dinsdag 27 juli 2021

Reppen


Ongerepte natuur is mooi. In Nederland hebben we dat niet meer, dus ik denk daarbij al gauw aan beelden van steppes in Tanzania of bossen in Finland.

Maar mooier nog dan ongerept natuurlandschap vind ik ongerept cultuurlandschap. Daarmee bedoel ik een landschap dat door de mens, meestal voor de landbouw, in cultuur gebracht is, maar op een manier die nog nauw aansluit bij het oorspronkelijke natuurlandschap. Denk aan de rijstvelden in Indonesië of aan de wijngaarden van Toscane. 

Onlangs was ik op Texel en zag ik glimpen van de Nederlandse variant daarvan langs de Texelse oostkust: afwisselende lapjes grond van diverse kleuren, omzoomd door heggen en bosschages, met traditionele boerderijen en schuren daartussen verspreid. Prachtig!

Ongerept cultuurlandschap is natuurlijk gewoon gerepte natuur, maar ik noem het toch ongerept omdat het nog een eigen oorspronkelijkheid heeft. Het is nog niet beschadigd door ruilverkaveling en grote stalen schuren. Die reppen pas echt omdat ze het landschap saai en lelijk maken.

Of zou men dat duizend jaar geleden, toen men daar begon met landbouw bedrijven en schuren bouwen, ook beleefd hebben als verlelijking – repping – van het landschap? En is men zich pas in de loop van de tijd gaan hechten aan het cultuurlandschap? Dat zou betekenen dat wij op onze beurt ons nog kunnen gaan hechten aan de stalen dozen en onmetelijke percelen raaigras in ons land.

Maar ik denk niet dat dat kan.

Zie ook Bakstenen en Windmolens

maandag 19 juli 2021

Branson, Bezos, Musk en innerlijke motivatie


Je hoort het de laatste tijd wel vaker: organisatiemedewerkers, waaronder leidinggevenden, verlangen van hun werk dat het voor hen persoonlijk van betekenis is. Daar moet de motivatie vandaan komen. Dit in contrast tot andere motiverende aspecten van werk die tot nu toe minstens zo krachtig waren maar aan betekenis zouden verliezen, zoals sociaal  aanzien, maatschappelijke status en gehoorzaamheid aan de autoriteit van anderen. Vandaar de vele verhalen over mensen die met succes een prestigieuze positie hebben verworven maar nu besluiten om hun hart te volgen en iets anders te gaan doen.

Overigens gaat zo’n werkswitch in veel gevallen niet gepaard met een verlies aan inkomsten. Kennelijk is de arbeidsmarkt voor werknemers zo gunstig dat je je innerlijke drijfveren kunt volgen zonder daar materieel veel voor in te leveren.

Over het belang van persoonlijke motivatie kwam in Trouw laatst een interessant interview voorbij met Wiebe Draijer, de bestuursvoorzitter van de Rabobank. “Blijf dichtbij wat je echt drijft, dan ben je tot veel meer in staat dan je denkt én kom je pas echt tot je recht”, zegt Draijer. Hij noemt dat “je diepere motivatie”, die kan zorgen voor inspiratie en houvast. Daar krijgt je overtuiging vorm, begint authenticiteit en transparantie in de communicatie. 

Voor Draijer zelf bestaat de innerlijke drijfveer eruit dat hij maatschappelijk wat wil betekenen. Hij ziet met lede ogen “de grotere afstand tussen arm en rijk, een bepaalde richtingloosheid, gebrek aan moreel leiderschap en de instabiliteit die daar het gevolg van is” en dat motiveert hem tot het volhouden van zijn intensieve leefstijl als CEO, iedere dag opnieuw. 

Draijer meent dat bij een groeiende groep CEOs aandacht is voor diepere motivatie en authenticiteit. Hij denkt te zien “dat er een leiderschapstransitie gaande is waarbij we de persoonlijke motivatie veel meer een eerlijke plek geven. Organisaties en uiteindelijk de wereld gaan er denk ik beter van worden als mensen sneller uitsorteren naar de plek waar ze met hun diepere motivatie het beste tot hun recht kunnen komen. Daar wordt iedereen gelukkiger van”.

Draijer heeft zonder meer een punt als hij zegt dat innerlijke motivatie voor je werk het meest gezonde uitgangspunt is. Dan kom je inderdaad het beste tot je recht, ben je verzekerd van energie en het beste beschermd tegen burn-out. Ik snap alleen niet waarom Draijer denkt dat de wereld er beter van wordt als iedereen zijn eigen drijfveren meer volgt. Want de termen ‘innerlijke motivatie’ of ‘diepste motivatie’ zeggen nog helemaal niets over de aard van die motivatie. 

In het geval van Draijer zit dat wel goed, hij wil graag zijn bijdrage leveren aan grotere gelijkheid en rechtvaardigheid in de samenleving. Dat kun je gerust nobele motieven noemen. Maar zijn verhaal suggereert dat diepere innerlijke motivatie per definitie, als tegengesteld aan uitwendige motivatie, altijd nobel van aard is. Dieper is nobeler.

Ik betwijfel of dat zo is. Bij sommige mensen, bijvoorbeeld Drayer, beslist wel. Maar waarom zouden er deep down van binnen bij andere mensen niet heel andere motieven klaarliggen? Veel geld verdienen bijvoorbeeld, dat is voor een handelsman best een intrinsieke drijfveer te noemen, en het kan zijn dat hoe meer hij naar binnen kijkt, des te meer blijkt dat dat zijn motivatie vormt. Daar gaat hij voor!  

En als Richard Branson, Jeff Bezos en Elon Musk in hun nadagen ‘dieper in hun innerlijk’ duiken willen ze ineens op de meest klimaatdestructieve en geldverspillende manier de ruimte in. Marc Zuckerberg wil naarmate hij ouder wordt alleen maar nog groter groeien. Waarschijnlijk hebben die mannen diep van binnen een grote leegte aangetroffen en drijft bestrijding van de verveling hen tot grote daden.

