vrijdag 18 januari 2019

Door de ogen van Levinas


Rispa was een bijvrouw van koning Saul. Haar naam duikt pas op in het bijbelboek Samuel als Saul al overleden is, en haar stiefzoon, Sauls zoon Isboset met de jonge David strijdt om de troon. David wint de strijd en na een tijd krijgt hij een verzoek van de Gibeonieten, een bevolkingsgroep onder zijn gezag. De Gibeonieten hadden nog iets te wreken op Saul, en nu diens dynastie het onderspit heeft gedolven, vragen ze David of ze hun wraaklust mogen stillen op zeven van Sauls nakomelingen, waaronder twee eigen kinderen van Rispa. David vindt dat bestuurlijk gezien een goede zaak en levert hen uit aan de Gibeonieten, die hen vervolgens ophangen. Zo raakt Rispa behalve haar echtgenoot en haar maatschappelijke positie als bijvrouw van de koning ook haar zonen kwijt.

Maar nu komt ze in verzet. Ze spreidt een kleed uit, ergens op de rotsachtige bodem bij de galgen, en blijft van de lente tot de herfst op die plek slapen, vlak naast de rottende lijken. Ze levert gevecht met een stok tegen de wilde dieren en de aasgieren die op de lijken afkomen, en houdt dat maanden vol.

Als koning David ter ore komt waar Rispa mee bezig is, komt hij tot inkeer. Hij laat alle dode lichamen alsnog een eervolle laatste rustplaats geven.

De theoloog Alain Verheij zegt naar aanleiding van dit verhaal: “De strijd die Rispa heeft geleverd, was er een op het allerhoogste niveau, tegen de allerhoogste prijs en vanuit de allerzwakste positie. Toch heeft ze de koning ermee van gedachten laten veranderen en is haar verhaal uiteindelijk in de Bijbel terechtgekomen. Tegen alle machtsverhoudingen en waarschijnlijkheid in hebben de kroniekschrijvers van het koningshuis van David de dissidente daden van Rispa opgetekend. Omdat zij degene was die in haar recht stond.”

Dit verhaal was op de Crescasavond ‘Door de ogen van Levinas’ het uitgangspunt voor mijn presentatie van de filosoof Emmanuel Levinas. Immers, aan de kant van de figuur van koning David in het verhaal zou je denkschaamte kunnen vermoeden. Dat wil zeggen: verlegenheid met zijn eigen opvattingen van goed bestuur. En precies dat verschijnsel van denkschaamte staat wat mij betreft centraal bij Levinas.

Met een beetje goede wil kun je meer plaatsen in Tenach, de Hebreeuwse Bijbel, ontdekken waar sprake is van een dergelijke plotselinge bewustwording voor wat een ander doormaakt, juist door jouw goedbedoelde opvattingen.

Bijvoorbeeld in het verhaal van Job. Als Job geslagen wordt met het verlies van zijn kinderen, van zijn bezit, van zijn vee, dan wordt hij bestookt met goede raad van vrienden die het oprecht goed met hem menen. Hij moet berouw doen, zich in de orde voegen, vertellen ze hem.

Geen vriend die doorheeft dat Job met iets anders worstelt: de onrechtvaardigheid van dat alles. Wie het wél doorheeft is de auteur van het verhaal. Die vertoont een gevoeligheid die de ontoereikendheid beseft van de conventionele en traditionele, dus kenbare en universele cliché antwoorden, hoe doordacht ze ook zijn. Hij laat de mismatch tussen alle goed bedoelde adviezen en Jobs eenzaamheid gewoon bestaan, de bedachte ideeën rijmen niet met Jobs situatie. Die situatie is ongerijmd, en de auteur weet dat.

De stelling die ik daaraan koppel is dat deze gevoeligheid iets bijzonders is van de Hebreeuwse Bijbel, en dat je die niet terugvindt in veel gangbare ethische recepten zoals de Gulden Leefregel (‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet’) of de categorische imperatief (‘weeg bij je handelingen af of je zou willen dat het motief dat jij hebt voor je handelen tot een algemene wet gemaakt zou worden’).

Belangrijke kenmerken van die gangbare ethische recepten zijn: universele geldigheid en inbedding in een redelijke, kenbare orde. Denkschaamte heeft die kenmerken niet, het is een fenomeen dat soms optreedt en soms niet, bij sommigen wel en bij anderen niet. Daarmee krijgt het verschijnsel iets ongerijmds en weerbarstigs, en is het vanuit de gangbare recepten niet altijd te begrijpen.

Dat laatste geldt op gelijke wijze voor de filosofie van Levinas, en dat is niet geheel toevallig: hij heeft zich laten inspireren door Tenach. Dáár heeft Levinas de gevoeligheid vandaan, die hem leidt tot de ongerijmdheid van de denkschaamte. Denk ik.

Zie ook Parrèsia

donderdag 3 januari 2019

Links klaar


“Links – klaar”, zegt een heldere, geruststellende vrouwenstem als ik mijn linker gehoorapparaatje heb ingedaan. Met daarna hetzelfde tafereel voor de rechterkant.

Het verbaast me, maar de geruststellende werking is er iedere morgen opnieuw. Kennelijk werkt dat, ook als ik weet dat niemand zich daadwerkelijk tot mij richt, en zelfs dat het mogelijk een kunstmatige stem is.

Die constatering maakt dat ik me wel iets voor kan stellen bij de verhalen over zorgrobots die in de toekomst allerlei ondersteunende handelingen kunnen verrichten, tot tevredenheid van de cliënten.

Kennelijk laten we ons graag voor de gek houden. We zijn zodanig geprogrammeerd, dat louter bepaalde klanken of bepaalde tot ons gerichte acties de suggestie van echtheid kunnen opwekken, en daarmee de gevoelens en reacties die horen bij de lijfelijke nabijheid van een levend mens van vlees en bloed.

