donderdag 26 maart 2020

Nationaal zelfbeeld


Zo’n tijd als we nu meemaken nodigt uit tot het vellen van oordelen over onszelf en onze reacties op de coronabedreiging. Die oordelen kunnen heel verschillend uitvallen. We zouden zo’n prettig nuchter volk zijn, of juist overdreven gealarmeerd – zie de hamsteraars. We zouden op een gezonde manier eigenzinnig zijn (vooral Amsterdammers), of asociaal ongedisciplineerd, of dat alles tegelijkertijd.

Van al die typeringen herken ik wel iets, dus ik ben er niet echt door verrast. Ik denk ook dat ieder land een mix heeft van die uiteenlopende reacties, en dat per saldo landen in hun gedrag best veel op elkaar lijken.

Maar juist daarom was ik toch verrast om Nederland genoemd te zien in één adem met Engeland en Amerika. Als het gaat om de maatregelen tegen het virus zegt de Vlaamse hoogleraar Paul Verhaeghe: “Ook zeer opvallend is dat bepaalde landen uitdrukkelijk achterblijven en andere keuzes maken: de VS, het VK en Nederland. Zou het toeval zijn dat net deze landen de neoliberale ideologie het hoogst in hun vaandel voeren? De onzichtbare hand waar ze nu op hopen, heet ‘herd immunity’ (natuurlijk in het Engels, dé taal van het neoliberalisme), als schaamlapje voor het klassieke ‘laissez-faire’: niks doen, ‘de’ economie zou eronder lijden, het waait wel over.”

Zo kun je kennelijk ook tegen ons land aankijken: als volledig in de greep van neoliberalisme en marktideologie. Maar zo beleef ik het zelf toch niet. Het is waar, vanaf midden jaren negentig waaide hier een neoliberale wind, maar dat gold voor meer continentale Europese landen. En het is ook waar dat we al tien jaar een VVD-geleid kabinet hebben met een premier die de tijdgeest soms niet helemaal aanvoelt als het over Europa of belastingen gaat.

Maar hij laat zich op die terreinen ook terugfluiten, en hij en zijn VVD nemen de laatste tijd woorden in de mond zoals ‘volkshuisvesting’ en ‘ziektekostenverzekering voor iedereen’ die we allemaal nog kennen van de bloeitijd van de verzorgingsstaat. Dat maakt verbinding mogelijk met meer links gerichte stromingen. Los daarvan: er klinkt een soort basisvertrouwen in door, van burgers die mogen rekenen op de overheid. En omgekeerd, zoals blijkt uit het beroep op ons gezond verstand tijdens de crisis, van de overheid op de burgers. Dit is echt het VK of de VS niet.

Verder zijn inmiddels de antivirusmaatregelen bij ons zo opgevoerd dat het verschil met bijvoorbeeld België en Frankrijk niet zo groot meer is.

Zie ook Adrenaline

vrijdag 20 maart 2020

Curieuze mix


Altijd weer als ik Hannah Arendt lees treft me in haar opvattingen een eigensoortige mengeling van klassieke Duitsheid en Joodse inspiratie.

Op dit moment lees ik teksten van Arendt over vluchtelingen en mensenrechten. Daarin ruist je aan de ene kant de verhevenheid tegemoet van het klassieke Duitse Bildungsideaal dat rechtstreeks afkomstig lijkt te zijn van Goethe en Von Humboldt. Ook als het over vluchtelingen gaat, of misschien wel juist dan, meent Arendt dat de mogelijkheid om te handelen gegarandeerd moet zijn, en daaronder verstaat zij dat de mens “zichzelf kan openbaren door uiting te geven aan zijn kwaliteiten, talenten en tekortkomingen” ten overstaan van andere mensen. Door te handelen onderscheidt een mens zich van anderen, het is “the disclosure of the agent in speech and action”. Pas dan doet hij ertoe.

Primair denkt Arendt daarbij aan politiek handelen, maar het kan breder opgevat worden. Dat moet ook wel als het om vluchtelingen gaat zonder politieke rechten, dus dan geldt de omschrijving: overal waar mensen met elkaar bezig zijn hun samenleven vorm te geven handelen zij. En dat gebeurt ook in een azielzoekerscentrum.

Nu is in heel Arendts oeuvre het handelen een centraal thema, dus langs die weg is het begrijpelijk dat zij de mogelijkheid tot handelen beschouwt als een mensenrecht, misschien nog wel basaler dan bed, bad en brood. Ze stelt dat een leven zonder handelen onmenselijk is. Niettemin, door de gebruikte woorden waan je je even in Weimar in plaats van in Ter Apel.