Motivatie kan dus heel goed van binnenuit komen, maar niet per se die maatschappijbetrokken trekken vertonen als van Draijers motivatie. De termen van persoonlijke diepte en innerlijkheid volstaan daarom niet om uit te komen bij een betere wereld. Daarvoor is eerder het permanente gesprek met anderen nodig over de vraag ‘Wat willen wij voor samenleving zijn?’. Niet zozeer in persoonlijke diepte, alswel in maatschappelijke breedte.

Wat blijft staan van Draijers verhaal: zo’n eigen innerlijke drijfveer waarbij je gedreven wordt door je eigen betekenisgeving en motivatie maakt je krachtig. Je zult niet zo gauw omvallen.

Zie ook Leiderschap en energie en Adrenaline

Wil je commentaar geven of zien: klik op Branson, Bezos, Musk en innerlijke motivatie en scrol naar beneden door.

vrijdag 9 juli 2021

Zijn Joden wit?


Horen Nederlandse Joden historisch gezien nu bij de onderdrukkers of bij de onderdrukten? De vraag komt voort uit een te simplistisch denkkader, maar naar aanleiding van de groeiende belangstelling voor het slavernijverleden van Nederland wordt hij toch regelmatig gesteld.

Het antwoord kan nooit eenduidig zijn. Het is overduidelijk dat Joden in de Nederlandse geschiedenis te maken hebben gehad met juridische achterstelling (tot 1800), met maatschappelijke discriminatie (negentiende en twintigste eeuw) en uitroeiingsmaatregelen. Dus dat ze hun portie onderdrukking wel gehad hebben.

Maar historisch onderzoek naar de slavernij maakt ook duidelijk dat van de zeventiende tot de negentiende eeuw Joden een flink aandeel hadden in de Surinaamse en Antilliaanse plantages en daar slaven hielden. Ze hebben daar opgetreden als onderdrukkers.

Om die laatste reden worden Joden in de huidige racismediscussie, die zich versmalt tot de vraag of je wit/onderdrukker bent of zwart/onderdrukt, regelmatig in het witte kamp ondergebracht. De tentoonstelling ‘Zijn Joden wit?’ in het Joods Cultureel Kwartier probeert in die zwart/wit-discussie wat tussenschakeringen aan te brengen. Niet door feiten over het slavernijverleden te verdoezelen of te ontkennen dat Joden soms inderdaad geprivilegieerde posities van macht konden bekleden. Maar door te laten zien dat het voor Joden als de eeuwige ander ook zo maar, ineens, onvoorspelbaar afgelopen kon zijn met iedere macht of positie. En dat vanuit die ervaring, gevoegd bij de eeuwenlang liturgisch herdachte bevrijding van de Joden uit de Egyptische slavernij, Joodse groeperingen een bijna vanzelfsprekende solidariteit hebben gevoeld met emancipatiebewegingen van anderen, zoals de Amerikaanse Burgerrechtenbeweging in de jaren zestig van de vorige eeuw en de Black Lives Matter beweging nu.

Wat mij opvalt, naar aanleiding van een artikel van historicus Karwan Fatah-Black, is dat op een gevoelig punt de Nederlandse Joden en de Nederlandse nazaten van tot slaaf gemaakten een onmiskenbare gelijkenis vertonen. Waar mainstream Nederland, zoals vertegenwoordigd door opiniemakers, politici en kunstenaars, het wel een beetje heeft gehad met de ‘enge focus’ in het herdenken van historische rampen van het slavernijverleden en de Jodenvervolging en de aandacht wil uitbreiden naar ‘moderne slavernij’ of ‘universeel onrecht’, maakt zowel de Joodse als de zwarte gemeenschap daar ernstig bezwaar tegen. En zij gebruiken dezelfde woorden om hun bezwaren te formuleren: de verbreding betekent ‘verwatering’ en leidt af van waar het de herdenkers om gaat: de ramp die hun voorouders trof. Die is te groot om te vermengen met andere rampen, hoe gerechtvaardigd de aandacht daarvoor ook is.

‘Haal er niet van alles bij’ als je gaat herdenken. Dat is kennelijk wat onderdrukking – van welke aard ook – als impact achterlaat bij de onderdrukten. Je kunt het er gewoon niet bij hebben.

Zie ook 4 Mei 2012 en Utopisch universalisme is ook voor Joden te hoog gegrepen

Wil je commentaar geven of zien: klik op Zijn Joden wit? en scrol naar beneden door.

donderdag 1 juli 2021

De mensenrechten revisited


In allerlei blogberichten heb ik me weleens sceptisch getoond over de manier waarop universele mensenrechten functioneren in onze samenleving.

Ik vond bijvoorbeeld de kritische analyse van Hannah Arendt over het recht op asiel wel realistisch. Dat mensenrecht is sinds de jaren vijftig uitgewerkt in diverse vluchtelingenverdragen, maar Arendt dacht dat formulering en toekenning ervan weinig bescherming zouden kunnen bieden aan de mensen die het nodig hebben. In de praktijk, zag ze en wist ze uit eigen ervaring, zijn mensenrechten in feite burgerrechten. Burgers van nationale staten kunnen succesvol rechten claimen. Maar als je om wat voor reden dan ook stateloos bent is er geen claimadres. Dan blijkt zo’n mensenrecht een hol en abstract begrip.

Daarnaast had ik het een keer over de weerzin van veel ontwikkelingslanden tegenover  propaganda voor de mensenrechten door westerse landen. Het opgeheven vingertje wordt beleefd als neokoloniale betutteling door de voormalige kolonisatoren. Veel Afrikaanse landen hebben daarom liever te maken met China omdat Chinese hulp niet gepaard gaat met opdringerige ideologie. De evidente machtspolitieke motieven nemen ze daarbij maar voor lief.

Verder kan het iconische plaatje van de waardigheid van het individu in de Verklaring van de Rechten van de Mens van 1948 de indruk wekken dat totale vrijwaring van iedere inbreuk daarop gegarandeerd kan worden. Die combinatie van geloof in maakbaarheid en absolute rechten van het individu kwam bijvoorbeeld tot uitdrukking in de definitie van het recht op gezondheid door de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) uit de jaren vijftig. Gezondheid werd daarin omschreven als ‘a state of total physical and mental well-being’ waar ieder mens recht op zou hebben. Het leidde tot uitbundig claimgedrag van zelfbewuste individuen en tot een lawyers paradise, en liet wat mij betreft zien hoe pervers formulering van ‘totale’ mensenrechten kan uitpakken in een ik-gerichte samenleving. Ik vond daarom het absolute karakter gedateerd aandoen, als product van een idealistische humanistische traditie die aan herijking toe is.