Zoals mensen een telefoongesprek kunnen voeren met brede armgebaren en heftige gelaatsuitdrukkingen. Die expressies hebben geen enkele communicatieve functie meer, omdat de telefonische gesprekspartner ze niet kan zien. Dat soort programmering leeft blijkbaar stug voort in ons, en maakt ons ontvankelijk voor aandacht die apparaten en robots aan ons besteden.

Ik vraag me wel eens af hoelang die programmering bij ons zal standhouden. Gaat de mensheid, eenmaal gewend aan telefoons en robots, die misschien verliezen?

Zie ook Lenzen

woensdag 26 december 2018

Herkantelen


Zo vierkant gepresenteerd als onlangs op de voorpagina van Trouw krijg je het niet gauw: uitspraken over (top)bestuurders in het bedrijfsleven en bij de overheid als “De huidige bestuurders zijn te veel gericht op korte termijn winst, ze vermijden risico’s en hebben te weinig contact met de buitenwereld”. Dat is nog al wat. En dat nog wel uit de mond van bestuurders zelf.

Ja, vanuit de hoek van de antiglobalistische Occupy-beweging kon je dat horen, een aantal jaren geleden. En toen de communistische krant De Waarheid nog bestond was antikapitalistische retoriek op dagelijkse basis verkrijgbaar. Verder ken ik dergelijke kwalificaties uit de meer kritisch ingestelde academische hoek, met name vanuit Critical Management Studies.

Maar de tijdgeest is al een paar decennia aan het kantelen, de neoliberale kant op. Ook bij degenen onder ons die hun passie voor een rechtvaardige samenleving nooit verloren hebben raakte de gedachte in zwang dat de verzorgingsstaat was doorgeschoten, dat geleide economieën gefaald hebben, dat het geld wel ergens verdiend moet worden, en dat een kapitalistisch systeem de boel het beste aan de gang houdt.

In het licht van die kanteling is wat er in het Trouw-bericht gebeurt wel revolutionair. De relatief recente en breed gedragen waardering voor het neoliberale model komt opnieuw op serieuze manier onder vuur te liggen. Zelfs serieuzer dan vroeger, omdat het niet meer alleen om de onrechtvaardige verdeling van rijkdom gaat. Ook omdat de toekomst van de aarde voelbaar op het spel staat, en omdat maatschappelijke ontwrichting dreigt.

En de denigrerende uitspraken komen ook nog eens van de bestuurders zelf. Wat er nu nodig is, zeggen zij, is een nieuw type bestuurder. Iemand met meer zelfreflectie, met een verbindend vermogen, dienstbaar aan de maatschappij en gericht op de lange termijn. Nog niet zolang geleden werd je voor soft of gepensioneerde politicus versleten als je zo’n uitspraak deed. Het neoliberale model is kennelijk ineens heel snel ongeloofwaardig aan het worden.

Maar wat doen we dan nu? Van de zittende bestuurders moeten we het niet hebben. Want hoewel zij zelf de diagnose stellen, vinden zij (met name de mannen onder hen) dat ze zelf niet hoeven te veranderen of bij te leren (‘ik ben niet zo’n cursus type’). Immers, ‘onze boardroom heeft een goede samenstelling – goede mensen met veel ervaring – dan gaat het vanzelf’. Waarmee ze waarschijnlijk bedoelen dat ze allemaal even doorkneed zijn in gerichtheid op snelle winst en kwartaalrapportages, ze vermijden risico’s en hebben te weinig contact met de buitenwereld. Zoals ze het op de business schools en economische faculteiten geleerd hebben.

Voor oplossingen komen ze dan ook niet verder dan de suggesties dat er lef getoond moet worden voor grote veranderingen (door anderen dus), en dat de overheid kaders moet stellen (dat is wel weer revolutionair natuurlijk, tegenover de neoliberale deregulering).

Een aantal jaren geleden werd in de kring van Critical Management Studies de Manifestos for the Business School of Tomorrow uitgebracht. Waarschijnlijk moet het daar beginnen inderdaad.

Zie ook Jeukwoordenfestival

vrijdag 21 december 2018

Levinas als pragmatist


Het klinkt misschien ongeloofwaardig voor degenen die de Frans-Joodse filosoof Emmanuel Levinas ervaren als een abstracte denker. Maar toch houd ik vol: Levinas is te beschouwen als een pragmatische denker. Mijn stelling is dat zijn denken verhelderend werkt waar het conventionele denken overmatig ingewikkeld wordt en zich vastdraait in abstracties.

Bij deze stelling moet ik twee, enigszins ontluisterende, kanttekeningen maken. De eerste is dat Levinas deze, wat mij betreft weldadige, positie in zijn laatste werken heeft losgelaten en ingeruild voor een terugval in gangbare filosofische abstracties. De tweede is dat, ook in de werken van de middenperiode, op sommige momenten die filosofische abstracties al storend aanwezig zijn.

Als ik het heb over ‘filosofische abstracties’, dan doel ik met name op de neiging binnen de conventionele filosofie tot het zoeken van absolute, eenduidige fundamenten voor ons denken: onwankelbare uitgangspunten die door hun stabiliteit en alomvattendheid de afleiding van andere gedachten mogelijk maken en zo een hiërarchisch denkbouwwerk faciliteren.

Mijn opvatting is dat aanvaarding van dat soort fundamenten (‘fundamentsdenken’) schijnzekerheid creëert. De daaruit voortkomende redeneringen hebben de neiging om zich los te zingen van de werkelijkheid, en dan krijg je abstracties. Ik denk dat Levinas, althans in zijn vroege en midden-periode, daar ook niets van moest hebben, en dat is een van de redenen waarom hij mijn favoriete filosoof is.

Dat vind ik terug in Levinas’ behandeling van wat gangbare kandidaten zijn voor het vervullen van de rol van fundament. In veel traditionele denksystemen komt die rol toe aan de ontologie: het geheel van opvattingen over de grondstructuur van de wereld. Om een paar voorbeelden te noemen: die grondstructuur zou bijvoorbeeld bestaan uit verschillende materiële sferen (Aristoteles) of uit lichaam en geest (Descartes) of uit logische objecten (de vroege Wittgenstein).