Daar staat tegenover dat Arendt in deze zaken op een on-Duitse manier pragmatisch is. Ze grijpt in haar betoog op geen enkel moment terug op metafysica, op eeuwige essenties of onwankelbare fundamenten. Daar is ze wars van, ze vraagt zich simpelweg af: wat hebben vluchtelingen het hardste nodig. Niet op grond van een metafysisch waardenstelsel, maar op grond van wat het betekent om mens te zijn. Zo komt ze bij handelen uit.

Nog duidelijker Joods geïnspireerd vind ik Arendts nadruk op het belang van het deel uitmaken van een overzichtelijke gemeenschap waarin jij en jouw stem ertoe doen. Handelen doe je namelijk, aldus Arendt, nooit in je eentje. Pas als onderdeel van een gemeenschap bevindt een mens zich in een situatie waarin hij zich als handelend en politiek wezen kan onderscheiden.

Politiek gezien was dat voor Joden gedurende grote periodes in de geschiedenis niet weggelegd. Zij stonden veelal buiten de samenleving waar politiek gehandeld werd. Maar die situatie maakte dat het belang van gemeenschap scherp in het Joodse bewustzijn werd gegrifd.

In de eerste plaats doordat ze als Joden hun eigen gemeenschappen konden blijven vormen waaraan ze gezamenlijk gestalte gaven. Op die manier garandeerden zij voor zichzelf de ruimte voor het mensenrecht ‘handelen’.

In de tweede plaats doordat ze als buitengeslotenen het belang op waarde wisten te schatten van deelname aan de omringende burgerlijke samenleving, misschien wel beter dan veel niet-Joodse burgers. Niet voor niets gingen Joden, toen rond 1800 overal de gettomuren werden afgebroken, gretig deelnemen aan die samenleving.

Om die redenen noem ik Arendts speciale aandacht voor het aspect van de gemeenschap een Joodse invloed. Aandacht daarvoor past, voor zover ik weet, niet gemakkelijk in de Bildungstraditie waar Arendt voor het overige veel uit put. De Duitse idealisten waren toch vooral vol van zelfontplooiing en artistieke ontwikkeling volgens het model van de Renaissance-mens.

Al met al een curieuze mix.

Zie ook Hardnekkig dualisme

donderdag 12 maart 2020

Behapbare aantallen


Hopelijk is het coronavirus van tijdelijke aard. Dan nog kan het knap gevaarlijk zijn en veel schade aanrichten. Maar het zal een keer klaar zijn.

Dat kun je waarschijnlijk niet zeggen van het vluchtelingenprobleem. Aan de Turks/Griekse grens is dat op dit moment acuut, maar daarnaast is het niet aflatend actueel in het hele Middellandse Zeegebied, in Afrika en veel andere gebieden van de wereld.

Om dat probleem voor mezelf behapbaar te maken, wil ik het in dat verband over aantallen kunnen hebben. Dan bedoel ik bijvoorbeeld: aantallen van mensen die er het slechtst aan toe zijn, of aantallen die wij in redelijkheid zouden kunnen opvangen.

Het venijn van die wens zit in de implicaties ervan. Dat betekent immers per definitie dat niet meer, over de hele linie, compassie leidend is. Je gaat dan onderscheid maken tussen vluchtelingen die het erg of minder erg hebben. Die laatste laat je buiten beschouwing. Weg compassie.

En je kijkt naar wat je aankunt. Voor hoeveel mensen hebben we capaciteit? Wel zo realistisch maar jammer voor wie daar buiten valt.

Die inperking van de compassie zal de reden zijn dat in sommige kringen het praten over aantallen hulpbehoevenden als ongepast wordt gezien. Zijn het er een miljoen? Dan zijn het er een miljoen! Iedereen moet geholpen worden, punt uit. Daar passen geen overwegingen van uitvoerbaarheid.

Deze categorische opstelling wordt, behalve door het ideaal van compassie, mede gelegitimeerd door zeventig jaar mensenrechten-denken. Dat is primair een juridisch denken in termen van absolute menselijke rechten, en dat houdt zich per definitie niet met uitvoerbaarheid bezig. De voorzichtigheid in het spreken over aantallen komt ongetwijfeld ook daar vandaan.

