vrijdag 13 juli 2018

Levinas en René Girard


René Girard is de filosoof van het zondebokmechanisme. Daaronder verstaat hij het verschijnsel dat één mens geslachtofferd wordt als genoegdoening voor de uit de hand gelopen rivaliteiten binnen een collectief. Dat mechanisme is al zo oud als de mensheid, maar Girard heeft het in de twintigste eeuw een plaats gegeven binnen de filosofie. Daarmee komt hij dicht in de buurt van een aantal thema’s van mijn favoriete filosoof Emmanuel Levinas.

In zijn beschrijving van het mechanisme in zijn boek God en geweld start Girard bij wat hij noemt de ‘mimesis’: de neiging van mensen om elkaars gedrag te kopiëren. In feite gaat het daarbij om jaloezie – mensen willen zijn of bezitten wat andere mensen zijn of bezitten.

De mimetische rivaliteit leidt vervolgens tot een bepaalde dynamiek die verschillende stadia doorloopt. De eerste stap is de strijd van allen tegen allen, bijvoorbeeld binnen een stadsgemeenschap. Als die strijd onbeheersbaar gewelddadig wordt kan de tweede stap in werking treden: de strijd van allen tegen allen wordt een strijd van allen tegen één. Die ene wordt fysiek geslachtofferd – meestal betekent dat: vermoord – en die gebeurtenis brengt de rust terug in de stad. Door dit weldadige effect wordt het slachtoffer al snel vergoddelijkt en als steun en toeverlaat aanbeden door de burgers.

Maar om op termijn de rust te kunnen handhaven is voortgaande slachtoffering noodzakelijk, en in die lange-termijn-behoefte blijkt het oorspronkelijke slachtoffer opnieuw een rol te kunnen spelen. Weliswaar is het slachtoffer al dood en heilig verklaard, maar het kan heel goed opnieuw geslachtofferd worden, alleen nu op symbolische wijze. Dat bevalt goed en dat gaat men vervolgens ieder jaar herhalen. De offerrituelen die daarbij horen hebben een verzoenende en kalmerende uitwerking op de stadsbevolking.

Zes jaar later, in zijn boek Wat vanaf het begin der tijden verborgen was, stelt Girard vast dat in de loop van de tijd een verschil zichtbaar wordt in de omgang met het zondebokmechanisme. Waar de heidense mythologieën, zoals die van de Mesopotamiërs, de Egyptenaren en de Grieken, hun geloof in de reinigende werking van het zondebokoffer volhouden zolang hun cultuur bestaat, ontstaat daar in de Hebreeuwse Bijbel twijfel over. Daar duikt geleidelijk aan de gedachte op dat de zondebok wel eens onschuldig zou kunnen zijn, of gepaard gaat met onnodig veel geweld.

Dat is dodelijk voor het effect van het mechanisme, want als maatschappelijk fenomeen werkt het systeem alleen als iedereen het eens is over de zondebok. Het slachtoffer moet dus neergezet kunnen worden als de oorzaak van de huidige ellende. En daar moet iedereen in geloven, inclusief de zondebok, al is het maar omdat hij zich er niet tegen kan verweren. Zodra iemand in staat is om te zeggen: dit is een zondebok, werkt dat mechanisme niet meer voor ons.

En precies dat gebeurt, aldus Girard, in de Hebreeuwse Bijbel. Eén van de plaatsen waar de twijfel over de zondebok opduikt is het boek Job. Als zijn vrienden op hem inpraten en hem proberen te overtuigen dat de ellende waarin hij zich bevindt zijn eigen schuld is, dan weigert Job daarin mee te gaan. Hij laat zich niet gebruiken als zondebok.

Het is, volgens Girard, de verdienste van de Hebreeuwse profeten dat zij het besef omtrent de mogelijke onschuld van de zondebok hebben geïntroduceerd. Zij maken bezwaar tegen deze vorm van sacraliteit die zo dicht tegen geweld aanschurkt. Zij nemen de offerrituelen op de korrel en verkondigen dat het uiteindelijk gaat om individuele en collectieve rechtvaardigheid en om niets anders.

Naar mijn idee lopen veel van Levinas’ opvattingen parallel aan deze denklijnen van Girard. Ook Levinas laat zich inspireren door de profeten en vooral hun gedachte dat niets, geen offers maar ook geen instituten of heersende moraal, jouw persoonlijke verantwoordelijkheid kan vervangen.

Tegelijkertijd is duidelijk dat op een verder punt de wegen van de beide filosofen uit elkaar gaan. Voor Girard is de logische consequentie van de ontwikkeling die hij in de Hebreeuwse Bijbel waarneemt de kruisdood van ‘het lam’ Jezus. Christus drijft op ultieme wijze de spot met het mechanisme van de zondebok, en wel op twee manieren. Enerzijds gelooft ook hij, net als Job, niet in zijn eigen schuld; maar anderzijds neemt hij toch het lijden op zich. Daarmee legt hij in één klap het geweld bloot waarop de religie en de beschaving zijn gegrondvest. Daardoor zal, aldus Girard, het mechanisme van de zondebok niet meer werken en heeft Christus ons allemaal werkelijk verlost van alle geweld dat in naam van het heilige gepleegd wordt.

