donderdag 29 oktober 2020

Gevaarlijk optimistisch


Mark Rutte is teleurgesteld in het Nederlandse volk. Hij had hogere verwachtingen van onze standvastigheid in de strijd tegen corona. Hij schatte het volk in als “trots”, verstandig en tot de goede keuzes in staat. Een beetje zoals de Denen zich wél schijnen te betonen. Nederlanders zijn zo niet, die houden meer van hun vrijheid en pleziertjes.

Deze ontnuchterende constatering komt hard aan. In de eerste plaats is die pijnlijk en confronterend voor de premier zelf. Hij geloofde er namelijk écht in. Tot in zijn vezels was hij ervan overtuigd dat ‘als het erop aankomt’ Nederlanders massaal de goede keuzes maken. Het is die optimistische overtuiging die hem de afgelopen tien jaar hielp om in de moeilijkste situaties de juiste toon te vinden, mensen vertrouwen te geven en bruggen te slaan. Het grootschalige onverantwoordelijke gedrag moet voor Rutte een hard gelag zijn.

Maar mij als burger zit het ook niet lekker. Was het verstandig om jarenlang zoveel vertrouwen en regeringsmacht toe te kennen aan iemand met een onrealistisch roze kijk op wereld en mens, of in ieder geval de Nederlander?

Het is waar, daardoor was hij goed in staat om het bestaande systeem te laten doordraaien. Maar was hij niet ook te goed van vertrouwen op onze “waanzinnig gave samenleving” en blind voor mogelijk dysfunctionele of regelrecht destructieve tendenzen van dat systeem? Van alertheid op die mogelijkheid leek geen sprake te zijn.

Dat zou kunnen verklaren waarom, bijna ongezien, onze samenleving een stuk minder solidair en herbergzaam is geworden, zeker voor de geestelijk en materieel minder bedeelden. Je mocht immers best, aldus Rutte, in samenhang met het geloof in de verstandige en zelfredzame burger, op marktwerking vertrouwen in de ziekenhuizen, de woningbouw, de jeugdzorg. En dus de overheid zo klein mogelijk maken. Dat zou als vanzelf goed uitpakken.

Niet dus, en daarom maak ik me zorgen over een premier met een te optimistisch mensbeeld.

Dat geldt nog meer met het oog op de toekomst en op wat veilig beheer van natuur en milieu van ons gaan vragen. Rutte denkt misschien nog steeds dat dat wel goed komt voordat de nood aan de man is. Industrieën zullen via gentleman agreements hun best doen, en boeren door vrijwillige inspanningen. Burgers zullen uit eigen beweging hun SUVs inruilen voor verantwoorde mobiliteit, zulke dingen moet je trotse Nederlanders niet via regelingen opleggen, aldus Rutte. 

Maar aan zo’n premier vertrouw ik de toekomst liever niet toe.

Zie ook Vijftig jaar achterop en Mark Rutte, historicus

vrijdag 23 oktober 2020

Pluralisme


Je zou verwachten dat de kampen die laatst tegenover elkaar stonden rondom de Staphorster kerk de geijkte scheidingslijnen volgden. In de kwestie (waar drie keer zeshonderd mensen op zondag de kerk bezochten, formeel binnen de toegestane uitzonderingsregels van het coronaregime) lijkt het in eerste instantie te gaan om religieuzen versus seculieren, in onze tijd ook wel geduid als obscure achterlijkheid versus ruimdenkend gezond verstand. Arjen Lubach kan eindeloos vooruit met dat frame.

Maar het zit nog net iets anders, denk ik. Er loopt ook een scheidslijn die te maken heeft met enthousiasme voor onze liberale Grondwet waarin vrijheid van godsdienstuitoefening een belangrijke bepaling is. Sommige partijen omarmen die Grondwet van harte, en anderen doen dat tegen heug en meug.

Deze tweede scheidslijn loopt dwars door de andere heen, die valt niet samen met religieus versus seculier. Want er zijn aan de ene kant orthodoxe religieuzen die de Grondwet met overtuiging beamen, niet alleen omdat zij dan zeshonderd mensen in kerk mogen toelaten, maar ook omdat ze het mooi vinden dat anderen op religieus gebied hún ding mogen doen. 

