vrijdag 19 oktober 2018

Vaagtaal


In een artikel op de site liberaalchristendom.nl stelt de theoloog Jan Offringa vast dat Israël tot nu toe een speciale positie inneemt in de Christelijke theologie. In de Kerkorde van de Protestantse Kerk Nederland (PKN) wordt gesproken over een “onopgeefbare verbondenheid met Israël.” Offringa vraagt zich af waarom dat zo is.

Offringa meent dat de Protestantse kerk prima kan zonder Israëltheologie. Hij snapt dat er vanuit de ontstaansgeschiedenis van het Christendom belangstelling is voor het Jodendom, en dat de Sjoa dwingt tot verscherpte reflectie op de verhouding tussen Christendom en Jodendom. Maar verwantschap met het Jodendom moet je niet overdrijven, die is er ook met andere godsdiensten. Daarom pleit Offringa ervoor de Israëlzondag af te schaffen en er een zondag over de relatie tussen het Christendom en het Jodendom van te maken, aangevuld met een zondag over de verhouding met de Islam of het Boeddhisme. Israël is een belangrijke ander, maar toch niet de enige, aldus Offringa. Hij roept ertoe op om de onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël om te zetten in een onopgeefbare strijd tegen antisemitisme en elke vorm van discriminatie op grond van ras of geloof. En om geen religieuze argumenten te gebruiken om “het stukje land”, aldus Offringa, van Israël te rechtvaardigen.

Op het artikel van Offringa kwamen allerlei reacties. Onder anderen van Rachel Reedijk, die er op wees dat Offringa’s stellingname er niet toe zou mogen leiden dat Israëls bestaansrecht wordt ontkend. Dan zou een grens worden overschreden. Bovendien, hoever kun je gaan in het losmaken van de Hebreeuwse Bijbel, die toch ook onderdeel is van de Christelijke Bijbel, van zijn context? Verhalen hebben zich in dat landje aan de Middellandse Zee afgespeeld “en niet op de Tibetaanse hoogvlakte”, aldus Reedijk.

Daarnaast las ik een reactie van predikant Wouter Klootwijk. Hij stelde dat de Protestantse kerk de staat Israël helemaal geen religieuze betekenis wil toekennen. Wel erkent de kerk dat de staat voor veel Joden onderdeel is van hun identiteit en van grote betekenis, maar dat is wat anders.

Zelf vind ik over het geheel genomen de tekst van Offringa sympathiek geschreven, en afgewogen van karakter. Waar ik aan blijf haken, is het motief dat Offringa geeft voor zijn actie. “Ik wil de mist doen optrekken in de relatie tussen kerk en Israël. De mystificaties vragen om opheldering”, en met die mystificaties doelt hij op termen als ‘onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël’ en ‘uitverkiezing’. “Onbedoeld bevestigen de uiteenlopende reacties in Trouw mijn stelling dat het terrein van kerk en Israël een grote mistbank is. Allerlei vaagheden, misverstanden en schuldgevoelens lopen door elkaar heen.”

Ik moet zeggen, dat herken ik wel een beetje. Ik houd zelf ook erg van helderheid en kan bij momenten kriegel worden van speculaties, vage verbanden, mistige termen. ‘Uitverkoren volk’ en ‘landsbelofte’ horen daar soms bij, maar ook de verwarring die kan ontstaan over de verhouding van de termen volk, religie, staat, en land tot elkaar. Wanneer ik in de liberaal-moderne stand sta wil ik het clair et distinct hebben (Descartes) en erger ik me aan allerlei onnavolgbare categorievermengingen en particuliere gehechtheden die een verlicht mens kwijt zou moeten willen. In hoeverre mag een modern denkend mens zich nog hechten aan “een stukje land”?

Maar ik weet ook dat de werkelijkheid zich minder houdt aan de heldere categorieafbakeningen dan het moderne Westerse gemoed zou willen. Hoe je ook je hoofd erover breekt, een strikte eenduidige afbakening tussen volk, geloof, land en staat is in het geval van Israël simpelweg niet te maken.

Dat ras en geloof geen rol mogen spelen is niet zozeer het probleem, daar zijn de meeste mensen het wel over eens. De storende meerduidigheid begint juist waar de begrippen volk, land en staat ook onderdelen zijn van identiteit van mensen, zoals Klootwijk zegt. Maar het heeft iets gemakzuchtigs om die categorieën dan maar liefst uit je denken weg te zuiveren.

Dat is op allerlei manieren al eerder geprobeerd. Aan het eind van de achttiende eeuw wilde men op de golven van het universaliserende Verlichtingsdenken de term ‘Joodse natie’, voor de aanduiding van de Joden in Nederland, vervangen door te spreken over een groep ‘Nederlanders van de mozaïsche confessie’.

En vandaag de dag pogen Joden in de diaspora vaak te voorkomen dat zij in verband worden gebracht met onsympathiek gedrag van Israël. Wat er in Israël gebeurt, mag vooral niet terugslaan op Joden in de rest van de wereld. Dat die afschermingspoging iets kunstmatigs heeft en daardoor niet echt werkt, werd ooit goed verwoord door Esther Voet, hoofdredacteur van het NIW. Zij vroeg zich af: als wij er zelf al niet in slagen om Jodendom en Israël uit elkaar te houden, hoe kunnen we dan van buitenstaanders verwachten dat ze dat wel doen?