Dat ‘ons allemaal’ zal Levinas te opdringerig in de oren hebben geklonken. En hij zal erop gewezen hebben dat het zondebokmechanisme met het ontstaan van het Christendom bepaald niet is verdwenen. Het Christendom beschouwde nog eeuwenlang het lijden van Christus als een offerrite, en blijft dat in het misritueel ook systematisch herhalen. Daarnaast zijn gedurende bijna twee millennia Christelijke overheersing de Joden veelvuldig ingezet als zondebok waarop allerlei maatschappelijke onvrede geprojecteerd kon worden.

Door een levinassiaanse bril bekeken moet je zeggen dat Girard wat te vroeg gejuichd heeft en een zekere blindheid vertoont voor het reëel bestaande Christendom en zijn gedroomde moraal.

Zie ook Zondebok (2)

zondag 1 juli 2018

Voetbal, broeklengte en islamisering


Als je die ultrakorte voetbalbroekjes van de jaren zestig en zeventig vergelijkt met de comfortabele lengtes van vandaag de dag, dan is de voetbalkledij toch wel een stuk relaxter geworden. Eerlijk gezegd vond ik die hitserige broekjes er toen al niet uitzien, en het heeft beslist bijgedragen aan mijn desinteresse voor of weerzin tegen alles wat sportief was. Bewegen vond ik altijd wel leuk, maar met ballen was ik onhandig en de lol van het breken van records ken ik niet.

Laatst las ik dat, in weerwil van de seksuele bevrijding die we vanaf de jaren zestig hebben beleefd, de niet-preutsheid van de samenleving niet langer dan een decennium geduurd heeft. De associatie van publiek bloot met nieuw gewonnen vrijheid was gedurende de jaren zeventig zo sterk dat het de afstotende werking ervan overtrof. Maar daarna werd het waarschijnlijk toch als te onrustig beleefd.

In ieder geval ontwikkelde zich vanaf de jaren negentig de sportieve en andere mode weer naar beduidend langere lengtes. Het verwondert me niet, ik denk dat dat rustiger aanvoelt en dat mensen dat, bewust of onbewust, comfortabeler vinden.

Het zou me niets verbazen als die trend gaat doorzetten, mede onder invloed van de opvattingen en gevoelens van Moslims over deze dingen. Maar dan moet het niet zo zonnestekerig heet zijn als met de warme dagen die we nu beleven. Nu tekent zich op straat eerder een scherpe tweedeling af tussen degenen die teruggaan naar de mini-afmetingen van de jaren zeventig en degenen die daar niets van willen weten.

Zie ook Alcohol

zaterdag 23 juni 2018

Liefde en hypocrisie


Soms vind ik Naema Tahir als columnist een beetje simpel. Maar naar aanleiding van het huwelijk van Harry en Meghan sloeg ze de spijker op de kop. De schenkende, of opofferende liefde waarover bisschop Curry zo begeesterd preekte, is mooi, maar de bisschop gaat te ver als hij de opofferende liefde presenteert als “oplossing voor alle problemen in de wereld.”

Ik vond het best moedig ook, van Tahir. Want “zijn toespraak toverde een glimlach op de lippen van menigeen.” Eindelijk weer eens een verschijning die het grote publiek iets meer biedt dan bling-bling-verhalen en materieel nepgeluk en dan ga jij daar direct een vraagteken bij plaatsen?

Wat mij betreft is het van het grootste belang dat vraagteken te durven zetten. Want als model voor sociaal of maatschappelijk handelen is opofferende liefde onbruikbaar. En dat niet alleen, het is gevaarlijk. Die modelmatige opvatting van liefde impliceert namelijk de gedachte dat je opoffering als generiek ideaal kunt poneren en propageren. En vervolgens als iets wenselijks kunt opleggen aan anderen en het tot programma kunt uitroepen. Juist vanwege het enthousiasme dat erbij hoort, is de overgang naar dat soort utopieën snel gemaakt. Inclusief strengheid en veroordeling van wie de idealen niet deelt of er niet aan voldoet. Dan kom je uit bij de hypocrisie van de ‘liefdesgestichten’ van de Zusters van de Goede Herder, die afgelopen weken in het nieuws waren omdat daar van 1860 tot 1973 zeker 15.000 meisjes en vrouwen onbetaald werk moesten verrichten. Of bij de afgedwongen solidariteit van de communistische heilstaat. Zie ook de geschiedenis van de Maatschappij van Weldadigheid in Veenhuizen.

