vrijdag 12 mei 2017

Jonathan Sacks


In zijn boek Een gebroken wereld heel maken presenteert rabbijn Jonathan Sacks de stelling dat wij, mensen, met elkaar deze wereld beter kunnen maken. Dat is iets anders, zegt hij, dan het geloof dat de wereld bezig is beter te worden. Dat laatste is optimisme, het eerste is hoop. En voor dat laatste is een godsgeloof nodig, want “het is moeilijk in te zien waar hoop anders vandaan moet komen dan van een of ander theologisch geloof”.

Sacks erkent volmondig dat men niet godsdienstig hoeft te zijn om moreel te zijn, maar religie levert volgens Sacks wel toegevoegde waarde voor het morele leven. Dat geldt wat hem betreft in ieder geval voor het Jodendom, waarin God ons zowel uitnodigt als machtigt om zijn partners te zijn in het werk van het heel maken van een gebroken wereld. “Het jodendom is de principiële verwerping van de tragiek uit naam van de hoop”.

De boodschap van Sacks is behartenswaardig en bemoedigend, en hij illustreert die aan de hand van de vaststelling dat de Joden voortdurend allerlei ellende hebben overleefd, zich hebben hersteld en het tragische hebben omgezet in creativiteit, omdat zij weigerden zichzelf als slachtoffer te zien. Zelfs als het over de Sjoa gaat, want bij overlevenden daarvan troffen hem “de afwezigheid van haat, de toewijding aan het leven en het verlangen, niet naar wraak, maar naar verdraagzaamheid en begrip”. Veel rabbijnse figuren, zelfs zij die door de concentratiekampen waren heengegaan, hebben er nauwelijks over gesproken, zegt hij met ontzag.

Deze illustraties zijn wellicht mooie voorbeelden van wat Sacks wil uitdragen, maar al lezende krijg ik er tegelijkertijd het gevoel bij dat hij wel erg selectief is in wat hij presenteert. En die selectiviteit wekt op een gegeven moment de storende indruk dat Sacks alleen nog maar die feiten en observaties aanvoert die zijn standpunt bevestigen, onder verwaarlozing van net zo belangrijke feiten die ermee in strijd zijn.

Een voorbeeld. Sacks vertelt over een groep orthodoxe Joden, die in 2003 terugkeerden van hun gebeden bij de Klaagmuur, toen hun bus getroffen werd door een zelfmoordaanslag, waarbij er 23 omkwamen en veel anderen gewond raakten. “Seculiere Israëliërs waren toen onder de indruk van de waardigheid van hun verdriet. In de hechte gemeenschap van Mea Sjeariem deden zich geen uitingen van woede voor, integendeel, men wijdde zich opnieuw collectief en op een intense, kalme wijze aan studie, gebed en goede daden.” Wat mij betreft wordt de illustratieve kracht van dit verhaal ernstig gerelativeerd als je weet dat in 1994 de even religieuze kolonist Baruch Goldstein in Hebron 29 biddende Moslims in een moskee doodschoot en vele verwondde. Een dat zijn graf tot op de dag van vandaag voor bepaalde religieuze groepen de status heeft van bedevaartsoord.

Met religie kun je kennelijk vele kanten op. Inderdaad, er klinkt tijdens het Poeriem-feest het montere, rancuneloze “Ze probeerden ons te vermoorden; wij wonnen, laten we eten”. Maar daar staat met Pesach de uit diepe frustratie voortkomende oproep aan God tegenover om degenen die ons haten met Zijn woede te treffen.

Ik ben bang dat de Joodse trauma’s niet zo gemakkelijk zijn weg te praten als Sacks zou willen. Je kunt hoe dan ook wel spreken van een getraumatiseerd Joods volk. Met alle recht, zou ik zeggen. En des te meer wanneer je, met Sacks, kunt zeggen dat je altijd nieuwe kansen krijgt.

donderdag 4 mei 2017

Gevoel voor verhoudingen


In brede zin wordt de benaming ‘klassieke muziek’ gebruikt als synoniem voor ‘serieuze muziek’. Dus alles wat geen amusementsmuziek is en wat ze vroeger op de radio draaiden als er een staatsman was overleden.

Maar in meer toegespitste zin wordt de Westerse muziek uit de tweede helft van de 18e eeuw klassiek genoemd, en ik reken J.S. Bach er ook toe. Het woord wordt dan gebruikt in zijn betekenis van: voorbeeldig, getuigend van een rijpheid waarmee de volle dieptes en hoogtes van het menselijk leven uitgedrukt kunnen worden. Levensechtheid is een kenmerk van het klassieke.