Al die bedenkingen bij de mensenrechten snijden ongetwijfeld enig hout, maar mijn achting voor het fenomeen mensenrechten is de laatste tijd met sprongen gegroeid. Dat heeft te maken met de rechtszaken voor milieubescherming tegen Shell, tegen nalatige overheden en binnenkort misschien ook tegen financiers als het ABP. Daarbij wordt een beroep gedaan op de fundamentele rechten op leven, gezondheid, voedsel van huidige en toekomstige generaties. Dat is beslist mensenrechtenjargon, maar het werkt! “Mensenrechten en bescherming van de leefomgeving blijken een bruikbare juridische basis voor klimaatzaken”, zo meldt de krant deze week. 

Laten mensenrechten dan absoluut geformuleerd, abstract of neokoloniaal zijn, een kniesoor die daar nog op let met zulke resultaten. Misschien gloort er opnieuw een paradijs voor advocaten, maar dan van de goede soort.

Zie ook Met universele waarden kom je niet ver

vrijdag 25 juni 2021

Paradoxaal


Het klinkt paradoxaal, maar soms denk ik wel eens dat het meedogenloze politieke en militaire beheersingsbeleid van de staat Israël per saldo een gunstig effect heeft op het imago van Joden in de wereld. Zij doen ook gewoon aan machtspolitiek!

Het is niet verheffend wat we zien: het landjepik op de Westbank, het afknijpen van een overbevolkt reservaat in Gaza, en een buitenlandse politiek die coalities met Saoedi-Arabië en andere duistere regimes niet schuwt.

Maar met dit soort Realpolitik voegt Israël zich in het bekende machiavellistische machtsspel van raison d’état dat al eeuwen gespeeld wordt door westerse grootmachten, en waar we allemaal vertrouwd mee zijn.

Heel anders dan de bevreemdende rol die de Joden ongeveer tweeduizend jaar, tussen de eerste en de twintigste eeuw, gespeeld hebben. Namelijk die van een volk dat op militair onbeschermde wijze, verspreid over de continenten, afhankelijk van de voortdurend wisselende luimen van anderen, overleefde door zich vast te houden aan zijn spirituele erfenis zoals vastgelegd in Tenach en Talmoed.

Misschien een hele prestatie, maar niet goed voor het Joodse imago. Want wat waren dat voor mensen die dit hachelijke bestaan verkozen? Luftmenschen! Dat is toch niet normaal? Daar moest een steekje aan los zijn! Of beschikten ze over geheime duistere krachten? De bevreemding riep complottheorieën op, en agressie. En dat bleek meermalen in de geschiedenis levensgevaarlijk te zijn. 

Dan kun je beter, net als de anderen, een eigen land hebben. Dat heeft ook beslist nadelen voor je imago, want je gaat vuile handen maken en het roept nieuwe conflicten op. Maar per saldo zal dat toch beter begrepen worden dan een schimmig ontworteld bestaan, zo is de redenering. Paradoxaal genoeg.

Zie ook Acceptabel cynisme en Houdt het dan nooit op?

Wil je commentaar geven of zien: klik op Paradoxaal en scrol naar beneden door.

donderdag 17 juni 2021

Het meest misbruikte woordje


Er is bijna geen woord zo vaag als het woordje ‘echt’. Of de equivalenten ervan zoals ‘authentiek’, of ‘werkelijk’. En misschien ook wel: ‘transparant’. 

Dichter des vaderlands Lieke Marsman ziet politici die woorden veel gebruiken (“dit gaan we nu eens écht aanpakken”), en zij leidt daaruit af dat echtheid, authenticiteit en transparantie in die kringen juist ver te zoeken zijn. “Politici zijn de grip op de werkelijkheid kwijtgeraakt. Dat dit inderdaad zo is, valt af te lezen aan hoe vaak ze het woord ‘echt’ gebruiken.” Columnist Stevo Akkerman vat de omgang daar met authenticiteit samen via de vuistregel ‘Zodra je dat (authenticiteit) kunt nadoen, ben je binnen’. 

Maar niet alleen politici ge- of misbruiken die woorden. In de volle breedte van het maatschappelijke en culturele leven kom je het woordje ‘echt’ opvallend veel tegen. 

Neem de discussie over het ‘ontlezen’, dat wil zeggen het probleem dat de huidige scholieren en jongeren veel minder lezen dan voorgaande generaties, onder andere als gevolg van het overvloedige social media gebruik. Akkerman zegt daarover: “Het echte lezen – dat draait om wat de tekst met je doet, hoe die je raakt, ergert, ontroert, verveelt, bedrukt, aanvuurt, overtuigt of tegenstaat – heeft natuurlijk een onpraktisch trekje: het laat zich lastig toetsen”.

Opmerkelijk vaak gaat het ook over het ontbreken van dialoog of menselijke ontmoetingen in onze samenleving. TedX presentator Sira Abenoza maakt dat tot expliciet onderwerp van haar Ted Talks, ze wil haar publiek laten ervaren wat werkelijke dialoog is. Die belangstelling komt voort uit de twee studies die ze ooit naast elkaar deed. ’s Ochtends volgde ze college aan een Business School tussen studenten die alleen maar geïnteresseerd waren in zo snel mogelijk rijk worden. ’s Middags zat ze tussen de filosofiestudenten die eindeloze gesprekken voerden over het verbeteren van de wereld. Die moesten dus met elkaar in gesprek komen. “Maar weten we eigenlijk wel wat een echte dialoog is?”

Schrijver Abdelkader Benali kan ook niet om echtheid heen als hij het over communicatie heeft: “Ik ben ongemak in het contact gaan zien als voorwaarde voor een echt gesprek, het startpunt voor toenadering en wederzijds respect”. En: “Wanneer je denkt dat je iets van elkaar weet en bij de ontmoeting ontstaat door die verkeerde aannames het ene na het andere kleine conflict, dan is er echt sprake van een gesprek. Dan komen we ergens”.

