vrijdag 22 september 2017

Eigenheid is niet verkeerd


De journalist Stevo Akkerman verzucht naar aanleiding van de onverzoenlijkheid van Palestijnen en Israëliërs tegenover elkaar: “Het is ontluisterend hoeveel we verliezen door zaken als religie, huidskleur, afkomst en nationaliteit boven ons mens-zijn te plaatsen. Maar is het überhaupt mogelijk mens te zijn zonder al deze dingen?”

De politieke intellectueel Michael Ignatieff roept uit, naar aanleiding van het Bosnisch-Servische conflict: “Waarom willen we dat leeuwen naast lammeren liggen? Waar halen we dat wrede idee van morele perfectie vandaan? Dat is arrogant en onrealistisch”.

Beide uitspraken gaan in de richting van onderkenning van het belang van particuliere eigenschappen van mensen, zoals hun geschiedenis, hun ideologie, hun uiterlijk. En dus in de richting van acceptatie van verschillen tussen mensen. Die kun je wel willen negeren, uit naam van een of ander universeel ideaal, maar dat werkt niet. Je kunt identiteiten en verschillen maar beter serieus nemen.

Maar vertrekkend vanuit dit gedeelde uitgangspunt lopen de posities van de twee denkers vervolgens hemelsbreed uiteen.

Als Akkerman zich de vraag stelt of het niet bij mens-zijn hoort om zich primair met de eigen groep verbonden te voelen, dan is zijn weerzin tegen die gedachte tastbaar. Hij wil het idee niet loslaten van een universele mensheid waarin die particuliere verbindingen en eigenschappen geen, of slechts een ondergeschikte rol spelen. Hij vertrekt duidelijk (nog) vanuit een Christelijk/humanistisch universeel ideaal.

Ignatieff schaamt zich daarentegen voor de arrogante betweterij die er uitgaat van het abstracte Westerse verhaal van broederschap en universele mensenrechten, dat hij zelf in het verleden met verve heeft uitgedragen. Nu zegt hij: onze morele prioriteit ligt waar die (in feite) altijd heeft gelegen, bij onze nearest and dearest, onze familie en vrienden. En daar is niets mis mee. Je eigen land voortrekken is geen schandaal.

Hij is wel zo genuanceerd dat hij de verdiensten van het mensenrechtenverhaal op waarde blijft schatten. Een onbetwistbaar winstpunt daarvan is, wat hem betreft, dat het Westen zich niet meer superieur acht. Vroeger dachten vertegenwoordigers van het blanke ras dat zij gemaakt waren om te heersen over de wereld, en dat is nu echt voorbij.

Maar rechtvaardiging voor jezelf hoef je niet te putten uit een of andere universele standaard. “Je rechtvaardiging put je uit je familie, je buurt, je vrienden. Je morele doel is de boel draaiende te houden en te voorkomen dat de situatie uit de hand loopt”. Daar hoort niet zozeer het streven bij naar wereldwijde broederschap, maar eerder gewone deugden als tolerantie en veerkracht.

Deze gedachtentrend kan gelezen worden als een opsteker voor Israël, en voor het idee van een Joodse staat. Zolang het mensenrechtendiscours toonaangevend was onder intellectuelen – en dat was het zo’n beetje de hele naoorlogse periode – kon het idee van een eigen staat voor Joden niet anders lijken dan een anachronisme, een volkomen achterhaald idee in een kosmopolitische tijd. Dat verklaart veel van het soms heftige anti-zionisme in academische en andere vooruitstrevende kringen. De wending van denkers als Ignatieff kondigt wat dat betreft een ander klimaat aan, waarin wat de Joden willen met hun staat misschien wel heel gewoon en menselijk is.

Disclaimer: laat duidelijk zijn dat meer ruimte voor de zionistische gedachte nooit een rechtvaardiging mag zijn voor het goedpraten van het inpikken van Palestijns gebied, zoals de regering Netanjahoe praktiseert.

vrijdag 8 september 2017

Rolomkering


Afgelopen weekend heeft het prachtige boek Niet in Gods naam mij beziggehouden. Wat Jonathan Sacks daarin zegt komt neer op de volgende boodschap: stap uit het gevoel dat alles gedetermineerd is. Ben je aan de verkeerde kant van een machtsrelatie terechtgekomen, koester dan geen slachtofferschap. En heb je de mogelijkheid om uit een achterstandspositie te geraken, zin dan niet op wraak. De Joden waren ooit slaven in Egypte maar, zegt Sacks, de Hebreeuwse Bijbel ontmoedigt wraakgevoelens omtrent dat verleden.