Er is een goede verklaring voor het verschijnsel dat veel goedbedoelde ideologieën van zelfopoffering op zo’n ontluisterende manier in hun tegendeel verkeren. Het idee van zelfopofferende liefde boort diepe verlangens van overgave aan en genereert enthousiasme, zoals zichtbaar in de reacties op de bisschop. Maar het zijn waarschijnlijk precies dat enthousiasme en diepe verlangen die ongeduld en realisatiedrift genereren. En daarmee haast en lichtzinnigheid. En dat resulteert in dwang en hypocrisie, want het onbereikbaar gebleken ideaal moet wel overeind worden gehouden.

De wereld zit ingewikkelder in elkaar dan het simplistische enthousiasme wil weten. Dat enthousiasme, ook al is het voor zoiets als liefde, is dus enigszins wereldvreemd, en als het daar achter komt wordt het gevaarlijk. Want om de veronderstelde maar achterblijvende utopie alsnog te redden moet je steeds meer dwang en leugen in gaan zetten.

Zelfopofferende liefde is beslist een aanstekelijk fenomeen. Maar per saldo is het – op z’n best – mogelijk van belang voor het individu, maar als maatschappelijk model niet te gebruiken; en op z’n slechtst, wanneer het wél wordt ingezet als maatschappelijk model: een bron van hypocrisie en gewelddadigheid.

Jonathan Sacks verwoordt het als volgt: “Liefde, bij uitstek de emotie die vorm geeft aan menselijke banden en die ook nieuw leven voortbrengt, is noch simpel noch universeel goedaardig in haar effecten.” Rechtvaardigheid is minstens zo belangrijk.

Zie ook Een kwestie van volwassenheid en Ongemakkelijke vragen

zaterdag 16 juni 2018

Hoe ga ik hiermee om?


Alarmerend nieuws van het klimaatfront: het verlies aan ijs op Antarctica is in tien jaar verdrievoudigd. Een forse zeespiegelstijging dreigt.

Hoe ga ik om met dat soort nieuws? Vaak dacht ik: dit is een ernstig probleem, maar het zal mijn tijd wel duren. Maar ik begin me te realiseren dat het nog sneller kan gaan dan eerst gedacht, en dat ik er volop mee te maken krijg.

Ik vind het lastig dat ik dit probleem ernstiger neem dan de meeste mensen die ik tegenkom. Wat moet ik zeggen tegen mijn vrienden, kennissen, familie die vliegen de gewoonste zaak van de wereld vinden? En hoe houd ik me staande tegenover al die surrealistische berichten over ‘de noodzaak van een tweede nationale luchthaven’ en voorspellingen over verdubbeling van het aantal vluchten wereldwijd in de komende jaren? De cognitieve dissonantie wordt welhaast ondraaglijk.

Ik kan natuurlijk voordeel behalen uit het feit dat ik zwaarder til aan deze ontwikkeling dan anderen. Het zou mij moeten helpen om te verhuizen van het Westen van het land naar de veiligere hoge zandgronden, vóórdat iedereen dat wil, de huizenprijzen in de Randstad gaan zakken en op de veilige plekken gaan stijgen.

Maar daar moet ik nog even niet aan denken. Ook voor mij is er kennelijk nog meer alarmerend nieuws nodig.

Zie ook Ik heb makkelijk praten

woensdag 6 juni 2018

Nijmegen 2018


Alsof 1968 niet vijftig jaar geleden was, en Nijmegen nog steeds de springlevende hoofdstad van activistisch Nederland. Die indruk hield ik over aan de lezing Levinas, Vulnerability and Responsibility door de Levinas-kenner Robert Bernasconi, maar vooral aan de aansluitende discussie met Anya Topolski, filosoof van de Radboud Universiteit.

Onze verantwoordelijkheid voor de ander, voor álle anderen, voor ál het onrecht in de wereld is eindeloos, en niet te delgen. Op een andere manier kon je Levinas niet lezen, volgens de discussianten op het podium, en daaruit volgde dat je gehouden bent een niet aflatende strijd te voeren tegen de status quo van de gevestigde orde, en voor rechtzetting van onrecht.

Maar, kwam de vraag uit de zaal, kan daar ook niet een grens aan zitten? Je kunt toch soms de grenzen bereiken van wat je kunt dragen aan lijden, en je daar dus, al is het maar tijdelijk, voor af willen sluiten? Al is het maar voor je geestelijke gezondheid?

Nee, was het antwoord van de discussianten op het podium, de theorie van Levinas laat een dergelijk afstand nemen niet toe. Onze verantwoordelijkheid is volgens die theorie oneindig, en die last zullen we in zijn volheid moeten dragen.

Ik vind dit niet zo’n vruchtbare uitleg van Levinas, maar ik moet toegeven dat de meester zelf daar duidelijker in had kunnen zijn. Maar ik geloof niet dat hij ons heeft willen opzadelen met de ondraaglijke kwetsbaarheid waarover Bernasconi en Topolski met enige graagte spraken.