Bij muziek betekent dit dat die optimaal zinnestrelend is, een evenwichtig gebruik van contrasten kent, van majeur en mineur, van hard en zacht, van licht en dramatisch, en vrij is van eenzijdigheden. Een ‘gevoel voor de ultiem juiste verhoudingen’ vat de zaak misschien het beste samen.

Overigens heb ik gemengde gevoelens bij dat concept van ‘klassiek’. De uitdrukkingsmogelijkheden ervan heb ik hoog, maar het concept staat me tegelijkertijd zeer tegen vanwege het normatieve, het voorschrijvende en het exclusieve karakter ervan. Maar voor de duur van dit stukje ga ik er toch vanuit dan zoiets bestaansrecht heeft en functioneel kan zijn. Dat heeft alles te maken met de overweldigende indruk die ook dit jaar de Matthäus Passion weer op mij achterliet.

Als ik me – tijdelijk dus – laat meevoeren door die gedachte, dan koppelt zich daaraan de volgende vraag: zou dat gerijpte gevoel voor verhoudingen, classiciteit dus, voor ieder deelgebied van een cultuur misschien zijn eigen groeipad kunnen hebben? Dus dat muziek, schilderkunst, literatuur, geschiedbeoefening enz. op mogelijk ver uit elkaar liggende momenten in de geschiedenis van die cultuur hun rijpheid bereiken? Waarbij ik me voorstel dat, aan de hand van het criterium van levensechtheid, bijvoorbeeld de schilderkunst in ons cultuurgebied zijn klassieke periode al vanaf de 16e en 17e eeuw beleefde, dus eerder dan de muziek.

Die vraag werd bij mij getriggerd door de Matthäus Passion, omdat de sublieme muziek zich verbindt met een verhaal dat aan alle kanten rammelt. Het perfecte gevoel voor verhoudingen in de muziek – een soort levensechtheid – contrasteert afgrijselijk met de wanverhoudingen – levensonechtheid – binnen de historische vertelling. Daarmee doel ik op de disproportionele aandacht voor het lijden van Jezus, onder verwaarlozing van het op zoveel punten vergelijkbare lijden van andere, gewone mensen, in de loop van de geschiedenis.

Als ik geschiedbeoefening opvat als net zo goed een genre van menselijke culturele activiteit als muziek, dan durf ik te stellen dat in dat genre, in Bachs tijd, enig gevoel voor verhoudingen zo goed als afwezig was bij het vertellen van dat verhaal. Er waren nog enkele eeuwen van godsdienstkritiek en historisch onderzoek voor nodig om de gedachte aanvaardbaar te maken dat het lijden van Jezus van Nazareth helemaal niet zo bijzonder was. Wel voor hem persoonlijk uiteraard, maar wereldhistorisch gezien niet.

Maar daar is nu dan ook alle ruimte voor, voor die gedachte. Een adequaat gevoel voor historische verhoudingen klinkt bijvoorbeeld door in het krantenartikel dat Peter-Ben Smit onlangs wijdde aan Jezus’ lijden en sterven. Hij brengt tegen de gedachte dat het lijden van Jezus heel bijzonder en heel erg was, het volgende in: “Daarmee missen schilders en passieregisseurs wel een belangrijk punt. Jezus werd als zovele andere mensen in het Romeinse Rijk aan een kruis genageld, dat waren er soms wel 500 per dag. Dat risico liep iedere opstandeling of weggelopen slaaf. Vergelijk het met het lijden van mensen in een lange, vernederende gevangenschap of goelag, of van een kind dat jarenlang misbruikt wordt. Het leed kan langer duren en erger zijn dan een kruisiging die met een paar uur klaar is. Hoe onrechtvaardig ook. Het was een tamelijk banale dood. Dat serieus nemen hoort bij het historische karakter van Jezus”.

De geschiedenis als cultuurvorm bereikt het stadium van adequate verhoudingen kennelijk later dan de schilderkunst en de muziek. Misschien wel omdat in de geschiedenis de mens zelf op het spel staat, en voor de beoefening ervan een grotere mate van zelfreflectie vereist is dan voor een mooi schilderij of een ontroerende passie.

Zie ook Vergangenheitsbewältigung en Aaibaar leed

vrijdag 28 april 2017

Levinas en Nassim Taleb


Het blijft leuk om de zo klassiek-Joods georiënteerde Emmanuel Levinas naast meer modieuze denkers uit allerlei andere windrichtingen te leggen. En dan de vraag te stellen hoe ze zich tot elkaar verhouden. Ditmaal is de beurt aan de filosoof annex beleggingsgoeroe Nassim Taleb, bekend van zijn bestsellers Zwarte zwaan en Antifragiel. In deze boeken bespreekt Taleb hoe we om kunnen gaan met onverwachte negatieve gebeurtenissen, en hoe we daar mogelijk zelfs sterker van kunnen worden.