Maar die funderende rol kan ook toegekend worden aan het ordenend vermogen van onze geest, zoals bij Kant. Of aan bovennatuurlijke grootheden, zoals een godheid of een mystieke orde. In plaats van ontologie als fundament spreekt men dan van een metafysische dimensie als fundament.

Hoe dan ook, mijn stelling is dat Levinas in zijn vroege en middenperiode (tot en met De Totaliteit en het Oneindige) er niet aan wil, aan zo’n eenduidig fundament. Niet de ontologische versie ervan, noch de metafysische versie.

Dat leid ik af uit de constatering dat hij, bijvoorbeeld in De Totaliteit en het Oneindige, de woorden ontologie en metafysica beide gebruikt, maar hen beurtelings de leidende rol geeft. Geen van beide fungeert als definitieve laatste grond. Levinas schetst een enscenering van het menselijk bestaan waarin soms de ontologie het voortouw neemt (het ego, de genietingen, het licht van de rede), en dan weer de metafysica (het raadselachtige andere), en dat steeds op verrassende, onverwachte manieren. Levinas spreekt niet over een permanent, stabiel gegeven dat altijd aanwezig is; dat maakt de beschrijvingen herkenbaar, dat wil zeggen: niet-abstract.

In de weigering om een eenduidig fundament aan te wijzen is Levinas verwant aan de Amerikaanse pragmatisten. Over John Dewey wordt bijvoorbeeld gezegd dat hij probeert om het niet te hebben over ‘tijdloze oorsprongen’, van welke aard ook. En Louis Menand meent dat ideeën op zichzelf eigenlijk geen betekenis hebben – dus abstract zijn; ethiek bijvoorbeeld is niet te begrijpen zonder de voltrekking ervan.

Het is waar: Levinas gebruikt, al in De Totaliteit en het Oneindige, het woord ‘eerste filosofie’, wat je zou kunnen opvatten als het aanwijzen van een eenduidig fundament. Maar, zoals gezegd, in dat boek wisselen in feite ethiek (als behorend tot de metafysica) en ontologie elkaar af als leidend principe, en is er geen definitieve laatste grond. Dat sluit, wat mij betreft, aan bij de menselijke ervaring. Het woord ervaring speelt in De Totaliteit en het Oneindige dan ook een belangrijke rol, wat de herkenbaarheid ten goede komt.

Een definitieve laatste grond is er wél in Levinas’ laatste grote boek Anders dan zijn. Daarin verwijst hij naar de ethiek (het beschikbaar zijn voor de andere mens) als ‘oorsprong vóór de oorsprong’, en naar die beschikbaarheid als een permanent, stabiel aanwezig gegeven.

Dat noem ik abstract. Want het kan best zo zijn dat het subject voor alle anderen verantwoordelijk is, en dat al voorafgaand aan de geboorte. Maar: praktisch gezien heeft dat geen betekenis. Een handvat voor praktische betekenis wordt geboden door de ervaring van verantwoordelijkheid, en die beschrijft Levinas in De Totaliteit en het Oneindige, namelijk in termen van momentane beleving van de overgang van rust naar onrust, en weer terug.

Díe Levinas is bruikbaarder. Zeg maar: pragmatischer.

Zie ook Mensenrechten, pragmatisch bekeken

donderdag 13 december 2018

Automaten, koffie en automatenkoffie


Koffie uit de automaat kan tegenwoordig best lekker zijn, geen vergelijk met de drab die je vroeger kreeg. Maar dan nog, niets haalt het bij echte koffie, dat wil zeggen koffie waarbij je zelf een aandeel levert.

Dat is althans de mening van Erik Friedeberg, van accountantskantoor Manifesto in Amsterdam. “Wil je bij ons komen werken, dan moet je eerst een baristacursus volgen om goede koffie te leren zetten. Koffiezetten is een manier om met mensen in gesprek te komen, hun dromen te achterhalen”. En dan blijkt dat heel wat ondernemers grote behoefte hebben aan dat persoonlijke gesprek. Natuurlijk moet de cijfermatige klus ook gedaan worden, maar dat kan tegenwoordig verregaand geautomatiseerd verlopen. Díe automaat mag blijven.

Vertegenwoordigt accountantskantoor Manifesto misschien een trend? Zou het waar zijn wat organisatieadviseur Lenette Schuyt ziet gebeuren? Dat verticale hiërarchie plaatsmaakt voor horizontale relaties; dat management meer en meer gezien wordt als de kunst om dingen gedaan te krijgen door en via mensen; dat werk meer gaat over manieren van samenwerken. Kortom, aldus Schuyt, dat op verbinding gerichte vrouwelijke perspectieven het winnen van op efficiency en controle gerichte mannelijke perspectieven. Of is dat wishful thinking van haar (en van mij)?

Áls het een trend is dan mag ik me in ieder geval gelukkig prijzen dat ik erbij hoor op dit moment. Er was een tijd dat ik er beslist niet bij hoorde, en het omgekeerde dacht: organisaties zijn totalitaire monsters. Toen vond ik dat de sfeer in organisaties – met zijn blauwdrukken, lineair denken, Total Quality Management en verandering op commando – het beste te omschrijven was met termen ontleend aan politieke stromingen van de jaren dertig. Hannah Arendts The Origins of Totalitarianism was heel toepasselijk voor de op beheersing gerichte organisatiemachines.

Zo niet op dit moment in mijn eigen, directe omgeving. Ik maak nu deel uit van een op leren en ontwikkelen gericht team binnen de gemeente Amsterdam. Daar is veel ruimte voor de menselijke maat, er kan geëxperimenteerd worden, men staat open voor het onbekende, besluitvorming verloopt langs participatief democratische lijnen. Pure vooruitgang dus, ten opzichte van mijn eerdere ervaringen waarin ik vooral een anoniem onderdeel was van een grote machinerie. Wat trouwens niet wil zeggen dat die machinerie er niet meer zou zijn; maar ik heb er in ieder geval minder last van.