Communicatiedeskundige Betteke van Ruler zegt: “Het moet in onze tijd meer gaan over het echte verhaal: meer verbindende communicatie, die meer de menselijke ervaringen meeneemt. Hoe we kunnen doorgaan. Niet als doelgroep of draagvlak maar als mensen”.

Deze voorbeelden (met mijn markeringen) laten wat mij betreft zien dat het wijdverspreide gebruik van het woordje ‘echt’, anders dan Marsman suggereert, meer is dan windowdressing of de maskering van een tekort. Ze getuigen beslist wel van een tekort, maar dan in combinatie met een diepgevoeld verlangen om het tekort aan echtheid op te heffen, of liever: om te zetten in een weldadige overvloed van echtheid.

Maar het is nog niet zo makkelijk om de vinger te leggen op die echtheid. Misschien weten we eigenlijk vooral wat het niet is: echtheid dreigt ons te ontglippen bij een teveel aan beheersingsdrang. Als we per se grip willen houden (bij leesonderwijs: via toetsen; bij dialoog: het uit de weg gaan van pijnpunten en ongemak; in de politiek: via afvinkbare protocollen) dan slaat de onechtheid toe.

Dat is een veelgehoorde, bijna unanieme conclusie, maar toch ben ik er niet helemaal van overtuigd dat het zo eenduidig ligt. Stel, om even aan te sluiten bij de situatie van Abenoza, dat iemand is opgegroeid in diepe armoede, en zij krijgt de kans om te gaan studeren aan een Business School. Zij zal misschien alle informatie over zakendoen en businesscontrol fanatiek in zich opzuigen als weldadige moedermelk, en de uitwisseling over het opbouwen van een verzekerd materieel bestaan beleven als een zaak van primair existentieel belang. Contact daarover zal aanvoelen als beantwoording van een diepe behoefte.

Dat contact, ook al gaat het over grip of beheersing, zou ik dan ook echt of authentiek noemen, in de zin van betekenisvol. Net zoals het politieke programma dat Lodewijk Asscher voor de PvdA in zijn hoofd had (en helaas niet kan uitvoeren) om de behoefte aan zekerheid tot speerpunt van de politiek te maken. Zekerheid en grip dus als kern van zijn aspiraties, maar toch ben ik geneigd dat streven en het contact daarover echt te noemen.

Het punt van die vaststelling is: bij de business-student en Asscher gaat vervulling van de aspiraties kennelijk wél samen met beheersingsdrang, die is er zelfs voor vereist. Hier lopen echtheid en de behoefte aan grip dus heel natuurlijk parallel, anders dan in de veelgehoorde conclusie die suggereert dat ‘echtheid pas mogelijk is door het loslaten van beheersingsdrang’.

Blijft staan dat, voor andere levensterreinen, de critici van de beheersingsdrang voor een groot deel gelijk hebben: het streven naar grip en maakbaarheid staat voor aspiraties zoals leesplezier, erotische relaties, artistieke prestaties en betekenisvolle contacten de echtheid in de weg. 

Wellicht kan op dit punt de piramide van Maslow verhelderend werken. De piramide beschrijft een ordening van fundamentele menselijke behoeften en aspiraties in opklimmende volgorde. Die volgorde loopt van fysiek-economische bevrediging via sociale en psychologische veiligheid tot aan erkenning, zelfrespect en zelfexpressie.

Het gaat mij hier niet om de inhoud van de piramide, ik haal die er alleen maar bij vanwege de verschillende niveaus die hij onderscheidt. Want de mate waarin aspiraties wel of niet kunnen samengaan met beheersingsdrang zou wel eens kunnen verschillen per behoefteniveau; in sommige lagen van de piramide worden aspiraties eerder onecht dan in andere.

Grofweg kun je onderscheiden tussen de onderste lagen van de piramide en de rest. Het lijkt erop, voor de aspiraties op het lichamelijke en economische terrein, dus aan de voet van de piramide, dat echtheid goed samengaat met beheersingsdrang. Voor wie niet zeker is van zijn dagelijks brood, zijn arbeidscontract, geen pensioen opbouwt of niet uitkomt met zijn uitkering is het niet zo moeilijk om betekenis te geven aan echte verbetering. Die ziet eruit als een gedekte tafel, een vaste baan, een pensioen of een ruimere toelage. En hoe meer goed georkestreerde en beheerste organisatiekracht daarvoor wordt ingezet, hoe beter. Echt is maakbaar, voor de vakbond.

Maar voor de hogere lagen in de piramide geldt dat niet op dezelfde manier. Op het vlak van persoonlijke ontmoetingen, artistieke expressie en cultuur kunnen de aspiraties te lijden hebben van dat maakbaarheidssyndroom. Daar wordt het beheersingsstreven makkelijk contraproductief. Dat kan verklaren waarom diegenen van ons voor wie de meeste basisbehoeften al lang en breed bevredigd zijn, zo’n punt maken van echtheid. Die is bovenin niet zo makkelijk te vinden als in de onderste regionen, in ieder geval niet door inzet van de maakbaarheid en beheersing die onderin zo goed werken.

Helaas is deze voorstelling van zaken iets te schematisch. Want ook op dat basale niveau van economisch-politieke organisatie, aan de voet van de piramide, kan de beheersingsdrang contraproductief worden. De complexiteit ervan kan namelijk gigantische vormen aannemen met als gevolg een overmaat aan regulering. Een totaal gebrek aan speling kan zet zaken onbeweeglijk vast. Dat lijkt in onze samenleving een serieus probleem te zijn voor allerlei, vooral uitvoerende, overheidsorganisaties zoals UWV, Belastingdienst en de Jeugdzorg. Er wordt hard gewerkt daar en ze presteren veel, maar soms niet helemaal volgens de bedoeling. Je kunt dat ook een gebrek aan echtheid noemen: niet meer voldoen aan de oorspronkelijke bedoelingen waarvoor je bent opgericht.