Mijn drang naar heldere categorisering en eenduidigheid moet het dus regelmatig afleggen tegen werkelijkheden van historische, culturele of religieuze aard die weigeren zich in mijn categorieën te laten persen. Historisch gegroeide verbanden verdragen zich (misschien wel meestal) niet zo lekker met het verlangen naar eenduidige helderheid. De onmogelijkheid om heldere schotten te plaatsen tussen Joods volk, Joodse religie en Joodse staat behoort daartoe.

Tegen die weerbarstige werkelijkheid moet Offringa toch vaker aanlopen, denk ik dan. Want in de Christelijke kerk barst het ook van de vaagtaal waar mijn liberaal-moderne gemoed het moeilijk mee zou hebben. Denk aan uitdrukkingen als ‘één-zijn-in-Christus’, de kosmische betekenis van ‘Jezus-als-de-Christus’, struikelt hij daar dan niet over?

Misschien denkt Offringa: ik heb mijn handen al vol aan mijn eigen traditie, ik kan de Joodse vaagtaal er niet bij hebben.

Zie ook Bij Kaag ontbreekt een dimensie

woensdag 3 oktober 2018

Bij Kaag ontbreekt een dimensie


Laat ik vooropstellen dat ik Sigrid Kaag een sympathieke vrouw vind, zowel in haar intenties als in haar acties. Het hart zit op de goede plaats bij deze minister, wat blijkt uit haar inzet voor brandhaarden wereldwijd en haar oproepen om je stem te laten horen waar onrecht plaatsvindt. Maar ik ben bang dat zij in haar analyse van de problemen waar wij als samenleving en zij als minister van ontwikkelingssamenwerking voor staan tekort schiet.

Dat maak ik op uit de Abel Herzberglezing die zij afgelopen zondag hield en die ik tot me heb genomen via de verkorte versie ervan in Trouw. Het trof me in die lezing dat er in het wereldbeeld van Kaag niet veel zit tussen de dimensie van het individu en de dimensie van de universele menselijke waardigheid.

Om met dat laatste te beginnen, warm wordt Kaag van het “geïnstitutionaliseerde antwoord op de leegte van Herzberg”. Met die leegte – of stilte – doelt zij op het akelige gebrek aan proteststemmen tegen de nazi’s voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog. En het antwoord daarop, voor Herzberg en voor haar, is het grotendeels naoorlogse stelsel van internationale samenwerking en bewaking van mensenrechten. Na de rampen van twee wereldoorlogen en de Shoa, bieden onder andere de Europese Unie en de Europese mensenrechten een zekere institutionele garantie voor de bescherming van menselijke waardigheid.

Daarnaast spreekt ze met enthousiasme over een andere dimensie van het menselijk bestaan, wanneer het gaat over het belang van een eigen identiteit voor iedere mens. Dat is in haar presentatie steeds een geheel individueel bepaalde identiteit. “Identiteit is nooit monolithisch, maar gelaagd en complex. Identiteit wordt gevormd door opvoeding, door vrienden die je maakt, door boeken die je leest, door reizen die je maakt, door ontmoetingen met wildvreemden en door persoonlijke ambitie en ontwikkeling”. Ieder mens heeft het recht op die manier zijn eigen identiteit te creëren.

Wat ik, tussen die twee dimensies in, mis, is een tussenliggende identiteit, namelijk die van de natie of etnische, al dan niet religieuze, groep. Ze noemt hem wel, maar dan vooral in negatieve zin, als ze de populisten van vandaag benoemt. Zij zijn onruststokers die de internationale orde afdoen als cultuur-marxistisch project, die manipuleren en schermen met halve waarheden, en terug willen naar een romantisch negentiende-eeuws nationalisme. We weten allemaal over wie dat gaat.

Terecht wijst Kaag op de grote gevaren daarvan. Maar natiestaten, net als etnische en religieuze groepen daarbinnen, hebben de afgelopen eeuwen ook een constructieve rol gespeeld. Ze waren de broedplaatsen voor democratie, politiek debat en rechtsstatelijkheid, en vehikels voor onderwijs en verheffing van hun burgers.

Die dimensie komt bij Kaag alleen ter sprake op een meer terloopse wijze, als ze haar eigen Nederlandse achtergrond beschrijft en vertelt wat ze daaraan te danken heeft. Maar meer fundamenteel lijkt die dimensie bij haar geen rol te mogen spelen, hij krijgt geen stevige plaats in de structuur van haar lezing als een categorie sui generis. Identiteitsvorming op het niveau van de etnische groep of de natie lijkt bij haar toch vooral verdacht te zijn, te omschrijven als ‘tribaal identiteitsdenken’.

Terecht zegt Kaag dat mensen niet kunnen worden gereduceerd tot één kenmerk van hun wezen. Tot de kosmopoliet, de immigrant, de Moslim, de Jood. Of vul aan: de Nederlander, de Fransman, de Kroaat. Maar het lijkt erop dat veel van die groepsidentiteiten wat haar betreft beter helemáál geen plek kunnen krijgen. Want dat soort identiteit heeft de neiging ‘de angst voor de ander’ aan te wakkeren.

Dat vind ik problematisch, en wel om de volgende redenen.

In de eerste plaats omdat in veel landen in West-Europa dat niveau van de groep of de natie nog steeds een houvast blijkt te bieden aan veel ‘gewone’ mensen. Vooral als die mensen niet zo veel hebben met de twee andere polen die Kaag omhelst: zij zijn niet van die bewust gevormde individuen en nemen weinig of niet deel aan de globalisering, hebben daar eerder last van. De middencategorie van de natiestaat en de groepsidentiteit biedt hen stevigheid. Moet je dat negeren of daar laatdunkend over doen, omdat je dat zelf overstegen hebt?