Bovendien zal een Levinas met zoveel ‘moeten’ niet makkelijk aanslaan, denk ik. Dus als hij het wel zo bedoelde dan ben ik zo vrij om dat te schrappen als tamelijk onbruikbaar. Er blijft genoeg waardevols over. Met name de, gelukkig door Bernasconi benadrukte, boodschap – tegen de gangbare cynische filosofie in – dat er zoiets is als ‘aangeslagen zijn door de ander’ en je in je handelen daardoor laten leiden – dat is revolutionair genoeg. Ook voor Nijmegen.

Zie ook Levinas en mei '68 en Levinas zoals ik hem begrijp

donderdag 31 mei 2018

Verontrustend?


Vorige week publiceerde het CBS de resultaten van het onderzoek ‘Sociale Samenhang en Welzijn’.  Daaruit bleek onder andere dat de bevolking behoorlijk vertrouwen heeft in de politie en de rechtspraak (ongeveer 70% heeft dat), laag vertrouwen in de politiek (40%) en nog minder in de journalistiek (32%).

Ik prijs mezelf gelukkig dat ik dat wantrouwen in de journalistiek niet deel, en me met volle hartstocht kan overgeven aan politieke en culturele beschouwingen in NRC en Trouw, en aan de columns van Stevo Akkerman, Caroline de Gruyter, Abdelkader Benali, Luuk van Middelaar en vele anderen.

Welbeschouwd is de score van de journalistiek in de CBS-onderzoek ook helemaal niet zo verontrustend. Dat de kwaliteitspers maar een relatief klein aandeel heeft in de nieuwsconsumptie wisten we allang. Als we ervan uitgaan dat 20% van de Nederlanders kwaliteitskranten leest (ik heb geen idee, maar meer zal het niet zijn), dan waag ik de stelling dat die 20% (dus: 100% van die lezers), net als ik, daarover tevreden is. Je betaalt daar per slot van rekening niet voor niets voor. Laten die media dus vooral blijven doen wat ze doen, want dat is goed en gewaardeerd werk.

Opmerkelijker vind ik uiteindelijk dat het resterende percentage tevreden mediaconsumenten (dat wil zeggen 32 min 20 is 12%) best hoog is. Die 12% heeft dus het volste vertrouwen in de pulp van Metro, GeenStijl, Facebook en Twitter, en dat is wel verontrustend. Maar 88% heeft dat dus niet.

Gelukkig meldt een onderzoek van communicatiebureau Counter Content dat het NOS Journaal, vooral in de persoon van Annechien Steenhuizen, gezien wordt als de meest betrouwbare brenger van nieuws.

Zie ook 59 doden

vrijdag 25 mei 2018

59 doden


Het is 14 mei 2018. Om 20.00 uur staat het aantal door Israël gedode Palestijnen op 59.

Ik ben altijd opgelucht als we op het Journaal dat onderwerp hebben gehad. En dan brengt het Journaal het nog op een relatief uitgebalanceerde manier. Ze vertellen over de waarschuwingen die het Israëlische leger tevoren geeft, over de interpretatie door Israël van plaatsing van explosieven en overschrijding van de grens als vijandelijke handelingen. En vervolgens over het schieten met scherp.

Wat een verschil met bijvoorbeeld het Franse nieuws. In ieder geval met France 2, dat op 14 mei volledig koos voor het Palestijnse perspectief, uitsluitend daar beelden van gaf, met veel oog voor de heroïek achter de brandende banden. Dat zal te maken hebben met de Franse sympathie voor verzet tegen gevestigde belangen, zolang het niet hun eigen belangen zijn.

In de regel is dat met de Nederlandse media die ik tot me neem inderdaad wel beter gesteld; de dilemma’s komen daarin beter uit de verf dan in de Franse. In Trouw kwamen bijvoorbeeld twee internationaal juristen aan het woord die menen dat veel van het gedrag van Israël volgens internationaal recht gewoon geoorloofd is. Zoals het verdedigen van grenzen, het tegenhouden van een dreigende invasie, en zelfs het doelbewust doden van mensen, al ben je gehouden om het aantal dodelijke slachtoffers zoveel mogelijk te beperken. “Het lijkt er niet op dat ze dat hebben gedaan.”

Trouw beperkt zich niet tot de visie die (terecht) alom wordt gehoord: dat de Gazanen, en masse opgesloten als ze zijn op een paar vierkante kilometer, geen menswaardig leven hebben – in de woorden Stevo Akkerman: “die wanhoop in Gaza is reëel en zit diep.” In die zelfde krant toont Monique van Hoogstraten daarnaast ook het dilemma van een kibboetsbewoonster die uitkijkt op de Gazastrook: “Mijn zoon is net uit het leger. Ik zou niet willen dat hij daar moest staan om iemand dood te schieten. Maar aan de andere kant: als ze met een massa doorbreken…dat wil je ook niet.”