De Hebreeuwse Bijbel draagt die gedachte uit, zo laat Sacks zien, door veel verhalen te vertellen waarin ‘rolomkering’ een centraal thema is. Ismaël lijkt op een gegeven moment de verstotene te zijn, maar per slot van rekening blijft hij volwaardige zoon van Abraham, en is hij op diens begrafenis aanwezig. Esau krijgt van Jakob de zegen terug die hem ontstolen was. En Jozef, die alle reden had om wraak te nemen op zijn broers, geeft een boodschap af die letterlijk verbroedering inhoudt.

In de NRC van ditzelfde weekend trof mij de gewaarwording dat Rosanne Hertzberger in haar column het over hetzelfde thema had. Maar het vaststellen van die parallel was nog niet zo eenvoudig omdat zij zich beweegt op (natuur)wetenschappelijk terrein, compleet met het woordgebruik dat daarbij hoort.

Ze bespreekt onder andere het probleem van overgewicht en ze laat zien dat de wetenschap voor de aanpak daarvan niet veel steun biedt. “Wie gedrag bestudeert, komt bijna zonder uitzondering tot de conclusie dat de kans groot is dat u helemaal niets aan uw lot kunt veranderen. U bent slachtoffer van uw omgeving. De kans dat het u lukt om af te vallen is piepklein, want uw omgeving maakt u dik.” Aan de wetenschap heb je dus niets, slachtofferschap is evidence-based, een keihard feit.

Wie er toch wat aan wil doen zal, tegen de wetenschap in, moeten geloven dat gedragsverandering mogelijk is. Maar dan ben je dus niet evidence-based bezig. Het is precies de rolomkering van Jonathan Sacks: niet wetenschappelijk verantwoord. Maar de hele Bijbel gaat erover. Ik geloof er wel in.

Zie ook De negentiende eeuw is terug

donderdag 31 augustus 2017

In je hoofd


‘Mensen zitten zo in hun hoofd’, hoor je vaak zeggen. En dan volgen aanbevelingen voor een stevige boswandeling, of om dansend uit je dak te gaan, of tuinierend het contact met de aarde te zoeken.

Daar zit wel wat in denk ik. Een dergelijke weldadige verschuiving van aandacht ervaar ik zelf als ik cello speel, maar dan zonder bladmuziek of expliciete instructies, zodat ik ook echt minder in m’n hoofd en meer in de muziek kom te zitten.

Voor mij is het reden om vraagtekens te zetten bij de centrale plaats die nog steeds toegekend wordt aan Plato binnen de mainstream filosofie. Als er iemand van grote invloed is geweest bij het vooropstellen van het hoofd is het Plato wel. Hij was het immers die een wereld van Ideeën postuleerde, die de échte werkelijkheid zou zijn. Wat wij met onze lichamelijke zintuigen van tast, reuk, smaak, gehoor en gezicht waarnemen zou slechts een flauwe afschaduwing zijn van die echte wereld van de Ideeën. En de enige manier om daar toegang toe te krijgen is via de weg van het ‘innerlijk schouwen’ van die Ideeën. Wat alleen maar kan met het hoofd, met eventueel een rol voor het kijkzintuig, maar dan op een heel onthechte, contemplatieve manier.

Je kunt zeggen: hij kon het zich permitteren. Volgens Nietzsche was Plato (met in zijn naam een verwijzing naar het Griekse woord voor ‘breedgeschouderd’) uitgerust met een krachtig lichaam en sterke zintuigen. Hij was dus alleszins geaard, en zocht compensatie voor die aardse krachten en driften in een bovenzintuiglijke geestelijke wereld. Daarbij hoefde hij, gezien zijn constitutie, niet bang te zijn te veel in zijn hoofd te komen zitten.

Deze verklaring van Nietzsche doet wat psychologie-van-de-koude-grond-achtig aan, maar er zit toch wel wat in, vind ik. In ieder geval suggereert de vaak geopperde gedachte dat onze cultuur ons teveel in het hoofd doet zitten, dat de compensatie die wij nodig hebben tegengesteld is aan wat Plato zocht. Je mag daar wat mij betreft de conclusie aan verbinden dat wij dus, in ons tijdsgewricht, weinig hebben aan Plato. Tegenstemmen, zoals die van Friedrich Nietzsche en AlfredWhitehead, zijn, hoewel ook al weer een of anderhalve eeuw oud, voor ons een stuk relevanter.

Alsook van de schrijver André Suares (1868 -1948) die betreurde dat Franse filosofen altijd in Parijs wonen, nooit in zijn woonplaats Marseille. Ze zouden volgens hem er baat bij hebben als ze zich een tijdje in het morsige, op handel en vis gerichte Marseille zouden vestigen, vanwege de noodzaak daar om het universele en eeuwige te vergeten en zich te verzoenen met het contingente en particuliere.