Dominee Piet de Jong zegt bijvoorbeeld:  “De vrijheid van godsdienst en het belijden ervan in kerken is geen uitzondering op democratisch samenleven, iets van vroeger, maar juist een belangrijke garantie daarvan”. Daarmee omarmt hij het pluralisme van waarden en waarheden dat door de Grondwet gegarandeerd wordt. 

Dat was ook de positie, meer dan honderd jaar geleden, van de orthodox Protestantse voorman en politicus Abraham Kuyper, zo lees ik naar aanleiding van het verschijnen van zijn biografie door historicus Johan Snel. Kuyper “streed voor iets positiefs: pluralisme. Hij heette, in theorie, joden en moslims welkom aan de VU, waar ze vervolgens met hun eigen beginselen aan de slag zouden mogen”. Hij was, zegt Snel, geen gelegenheidsdemocraat.

Aan de andere kant van deze scheidslijn staan degenen die eigenlijk verlangen naar één voor ieder verplichtende, bij voorkeur religieuze, waarheid. Zij zien het pluralisme dat de Grondwet faciliteert eerder als gevaar dan als iets wenselijks. Als ze zich wel op de Grondwet beroepen is het omdat die ook hún godsdienstvrijheid faciliteert, maar het pluralisme van waarheden is hen een gruwel. Hen zou je inderdaad gelegenheidsdemocraten kunnen noemen.

Ik schaar een SGP-politicus als van der Staaij in dat kamp. Hij strijdt voor één waarheid die meer waard is dan alle andere. Hij roept de Staphorstkritikasters op om zich voor te stellen dat het „echt waar” is. „Dat God zegt: hier kom je tot je bestemming, dit is waar je moet zijn.” Nu, denkt hij, wordt een kerkdienst vaak gezien als een poppenkast en daar hoef je geen andere regels voor te hebben dan voor het theater. Zo’n stellingname hoeft niet te verbazen natuurlijk voor een partij die in feite theocratisch is en die diep in het hart God boven de Grondwet stelt.

Laatst leek zelfs een vrijgevochten opiniemaker als Rosanne Hertzberger zich aan die kant van de scheidslijn te bevinden. In een recente column gaf zij blijk van haar verlangen naar iets heiligs, iets “wat boven alles ging”. De aanblik van de kerkende Staphorsters was “jaloersmakend”, door de constatering dat er iets zo belangrijk in hun leven was. Terwijl voor de rest van Nederland alles makkelijk af te zeggen bleek te zijn: niets was heilig, geen feestdag, geen concert, geen diner.

Eerlijk gezegd denk ik dat deze gedachte voor Hertzberger een tijdelijke aanvechting is, zij is te zeer in het liberalisme gedrenkt om de Grondwet ondergeschikt te maken aan iets heiligs. Maar het overkomt haar toch maar.

Overigens neemt de Grondwet zelf een aardige middenpositie in tussen de twee kampen van de laatste scheidslijn. Het pluralisme van waarden en waarheden wordt gewaarborgd, van religieus tot seculier; maar religieuze waarden komen eerder voor uitzondering in aanmerking dan seculiere waarden, zoals blijkt in onze dagen. 

Zie ook Een goed gesprek

vrijdag 9 oktober 2020

Schok en opluchting

Er zijn van die momenten dat je je met een schok realiseert hoezeer de wereld in pak weg vijfentwintig jaar bijna onherkenbaar kan veranderen.

Die gewaarwording had ik toen ik onlangs deze uitspraak las van Nelson Mandela uit 1997: “Wij weten maar al te goed dat onze vrijheid niet compleet is, zonder de vrijheid van het Palestijnse volk”. Ik heb Mandela hoog zitten, en deze uitspraak heeft niks met antisemitisme te maken, maar alles met een wereld die, vergeleken met de huidige, van een onvoorstelbare overzichtelijkheid was. 

Het was mogelijk in die tijd om, ongeacht wat er verder op de wereld gebeurde, alle onheil dat de wereld en de wereldvrede bedreigde, te fixeren in het Midden-Oosten, en nog preciezer, op het meest problematische land van die regio: Israël.