Verder hebben natiestaten zich vooralsnog meer overtuigend bewezen als complete rechtsorde dan de ideële internationale structuren waar Kaag over spreekt. Hannah Arendt heeft indringend beschreven hoe weinig haar ‘universele menselijke waardigheid’ haar hielp toen ze op de vlucht was voor Hitler. Burgerschap van een fatsoenlijk land, dát had ze nodig. Zo is het vandaag de dag nog steeds voor statenlozen of inwoners van barbaarse staten. Dat dat schreeuwt om verdere uitwerking van ons internationale rechtsstelsel ben ik helemaal met Kaag eens, maar dat mag er niet toe leiden de verdienste van de feitelijke bescherming die nationaal burgerschap biedt te onderschatten. Dat is geen romantisch gegeven, maar eerder een soort organisatieprincipe, uitgaande van wat werkt.

Tenslotte vind ik het iets ironisch hebben dat uitgerekend in een lezing die is genoemd naar Abel Herzberg de tussendimensie van het nationale en etnische ontbreekt. Want als er iemand was die, met al zijn appreciatie voor de verlichtingsidealen van menselijke waardigheid en gelijkheid, doorhad dat die idealen concrete inbedding nodig hebben binnen historisch gegroeide lotsgemeenschappen, dan was het wel Abel Herzberg. En dat al op een moment – ruim vóór Hitlers machtsgreep in 1933 – dat je nog kon geloven in de werkzaamheid van die idealen zoals de meeste van zijn ontwikkelde mede-Joden in die tijd ook deden. Hij koos, tegen de op assimilatie gerichte hoofdstroom in, al in 1912 voor het zionisme, omdat hij het belang van het middenniveau van een eigen Joodse staat op waarde wist te schatten.

Tribaal? Zo zou Kaag Herzbergs stap destijds misschien gekwalificeerd hebben, als ze tijdgenoot was geweest. Handelde Herzberg uit angst? Hij was, geloof ik, niet zo’n angstige man, maar hij moet een voorgevoel hebben gehad dat de situatie voor Joden in het verlichte Westen wel eens rampzaliger uit zou kunnen pakken dan menigeen zich kon voorstellen.

Nee, die kant van Abel Herzberg is beslist niet Kaags cup of tea. Dat is jammer voor zo’n sympathieke minister. Misschien is het een idee als Sigrid Kaag en Stef Blok met elkaar eens een discussie op het scherp van de snede zouden voeren?

Zie ook Grenzen en Erbij horen

donderdag 27 september 2018

(Niet-)Klaar voor democratie


Stevo Akkerman schreef vorige week over de golf van optimisme na de val van de muur in 1989. In Oost- en Midden-Europa zouden liberale en democratische regimes gaan opbloeien, zo was de heersende verwachting daar ter plekke en bij de toeschouwers in West-Europa, waaronder Akkerman. Inmiddels heeft de teleurstelling toegeslagen. In Polen en Hongarije zijn regeringen bezig om de rechtsstaat uit te hollen, in tal van Midden-Europese landen wordt de pers gemuilkorfd, worden minderheden geminacht en is de bestuursstijl autoritair.

De Midden-Europese afkeer van de klassiek-liberale idealen noemt Akkerman deels een reactie op West-Europese arrogantie, maar “meer nog het resultaat van het gevecht om de macht en om de lucratieve posities”. En waarom dat het geval was, verwoordt hij op een mooie manier: “Na 1989 lag in Midden-Europa geen fijnmazig systeem gereed van maatschappelijke krachten en tegenkrachten, geen gestaag gegroeid organisme van meegeven en terugduwen, nee, hier kon democratie alleen maar beteken: wie wint, is de baas en heeft het voor het zeggen.”

Waarbij je voor de maatschappelijke krachten en tegenkrachten kunt denken aan, om maar een historisch voorbeeld te noemen, de wisselwerking tussen beschermde gildes enerzijds en vrij gevestigde nieuwkomers anderzijds, en de regulerende positie van de overheden daartussenin. En bij meegeven en terugduwen aan enerzijds het tolereren van vrijdenkers en anderzijds het intomen ervan, waar bijvoorbeeld de Republiek der Verenigde Nederlanden sinds de 16e eeuw mee had leren schipperen. En misschien nog het belangrijkste: aan de manieren waarop burgers, ondersteund door overheden en rechtsinstanties, manieren hadden gevonden om hun onderlinge belangenconflicten en zakelijke op redelijke wijze te beslechten.

Daarmee wil Akkerman zeggen dat, lang voordat de democratie in West-Europa in formele zin gevestigd werd, er tendensen werkzaam waren die daarvoor de basisvoorwaarden schiepen. Omdat er al een heleboel in ordelijke, sociabele maatschappelijke banen geleid werd kon uiteindelijk de officiële democratie succesvol zijn. De democratie was als het ware al eeuwenlang voorbereid.

Historicus Bas van Bavel zegt het in zijn boek De onzichtbare hand als volgt. “Relatief egalitaire en vrije samenlevingen als de Lage Landen in de 13e eeuw, waar verschillende bevolkingsgroepen een zekere invloed hadden op het stadsbestuur, zijn een noodzakelijke voorwaarde voor het ontstaan van markten voor grond, arbeid en kapitaal.” En het bestaan van dat soort markten behoren wat mij betreft tot de basisvoorwaarden voor een democratie. Zij creëren vaardigheden en vertrouwen binnen een samenleving, die je kunt beschouwen als het maatschappelijk kapitaal waar uiteindelijk ook de democratie van leeft.