Maar die voorzichtigheid helpt ons niet bij de creatie van draagvlak voor opvang van vluchtelingen. Als alleen de optie van totale compassie voor alle vluchtelingen openstaat wordt het gauw een keuze tussen alles of niets, en dan wordt het voorspelbaar niets.

Wat betekent dat concreet? Onder meer dat ik geen petitie zal ondertekenen waarin opgeroepen wordt tot opvang van een miljoen vluchtelingen. Ik denk eerder in aantallen van tienduizenden.

En het betekent dat ik graag het initiatief van de stad Leiden zou ondersteunen. Vorige week donderdagavond was Leiden de eerste stad die een concreet opvangaanbod deed voor 25 kinderen in reactie op de Griekse noodoproep om 2500 alleen reizende kinderen die vastzitten in opvangkampen elders in Europa te herplaatsen. Het idee achter het Leidse aanbod is dat als genoeg Nederlandse steden hulp aanbieden om samen vijfhonderd tieners op te nemen, de regering wel overstag moet gaan om dat toe te staan.

2500, 500, 25, dat zijn behapbare aantallen. Burgemeester Lenferink van Leiden schuwt zulke calculerende termen niet: “De aantallen zijn ook heel overzichtelijk. Als Nederland vijfhonderd kinderen opneemt die zonder volwassenen reizen, dan beginnen wij met 25. Dat kunnen we aan”.

Inmiddels heeft premier Rutte, in zijn ‘heerlijke volkse spontaniteit’, al laten weten dat daar geen sprake van kan zijn. Maar Lenferink geeft niet op: „Het gaat om een relatief klein aantal jonge vluchtelingen. Dat moeten we met elkaar kunnen oplossen. Het zou zeer betreurenswaardig zijn als het kabinet daartoe niet bereid is”. En ronduit beschamend.

Zie ook Mensenrechten, pragmatisch bekeken en Met universele waarden kom je niet ver

vrijdag 6 maart 2020

Aalst


Een interessant commentaar, deze keer, van Esther Voet in het Nieuw Israëlitisch Weekblad. Het was gesteld in de vorm van een open brief aan Geert Wilders en Thierry Baudet.

Voet spreekt hen aan op hun zwijgen over de antisemitische karikaturen op de carnavalswagens van Aalst. Maar vooral op hun zwijgen over de enthousiaste verdediging van die karikaturen door hun achterban en geestverwanten. “En verschuil je niet achter hun vrijheid van meningsuiting, want jullie hadden, gebruikmakend van diezelfde vrijheid, ook je walging kunnen uitspreken.”

Wellicht is het wat naïef van Voet om steun te verwachten uit die hoek. Wilders en Baudet hebben al lang laten zien geen enkele principiële moeite te hebben met discriminatie en haatzaaien. En ook dat ze dat vooral opportunistisch inzetten, meestal tegen Turken en Marokkanen, maar waarom ook niet tegenover Joden?

Ik vraag me regelmatig af wat de betekenis is van de term ‘Joods-Christelijk’ die Wilders en Baudet zo graag gebruiken. Er moet bijna wel een strijdigheid zijn met de zuiverheid van eigen volk en beschaving die zij bepleiten, van vreemde smetten vrij. Het zou best kunnen dat hun gehechtheid aan die term voortkomt uit een diepe bewondering voor de etnische staat Israël, en zijn militaire en economische kracht. Als het daarentegen gaat om multicultureel Nederland zijn ze snel bereid om de Joden – van vreemde herkomst immers – te laten vallen.

Het is jammer, en een beetje potsierlijk, dat Voet haar commentaar afsluit met het dreigement in de trant van ‘Pas maar op, want wij Joden zijn zo slim!’.

Ten eerste is dat niet waar. Net zoals we niet allemaal rijk zijn, zijn we beslist niet allemaal slim. Ik erger me bijvoorbeeld regelmatig aan Israëlische leeghoofden die zeggen niet zelf te hoeven nadenken, omdat ze achter de sterke man Bibi aan kunnen lopen, want “wat Bibi doet is altijd goed.”

Ten tweede zij wij in Nederland met zo weinig dat de opportunisten Wilders en Baudet met ons geen rekening hoeven te houden als ze dat ineens niet meer willen.


donderdag 27 februari 2020

Waarschuwing


Ja lieve lezer, het spijt me het te moeten zeggen, maar ook op deze weblog krijgt u nepnieuws voorgeschoteld. En wel in de linkerkolom onder de rubriek “Pageviews afgelopen 30 dagen”.