Welnu, zoals dat toen kon, kan dat niet meer. Zoveel politieke explosies en gruwelijkheden  hebben plaatsgevonden in het Midden-Oosten (Irak, Egypte, Libië, Syrië) dat voor wat betreft die regio de aandacht nog nauwelijks bij Israël ligt. Maar ook die regio is al lang niet meer het brandpunt van de zorgen over mogelijk onheil. Gaat China het overnemen in het Westen? Kunnen we alle migratiestromen aan? Houdt de democratie in Amerika wel stand? Gaat de rechtsstaat in Europa overleven?

Wat er in Israël gebeurt is, in het licht van al het andere mogelijke onheil, inmiddels een minor problem. Nou heeft het altijd iets zwaks om problemen die zich ergens voordoen (en die dóen zich voor in Israël) te relativeren onder verwijzing naar veel ernstiger problemen en geweld op andere plaatsen. Verwijten over serieuze kwesties wegwuiven door te reageren met ‘and what about…’ is in ieder gesprek een dooddoener.

Maar de fixatie van voorheen op Israël, alsof alle kwaad van de wereld op één punt was samengebald, had ook iets wereldvreemds. Ik kan een gevoel van opluchting soms niet onderdrukken als Israël gezien wordt zoals het is. Als een land met etnisch geweld en een te grote kloof tussen arm en rijk, maar voor veel mensen aangenaam genoeg om er met plezier te wonen. En, om toch even te vergelijken, met Arabieren die liever daar wonen dan bij de buren.

Zie ook Het model Israël

donderdag 1 oktober 2020

Geen geesteswetenschappen meer nodig?

De toekomst is aan de bètawetenschappen, zo lijkt een wijdverbreid gevoel te zijn in de samenleving. En in ieder geval: zo lijkt het motto te zijn van het kabinet bij de verdeling van de onderwijsgelden over alfa- en bètastudies, want minister van Engelshoven hevelt geld van de geesteswetenschappen over naar technische studies.

Dat komt omdat de toekomst is aan technologie, dataflows en Artifical Intelligence, zo wordt gedacht. De ontwikkelingen op die terreinen zijn stormachtig en men verwacht dat machines niet alleen nog veel beter kunnen gaan calculeren dan mensen, maar al snel ook beter zullen kunnen opereren, rechtspreken, muziek componeren en lesgeven dan mensen. Ze zullen eindeloze hoeveelheden data weten te gebruiken, meer dan een mens ooit kan combineren. Maar vooral: ze zullen geen last hebben van de emotionele gesteldheden die het menselijk handelen soms onbetrouwbaar maken. Op zowat alle terreinen zullen machines het handelen van de mens overnemen, en veel beter presteren. Geen wonder dat er veel geïnvesteerd wordt in de bètawetenschappen.

De geesteswetenschappen hebben daar al langer last van, en protesteren daartegen. Maar het probleem is: dat kunnen ze niet doen in de termen van betrouwbaarheid en meetbare prestaties waar de bètawetenschappen zo sterk in scoren. Dus dat doen ze in de termen waarin zij sterk zijn. 

Zij zeggen: wij houden ons bezig met datgene wat bij uitstek grillig is, namelijk de mens en zijn onvoorspelbaarheid. Per definitie kun je dan geen stabiele, betrouwbare uitkomsten krijgen, omdat mensen en culturen zich zelden aan strikte wetmatigheden blijken te houden. De toegevoegde waarde van de geesteswetenschappen moet dus benoemd worden in termen zoals: ‘oriëntatie in ongewis gebied’; en: ‘het peilen van voortdurende bewegingen in een cultuur’. Het vakmanschap dat daarbij hoort is: ertegen kunnen dat op een onderzoeksterrein tegelijkertijd meerdere rationaliteiten naast elkaar kunnen bestaan en met elkaar strijdig kunnen zijn. 

Het feit dat Word het woord ‘rationaliteiten’ (meervoud) fout rekent, geeft aan hoezeer hier de geesteswetenschappen in het nadeel zijn. Net als Word geven mensen en ministers intuïtief de voorkeur aan het werken met één eenduidige rationaliteit, want die geeft garantie op voorspelbaarheid en betrouwbaarheid. En dat is wat bètawetenschappers doen.

