vrijdag 7 februari 2020

Arendt en Beethoven


‘Alle Menschen werden Brüder’, dat hoor je regelmatig in dit Beethovenjaar. Niks ten nadele van de geniale muziek van Beethoven, maar de tekst van Friedrich Schiller klonk de filosoof Hannah Arendt wat vals in de oren. “Het zou geen teken van menselijkheid geweest zijn als een Duitser en een Jood tijdens het Derde Rijk over hun onderlinge relatie zouden hebben gezegd: ‘Zijn wij niet allebei mensen?’ Op die manier zouden ze alleen maar op de vlucht geslagen zijn voor de werkelijkheid en de wereld, die ze op dat ogenblik deelden”, zo stelt zij in haar lezing Over menselijkheid in donkere tijden: gedachten over Lessing. Met het uitroepen van broederschap kun je ook iets te snel zijn, zo stelt ze vast.

Als ik iets mooi vind aan Hannah Arendt is het haar realiteitszin. Naast haar liefde voor de wereld en haar hoop voor de mensheid – noem het maar: haar spirituele neigingen – houdt zij niet aflatend in de gaten wat de netto opbrengsten zijn van die spirituele impulsen. Welke bijdrage leveren ze wérkelijk aan de vooruitgang van ons samenleven?

Arendt snapt de vervoering wel die mensen ervaren bij de achttiende-eeuwse ideeën van wereldwijde broederschap en universele mensenrechten. Maar ze wijst erop dat deze ideeën een compensatiekarakter hebben. Ze zijn ontstaan in de achttiende eeuw en dat is goed te begrijpen omdat op dat moment het materialistische wereldbeeld in Europa overal terrein wint. Onder invloed van de wetenschappelijke tijdgeest zijn ‘zakelijkheid’ en ‘objectiviteit’ de trefwoorden. Wat erbij inschiet is de tot dan toe gedeelde wereld van Christelijke waarden en normen. Mensen verleren daardoor het onderlinge gesprek over wat werkelijk van waarde is, en verliezen zo, met al hun objectiviteit en zakelijkheid, hun werkelijke relatie met de wereld.

Dat is onleefbaar, en schreeuwde om compensatie. Zo lag het voor de hand, aldus Arendt,  dat men ging zoeken naar een nieuwe gemeenschappelijke noemer. Die meende men te vinden in een universele menselijke natuur, waarbij sommigen het accent legden op een bij alle mensen gelijke rede (rationalisme) en anderen op een door alle mensen gedeeld vermogen tot medelijden (sentimentalisme).

Arendt: “Het rationalisme en sentimentalisme van de achttiende eeuw zijn slechts twee kanten van dezelfde medaille, en allebei kunnen ze tot dweperige overdrijving leiden, waarin men zich met alle mensen broederlijk verbonden voelt. In elk geval waren dit rationalisme en sentimentalisme slechts het innerlijke, in het onzichtbare gelokaliseerde vervangmiddel voor het verlies van een gemeenschappelijke, zichtbare wereld”.

Dus, zegt ze – en hier spreekt haar realiteitszin – daar moet je mee oppassen. Voordat je het weet verworden ‘gedeelde menselijkheid’ en ‘broederschap’ tot holle frasen. Haar eigen ervaringen zijn niet vreemd aan deze gedachte. Toen zij zelf op de vlucht moest voor de nazi’s, konden alleen particuliere, nationale burgerrechten haar beschermen, maar die had ze niet meer. De veelgeprezen mensenrechten bleken van nul en gener waarde en daarom blijft het wat haar betreft zaak om zo goed mogelijk “weerstand te bieden aan de ijselijke ‘werkelijkheidloosheid’ van universele broederschap”.

Ze heeft daarom meer met vriendschap dan met broederschap. En dan bedoelt ze met vriendschap niet de verheven versmelting van twee zielen, want dat zou haar opnieuw te spiritueel zijn. Vriendschap formeert zich tussen mensen altijd door betrokkenheid op een zichtbare, gedeelde wereld waarin fysieke bescherming telt, en minstens zozeer: tolerantie voor de verschillende of juist gelijkgestemde manieren van in de wereld staan. Daar waar meningen uitgewisseld mogen worden kan vriendschap zich ontwikkelen, en die biedt meer menselijkheid dan abstracte, universele van de wereld losgemaakte concepten, zoals broederschap.

Nou ja, de muziek is gelukkig van Beethoven.