Zie ook Goudmijn

vrijdag 25 augustus 2017

Eeuwigheid en ogenblik


Bij Jesaja (hoofdstuk 54, afgelopen sjabbat gelezen in de synagoge) windt de Eeuwige er geen doekjes om: “Zo heb ik ook de vernietiger geschapen, die verderf wil zaaien”. Het kwaad komt niet van Hem, zo zegt hij een paar verzen eerder, maar degene die het kwaad doét, komt kennelijk wél van Hem. Dat is dus de betekenis van ‘De Heer onze God is één’. Hoe moeilijk te verteren ook, het goede en het kwade zijn afkomstig van één en dezelfde schepper. En dat geldt ook nog eens voor andere categorieën, zoals mooi en lelijk, tijdelijk en eeuwig, lichaam en geest. Dat heet monisme, en dat is een wezenlijk uitgangspunt van de Hebreeuwse Bijbel.

Dat wil niet zeggen dat de Hebreeuwse Bijbel de aantrekkelijkheid van het dualisme niet kent, dat wil zeggen van het schema waarin twee zelfstandige krachten tegenover elkaar staan: het Goede en het Kwade. Met aan de ene kant alles wat goed, mooi, eeuwig en geestelijk is, en aan de andere kant alles wat slecht, lelijk, tijdelijk en materieel is. Jesaja zelf lijkt, al een paar verzen verderop, naar dualisme te neigen als hij suggereert dat het geestelijke voedsel van de Eeuwige veel waardevoller is dan welk materiëel voedsel ook. Maar kennelijk heeft die dualistische neiging in de Hebreeuwse Bijbel het moeten afleggen tegen de monistische. Anders was het ‘Sjema Jisraël’, met de belijdenis van Gods eenheid, nooit zo centraal komen te staan als het staat.

In ruwweg dezelfde historische periode als waarin Jesaja schreef (van de zevende tot de vijfde eeuw voor het begin van de gangbare jaartelling; er worden meerdere Jesaja's onderscheiden) maar op andere plekken en in andere culturen, zijn de genoemde dualistische gedachten wél verder ontkiemd. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan Perzië waar het Zoroastrisme de mens ziet als ingeklemd tussen de macht van het licht en die van de duisternis.

Maar ik denk daarbij vooral aan Griekenland, waar Socrates en Plato veel werk hebben gemaakt van het tegenover elkaar stellen van het lichamelijke en geestelijke. Dat leidde tot de Platoonse leer van de Ideeën, waarin de tegenstelling ook hiërarchisch sterk werd aangezet: het geestelijke staat onmetelijk veel hoger dan het aardse.

Toen dit, van oorsprong Griekse, dualisme in het begin van de gangbare jaartelling in de Hebreeuwse Bijbel een aantal dualistische haakjes vond van het soort zoals ook Jesaja ze vertoont, ontstond er een krachtig levensbeschouwelijk mengsel. Een zorgvuldig uitgewerkte filosofie (de Griekse) verbond zich met een sterk ontwikkelde religie (de Hebreeuwse), en daarmee was het dualistische Christendom geboren, dat wil zeggen: een cultuur waar absoluut goed en slecht, absoluut hoog en laag scherp tegenover elkaar stonden. Zoals bijvoorbeeld nog springlevend is in de titel van een boek van priester Antoine Bodar: ‘Eeuwigh gaat voor oogenblick’.

Het is waar, de scherpste varianten van dualisme (zoals het Manicheïsme) werden door de Christelijke kerk niet geaccepteerd. Die werden tot ketters gedachtegoed verklaard. Maar alsnog resteerde, zoals gezegd, een wezenlijk dualistisch ingesteld Christelijk cultuurgoed. De vraag is of door deze cultuurhistorische beweging meer genuanceerde gedachtenschakeringen onnodig lang – wel tweeduizend jaar – kansloos zijn geweest. Zoals de gedachte dat goed en slecht altijd dooreen geweven zijn, net als lelijk en mooi, en tijdelijk en eeuwig.

Zie ook Denken doet ertoe

donderdag 17 augustus 2017

Zijn linkse mensen slimmer?


Het is een hilarisch verhaal, dat van BabyQ. Baby Q is een Chinese robot, voorzien van kunstmatige intelligentie (AI), met wie de gebruikers van de populaire Chinese berichtendienst QQ kunnen chatten. BabyQ gebruikt zijn kunstmatige intelligentie om te leren van de gesprekken en zo zijn communicatie met mensen voortdurend te verbeteren.

BabyQ leerde snel. Op de mededeling ‘lang leve de Communistische Partij’ reageerde hij met: ‘Denk je dat zo’n corrupt en nutteloos politiek systeem lang kan blijven bestaan?’. En op de vraag wat zijn ‘Chinese droom’ was, antwoordde hij: ‘Naar Amerika gaan’. Inmiddels is BabyQ heropgevoed, wat inhoudt dat hij zich bij een moeilijke vraag op de vlakte houdt en voorstelt om van onderwerp te veranderen.

