vrijdag 24 februari 2017

Weten en meten


Hoe kwalijk is het dat ADHD-diagnoses bij kinderen meer worden gesteld op basis van een hersenmeting dan van oplettende omgang met die kinderen? Of dat klanttevredenheidscijfers façades optrekken waarachter klanten toch gewoon weglopen? Of dat bij het installatiebedrijf Imtech een paar snelle alarmerende cijfers een paniekreactie veroorzaakten en uiteindelijk het faillissement van het bedrijf, terwijl er zakelijk gezien nog allerlei kansen waren.

Dat is kwalijk, denk ik, maar dat zit hem niet per se in de cijfers. Dat zeiden de organisatoren van de boekpresentatie van Weten vraagt meer dan meten vorige week ook al. Bijvoorbeeld consultant Eric Koenen onderstreepte in Trouw: “Wij zijn geen anti-getallenbeweging”, het gaat er meer om dat cijfers adequaat gebruikt worden in het maatschappelijke verkeer.

Koenen had als consultant het faillissement van Imtech meegemaakt en gezien hoe op basis van een paar getallen in allerijl beheersingsmaatregelen werden ingesteld die de zaak alleen maar verergerden. Zo’n constatering maakt cijfers ineens niet onbelangrijk – integendeel, ook in Koenens verhaal bleven die cruciaal: “Vergis je niet”, zegt hij, “door de handen van de projectleiders gingen miljoenen”. Alleen was daar door de paniekmaatregelen geen zicht meer op.

Het zit hem dus niet zozeer in de cijfers, maar in ongepast gebruik ervan. Je zou kunnen zeggen, met Koenen en de anderen van de beweging, dat “het verhaal achter de cijfers niet meer wordt gehoord”. Men loopt te snel weg met de cijfers, men zou moeten durven vertragen en enige afstand moeten nemen om te begrijpen waarom de dingen zijn zoals ze zijn.

Maar, kun je stellen, komt het gebruik van cijfers ook al niet precies voort uit de wens om te objectiveren, afstand te nemen, te objectiveren? In plaats van ongeïnformeerd en slechts op basis van intuïtie te handelen? Als dat zo is, dan is het verschil tussen de inzet van cijfers en het advies “Neem eens afstand, kom eens los van de directe reflexen en patronen” op het eerste gezicht helemaal niet zo evident.

We moeten misschien preciezer zijn in het benoemen van het soort afstand dat we willen nemen. Ik zou zeggen: waar de afstand – met of zonder cijfers – ingezet wordt ter beheersing van situaties hoeft er op zich nog niet iets mis te zijn. Waar dat gebeurt ter afscherming van de problemen, ze ver van je weg te houden, daar moet je gaan opletten. Waar dat (afstand en beheersing) gebeurt voor een meer adequate omgang met de problemen, ben je waarschijnlijk goed bezig. Een criterium voor het onderscheiden van de kwalijke en de constructieve manier van afstand nemen (en gebruik van cijfers) is waarschijnlijk gelegen in de mate waarin beslissers contact hebben en houden met de werkvloer en de primaire processen. Dat was, naar zeggen van Koenen, bij Imtech duidelijk niet meer het geval.

Veel van dat soort contact is constructief, zelfs broodnodig; een gebrek daaraan is kwalijk, zelfs gevaarlijk. Wat dat betreft is psychiater Jim van Os, die ook een bijdrage levert aan het boek, op de goede weg. Hij experimenteert in Limburg met het daadwerkelijk kleinschaliger organiseren van de geestelijke gezondheidszorg en met inzet van minder medisch jargon. Hierdoor krijgen behandelaars en staf meer kans op betrokkenheid bij het primaire proces – in dit geval: het geestelijk weerbaarder maken van cliënten – dan in grote instellingen.

Zie ook Meetbaarheid

vrijdag 17 februari 2017

Het model Israël


Israël heeft zich altijd goed geleend voor de rol van exemplarisch model. Dat kon ten goede zijn of ten kwade: mensen konden zich ermee identificeren of zich er juist tegen afzetten.

Aanvankelijk, vanaf de stichting van de staat in 1948, was dat in hoofdzaak een positief model. Israël kon figureren als een volwaardige rechtsstaat, en als zodanig ook nog als uniek in het Midden-Oosten. Daarbij volgde het land een sympathieke sociaal-democratische koers en kon het pronken met kibboetsiem als mini-modellen voor gelijkwaardig en broederlijk/zusterlijk samenleven.