Los daarvan meen ik in organisatieland soms opbeurende signalen op te vangen, zoals een toenemende belangstelling voor het meer relatiegerichte Rijnlandse denken, de grotere inbreng van vrouwen, en ontwikkelingen in de technologie die verfijndere afstemming mogelijk maken, ook in relaties. De historicus Fabian Scheidler acht de trend van verzet tegen het ‘lineaire denken’ zelfs onvermijdelijk. Waarbij ‘lineair denken’ bij hem staat voor de “onjuiste veronderstelling dat mensen hun hele leven als automaten kunnen worden behandeld zonder dat ze zich zullen wreken”.

Maar eerlijk gezegd denk ik dat het voorbarig is om van een trend te spreken, in ieder geval van een dominante trend. Het is waar, ik maak het mee, en Manifesta creëert nieuwe ruimte en Lenette Schuyt stelt vast dat het tijd is voor een vrouwelijk perspectief.

Maar we moeten de hardnekkigheid van de traditionele vormen niet onderschatten. Schuyt waarschuwt zelf dat in organisaties die ‘agile’ of ‘lean’ worden de stoere leider wordt vervangen door een coach en facilitator, maar dat de klassieke ‘hark’ daarmee niet is verdwenen. Door de ideeën uit het begin van de twintigste eeuw van Frederick Taylor en Max Weber zijn we het vanzelfsprekend gaan vinden dat een organisatie hiërarchisch en bureaucratisch is ingericht, en is het onderscheid tussen denken en doen nog steeds springlevend. “Je zou bijna vergeten dat hiërarchie en bureaucratie geen wetmatigheden zijn, maar een manier van organiseren, die ooit is bedacht en waaraan de meeste topmanagers nog steeds vasthouden.”

Ik denk dat zelfs deze waarschuwing van Schuyt het probleem nog te luchtig opvat. Alsof het met Taylor en Weber begonnen is. Mijns inziens wortelt het probleem veel dieper, namelijk in hiërarchistische organisatieopvattingen die via het Christendom  teruggaan op Plato, en die, vanwege de eerbiedwaardige status van die traditie, zowat onaantastbaar zijn.

Schuyt heeft gelijk als ze zegt dat het klassieke organisatieparadigma erg sterk verankerd is in de hoofden van managers. Maar om dat aan te vechten zul je verder terug moeten gaan dan Frederick Taylor. Dit raakt aan de grondslagen van onze westerse cultuur, zeg maar aan het Klassieke met een grote K.

Laat ik dus voorzichtig zijn, en nog niet spreken van een trend. Laat ik maar zeggen dat ik terecht gekomen ben in een leuke niche, met veel vrouwelijke collega’s en goed gerichte aandacht, en de juiste technologische ondersteuning. En niet te vergeten, dat ik nog maar een dienstverband heb van acht uren. Dan wordt het al helemaal gevaarlijk om van een trend te spreken.

Zie ook Listig

vrijdag 30 november 2018

Tacheles


Wat betekent dit Jiddische woord nu echt? Zolang ik het ken heeft het voor mij een sympathieke klank. Zo van: ‘het kan wel zijn dat er allerlei theorieën zijn, en regels en procedures doorlopen moeten worden, maar daar wordt niemand blijer van. Ons probleem lossen we nu op met het oog op de gewenste effecten’.

Enig speurwerk leert dat het woord is afgeleid van het Hebreeuwse woord ‘tachliet’, met als betekenissen doel, einde, grens. Via het Jiddisch is tacheles in het Nederlands en het Duits terechtgekomen, waar het staat voor klare taal, onomwonden spreken. Iemand die tacheles spreekt neemt geen blad voor de mond en komt op een verstandige manier ter zake.

Wat mij erin aanspreekt is het pragmatische en doelgerichte, en de combinatie daarvan met verstand. Het is dus niet het simplisme van ‘niet-lullen-maar-poetsen’, van mensen die graag daadkracht zien en daar liever niet bij nadenken. Want tacheles doet wel degelijk aan reflectie, maar dan gekoppeld aan actie. En het is al helemaal niet plat materialistisch, wat sommige mensen associëren met de notie van pragmatisme.

Ik kom op het woord tacheles omdat ik me op dit moment voor een lezing verdiep in het Amerikaanse pragmatisme van John Dewey. Zijn werk benadrukt dat het handelen van mensen het permanente oriëntatiepunt is voor wat we kunnen zeggen over de wereld. Alles wat een mens kent, doet, denkt, leert, weet is te relateren aan de betekenis die dat  heeft voor zijn handelen.

Het sympathieke en zelfs bevrijdende daarvan is dat theorie en theoretiseren als opzichzelfstaande beschavingswaarden sterk gerelativeerd worden. Dat impliceert wel een weigering om mee te gaan in het optrekken van theoretische, academische ivoren torens en ander moeilijk gedoe dat in Europa vanaf Plato en Aristoteles eeuwenlang doorging voor intellectueel leven en diepgang.

Niet alleen pragmatistische Amerikanen als John Dewey en William James keerden zich daarvan af, ook Europese Joden moesten daar wat tegenover zetten. Het ‘Tacheles reden’ is zo zelfs officieel in het Duitse woordenboek beland.

Zie ook Plato ontzenuwd?

donderdag 22 november 2018

Gezelligheidsfundamentalisme


Waarom trof mij onlangs het woord ‘gezelligheidsfundamentalisme’ (gemunt door de Leidse historicus Adriaan van Veldhuizen) als een bijzonder adequate combinatie van tegengestelde betekenissen? Met gezelligheid als het gezellige deel, en fundamentalisme als het ongezellige deel. Die zijn in Nederland kennelijk met elkaar verknoopt geraakt, zoals bijvoorbeeld in Pakistan de woorden ‘Moslim’ en ‘fundamentalisme’ dat zijn.

Dat heeft er, wat mij betreft, mee te maken dat gezelligheid dezer dagen in het hart van de pietendiscussie staat en daarin kan uitgroeien tot iets griezelig ongezelligs.