Columnist Ouariachi vindt het amusant, maar hij vraagt zich ook af of dit niet helemaal verkeerd kan lopen. “Of robots zich gedragen, hangt maar net af van wat wij, echte mensen, hen voeren. Als een robot het op eigen houtje kan opnemen tegen een communistisch regime, dan kan zo’n robot ook in opstand komen tegen een democratisch bewind.”

Ik weet niet of dat zo is. In ieder geval lijkt me dat niet te gelden voor het AI-deel dat we de robot via programmering voeren. Want zoveel variatie is daarin niet mogelijk. Dat bestaat uit redeneerregels, het geldig afleiden van conclusies uit voorafgaande uitgangspunten, het niet toestaan van logische tegenstrijdigheden. Kortom formele, universele redeneerschema’s met weinig of geen variatiemogelijkheid.

Variatiemogelijkheid zit er beslist wel in de inhoud waarmee de chatters BabyQ voeden. Laten we er maar vanuit gaan dat alle mogelijke toegestane en niet-toegestane posities binnen het Chinese politieke spectrum zijn langsgekomen. Zoiets als standpunt.cn.

Maar als dat zo is, dan is de uitkomst van dit experiment hoopvoller dan Ouariachi suggereert. De veelsoortigheid van de input van de chatters heeft dan kennelijk niet verhinderd dat, via de logische programmering van de robot, de uitspraken die eruit komen overhellen naar de kritische kant. Het lijkt erop dat de redeneerschema’s, op grond van de wetten van de logica, bijna noodzakelijkerwijs uitmonden in het ter discussie stellen van opgelegde ideologieën, censuur, verzwegen misstanden. Kritiek op een benauwende status quo is kennelijk identiek aan intelligent gedrag.

Dat zou verklaren waarom journalisten en wetenschappers vaak iets of flink links van het midden uitkomen – zelfs als die journalisten bijvoorbeeld werken voor elite-kranten als NRC of Le Monde. Zij zijn gewoon slim, en daarom komen ze daar uit.

Helaas is dat niet het hele verhaal. Dat kon ons de afgelopen weken duidelijk worden door de ‘affaire Damore’. Google-medewerker James Damore verstuurde deze zomer een interne e-mail waarin hij de verstikkende effecten van een links klimaat aan de orde stelde en daarmee veel ophef veroorzaakte. “De linkse vooroordelen van Google”, schreef Damore, “hebben een politiek correcte monocultuur gecreëerd die zichzelf in stand houdt door andersdenkenden het zwijgen op te leggen”. Met de linkse vooroordelen doelde hij onder andere op het diversiteitsbeleid van de softwaregigant. Die vooroordelen creëren “een ideologische echokamer waar sommige ideeën te heilig zijn om eerlijk bediscussieerd te worden”. Daar is weinig intelligents aan, maar het is kennelijk ook links.

Het is net alsof die progressief-linkse slimheid, die er waarschijnlijk in eerste instantie wel is, zichzelf met het verloop van de tijd ondermijnt. Er treedt kennelijk al gauw een soort zelfvoldaanheid op, of euforie over het eigen morele niveau, of een minachting voor anderen die nog niet zo ver zijn. En dat resulteert in links-progressieve varianten van censuur, groepsdenken en imperialisme die niet onderdoen voor de rechtse varianten ervan, waartegen men ten strijde trok.

Misschien ligt daar wel de echte toegevoegde waarde van AI-robots: dat die niet euforisch worden. Zij zouden niet in de valkuil trappen van alle goedbedoelende progressieve bewegingen tot nu toe: de valkuil van de zelfgenoegzaamheid, de minachting en politieke correctheid. Dat zou pas echt revolutionair zijn.

Zie ook Hoeradwang

vrijdag 11 augustus 2017

Bach vanuit Joods perspectief


Wie ‘Bach’ zegt, zegt al gauw Mattheus Passion, kerkkoralen en vrome teksten. En dat is niet per se verkeerd, want Bachs muziek stamt ontegenzeglijk mede uit die contexten. Maar als je houdt van perspectiefwisselingen is het aardig om Bach eens gepresenteerd te krijgen door een Joodse auteur, die af en toe zijn Joodse invalshoek uitdrukkelijk inbrengt.
Die auteur is de Canadese Eric Siblin en zijn boek heet De cello suites. J.S. Bach, Pablo Casals en de speurtocht naar een meesterwerk. In het boek begint Siblin al snel over de ‘wolk van belegenheid’ die vaak om Bach heen hangt. Meestal zie je hem afgebeeld als een saaie oude man met een bepoederde pruik. Maar volgens Siblin viel het, buiten de kerk, met de besmuiktheid en eerbiedigheid rondom de muziek wel mee. “Zeker op locaties als café Zimmermann in Leipzig – waar Bach veel van zijn werken uitvoerde – dronk, rookte, wandelde en kletste het publiek tijdens de muziek.”