Kennelijk stuit ieder menselijk streven, ook het basale economisch-politieke, op een grens aan maakbaarheid en afdwingbaarheid. Als je toch doorgaat, voorbij die grens, gaat dat ten koste van de oorspronkelijke authenticiteit, of echtheid. 

Als er dan toch nog een verschil is tussen de verschillende niveaus van de piramide, dan zal het zijn dat de grenzen van de maakbaarheid in de hogere regionen beter bekend zijn dan aan de basis. Zo bezien kunnen politici en bedrijfskundigen nog altijd iets opsteken van schrijvers, dichters en gewone mensen.

Zie ook Liefde en passie op het werk en Herkantelen

Wil je commentaar geven of zien: klik op Het meest misbruikte woordje en scrol naar beneden door.

donderdag 10 juni 2021

De meeste mensen deugen, maar dat kun je aan de buitenkant niet zien


Eventjes was het motto voor de overheid: ga uit van vertrouwen in de burger, stop met het geïnstitutionaliseerde wantrouwen. Dit uiteraard vanwege de excessen van de Toeslagenaffaire en de vele onschuldige burgers die daardoor getroffen werden.

Maar de slogan is nu een beetje bijgesteld: vertrouw iedereen, behalve medewerkers van ING en Rabobank want die probeerden eind 2020 voor enkele tientallen miljoenen euros’s extra hypotheekrenteaftrek aan te vragen, zonder dat zij daar recht op hadden. En Sywert van Lienden, die natuurlijk ook niet. Ongetwijfeld allemaal van het type hardwerkende Nederlander, maar ze flikken het toch maar.

De pendule van vertrouwen/wantrouwen is alweer op weg naar de andere kant, en dat is logisch want blind uitgaan van vertrouwen in de medemens is best extreem. In ons dagelijks leven doen we dat toch ook niet? Bijna als vanzelf peilen we bij een wat meer gewichtige transactie wat voor vlees we in de kuip hebben. Welke indruk maakt die mobiele telefoonverkoper op me, hoe klinkt die vrouw als ze haar financiële product aanprijst? Heeft dit huis geen verborgen gebreken?

Wat me verbaast is dat we in ons persoonlijk leven grosso modo een aardige balans weten te vinden tussen vertrouwen en gezond wantrouwen, maar dat dat in de politiek gepaard gaat met heftige schommelingen. De hype gaat nu eens naar ultiem wantrouwen (Bulgarenfraude, frauderende gastouders) en dan weer naar onverantwoord blanco vertrouwen (de huidige stemming). Althans voor wat de volksvertegenwoordiging en spraakmakende politici, inclusief premier Rutte, betreft. Het zal wel te maken hebben met de uitvergrotende werking van de media die er bovenop zitten in combinatie met de profileringsdrang van politici. Gemakzuchtig onnadenkend, zou Hannah Arendt zeggen.

Des te knapper dat sommige politici zich niet van de wijs laten brengen en een aardig midden weten te houden. Zoals bijvoorbeeld minister Koolmees, die in het NRC interview van afgelopen weekend benadrukte dat zowel onbestrafte fraude als onzinnige fraudejacht de democratie ondermijnen. 

De meeste mensen deugen, maar wat heb je aan die wijsheid als je aan de buitenkant niet kunt zien wie wel en wie niet?


Wil je commentaar geven of zien: klik op De meeste mensen deugen, maar dat kun je aan de buitenkant niet zien en scrol naar beneden door.

donderdag 3 juni 2021

Zo moet dat gevoeld hebben


“Natuurlijk gaat het niet lukken om vaccins internationaal eerlijk te verdelen. Volstrekt logisch toch? We zijn het zat, die pandemie, en terecht want de economie lijdt eronder en onze geestelijke gezondheid staat op het spel.”

“Je doet wat je kunt, en gelukkig kunnen wij in het Westen heel veel. In de voorraadschuren van de VS liggen inmiddels tientallen miljoenen doses overtollige vaccins opgehoopt, binnenkort zelfs honderden miljoenen. Het land houdt een strategische reserve aan, omdat nog niet duidelijk is wanneer er eventueel boosters nodig zijn. Logisch toch?” 

“Je neemt je verantwoordelijkheid, en daarom heeft Canada nu ongeveer tien keer zoveel vaccins als nodig zijn om zijn bevolking in te enten. In de EU bestaat druk op politici om de eigen bevolking voorrang te geven, en dat werd tijd want die Europese overheden sukkelden overal maar een beetje achteraan.”

Dit type van redenering moet de welgestelde zeventiende-eeuwse Hollandse burger ook gevolgd hebben als hij bezig was met de opstapeling van zijn voorraden en verzameling van rijkdommen. Hij wist heel goed dat hij en zijn familiekring tot de paar procent van de maatschappelijke bovenlaag behoorden, en dat meer dan 95 procent van zijn medeburgers moest sappelen of bedelen om überhaupt in leven te blijven. Hij kon in weelde leven en zag op straat de mensen creperen. 

Maar wat wil je anders? Dat gemak is nu eenmaal gekoppeld aan je stand. Zo is het verdeeld, dat is vanzelfsprekend, daar hoef je niet eens veel voor te doen. Je hoeft geen mensen in bedwang te houden of zo, je zit als vanzelf aan de goede kant van de lijn. Logisch toch?

Zie ook Burgerpaleizen

Wil je commentaar geven of zien: klik op Zo moet dat gevoeld hebben en scrol naar beneden door.

donderdag 27 mei 2021

Buber, Levinas en het schandaal van de filosofie


Ze hebben wortels in het Jodendom van Oost-Europa, laafden zich in de eerste helft van de twintigste eeuw intensief aan de West-Europese intellectuele traditie en combineerden die invloeden vervolgens tot eigen levensbeschouwelijke inzichten. Die biografische overeenkomsten  maken de verhouding tussen de Joodse filosofen Martin Buber en Emmanuel Levinas tot een onuitputtelijk onderwerp van onderzoek. De vraag naar vergelijking dringt zich op.