Het belang van die vaststelling is groot. Het kan niet vaak genoeg gezegd worden dat in West-Europa, waaronder Nederland, de democratie al eeuwen was voorbereid. Daaraan heeft het waarschijnlijk ontbroken in Midden-Europa. Je kunt daar de conclusie aan verbinden dat het mogelijk nog decennia gaat duren voordat in Midden-Europa een vorm van liberale democratie écht wortel kan schieten.

Zie ook Markt en democratie

vrijdag 21 september 2018

Trumps uitverkoren land


Ik vond het wel wat hebben, dat Israël in de loop van de laatste jaren in een realistischer daglicht kwam te staan.

Zolang de buren Irak, Syrië, Egypte black boxes waren, waarvan we wel wisten dat dictators er de dienst uitmaakten maar waar je niettemin als toerist leuk terecht kon, was er in het Midden-Oosten eigenlijk maar één probleem en één brute actor. Daar wonden betrokken mensen in het Westen zich over op.

Nu de black boxes, met name na de ‘Arabische Lente’, al een tijdje open staan, tot in Jemen toe, is het voor iedereen duidelijk geworden hoeveel wreedheid het hele Midden-Oosten herbergt. Het zit vol met bruut geweld, met een omvang waartegen de Israëlische bruutheid nog relatief beschaafd afsteekt.

Wil Israël zich in die omgeving handhaven, dan zal het zijn mannetje moeten staan. Zo bezien is het een opmerkelijke prestatie dat het land op veel vlakken nog aanvoelt als een Westers land met veel interne discussie, veelkleurige media en een functionerend rechtssysteem. Er is beslist meer corruptie dan in Nederland, de omgangsvormen zijn er harder, en de arrogantie tegenover de Palestijnen is stuitend. Maar er is ook veel herkenbaar, zeg maar ‘normaal’ voor het Westerse gemoed.

Het feit dat de Palestijnse kwestie ook in Israël voor veel discussie en ongemak zorgt beoordeel ik als positief. Ik zie ook wel dat ondertussen de bezetting gewoon is voortgegaan en dat er weinig echt geïnvesteerd werd in vrede. Maar Netanjahoe kon zich tot nu toe niet zomaar alles veroorloven, vanwege binnenlandse oppositie en omdat Europa, maar vooral de VS dat met argusogen volgden.

Tot zover was ik dus gematigd gestemd omtrent de situatie in en rond Israël. Sinds Trump de Palestijnen in het nauw drijft, is dat anders. Ik beoordeel de situatie een stuk somberder, nu Trump hun erkenning terugdraait en hun financiering afknijpt en op alle fronten eenzijdig Israël steunt. Van terughoudendheid zal bij de Israëlische haviken steeds minder sprake zijn, van machtsarrogantie des te meer. Een triomfalistische overwinningsroes zal zich van hen en misschien het hele volk meester maken. De verelendung van de Palestijnen zal explosieve vormen aannemen. Dat kan voor mijn gevoel niet goed gaan.

Je zult maar Trumps uitverkoren land zijn.

Zie ook Er verandert niet veel

vrijdag 7 september 2018

Religieuze infrastructuur


Sommige mensen zijn religieus aangelegd, andere niet. Bij mensen die het hebben, heeft die religieuze aanleg sinds mensenheugenis zijn eigen dynamiek. Die kent soms de vreugde van de religieuze extase, dan weer de zwaarte van een zondebesef, de troostende routine van dagelijks gebed en bijna altijd de beleving onderdeel te zijn van een groter geheel.

Zoals gezegd, sommige mensen zijn daar ontvankelijk voor, andere niet. Mijn intuïtie van de koude grond zegt dat het percentage religie-gevoeligen in ieder samenleving wel zo’n twintig procent van de bevolking uitmaakt.

De vorm waarin deze religieus aangelegde groep zijn aanleg kan beleven is afhankelijk van het aanbod, zeg maar de religieuze infrastructuur die in een samenleving beschikbaar is. In Israël bijvoorbeeld wordt, voor Joden, de daar beschikbare infrastructuur voornamelijk geleverd door de Joodse orthodoxie, al dan niet chassidisch. Natuurlijk zijn, in naam, veel meer Joden orthodox, maar het aantal religieuzen in de bovengenoemde zin zal het percentage van twintig procent niet te boven gaan. De rest van de bevolking beschouwt de religieuze traditie meer als gemeenschappelijk erfgoed waar je al dan niet nostalgische gevoelens bij hebt of je tegen afzet.

In het Westen werd de religieuze infrastructuur traditioneel geleverd door de Christelijke religie, maar door de afkalving daarvan wordt die steeds minder zichtbaar in de samenleving. De Islam daarentegen is qua zichtbaarheid veel aanweziger, en van een overtuigde religieuze uitstraling. Als moderne mensen in het Westen in aanraking komen met authentiek ogende voorbeelden van religie dan betreft het steeds vaker de Islam. Of het nu gaat om het vijf maal daagse bidden, of de terugkeer op Schiphol van Hadj-pelgrims, of de maatschappelijke aandacht voor de Ramadan.

Het zou dus goed kunnen dat binnenkort, voor religieus aangelegde mensen in het Westen, de Islam de meest zichtbare en bekende en dus beschikbare vorm van religie presenteert. Dat is waar te nemen in Nederland, maar in Zweden schijnt die ontwikkeling al veel verder voortgeschreden te zijn.