Behalve over culturele oriëntatie spreken geesteswetenschappers in hun verdediging ook over zinbeleving. Wel zo interessant, zou ik zeggen, maar ook die term scoort niet hoog op betrouwbaarheid. Maar dan ben ik geneigd wetenschapshistorica Hieke Huistra te volgen als ze zegt:  geesteswetenschappen missen misschien de objectieve betrouwbaarheid van de bètawetenschappen. “Maar als subjectiviteit van kennis de prijs is om zinvolle vragen te kunnen stellen, dan lijkt dat me een goede deal.”

Zie ook Gevangen in evidence based en Mensen en wetmatigheden


vrijdag 25 september 2020

Wie je bent

Een antropologische wijsheid luidt: “Je weet het best wie je bent als je ook weet wie je niet bent”. 

Het lijkt me een wijsheid die je aan Joden niet hoeft te vertellen, want dat weten we al heel lang. Al in het Oude Testament laat God het volk weten: volg niet de gebruiken en afgoden van de andere volkeren, want ‘dat is mij een gruwel’. En toen het Christendom zijn zegetocht begon voelden de Joden heel duidelijk: dat is not our cup of tea. Dus zij weigerden zich te laten bekeren, hoeveel ellende hen dat in de loop van de geschiedenis ook bracht.

Het huidige Israël op zijn beurt weet heel goed wie het niet is. Een paar stappen over de grens aan de Noord- of de Oostkant kan je als Joodse Israëliër al in de problemen brengen. En economisch netwerken met de buren wil Israël wel, maar de gebruikelijke autocratische staatsinrichtingen van de andere Midden-oosterse landen wil de Joodse staat zeker niet overnemen.

Toch, met dat particularisme is niet het hele Joodse verhaal verteld. Er is namelijk ook zoiets als beslist-zeer-Joods universalisme: dat droomt van opheffing van alle grenzen tussen mensen, of die grenzen nu nationaal, etnisch of religieus van aard zijn. De profeet Jesaja schildert het visioen van een toekomstige paradijsachtige vrede tussen alle volkeren op aarde. In de 19e eeuw maakten veel Europese Joden zich sterk voor socialistische idealen die de emancipatie en gelijkheid van allerlei maatschappelijke groeperingen dichterbij zouden brengen. En na de Tweede Wereldoorlog hadden Joden zoals Raphael Lemkin en Hersch Lauterpacht een belangrijk aandeel in de opbouw van mensenrechten en het internationale strafrecht. Hun uitgangspunt daarbij was het bestaan van een mondiale gemeenschap die uitging boven de nationale grenzen en etnische identiteiten.

Ze zijn bijna niet bij elkaar te brengen, de twee polen van Joods particularisme en Joods universalisme. Daarbij moeten we wel bedenken dat die polen de meest extreem uiteen liggende posities zijn, in de praktijk blijken er veel mengvormen te bestaan. Daarbij denk ik aan de al millennia bestaande, en bij tijden bloeiende, Joodse diaspora over de hele wereld. En aan de reëel bestaande vredesakkoorden die Israël sluit met sommige buren, met de Verenigde Arabische Emiraten als meest recente aanwinst.

Het zou best eens kunnen dat weten wie je niet bent een stevig uitgangspunt vormt om te komen tot betrekkingen met degenen die je niet bent. Blijft staan dat grenzen tussen identiteiten niet zomaar kunnen worden opgeheven. Een gemakkelijke positie ten opzichte van grenzen bestaat kennelijk niet.

Zie ook Heilig en Ellips in Israël


donderdag 17 september 2020

Vluchtelingen helpen, maar de Grieken ook

Naar aanleiding van de schandalige Moria-deal schreef hoogleraar publieksfilosofie Marli Huijer in Trouw: “De mensenrechten gelden voor ieder mens, ook buiten de landsgrenzen van de nationale staat. Iedereen die bedreigd wordt zou het recht moeten hebben bij ons aan te kloppen en in een fatsoenlijke asielprocedure te komen”. En verder: “De Moria-deal is louter denken in cijfers, waarbij het oog voor de specifieke situatie na de brand in het kamp volledig afwezig is”

Van dit soort uitspraken krijg ik altijd de kriebels.