Tot twee maanden geleden schommelden de daar vermelde aantallen redelijk stabiel rond de 1300, met een licht stijgende tendens. Maar sinds het begin van het jaar kwamen ze in een groeispurt, en inmiddels is de grens van 6000 pageviews overschreden.

Die cijfers worden geleverd door Blogger als je de rubriek Pageviews installeert op je blog. Voor een nadere specificatie daarvan kan ik terecht onder het tabblad Statistieken en dan krijg ik de volgende informatie over de afgelopen 30 dagen.



Die aantallen slaan natuurlijk nergens op, want ik geloof niet dat iemand in een van die buitenlanden geïnteresseerd is in mijn Nederlandstalige blogberichten. Kortom: fakenews, en de vaststelling dat trollen niet alleen in Rusland rondlopen.

Als wél betrouwbaar beschouw ik de cijfers van Google Analytics, al is het maar omdat ze lager zijn en meebewegen met de aantallen reacties die ik krijg op mijn blogberichten. Echt onderzoek heb ik er niet naar gedaan, maar bij gebrek aan beter neem ik die cijfers serieus. Voor hetzelfde tijdvak van de afgelopen 30 dagen zien die er als volgt uit:




Het aantal van 1300 pageviews per maand gedurende 2019 was dus al geflatteerd, in werkelijkheid moet het ongeveer de helft geweest zijn. En waarschijnlijk zal dat ook het gemiddelde aantal worden voor 2020. Vanaf volgende week zal ik dan ook bij de rubriek de melding plaatsen dat het weergegeven aantal door tien, of misschien wel meer, moet worden gedeeld.

Zie ook Nep

vrijdag 21 februari 2020

Hollandse jongen


Comedian Raoul Heertje is voor honderd procent Asjkenazisch Joods, zo blijkt uit een DNA-test die hij heeft laten afnemen.

Daarnaast is Heertje een oprechte Hollandse jongen, blijkens de authentieke verbijstering die hem overvalt bij allerlei confrontaties in Israël. Bijvoorbeeld als hij spreekt met een aan Israël toegewijde Druze die zich verraden voelt door de ‘Joodse natiestaat’-wet, of als hij een schijnproces meemaakt in de militaire rechtbank op de Westbank.

Dit alles komt langs in de documentaire Het Israel van Heertje en Bromet. De verbijstering waarmee Heertje worstelt welt spontaan op en komt zichtbaar van heel diep. Hij heeft duidelijk de normen geïnternaliseerd zoals wij die koesteren in onze bijna perfecte West-Europese rechtsstaat. Vanzelfsprekend schud je dan je hoofd bij zoveel Israëlische onrechtsstatelijkheid.

Er zijn genoeg momenten in de documentaire waarop hij begrip toont voor checkpoints en de afscheidingsmuur en andere discriminerende veiligheidsmaatregelen. “Dat is niet voor niets, hè” zegt Heertje dan, verwijzend naar de voorheen frequente terroristische aanvallen die dood en verderf zaaiden.

Maar de grondtoon van de film is verontwaardiging. Misschien moet je zeggen: gelukkig de Hollandse jongen die zijn leven lang niet anders gekend heeft dan West-Europese vrede, welvaart en rechtsstaat. En die oprecht van slag kan raken van systematisch onrecht en discriminatie. Dat geldt eigenlijk ook voor mezelf.

Maar zo rechtlijnig simpel ligt het voor Heertje toch niet, zo blijkt uit de laatste aflevering. Heertje worstelt niet alleen met praktijken waar je gemakkelijk helemaal tegen of voor kunt zijn. Hij heeft ook een geschiedenis op zijn nek – van uitgemoorde familie en ondergedoken ouders. En daar ben je minder snel mee klaar dan met heldere ideeën.

Zie ook Schuiven


vrijdag 7 februari 2020

Arendt en Beethoven


‘Alle Menschen werden Brüder’, dat hoor je regelmatig in dit Beethovenjaar. Niks ten nadele van de geniale muziek van Beethoven, maar de tekst van Friedrich Schiller klonk de filosoof Hannah Arendt wat vals in de oren. “Het zou geen teken van menselijkheid geweest zijn als een Duitser en een Jood tijdens het Derde Rijk over hun onderlinge relatie zouden hebben gezegd: ‘Zijn wij niet allebei mensen?’ Op die manier zouden ze alleen maar op de vlucht geslagen zijn voor de werkelijkheid en de wereld, die ze op dat ogenblik deelden”, zo stelt zij in haar lezing Over menselijkheid in donkere tijden: gedachten over Lessing. Met het uitroepen van broederschap kun je ook iets te snel zijn, zo stelt ze vast.