Daarover vertelt David Thurfjell in zijn boek Het goddeloze volk, dat een hit werd in Zweden. Zweden houden van Christelijke gebruiken, zegt Thurfjell, maar generen zich voor het merendeel om daar ook in te geloven. Écht geloof treffen ze vooral aan bij de Moslims in het land. Voor de religieus gevoeligen onder de Zweden moet daar een grote fascinatie van uitgaan.

Zie ook Liberale varianten

donderdag 30 augustus 2018

Bottom up


Er is een opmerkelijke parallel tussen de berichten die ik lees over gewenste hervormingen in de Rooms-Katholieke kerk naar aanleiding van de misbruikschandalen, en de inspanningen van een groepje mensen waarin ik zit binnen de gemeente Amsterdam. De parallel is gelegen in de regelmatig geopperde wens om de organisatie (respectievelijk de kerk en de gemeente) bottom up te laten veranderen in plaats van top down: van onderop in plaats van van bovenaf. Als dat inderdaad de ambitie is van paus Franciscus voor de RK kerk, dan lijkt dat wel op de ambitie van mij en een aantal collega’s ten aanzien van verandering binnen de gemeente Amsterdam.

Dat die parallel kan optreden heeft ermee te maken dat er achterliggend meer punten van overeenkomst aan te wijzen zijn tussen Amsterdam en het Vaticaan. Om te beginnen is er de aard van die organisaties. Beide zijn het, elk op zijn eigen schaal, machinerieën, logge bureaucratieën, aan elkaar hangend van regelgeving en protocollen. Compleet met de machinaties van interne lobbies en stoelpootzagerijen die daarbij horen.

Verder zijn ze beide bedreven in het optuigen van goede pr. De kerk met behulp van het arsenaal van mooie woorden als vergiffenis, deemoed, zonde, en natuurlijk de mantel der liefde, Amsterdam met de presentatie van een swingend en flitsend imago. Er is, aan de binnenkant van beide organisaties, veel verstoorde communicatie, maar dat zie je niet direct dankzij de statige of gloedvolle buitenkant.

Een derde punt van overeenkomst vloeit daaruit voort. Door de discrepantie tussen het beeld dat de organisaties met succes van zichzelf neerzetten, en de werkelijkheid van de interne verhoudingen, is het lastig om tot een goede en eerlijk analyse te komen van de problemen die er spelen. Je kunt daar de conclusie aan verbinden dat voor beide organisaties de kans op werkelijke verandering ingeschat moet worden als gering.

In ieder geval lukt dat beide organisaties via de top down benadering maar moeizaam of helemaal niet. Toen Femke Halsema werd benoemd tot burgemeester van Amsterdam, kreeg  ze behalve felicitaties nogal wat waarschuwingen voor de slangenkuil die Stopera heet, waar al zoveel veranderenergie op is stukgelopen. Voor wat betreft het Vaticaan: het lijkt erop dat de paus al heeft afgezien van verandering van bovenaf. Er is te veel verstarring bovenin de organisatie en gebrek aan betrokkenheid onderin. Bovendien vindt Franciscus werken van onderop sympathieker.

Dat verklaart waarom de wens tot bottom up werken optreedt in zowel Amsterdam en het Vaticaan. Maar na het vaststellen van die parallel denk ik dat de kansen om die wens te vervullen voor de twee organisaties wel uiteenlopen.

In beide gevallen is, zoals gezegd, de uitgangssituatie niet gunstig. Bij de gemeente Amsterdam zal bottom up werken aan verandering lastig zijn, want door de vaak verstoorde interne communicatie is er op veel plaatsen gebrek aan vertrouwen. Maar, zeg ik mede op basis van eigen ervaringen, het kán soms wel. Het is moeilijk, maar niet onmogelijk. Daar houden mijn collega’s en ik ons aan vast.

Voor de RK kerk schat ik de mogelijkheden een stuk somberder in. Ik denk zelfs dat die mogelijkheden niet bestaan, althans zonder de identiteit van de kerk geheel kwijt te raken. Want die identiteit hangt aan elkaar van leerstelligheid, dus van leergezag, en dus van hiërarchie. Dat is ten enenmale onverenigbaar met bottom up veranderen.

Verklaart dat het mismoedig gebogen hoofd van deze overigens zo montere en communicatieve paus?

Zie ook Monseigneur Léonard en Het bestaat wél

vrijdag 24 augustus 2018

Terloopse zinnen


Het zijn subtiele hints en tussenzinnetjes, ik geef het toe. Ze zijn van een tussen-neus-en-lippen-door terloopsheid, maar qua impact niet te onderschatten veelzeggend. Ik doel op twee verstopte zinnetjes, de ene uit een krantenbericht, de andere uit een boekrecensie.

Het krantenbericht ging over de nieuwe opstelling van de vaste collectie van het Tropenmuseum. Onder de titel Things That Matter groepeert het museum zijn voorwerpen rondom tien vragen, die elk een paviljoen hebben op de begane grond. Het gaat om vragen zoals ‘Wanneer voel jij je thuis?’ of ‘Verandert het klimaat jouw cultuur?’. De getoonde voorwerpen worden toegelicht door middel van filmpjes en geluidsopnamen, waarin hedendaagse personen iets vertellen over de betekenis ervan voor hen.

Op zichzelf vind ik dit een creatieve en aansprekende manier om voorwerpen, mensen en actuele gebeurtenissen met elkaar te verbinden en te presenteren. Waar ik aan blijf hangen is de vraag ‘Waar kom je voor op?’, en de vanzelfsprekendheid waarmee die vraag via een opzwepende rap in combinatie met traditionele Arabische kleding gekoppeld wordt aan de strijd tegen Israël van een Palestijnse activiste.