Waar Taleb en Levinas elkaar raken, is in hun beider belangstelling voor het traditionele Westerse, op beheersing gerichte denken. Taleb blijkt in zijn behandeling van dat thema, zonder Levinas met zoveel woorden te noemen, diens oordeel te ondersteunen dat dat beheersingsdenken problematisch en gevaarlijk is.

Taleb biedt die ondersteuning op een enigszins krakkemikkige manier, maar hij durft op een bepaald punt wel verder te gaan dan Levinas. Taleb trekt namelijk de conclusie dat de grondlegger van de Westerse filosofie, Socrates, helemaal niet zo prijzenswaardig is als hij vaak wordt gepresenteerd. In de plaats daarvan verwijt hij Socrates de aanstichter te zijn van veel problematiek waar de Westerse control-gerichte traditie ons mee opzadelt.

Taleb is daarin niet uniek, Heidegger bijvoorbeeld koppelde al eerder een negatief keerpunt in de filosofiegeschiedenis aan het optreden van Socrates en Plato. Maar goed, ten opzichte van Levinas voegt Taleb wat toe, want Levinas schrikt er voor terug die twee frontaal aan te vallen.

Wat Levinas omgekeerd weer kan toevoegen aan Taleb, is de benoeming van wat er gebeurt als je zo pedant al die filosofische vragen aan willekeurige omstanders stelt als Socrates gewend was te doen, en vervolgens heel socratisch triomfantelijk concludeert dat niemand het antwoord weet. Levinas zegt daarvan: dan kwets je mensen vanuit je hooghartigheid. Bovendien wijst Levinas er op dat dan ook denkschaamte kan ontstaan, dat wil zeggen: het besef dat je met je goedbedoelde pedanterie bij een ander over de grens gaat.

Dat laatste is heel mooi verwoord in een fragment uit de roman Xanthippe van Paul Lebeau, over de vrouw van Socrates. Daarin blijkt Socrates zowaar een moment van denkschaamte te beleven. Wanneer Xanthippe zich op een gegeven ogenblik door Socrates niet begrepen voelt, gaat zij in het tegenoffensief: “Ik zei: ‘Je voert met iedereen – ook met mij – een spelletje, waarmee je ons verstrikt, maar dat niemand overtuigt. De jeugd bewondert je meesterschap. Maar overtuigen doe je ze niet. Omdat men zich redenerend gewonnen moet geven, daarom is men nog niet overtuigd. Omdat de rede de hele mens niet is. Jij zegeviert aan de oppervlakte. De hele mens spreek je niet aan. De diepere, de echte, die laat je ongemoeid. Of die kwets je. Je herleidt het diepste zijn, het diepste streven van elke mens tot een paar begrippen die je spottend kraakt als een holle noot.’ Dat was de eerste en de enige keer dat hij mijn woorden niet als een lastige vlieg van zich afwuifde. Hij scheen zelfs een ogenblik in zijn evenwicht te wankelen.”

Zie ook Werk en Reflectie over Nassim Taleb

donderdag 13 april 2017

Dronken gesprek


Sinds wanneer is het een aanbeveling om te zeggen dat een boek de indruk maakt van een middernachtelijk gesprek “met een beschonken vreemdeling in een duister café waarvan je de naam vergat”? Want zo prees Merel Kamp het boek Dwalen in het antropoceen door René ten Bos aan, immers, “in de dagen erna schieten je steeds weer flarden van dat nachtelijke gesprek te binnen”.

Ik denk dat die kwalificatie van een dronken gesprek ons aanspreekt naar de mate waarin we de wereld om ons heen als grillig en gedesoriënteerd ervaren. Een boek dat dan een veelheid van ‘niet-duidende’ termen en dwaalervaringen presenteert, voelt als geloofwaardiger dan een boek dat zou aankomen met een strakke duiding, inclusief te implementeren oplossing. En dat voor zo’n dwaaltocht wat alcohol gesuggereerd wordt, voelt ook wel als adequaat. Er moeten immers heel wat gangbare feel good conventies gesloopt worden.