En dát komt weer doordat ‘gezelligheid’ in Nederland bijna de status heeft van een ideologie. Al heel lang maken Nederlanders elkaar wijs dat ze iets bijzonders in huis hebben. ‘Wat je nooit aan een buitenlander kunt uitleggen is het woord gezelligheid’, zeggen we dan tegen elkaar. Want behalve dat buitenlanders het woord niet kunnen uitspreken, begrijpen ze gewoon niet wat het is. Die intimiteit, die eigen codes, die huiselijkheid: je kúnt het ook niet uitleggen, het is een gevóel.

Je moet het hébben, en we voelen precies aan wanneer iemand het heeft, je zit er gauw net naast. Zwarte Piet racistisch? Nee, dan zit je er echt naast, dan snap je het echt niet, ons gevoel voor onschuldige geinigheid.

Het is op dat punt dat het fundamentalisme begint, want wie het niet precies snapt moet zijn mond houden. Andere belevingen van, andere associaties met datzelfde verschijnsel deugen gewoon niet, en mogen dus niet gehoord worden.

Omdat het aspect van erbij horen of er niet bij horen zo prominent gekoppeld is aan onze opvatting van gezelligheid (van bitterballen tot sinterklaas), kan gezelligheid van iets positiefs gemakkelijk veranderen in iets kwaadaardigs. Dan wordt wat zo leuk begon een instrument van verkettering en uitsluiting. Precies zoals bij andere ideologieën en fundamentalismes.

Zie ook Nationale denkschaamte en Identiteitspolitiek

vrijdag 16 november 2018

Cynisch of niet?


Dit wordt een cynisch stukje. En tegelijkertijd ook weer niet.

Het is niet-cynisch, misschien wel positief, vanwege de conclusie dat het met het antisemitisme wellicht wel meevalt. Het is cynisch door de redeneringen die tot die conclusie leiden. Namelijk enerzijds dat de staat Israël in sommige rechts-extremistische kringen een zeker prestige heeft. En anderzijds dat Joden niet het enige mikpunt zijn voor racisten, en dat bijvoorbeeld Moslims daar evenzeer onder te lijden hebben.

Uitgangspunt voor deze column is de – zeker in Joodse kring – veelgehoorde gedachte dat antisemitisme sterk toeneemt. Zodanig dat het doet denken aan de dreigende jaren dertig van de vorige eeuw, en dat dus waakzaamheid nodig is. Zelf denk ik dat het antisemitisme misschien wat toeneemt – en dat waakzaamheid trouwens altijd nodig is – maar dat bedreigingen als in de jaren dertig nu niet bestaan.

Dat heeft alles te maken met het bestaan van de staat Israël. Voor een deel wakkert Israël het antisemitisme aan. Dat is het geval bij groepen die vanwege de behandeling van de Palestijnen door Israël zich keren tegen het zionisme, en via het antizionisme in antisemitisch vaarwater terecht komen.

Maar voor een grotere groep westerlingen is Israël inmiddels een gewoon land geworden, waar we mee samenwerken op het gebied van handel, wetenschap en justitie. En – en hier komt het cynisme om de hoek – voor de groep potentieel gewelddadige rechts-extremisten, waar Joden vroeger veel van te duchten hadden, heeft Israël een zekere status van stoerheid. Dat prestige wordt afgedwongen door de economische en militaire successen van de Joodse staat. Die maken indruk op het rechts-extremistische gemoed – evenals trouwens op dat van grofgebekte presidenten – dat geneigd is zwakke slachtoffers te zoeken. Voorheen waren de Joden daarvoor de ideale kandidaat, nu met een sterk Israël wat minder.

De tweede factor die het gevaar van antisemitisme volgens mij in zekere mate tempert is de waarneming dat rechts-extremisten hun racistische agressie nu over meerdere mikpunten moeten verdelen. Voor zover ze antisemitisch zijn richten ze hun pijlen niet alleen – als antisemitisme – op Joden, maar zijn ze minstens zoveel racistische energie kwijt aan ‘de nieuwe vreemden’, zoals niet-westerse migranten, Moslims en de Islam. Op de Russische site Vkontakte bijvoorbeeld, die een nieuw podium is voor het Nederlands rechts-extremisme, loopt dat allemaal door elkaar.

Nu is het waar dat antisemitisme juist in Moslimkringen welig tiert. Maar toch zegt mijn intuïtie dat het feit dat Joden en Moslims beide mikpunt zijn van bepaalde groepen rechts-extremisten de scherpte van het specifiek op Joden gericht racisme enigszins tempert. Zo gezien brengt het anti-islamisme dus een zekere verzachting van het antisemitisme met zich mee. Ook dat is een behoorlijk cynische constatering.

Zie ook: Trumps uitverkoren land

vrijdag 2 november 2018

Twee soorten gemeenschap


‘Gemeenschap’ is in. Mensen missen gemeenschap, staat er in de krant. Vroeger was dat geen probleem, want je behoorde toen door geboorte, of je het wilde of niet, automatisch tot de gemeenschap van je dorp of stad of religieuze groep. Door de individualisering zijn veel van die verbanden verbroken, en dat breekt ons op, want mensen kunnen niet goed zonder.

In veel gevallen gaat die waardering van gemeenschap gepaard met de vaststelling dat gemeenschap niet zo maar ontstaat. Daar heb je verbindende verhalen en tradities voor nodig. Die kunnen seculier van aard zijn, zoals een nationale geschiedenis of het sinterklaasfeest. Maar ze kunnen ook een religieus karakter hebben, omdat religies over het algemeen beschikken over gemeenschapsvormende tradities, zoals rituelen en een gedeeld verhaal dat op de toekomst is gericht. Mijn indruk is dat er om die reden de trend zichtbaar is van een herwaardering van religie.

Los van deze eigen herwaardering van religie worden we daarnaast geconfronteerd met nieuwkomers voor wie het gemeenschappelijk verhaal van een religie van cruciaal belang is, al is het maar omdat ze van plekken komen waar de staat mensen onderdrukt of vervolgt, en hen dus nooit een geloofwaardig verhaal heeft geboden. We staan ervan te kijken hoezeer het gemeenschappelijke ritueel en verhaal van hun – veelal Islamitische – religie hen inspireert.