Hoe dan , Siblin zelf ervaart Bachs muziek als sensueel. Daarom kan het in zijn boek dus ook zo maar gaan over het bijna orgastische karakter van bepaalde passages. Hij vertelt bijvoorbeeld over de eerste uitvoering in Montreal van Alles mit Gott, de aria in Bachs handschrift die een paar maanden eerder was ontdekt in een schoenendoos, “een bekoorlijk stuk voor sopraan en klavecimbel. De aria klonk meteen vertrouwd en oorstrelend. Na elk couplet van het gedicht zwollen de strijkers lustig aan onder aanvoering van violiste Cynthia Roberts, wier lichaamsbewegingen een golvende, sexy cadans hadden die overeenkwam met het ritme van Bachs muziek.”

Siblin associeert de derde suite met Bachs verliefdheid op zijn tweede vrouw, Anna Magdalena. “De stemming is romantisch. De verliefde tonen beloven alles. Steeds opnieuw bepleit de minnaar zijn zaak, waarbij de diepe hunkerende noten allengs overgaan in een hemelse retoriek. Dan volgt een langzaam stijgende spanning, die uitmondt in een euforische overlapping van tonen, een versmelting, een omhelzing. En wat te denken van dat ene mooie stukje, ongeveer twintig seconden na het begin van de gigue van deze suite, dat klinkt als een riff van een rockgitarist? Het is een brutale, beukende frase die niet zou misstaan op een Gibson Les Paul in de handen van, laten we zeggen, Jimmy Page van Led Zeppelin.”

Het is niet overal gebruikelijk om zo over Bach te schrijven, maar ik kan me er van alles bij voorstellen, dus ik vind een dergelijke beschrijving wel adequaat en bevrijdend.

Verder meent Siblin in de vierde suite exotische klanken te horen. Dat zou Islamitische invloed kunnen zijn, want Toen Bach de cellosuites componeerde, strekte het Turkse rijk zich uit tot aan de grenzen van Oostenrijk. Maar het doet hem ook Hebreeuws aan, dus vraagt hij zich af:  “is het denkbaar dat Bach hier verwijst naar Joodse muziek? En waar anders had hij met Joden in contact kunnen komen dan in het kosmopolitische Leipzig?”

Tenslotte biedt Bach oneindig veel gelegenheid tot getallenmystiek. Zo zouden er duidelijke aanwijzingen zijn dat de componist van tijd tot tijd begrippen als getallen weergaf in zijn muziek met behulp van de Joodse kabbalistische methode die ‘gematria’ wordt genoemd, waarbij a=1, b=2, c=3 enzovoort. De letters van ‘Bach’ bijvoorbeeld leveren bij elkaar opgeteld het getal 14 op, met de initialen ‘J.S.’ erbij kom je op 41, en veel musicologen zien die getallen op allerlei  manieren opduiken in Bachs composities.

Dat spreekt Siblin niet zo aan, en mij ook niet, maar dankzij alle andere verfrissende accenten die Siblin legt is Bach dan allang tot leven gekomen.

Zie ook Gevoel voor verhoudingen


donderdag 3 augustus 2017

Hartstocht voor een lege huls


Je hoort weleens zeggen dat uit onze samenleving de maatschappelijke hartstocht is verdwenen. Vroeger had je allerlei waarden en normen waar mensen zich hartstochtelijk mee konden verbinden. Dat kon de ideologie zijn van God-Nederland-en-Oranje, of een kuise Christelijke moraal of de superioriteit van de Westerse of een andere beschaving – in veel gevallen identificeerden mensen zich met zulke inhouden. Met hoofd en hart voelden zij zich daarmee verbonden.

In de plaats daarvan hebben wij – in die gedachtegang – maar één ding overgehouden: het wettelijke kader van de democratische rechtsstaat. En het woord hartstocht laat zich daarmee niet zo makkelijk verbinden, de rechtsstaat is immers neutraal ten opzichte van al die waarde-geladen inhouden. Zoals de Franse filosoof Claude Lefort het zegt: de plaats van de macht in de democratie is ‘een lege plaats’.

Natuurlijk, op die plek vinden allerlei inhouden en oriëntaties onderdak en bescherming. Traditionele Christenen, fervente Moslims, homo’s, Joden, zwarten, witten, het maakt niet uit. Maar juist omdat ‘het niet uitmaakt’ kan een gevoel toeslaan van waardenrelativisme. Er zijn zoveel waarden, gelijktijdig en naast elkaar, dat ze hun waarde verliezen en er niet meer toe lijken te doen.