Zie ook Levinas zoals ik hem begrijp

donderdag 30 januari 2020

Mark Rutte, historicus


Mark Rutte is historicus van opleiding, en misschien heeft dat wel een rol gespeeld in de beslissing van het kabinet om excuses aan te bieden aan slachtoffers van de Holocaust voor het optreden van de overheid tijdens de oorlog. Volgens de berichten komt het initiatief daarvoor mede van premier Rutte. Hier heeft het oog voor de actuele belangen die hij als premier dagelijks moet afwegen even plaats gemaakt voor wat over de lange termijn bezien van historisch gewicht blijkt te zijn en om die reden aandacht verdient.

Als het gaat om andere beleidsterreinen vraag ik me regelmatig af of Rutte zich niet wat méér al historicus kan opstellen. Daarmee doel ik niet per se op zijn allergie voor wat hij ‘visie’ noemt, want misschien komt die weerzin wel voort uit een zekere reserve tegenover maatschappelijke blauwdrukken en geloof in de maakbaarheid van de samenleving. Dat lijkt me heel gepast voor een historicus.

Ik doel eerder op de vraag of Rutte ons tijdgewricht wel goed aanvoelt. Staat hij voldoende open voor de suggestie dat het weleens afgelopen kan zijn met veel business as usual? Laat hij de gedachte toe dat lage belastingen en groeiende consumentenbestedingen niet meer de toverformules zijn die het voor hem altijd waren? Ik vind dat een historicus dat soort serieuze trendbreuken moet kunnen onderkennen.

Maar soms lijkt dat de premier moeilijk af te gaan. Tegen de maatschappelijke trend in om het belang van belastingheffing te herwaarderen (denk aan de recente oproep van 125 topmiljardairs in die richting) hield Rutte verbijsterend lang vast aan zijn wens tot afschaffing van de dividendbelasting. Over de noodzaak van een krachtiger Europa hield hij vorig jaar een rede, maar betekent dat een echte koerswijziging? En dat het klimaat vraagt om fundamentele heroriëntatie heb ik de premier nog niet duidelijk horen zeggen. De uitspraak ‘Niet alles kan’ kwam van Remkes toen hij het Stikstofrapport uitbracht, niet van Rutte.

Rutte beweegt wel, maar komt het op tijd? Ik weet het niet. Hij zou zich met meer beweging waarschijnlijk ook niet populair maken. Zo wint de politicus het van de historicus.

Zie ook Geen visie en Huiskamergevoel

vrijdag 24 januari 2020

Levinas en Ayn Rand


Een grotere tegenstelling dan tussen de filosofen Emmanuel Levinas en Ayn Rand is moeilijk voorstelbaar. Ook al zijn ze allebei Joods, leeftijdgenoten, afkomstig uit grofweg hetzelfde gebied (respectievelijk Litouwen en Rusland), en hebben ze geleden onder dezelfde politieke regimes (tot 1917 de tsaar, daarna de bolsjewieken).

De tegenstelling tussen de twee beleef ik primair op gevoelsniveau. Bij de een (Levinas) voel ik me veilig, bij de ander (Rand) niet, en dat wil ik uitleggen. Maar voordat ik daarop inga moet ik eerst iets vertellen over dat gevoel van (on)veiligheid dat mij kan overvallen bij het bestuderen van filosofen.

Bij veel filosofen uit de westerse canon die ik lees krijg ik vroeg of laat een gevoel van onveiligheid. Dat heeft er dan mee te maken dat ik ze te rationeel vind, of te dogmatisch of te weinig doorleefd. En die tekorten vloeien vaak samen in een basistekort dat ik aantref in hun werken, namelijk een onvermogen om het waagstuk van oprecht menselijk contact te duiden. Daarvoor moet je namelijk een plaats geven aan de fundamentele verschillen die er bestaan tussen mensen, en aan het idee van radicale andersheid. En de westerse filosofie, met haar nadruk op overkoepeling en universalisme, heeft daar moeite mee.

Omdat daardoor bij veel filosofen het thema van intermenselijk contact er bekaaid vanaf komt, mis ik iets. Ik voel me onveilig, want authentieke communicatie is wat mij betreft een levensvoorwaarde.

Maar meestal kost het wat tijd voordat ik, al lezende in een filosoof, dat tekort gewaarword. Want in de meeste gevallen zijn dan allerlei sociale en ethische aspecten van het mens-zijn al op een aardige manier aan bod gekomen, en vergt het wat doordenking van mijn kant om vast te stellen dat ze de kern niet raken, en dat ik ze als gids niet helemaal betrouwbaar vind.