Maar het is wel logisch, zegt Neil MacGregor. Volgens deze kunsthistoricus en museumdirecteur gaat religie immers over de hoop van een gemeenschap, om een gedeelde identiteit. Als we het vermogen nog zouden hebben om dat te zien, zou de terugkeer van religie ons helemaal niet verbazen.

Er is wel een probleem. Als we de trend naar religie voor onszelf en voor de nieuwkomers honderd procent serieus nemen, dan bevordert dat niet per se de sociale cohesie. Juist de groepen die als gemeenschap het sterkste zijn, dragen het minst bij aan de maatschappelijke cohesie, of bedreigen die zelfs. Denk aan Salafisten of ultra-orthodoxe Joden. Juist waar de groepsidentiteit doorgaat voor het meest zuiver of authentiek, compleet met boerka’s, djellaba’s, streimels en pijes, wordt die ook eng of achterlijk. Behalve krachtig noemt MacGregor religie dan ook potentieel gevaarlijk. Om die reden wantrouwden de Verlichtingsdenkers de traditionele gemeenschappen.

De vraag is dan: is er een constructieve opvatting van gemeenschap denkbaar, die minder gevaarlijk is, maar wel de inspirerende kracht ervan heeft? Onvermijdelijk verliest zo’n gemeenschap, als die al mogelijk is, de pittoreske uit-één-stuk-zuiverheid van de traditionele vormen. Er zal meer ruimte moeten zijn voor het individu want, hoe groot ons verlangen naar gemeenschap ook is, die verworvenheid van de Verlichting geven we niet meer op. Daarnaast zal zo’n gemeenschap bereid moeten zijn tot meer dan oppervlakkige uitwisseling met de omgevende samenleving.

Dan krijg je wat Bart Somers voorstelt. Bart Somers is de burgemeester van Mechelen die al sinds 2001 een volstrekt eigen integratiebeleid in zijn stad uitzet, dat noch links noch rechts genoemd kan worden. Daarmee is hij zo succesvol dat burgemeesters van over de hele wereld hem om advies komen vragen, en dat bij de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen het populistische Vlaams Belang nauwelijks een poot aan de grond kon krijgen.

Bart Somers stelt het volgende voor: “De segregatie moet je doorbreken. We zien mensen expliciet niet als onderdeel van een gemeenschap. We organiseren geen gesprekken met gemeenschappen of gemeenschapsleiders. Er is in Mechelen maar één gemeenschap, en dat is de stad. De mensen zijn individuen met een veelheid aan identiteiten. Mechelen steekt alleen geld in activiteiten waar mensen elkaar ontmoeten”.

In dit fragment gebeurt iets met het woord ‘gemeenschap’. Het wordt in een dubbele betekenis gebruikt. Aan de ene kant zijn er de gemeenschappen waar Somers niets mee te maken wil hebben. Dat zijn de traditionele, veelal religieuze groepen zoals die van Salafisten en ultra-orthodoxe Joden. Sterk, maar naar binnen gekeerd. Noem het de gemeenschappen ‘uit één stuk’. Aan de andere kant is er de gemeenschap van de stad, maar die is anders van karakter dan de andere gemeenschappen: de leden ervan zijn nadrukkelijk individuen, met toevallige, bijna bijkomstige identiteiten. Deze opvatting is wezenlijk door de Verlichting geïnspireerd. Noem het een complexe gemeenschap.

De vraag is of gemeenschap in de tweede betekenis evenveel kracht heeft als die volgens de eerste opvatting. Kan een complexe gemeenschap wel dienen als gemeenschap? Is dat niet te ingewikkeld? Kun je daar net zo volledig in opgaan als in de gemeenschappen-uit-één-stuk? Je moet er meer bij nadenken, en voor degenen die vertrouwd zijn met de strikte traditionele verbanden zal het halfslachtig en verwaterd aanvoelen.

Maar misschien kan het wel degelijk, namelijk op het niveau van een gemeente, zoals Mechelen en Somers laten zien. En zoals Steven Akkerman concludeert over Rotterdam: “Er zijn alleen maar minderheden. En Rotterdammers”.

Zie ook Taylor, Levinas en de leegte en Alcohol

vrijdag 19 oktober 2018

Vaagtaal


In een artikel op de site liberaalchristendom.nl stelt de theoloog Jan Offringa vast dat Israël tot nu toe een speciale positie inneemt in de Christelijke theologie. In de Kerkorde van de Protestantse Kerk Nederland (PKN) wordt gesproken over een “onopgeefbare verbondenheid met Israël”. Offringa vraagt zich af waarom dat zo is.

Offringa meent dat de Protestantse kerk prima kan zonder Israëltheologie. Hij snapt dat er vanuit de ontstaansgeschiedenis van het Christendom belangstelling is voor het Jodendom, en dat de Sjoa dwingt tot verscherpte reflectie op de verhouding tussen Christendom en Jodendom. Maar verwantschap met het Jodendom moet je niet overdrijven, die is er ook met andere godsdiensten. Daarom pleit Offringa ervoor de Israëlzondag af te schaffen en er een zondag over de relatie tussen het Christendom en het Jodendom van te maken, aangevuld met een zondag over de verhouding met de Islam of het Boeddhisme. Israël is een belangrijke ander, maar toch niet de enige, aldus Offringa. Hij roept ertoe op om de onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël om te zetten in een onopgeefbare strijd tegen antisemitisme en elke vorm van discriminatie op grond van ras of geloof. En om geen religieuze argumenten te gebruiken om “het stukje land”, aldus Offringa, van Israël te rechtvaardigen.