Dan blijkt dat over de impact van zo’n doorbraak weldenkende mensen nogal van mening kunnen verschillen, en dat laten de Nederlandse media goed zien. Crescas-columnist Salomon Bouman vraagt zich af: “Was het wel een front in de militaire zin van het woord? Werd Israël werkelijk bedreigd?” De twee juristen die in Trouw aan het woord komen, menen dat een doorbraak op te vangen zou zijn met arrestatie en berechting. En dat de instructie om te schieten met scherp dus buitenproportioneel is.

Omdat ik zelf nog niet voor me zie hoe je een massale doorbraak met arrestaties en berechting kunt pareren, herken ik mijn eigen positie beter bij Van Hoogstraten. Zij stelt, in reactie op de vraag van Hamasleider Yehya Sinwar: “Wat is het probleem als honderdduizenden het grenshek bestormen dat niet eens een staatsgrens is?”, het volgende: “Dat is voor Israël een immens probleem. Het leger grijpt juist zo hard in om te voorkomen dat eerst een kleine groep Palestijnen door het hek breekt, en daarna een massa de grens over zou steken. Wat er dan zou gebeuren is niet te overzien.”

Ten slotte citeert Trouw de Gazaanse politiek analiste Reham Owda als volgt: “Hamas is erin geslaagd de aandacht van de wereld te krijgen voor de Palestijnse zaak. Ze hebben begrepen dat ze niet nog meer mensen konden opofferen.” Het is inderdaad niet menswaardig zo te moeten leven.

Zie ook Er verandert niet veel

vrijdag 11 mei 2018

Wijntje of trijntje


Etnisch profileren is natuurlijk niet goed. Maar ook zo natuurlijk dat het bijna vanzelf gebeurt.

Zo heb ik weleens gelezen dat in de negentiende eeuw een Amsterdamse hoofdcommissaris van politie bepaalde soorten overtredingen koppelde aan bevolkingsgroepen. Hij had vastgesteld dat openbare dronkenschap en andere alcohol-gerelateerde overtredingen over het algemeen een zaak waren van autochtone Amsterdammers. Bij overtredingen op het gebied van prostitutie en zedendelicten waren in meerderheid allochtonen – ofwel, in die tijd: Joden – betrokken.

Ik moest daaraan denken toen ik onlangs in de krant las over Israëlische onderzoekers die met behulp van fruitvliegjes hebben vastgesteld dat alcohol voor dezelfde beloning in de hersenen zorgt als seks. Dus dat alcohol en seks rivaliserende prikkelmiddelen zijn.

De fruitvlieg, schrijven Israëlische biologen in het vakblad Current Biology, beleeft zijn extase tijdens de zaadlozing. Dat konden ze laten zien door de ejaculatie kunstmatig op te wekken. Daarvoor maakten ze gebruik van een bepaald soort rood licht dat de mannetjes-vliegjes op die momenten in opperste staat van geluk bracht, zonder dat er seks aan te pas was gekomen. Ze waren daarna volmaakt tevreden, en hadden nergens meer behoefte aan.

Dat bleek als de vliegjes na blootstelling aan het rode licht zoete drankjes kregen voorgeschoteld, waarvan een deel met alcohol. De seksueel verzadigde vliegjes kozen bijna allemaal voor suikerwater zonder alcohol. De mannetjes daarentegen die op seksuele onthouding waren gezet, zochten hun bevrediging elders. In de drank, met name.

Een beetje zoals Katholieke celibatairen zich vroeger moesten behelpen met een ‘wijntje’ voor het gemis aan een ‘trijntje’. Het zou, afgaand op dit onderzoek, dus goed kunnen kloppen dat de keuze voor een favoriet pepmiddel per bevolkingsgroep en etnische cultuur verschilt. En dat die keuzes tot in de overtredingensfeer terug te zien zijn.


donderdag 3 mei 2018

Een kwestie van volwassenheid


Waarom is het in onze Westerse samenleving toch zo moeilijk geworden om serieus weerwerk te bieden aan een doorgeschoten kapitalisme? Waarom komen we in veel gevallen niet verder dan wat puberaal anarchisme en onmachtige verzetsretoriek?

Die vraag komt in me op nu ik op de Franse televisie alweer maanden lang de beelden zie van stakende machinisten en piloten, van een geweldsorgie op 1 mei in de straten van Parijs, maar vooral van de verbeten verdedigers van een anarchistisch vrijstaatje, door henzelf aangeduid als Zone-à-défendre (ZAD). Het gaat om een gebied van 25 hectare bij het plaatsje Notre-Dame-Des-Landes, dat een jaar of twintig geleden was aangewezen als de locatie voor een nieuw aan te leggen vliegveld, en dat vervolgens is bezet door tegenstanders van het vliegveldplan. Dat plan is nu afgeblazen, maar de bezetters weigeren hun territorium te verlaten, met een beroep op hun autonome en ecologische manier van leven daar. Inmiddels resulteert dit in dagelijkse gevechten tussen de handhavers namens de staat en de activisten, met flink geweld van beide kanten.