Behalve biografische zijn er ook inhoudelijke parallellen in hun ontwikkeling en dat verklaart het flinke aantal studies die Buber en Levinas onder een en dezelfde noemer onderbrengen, namelijk die van de ‘dialogische filosofie’. Voor zover daarmee bedoeld wordt dat in hun werk relaties centraal staan en dat ze die nadruk als een vernieuwing presenteren kunnen zowel Buber als Levinas zo gelabeld worden, ook al sprak Levinas nooit over zichzelf als hij het had over de dialogische filosofie.

Over die vernieuwing: het is beslist waar dat beide denkers in hun geschriften veel werk maken van het bepalen van hun positie ten opzichte van de westerse filosofische traditie. Wat daarin volgens hen ontbreekt is adequate aandacht voor de relatie van de ene mens tot de andere. Buber benoemt die relatie als die van ‘Ik-Jij’, ook wel het ‘dialogische principe’ genoemd; Levinas spreekt veel over de ‘ontmoeting met het gelaat van de ander’. 

Het gebrek waar Buber en Levinas op doelen betreft iets dat ontsnapt aan de vooronderstellingen van de gevestigde filosofische traditie. Die traditie kent immers grote waarde toe aan een manier van doorgronden van de wereld, mensen incluis, naar het model van het doorgronden van de dingen. Dat wil zeggen, met behulp van kijken en meten, empirie en theorievorming. Maar, zeggen Buber en Levinas, de geloofwaardigheid van de ‘Ik-Jij’ relatie hangt niet af van abstracte theoretische principes en observatiemethodes, zoals in het gebruikelijke kennen van de dingen. Mensen zijn geen dingen en mensen laten zich op een andere manier kennen. Of misschien wel helemaal niet. 

Zo’n laatste uitspraak klinkt voor de gevestigde filosofie wellicht als een brevet van onvermogen, of zelfs als een schandaal. In de woorden van Levinas-kenner Robert Bernasconi: “If thinking fails to reabsorb the Other in the course of thought’s return to itself, then this is regarded as a deficiency”. Dat is logisch, zegt Levinas, want kennis en bewustzijn maken binnen de traditionele filosofie de essentie van mens-zijn uit. Kennis is immers het instrument dat leidt tot het meest gewenste resultaat binnen het heersende humanistische wereldbeeld: beheersing van de omgeving ten bate van de mens. Dus moet de andere mens ook in jouw kennis geabsorbeerd worden. De alomaanwezigheid in onze wereld van Human resource management is zo bezien niets anders dan een illustratie en logisch uitvloeisel van elementaire westerse filosofische uitgangspunten.

Buber en de andere dialogische filosofen zijn fel gekant tegen die wereld- en mensopvatting, en daar vinden zij Levinas aan hun zijde. Bernasconi zegt daarover in zijn artikel ‘Failure of Communication’ as a Surplus: Dialogue and Lack of Dialogue between Buber and Levinas: “De betekenis van de filosofie van de dialoog, volgens Levinas, is dat zij het standaard model uitdaagt”. En wel omdat zij laat zien “dat het onmogelijk is de ontmoeting met de Ander in een theorie te vatten, alsof die ontmoeting een ervaring is waarvan je door reflectie de betekenis kunt achterhalen”. De dialogische filosofie toont dus aan, volgens Levinas, dat niet het denkende bewustzijn, maar de directe relatie met de Ander de toegang is tot de waarheid, in ieder geval als het niet om dingen maar om mensen gaat.

Tot zover lopen Buber en Levinas aardig gelijk op in hun oordeel over de blinde vlek van de westerse filosofische traditie. Maar Levinas vindt op een aantal plekken dat Buber de bedoelde tekortkomingen niet scherp genoeg doordenkt en er daarom in zekere zin mee besmet blijft. Dat heeft tot gevolg dat Buber, volgens Levinas op die plekken, niet loskomt van het formele westerse kenmodel waarin mensen in laatste instantie als objecten worden gezien.

Voor onderbouwing van dat verwijt grijpt Levinas naar een nog pregnantere beschrijving van de westerse manier van kennen van objecten. Hij benoemt die manier van kennen in agressieve termen als een grijpen van objecten, een erin doordringen, het vormen van een eenheid (totaliteit) daarmee. En hij meent in Bubers beschrijvingen over de relatie met de ander datzelfde schema terug te zien, of zoals Bernasconi het formuleert, “dat Bubers weergave van de Ander de ambities van de kennistheorie in zijn oude klassieke vorm vervulde”. Dus helemaal volgens het verkeerde boekje.

Dan zou namelijk, wat Buber betreft in deze aangescherpte interpretatie van Levinas, de verdienste van de Ik-Jij relatie daarin liggen dat die bij uitstek tot de complete doordringing in staat is die vereist is voor kennis. Alleen de Ik-Jij relatie zou erin slagen om de onafhankelijke ander in te palmen; alleen daar wordt iemand één met de totaliteit van het zijn. Daarmee biedt Buber ons dus, zegt Levinas, louter een vereniging aan in plaats van een ontmoeting. 

En daar heeft Levinas groot bezwaar tegen. De fusie of eenwording met het object van kennis – juist als dat de ander is – wijst hij af. Afkeurend spreekt Levinas ook wel over de ‘wederkerigheid’ tussen de een en de ander bij Buber. Zijn grootste bezwaar is dat dergelijke gelijkschakelende termen de eigenheid van de ander niet respecteren, en er geweld aan doen. De asymmetrie en gescheidenheid die er zijn tussen mensen gaan verloren, en dat is een ethisch verlies. 

Laat er dan liever, zegt Levinas, maar wat onoverbrugbaar verschil (‘onwederkerigheid’, ‘asymmetrie’, of ‘scheiding’) tussen mensen bestaan. Maar de bescherming van dat verschil is bij Buber volgens Levinas niet in goede handen want, zegt Liesbeth Levy in haar boek Dialoog, in tegenstelling tot Bubers opvatting is naar Levinas’ idee “de openbaring van de Ander in de dialoog geen zaak van wederzijdse bevestiging, maar van confrontatie”.  De ander treedt mij tegemoet vanuit een positie van hoogte.

Dit alles maakt, zegt Bernasconi, dat Levinas zich wil profileren ten opzichte van Buber. Hij keert zich daarom in tal van geschriften tegen de wederkerigheid waarvan bij Buber sprake zou zijn en benadrukt de gescheidenheid van individuen als een oergegeven. 