Als ik iets mooi vind aan Hannah Arendt is het haar realiteitszin. Naast haar liefde voor de wereld en haar hoop voor de mensheid – noem het maar: haar spirituele neigingen – houdt zij niet aflatend in de gaten wat de netto opbrengsten zijn van die spirituele impulsen. Welke bijdrage leveren ze wérkelijk aan de vooruitgang van ons samenleven?

Arendt snapt de vervoering wel die mensen ervaren bij de achttiende-eeuwse ideeën van wereldwijde broederschap en universele mensenrechten. Maar ze wijst erop dat deze ideeën een compensatiekarakter hebben. Ze zijn ontstaan in de achttiende eeuw en dat is goed te begrijpen omdat op dat moment het materialistische wereldbeeld in Europa overal terrein wint. Onder invloed van de wetenschappelijke tijdgeest zijn ‘zakelijkheid’ en ‘objectiviteit’ de trefwoorden. Wat erbij inschiet is de tot dan toe gedeelde wereld van Christelijke waarden en normen. Mensen verleren daardoor het onderlinge gesprek over wat werkelijk van waarde is, en verliezen zo, met al hun objectiviteit en zakelijkheid, hun werkelijke relatie met de wereld.

Dat is onleefbaar, en schreeuwde om compensatie. Zo lag het voor de hand, aldus Arendt,  dat men ging zoeken naar een nieuwe gemeenschappelijke noemer. Die meende men te vinden in een universele menselijke natuur, waarbij sommigen het accent legden op een bij alle mensen gelijke rede (rationalisme) en anderen op een door alle mensen gedeeld vermogen tot medelijden (sentimentalisme).

Arendt: “Het rationalisme en sentimentalisme van de achttiende eeuw zijn slechts twee kanten van dezelfde medaille, en allebei kunnen ze tot dweperige overdrijving leiden, waarin men zich met alle mensen broederlijk verbonden voelt. In elk geval waren dit rationalisme en sentimentalisme slechts het innerlijke, in het onzichtbare gelokaliseerde vervangmiddel voor het verlies van een gemeenschappelijke, zichtbare wereld”.

Dus, zegt ze – en hier spreekt haar realiteitszin – daar moet je mee oppassen. Voordat je het weet verworden ‘gedeelde menselijkheid’ en ‘broederschap’ tot holle frasen. Haar eigen ervaringen zijn niet vreemd aan deze gedachte. Toen zij zelf op de vlucht moest voor de nazi’s, konden alleen particuliere, nationale burgerrechten haar beschermen, maar die had ze niet meer. De veelgeprezen mensenrechten bleken van nul en gener waarde en daarom blijft het wat haar betreft zaak om zo goed mogelijk “weerstand te bieden aan de ijselijke ‘werkelijkheidloosheid’ van universele broederschap”.

Ze heeft daarom meer met vriendschap dan met broederschap. En dan bedoelt ze met vriendschap niet de verheven versmelting van twee zielen, want dat zou haar opnieuw te spiritueel zijn. Vriendschap formeert zich tussen mensen altijd door betrokkenheid op een zichtbare, gedeelde wereld waarin fysieke bescherming telt, en minstens zozeer: tolerantie voor de verschillende of juist gelijkgestemde manieren van in de wereld staan. Daar waar meningen uitgewisseld mogen worden kan vriendschap zich ontwikkelen, en die biedt meer menselijkheid dan abstracte, universele van de wereld losgemaakte concepten, zoals broederschap.

Nou ja, de muziek is gelukkig van Beethoven.

Zie ook Levinas zoals ik hem begrijp

donderdag 30 januari 2020

Mark Rutte, historicus


Mark Rutte is historicus van opleiding, en misschien heeft dat wel een rol gespeeld in de beslissing van het kabinet om excuses aan te bieden aan slachtoffers van de Holocaust voor het optreden van de overheid tijdens de oorlog. Volgens de berichten komt het initiatief daarvoor mede van premier Rutte. Hier heeft het oog voor de actuele belangen die hij als premier dagelijks moet afwegen even plaats gemaakt voor wat over de lange termijn bezien van historisch gewicht blijkt te zijn en om die reden aandacht verdient.