Ik vind het er vrij zielig uitzien, maar tot mijn verbazing krijgen de ‘zadisten’ steun uit heel Frankrijk. Van bejaarden tot en met gezinnen met jonge kinderen komen hun sympathie betuigen aan de utopisten, vanwege ‘de manier van samenleven’ die zij praktiseren. Het is duidelijk: hier zijn diepe drijfveren en verlangens in het spel. En een krachtige verzetsromantiek die teruggaat op de Franse Revolutie.

Ik bezie dat alles met verbazing, omdat de onmachtigheid van de utopie zo in het oog springt. Hindermacht hebben de bezetters ongetwijfeld, maar is er ook het vermogen tot een realistisch en constructief alternatief?

Ik ben bang van niet. De eerste, en meest akelige reden voor dat pessimisme is de doordringende almacht van het kapitalisme. Dat is zo alom aanwezig en luidruchtig, dat de enige mogelijkheid van verzet nog slechts lijkt te kunnen bestaan in heel hard terugschreeuwen. Omdat je jouw deel van de koek wilt (de machinisten) of omdat je juist niet mee wilt doen (de zadisten). Misschien lucht het op, maar het zet geen zoden aan de dijk.

De tweede reden, niet minder belangrijk, is dat men het daarbij laat. De verzetscultuur is niet altijd even goed doordacht. Het voedt zich met romantische en utopische ideeën over zuiverheid en onthechting die al gauw krachteloos worden. Die zijn geen partij voor de akelig overweldigende kracht van het kapitalisme.

Het lijkt wel of de zuidelijke helft van Europa (ik denk vooral aan Frankrijk en Italië) van die verzetsromantiek meer last heeft dan de noordelijke. De schrijver Jean Peyrelevade koppelt dat aan de invloed van het Katholicisme in die landen. Een meer nuchtere, zakelijke omgang met geld heeft zich in het Katholicisme volgens hem niet goed kunnen ontwikkelen, omdat geld daar altijd in een kwade reuk heeft gestaan. Het had teveel met het wereldse en te weinig met het hemelse van doen. Geld verdienen was verbonden met schuld, en het vergaren van fortuin met zonde. Dat kon je beter aan vreemden overlaten, bijvoorbeeld Lombarden of Joden. En je vervolgens boos maken over  alles wat met geld te maken heeft.

Volgens Peyrelevade heeft het Protestantisme, dat vooral in de noordelijke helft van Europa succesvol was, die wereldvreemde kantjes afgeslepen van de overgeleverde opvattingen. Voor Protestanten was er niets mis met geld verdienen. In plaats van utopisch verzet tegen alles wat met geld te maken heeft, ontwikkelden zij een meer volwassen omgang met geld en andere wereldse zaken. Verklaart dat misschien dat de verzorgingsstaten in Noord-Europa robuuster zijn dan die in Zuid-Europa?

Zie ook Denken doet ertoe

vrijdag 27 april 2018

Wie verzint zoiets?


Ter gelegenheid van de zeventigste verjaardag van Israël zond Nieuwsuur afgelopen vrijdag een kleine documentaire uit over de Israëlische veiligheidsdiensten. Want die speelden een cruciale rol in dat zeventigjarige bestaan. De documentaire benadrukte dat de Mossad en de Shin Bet – zoals trouwens gebruikelijk voor geheime diensten – geen wetten respecteren, en dat er in totaal 2700 mensen zijn omgebracht door hun acties.

De reportage gaf op zichzelf een adequaat beeld van het functioneren van de veiligheidsdiensten. Daarbij kwamen hoofdzakelijk Israëliërs aan het woord, en zij spraken duidelijk over de dubieuze kanten van het intelligence-werk, met als speciaal aandachtspunt dat Israëlische politici door het succes van de veiligheidsdiensten de neiging kunnen hebben om minder van diplomatieke middelen gebruik te maken.

Ik vond het geen verkeerde reportage. Maar wat me bevreemdde is dat de NPO ervoor kiest om die uitgerekend op Israëls verjaardag te programmeren. Over de geheime operaties van bijvoorbeeld de Verenigde Staten of Frankrijk van de afgelopen zeventig jaar zou je beslist een even lange en indrukwekkende lijst van soortgelijke wetteloze en moorddadige acties kunnen opstellen. Ook daarvan is de relevantie om erover te berichten zonneklaar, maar wie zou het verzinnen om dat uitgerekend op 4 (Independence Day) of 14 juli (Quatorze Juillet) te doen? De impliciete boodschap daarvan kan toch niet anders zijn dan dat die landen geen nationaal feest waard zijn, ja, dat hun bestaan maar dubieus is.