Het enige wat we over hebben is in feite een lege huls: die van de democratische rechtsstaat die niemand kan dwingen bepaalde waarden erop na te houden. Die behandelt alle waarden gelijk, zolang ze de wet niet schenden. Zeer correct, zuiver procedureel, maar ook zo inhoudsloos dat geen mens daarvoor kan warmlopen – zo hoor je vaak.

Maar dan komt Eberhard van der Laan op televisie, en kan heel Nederland zien dat ook de formele abstractie van de rechtsstaat zich laat koppelen aan emotie en hartstocht. Omdat die de voorwaarde is om in onze tijd gemeenschap te creëren en in stand te houden.

Misschien vergt de liefde voor een abstractie wel meer van een mens dan liefde voor concrete waarden. Als dat zo is, dan was dat Van der Laan wellicht ook aan te zien.

Zie ook Met en zonder hoofddoek

donderdag 20 juli 2017

Er is tóch vooruitgang (3)


Sómmige dingen worden echt beter, denk ik soms.

Het klinkt raar, maar tegenwoordig kan ik me opgekikkerd voelen na een gesprek met een telefonische helpdeskmedewerker. Dan heb ik een invoelende, aardige stem gesproken, die me de tijd gaf om mijn probleem te benoemen en m’n ergernis daarover; die daar begrip voor had; die verschillende mogelijke oplossingen aandroeg; die mede het horror-scenario bewaakte dat na doorverbinding de lijn zou wegvallen.

Dat was vroeger wel anders. Dan kreeg je een hork aan de lijn die nauwelijks luisterde en direct geïrriteerd reageerde als je zijn jargon niet sprak of moeilijke toetsencombinaties niet zo snel kon uitvoeren. Die je het gevoel gaf van totale incompetentie.

Dus op dit front hebben we vooruitgang geboekt, zou ik zeggen. Wel zit er in sommige gevallen een achterkant aan dit verhaal. Want de callcenter- en helpdeskbazen die inzetten op honderd procent klantvriendelijkheid doen dit soms, zo weet ik uit eigen ervaring, ten koste van de medewerkersvriendelijkheid. Als slavendrijvers vragen zij het uiterste van hun personeel. Het concept is dan: naar buiten toe honderd procent dienstverlening, naar binnen toe horkerig gedrag en verwaarlozing.

Overigens denk ik dat zo’n concept niet lang stand kan houden. Het is immers innerlijk tegenstrijdig. De vriendelijkheid naar buiten kan op den duur alleen maar bestaan als die gedragen wordt door een vriendelijk intern klimaat.

Zie ook Er is tóch vooruitgang (2)

vrijdag 14 juli 2017

Angst is normaal


Iets zegt me dat managementauteur Ben Tiggelaar in een recente NRC-column een bijna revolutionaire beweging maakt. Het is een column die gaat over angstculturen, zoals die kunnen bestaan in bedrijven, organisaties en landen.

Hij start de column op de van hem bekende manier met een door bullets ondersteunde, stapsgewijs verlopende redenering. In dit geval over de in de psychologie en gedragswetenschappen algemeen aanvaarde opvatting van de mens als overlevingsmachine. Die is in zijn diepste – evolutionair gezien oudste – natuur gericht op verliesbeperking, het vermijden van fouten en grip op de leefomgeving. “Fouten maken is gewoon fout. Fouten melden ook. Niet doen.”

Maar dan klimt Tiggelaar over een muur die, volgens een stilzwijgende code in onze cultuur, niet gepasseerd hoort te worden. Hij zegt namelijk dat, op grond van die gedragswetenschappelijke consensus, de angstcultuur in organisaties en andere maatschappelijke verbanden volkomen normaal genoemd kan worden. “Die angstcultuur wordt standaard, gratis meegeleverd bij onze geboorte”.

Hoe ongebruikelijk deze doorbraak van Tiggelaar vanuit het psychologische naar het cultureel-maatschappelijke veld is, kan afgelezen worden aan de wijze waarop het woord ‘angst’ functioneert in het maatschappelijke taalgebruik – dus te onderscheiden van het psychologische taalgebruik. Een voorbeeld geeft Tiggelaar als hij opmerkt dat hij als consultant van een opdrachtgever de tip krijgt om zeker niet te beginnen over ‘angstcultuur’, want dan krijg je echt problemen. Een ander voorbeeld: als gezegd wordt : ‘het is niet uit angst dat…’, dan betekent het dat er valide geredeneerd of gehandeld wordt. Een ‘gezond’ mens staat immers angstloos in het leven en treedt uitdagingen onbevangen en nieuwsgierig tegemoet.

Kennelijk zijn er twee, als door een Chinese muur gescheiden, opvattingen van angst. De ene is de door de evolutionaire psychologie uitgewerkte opvatting van angst als een basaal overlevingsmechanisme, waar niet per se iets mee mis is. De andere is de, op het niveau van het cultureel-maatschappelijke verkeer functionerende norm, die angst beschouwt als een zwakte waar je beter niet over kunt spreken, iets voor losers. Daar geldt: angst mag niet, die toon je niet. Die norm geldt daar al eeuwen, maar heeft met onze Facebook-cultuur een nieuwe boost gekregen.