Vanaf de jaren zeventig boog dat positieve voorbeeldkarakter in de publieke opinie om naar een beeld van Israël als model in negatieve zin. Het land werd gezien als een verlengstuk van Westers kolonialisme dat zichzelf overleefd had en de onderdrukking van de Palestijnen werd steeds breder uitgemeten. Op economisch terrein begonnen vooral Likud-regeringen een neo-liberaal beleid te voeren, met vergroting van de kloof tussen arm en rijk in de samenleving als gevolg. Het land liep, zij aan zij met Thatcher en Reagan, voorop in de neo-liberale revolutie.

Afgaande op meer beschouwende analyses van de laatste tijd, zou Israël wel eens opnieuw een modelfunctie kunnen gaan krijgen. Maar nu niet gekoppeld aan ideologische wensbeelden zoals het socialisme en het neo-liberalisme die voorheen aan het land een voorloperskarakter gaven. Nu, in deze tijd van rechtsstatelijke en internationale onzekerheid, zou Israël ons wel eens kunnen tonen wat mogelijk ons eigen voorland in Europa gaat worden, niet omdat we dat zo graag willen, maar omdat het gewoon zo loopt.

Israël toont een bevolking, mede door de komst van grote groepen Russische Joden, die de principes van de Verlichting en de rechtsstaat minder hoog in het vaandel draagt dan de stichters van de staat voor ogen hadden. Er zit een regering waarvan steeds meer de vraag is of die de oordelen van het Hooggerechtshof (bijvoorbeeld als het gaat om ontruiming van nederzettingen) nog respecteert. En die affiniteit lijkt te hebben met het soort leiders waar Poetin en Trump exponenten van zijn. Tenslotte is er de eigen-volk-eerst-attitude zover voortgeschreden dat bepaalde andere bevolkingsgroepen zoals Arabieren en Bedoeïenen er openlijk benadeeld worden.

Israël als voorloper? Maak je borst maar nat, Europa!

Zie ook Schuiven


vrijdag 10 februari 2017

Met en zonder hoofddoek


Ik zie ze vaak lopen: groepjes middelbare scholieren, allochtoon (nee, daar doe ik niet moeilijk over), vriendinnen (ja, dat meen ik ook te kunnen zien), waarvan een aantal een hoofddoek draagt en een aantal niet.

Dat te zien doet me altijd goed, vanwege de vrijheid die deze meiden kennelijk voelen ten opzichte van elkaar (en andere autoriteiten) om de hoofddoek wel of niet te dragen.

Dan heb je het begrepen, denk ik dan. Namelijk dat zulke gedragingen en bijbehorende opvattingen in onze samenleving in alle gevallen respectabele keuzes zijn.

Uiteraard is mijn observatie er een vanuit de buitenkant. Ik ben niet bij de gesprekken die in zulke groepjes gevoerd worden over de toelaatbaarheid van wel of geen hoofddoek. Ik constateer alleen maar dat vrouwen met en zonder zich op een vrolijke manier mengen.

Verontrustend vind ik wel dat sommige vrouwen zonder hoofddoek menen zich te moeten excuseren voor hun keuze, en wel door te zeggen dat ze ‘er nog niet aan toe zijn’. Dat zou namelijk betekenen dat er geen echte keuzevrijheid bestaat, dat er maar één weg van de waarheid is waar vroeg of laat iedere Moslim op hoort uit te komen.

Dan zijn we weer terug bij af natuurlijk.

Zie ook Achterlopen en Een klas met twee derde moslims

vrijdag 3 februari 2017

Levinas en Charles Taylor


Een interessant punt van vergelijking tussen de filosofen Charles Taylor en Emmanuel Levinas is te vinden in het belang dat zij toekennen aan etnische gemeenschappen. De vraag daarbij is: welke rol zien zij weggelegd voor concrete gemeenschappen met een gedeelde geschiedenis, taal, religie en cultuur, binnen de kaders van een moderne wereldordening? Botst de aandacht voor etniciteit niet met het principe van de ‘civiele natiestaat’ waarin gelijkheid van alle burgers, ongeacht hun etniciteit, als absoluut uitgangspunt voor de staatsinrichting geldt? Is het niet, in het kielzog van het Verlichtingsdenken, voor moderne landen geboden om etniciteit terug te dringen ten gunste van absolute gelijkwaardigheid?

