een tijd lang, via de recensent en de auteur Bergman, meevoeren in de verontwaardiging over de vele moorden door de Israëlische geheime diensten en het morele verval dat daarmee gepaard gaat. Op een gegeven moment gaat het over de moordcampagne tegen de bommenmakers en aanslagplegers van Hamas begin jaren 2000, en dan lees je in een bijna achteloos geplaatst zinnetje dat, zonder die campagne, “het land waarschijnlijk ten onder was gegaan”.

Tja, wat moet je dan? Dan maar geen Joodse staat?

Zie ook Levinas en Israël

vrijdag 17 augustus 2018

Markt en democratie


Liberale democratie en markteconomie worden altijd in één adem genoemd, als bij elkaar behorende zaken. De twee zouden elkaar wederzijds vruchtbaar beïnvloeden.

De liberale democratie doet dat door in de staatsinrichting individuele vrijheid, ruimte voor afwijkende meningen en eigen initiatieven te waarborgen. Dat heeft een stimulerend effect op ondernemingszin, creativiteit en innovatie, en daarmee op de markteconomie.

De markt doet dat doordat daar – in vergelijking met een standenmaatschappij of dictatoriale samenleving – (in principe) voor iedereen gelijke toegang en kansen gelden. En doordat economisch zelfstandige, op de markt opererende mensen het soort zelfbewustzijn ontwikkelen waar burgerschap van gemaakt is. Dat is weer nodig om te participeren in de publieke zaak, en voor het functioneren van de liberale democratie.

Wanneer de markt uitsluiting en té grote ongelijkheden creëert moet hij door de staat worden ingetoomd, maar met behoud van de essentiële vrijheden die voor het functioneren van de markt nodig zijn.

Tot zover de theorie van het naoorlogse liberalisme. Maar hoe zit het met het neo-liberalisme, dat sinds de jaren tachtig en negentig opgeld doet in het Westen? Daarin lijkt de markt de economie te hebben overvleugeld. De dominantie van de economie is nu zo groot dat essentiële taken van de liberale democratie in gevaar komen, zoals onderwijs en het onderhouden van een gelijk speelveld. Bovendien lijken vooral de (heel) hoge inkomens te profiteren van de groeiende economie. De lonen van gewone burgers stijgen niet of nauwelijks, met negatieve gevolgen voor de identificatie van de gewone burger met zijn democratische staat.

Deze analyse van onze situatie in het neo-liberale tijdvak wordt veel gemaakt, en daar word ik niet vrolijk van. Wél grappig vind ik om te lezen dat economische krachten, ook de neo-liberale, nog steeds een corrigerend effect kunnen hebben op repressieve regimes. De val van de Turkse lira bijvoorbeeld staat in rechtstreeks verband met het autocratische optreden van de Turkse president Erdogan. Toen deze zijn schoonzoon benoemde tot minister van Financiën zakte de Turkse munt direct in waarde door zorgen over de onafhankelijkheid van de Turkse centrale bank. Dat is een goed liberale reflex, zou ik zeggen. Net zoals de inzakkende prijzen van tweedehands dieselauto’s, als gevolg van antivervuilingsmaatregelen in Duitse steden.

Zie ook AAA

vrijdag 10 augustus 2018

Natiestaat


De onlangs door de Israëlische Knesset aangenomen ‘Joodse natiestaat’-wet bevestigt wat ook al in de Onafhankelijkheidsverklaring van 1948 stond. Namelijk dat Israël de natiestaat is van het Joodse volk, waarin het zijn natuurlijk recht op culturele, historische en religieuze zelfbeschikking realiseert. Die woorden zijn niet nieuw, wél nieuw is het schrappen van de rechtsgelijkheid voor al zijn burgers en de versterking van de positie van de Joodse meerderheid ten opzichte van etnische, culturele en religieuze minderheden. Ik maak me zorgen om die nieuwe wet.

Niet vanwege de schok die een gemiddeld verlichte, universeel denkende westerling voelt als er woorden gebruikt worden zoals ‘nationale bestemming’, het belang van een ‘nationale taal’ en een duidelijke ‘eigen identiteit’.

Het feit dat wij die schok kunnen voelen getuigt van een enorme luxe. Onze eigen Europese natiestaten zijn al lang zodanig veilig gesteld dat het voortbestaan vanzelfsprekend is en nooit inzet van discussie. Waardoor je vanuit een veilige basis verdergaande verbanden kunt verkennen, zoals de EU of het streven naar mondiale gerechtigheid.

Die luxe heeft Israël niet, en de aandacht (en mensenlevens) die het sinds zijn ontstaan heeft moeten besteden aan het eigen overleven wordt door het Westen vaak niet goed begrepen. In tijden van groeiend grensoverschrijdend denken wordt Israëls concentratie op eigen identiteit en voortbestaan, inclusief de bijbehorende symboliek van volkslied, vlag en eigen hoofdstad, al gauw opgevat als een negentiende-eeuws anachronisme dat Europa al lang achter zich gelaten heeft.

Maar als je weet dat veel Europese natiestaten sinds jaar en dag in hun constituties ook verklaren voor het eigen volk op te komen en alleen officiële status toekennen aan de taal van de meerderheid, dan wordt het verschil tussen Israël en het Westen wat minder. Als bovendien blijkt, zoals in recente jaren, dat maar nét wat grotere migrantenstromen of globalisering nodig zijn om nationalistische protestbewegingen als Front National of PVV groot te maken, dan is er aanleiding tot enige herbezinning op de vraag hoezeer we ook in het Westen die nationale verankering toch wel keihard nodig hebben.