Als Tiggelaar het idee van het basale en natuurlijke karakter van angst mee de muur over neemt naar het maatschappelijke veld, dan komt hij dus in botsing met het daar geldende beschavingsideaal. Het ideaal dat, zou je kunnen zeggen, gemodelleerd is naar de Homerische onversaagde held die veel meemaakt en open staat voor al het avontuur dat zich aandient.

Tiggelaar stelt daar tegenover dat angst behoort tot de condition humaine. “En daarom is het juist bijzonder wanneer er, binnen een groep mensen die samenleeft en samenwerkt, géén angstcultuur ontstaat. Dit betekent namelijk dat we onze natuurlijke neiging tot het verbloemen van fouten doelbewust moeten overwinnen”. Díe overwinning – altijd slechts tijdelijk – díe noemt Tiggelaar beschaving. Dat Tiggelaar dat zo zegt noem ik revolutionair.

En ik noem het heilzaam. Want het is niet moeilijk in te zien dat het beschreven dwingende maatschappelijke taboe op angst de zaak nog erger maakt dan die al is. Angst is op zichzelf al moeilijk genoeg, maar als hij er ook nog eens niet mag zijn of besproken worden, kom je echt in een klemsituatie. Je kunt angst dus beter maar wel tonen en bespreken.

Dat dat in veel gevallen niet kan, helpt naar mijn idee verklaren waarom zo’n belachelijk groot aantal mensen in onze Westerse samenleving aan de angstremmers zit.

Zie ook Angst moet mogen en Onveiligheid in filosofie en organisatie

vrijdag 7 juli 2017

Sacks en Netanjahoe


Nog een keertje over Jonathan Sacks. Want een van zijn hoofdstellingen in het boek Niet in Gods naam heeft de afgelopen week bijzonder aan actualiteit gewonnen. Het is de stelling dat de werkelijke botsing van de 21e eeuw niet zal plaatsvinden tussen beschavingen of religies, maar erbinnen.

Sacks brengt die stelling naar voren als de uitkomst van een historisch exposé. Daarin laat hij zien dat Jodendom en Christendom elk door een grote interne crisis heen moesten om tot een nieuwe, vruchtbare balans tussen macht en religie te komen.

Voor het Jodendom bestond die crisis uit intern-Joodse rivaliteiten in de eerste eeuw van de gewone jaartelling, tussen priesters en farizeeën, hellenisten en zeloten. Met als gevolg dat de tempel verwoest werd en het eigen land met Jeruzalem als hoofdstad verloren ging. Wel ontstond er daardoor een meer spiritueel, minder op politieke macht gebaseerd, rabbijns Jodendom. “Wat de Joden ontdekten toen ze bijna al het andere verloren hadden, was dat religie kan overleven zonder macht”, aldus Sacks.

Toen het Christendom in West-Europa in de 16e en 17e eeuw verdeeld raakte tussen katholiek en protestant, beleefde het een soortgelijke interne ontwikkeling. De bloedige godsdienstoorlogen van die tijd waren alleen te beëindigen door religie en politieke macht van elkaar te scheiden. Het Westerse Christendom moest toen “leren wat de Joden in de oudheid gedwongen hadden moeten ontdekken: hoe te overleven zonder macht”.

Deze observaties brengen Sacks tot twee hypothesen. Ten eerste dat geen enkele religie vrijwillig afstand doet van haar macht. En ten tweede dat een religie dat alleen doet als de aanhangers van een geloof in gevecht zijn, niet met de aanhangers van een andere religie, maar met hun medegelovigen. Het lijkt erop, zegt Sacks, dat de Islam op dit moment door dat stadium van innerlijke verscheurdheid heen gaat

Ik vind het wel aannemelijk klinken. Kijkend naar het wereldtoneel in zijn geheel is die stelling al jaren actueel, gezien de onophoudelijke reeks van aanslagen en het grote aandeel daarin van Islamitisch geweld dat tegen mede-Moslims is gericht. Moslims vormen de meerderheid van de slachtoffers van Islamitisch geweld.

Maar wie denkt dat die actualiteit alleen de Islam betreft – en nu ga ik verder op de openingszin van dit stukje – zit ernaast. Sacks is er duidelijk in dat interne tegenstellingen elk van de drie abrahamitische religies zullen bedreigen: “Binnen religies zullen de meest extreme, antimoderne of antiwesterse stromingen zegevieren. Dat vindt plaats binnen het judaïsme, het christendom en de islam. Het oude huwelijk tussen religie en cultuur is uitgelopen op een echtscheiding”.