Allereerst, wat haar bagatellisering van aantallen vluchtelingen betreft: spreken over aantallen is niet zo categorisch fout als zij stelt. Ook wie ruimhartig wil zijn kan voor aantallen komen te staan die te groot zijn. Je kunt wél zeggen dat in dit geval de Nederlandse aantallen (100, eigenlijk: 0) veelzeggend zijn want nonexistent, maar niet dat aantallen in dit soort kwesties geen rol spelen. Dat moet Huijer zelf trouwens ook weten. Zij vangt immigranten op in haar eigen huis en zal daar beslist een maximum voor gesteld hebben. Het is vervreemdend en dus niet constructief om dat te verdoezelen.

Dan, als het gaat om de nationale staat die open zou moeten staan voor alle bedreigde mensen wereldwijd: daar ontbreekt de historische dimensie. Al zouden filosofen dat anders willen, de mensheid springt niet van zijn oertoestand in één keer naar wereldwijd gerespecteerde mensenrechten.

Voor zover er rechtsstatelijke vooruitgang was in het Westen vond die altijd plaats binnen grenzen van nationale, al dan niet langs etnische lijnen opgebouwde staten. Dat is een organisatiekwestie – het organiseren van solidariteit is sowieso een moeilijke opgave, dat lukt niet meteen op grote schaal. De eerste stadia vereisen een behapbare omvang en een overzichtelijke bedding. Concreet historisch gezien lukte dat het beste in gemeenschappen met een gedeelde taal, geschiedenis en min of meer stabiele grenzen. 

Hoe begrijpelijk het ook is dat westerse leiders, na de nationalistische barbarij van de Tweede Wereldoorlog, dat ontwikkelingsproces wilden opschalen naar mondiaal niveau, we zijn daar te gretig in geweest. Al die verdragen van eind jaren veertig en begin jaren vijftig zoals de Verklaring van de Rechten van de Mens en het Vluchtelingenverdrag blijken te hoog gegrepen. We hebben ons ontwikkelingsstadium overschat en zitten nu met de vreemde paradox dat we ons verplicht hebben tot bescherming van mensenrechten wereldwijd maar tegelijkertijd buiten ons nationale territorium geen zeggenschap hebben. Huijer verwoordt zelf die paradox, maar ze neemt de implicaties ervan voor onze verplichtingen nauwelijks serieus, zoals Hannah Arendt dat bijvoorbeeld al vroeg wél deed.

Uit alles blijkt dat we nog maar net of niet voorbij de grenzen van de natiestaat durven kijken. Europese belastingen? Dat is opgeven van soevereiniteit! Brusselse regels voor Goudse kaas? Daar gaat onze identiteit! We kunnen onze huidige situatie maar het beste beschouwen als een vroeg stadium in de ontwikkeling naar steeds bredere samenwerking: net voorbij de natiestaat, aan het begin van het eerstvolgende grotere verband, namelijk Europa. Het is wat anders dan de wereldomspannende eeuwige vrede van Immanuel Kant, maar wel een stuk pragmatischer. Daarom moet naar mijn idee de verdere integratie van Europa krachtig ondersteund worden.

Het is waar, dat lost het probleem niet op dat Huijer ten grondslag ziet liggen aan alle vluchtelingenproblematiek: “Door een wij te creëren, creëren we ook een niet-wij”. Door grenzen te trekken ontstaat een wij en ontstaan anderen die daar niet bij horen. En ook al doet Europa landsgrenzen vervagen, de buitengrens van de Europese Unie wordt een nieuwe, keiharde grens tussen wij en niet-wij.

Maar ik ben bang dat we dat stadium niet kunnen overslaan. Het lijkt erop dat de westerse pogingen om de mensrechten in één keer wereldwijd in te voeren te optimistisch zijn geweest. In ieder geval is de handhaving daarvan wereldwijd op zijn retour. Des te meer reden om Europa te omarmen. Ook daarom is het hard nodig de Grieken te helpen met de vluchtelingen. En de Italianen net zo goed.