Als het gaat om andere beleidsterreinen vraag ik me regelmatig af of Rutte zich niet wat méér al historicus kan opstellen. Daarmee doel ik niet per se op zijn allergie voor wat hij ‘visie’ noemt, want misschien komt die weerzin wel voort uit een zekere reserve tegenover maatschappelijke blauwdrukken en geloof in de maakbaarheid van de samenleving. Dat lijkt me heel gepast voor een historicus.

Ik doel eerder op de vraag of Rutte ons tijdgewricht wel goed aanvoelt. Staat hij voldoende open voor de suggestie dat het weleens afgelopen kan zijn met veel business as usual? Laat hij de gedachte toe dat lage belastingen en groeiende consumentenbestedingen niet meer de toverformules zijn die het voor hem altijd waren? Ik vind dat een historicus dat soort serieuze trendbreuken moet kunnen onderkennen.

Maar soms lijkt dat de premier moeilijk af te gaan. Tegen de maatschappelijke trend in om het belang van belastingheffing te herwaarderen (denk aan de recente oproep van 125 topmiljardairs in die richting) hield Rutte verbijsterend lang vast aan zijn wens tot afschaffing van de dividendbelasting. Over de noodzaak van een krachtiger Europa hield hij vorig jaar een rede, maar betekent dat een echte koerswijziging? En dat het klimaat vraagt om fundamentele heroriëntatie heb ik de premier nog niet duidelijk horen zeggen. De uitspraak ‘Niet alles kan’ kwam van Remkes toen hij het Stikstofrapport uitbracht, niet van Rutte.

Rutte beweegt wel, maar komt het op tijd? Ik weet het niet. Hij zou zich met meer beweging waarschijnlijk ook niet populair maken. Zo wint de politicus het van de historicus.

Zie ook Geen visie en Huiskamergevoel

vrijdag 24 januari 2020

Levinas en Ayn Rand


Een grotere tegenstelling dan tussen de filosofen Emmanuel Levinas en Ayn Rand is moeilijk voorstelbaar. Ook al zijn ze allebei Joods, leeftijdgenoten, afkomstig uit grofweg hetzelfde gebied (respectievelijk Litouwen en Rusland), en hebben ze geleden onder dezelfde politieke regimes (tot 1917 de tsaar, daarna de bolsjewieken).

De tegenstelling tussen de twee beleef ik primair op gevoelsniveau. Bij de een (Levinas) voel ik me veilig, bij de ander (Rand) niet, en dat wil ik uitleggen. Maar voordat ik daarop inga moet ik eerst iets vertellen over dat gevoel van (on)veiligheid dat mij kan overvallen bij het bestuderen van filosofen.

Bij veel filosofen uit de westerse canon die ik lees krijg ik vroeg of laat een gevoel van onveiligheid. Dat heeft er dan mee te maken dat ik ze te rationeel vind, of te dogmatisch of te weinig doorleefd. En die tekorten vloeien vaak samen in een basistekort dat ik aantref in hun werken, namelijk een onvermogen om het waagstuk van oprecht menselijk contact te duiden. Daarvoor moet je namelijk een plaats geven aan de fundamentele verschillen die er bestaan tussen mensen, en aan het idee van radicale andersheid. En de westerse filosofie, met haar nadruk op overkoepeling en universalisme, heeft daar moeite mee.

Omdat daardoor bij veel filosofen het thema van intermenselijk contact er bekaaid vanaf komt, mis ik iets. Ik voel me onveilig, want authentieke communicatie is wat mij betreft een levensvoorwaarde.

Maar meestal kost het wat tijd voordat ik, al lezende in een filosoof, dat tekort gewaarword. Want in de meeste gevallen zijn dan allerlei sociale en ethische aspecten van het mens-zijn al op een aardige manier aan bod gekomen, en vergt het wat doordenking van mijn kant om vast te stellen dat ze de kern niet raken, en dat ik ze als gids niet helemaal betrouwbaar vind.

Bij de schrijver en filosoof Ayn Rand kost het me nauwelijks tijd om dat punt te bereiken. Waar je ook begint in haar oeuvre, de rücksichtloosheid van haar opvattingen over de mens en menselijk contact spatten direct van de bladzijden. Zo noemt zij altruïsme een ‘unspeakable evil’, en zelfzuchtigheid een primaire morele verplichting. “De essentie van mijn filosofie”, zegt ze, “is de opvatting van de mens als een heroïsch wezen, met zijn eigen geluk als het morele doel van zijn leven, met productieve prestaties als zijn meest nobele activiteit, en de rede als zijn enige absolute leidraad”.