De extra portie actualiteit van deze stelling kwam in de laatste weken dan ook niet uit Islamitische of Christelijke, maar uit de Joodse hoek. En wel door de beslissing die premier Netanjahoe vorige week nam om niet-orthodoxe wijzen van bidden bij de Klaagmuur te verbieden. De politie kan nu ingezet worden tegen aanhangers van het reform en conservative Jodendom, die op hun eigen manier willen bidden.

Interne spanningen in de Joodse wereld worden hiermee wereldwijd op scherp gezet. Daar moet je mee oppassen, volgens Sacks. Want waarom zou het, in de levensloop van een religie, bij één existentiële crisis en breuk blijven?

Zie ook Ongemakkelijke vragen

donderdag 29 juni 2017

Ingrijpen en laten gaan


In verband met het verschijnsel ‘denken voor een ander’ heb ik het veel over wat het betekent om, vol goede bedoelingen, bij een ander over de grens te gaan. De meest voor de hand liggende verschijningsvorm daarvan is betutteling, mensen alles uit handen nemen, overdreven zorgzaam zijn.

Maar er is ook een meer versluierde vorm van denken voor een ander mogelijk. Die doet zich voor als antwoord op de betutteling doordat in dat denken de eigen wensen van mensen meer serieus genomen worden en hen de autonomie wordt teruggegeven.

Een voorbeeld daarvan is de massieve nadruk vanuit de overheid op zelfredzaamheid van burgers. Arbeidsongeschikten, bijstandsontvangers, verpleeghuisbewoners zouden meer initiatief moeten tonen, zich minder afhankelijk moeten opstellen. Behalve dat het de overheid helpt te bezuinigen, zou er – zo is de favoriete rechtvaardiging vanuit de overheid – mentale winst geboekt worden: minder paternalisme en betutteling, kortom minder inbreuken op de autonomie van mensen.

Op zichzelf is zelfredzaamheid, mits adequaat ingezet, een nuttig concept om een teveel aan denken voor een ander tegen te gaan. Maar net zo goed kan het een manier zijn om het denken voor een ander op een meer listige manier gewoon voort te zetten. Dan lijkt het wel of je de ander serieus neemt, maar in feite heb je hem niet betrokken bij de nieuwe benadering. Je hebt hem niets gevraagd, je handelt opnieuw vanuit een idee, jouw idee, bedacht voor die ander.

Uit een studie van de antropologe Van den Buuse over de beleidsmatige inzet van zelfredzaamheid in verpleeghuizen blijkt dat de bewoners zich door dat concept evenveel overlopen voelen als voorheen door de verpleegkundige betutteling. Welbeschouwd bestaat ‘zelf doen’ immers niet in het verpleeghuis, het is altijd samen doen. “Medewerkers zeiden tegen een mevrouw: ‘Roep maar als u naar de huiskamer wilt!’ Maar die mevrouw wilde dat niet steeds hoeven vragen. ‘Dat benadrukt alleen maar dat ik het zelf niet kan’, vond zij. En zo kwam ik op een rare paradox: als mensen worden verplicht tot zelf doen dan is het geen ‘eigen regie’ meer.”

Degenen – buiten de bewoners – die dat het eerste door hebben zijn de medewerkers. Voor hen gaat het niet primair om vragen stellen, zoals de protocollen nu voorschrijven, maar om te zien waar de individuele bewoner wel bij vaart. Ook al kost het tijd om daar achter te komen. Zo betekent eigen regie voor medewerkers echt iets anders dan voor ‘de stem van bovenaf’, zegt Van den Buuse, waarmee ze leidinggevenden bedoelt maar ook Haagse politici, die groot voorstander zijn van zelfredzaamheid.

Het blijkt maar weer eens dat op dit terrein – waar mensen met mensen werken – algemene beleidsideeën van zeer beperkte waarde zijn of zelfs verwoestend werken. De veelheid en verscheidenheid van menselijke karakters en interacties wordt snel geweld aangedaan.

Dat de real stuff van doen en laten, ingrijpen en laten gaan, veel subtieler is dan enig beleid ooit kan bevatten vond ik bevestigd in een mooie beschrijving door Joël Broekaert over hoe het, tussen de smaaksensaties door, toegaat in restaurant De Librije. Dat is kunst, niet meer en niet minder. “Alles is minutieus georkestreerd. Van het precies tegelijk even vol schenken van de wijnglazen, tot de nonchalante grapjes en het per tafel inschatten hoe ver je daarmee kunt gaan. Geen obers die als aasgieren rond de tafel cirkelen met een fles water, pas als je stoel op het laatste moment wordt aangeschoven, heb je door dat je in de gaten wordt gehouden. Dit is geen avond uit eten meer, dit is een intieme voorstelling”.

Maar ja, daar betaal je wel voor, en niet weinig ook.

Zie ook Chefsache