Het antwoord van zowel Taylor als Levinas op die vraag is, anders dan van vele andere denkers: nee, etniciteit moet niet teruggedrongen worden, etniciteit mag er zijn. Zij kennen beiden een groot belang toe aan etniciteit. Zij vereenzelvigen zich beiden ook met zulke gemeenschappen: Taylor met het Franstalige Quebec, Levinas (behalve met de Franse natie) met de Joodse bevolking van Israël.

Toch is er ook veel verschil voor wat betreft de rol die zulke gemeenschappen spelen in hun gedachtegoed. Voor Taylor zijn die gemeenschappen cruciaal, ook in filosofisch opzicht. Zij zijn immers, volgens hem, de hoeders van betekenis en onmisbare waarden waartoe je, buiten zo’n gemeenschap, geen toegang hebt.

Voor Levinas daarentegen spelen gemeenschappen existentieel wel een grote rol, maar filosofisch helemaal niet. Levinas omhelst de instituten van de democratische staat en de Verlichtingswaarden waar die op gebaseerd zijn, maar veel verder gaat hij niet in politiek-maatschappelijk opzicht. Filosofisch gezien vertrekt hij niet vanuit sociale formaties, zoals Taylor, maar vanuit de individuele mens met een in zekere zin op zichzelf staand ego dat doet denken aan het ego van Descartes, uit ‘Cogito ergo sum’. Precies het uitgangspunt waar Taylor niets van moet hebben.

Het heeft iets paradoxaals: de filosoof (Taylor) die komt uit een civiele staat waarin de Verlichtingswaarden primair zijn (Canada), maakt zich filosofisch sterk voor de etnische component. De filosoof (Levinas) die zich in zijn bestaan, dus existentieel, afhankelijk voelt van het bestaan van een etnische staat (Israël), werkt dat filosofisch niet uit en identificeert zich – filosofisch – volledig met de civiele Franse staat, vanwege de Verlichtingswaarden die daarin belichaamd zijn.

Het doet denken aan de positie van veel hedendaagse Turkse Nederlanders. Volgens de publicist Fatih Kiliç bevinden zij zich in een positie die beide polen van de paradox combineert: aan de ene kant behoren zij tot de civiele staat die Nederland is; aan de andere kant identificeren zij zich sterk met de etnische Turkse component. Dat levert veel spanning op als de gedachte is dat je eigenlijk moet kiezen. Turkse Nederlanders voelen de druk van die gedachte.

“Door uit te gaan van een strijd om de identiteit van een individu, kan er een interne druk ontstaan om niet ‘te Nederlands’ te worden”, aldus Kiliç. Om die reden zou 43 procent van de Nederlandse Turken het liefst ‘terug’ naar Turkije willen. Kiliç’ tegenvoorstel is om de scherpte van de keuzedwang bij Turkse Nederlanders weg te nemen. En dat kan wanneer Turkse Nederlanders het beste van zowel Turkije als Nederland in zich proberen te verenigen.

Zie ook Werk en Reflectie over Charles Taylor en Taylor, Levinas en de leegte

vrijdag 27 januari 2017

Hobbes of Locke?


Ik zou er niet graag willen wonen, in Rusland, in Iran, in Turkije. Vanwege het autocratische, zo niet theocratische karakter van de regimes daar, vanwege het verplichte patriottisme en de gebrekkige rechtsbescherming voor het individu.

Maar het kan erger: als in een land ook nog eens een enigszins gereguleerd centraal gezag ontbreekt, zoals in Irak, Syrië en Libië, dan ben je bovenop die genoemde ellende nog uitgeleverd aan de willekeur van rivaliserende bendes en stammen die hun eigen territoria afbakenen en onderling oorlog voeren. Dan ben je beland in een oorlog van allen tegen allen.

Waarschijnlijk hebben Rusland, Iran en Turkije baat bij hun eeuwenoude imperiale tradities. Het zal geen toeval zijn dat deze landen, die al vele eeuwen een gecentraliseerd gezag kennen, intern niet de chaos beleven die de min of meer kunstmatig in de 20ste eeuw gecreëerde staten Irak en Syrië nu meemaken. Zodanig dat op dit moment precies de landen met die oude imperiale tradities zich in Kazachstan buigen over de vredeskansen in Syrië.

In zekere zin is deze constatering een bevestiging van Thomas Hobbes’ theorie over staatsvorming: volgens hem is een sterke staat nodig om de natuurtoestand waarin allen tegen allen vechten te boven te komen, desnoods met behulp van een dictatoriale staatsmacht.