Een patroon dat ik kan aanwijzen in de momenten van onveiligheid bij Rand is dat ze allemaal teruggaan op haar nadruk op eenduidigheid en tegenspraakloosheid. In haar vragen en antwoorden stelt ze op een gegeven moment: “Contradictions do not exist. So what happens in a mind holding a contradiction? Mental deterioration”. Die radicale blikvernauwing vind ik terug in bijvoorbeeld haar onvermogen om altruïsme náást egoïsme te denken, of kapitalisme náást overheidsingrijpen, of de vermenging van het mannelijke met het vrouwelijke.

Misschien zou ik ook wel willen, net als zij, dat de werkelijkheid minder vol van tegenstellingen was. Maar gegeven de meerduidige werkelijkheid zoals die is, vind ik denkers die dat serieus nemen geloofwaardiger, dus veiliger.

Levinas doet dat bij uitstek. Wat mij altijd bijzonder aangesproken heeft in zijn werken (helaas niet meer in zijn latere werk) is juist de delicate naast-elkaar-stelling van egoïsme en altruïsme.

Ik vind het enerzijds een verademing om bij Levinas een legitieme plaats tegen te komen voor het ego. In veel traditionele Christelijke en kantiaanse moraalfilosofie komt het ego er bekaaid vanaf, en ligt de nadruk op plichtsbesef. Bij Levinas krijgt het ego het volle pond.

Maar anderzijds – en vooral: tegelijkertijd – met al zijn aandacht voor het ego, staat Levinas vooral bekend als ‘de filosoof van de ander’. De plaats van de ander bij Levinas heeft een eigen kleur. Het is die van de verrassing die inbreekt in het regime van het ego, maar altijd tijdelijk, zodat daarna het ego weer de overhand heeft. Waarna de ander weer inbreekt, enzovoorts, zodat er een voortdurende wisselwerking is en afwisselende dominantie van het ik en de ander. Het gaat hier om ongerijmdheid en meerduidigheid bij uitstek, een situatie dus die niet meer volledig met de rede is te managen.

Voor Rand zou dat laatste al direct reden zijn om Levinas af te serveren: “Op het moment dat je tot de conclusie komt dat iemand een mysticus is (dat wil zeggen dat een deel van zijn filosofie volgens zijn eigen verklaring niet aan rede onderhevig is of voorbij rede is), heeft hij je de moeite bespaard om nog een seconde langer naar hem te luisteren”.

Voor mij is die meerduidigheid juist een blijk van een meer adequate werkelijkheidsopvatting. En dat voelt veiliger.

Zie ook Levinas en egoïsme en De valkuil van de universaliserende rede

vrijdag 10 januari 2020

Oorlog of de ander


Moet er oorlog komen om de samenleving een gevoel van betekenis en zin terug te geven?

Dat suggereert de psychiater Damiaan Denys. Hij stelt vast dat jonge mensen wanhopig op zoek zijn naar geluk en dat niet vinden. Dat is logisch, zegt Denys, want wat hen in ons vreedzame, luxueuze West-Europa ontbreekt is de basale overlevingsdrang. Die treedt pas op in situaties van nood, en creëert als vanzelf betekenis, namelijk: overleven. ‘Zingevingsproblemen’ worden dan ontmaskerd als schijnproblemen en verdwijnen als sneeuw voor de zon.

Ik vind dit een armoedige gedachte. Het doet me denken aan een uitspraak van kardinaal Simonis waarin hij zijn hoop vestigde op donkere tijden. Dan zouden de mensen weer leren bidden en de kerken zouden weer volstromen. Zo bezien krijgt het cliché dat psychiaters de moderne, seculiere priesters zijn extra reliëf.

Denys heeft het er niet over, maar je zou aan zijn redenering ook zomaar de conclusie kunnen verbinden dat Israël tot de (geestelijk) gezondste landen ter wereld behoort. Dat land combineert een relatief hoog welvaartspeil met een permanente noodtoestand. Israël staat onder voortdurende druk van buurlanden die het van de kaart willen vegen. Niet-aflatende alertheid is vereist, je kunt je daar geen burn-outs permitteren.