Hoe dan ook is er moed voor nodig om zo’n boek te schijven als Ten Bos nu oplevert. Al is het maar om, terwijl je net voor twee jaar gekroond bent tot Denker des vaderlands, het besef te voeden dat de traditionele filosofie, met haar nadruk op orde en op de harmonie der sferen, ons op dit moment niet veel te bieden heeft. Niet alleen omdat ze ontoereikend is in het bieden van troost in onze situatie, maar nog meer omdat die filosofie misschien wel ruim bijgedragen heeft aan het veroorzaken ervan.

Immers, die vanaf haar oorsprong op kosmische harmonie gerichte filosofie heeft getoond niet goed om te kunnen gaan met werkelijk verschil. Niet alleen tussen mensen onderling, zoals Levinas onvermoeibaar benadrukt, maar ook tussen mens en natuur. En die filosofie heeft, vanuit een utopisch orde-denken, allerlei natuurlijke grenzen laatdunkend terzijde geschoven.

Met het opgeven van de illusie dat filosofie ons grip geeft op de wereld, geven we veel houvast prijs. We zitten nu met de gebakken peren, en dwalen is het devies.

Zie ook (On)reinheid en Het goede, het ware en het schone


vrijdag 31 maart 2017

Yuval Harari


Yuval Harari is een Israëlische historicus, en de gevierde schrijver van de bestsellers Sapiens en Homo Deus. In het eerste boek beschrijft hij de geschiedenis van de mensheid, in het tweede de mogelijke toekomst van de mensheid. Grote, zeer grote lijnen dus, maar vanuit interessante invalshoeken getrokken.

Onlangs las ik dat hij het Boeddhisme aanprijst als de ultieme manier voor mensen om te verwezenlijken wat hij beschouwt als het uiteindelijke doel van de geschiedenis: menselijk geluk.

Waarom treft het mij bijna onaangenaam als ik lees dat Yuval Harari neigt naar het Boeddhisme? Ik ben toch krachtig voorstander van de mogelijkheid voor iedereen om de levensbeschouwing of religie te kiezen die bij hem past? Daarnaast weet ik toch ook wel dat het Boeddhisme bij veel Israëliërs populair is, zeker als ze hun ingrijpende militaire diensttijd erop hebben zitten of anderszins zo maar even afstand willen nemen van hun hectische land. In India schijn je te struikelen over de aantallen Israëliërs die daar op adem proberen te komen. Waarom moet ik dan even slikken als ik Harari voor het Boeddhisme zie kiezen?

Waarschijnlijk is dat omdat ik het niet helemaal begrijp. Over het algemeen vind ik dat Harari een verfrissend nuchtere blik werpt op de menselijke geschiedenis. Ik kan hem wel volgen als hij meent dat díe concepten in de menselijke geschiedenis het meest succesvol waren, die de samenwerking bevorderen tussen mensen onderling. Het monotheïsme deed dat tot op zekere hoogte maar, zo meent hij, het polytheïsme doet dat beter. Dat besteedt aandacht aan de veelheid van mogelijke idealen en concepten, en is daardoor realistischer. Harari heeft oog voor het klimaatprobleem en voor de robotisering, hij koestert geen vals beeld van de wereld als een serene hemel, maar eerder als een strijdtoneel waar genietingen en pijn elkaar afwisselen. In eerste instantie lijkt hij daar aanvaardend en pragmatisch het beste van te willen maken.

Ik kan daarom niet goed begrijpen dat hij uiteindelijk een terugtrekkende beweging maakt. Want zo zie ik zijn keuze voor het Boeddhisme wel. Hij neemt afscheid van het humanistische – en ook wel Joodse – ideaalbeeld van de mens als een verlangend en strevend wezen. In de plaats daarvan onderstreept hij de vluchtigheid van menselijke verlangens en zoekt hij verlichting in onthechting van het aardse en het lichamelijke. De vreugde om de genietingen legt het daarbij af tegen de opvatting van de wereld als een tranendal, en dat vind ik jammer. Zoals ook Hendrik Spiering dat betreurt in zijn bespreking van Homo Deus: “Het is een koud einde van een fascinerend boek, dat zo optimistisch begon”.

Daar komt bij dat hij die keuze voor ascese lijkt te zien weggelegd voor maar een kleine groep. “Het streven naar economische groei is de basale afspraak in een samenleving”, zo stelt hij. Die afspraak moet je als politicus niet willen doorbreken, zelfs niet als het klimaat gered moet worden, want dat is politieke zelfmoord. Harari verwacht daarom niet veel van ascese en matiging op wereldschaal. Zijn keuze voor het Boeddhisme heeft dus iets elitairs. Maar goed, dat klopt wel weer met zijn voorspelling dat we op weg zijn naar de grootste ongelijkheid aller tijden.