Zie ook Met universele waarden kom je niet ver en Wie is de ander bij Levinas?

vrijdag 11 september 2020

Moria in brand


Rutte is een charmante en knappe politicus. Maar nog langer wegkijken is gewoon crimineel.

Zie ook

Herhaling van zetten, over de soms beschamende kleinhartigheid van onze joviale premier

Behapbare aantallen, over de aanwezigheid van draagvlak waar je vooral gebruik van moet maken



donderdag 3 september 2020

Pfeijffer en geloof


Ilja Leonard Pfeijffer deed in Zomergasten een uitspraak die me in verwarring achterliet: “Bijna alle mensen die echt ergens in geloven zijn mooi”.

Misschien komt dat doordat de zomergast van de week ervoor, Jaap Goudsmit, waarschuwt tegen geloof - in zijn geval in de intuïtieve wetenschap -, hoeveel schoonheid daar ook lokt.

Het kan ook zijn dat ik het verwarrend vind om te horen dat Pfeijffer zelf weer ergens in gelooft. Hij was tot vijf jaar geleden de vleesgeworden afstandelijkheid, moeilijk te betrappen op enig enthousiasme voor wat dan ook, en met trotse ironie als belangrijkste uitstraling.

Maar nu draagt hij nadrukkelijk aandacht uit voor de andere mens en in zijn werk klinkt engagement door met de samenleving, onze democratie en het milieu. Waarschijnlijk doet het een mens goed om weer ergens in te geloven en doet dat Pfeijffer ook goed, dus dat kan zijn uitspraak verklaren.

Maar dan vind ik zijn bekering tot ‘geloof’, zonder nadere specificatie, toch iets te ondoordacht. Het enige voorbehoud wat hij nog maakt zit in het woordje ‘bijna’, maar het is van belang om daar preciezer in te zijn. Denk aan de tien jaren van ontnuchtering die Jaap Goudsmit nodig had om van zijn geloof in de intuïtieve wetenschap af te komen. 

Pfeijffer kwam zelf in een van de door hem gekozen filmfragmenten met het thema van de flat earth beweging. Aanhangers daarvan zijn beslist gelovig, maar vindt hij dat ook ‘mooi’? En zo zijn er nog veel meer enthousiaste bewegingen aan te wijzen, van complottheorieën tot fanatieke religieuze sektes, waar mensen met diepe overtuiging de meest rare dingen geloven. Is dat mooi?

Ik zou zeggen: geef me ten opzichte van de geloofsbekeerling Pfeijffer het gezonde deel terug van de scepticus Pfeijffer.

Zie ook Waar of raar?

vrijdag 28 augustus 2020

Jaap Goudsmit


Bij nadere vertering van het Zomergasten interview met Jaap Goudsmit (drie weken geleden, ik weet het) raak ik steeds meer overtuigd van de verwantschap van een van zijn hoofdthema’s met mijn thema van de denkschaamte.

Het gespreksonderwerp waar ik op doel is dat wat Goudsmit aanduidt als zijn grote professionele misser: de in 1990 in Science triomfantelijk aangekondigde ontdekking van een weg naar het definitieve medicijn tegen HIV en de daarop volgende ontmaskering van die ontdekking als broddelwerk. Niet alleen werkte de medicijnontwikkeling niet, het onderzoek van Goudsmit en collega Henk Buck wat eraan ten grondslag lag deugde van geen kanten.

Een blamage, en zo heeft Goudsmit het ook beleefd. Hij schaamde zich “de hele dag”, ik weet niet hoeveel dagen achter elkaar, en heeft er tien jaar voor nodig gehad om erover heen te komen.

Waar ging die schaamte dan over? Die ging over blind geloof. Allereerst geloof in een bepaalde manier van wetenschap bedrijven, namelijk via de mogelijkheid van een briljante gedachte waarvan je alleen maar hoeft te bewijzen dat die waar is. En vervolgens zijn geloof in de ‘geniale’ gedachte die hij feitelijk had over zijn HIV-medicijn: dat zou aids voorgoed uitbannen. Hij was geweldig bezig, en echt niet alleen voor zichzelf.