Laat me duidelijk zijn, ik begrijp de woede van de Palestijnen en hun strijd voor een eigen land. Maar ik struikel over de opzet van het Tropenmuseum om via opstelling van hun vaste collectie Israël te maken tot een iconische boeman. Meteen voor vijf jaar (semi-permanent) is de zaak op deze manier ingericht. Dat getuigt niet van veel hoop op een oplossing op korte termijn, en dat mag een realistische inschatting zijn, maar het effect is wel dat de vijandschap van Israël hier museaal bekrachtigd wordt als een vanzelfsprekend, zeg maar Metafysisch Kwaad.

Met in de afgelopen drie jaar inmiddels meer dan 10.000 Jemenitische doden door de schaduwoorlog tussen het Soennitische Saoedi-Arabië en diens Shi’itische tegenhanger Iran, lijkt me ‘Waar kom je voor op?’ ook zeer toepasselijk als vraag aan een Jemenitische vrouw in haar strijd tegen Arabische en Iraanse inmenging. Of wat te denken van een Syrische rebel die weigert om zich neer te leggen bij de dictatuur van Assad? Maar iedereen voelt meteen: daar kan het Tropenmuseum niet aan beginnen. Waarom eigenlijk niet?

Een ander bericht, met een andere strekking maar van eenzelfde soort terloopsheid, komt uit de bespreking van het boek Schaduwoorlog. Israël en het geheime liquidatieprogramma van de Mossad van Ronen Bergman. Je laat je bij het lezen van de bespreking een tijd lang, via de recensent en de auteur Bergman, meevoeren in de verontwaardiging over de vele moorden door de Israëlische geheime diensten en het morele verval dat daarmee gepaard gaat. Op een gegeven moment gaat het over de moordcampagne tegen de bommenmakers en aanslagplegers van Hamas begin jaren 2000, en dan lees je in een bijna achteloos geplaatst zinnetje dat, zonder die campagne, “het land waarschijnlijk ten onder was gegaan”.

Tja, wat moet je dan? Dan maar geen Joodse staat?

Zie ook Levinas en Israël

vrijdag 17 augustus 2018

Markt en democratie


Liberale democratie en markteconomie worden altijd in één adem genoemd, als bij elkaar behorende zaken. De twee zouden elkaar wederzijds vruchtbaar beïnvloeden.

De liberale democratie doet dat door in de staatsinrichting individuele vrijheid, ruimte voor afwijkende meningen en eigen initiatieven te waarborgen. Dat heeft een stimulerend effect op ondernemingszin, creativiteit en innovatie, en daarmee op de markteconomie.

De markt doet dat doordat daar – in vergelijking met een standenmaatschappij of dictatoriale samenleving – (in principe) voor iedereen gelijke toegang en kansen gelden. En doordat economisch zelfstandige, op de markt opererende mensen het soort zelfbewustzijn ontwikkelen waar burgerschap van gemaakt is. Dat is weer nodig om te participeren in de publieke zaak, en voor het functioneren van de liberale democratie.

Wanneer de markt uitsluiting en té grote ongelijkheden creëert moet hij door de staat worden ingetoomd, maar met behoud van de essentiële vrijheden die voor het functioneren van de markt nodig zijn.

Tot zover de theorie van het naoorlogse liberalisme. Maar hoe zit het met het neo-liberalisme, dat sinds de jaren tachtig en negentig opgeld doet in het Westen? Daarin lijkt de markt de economie te hebben overvleugeld. De dominantie van de economie is nu zo groot dat essentiële taken van de liberale democratie in gevaar komen, zoals onderwijs en het onderhouden van een gelijk speelveld. Bovendien lijken vooral de (heel) hoge inkomens te profiteren van de groeiende economie. De lonen van gewone burgers stijgen niet of nauwelijks, met negatieve gevolgen voor de identificatie van de gewone burger met zijn democratische staat.

Deze analyse van onze situatie in het neo-liberale tijdvak wordt veel gemaakt, en daar word ik niet vrolijk van. Wél grappig vind ik om te lezen dat economische krachten, ook de neo-liberale, nog steeds een corrigerend effect kunnen hebben op repressieve regimes. De val van de Turkse lira bijvoorbeeld staat in rechtstreeks verband met het autocratische optreden van de Turkse president Erdogan. Toen deze zijn schoonzoon benoemde tot minister van Financiën zakte de Turkse munt direct in waarde door zorgen over de onafhankelijkheid van de Turkse centrale bank. Dat is een goed liberale reflex, zou ik zeggen. Net zoals de inzakkende prijzen van tweedehands dieselauto’s, als gevolg van antivervuilingsmaatregelen in Duitse steden.

Zie ook AAA

vrijdag 10 augustus 2018

Natiestaat


De onlangs door de Israëlische Knesset aangenomen ‘Joodse natiestaat’-wet bevestigt wat ook al in de Onafhankelijkheidsverklaring van 1948 stond. Namelijk dat Israël de natiestaat is van het Joodse volk, waarin het zijn natuurlijk recht op culturele, historische en religieuze zelfbeschikking realiseert. Die woorden zijn niet nieuw, wél nieuw is het schrappen van de rechtsgelijkheid voor al zijn burgers en de versterking van de positie van de Joodse meerderheid ten opzichte van etnische, culturele en religieuze minderheden. Ik maak me zorgen om die nieuwe wet.