Daarvan denk ik ook altijd: ik zou er niet graag wonen, in zo’n hobbesiaanse dictatuur. Geef mij maar een land waar de ideeën van John Locke (zo’n halve eeuw na Hobbes) serieus worden genomen. Locke waarschuwde tegen te grote staatsmacht en bepleitte de noodzaak van bescherming van individuen tegenover de staat. Of een land waar de staatsmachten van elkaar gescheiden zijn volgens de ideeën van Montesquieu (van weer een halve eeuw later). Gelukkig woon ik in zo’n land.

Maar als ik in Syrië of Libië zou wonen, en de ideeën van Locke, laat staan Montesquieu, tien bruggen te ver zouden zijn, dan zou ik toch maar weer beginnen bij Hobbes. Ik zou een sterk centraal gezag bepleiten. Want anders ben je helemaal aan de wolven overgeleverd.

Zie ook Failed States


vrijdag 20 januari 2017

In de ban van de buitenstaander


Vorige week overleed de grote Pools-Joods-Britse socioloog Zygmunt Bauman. Hij was vooral bekend om twee thema’s die hij met grote eruditie en diepgang in verschillende boeken uitwerkte: de relatie tussen de Westerse rationaliteitscultuur en de Sjoa, en de ontworteldheid van het moderne individu, die vrijheid maar ook onzekerheid met zich meebrengt.

Van Bauman heb ik niet alle vijftig boeken in de kast staan, maar toch wel een stuk of zeven. Die gaan allemaal in op het eerstgenoemde thema, de rationeel-industriële manier waarop de Sjoa werd gepland en uitgevoerd. Ik las ze in de jaren negentig, geïntrigeerd als ik was door de systematisch volgehouden buitenstaandersblik die hij had, en die het gevolg was van enerzijds antisemitisme en anderzijds zijn eigen keuzes. Als Jood moest hij in 1939 vluchten voor Hitler en in 1968 voor het Poolse communistische antisemitisme van Gomolka. In 1968 week hij uit naar Israël, maar de stemming daar beviel hem niet en in 1971 streek hij neer in Engeland, waar hij tot 1992 sociologie doceerde in Leeds.

De buitenstaandersblik verschafte zijn boeken een permanente scherpte, en daarbij schreef hij in een voor mij meeslepende stijl: iedere zin is geladen met betekenis en tegelijkertijd goed gecomponeerd en soepel lopend. Soms zelfs té soepel, of te coherent, waardoor je met een zekere dwingendheid naar Baumans conclusies wordt geleid. Maar fascinerend was het wel.

Daar kwam bij dat hij in zijn werk destijds gebruik maakte van inzichten van Levinas. De manier waarop hij dat deed vond ik niet geheel overtuigend, maar het vergrootte voor mij beslist de aantrekkelijkheid van zijn werk.

Al die fascinaties gecombineerd deden mij in 1998 besluiten Bauman eens op te zoeken voor een interview. Daarvan herinner ik me primair nog zijn vriendelijke en welwillende houding, de zalmhapjes en de wodka, maar verder ook de aanblik van de tuin van zijn huis in Leeds: volstrekt overwoekerd door fors uit de kluiten gewassen struiken en bomen. Deze tuin belichaamde Baumans min of meer principiële afwijzing van de gangbare rationeel-hygiënische inrichting van de openbare en particuliere ruimte, en was daarmee een statement.

Een intrigerende man is heengegaan.

Zie ook Levinas en egoïsme

donderdag 12 januari 2017

Trump en Von Clausewitz


Van de Pruisische generaal Carl von Clausewitz (1780-1831) komt de uitspraak, gedaan in zijn boek Vom Kriege, over oorlog als “de voortzetting van politiek met andere middelen”. Daar wil hij mee zeggen: waar de gebruikelijke middelen van de buitenlandse politiek falen, blijft de oorlog als enig machtsmiddel over.

Voor zover zich rondom Donald Trump enige contouren beginnen af te tekenen laat zich in verband daarmee Von Clausewitz’ uitspraak misschien wel als volgt parafraseren: “Politiek is de voortzetting van zakendoen met andere middelen”.

Die parafrasering wordt ingegeven door een aantal stellingnames die Trump tot nu toe naar buiten heeft gebracht. Die lijken te wijzen op een buitenlandse politiek die vooral economische belangen moet bevorderen. Dat zijn Amerikaanse belangen, benadrukt Trump, maar die lijken aardig samen te vallen met Trumps eigen economische belangen.