Zie ook Liberale varianten

donderdag 23 maart 2017

Het goede, het ware en het schone


De ophemeling van de klassieke trits van de waarden ‘waarheid’, ‘goedheid’ en ‘schoonheid’ heeft bij mij altijd een zekere weerstand opgeroepen. Dat zal te maken hebben met het aureool van perfectie en zuiverheid dat aan die platoonse trits zit vastgebakken. De gedachte van ultieme harmonie was niet in overeenstemming met mijn eigen ervaring van een meer morsige werkelijkheid, de koppeling van mooi en goed vond ik zeer dubieus en de mensen die zo nodig die kosmische orde moesten uitroepen vond ik pedant aristocratisch.

Daarom vond ik het wel mooi dat voormalig Denker des vaderlands René Gude van de trits een viertal maakte: hij voegde aan het ware, goede en schone het lekkere toe, met nadruk op de lichamelijkheid en het genotvolle waar de Klassieken een beetje bang voor waren. Passies golden in de Oudheid als iets waar je vooral voorzichtig mee moest zijn, terwijl wij ze tegenwoordig de ruimte geven. Volg je passie! En laat de grote woorden en diepe gedachten maar zitten.

Of gaat onze wereld nu juist te gronde aan deze genietingsdrift? Aan onze eindeloze vliegreisjes, energieverslaving en exploitatie van de aarde? Zouden de Klassieken dan toch gelijk hebben met hun waarschuwing tegen het lekkere, en met de beklemming van hun deugdzame trits?

Misschien. Maar dan nog voel ik me opgesloten in die trits, en voel ik verlangen naar iets wat daar uit wegbreekt. Misschien levert Levinas wel een goede kandidaat voor een vierde term die de zelfgenoegzaamheid kan doorbreken, namelijk: andersheid. Dus dan krijg je: ‘het ware, het goede, het schone en het andere’.

Zie ook (On)reinheid

vrijdag 17 maart 2017

Joods-Christelijk (2)


Het staat er niet met zoveel woorden, het gebeurt tussen de regels door: de vertrouwde onderscheiding tussen Joods/twijfelachtig enerzijds en Christelijk/nastrevenswaardig anderzijds kan zomaar ineens terug zijn. En dat nog wel naar aanleiding van een discussie die start met het begrip Joods-Christelijk.

Al langere tijd storen tegenstanders van Wilders zich aan het gebruik door Wilders en anderen uit rechtse hoek van de term ‘Joods-Christelijk’. Die tegenstanders protesteren, mijns inziens terecht, tegen de associatie van de Bijbelse traditie met xenofobie, discriminatie en onverdraagzaamheid.

Maar onlangs verscheen er een petitie die tegen dat gebruik protesteert, niet in naam van de Joods-Christelijke, maar van de Christelijke traditie, want let wel, die laatste beschikt over een hart dat “wereldwijd open is, grenzeloos barmhartig en lokale beslommeringen ver overstijgt”. Immers, de apostel Paulus schreef: “Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen, u bent allen één in Christus Jezus”. De petitie is een initiatief van de theoloog Alain Verheij en ondertekend door diverse kerkleiders en andere theologen.

En daar zijn ze weer waar ze willen zijn. Ontsnapt aan het smoezelige gebruik van het woord Joods-Christelijk, door het hagelwitte Christelijke onderdeel eruit vrij te toveren. Het Joodse onderdeel blijft achter, met smoezeligheid en ‘lokale beslommeringen’ en al.

Ik ben bang dat we hier te maken hebben met een archetypische Christelijke verschoningstruc, waarvan we dachten ervan bevrijd te zijn. Sinds we goed tot ons hadden laten doordringen wat het ‘reëel bestaande Christendom’ inhield aan – in goed-paulinische volgorde – antisemitisme, racisme, slavernij en vrouwvijandigheid leek de witwasserij te zijn uitgewerkt.

En sinds we, met dank aan de sociale wetenschappen, beseffen dat de behoefte aan fysieke veiligheid, baanzekerheid en identiteit normale menselijke basisbehoeften zijn, kan de oproep tot overstijging daarvan beschouwd worden als wensdenkerij. Ja, misschien is het waar dat, toen de Christenen daar nog heel onthecht over konden praten, juist Joden hun gehechtheid koesterden aan een eigen identiteit, een eigen land en fysieke veiligheid, en die gehechtheid eeuwenlang expliciet bleven uitspreken. Maar dat lijkt me eerder een verdienste dan iets om minnetjes over te doen.