Niet vanwege de schok die een gemiddeld verlichte, universeel denkende westerling voelt als er woorden gebruikt worden zoals ‘nationale bestemming’, het belang van een ‘nationale taal’ en een duidelijke ‘eigen identiteit’.

Het feit dat wij die schok kunnen voelen getuigt van een enorme luxe. Onze eigen Europese natiestaten zijn al lang zodanig veilig gesteld dat het voortbestaan vanzelfsprekend is en nooit inzet van discussie. Waardoor je vanuit een veilige basis verdergaande verbanden kunt verkennen, zoals de EU of het streven naar mondiale gerechtigheid.

Die luxe heeft Israël niet, en de aandacht (en mensenlevens) die het sinds zijn ontstaan heeft moeten besteden aan het eigen overleven wordt door het Westen vaak niet goed begrepen. In tijden van groeiend grensoverschrijdend denken wordt Israëls concentratie op eigen identiteit en voortbestaan, inclusief de bijbehorende symboliek van volkslied, vlag en eigen hoofdstad, al gauw opgevat als een negentiende-eeuws anachronisme dat Europa al lang achter zich gelaten heeft.

Maar als je weet dat veel Europese natiestaten sinds jaar en dag in hun constituties ook verklaren voor het eigen volk op te komen en alleen officiële status toekennen aan de taal van de meerderheid, dan wordt het verschil tussen Israël en het Westen wat minder. Als bovendien blijkt, zoals in recente jaren, dat maar nét wat grotere migrantenstromen of globalisering nodig zijn om nationalistische protestbewegingen als Front National of PVV groot te maken, dan is er aanleiding tot enige herbezinning op de vraag hoezeer we ook in het Westen die nationale verankering toch wel keihard nodig hebben.

Bovenstaande overwegingen relativeren het mogelijk schokkende karakter van de nieuwe Israëlische wet nogal. Waarom maak ik me dan toch zorgen?

Dat heeft ermee te maken dat de nieuwe wet beslist een verslechtering inhoudt van het rechtsstatelijk karakter van Israël. Want hoewel gelijkheid voor Joodse en Arabische Israëliërs tot nu toe soms ook al ver te zoeken was (denk aan gescheiden wegenstelsels, de mogelijkheid om te dienen in het leger, subsidies te krijgen), was die ongelijkheid niet in een fundamentele wet vastgelegd. Nu wel, bijvoorbeeld als het gaat om het laten vallen van het Arabisch als officiële taal, en doordat de passages geschrapt zijn die minderheden beschermen volgens “de principes van vrijheid, rechtvaardigheid en vrede zoals onderwezen door de profeten van Israël”.

Tot nu toe had het Hooggerechtshof een basiswet tot zijn beschikking die kon leiden tot gunstige uitspraken voor Arabische Israëliërs die een beroep deden op gelijkberechtiging. Dat waren momenten waarop het rechtsstaat-karakter van Israël duidelijk naar voren kwam. Door de nieuwe wet zal het Hooggerechtshof minder juridische basis hebben om te beslissen in overeenstemming met het visioen van de Profeten.

Dat is zorgelijk. Opmerkelijk is dat de protesten hiertegen vooral uit progressief-Joodse hoek klinken, dat wil zeggen, afkomstig zijn vanuit Conservative en Liberaal-Joodse groeperingen. Zou het toch waar zijn dat zij het profetische geluid serieuzer nemen dan de Joodse Orthodoxie?

Zie ook Toen was naïviteit heel gewoon

donderdag 2 augustus 2018

Integratie en dictatuur


Ik geloof Mesut Özil voor honderd procent als hij vertelt over subtiele en vernederende vormen van discriminatie waarmee een in Duitsland geboren Turk te maken krijgt, ook als hij een succesvolle voetballer is.

Ook voor in Nederland geboren Turken en Marokkanen geldt dat er, zo niet formele, dan toch allerlei informele onderscheidingsmechanismen werkzaam zijn waardoor je je afvraagt of je wel geaccepteerd bent. Om wanhopig van te worden.

Maar tegelijkertijd ben ik bang dat integratie zo werkt. Zelfs als je ervan uitgaat dat zowel de ontvangende als de ontvangen partij oprecht zijn in hun bedoelingen, dan nog neemt het gemakkelijk generaties in beslag voordat volledige integratie een feit is.

De indaling van het besef dat het dus weleens veel langer kan duren dan we in optimistische buien hopen kan leiden tot frustratie of overdreven aangezet cynisme. Ik denk dat dat met minister Blok aan de hand is geweest. Die heeft ooit gemeend, blijkens zijn toenmalige optreden als voorzitter van een Kamercommissie die zich boog over het succes van integratie, dat de integratie “geheel of gedeeltelijk geslaagd” was. Nu beschouwt hij de multiculturele samenleving in Nederland als mislukt, en in het algemeen als kansloos, vanwege de menselijke genen, waardoor we “geen binding kunnen aangaan met ons onbekende mensen”.

Ik stel me voor dat Bloks recente uitspraken voortkomen uit die frustratie, in combinatie met het publiek dat hij op 18 juli toesprak: een gezelschap van Nederlanders die werkzaam zijn bij internationale organisaties zoals de VN en hulporganisaties, en die hij waarschijnlijk heeft ingeschat als multiculti-ijveraars en naïeve optimisten. Zij moesten maar eens het lesje leren dat hij zelf gekregen had, en daarom confronteerde Blok hen met de harde realiteit.