De keuze van de NPO is dus een behoorlijk venijnige, waarschijnlijk voortvloeiend uit verontwaardiging en boosheid over het uitzichtloze conflict tussen de Palestijnen en Israël, dat inderdaad niet los te zien is van de stichting van de staat. Bij die boosheid kan ik me van alles voorstellen, want Israël wekt – zacht gezegd – niet de indruk veel moeite te doen om de relatie met de Palestijnen te verbeteren. De interne verdeeldheid in het Palestijnse kamp speelt daarin een rol, maar Netanjahoe lijkt dat wel best te vinden.

Alle reden dus om kritisch naar Israël te kijken, maar op sommige dagen doe je dat beter niet, zoals 4 mei of Israëls onafhankelijkheidsdag, want dat is een klap in het gezicht van diegenen die hun leven aan dat land te danken hebben. Die zijn er namelijk ook.

Zie ook 4 mei 2012

vrijdag 13 april 2018

Levinas en Nietzsche


Emmanuel Levinas met Friedrich Nietzsche te vergelijken lijkt misschien in eerste instantie zoiets als J.S.Bach te vergelijken met Mick Jagger. Nietzsche staat te boek als een onstuimig type, terwijl Levinas eerder iets heeft van de gezeten Franse burger. Maar die burgerlijke façade verbergt naar mijn overtuiging een zeer revolutionair denken – zoals misschien Bach ook een stuk wilder is dan over het algemeen gedacht wordt. Daarbij heeft Levinas zich voor een deel beslist door Nietzsche laten inspireren.

Voor zover er parallellen te vinden zijn tussen beide filosofen betreft dat aspecten van hun denken die ik bepaald sympathiek vind. Die punten zijn:
- de aandacht voor de lichamelijkheid van de mens
- de aanval op het abstracte denken
- de voorkeur voor doorleefde waarheid
- de liefde voor de volheid van het leven
- een eigensoortig, gelouterd gevoel voor transcendentie.

Onderstaand loop ik ze kort even door, vooral aan de hand van een studie van filosoof en journalist Laurens Verhagen, die werk gemaakt heeft van de vergelijking tussen Levinas en Nietzsche.

Verhagen stelt dat bij Nietzsche levenswaarden in het leven zélf, dus in de zintuiglijke wereld moeten  worden gevonden. Je kunt zeggen, meent hij, dat Nietzsche filosofeert vanuit de lichamelijkheid. Een soortgelijke aandacht neemt Verhagen waar bij Levinas. Letterlijk zegt Verhagen over beiden: “Ze filosoferen met een totale overgave, met hun gehele lichaam”. Ik denk dat hij, voor zover het Levinas betreft, vooral denkt aan diens beschrijvingen in het boek De totaliteit en het Oneindige van de mens als genietend en arbeidend wezen.

Als lichamelijkheid zo’n beetje het tegendeel is van abstract denken, dan ligt het voor de hand dat Nietzsches positie hem in regelrechte aanvaring brengt met de mainstream van de gevestigde filosofische traditie  – vanaf Plato via het Christendom tot aan het tijdloze ego van de modernen. Want daarin wordt een voorkeur gekoesterd voor het abstracte denken. Dat wil zeggen voor een zo onthecht mogelijk en zuiver denken, niet gehinderd door passies, behoeften en lichamelijkheid. Dit zoeken naar abstracte waarheid wordt door Nietzsche benoemd als levensvijandig en nihilistisch.

Zo voelt Levinas dat ook, al zal hij niet zo gauw het Christendom aanvallen, maar eerder het moderne subjectdenken. In feite, zegt Levinas, leidt de almaar abstractere opvatting van mens-zijn in het Westen misschien wel tot bevrijding van het individu, maar ook tot leegte, eenzaamheid en geweld. De filosoof Carl Cederberg zegt het zo: “For Nietzsche, as well as for Levinas, philosophy is critique, a critique that is ultimately not for the sake of the philosophising ego, but for something other. Nietzsche names this other ‘life’; for Levinas, this critique points towards a concern for the neighbour”.

Het gaat Nietzsche dus eigenlijk ook nog steeds om waarheid, maar het moet wat hem betreft voortaan gaan om een meer concrete, doorleefde en doorvoelde waarheid, als tegenovergesteld aan de traditionele abstracte waarheid. Waar velen Nietzsches afwijzing van de traditionele waarheidsqueeste alleen maar konden zien als heiligschennis, tonen de enkele woorden in Humanisme van de andere mens die Levinas aan Nietzsche heeft gewijd een verrassend positieve strekking. Levinas heeft het daar over “een nietzscheaans woord, een profetisch woord, zonder statuut in het zijn, maar ook zonder willekeur, want voortgekomen uit eerlijkheid, dat wil zeggen uit pure verantwoordelijkheid voor de ander”. Dit is te begrijpen vanuit de waardering die Levinas kan opbrengen voor de waarachtigheid en eerlijkheid waarmee Nietzsche zijn woorden verkondigt. Verhagen zegt daarover: “We noemen Levinas en Nietzsche beide moralisten, in de meest brede zin: ze laten zien hoe men moet handelen om een waarachtig leven te hebben”.