Voor zover Wilders-aanhangers door normale basisbehoeften worden gedreven, zou ik daar ook maar niet te minnetjes over doen. Het enthousiasme, de haast en vooral de superieure minachting waarmee zo’n petitie menselijke groepsneigingen en behoefte aan identiteit afserveert als achterlijk en inferieur, ten gunste van ‘onbegrensde broederlijkheid’, zijn ongeloofwaardig geworden. Zij bieden het recept voor rancune tegen betweterige elites en voor doorgeschoten eigen-volk-eerst-mentaliteit. In een democratie leidt dat tot rampen.

Zie ook Joods-Christelijk en Ruttes ratjetoe

vrijdag 10 maart 2017

Ruttes ratjetoe


Het is een ratjetoe van argumenten die Rutte aanvoert om Turkse politici te weren.

Min of meer steekhoudend vind ik zijn overweging dat die politici campagne voeren voor anti-democratische maatregelen, als gevolg waarvan nu al veel Turkse oppositievoerders en journalisten gevangen worden gezet. Zo’n campagne wil Rutte, terecht, niet ondersteunen.

Twijfelachtiger vind ik Ruttes argument dat de Turkse regering voor een, in eigen land, controversieel standpunt opkomt. Waarom zouden politici dat niet mogen doen?

Zonder meer onjuist lijkt mij Ruttes vaststelling dat het problematisch is dat Ankara de Turkse Nederlanders als Turkse staatsburgers beschouwt. Dat is onjuist, omdat het simpelweg een feit is dat ze dat zijn, als ze behalve een Nederlands ook een Turks paspoort hebben. Mogelijk is het feit dat wij dat in onze argeloosheid hebben laten gebeuren wel problematisch.

Ik ben geneigd om in de verwarring die zich naar aanleiding van deze kwestie van ons meester maakt een symptoom te zien van een breder onvermogen van de Westerse cultuur. Ik doel daarmee op het onvermogen om groepen en groepsidentiteiten een goede plaats te geven in het denken. Dat wordt zichtbaar, ofwel in doorgeschoten bagatellisering van de behoefte aan groepsidentiteit (bij de elites), ofwel in doorgeschoten eigen-volk-eerst-bewegingen (bij grote delen van de rest van de bevolking).

Het toebehoren tot een groep, of die nu van religieuze, politieke of culturele aard is, is in mijn visie een menselijke basisbehoefte, één uit het spectrum van soortgelijke behoeften uit de pyramide van Maslov. Het willen toebehoren tot een groep is daarom wat mij betreft volkomen legitiem, en geen zwaktebod. Die boodschap hoorde ik laatst ook doorklinken in de column van Naema Tahir. Ze sprak over jongeren van Pakistaanse families die soms akkoord gaan met gearrangeerde huwelijken omdat ze bij hun groep willen blijven horen.

Dat daar in het Westen vaak minnetjes over gedaan wordt zal veel te maken hebben met  de sterke invloed van het Christendom. In een recente Trouw-column omschrijft Stevo Akkerman als de kern daarvan: “de goddelijke aanvaarding van individuele mensen, en vervolgens van mensen onderling”. Waarbij ik aanteken dat dat niveau van mensen onderling in het Christendom meteen het universele niveau is, dat wil zeggen: de hele wereld. Tussenliggende niveaus hebben – naar het woord van Paulus: “Er zijn geen Joden of Grieken meer, u bent allen één in Christus Jezus” – geen legitieme plaats meer, die worden verdacht.

Tja, dan maken zich de demagogen en manipulatoren meester van het tussenniveau, wat meestal wel de biotoop is waar ons leven zich grotendeels afspeelt.

Zie ook Geen visie en De ganse aarde - of een stukje?

vrijdag 3 maart 2017

Mozes en het primaire proces


Onlangs lazen we in de synagoge de bijbeltekst over Jitro, de schoonvader van Mozes. Het verhaal leverde, in combinatie met de commentaren daarop van Leo Mock en de middeleeuwse rabbijn Rasji, een interessant organisatiekundig gezichtspunt op.

De situatie is als volgt. De Israëliëten zijn succesvol hun slavenbestaan in Egypte ontvlucht. Zij bevinden zich, een volk van 600.000 personen, in de Sinaïwoestijn, onderweg naar het land Kanaän. Die trektocht is geen snelle actie, die gaat veertig jaar duren, dus dit reizende volk krijgt onderweg te maken met alles waar ook een gevestigd, sedentair volk mee te maken heeft: ruzietjes tussen mensen, wat grotere kwesties over bezit of diefstal, tot aan ernstige geweldpleging toe.