Bijvoorbeeld de toenadering die Trump zoekt tot Poetin, en zijn vergoelijking van de Russische inbraken in Amerikaanse digitale systemen, kunnen in verband gebracht worden met de grote nog niet geëxploreerde olie- en gasvelden in Noord-Oost Rusland waar Trump een oogje op heeft laten vallen. De benoeming van de oud ExxonMobil-baas Rex Tillerson tot minister van Buitenlandse zaken bevestigt dat vermoeden. Het lijkt wel alsof hier een wereldwijd netwerk in de maak is van zelfingenomen supermachtigen die over grenzen heen bij elkaar de eigen machtslust en hebzucht herkennen en daar het maximale gewin uit willen trekken. De ouwe-jongens-krentenbrood van deze wereld.

Omgekeerd lijkt Trumps retoriek tegenover China vooral ingegeven te worden door China’s eigenzinnige economische strategie. Die schaadt, bijvoorbeeld door dumpingspraktijken, inderdaad de Amerikaanse economie, maar staat ook Trumps zakenimperium in de weg. Je moet er niet aan denken dat door de koppeling van zakendoen met politiek ook die andere koppeling, van politiek met oorlog, weer geactiveerd gaat worden.

Nu is het wel zo dat Trump zijn eigen zakelijke belangen niet rechtstreeks met politieke middelen mag behartigen. Maar zijn er niet genoeg wegen om dat op een indirecte manier toch te doen? Hij stapt zelf als baas uit de zaak, maar verkoopt zijn aandelen niet en zijn zoons komen in zijn plaats. Linke soep.


vrijdag 6 januari 2017

Duiding


Het is nog niet zo eenvoudig voor de wereld heden ten dage om Joden, Jodendom en Israël te duiden. De duidingen die ik de laatste twee weken voorbij zag komen, waren onderling dan ook zeer verschillend.

Er was natuurlijk, zo rond Kerstmis, het traditionele geluid. Dat werd deze keer vertolkt door priester Antoine Bodar, die in een interview nog eens memoreerde dat het Oude Testament, met zijn vele gewelddadige verhalen, achterhaald is door de boodschap van liefde van Jezus Christus. Kijk, dan wordt de Israëlische problematiek ook ineens een stuk overzichtelijker.

De associaties van Titus Muizelaar, regisseur van de opvoering eind december van Junglebook door het ISH Dance Collective, met het Oude Testament waren niet veel anders dan die van Bodar: “We brengen geen Disney-sprookje met een koddige beer, maar baseren ons op de oorspronkelijke vertellingen uit The Jungle Book van Rudyard Kipling uit 1894, die veel rauwer en heftiger zijn. Het is een oudtestamentisch verhaal dat verwijst naar de schepping van de wereld en de moraal van oog om oog, tand om tand”. Maar Muizelaar is, anders dan Bodar, origineel in zijn overtuiging dat het niet aangaat weg te kijken van de rauwe realiteit en dat je zelfs kinderen niet alleen maar zoete sprookjes voorzet.

Vervolgens oordeelde de Veiligheidsraad van de VN op 23 december dat de bezetting door Israël van de Westbank illegaal is. Persoonlijk vind ik deze duiding niet zo ingewikkeld, de raad heeft op dit punt gewoon gelijk. De aandacht die hiervoor bestaat in de VN (in 2016 gingen twintig VN-resoluties hierover, tegen nul over Syrië) is natuurlijk wel buiten alle proporties.

Met betrekking tot die kwestie doet Donald Trump helemaal niet aan duiding, kreeg ik de indruk, die is gewoon pro-Israël.

Ten slotte kreeg ik een zinnetje onder ogen van Heidegger, uit de onlangs gepubliceerde correspondentie met zijn broer (van 1931 tot 1946), met weer een heel eigen duiding van Jodendom en Joden. Zij hoeven, zegt hij, “bij alle machtsontplooiing nergens deel te nemen aan krijgshandelingen, terwijl ons Duitsers niets anders overblijft dan het beste bloed van de besten van het eigen volk te offeren”.

Het kan niet anders of Heidegger zou zich, als hij nu leefde, enthousiast in het Trump-kamp geplaatst hebben. Maar ingewikkeld blijft het.