Bij de schrijver en filosoof Ayn Rand kost het me nauwelijks tijd om dat punt te bereiken. Waar je ook begint in haar oeuvre, de rücksichtloosheid van haar opvattingen over de mens en menselijk contact spatten direct van de bladzijden. Zo noemt zij altruïsme een ‘unspeakable evil’, en zelfzuchtigheid een primaire morele verplichting. “De essentie van mijn filosofie”, zegt ze, “is de opvatting van de mens als een heroïsch wezen, met zijn eigen geluk als het morele doel van zijn leven, met productieve prestaties als zijn meest nobele activiteit, en de rede als zijn enige absolute leidraad”.

Een patroon dat ik kan aanwijzen in de momenten van onveiligheid bij Rand is dat ze allemaal teruggaan op haar nadruk op eenduidigheid en tegenspraakloosheid. In haar vragen en antwoorden stelt ze op een gegeven moment: “Contradictions do not exist. So what happens in a mind holding a contradiction? Mental deterioration”. Die radicale blikvernauwing vind ik terug in bijvoorbeeld haar onvermogen om altruïsme náást egoïsme te denken, of kapitalisme náást overheidsingrijpen, of de vermenging van het mannelijke met het vrouwelijke.

Misschien zou ik ook wel willen, net als zij, dat de werkelijkheid minder vol van tegenstellingen was. Maar gegeven de meerduidige werkelijkheid zoals die is, vind ik denkers die dat serieus nemen geloofwaardiger, dus veiliger.

Levinas doet dat bij uitstek. Wat mij altijd bijzonder aangesproken heeft in zijn werken (helaas niet meer in zijn latere werk) is juist de delicate naast-elkaar-stelling van egoïsme en altruïsme.

Ik vind het enerzijds een verademing om bij Levinas een legitieme plaats tegen te komen voor het ego. In veel traditionele Christelijke en kantiaanse moraalfilosofie komt het ego er bekaaid vanaf, en ligt de nadruk op plichtsbesef. Bij Levinas krijgt het ego het volle pond.

Maar anderzijds – en vooral: tegelijkertijd – met al zijn aandacht voor het ego, staat Levinas vooral bekend als ‘de filosoof van de ander’. De plaats van de ander bij Levinas heeft een eigen kleur. Het is die van de verrassing die inbreekt in het regime van het ego, maar altijd tijdelijk, zodat daarna het ego weer de overhand heeft. Waarna de ander weer inbreekt, enzovoorts, zodat er een voortdurende wisselwerking is en afwisselende dominantie van het ik en de ander. Het gaat hier om ongerijmdheid en meerduidigheid bij uitstek, een situatie dus die niet meer volledig met de rede is te managen.

Voor Rand zou dat laatste al direct reden zijn om Levinas af te serveren: “Op het moment dat je tot de conclusie komt dat iemand een mysticus is (dat wil zeggen dat een deel van zijn filosofie volgens zijn eigen verklaring niet aan rede onderhevig is of voorbij rede is), heeft hij je de moeite bespaard om nog een seconde langer naar hem te luisteren”.

Voor mij is die meerduidigheid juist een blijk van een meer adequate werkelijkheidsopvatting. En dat voelt veiliger.

Zie ook Levinas en egoïsme en De valkuil van de universaliserende rede

vrijdag 10 januari 2020

Oorlog of de ander


Moet er oorlog komen om de samenleving een gevoel van betekenis en zin terug te geven?

Dat suggereert de psychiater Damiaan Denys. Hij stelt vast dat jonge mensen wanhopig op zoek zijn naar geluk en dat niet vinden. Dat is logisch, zegt Denys, want wat hen in ons vreedzame, luxueuze West-Europa ontbreekt is de basale overlevingsdrang. Die treedt pas op in situaties van nood, en creëert als vanzelf betekenis, namelijk: overleven. ‘Zingevingsproblemen’ worden dan ontmaskerd als schijnproblemen en verdwijnen als sneeuw voor de zon.

Ik vind dit een armoedige gedachte. Het doet me denken aan een uitspraak van kardinaal Simonis waarin hij zijn hoop vestigde op donkere tijden. Dan zouden de mensen weer leren bidden en de kerken zouden weer volstromen. Zo bezien krijgt het cliché dat psychiaters de moderne, seculiere priesters zijn extra reliëf.