Maar, nogmaals, ik vind het een armoedige gedachte. Eigenlijk zwicht je daarmee voor wat Levinas noemt ‘de ontologie van de oorlog’, een uitdrukking waarmee hij de westerse filosofie karakteriseert. Want die filosofie vertrekt, aldus Levinas, sinds de oude Grieken vanuit de overtuiging dat het ego voor iedere mens het eenduidige startpunt van zin en betekenis is, en voor zichzelf de wereld moet inpalmen. De filosofie is een egologie, en dat kan niet anders dan tot oorlog leiden. Eigentijdse verschijningsvormen daarvan zijn de herlevende belangstelling voor het vijandsdenken van Karl Schmitt, de oproep van Baudet tot gevecht en strijdbaarheid, en misschien ook wel de gewelddadigheden op straat rond Oud en nieuw.

Tegelijkertijd biedt Levinas een alternatief voor de ontologie van de oorlog via zijn opvatting van de andere mens. Die laatste kan ons namelijk, ook onder perfect alledaagse en vreedzame omstandigheden, overrompelen en klem zetten door zijn andersheid. Die momenten kun je beschouwen als het equivalent in vredestijd van de fysieke bedreiging in oorlogstijd, en dus als verschaffers van zin.

Juist de vreedzame omstandigheden stellen ons dán in staat om ervan te leren, in plaats van te moeten terugslaan.



donderdag 26 december 2019

Sterpsychiaters in de Stopera (2)


Nog even door over de drie Vlaamse sterpsychiaters. “Wat zegt het over deze tijd dat juist psychiaters sterren zijn?” vraagt NRC zich af in het aan hen gewijde artikel. De psychiaters zelf verwijzen voor een antwoord naar de crisis in zingeving die heerst in de samenleving. Dat is een opmerkelijk antwoord, want ze geven op andere plaatsen aan dat de psychiatrie er niet is voor het verschaffen van zingeving, maar voor het behandelen van ziektes.

Een interessante vraag is ook waarom het juist Vlaamse psychiaters zijn die in Nederland furore maken. Ik denk dat dat te maken heeft met een grotere vertrouwdheid van Vlamingen met het bestaan van een sociaal weefsel in de samenleving. Daarmee doel ik op een stelsel van familiebanden en lokale verbindingen in eigen stad of dorp, dat ondersteund wordt door een traditionele set van gedeelde waarden. Volgens psychiater Paul Verhaeghe is participatie in een sociaal weefsel van groot belang voor ons geluksgevoel.

Vlamingen kénnen het sociale weefsel nog, al is het maar uit hun jeugd. Daarin speelt mee dat de set van ondersteunende waarden een sterk homogeen karakter had, namelijk die van de Rooms-Katholieke Kerk die in het hele land een vanzelfsprekende dominantie had.

In Nederland was, vanwege de diversiteit van Protestantse en Katholieke denominaties, van zo’n gedeelde waardenset altijd al minder sprake. Daar komt bij dat hier de verbindingen die er waren in een eerder stadium zijn losgeraakt omdat individualisering en ontkerkelijking in Nederland eerder toesloegen. Al vanaf de jaren zestig liepen in Nederland de kerken in hoog tempo leeg.

In België is het sociale weefsel ook afgenomen, vertelt Paul Verhaeghe. Maar de afname is meer recent dan in Nederland. Als relevante factor heeft de Rooms-Katholieke Kerk zeker tot de afgelopen eeuwwisseling een rol gespeeld.

Daarnaast zijn Vlaamse intellectuelen, meer dan Nederlandse, gedrenkt in een ander weefsel, namelijk dat van de continentale Europese intellectuele cultuur. De intieme vertrouwdheid, zeker aan de Leuvense universiteit, met Franse en Duitse cultuurdragers heeft lang voor een zekere levensbeschouwelijke geborgenheid kunnen zorgen. In Nederland ontbrak een dergelijke oriëntatie.

Dat verschil tussen Vlaamse en Nederlandse intellectuelen kan verklaren waarom juist de Vlaamse psychiaters met meer zelfvertrouwen deelnemen aan het gesprek over de huidige burnout crisis. Maar als ik, ondanks de scherpte van hun analyses, hun antwoorden tekort vind schieten (zie daarvoor mijn vorige blogbericht), dan biedt die eerbiedwaardige continentale oriëntatie van Leuven en andere Belgische academies ook niet echt soelaas.

Zie ook Sterpsychiaters in de Stopera