Voor het in goede banen leiden van die kwesties en geschillen, rechtspreken dus, is maar één persoon beschikbaar: Mozes. Hij hoort de mensen die hun zaken aandragen, wikt en weegt mede in het licht van de pas ontvangen goddelijke instructies, en wijst vonnis. Maar daar is hij wel vele dagen, van de vroege ochtend tot de late avond mee bezig. Zijn schoonvader Jitro slaat dit gade en kan het niet aanzien. Hij vraagt Mozes: “Waarom houd jij als enige zitting, terwijl de mensen zich van ’s ochtends tot ’s avonds om je verdringen?” Jitro adviseert Mozes om het anders te organiseren.

Concreet stelt Jitro voor om helpers aan te stellen, en om die in vier categorieën onder te brengen, afgestemd op de omvang van de zaken die ze behandelen. Sommige van de helpers gaan alledaagse zaken behandelen. Die komen het vaakst voor, dus de groep kijvende volksgenoten die zij kunnen bedienen is relatief klein, namelijk tien personen groot. Andere helpers behandelen meer ingewikkelde zaken, die minder vaak voorkomen, dus zij bedienen grotere groepen, van respectievelijk vijftig en honderd personen. De helpers bij de meest ingewikkelde en criminele zaken bedienen groepen van duizend personen, want zo vaak komen die (hopelijk) niet voor.

Rasji rekent uit dat, op een populatie van 600.000 mensen, het aantal helpers voor de groepjes van tien 60.000 moet bedragen. Voor de andere aantallen komt hij geheel correct op respectievelijk 12.000, 6000 en 600. Dit brengt het totaal van de helpersorganisatie op 78.600.

Binnen deze organisatie bestaat tegelijkertijd, gekoppeld aan de aantallen volksgenoten die een helper bedient, een hiërarchie - een verschijnsel dat we maar al te goed kennen van onze eigen organisaties. Het interessante van Mozes’ hiërarchie is dat tot aan de top toe de helpers (zeg maar: de functionarissen) betrokken blijven bij het primaire proces. Zij buigen zich allen over uit het leven gegrepen kwesties van hun volksgenoten, de verschillen zitten in de mate van ingewikkeldheid van de kwesties die ze behandelen.

Bij veel huidige bureaucratieën zit dat vaak nét iets anders. Ook daar wordt met spanwijdte of ‘span of control’ gewerkt. Maar in veel gevallen gaat het dan alleen in de onderste laag om de vraag hoeveel klanten of burgers een functionaris kan bedienen. Bij de bovenliggende lagen gaat het al gauw over de vraag hoeveel functionarissen die bovenliggende functionaris bedient, of ‘onder zich heeft’. In die situatie heeft dus eigenlijk alleen de onderste laag het contact met het primaire proces. De bovenste lagen van functionarissen houden zich vooral bezig met het aansturen van andere functionarissen.

Een interessant verschil.

Zie ook Farao en scientific management

vrijdag 24 februari 2017

Weten en meten


Hoe kwalijk is het dat ADHD-diagnoses bij kinderen meer worden gesteld op basis van een hersenmeting dan van oplettende omgang met die kinderen? Of dat klanttevredenheidscijfers façades optrekken waarachter klanten toch gewoon weglopen? Of dat bij het installatiebedrijf Imtech een paar snelle alarmerende cijfers een paniekreactie veroorzaakten en uiteindelijk het faillissement van het bedrijf, terwijl er zakelijk gezien nog allerlei kansen waren.

Dat is kwalijk, denk ik, maar dat zit hem niet per se in de cijfers. Dat zeiden de organisatoren van de boekpresentatie van Weten vraagt meer dan meten vorige week ook al. Bijvoorbeeld consultant Eric Koenen onderstreepte in Trouw: “Wij zijn geen anti-getallenbeweging”, het gaat er meer om dat cijfers adequaat gebruikt worden in het maatschappelijke verkeer.

Koenen had als consultant het faillissement van Imtech meegemaakt en gezien hoe op basis van een paar getallen in allerijl beheersingsmaatregelen werden ingesteld die de zaak alleen maar verergerden. Zo’n constatering maakt cijfers ineens niet onbelangrijk – integendeel, ook in Koenens verhaal bleven die cruciaal: “Vergis je niet”, zegt hij, “door de handen van de projectleiders gingen miljoenen”. Alleen was daar door de paniekmaatregelen geen zicht meer op.

Het zit hem dus niet zozeer in de cijfers, maar in ongepast gebruik ervan. Je zou kunnen zeggen, met Koenen en de anderen van de beweging, dat “het verhaal achter de cijfers niet meer wordt gehoord”. Men loopt te snel weg met de cijfers, men zou moeten durven vertragen en enige afstand moeten nemen om te begrijpen waarom de dingen zijn zoals ze zijn.