Denys heeft het er niet over, maar je zou aan zijn redenering ook zomaar de conclusie kunnen verbinden dat Israël tot de (geestelijk) gezondste landen ter wereld behoort. Dat land combineert een relatief hoog welvaartspeil met een permanente noodtoestand. Israël staat onder voortdurende druk van buurlanden die het van de kaart willen vegen. Niet-aflatende alertheid is vereist, je kunt je daar geen burn-outs permitteren.

Maar, nogmaals, ik vind het een armoedige gedachte. Eigenlijk zwicht je daarmee voor wat Levinas noemt ‘de ontologie van de oorlog’, een uitdrukking waarmee hij de westerse filosofie karakteriseert. Want die filosofie vertrekt, aldus Levinas, sinds de oude Grieken vanuit de overtuiging dat het ego voor iedere mens het eenduidige startpunt van zin en betekenis is, en voor zichzelf de wereld moet inpalmen. De filosofie is een egologie, en dat kan niet anders dan tot oorlog leiden. Eigentijdse verschijningsvormen daarvan zijn de herlevende belangstelling voor het vijandsdenken van Karl Schmitt, de oproep van Baudet tot gevecht en strijdbaarheid, en misschien ook wel de gewelddadigheden op straat rond Oud en nieuw.

Tegelijkertijd biedt Levinas een alternatief voor de ontologie van de oorlog via zijn opvatting van de andere mens. Die laatste kan ons namelijk, ook onder perfect alledaagse en vreedzame omstandigheden, overrompelen en klem zetten door zijn andersheid. Die momenten kun je beschouwen als het equivalent in vredestijd van de fysieke bedreiging in oorlogstijd, en dus als verschaffers van zin.

Juist de vreedzame omstandigheden stellen ons dán in staat om ervan te leren, in plaats van te moeten terugslaan.



donderdag 26 december 2019

Sterpsychiaters in de Stopera (2)


Nog even door over de drie Vlaamse sterpsychiaters. “Wat zegt het over deze tijd dat juist psychiaters sterren zijn?” vraagt NRC zich af in het aan hen gewijde artikel. De psychiaters zelf verwijzen voor een antwoord naar de crisis in zingeving die heerst in de samenleving. Dat is een opmerkelijk antwoord, want ze geven op andere plaatsen aan dat de psychiatrie er niet is voor het verschaffen van zingeving, maar voor het behandelen van ziektes.

Een interessante vraag is ook waarom het juist Vlaamse psychiaters zijn die in Nederland furore maken. Ik denk dat dat te maken heeft met een grotere vertrouwdheid van Vlamingen met het bestaan van een sociaal weefsel in de samenleving. Daarmee doel ik op een stelsel van familiebanden en lokale verbindingen in eigen stad of dorp, dat ondersteund wordt door een traditionele set van gedeelde waarden. Volgens psychiater Paul Verhaeghe is participatie in een sociaal weefsel van groot belang voor ons geluksgevoel.

Vlamingen kénnen het sociale weefsel nog, al is het maar uit hun jeugd. Daarin speelt mee dat de set van ondersteunende waarden een sterk homogeen karakter had, namelijk die van de Rooms-Katholieke Kerk die in het hele land een vanzelfsprekende dominantie had.

In Nederland was, vanwege de diversiteit van Protestantse en Katholieke denominaties, van zo’n gedeelde waardenset altijd al minder sprake. Daar komt bij dat hier de verbindingen die er waren in een eerder stadium zijn losgeraakt omdat individualisering en ontkerkelijking in Nederland eerder toesloegen. Al vanaf de jaren zestig liepen in Nederland de kerken in hoog tempo leeg.

In België is het sociale weefsel ook afgenomen, vertelt Paul Verhaeghe. Maar de afname is meer recent dan in Nederland. Als relevante factor heeft de Rooms-Katholieke Kerk zeker tot de afgelopen eeuwwisseling een rol gespeeld.

Daarnaast zijn Vlaamse intellectuelen, meer dan Nederlandse, gedrenkt in een ander weefsel, namelijk dat van de continentale Europese intellectuele cultuur. De intieme vertrouwdheid, zeker aan de Leuvense universiteit, met Franse en Duitse cultuurdragers heeft lang voor een zekere levensbeschouwelijke geborgenheid kunnen zorgen. In Nederland ontbrak een dergelijke oriëntatie.