Op het artikel van Offringa kwamen allerlei reacties. Onder anderen van Rachel Reedijk, die er op wees dat Offringa’s stellingname er niet toe zou mogen leiden dat Israëls bestaansrecht wordt ontkend. Dan zou een grens worden overschreden. Bovendien, hoever kun je gaan in het losmaken van de Hebreeuwse Bijbel, die toch ook onderdeel is van de Christelijke Bijbel, van zijn context? Verhalen hebben zich in dat landje aan de Middellandse Zee afgespeeld “en niet op de Tibetaanse hoogvlakte”, aldus Reedijk.

Daarnaast las ik een reactie van predikant Wouter Klootwijk. Hij stelde dat de Protestantse kerk de staat Israël helemaal geen religieuze betekenis wil toekennen. Wel erkent de kerk dat de staat voor veel Joden onderdeel is van hun identiteit en van grote betekenis, maar dat is wat anders.

Zelf vind ik over het geheel genomen de tekst van Offringa sympathiek geschreven, en afgewogen van karakter. Waar ik aan blijf haken, is het motief dat Offringa geeft voor zijn actie. “Ik wil de mist doen optrekken in de relatie tussen kerk en Israël. De mystificaties vragen om opheldering”, en met die mystificaties doelt hij op termen als ‘onopgeefbare verbondenheid met het volk Israël’ en ‘uitverkiezing’. “Onbedoeld bevestigen de uiteenlopende reacties in Trouw mijn stelling dat het terrein van kerk en Israël een grote mistbank is. Allerlei vaagheden, misverstanden en schuldgevoelens lopen door elkaar heen.”

Ik moet zeggen, dat herken ik wel een beetje. Ik houd zelf ook erg van helderheid en kan bij momenten kriegel worden van speculaties, vage verbanden, mistige termen. ‘Uitverkoren volk’ en ‘landsbelofte’ horen daar soms bij, maar ook de verwarring die kan ontstaan over de verhouding van de termen volk, religie, staat, en land tot elkaar. Wanneer ik in de liberaal-moderne stand sta wil ik het clair et distinct hebben (Descartes) en erger ik me aan allerlei onnavolgbare categorievermengingen en particuliere gehechtheden die een verlicht mens kwijt zou moeten willen. In hoeverre mag een modern denkend mens zich nog hechten aan “een stukje land”?

Maar ik weet ook dat de werkelijkheid zich minder houdt aan de heldere categorieafbakeningen dan het moderne westerse gemoed zou willen. Hoe je ook je hoofd erover breekt, een strikte eenduidige afbakening tussen volk, geloof, land en staat is in het geval van Israël simpelweg niet te maken.

Dat ras en geloof geen rol mogen spelen is niet zozeer het probleem, daar zijn de meeste mensen het wel over eens. De storende meerduidigheid begint juist waar de begrippen volk, land en staat ook onderdelen zijn van identiteit van mensen, zoals Klootwijk zegt. Maar het heeft iets gemakzuchtigs om die categorieën dan maar liefst uit je denken weg te zuiveren.

Dat is op allerlei manieren al eerder geprobeerd. Aan het eind van de achttiende eeuw wilde men op de golven van het universaliserende Verlichtingsdenken de term ‘Joodse natie’, voor de aanduiding van de Joden in Nederland, vervangen door te spreken over een groep ‘Nederlanders van de mozaïsche confessie’.

En vandaag de dag pogen Joden in de diaspora vaak te voorkomen dat zij in verband worden gebracht met onsympathiek gedrag van Israël. Wat er in Israël gebeurt, mag vooral niet terugslaan op Joden in de rest van de wereld. Dat die afschermingspoging iets kunstmatigs heeft en daardoor niet echt werkt, werd ooit goed verwoord door Esther Voet, hoofdredacteur van het NIW. Zij vroeg zich af: als wij er zelf al niet in slagen om Jodendom en Israël uit elkaar te houden, hoe kunnen we dan van buitenstaanders verwachten dat ze dat wel doen?

Mijn drang naar heldere categorisering en eenduidigheid moet het dus regelmatig afleggen tegen werkelijkheden van historische, culturele of religieuze aard die weigeren zich in mijn categorieën te laten persen. Historisch gegroeide verbanden verdragen zich (misschien wel meestal) niet zo lekker met het verlangen naar eenduidige helderheid. De onmogelijkheid om heldere schotten te plaatsen tussen Joods volk, Joodse religie en Joodse staat behoort daartoe.

Tegen die weerbarstige werkelijkheid moet Offringa toch vaker aanlopen, denk ik dan. Want in de Christelijke kerk barst het ook van de vaagtaal waar mijn liberaal-moderne gemoed het moeilijk mee zou hebben. Denk aan uitdrukkingen als ‘één-zijn-in-Christus’, de kosmische betekenis van ‘Jezus-als-de-Christus’, struikelt hij daar dan niet over?

Misschien denkt Offringa: ik heb mijn handen al vol aan mijn eigen traditie, ik kan de Joodse vaagtaal er niet bij hebben.

Zie ook Bij Kaag ontbreekt een dimensie

woensdag 3 oktober 2018

Bij Kaag ontbreekt een dimensie


Laat ik vooropstellen dat ik Sigrid Kaag een sympathieke vrouw vind, zowel in haar intenties als in haar acties. Het hart zit op de goede plaats bij deze minister, wat blijkt uit haar inzet voor brandhaarden wereldwijd en haar oproepen om je stem te laten horen waar onrecht plaatsvindt. Maar ik ben bang dat zij in haar analyse van de problemen waar wij als samenleving en zij als minister van ontwikkelingssamenwerking voor staan tekort schiet.

Dat maak ik op uit de Abel Herzberglezing die zij afgelopen zondag hield en die ik tot me heb genomen via de verkorte versie ervan in Trouw. Het trof me in die lezing dat er in het wereldbeeld van Kaag niet veel zit tussen de dimensie van het individu en de dimensie van de universele menselijke waardigheid.