Zie ook Soms is het even niet zo moeilijk

donderdag 29 december 2016

De ultieme vleeswording


Als zielen een materiële realisatie krijgen, kun je spreken van ‘incarnatie’, of ‘vleeswording’. En bij gebrek aan duidelijkheid over wat ‘zielen’ nu precies zijn, wordt incarnatie/vleeswording ook wel gebruikt om de materialisering van ideeën, geesten,  woorden of Het Woord aan te duiden.

Spiritueel ingestelde mensen die spreken over vleeswording doelen daarmee meestal op goden die zomaar ineens op aarde rondlopen. Bijvoorbeeld in de gedaante van de Farao in het oude Egypte, van de god Vishnu in het Hindoeïsme of van Jezus Christus in het Christendom.

Filosofen zijn niet altijd spiritueel ingesteld, maar ook zij spreken graag over incarnatie. In het verleden (bijvoorbeeld bij Plato en Thomas van Aquino) werd daarmee bedoeld dat wij in wezen zielen zijn, die tijdelijk, voor de duur van ons verblijf op aarde, gekleed gaan in een lichamelijk omhulsel. Moderne filosofen (bijvoorbeeld Merleau-Ponty en Levinas) benadrukken liever dat wij primair lichamelijke wezens zijn. Zij wijzen erop dat geestelijke menselijke vermogens als kennen en denken gesitueerd zijn, dat wil zeggen wortelen in het gegeven dat we een lichaam zijn dat geplaatst is in een materiële wereld. Die situering noemen ze ook wel incarnatie.

Hoe verschillend de tot nu toe genoemde soorten van vleeswording ook zijn, je kunt zeggen dat de ziel, of de geest, of hoe je het ook noemen wilt, eigenlijk dat vlees (weer) uit wil. Jezus’ incarnatie eindigt met zijn hemelvaart, en die start volledig geïncarneerd, maar boven aangekomen moeten de lichamelijke omhulsels zijn afgeworpen zoals bij een raket zijn hulpmotoren, zo stel ik me voor.

Voor Plato en zijn opvolgers is het eigenlijk maar behelpen, die opsluiting van de ziel in een aards lichaam. Maar gelukkig participeert de ziel nog aan de wereld van volmaakte ideeën waar zij uit voortkomt en waar ze nog herinneringen aan heeft. Moderne filosofen kennen die troost niet meer, maar zien kans om aan de beperkingen en eindigheid die het lichamelijke aankleven nog een vorm van inspiratie te ontlenen. Heidegger laat zich inspireren door het Sein zum Tode, en Levinas spreekt van het genieten van de materiële genietingen (“Het verbruik van voedsel is het voedsel van het leven”), waarmee een spirituele dimensie het materiële bestaan ingesmokkeld wordt.

Je kunt deze sublimeringen beschouwen als manieren om alsnog boven de beperkingen van de lichamelijkheid uit te vliegen en te ontsnappen aan het vlees. Er is een derde soort vleeswording waarbij dat niet meer lukt. Ik doel daarmee op de manier waarop we zélf onze menselijke ideeën, verlangens en behoefte aan zekerheid materialiseren: door ons te organiseren, door de wereld te categoriseren en een ordening op te leggen.

Kenmerk van deze laatste vorm – die zich dus manifesteert als bureaucratie, organisatie, regelgeving, registratie – is de banaliteit, de saaiheid, de onopgesmuktheid van wat je dan realiseert. Neem bijvoorbeeld het alfabet, in oorsprong de verzameling van ingekerfde tekentjes die spraakklanken konden verbeelden. De geest kan er gebruik van maken voor een ontsnappingspoging in de vorm van poëzie of een liefdesbrief. Maar historisch gezien komt het alfabet simpelweg voort uit de behoefte om handelstransacties te kunnen registreren. En daar mocht het van de uitvinders gewoon bij blijven.

Of neem het kadaster, een gortdroge opsomming van eigendomsrechten, waarvan de verdienste niet is dat het iets goeds of iets moois verbeeldt (hopelijk wel iets waars), maar dát het er überhaupt is. Als het er niet is, kan dat voor burgers in een land betekenen dat ze permanent in onzekerheid verkeren of dat een samenleving, letterlijk, niet van de grond kan komen.

Al blijkt het onontbeerlijk voor een betrouwbare samenleving, ook bij het kadaster komt geen virtuoos perspectief kijken, de ziel sterft daar bijna van de trivialiteit. Het is, net als in alle overige bureaucratie, één en al middelmatigheid, zoals René ten Bos terecht vaststelt in zijn boek over bureaucratie. Toch, en dat geldt voor alles van deze derde soort, kunnen we ons er maar het beste aan overgeven, want daaraan te willen ontsnappen is niet goed. Dat noem ik de ultieme vleeswording.