Dat verschil tussen Vlaamse en Nederlandse intellectuelen kan verklaren waarom juist de Vlaamse psychiaters met meer zelfvertrouwen deelnemen aan het gesprek over de huidige burnout crisis. Maar als ik, ondanks de scherpte van hun analyses, hun antwoorden tekort vind schieten (zie daarvoor mijn vorige blogbericht), dan biedt die eerbiedwaardige continentale oriëntatie van Leuven en andere Belgische academies ook niet echt soelaas.

Zie ook Sterpsychiaters in de Stopera

dinsdag 17 december 2019

Sterpsychiaters in de Stopera


Drie Vlaamse psychiaters maken furore in Nederland. Dirk de Wachter, Paul Verhaeghe en Damiaan Denys verschillen onderling in hun visies maar de reden van hun populariteit hebben ze met elkaar gemeen. Alle drie constateren ze een overspannen streven naar zelfoptimalisatie en persoonlijke perfectie, veroorzaakt door een competitieve liberale marktmaatschappij. Die vertelt ons dat je geluk en zingeving helemaal zelf moet maken. Het gevolg daarvan is existentiële leegte en een vloedgolf aan burn-outs en depressies. Want, zeggen de psychiaters, diep geluk en echte zingeving kun je nu eenmaal niet uit jezelf halen, die komt uit verbinding met anderen om je heen. “Zingeving in je eentje is waanzin. En toch denken mensen dat ze het in hun eentje moeten doen”. De drie psychiaters leggen, ieder op zijn eigen manier, de nadruk op nieuwe vormen van gemeenschappelijkheid als het antwoord op de leegte.

Zo actueel en urgent is hun boodschap kennelijk dat voor hun gezamenlijke optreden op zaterdag 21 december voor de School of Life de Stopera geheel is uitverkocht. Ik deel dat gevoel van urgentie wel, want het probleem waar ze de vinger opleggen is groot en moet hoognodig besproken worden. Wel betwijfel ik soms of hun analyse van de crisis diep genoeg gaat, en dus ook of hun antwoorden in alle gevallen adequaat zijn. Ik krijg uit een NRC-artikel (Volle zalen voor de psychiater) de indruk dat ze daar zelf ook niet altijd van overtuigd zijn, bijvoorbeeld als De Wachter zegt dat zijn oplossing een beetje wollig of lullig klinkt.

Mijn twijfel heeft ermee te maken dat in ieder geval twee van de drie niet uit de ik-gerichtheid komen die ze juist als oorzaak van de malaise aanwijzen. Ook als ze ‘de ander’ aanwijzen als een uitweg uit de impasse wordt het initiatief opnieuw bij het ik gelegd. Laat ik een paar van hun antwoorden nalopen om duidelijk te maken wat ik bedoel.

Verhaeghe benadrukt dat het niet eenvoudig is om samen te leven of te werken. “Maar doe het. Blijf. Toon commitment. Engageer u. Dat zijn stappen richting morele zingeving”. Mijn bezwaar tegen een dergelijke aansporing is dat die moeilijk anders te lezen is dan als een oproep aan het individu om initiatief te nemen. Opnieuw ik-gericht dus.

De Wachter stelt dat zin te maken heeft met zorg hebben voor het geluk van de ander. “De wereld gaat stuk als we niet meer zorgen voor elkaar”. Ook hier wordt de oplossing geformuleerd als een project van het ik dat zich actief bekommert om de ander. De Wachter komt net zo min uit de groef die we zo goed kennen, namelijk dat het ik het allemaal moet doen.

Ik deel dus de verwerping van wat Verhaeghe noemt het ‘eigen-ik-eerst model’, maar ik stel vast dat De Wachter en Verhaeghe dat model beperkt opvatten als alleen maar een ‘eigen-belangen-eerst model’. Als het niet gaat om eigenbelang maar om zorg voor een ander dan moet het initiatief daarvoor toch weer vanuit het ik komen. In die zin blijft hun model ik-gericht en doen zij wat Paul Verhaeghe zegt juist niet te willen: “We blijven alles bij het individu leggen”. Met alle overbelasting en burnouts van dien.

Opmerkelijk is dat De Wachter zich voor zijn standpunt laat inspireren door de filosoof Levinas. Hij leest het verhaal over de Ander van Levinas kennelijk als een aansporing tot grotere morele inspanning. Dat doe ik niet, want je kunt Levinas ook op meer ontspannen wijze zó lezen dat hij zegt: stop met ‘stappen richting morele zingeving’; laat je liever verrassen door de ander, doe eens een keer niets, de ander neemt je wel te pakken.