Om met dat laatste te beginnen, warm wordt Kaag van het “geïnstitutionaliseerde antwoord op de leegte van Herzberg”. Met die leegte – of stilte – doelt zij op het akelige gebrek aan proteststemmen tegen de nazi’s voorafgaand aan de Tweede Wereldoorlog. En het antwoord daarop, voor Herzberg en voor haar, is het grotendeels naoorlogse stelsel van internationale samenwerking en bewaking van mensenrechten. Na de rampen van twee wereldoorlogen en de Shoa, bieden onder andere de Europese Unie en de Europese mensenrechten een zekere institutionele garantie voor de bescherming van menselijke waardigheid.

Daarnaast spreekt ze met enthousiasme over een andere dimensie van het menselijk bestaan, wanneer het gaat over het belang van een eigen identiteit voor iedere mens. Dat is in haar presentatie steeds een geheel individueel bepaalde identiteit. “Identiteit is nooit monolithisch, maar gelaagd en complex. Identiteit wordt gevormd door opvoeding, door vrienden die je maakt, door boeken die je leest, door reizen die je maakt, door ontmoetingen met wildvreemden en door persoonlijke ambitie en ontwikkeling”. Ieder mens heeft het recht op die manier zijn eigen identiteit te creëren.

Wat ik, tussen die twee dimensies in, mis, is een tussenliggende identiteit, namelijk die van de natie of etnische, al dan niet religieuze, groep. Ze noemt hem wel, maar dan vooral in negatieve zin, als ze de populisten van vandaag benoemt. Zij zijn onruststokers die de internationale orde afdoen als cultuur-marxistisch project, die manipuleren en schermen met halve waarheden, en terug willen naar een romantisch negentiende-eeuws nationalisme. We weten allemaal over wie dat gaat.

Terecht wijst Kaag op de grote gevaren daarvan. Maar natiestaten, net als etnische en religieuze groepen daarbinnen, hebben de afgelopen eeuwen ook een constructieve rol gespeeld. Ze waren de broedplaatsen voor democratie, politiek debat en rechtsstatelijkheid, en vehikels voor onderwijs en verheffing van hun burgers.

Die dimensie komt bij Kaag alleen ter sprake op een meer terloopse wijze, als ze haar eigen Nederlandse achtergrond beschrijft en vertelt wat ze daaraan te danken heeft. Maar meer fundamenteel lijkt die dimensie bij haar geen rol te mogen spelen, hij krijgt geen stevige plaats in de structuur van haar lezing als een categorie sui generis. Identiteitsvorming op het niveau van de etnische groep of de natie lijkt bij haar toch vooral verdacht te zijn, te omschrijven als ‘tribaal identiteitsdenken’.

Terecht zegt Kaag dat mensen niet kunnen worden gereduceerd tot één kenmerk van hun wezen. Tot de kosmopoliet, de immigrant, de Moslim, de Jood. Of vul aan: de Nederlander, de Fransman, de Kroaat. Maar het lijkt erop dat veel van die groepsidentiteiten wat haar betreft beter helemáál geen plek kunnen krijgen. Want dat soort identiteit heeft de neiging ‘de angst voor de ander’ aan te wakkeren.

Dat vind ik problematisch, en wel om de volgende redenen.

In de eerste plaats omdat in veel landen in West-Europa dat niveau van de groep of de natie nog steeds een houvast blijkt te bieden aan veel ‘gewone’ mensen. Vooral als die mensen niet zo veel hebben met de twee andere polen die Kaag omhelst: zij zijn niet van die bewust gevormde individuen en nemen weinig of niet deel aan de globalisering, hebben daar eerder last van. De middencategorie van de natiestaat en de groepsidentiteit biedt hen stevigheid. Moet je dat negeren of daar laatdunkend over doen, omdat je dat zelf overstegen hebt?

Verder hebben natiestaten zich vooralsnog meer overtuigend bewezen als complete rechtsorde dan de ideële internationale structuren waar Kaag over spreekt. Hannah Arendt heeft indringend beschreven hoe weinig haar ‘universele menselijke waardigheid’ haar hielp toen ze op de vlucht was voor Hitler. Burgerschap van een fatsoenlijk land, dát had ze nodig. Zo is het vandaag de dag nog steeds voor statenlozen of inwoners van barbaarse staten. Dat dat schreeuwt om verdere uitwerking van ons internationale rechtsstelsel ben ik helemaal met Kaag eens, maar dat mag er niet toe leiden de verdienste van de feitelijke bescherming die nationaal burgerschap biedt te onderschatten. Dat is geen romantisch gegeven, maar eerder een soort organisatieprincipe, uitgaande van wat werkt.

Tenslotte vind ik het iets ironisch hebben dat uitgerekend in een lezing die is genoemd naar Abel Herzberg de tussendimensie van het nationale en etnische ontbreekt. Want als er iemand was die, met al zijn appreciatie voor de verlichtingsidealen van menselijke waardigheid en gelijkheid, doorhad dat die idealen concrete inbedding nodig hebben binnen historisch gegroeide lotsgemeenschappen, dan was het wel Abel Herzberg. En dat al op een moment – ruim vóór Hitlers machtsgreep in 1933 – dat je nog kon geloven in de werkzaamheid van die idealen zoals de meeste van zijn ontwikkelde mede-Joden in die tijd ook deden. Hij koos, tegen de op assimilatie gerichte hoofdstroom in, al in 1912 voor het zionisme, omdat hij het belang van het middenniveau van een eigen Joodse staat op waarde wist te schatten.

Tribaal? Zo zou Kaag Herzbergs stap destijds misschien gekwalificeerd hebben, als ze tijdgenoot was geweest. Handelde Herzberg uit angst? Hij was, geloof ik, niet zo’n angstige man, maar hij moet een voorgevoel hebben gehad dat de situatie voor Joden in het verlichte Westen wel eens rampzaliger uit zou kunnen pakken dan menigeen zich kon voorstellen.

Nee, die kant van Abel Herzberg is beslist niet Kaags cup of tea. Dat is jammer voor zo’n sympathieke minister. Misschien is het een idee als Sigrid Kaag en Stef Blok met elkaar eens een discussie op het scherp van de snede zouden voeren?

Zie ook Grenzen en Erbij horen