Tot zover het denkschaamtestadium van de euforie en de nog niet doorgeprikte illusie. Dan volgt het stadium van de confrontatie. Behalve dat de medicijnontwikkeling niet bleek te werken zat hem dwars wat hij zijn collega had aangedaan, die alles uit de kast gehaald had om het medicijn te produceren. “Je zinkt daarna tot de diepste krocht”. Hij heeft ervan geleerd om niet meer intuïtief te geloven in euforische ideeën maar ze bescheiden en kritisch te ondervragen.

Toch was het confrontatiestadium nog niet compleet. Daar was de tussenkomst van Abbring voor nodig: “Heb je je collega nadien nog gesproken? Hem gebeld: hoe gaat het met je? Hij gaf aan dat hij dat best wel gewaardeerd zou hebben.” “Nee”, zei hij. En: “Misschien moet dat een keer gebeuren”. Goudsmit nam zich voor om dat te gaan doen. Zo is, zij het pas na dertig jaar, ook het laatste stadium van de denkschaamtecyclus present, die van het vernieuwde contact.

Zie ook Levinas en politiekBaas in eigen boek en Iets kleins


donderdag 20 augustus 2020

De markt van hoop en troost

‘Ook links wil lekker eten’, zo ontdekte men begin jaren negentig van de vorige eeuw. De welvaartsstaat was op een hoogtepunt, de polarisatie tussen streng socialisme en bon vivant liberalisme uit de tijd van Den Uyl en Wiegel was voorbij en alleen Hans Spekman bleef nog twintig jaar in slobbertruien lopen.

Een soortgelijke verzachting van stereotypen is op dit moment waar te nemen binnen de verlicht rationele gelederen van de NRC. Kritisch denken en milde scepsis zijn daar traditioneel de trefwoorden, men was altijd wars van alles wat naar ideologie, religie of metafysica riekt.

Maar onder invloed van corona is daar iets gaan schuiven. NRC-columnist Floor Rusman zegt met zoveel woorden: “Toen ik achttien was, vond ik het een teken van volwassenheid om cynisch te zijn en nog steeds heb ik een voorkeur voor ‘ja maar’-zeggers, sceptici, anti-utopisten”. Ze was het daarom aanvankelijk ook wel eens met de nuchtere stukken in de krant die gehakt maakten van pogingen om per se de ‘goede kanten van corona’ te benadrukken en de ‘lessen die het virus ons leert’. Totdat ze dacht “Bedankt, maar wat moet ik ermee?”

Zoveel scepsis is teveel, Rusman voelt de behoefte om toch iets positiefs uit de coronacrisis te persen. “Daar zit ik dan, in een spagaat tussen intellectuele voorkeur en emotionele behoefte. Tussen anti-utopisme en Hollywood. Misschien, denk ik, is scepsis een luxe voor betere tijden.”

Van redacteur Sjoerd de Jong, een ander NRC-boegbeeld, die graag het post-ideologische karakter van de krant benadrukt, viel me op dat hij in een boekbespreking een punt maakte van de totale afwezigheid van waarden. Het ging om het boek Moeder Natuur van Wouter Oudemans, waarin De Jong een hard-rechts anti-humanisme ontwaart, getekend door weemoed en sarcasme tegelijk. Hij sluit zijn bespreking als volgt af: “Aan betekenis, hoe betrekkelijk ook, heb je uiteindelijk meer dan aan grimmig nihilisme – en dat is niet voor niets”.

Aan strooien met betekenis en promotie van utopieën zal de NRC nog steeds niet gauw doen. Maar het ideaal van superieure kritische onafhankelijkheid en volstrekte neutraliteit ten opzichte van existentiële waarden lijkt in tijden van beproeving wat te moeten inleveren. ‘Ook rechts behoeft betekenis’.

Zie ook Aan onszelf overgeleverd

vrijdag 14 augustus 2020

Van Rossem en Harari


Over het algemeen lees ik graag historici, vanwege de wijdheid van hun blik. Ze zijn bekend met tijden waarin mensen heel andere dingen deden dan wij nu, of dezelfde dingen maar dan anders. En soms precies zoals wij. Dat relativeert en schept ruimte voor het denken en voorstellen. Om die reden ben ik waarschijnlijk ooit geschiedenis gaan studeren. 