Maar dit pleidooi van Levinas voor een zekere mate van passiviteit staat zó haaks op een eeuwenoude denktraditie die juist uitgaat van het actieve ik, dat het contra-intuïtief aanvoelt. Daar passen de woorden van Damiaan Denys aan het slot van het artikel: “we willen absoluut niet beheerst kunnen worden door iets buiten onszelf”.

Zie ook Zelfreflectie door de anderLevinas en egoïsme en Sterpsychiaters in de Stopera (2)

vrijdag 13 december 2019

Links en rechts en Bibi


Tegelijkertijd degelijk en toegankelijk, zo zie je het niet vaak als het over moeilijke dingen gaat. Antisemitisme is zo’n moeilijk ding, maar historicus Bart Wallet schrijft erover op een zeldzaam heldere en integere manier. Zijn essay over antisemitisme in de laatste anderhalve eeuw wordt in het Nieuw Israëlitisch Weekblad in vier afleveringen gepubliceerd waarvan er nu twee verschenen zijn.

De eerste aflevering behandelt het zogenaamde ‘nieuwe antisemitisme’. Wallet onderzoekt waar dat vandaan komt en legt dan de verbinding met het communisme en de Koude Oorlog. Maar ondertussen wijst hij erop hoe het nieuwe antisemitisme kon parasiteren op een veel oudere variant die als ‘cultureel archief’ stevig in het Europese onderbewuste verankerd is.

De tweede bijdrage laat zien hoe de Koude Oorlog-context geleidelijk aan vervangen is door de context van Arabisch-Islamitische vijandschap. Deze ontstond als reactie op de staat Israël en met name de uitkomsten van de Zesdaagse Oorlog van 1967. De gedachte van een wereldwijde clash of civilizations (naar de titel van het boek van Samuel Huntington) gaf daaraan, zeker na 11/9, een nieuwe impuls. Groeiend verzet tegen Amerikaans en westers imperialisme vroeg om nieuwe formuleringen, en “de oude taal van het marxisme bleek hiervoor weer bijzonder geschikt”.

Langs die weg ontstond een verbinding tussen extreem-linkse kringen met Arabisch-Islamitisch antisemitisme. Tegelijkertijd is met de alt-right- en andere populistische bewegingen het oude rechtse antisemitisme weer volop terug.

Het lijkt erop, zegt Wallet, dat de twee stromingen in het huidige antisemitisme (links en rechts) met elkaar een kenmerk delen: “In het hart van beide vormen van Jodenhaat zit de antiliberale opvatting: extreemrechts, extreemlinks, alt-right en islamisme wijzen alle de moderne liberale democratie af, waarvan gelijkheid van alle burgers een centraal element is”.

Zoals gezegd, ik vind dat Wallet een knappe prestatie levert. Twee kanttekeningen wil ik daarbij maken.

Op verschillende plaatsen vermeldt Wallet dat diverse vormen van antisemitisme bij de beschrijving van hun vijand ‘de Jood’ teruggrijpen op de categorie van de etniciteit, dat wil zeggen op de gedachte dat Joden toebehoren tot een volk. Ik krijg de indruk dat Wallet dat beschouwt als een armoedige truc of minderwaardige vuilspuiterij van antisemieten. Alsof dat eigenlijk ongepast zou zijn, om tot een volk te behoren. Die denigrerende kwalificatie begrijp ik niet helemaal, want die etnische component is, in ieder geval binnen de Joodse traditie, toch ook nadrukkelijk aanwezig. Dat komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in het belang voor de traditionele definitie van Joods-zijn van geboorte uit een Joodse moeder, en in de spreuk dat ‘Joden voor elkaar op moeten komen’. Dat laat onverlet dat individuele Joden ervoor kunnen kiezen om niet bij zo’n volk te willen horen en dat buitenstaanders kunnen toetreden.

Verder ben ik wel geneigd om mee te gaan in een centrale gedachte van Wallets tweede bijdrage. Hij zegt ergens in het midden: “Sinds de Franse Revolutie zijn de Joden de lakmoesproef geworden voor iedere liberale democratie”. Of die nu van links of van rechts uit bedreigd werd, de Joden waren daar bijna altijd mede het slachtoffer van. Dat betekent wel dat er een actuele en nog ultiemere lakmoesproef genoemd kan worden: gaat de Israëlische liberale democratie Bibi overleven? En zo nee, wat betekent dát voor Joden?