Bovenstaande overwegingen relativeren het mogelijk schokkende karakter van de nieuwe Israëlische wet nogal. Waarom maak ik me dan toch zorgen?

Dat heeft ermee te maken dat de nieuwe wet beslist een verslechtering inhoudt van het rechtsstatelijk karakter van Israël. Want hoewel gelijkheid voor Joodse en Arabische Israëliërs tot nu toe soms ook al ver te zoeken was (denk aan gescheiden wegenstelsels, de mogelijkheid om te dienen in het leger, subsidies te krijgen), was die ongelijkheid niet in een fundamentele wet vastgelegd. Nu wel, bijvoorbeeld als het gaat om het laten vallen van het Arabisch als officiële taal, en doordat de passages geschrapt zijn die minderheden beschermen volgens “de principes van vrijheid, rechtvaardigheid en vrede zoals onderwezen door de profeten van Israël”.

Tot nu toe had het Hooggerechtshof een basiswet tot zijn beschikking die kon leiden tot gunstige uitspraken voor Arabische Israëliërs die een beroep deden op gelijkberechtiging. Dat waren momenten waarop het rechtsstaat-karakter van Israël duidelijk naar voren kwam. Door de nieuwe wet zal het Hooggerechtshof minder juridische basis hebben om te beslissen in overeenstemming met het visioen van de Profeten.

Dat is zorgelijk. Opmerkelijk is dat de protesten hiertegen vooral uit progressief-Joodse hoek klinken, dat wil zeggen, afkomstig zijn vanuit Conservative en Liberaal-Joodse groeperingen. Zou het toch waar zijn dat zij het profetische geluid serieuzer nemen dan de Joodse Orthodoxie?

Zie ook Toen was naïviteit heel gewoon

donderdag 2 augustus 2018

Integratie en dictatuur


Ik geloof Mesut Özil voor honderd procent als hij vertelt over subtiele en vernederende vormen van discriminatie waarmee een in Duitsland geboren Turk te maken krijgt, ook als hij een succesvolle voetballer is.

Ook voor in Nederland geboren Turken en Marokkanen geldt dat er, zo niet formele, dan toch allerlei informele onderscheidingsmechanismen werkzaam zijn waardoor je je afvraagt of je wel geaccepteerd bent. Om wanhopig van te worden.

Maar tegelijkertijd ben ik bang dat integratie zo werkt. Zelfs als je ervan uitgaat dat zowel de ontvangende als de ontvangen partij oprecht zijn in hun bedoelingen, dan nog neemt het gemakkelijk generaties in beslag voordat volledige integratie een feit is.

De indaling van het besef dat het dus weleens veel langer kan duren dan we in optimistische buien hopen kan leiden tot frustratie of overdreven aangezet cynisme. Ik denk dat dat met minister Blok aan de hand is geweest. Die heeft ooit gemeend, blijkens zijn toenmalige optreden als voorzitter van een Kamercommissie die zich boog over het succes van integratie, dat de integratie “geheel of gedeeltelijk geslaagd” was. Nu beschouwt hij de multiculturele samenleving in Nederland als mislukt, en in het algemeen als kansloos, vanwege de menselijke genen, waardoor we “geen binding kunnen aangaan met ons onbekende mensen”.

Ik stel me voor dat Bloks recente uitspraken voortkomen uit die frustratie, in combinatie met het publiek dat hij op 18 juli toesprak: een gezelschap van Nederlanders die werkzaam zijn bij internationale organisaties zoals de VN en hulporganisaties, en die hij waarschijnlijk heeft ingeschat als multiculti-ijveraars en naïeve optimisten. Zij moesten maar eens het lesje leren dat hij zelf gekregen had, en daarom confronteerde Blok hen met de harde realiteit.

Hoe het ook zij, langs twee verschillende wegen komen Özil en Blok tot dezelfde vaststelling, namelijk dat integratie nog niet zo simpel is als we dachten. Die vaststelling hoeft niet per se negatief te zijn. Ik zie iedere reality check als winst, en die hoeft de inzet voor een gezamenlijke toekomst en integratie niet in de weg de staan. Integendeel, er kan nieuw elan uit voortkomen om te werken aan lotsverbondenheid.

Tegelijkertijd laat het zien dat het denken over integratie soms wel erg armoedig is. Aan de kant van Blok constateer ik dat hij, als integratie taaier is dan gedacht, terugvalt op gemakzuchtig cynisme, en de onmogelijkheid proclameert van integratie op grond van ons biologische gestel.

Aan de kant van Özil constateer ik gedachtearmoede wanneer hij geslaagde integratie afmeet aan de acceptatie van zijn enthousiaste omhelzing van een dictator. Dan maak je het wel erg lastig. Want van die omhelzing kan voor westerlingen alleen maar dreiging uitgaan, dat hoor je te begrijpen.

Mijn stelling is dat die dreiging niet uitgaat van djellaba’s of hoofddoeken op zichzelf – wat je zou kunnen denken als je somber bent over integratie omdat mensen vreemd zijn voor elkaar. Ik denk dat Duitsers en Nederlanders over die dingen op zichzelf niet zo moeilijk doen. En als er tóch van een hoofddoek of djellaba dreiging uitgaat, dan is het die van een achterliggende dictator.

Dat onderscheid moeten Blok en Özil en wij allemaal dus blijven maken. Dat is wezenlijk voor het succes van onze integratie.

Zie ook Eigenaardigheden en Met en zonder hoofddoek