Zie ook Saai en heldhaftig en Incarnatie als Joods begrip

vrijdag 23 december 2016

Rechtsstaat


Over het algemeen wordt aangenomen dat de overwinning van Donald Trump een steun in de rug zal betekenen voor meer uitgesproken rechtse krachten in Israël. Dat zal onder andere tot gevolg hebben dat de nederzettingenpolitiek wordt uitgebreid, de twee-statenoplossing definitief achter de horizon verdwijnt en de Amerikaanse ambassade naar Jeruzalem verplaatst wordt.

Het betekent ook dat de bange vraag die naar aanleiding van Trumps uitverkiezing in Amerika gesteld wordt – namelijk: kunnen de Amerikaanse rechtsstatelijke instituties deze ruk naar rechts wel absorberen? – ook gesteld kan worden ten aanzien van Israël. Gaat de Israëlische rechtsstaat dit rechtse geweld overleven?

Die vraag klemt temeer omdat het Israëlische institutionele bouwwerk minder hecht in elkaar zit dan het Amerikaanse. Er is in Israël een sterke en moedige onafhankelijke rechtspraak, maar er is geen grondwet waarin die onafhankelijkheid verankerd ligt. En het besef van het belang van onafhankelijke rechtspraak, dat zou kunnen dienen als vervanging van een grondwet, is niet altijd even sterk en bovendien aan erosie onderhevig.

Daarnaast hebben notoir anti-rechtsstatelijke groeperingen, zoals de charediem, een relatief grote, ongecontroleerde vinger in de pap.

Al met al houd ik mijn hart vast. In ieder geval kan ik niet volledig gerustgesteld worden door het veel gehoorde antwoord dat Israël toch een functionerende democratie is. Dat biedt niet altijd de garantie dat ook de rechtsstaat overleeft, zo is in het verleden gebleken.

donderdag 15 december 2016

Nep


Je kunt gerust zeggen dat het woordje ‘nep’ op dit moment een trefwoord is. Afgezien van wat Geert Wilders doet met dat woord, zingt het rond in de media, hoofdzakelijk in drie contexten: het gaat veel over ‘nepnieuws’, ‘nepplezier’ en ‘nepbanen’. En in de wat serieuzere analyses wordt vaak de koppeling gelegd van zoveel nep met de invloed van het kapitalisme.

Nep-nieuws wordt in die analyses natuurlijk gekoppeld aan de beschikbaarheid van sociale media. Naar aanleiding van de Amerikaanse presidentsverkiezingen constateerde Hubert Smeets dat Facebook en vergelijkbare fora ruim baan geven aan nepnieuws, omdat het bezoekers en dus klikverkeer oplevert. De opzichtige verspreiding van bullshit heeft dus alles te maken met het maximaliseren van kliks. Met kapitalisme dus.

Nepplezier is aan de orde van dag door de eisen die zelfpresentatie op social media aan mensen stelt. Je hoort veel mee te maken en er vooral bij te lachen. Gij zult zichtbaar genieten!  Écht leuk is anders, zou ik zeggen, want dan denk ik aan dingen zoals muziek luisteren, schilderen, een boek lezen, wandelen – dat is qua plezier werkelijk iets heel anders. Maar daar maak je minder indruk mee, en indruk maken is kennelijk cruciaal. Op dat punt  ligt de verbinding met een kapitalistische, competitieve samenleving. Je moet immers permanent en vooral zichtbaar kansen creëren, voor relaties en voor banen.

Nepbanen vormen al langer het onderwerp voor kritische journalisten, antropologen en sociologen. Zo meent de antropoloog David Graeber dat “through some strange alchemy no one can quite explain, the number of salaried paper-pushers ultimately seems to expand. Huge swaths of people spend their entire working lives performing tasks they secretly believe do not really need to be performed. We have seen the ballooning of the administrative sector, financial services or telemarketing, corporate law, academic and health administration, human resources, and public relations. These are what I propose to call ‘bullshit jobs’. The moral and spiritual damage that comes from this situation is profound. It is a scar across our collective soul. Yet virtually no one talks about it.”

Journalist Hans Goslinga vertelt dat hij van verscheidene mensen op de werkvloer hoort dat zij de lol in hun werk verliezen door een doorgedraaide verantwoordingsplicht, die hen berooft van hun autonomie, beroepseer en zelfrespect, en die bovendien een papieren werkelijkheid creëert die zich steeds verder verwijdert van de sociale werkelijkheid. Sociologe Christien Brinkgreve vertelt precies datzelfde, puttend uit haar eigen ervaringen bij de universiteit.