Zie ook Curieus en Bij minister Kaag ontbreekt een dimensie

donderdag 5 december 2019

Identiteitsloos


‘Bestemming bereikt’, dat wordt wel gezegd van het Christendom. Ook al slaat de secularisatie om zich heen, of juist omdát de secularisatie om zich heen slaat, en de Christelijke boodschap zich heeft uitgekristalliseerd in een democratische en sociale samenleving. Zo’n samenleving komt immers tegemoet aan het Christelijke ideaal van universele gelijkwaardigheid voor iedereen, en laat God en Jezus dan maar langzaamaan verdwijnen, het ideaal is bereikt.

Daarmee is een grote prestatie geboekt. Maar de realisatie ervan dwingt ook tot reflectie op dat ideaal. Was dat, behalve op onderdelen, over de hele linie wel zo nastrevenswaardig? Zoals gezegd, een belangrijk element was het bereiken van een soort abstract universalisme, of identiteitsloosheid. Denk aan de uitspraak van de apostel Paulus in een van zijn brieven: “Er is geen Jood of Griek, geen man en vrouw, want jullie zijn allemaal één in Christus”.

Het lijkt erop dat we moeten erkennen dat dat wellicht iets te veel gevraagd is van de gemiddelde mens, als hij geen gefortuneerde, geglobaliseerde, door-en-door rationele kosmopoliet is. Moeten we niet vaststellen dat worteling van een mens in zijn cultuur, zijn land, zijn volk simpelweg een  bestaansvoorwaarde is? De verwaarlozing van dergelijke identiteiten, en de stimulans in de richting van globalisering en voortdurende grensoverstijging kunnen verklaren waarom de tegenreactie in de gedaante van populistische heimwee-bewegingen zo agressief terrein opeist.

Voor mij is dat geen reden internationale samenwerking, Europese eenwording of globalisering te willen stoppen. Maar wel om worteling in eigen cultuur en tradities iets meer op waarde te schatten.

Zie ook Zielig en Houdt het dan nooit op?

vrijdag 29 november 2019

Jaren dertig


Hoe gevaarlijk is het dat online, op Twitter en Facebook, de meest vreselijke orgies kunnen plaatsvinden van belediging, vernedering en haatzaaien? Vanuit extreem-rechtse en extreem-linkse bubbels, en alles ertussenin. Zijn daarmee de jaren dertig terug, met categorische verdachtmaking van bepaalde categorieën mensen?

Journalist Marcia Luyten suggereerde dat eerder dit jaar, nadat zij op een weerzinwekkende manier slachtoffer was geworden van online scheldpartijen en bedreigingen naar aanleiding van een tweet over het woord ‘boreaal’. Wat haar betreft is er een parallel te trekken tussen dit soort vuilspuiterij en propagandacampagnes in de jaren dertig. Die laatste droegen toen bij aan de verdachtmaking van Joden, en nu gebeurt dat op gelijke wijze met bijvoorbeeld immigranten of pro-pieten of anti-pieten.

Ik betwijfel of die parallel met de jaren dertig te trekken is. Allereerst omdat de huidige vuilspuiterij van veel kanten komt, en veel verschillende kanten op gaat. Tegen de bankiers, tegen de migranten, tegen de moslims, tegen de Joden enzovoorts. Het lijkt eerder te gaan om het spuiten zelf, dan om de inhoud ervan, want daarvoor zijn de geventileerde ideeën te divers en tegenstrijdig. Het gaat nu dus eigenlijk meer om een ‘(geen)stijl’ van communicatie, namelijk onderbuikcommunicatie, dan om een eenduidige ideologie, zoals in de jaren dertig.

Een ander verschil is dat de lelijkheid van de huidige onderbuikcommunicatie zo in het oog springt. Hoe vunzig de nazi propaganda ook was, die speelde zich af in een zeer burgerlijke, gedisciplineerde samenleving die voor de gemiddelde burger nog het aura van fatsoen en netheid had. Het nazisme hield de schijn hoog daarbij aan te sluiten. Sterker nog, daar konden de nazi ideeën op parasiteren, door de belofte de maatschappelijke orde te versterken en de toekomst voor de kinderen veilig te stellen. Zo konden die ideeën salonfähig worden.

Welnu, dat lukt de ophitsers van vandaag niet meer. Er is simpelweg te veel vunzigheid van allerlei makelij. Dat hier de onderbuik online op straat ligt is voor bijna iedereen evident.

De geloofwaardigheid van wat er wordt gezegd, daalt daarmee navenant.