Des te groter is mijn verbijstering wanneer ik op historici stuit die (delen van) het verleden niet anders weten te benaderen dan met de mindset van de verlichte, comfortabele 21e-eeuwse intellectueel. En vooral met de blinde vanzelfsprekendheid van die mindset. 

Zo heeft voor mij Maarten van Rossem volstrekt afgedaan als historicus door onlangs in zijn tv-quiz De slimste mens, zonder aanleiding behalve een kennelijk diepgewortelde eigen emotie, het Oude Testament af te branden als “totaal krankjorum, gewelddadig en idioot”. Als je van iemand mag verwachten dergelijke geschriften te kunnen plaatsen in de context van hun tijd (dit waren, ook qua inhoud, gebruikelijke teksten), dan is het wel van een historicus. 

En anders zou je – maar daar hoef je geen historicus voor te zijn – wel het omgekeerde mogen verwachten: dat je kunt doorzien dat onze huidige wereld wel erg veel weg heeft van die van de Hebreeuwse Bijbel. In weerwil van ons eigentijdse mensenrechtenverhaal zijn op wereldschaal uitbuiting, ongelijkheid en geweld aan de orde van de dag. Het complexe beeld dat het Oude Testament schetst van menselijke (wan)verhoudingen is zo onrealistisch nog niet. Maar misschien is Van Rossem alleen geïnteresseerd in utopieën, en vindt hij om die reden alleen het Nieuwe Testament acceptabel. 

De Israëlische historicus Yuval Harari kun je een dergelijke utopische gerichtheid in ieder geval niet aanwrijven. Hij is eerder geïnteresseerd in het tegendeel ervan, de dystopie, en wel in het bijzonder die van de toenemende menselijke afhankelijkheid van algoritmes en dataflows – ook al wil hij dat geen dystopie noemen. 

Harari kent beslist belang toe aan alle utopische verhalen die mensen sinds het begin der tijden verzonnen om elkaar moed in te spreken en tot samenwerking te komen. Daartoe rekent hij de mythen en legenden die mensen elkaar van generatie op generatie doorvertelden, en in de laatste eeuwen het geloof in de wetenschap en het humanisme. Maar, zo stelt hij, die verhalen zijn voor de moderne mens niet geloofwaardig meer. De toekomst zal daarom zijn aan kunstmatige intelligentie en dataflows en utopisch kun je dat niet noemen. 

Dat het utopische het dan moet afleggen heeft wel iets verfrissends. Daarin toont Harari regelmatig de wijde blik die ik graag zie bij een historicus. Hij komt tot relativering van veel zingevingsverhalen, inclusief die van de Joodse traditie waar hij zelf uit afkomstig is en waarvan het Oude Testament een kernelement vormt. Ook daar kan ik grotendeels mee instemmen. 

Maar tegelijkertijd stuit ik bij Harari’s behandeling van dit onderwerp op een blinde vlek die misschien wel vergelijkbaar is met die van Van Rossem. Harari noemt in een – wel zeer bondige – kenschets het oudtestamentische Jodendom “een geloof van tempels, priesters en woeste krijgers”. Dat klopt op zichzelf, maar – hoe bondig je het ook wilt samenvatten – in dat rijtje mogen de profeten niet ontbreken. Harari laat een onderdeel weg dat geen historicus zou mogen missen. 

Het ontbreken van de profeten heeft waarschijnlijk te maken met Harari’s seculiere blik die geen chocola kan maken van visioenen en profetieën. Maar daardoor klopt zijn historische verhaal niet meer helemaal, want dat verhaal is niet te vertellen als je de profeten weglaat. Daar faalt Harari dus als historicus. 

Maar zo bezien gaan mijn bedenkingen tegen Harari nog verder. Want hoewel het debunken van veel zingevingsverhalen voor mij iets verfrissends heeft, vind ik dat hij te ver gaat. Uiteindelijk bestaat ook het werk van een historicus eruit om verhalen te vertellen, met in ieder geval een minimum aan betekenis erin. Door de mensengeschiedenis te reduceren tot het verslag van het Verdwijnen van Alle Verhalen verzaakt hij aan die opdracht.