Maar, kun je stellen, komt het gebruik van cijfers ook al niet precies voort uit de wens om te objectiveren, afstand te nemen, te objectiveren? In plaats van ongeïnformeerd en slechts op basis van intuïtie te handelen? Als dat zo is, dan is het verschil tussen de inzet van cijfers en het advies “Neem eens afstand, kom eens los van de directe reflexen en patronen” op het eerste gezicht helemaal niet zo evident.

We moeten misschien preciezer zijn in het benoemen van het soort afstand dat we willen nemen. Ik zou zeggen: waar de afstand – met of zonder cijfers – ingezet wordt ter beheersing van situaties hoeft er op zich nog niet iets mis te zijn. Waar dat gebeurt ter afscherming van de problemen, ze ver van je weg te houden, daar moet je gaan opletten. Waar dat (afstand en beheersing) gebeurt voor een meer adequate omgang met de problemen, ben je waarschijnlijk goed bezig. Een criterium voor het onderscheiden van de kwalijke en de constructieve manier van afstand nemen (en gebruik van cijfers) is waarschijnlijk gelegen in de mate waarin beslissers contact hebben en houden met de werkvloer en de primaire processen. Dat was, naar zeggen van Koenen, bij Imtech duidelijk niet meer het geval.

Veel van dat soort contact is constructief, zelfs broodnodig; een gebrek daaraan is kwalijk, zelfs gevaarlijk. Wat dat betreft is psychiater Jim van Os, die ook een bijdrage levert aan het boek, op de goede weg. Hij experimenteert in Limburg met het daadwerkelijk kleinschaliger organiseren van de geestelijke gezondheidszorg en met inzet van minder medisch jargon. Hierdoor krijgen behandelaars en staf meer kans op betrokkenheid bij het primaire proces – in dit geval: het geestelijk weerbaarder maken van cliënten – dan in grote instellingen.

Zie ook Meetbaarheid

vrijdag 17 februari 2017

Het model Israël


Israël heeft zich altijd goed geleend voor de rol van exemplarisch model. Dat kon ten goede zijn of ten kwade: mensen konden zich ermee identificeren of zich er juist tegen afzetten.

Aanvankelijk, vanaf de stichting van de staat in 1948, was dat in hoofdzaak een positief model. Israël kon figureren als een volwaardige rechtsstaat, en als zodanig ook nog als uniek in het Midden-Oosten. Daarbij volgde het land een sympathieke sociaal-democratische koers en kon het pronken met kibboetsiem als mini-modellen voor gelijkwaardig en broederlijk/zusterlijk samenleven.

Vanaf de jaren zeventig boog dat positieve voorbeeldkarakter in de publieke opinie om naar een beeld van Israël als model in negatieve zin. Het land werd gezien als een verlengstuk van Westers kolonialisme dat zichzelf overleefd had en de onderdrukking van de Palestijnen werd steeds breder uitgemeten. Op economisch terrein begonnen vooral Likud-regeringen een neo-liberaal beleid te voeren, met vergroting van de kloof tussen arm en rijk in de samenleving als gevolg. Het land liep, zij aan zij met Thatcher en Reagan, voorop in de neo-liberale revolutie.

Afgaande op meer beschouwende analyses van de laatste tijd, zou Israël wel eens opnieuw een modelfunctie kunnen gaan krijgen. Maar nu niet gekoppeld aan ideologische wensbeelden zoals het socialisme en het neo-liberalisme die voorheen aan het land een voorloperskarakter gaven. Nu, in deze tijd van rechtsstatelijke en internationale onzekerheid, zou Israël ons wel eens kunnen tonen wat mogelijk ons eigen voorland in Europa gaat worden, niet omdat we dat zo graag willen, maar omdat het gewoon zo loopt.

Israël toont een bevolking, mede door de komst van grote groepen Russische Joden, die de principes van de Verlichting en de rechtsstaat minder hoog in het vaandel draagt dan de stichters van de staat voor ogen hadden. Er zit een regering waarvan steeds meer de vraag is of die de oordelen van het Hooggerechtshof (bijvoorbeeld als het gaat om ontruiming van nederzettingen) nog respecteert. En die affiniteit lijkt te hebben met het soort leiders waar Poetin en Trump exponenten van zijn. Tenslotte is er de eigen-volk-eerst-attitude zover voortgeschreden dat bepaalde andere bevolkingsgroepen zoals Arabieren en Bedoeïenen er openlijk benadeeld worden.

Israël als voorloper? Maak je borst maar nat, Europa!

Zie ook Schuiven