Dat wil niet zeggen dat de jaren dertig en veertig niet als moreel baken kunnen fungeren. Maar onze valkuilen zullen andere zijn dan die van toen.

Zie ook Zondebok

donderdag 21 november 2019

Herfst


Gretig volgen mijn ogen de laatste geel-bruin-groene blaadjes die nog overal rondfladderen en als tapijt de grond bedekken. Juist omdat het binnenkort weer helemaal afgelopen is, zuig ik het in me op.

Zo werkt het met sterfelijkheid, begrijp ik uit de laatste Filosofie Magazine. Het besef van onze eindigheid zet ons ertoe aan onze bestemming te zoeken en te volgen in plaats van erop los te leven. Tenzij dat je bestemming is natuurlijk.

Zo werkt het zelfs met het dreigende einde van onze aarde. Als ik besef dat het met de aarde ook weleens een keer gedaan kon zijn, vind ik een heleboel natuurverschijnselen ineens nog mooier dan ik ze toch al vind. Een zonsondergang, glinsterend water, een rode kornoelje. Ik ben er kennelijk erg aan gehecht, en dat dringt zich extra op bij de gedachte dat het zou verdwijnen.

Ook in minder dromerige domeinen rukt het besef van onze ecologische kwetsbaarheid steeds verder op, krijg ik de indruk. Mijn verzekering kondigde vorige maand aan dat de polis gelijktijdige overstromingen “door het bezwijken, overlopen of falen van niet-primaire waterkeringe(en) én van primaire waterkering(en) of door water afkomstig van de zee” niet dekt. En makelaars constateren een verhoogde belangstelling bij randstedelingen voor huizen in de hoger gelegen provincies Overijssel en Gelderland. Zo zou de economie misschien nog een handje gaan helpen in de plaats van de zaak verder over de rand te duwen.

Waar ik soms wel mee zit is de vraag of ik nog net de dans van een ecologisch inferno zou ontspringen. Jonathan Franzen schrijft: “Als je jonger dan zestig bent, heb je een goede kans getuige te zijn van een radicale destabilisering van het leven op aarde. En ben je jonger dan dertig, dan zal je dat vrijwel gegarandeerd meemaken”.

Ik (64 jaar) zou dus nog kunnen ontkomen aan de ramp. Natuurlijk wil ik dat wel, aan de ene kant, want wie zit er nu te wachten op een rampscenario? Maar, aan de andere kant, dat voelt ook niet helemaal eerlijk ten opzichte van mijn kinderen.

Zie ook Sociaal experiment en Ik heb makkelijk praten

vrijdag 15 november 2019

Curieus


Er is een nieuw boek verschenen over antisemitisme door de eeuwen heen. Het heet De eeuwige kop van Jood, en is geschreven door Ludo Abicht. Uit de recensie van het boek in Trouw krijg ik de indruk dat het gaat om een gedegen en zorgvuldig overzicht van de geschiedenis van het antisemitisme vanaf de vierde eeuw voor de jaartelling tot nu.

Misschien wel juist vanwege die zorgvuldigheid blijf ik haken aan een boodschap die Abicht meegeeft als het gaat om antisemitisme dat wordt gewekt door het Israëlisch-Palestijnse conflict. In de woorden van de recensent luidt die boodschap: pak dat antisemitisme ondubbelzinnig aan, maar “maak wel steeds een zorgvuldig onderscheid tussen antisemitisme en antizionisme (houding of politiek die zich keert tegen het bestaan van de staat Israël).”

De uitspraak zal goed bedoeld zijn, maar is toch heel raar. Want die komt erop neer dat het ontkennen van het bestaansrecht van Israël een onschuldige of eerbare zaak zou zijn. Zover gaan zelfs felle critici van het Israëlische beleid meestal niet: aan het bestaansrecht van de staat Israël mag niet worden getornd.

Het is ook wel heel bizar. Alsof je niet regelrecht anti-Frans of anti-Nederlands mag worden genoemd als je het bestaansrecht van Frankrijk of Nederland in twijfel trekt. Net zo is het ontkennen van het bestaansrecht van Israël anti-Joods te noemen, gewoon gezegd: antisemitisch.

Het curieuze is dat de recensent zich van geen kwaad bewust lijkt te zijn. Hij denkt dat het boek kan helpen om het ‘nieuwe antisemitisme’ de wind uit de zeilen te nemen.

Zie ook Archetypisch en Antizionisme en antisemitisme