Wat te denken van dit verwijt aan Buber, zo sterk aangezet door Levinas? Bernasconi oordeelt dat Bubers denken te subtiel is om het zo in de hoek te zetten als Levinas doet. Buber benadrukt bijvoorbeeld, op vergelijkbare wijze als Levinas, ook de ongrijpbaarheid en onwederkerigheid van de ontmoeting met een ander mens als hij zegt: “De Jij ontmoet mij door genade; ik heb er geen controle over”.

Daar kwam Levinas overigens, na zijn verwijten, zelf ook al snel achter. Of eigenlijk, zegt Bernasconi, wist Levinas toen hij ze opschreef al dat Buber het met zijn interpretatie niet eens zou zijn: “Levinas wist heel goed dat Buber de toepasselijkheid van de termen ‘object’ en ‘totaliteit’ zou ontkennen, zoals hij inderdaad deed in zijn antwoord op Levinas”.

Bernasconi denkt dat Levinas het tijdelijk nodig heeft gehad om zich af te zetten tegen Buber. “Levinas was aanvankelijk vooral bezig met het onderscheiden van zijn eigen positie van die van Buber. Maar nadat hij de verschillen had vastgesteld, merkte hij dat hij Buber op een nieuwe manier kon lezen” en een nieuwe fase kon introduceren in zijn relatie met Buber.

Als we nu met de gerijpte Levinas de vroegere verwijten aan Buber nalopen dan constateren we, zegt Bernasconi, dat ze niet terecht zijn.

Voor wat betreft de scheiding en de absolute waarde van het subject: die kent Buber wel degelijk. Daarmee samenhangend: bij Buber krijgt juist de onmiddellijkheid van het verschijnen van de ander in de relatie – dus zonder het soort bemiddeling of manipulatie dat kenmerkend is voor onze relatie met objecten – veel nadruk. Levinas erkent dit in Le dialogue als een verdienste van Buber en prijst hem ervoor.

Als het gaat om Bubers omhelzing van gelijkwaardige wederkerigheid, dan stellen we vast dat Buber niet zo eenkennig is. Hij kent wel degelijk ook de onwederkerigheid, de asymmetrie. En via de absoluutheid van het goddelijke, komt Buber, niet veel anders dan Levinas, ook uit bij de absolute verhevenheid van de andere mens. Levinas erkent, in het artikel Martin Buber, Gabriel Marcel et la Philosophie, dat, “op grond van de relatie tot de eeuwige Jij, verhevenheid kon worden gevonden te midden van wederkerigheid”.

Tweeslachtig bleef het wel, de waardering van Levinas voor Buber. Buber komt volgens Levinas niet helemaal los van de gebruikelijke manieren van kennen. Dus Levinas herzag zijn mening over Buber niet volledig, meent Bernasconi, maar wel zag hij nieuwe ethische potentie in Bubers dialoogbegrip. 

Alles bij elkaar vindt Bernasconi dat Levinas nogal zwabbert in zijn verhouding met Buber: “Het blijft fundamenteel onduidelijk waarom Levinas zo schijnbaar inconsistent was in zijn beoordeling, waarbij hij soms bevestigde en soms ontkende dat Buber de transcendente ethische relatie erkende, maar nooit ondubbelzinnig was in die bevestiging of ontkenning”.

Als ik zelf een verschil moet benoemen tussen Levinas en Buber, dan zoek ik dat binnen de relatie tussen twee mensen waar ze het beiden over hebben. Ik denk dat hun visies op de rol van het Ik daarin sterk verschillen. Hoewel Buber, zoals we zagen, de ontmoeting van Ik en Jij als een kwestie van genade beschouwt waarover je geen controle hebt, kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat het initiatief voor ontmoeting en dialoog voor Buber bij het Ik ligt. Dat is beslist anders bij Levinas, die niet ophoudt te benadrukken dat de Ander je overkomt, dat je het vaak niet zelf kunt verzinnen, en dat een zekere passiviteit aan de kant van het Ik te vinden is. 

Zo bezien zou ik zeggen dat Levinas radicaler is dan Buber doordat hij, inderdaad heel ongebruikelijk voor de westerse filosofie, werkelijk van de ander uitgaat als bron van dialoog en ontmoeting.

Zie ook de meer uitgebreide versie van dit artikel (met verwijzingen) op de site.

Wil je commentaar geven of zien: klik op Buber, Levinas en het schandaal van de filosofie en scrol naar beneden door.

donderdag 13 mei 2021

Burgerpaleizen


Wie heeft, in alle eerlijkheid, bij het aanschouwen van het paleis van Versailles zich ooit hevig emotioneel aangesproken gevoeld en uitgeroepen: “Wow, wat is het leven goed!”?

Ja, Lodewijk XIV misschien, maar voor de meesten van ons staat Versailles voor spilzucht, megalomanie en volkomen uit het lood geslagen sociale verhoudingen. Het paleis boezemt ontzag in door zijn grandeur en het zal kunsthistorici interesseren vanwege de esthetische concepten die erin verwerkt zijn. Toeristen verlustigen zich in de aanblik van het zilver, goud en marmer.

Maar de tevreden verzuchting dat het leven mooi kan zijn vraagt om andere dingen: iets meer bescheidenheid, menselijke maat en minder minachting voor elementaire sociale verhoudingen.

Raar genoeg kan ik wél genieten van wat ik nu maar even noem de ‘burgerpaleizen’, zoals ze te vinden zijn aan de Amsterdamse grachten. Pronkzucht is ook die gebouwen niet te ontzeggen, maar toch, het zijn vaak bakstenen huizen, ze staan gewoon in een rijtje, en herinneren met takels en luiken bovenin voor opslag van de handelswaar aan triviale economische activiteit. Het blijft binnen menselijke proporties. Als de zon daar goed op staat kan dat bij mij wel de verzuchting ontlokken “Wow, dat is goed en mooi!”. 