Hoe het ook zij, langs twee verschillende wegen komen Özil en Blok tot dezelfde vaststelling, namelijk dat integratie nog niet zo simpel is als we dachten. Die vaststelling hoeft niet per se negatief te zijn. Ik zie iedere reality check als winst, en die hoeft de inzet voor een gezamenlijke toekomst en integratie niet in de weg de staan. Integendeel, er kan nieuw elan uit voortkomen om te werken aan lotsverbondenheid.

Tegelijkertijd laat het zien dat het denken over integratie soms wel erg armoedig is. Aan de kant van Blok constateer ik dat hij, als integratie taaier is dan gedacht, terugvalt op gemakzuchtig cynisme, en de onmogelijkheid proclameert van integratie op grond van ons biologische gestel.

Aan de kant van Özil constateer ik gedachtearmoede wanneer hij geslaagde integratie afmeet aan de acceptatie van zijn enthousiaste omhelzing van een dictator. Dan maak je het wel erg lastig. Want van die omhelzing kan voor westerlingen alleen maar dreiging uitgaan, dat hoor je te begrijpen.

Mijn stelling is dat die dreiging niet uitgaat van djellaba’s of hoofddoeken op zichzelf – wat je zou kunnen denken als je somber bent over integratie omdat mensen vreemd zijn voor elkaar. Ik denk dat Duitsers en Nederlanders over die dingen op zichzelf niet zo moeilijk doen. En als er tóch van een hoofddoek of djellaba dreiging uitgaat, dan is het die van een achterliggende dictator.

Dat onderscheid moeten Blok en Özil en wij allemaal dus blijven maken. Dat is wezenlijk voor het succes van onze integratie.

Zie ook Eigenaardigheden en Met en zonder hoofddoek

donderdag 19 juli 2018

Fort Europa


Fort Europa, het lijkt ervan te gaan komen. Met tienduizend grenswachten, en mogelijk ontschepingsplatforms en terugnamepunten aan binnengrenzen.

Tot een paar jaar geleden was het volkomen incorrect om zoiets te opperen of daarmee in te stemmen. Dat dat nu gewoon gebeurt zou kunnen duiden op moreel verval van Europa, dat zijn geloof in humanitaire waarden en mensenrechten verkwanselt.

Maar ik weet niet of dat zo is. Het is zonder meer waar dat in ieder geval de West-Europeanen de overtuiging hadden dat ze in die waarden geloofden. Dat was omdat we op sommige momenten er ook inderdaad naar konden handelen, zie het ‘Wir schaffen das’ van Merkel. Maar dat was ook omdat we lange tijd – al ruim vóór 2015 – het probleem van migratie op afstand konden houden door het vooral bij Italië en andere zuidelijke landen neer te leggen en daarnaast te ijveren voor ‘opvang in de regio’. Als je wilt kun je het hypocriet noemen, maar grosso modo speelden (West-)Europeanen het klaar om koestering van de eigen welvaart en veiligheid te combineren met het zelfbeeld van strijder te zijn voor humanitaire waarden.

Die spagaat is op dit moment niet goed meer vol te houden, door nieuwe inzichten die we gekregen hebben. Het lijkt er bijvoorbeeld op dat Merkel met haar beleid de Duitse samenleving heeft overvraagd. Een samenleving kan minder migratie aan dan in alle oprechtheid werd gedacht. Voordat je het weet creëer je op die manier een populistische weerstand die je veel verder van huis brengt. Daarmee rekening houden is realistisch, en geen zwakheid.

Verder realiseren we ons nu dat Oost-Europa dat geloof in onze waarden nooit op dezelfde manier geïnternaliseerd heeft. Wat dat betreft zit minister Blok er niet zo ver naast als hij zegt dat het straatbeeld in Praag en Warschau er anders uitziet dan bij ons. Dat Oost-Europese landen wel lippendienst bewezen aan die waarden had alles te maken met de eisen die West-Europa stelde voor toegang tot de EU. Dat kun je Oost-Europese hypocrisie, of West-Europese bevoogding noemen, maar zo is het gegaan. Van verkwanselen van waarden is in ieder geval geen sprake, want Oost-Europa heeft die waarden nooit oprecht beleden. Het heeft wel de EU-plannen voor spreiding van de migranten gefrustreerd, maar daar ging dus al een West-Europese blindheid aan vooraf.

Tenslotte wordt duidelijk dat de toestroom van migranten, met name vanuit Afrika, wel eens veel groter zou kunnen worden dan Europa ooit heeft kunnen denken, en daarmee onze welvaart serieus bedreigt. Dat inzicht stelt vragen aan je geloof in humanitaire waarden, hoe oprecht je daar tot nu toe ook in geloofde.  Het is nooit echt de bedoeling geweest dat wij welvaart zouden inleveren.

De spagaat was kortom, tot een paar jaar geleden, simpelweg beter vol te houden dan nu. Omdat een oprecht geloof in humanitaire waarden te combineren was met handhaving van onze levensstandaard en veiligheid. Dat kan niet meer.

Het is waar, er zijn nog steeds oprechte idealisten. De organisaties die reddingsoperaties uitvoeren op de Middellandse Zee. Maar, eerlijk gezegd, vind ik dat de voorvechters van volledig open grenzen zich weleens mogen afvragen in hoeverre zij met hun radicale ideeën het andere, namelijk populistische, radicalisme voeden. Of je wilt of niet, je bent onderdeel van een groter systeem en zult rekening moeten houden met anders denkende, noem ze voor mijn part minder verlicht denkende, delen van onze samenleving: Oost-Europeanen, Duitse populisten, Italiaanse kiezers.

Zie ook Met universele waarden kom je niet ver