Nepnieuws, nepplezier en nepbanen hebben met elkaar gemeen dat ze ons het gevoel geven niet meer in contact te zijn met de wereld om ons heen. Maar ze zijn verschillend in hun momenten van ontstaan. Het komt mij voor dat de nep-banen de meest oorspronkelijke nep zijn (al is dat een rare woordcombinatie), van eerdere datum dan nepnieuws en nepplezier, die duidelijk met de sociale media samenhangen. Daar, in het werk, is het twintig, dertig jaar geleden al begonnen. En inmiddels is het heel gewoon als mensen hun eigen werk betekenisloos vinden.

Voor filosoof Philippe van Parijs zijn die nepbanen onlosmakelijk met het kapitalisme verbonden: het treft hem dat misschien wel het meeste nutteloze, of zelfs schadelijke, werk plaatsvindt in de de financiële sector, en dat dat ook nog eens buitenproportioneel goed wordt beloond.

Filosoof Joep Dohmen ziet er eveneens de hand in van de kapitalistische economie die ons, naar de woorden van Max Weber, in een ‘ijzeren kooi’ heeft vastgezet. Weber bedoelde daarmee dat we bijna al onze energie richten op het vergaren en efficiënt inzetten van middelen, en nauwelijks nog nadenken over de waarden die we daarmee dienen. Dohmen wil dat probleem benoemen: we moeten toegeven dat die kooi echt een kooi is, en onze wereld voor een veel te groot deel nep. Maar hij wil daar niet cynisch van worden, dus, zegt hij, zijn we ertoe veroordeeld om de gaten in de ijzeren kooi te zoeken.

Van de suggesties die er links en rechts gedaan worden voor het creëren van gaten in de kooi, en dus voor nieuwe verbindingen met de wereld om ons heen noem ik er twee. Allereerst lijkt mij de invoering van een basisinkomen een goed idee. Een basisinkomen voor iedereen, en daarmee het verdwijnen van de noodzaak om te werken, zou heel goed kunnen helpen om onzinnig werk vanzelf te laten verdwijnen. Het zou immers iedereen de mogelijkheid geven om nee te zeggen tegen werk dat te zwaar, zinloos of slecht betaald is, voor zover robots dat al niet overgenomen hebben. Bovendien zou het eraan kunnen bijdragen om degenen die naast hun basisinkomen willen blijven werken, op de 15 uur werk per week te krijgen waarvan de econoom Keynes al tachtig jaar geleden dacht dat die écht nodig waren. Het echt noodzakelijke werk (zorg, vuilophaal, onderwijs, autoherstel) zou beter zichtbaar worden en daardoor beter beloond gaan worden.

De tweede suggestie die ik mensen hoor opperen betreft dat resterende werk, dus het werk waarvan voor iedereen duidelijk is dat het ergens toe dient, en dat, door wie daar zin in heeft, volgens Keynes gedaan kan worden in 15 uur per week. Dat resterende werk zouden we zodanig moeten herinrichten dat de vervreemding waar we nu last van hebben geen kans meer krijgt. De aanbevelingen die diverse commentatoren daarvoor doen gaan onveranderlijk in de richting van een andere wijze van omgaan met gezag en minder dwingende formats (Christien Brinkgreve) en het meer betrekken van werknemers bij de organisatie door het delegeren van vertrouwen en verantwoordelijkheid naar de mensen op de werkvloer (Hans Goslinga).

Goslinga ziet dat laatste trouwens ook als een maatschappelijk belang, doordat het  bijdraagt aan een sterker burgerethos. En dat is op zijn beurt een onmisbare voorwaarde voor een vitale democratie.

Daar zou hij nog best eens gelijk in kunnen hebben. Zo bezien zou het bestaan van zoveel  nepplezier, nepnieuws en nepbanen, en het verlies van contact met de werkelijkheid dat ze impliceren, een verklaring kunnen bieden voor de weerklank die het woord ‘nepdemocratie’ op dit moment blijkt te hebben.

Maar ook: omgekeerd kan het korte metten maken met de grootschalige bullshit op het werk en thuis, een bijdrage leveren aan politieke weerbaarheid. Want je voelt dan weer de wind van de werkelijkheid.

Zie ook Meetbaarheid