Voor het gemak vergeet ik op zo’n moment maar even dat de kloof tussen arm en rijk in het Amsterdam van de 17e eeuw ook gigantisch was en dat dit soort huizen maar voor een paar procent van de bevolking waren weggelegd. De meesten moesten het doen met armzalige en tochtige krotten. Vat de term ‘Gouden eeuw’ dus niet te gauw op als een morele kwalificatie, het goud werd duur verdiend door onderliggende klassen in eigen land en slaven in de koloniën.

Niettemin, de grachten vormden een burgersamenleving, en daarmee een andere categorie dan het universum van Versailles. De burgerpaleizen zijn mooi, maar niet wanstaltig, het zijn nog huizen.

Zie ook Heerlijk en Het Goede, het Ware en het Schone 

Wil je commentaar geven of zien: klik op Burgerpaleizen en scrol naar beneden door.

vrijdag 7 mei 2021

Levinas en Wopke Hoekstra


‘Sensibiliseren’, over de precieze betekenis daarvan in de uitspraak van Hoekstra – er was vergeefs geprobeerd om in de Toeslagenaffaire “Pieter Omtzigt te sensibiliseren” – werd heel wat gespeculeerd de afgelopen weken. Sommige speculaties zochten aansluiting bij de betekenis van het Franse woord sensibilité, te vertalen als ‘gevoeligheid’. Omtzigt zou als het ware gevoelig gemaakt moeten worden voor problemen in de uitvoering van taken van de Belastingdienst.

Maar over het algemeen volgde men de betekenis van het Engelse woord sensibility, dat staat voor verstandigheid, of rationaliteit. Sensibiliseren kan dan in goed Nederlands vertaald worden als ‘tot rede brengen’; dat moest met Omtzigt gebeuren.

Waarom roept het gebruik van dat woord in die betekenis zoveel verontwaardiging op in de context van de Toeslagenaffaire? Redelijkheid is toch een prettige deugd voor mensen die geacht worden constructief met elkaar samen te werken?

De angel zit waarschijnlijk in het misbruik van het woord ‘rede’. Van dat woord kan de suggestie uitgaan dat de rede enkelvoudig is, Rede schrijf je dan met een hoofdletter, en die is voor iedereen hetzelfde. Dat is een venijnige illusie, maar die kan heel krachtig zijn. In situaties waarin verschillende tegengestelde belangen in het spel zijn kan een dominante partij via die illusie zijn belang koppelen aan het woord Rede. De andere partijen zijn dan per definitie niet redelijk, en moeten tot rede gebracht worden. En ja, dat kan maar één kant op, want er is maar één Rede. 

Neem inderdaad de Toeslagenaffaire. Daar waren op een bepaald moment – zeg zomer en najaar 2019, afgaande op de nu geopenbaarde notulen – verschillende belangen zichtbaar geworden. Om het overzichtelijk te houden noem ik er twee: het bestuurlijke belang van de regeringscoalitie om de vloed aan verontrustende berichten over wreedheid van de Belastingdienst in goede banen te leiden. En het existentiële belang van slachtoffers van de affaire om de zaak tot op de bodem uit te zoeken, omdat hun leven erdoor geruïneerd is. Pieter Omtzigt en Renske Leijten waren voor dat belang de woordvoerders.

Die belangen kunnen beide op hun eigen manier redelijk genoemd worden, en zouden zo bezien naast elkaar en gelijk opgaand behartigd moeten worden. Maar door het machtsverschil is de ene partij (de regering) in staat om het woord rede te monopoliseren, zodat het gaat samenvallen met controle op de communicatie en beheersing van de informatievoorziening. In die visie ontbreekt het Omtzigt en Leijten aan redelijkheid, dus zij moeten gesensibiliseerd worden.

Daar gaan je haren van overeind staan, en dan wordt sensibiliseren ineens een heel onsympathiek woord. Daaraan kleeft de truc van de misleiding die zegt dat er  ‘vanzelfsprekend’ maar één rede is en dat andere rationaliteiten tot zwijgen gebracht moeten worden.

De kwestie raakt aan een thema dat voor de filosoof Levinas heel groot is: de dwang in de samenleving om de veelheid van meningen tegen te gaan (vooral de aan jou visie tegengestelde) en te komen tot één zienswijze, die dan de juiste zou zijn. Dat veronderstelt dát er maar een de juiste kan zijn, en op allerlei terreinen van het leven blijkt dat de manier te zijn waarop we met redelijkheid omgaan. Of het nu gaat om religie of managementtheorieën, wetenschap of ethiek, de gedachte van dominante stromingen op die terreinen is dat hun waarheden universele geldigheid hebben. Omdat er maar één Rede (of Waarheid) is.

Levinas wijst erop dat we tot die omgang met de rede gelegitimeerd zijn geweest door zo’n beetje de hele westerse filosofische traditie vanaf de Grieken. Een citaat: “Tegenover de passies en de meningen zou de Rede het ware innerlijke leven representeren. De rede is één…En blijft één, volgens de traditionele opvatting van het innerlijk gesprek, hoeveel uitstapjes en zelfkritiek de geest ook toelaat”.  

Dat kan verklaren waarom in het Westen eeuwenlang nogal arrogant en hardvochtig is omgegaan met afwijkende meningen. Levinas keurt daarom die traditionele omgang met de rede hartstochtelijk af. Daar worden immers, met een beroep op de eenduidigheid van de Rede, tunnelvisies dominant en concurrerende manieren van denken gemarginaliseerd.

Ik vind het goed om gewaarschuwd te worden dat een eerbiedwaardige filosofische traditie als de westerse verstrikt kan raken in dat soort valse illusies. Levinas is trouwens beslist niet de eerste en enige die komt met die waarschuwing. Al in de negentiende eeuw ging, om maar iemand te noemen, Nietzsche hem daarin voor. Maar anders dan Nietzsche eindigt Levinas niet in nihilisme. Levinas koppelt kritiek op de westerse traditie aan een geloof in  positieve waarden. Bijvoorbeeld de waarde van gevoeligheid voor het vanzelfsprekende gebruik door de macht van een woord als sensibiliseren.

Zie ook Verdriet en Misleidende ideeën over verantwoording

Wil je commentaar geven of zien: klik op Levinas en Wopke Hoekstra en scrol naar beneden door.