Nietzsche verlangt naar de volheid van het leven. Zijn weerzin tegen het cerebrale karakter van veel Westerse filosofie komt voort uit zijn overtuiging dat het abstracte denken de inhoud uit het leven wegzuigt. Daarom noemt hij het levensvijandig. Wat overblijft is een bloedeloos karkas, een nihilisme waarvan de waarden niet in het leven zelf liggen. Behalve armetierig leven levert dat, volgens Nietzsche, ook een armetierige moraal op. Hij spreekt met betrekking tot het Christendom dan ook van een ‘slavenmoraal’ die het moet hebben van zelfopoffering en dienstbaarheid. Daartegenover stelt Nietzsche de noodzaak van het verlangen naar een, ook materieel gezien, vol leven. Een zekere mate van egoïsme is daarvoor beslist vereist, en dus goed.

Als het daarover gaat citeert Levinas Nietzsche met instemming, namelijk uit Also sprach Zarathustra: “Ik houd van degene wiens ziel overvol is, zodat hij zichzelf vergeet en alle dingen in hem zijn: aldus worden alle dingen zijn ondergang”. Immers, zegt Verhagen, de nietzscheaanse mens stroomt over van levenskrachten; het leven is schenken geworden. Dat sluit aan bij wat Levinas zegt over de volheid van leven, als enige bron van waaruit gastvrijheid aan de andere mens kan worden geboden. Verhagen: “Verantwoordelijkheid is nooit los te zien van het egoïstische ik dat bezit en iets te schenken heeft”.

Tenslotte is er de transcendentie bij Nietzsche. Het zou kunnen lijken alsof Nietzsche korte metten maakt met alle transcendentie. Hij stelt zich te weer tegen allesoverstijgende, maar daardoor bleke en abstracte eeuwige waarheden. Maar daarmee bant hij niet alle transcendentie uit, alleen is voor hem die overstijgendheid gelegen in het ongrijpbaar korte maar volle moment van het heden. Dat moment opent voor hem het perspectief op de oneindigheid. Met niet zozeer de nadruk op een oneindig zijn of wezen, maar op een oneindig worden. Daar kan het gebeuren dat je boven jezelf uitstijgt. Want in het heden, zo laat Nietzsche zien, ontmoeten we het oneindig verre andere dat we niet zomaar binnen onze kaders kunnen halen.

Wat Verhagen zegt over de transcendentie bij Nietzsche, kan met een kleine aanpassing ook gezegd worden voor Levinas. Beiden wijzen als plaats voor het optreden van het transcendente de ondeelbaar kleine ruimte aan van het heden: de ongrijpbare, maar overvolle split second. Daarin, zegt Verhagen, ontmoeten we volgens Nietzsche én Levinas,  het oneindige andere. Alleen, bij Levinas krijgt dat andere de gedaante van de Ander die we niet zomaar in door ons bedachte schema’s kunnen stoppen.

Tot slot moet ik het nog even hebben over wat me niet aanstaat bij Nietzsche. Een unheimisch aspect is dat bij hem de mens als het ware de nieuwe god geworden is. De door hem gedroomde mens die boven zichzelf uitstijgt krijgt een ongezond aureool, en wordt door Nietzsche aangeduid als de ‘Übermensch’. Dat spreekt me niet aan, ook door wat anderen daar vervolgens mee gedaan hebben. Dit onderdeel van Nietzsches denken is bijvoorbeeld misbruikt door de nazi’s die er een stimulans in ontdekten voor hun idee van het onderscheid tussen Herrenvolken en Slavenvolken, met het Duitse volk als ras van supermensen. Maar is ook niet een verder fatsoenlijke filosoof als Sartre, die de menselijke autonomie verabsoluteert, daarin geïnspireerd door Nietzsche?

Op dit punt biedt Levinas tegenwicht. Want zo is het bij Levinas beslist niet: de transcendentie komt bij hem niet van de kant van het zelf, maar per definitie van de kant van het niet-ik.

Maar om daar uit te komen moet Levinas wel dezelfde vijand bestrijden als Nietzsche: de vijand van de op een voetstuk gezette denkende mens. Levinas kan daarbij steunen op, volgens Cederberg, het ‘nietzscheaanse woord’ dat, jeugdig en authentiek als het is, door het dode hout van de traditie snijdt. Levinas, vervolgens, “uses youth as a way of framing the very promise of critique, of philosophy”, aldus Cederberg.

Zie ook Bijna, en In je hoofd