vrijdag 10 augustus 2018

Natiestaat


De onlangs door de Israëlische Knesset aangenomen ‘Joodse natiestaat’-wet bevestigt wat ook al in de Onafhankelijkheidsverklaring van 1948 stond. Namelijk dat Israël de natiestaat is van het Joodse volk, waarin het zijn natuurlijk recht op culturele, historische en religieuze zelfbeschikking realiseert. Die woorden zijn niet nieuw, wél nieuw is het schrappen van de rechtsgelijkheid voor al zijn burgers en de versterking van de positie van de Joodse meerderheid ten opzichte van etnische, culturele en religieuze minderheden. Ik maak me zorgen om die nieuwe wet.

Niet vanwege de schok die een gemiddeld verlichte, universeel denkende westerling voelt als er woorden gebruikt worden zoals ‘nationale bestemming’, het belang van een ‘nationale taal’ en een duidelijke ‘eigen identiteit’.

Het feit dat wij die schok kunnen voelen getuigt van een enorme luxe. Onze eigen Europese natiestaten zijn al lang zodanig veilig gesteld dat het voortbestaan vanzelfsprekend is en nooit inzet van discussie. Waardoor je vanuit een veilige basis verdergaande verbanden kunt verkennen, zoals de EU of het streven naar mondiale gerechtigheid.

Die luxe heeft Israël niet, en de aandacht (en mensenlevens) die het sinds zijn ontstaan heeft moeten besteden aan het eigen overleven wordt door het Westen vaak niet goed begrepen. In tijden van groeiend grensoverschrijdend denken wordt Israëls concentratie op eigen identiteit en voortbestaan, inclusief de bijbehorende symboliek van volkslied, vlag en eigen hoofdstad, al gauw opgevat als een negentiende-eeuws anachronisme dat Europa al lang achter zich gelaten heeft.

Maar als je weet dat veel Europese natiestaten sinds jaar en dag in hun constituties ook verklaren voor het eigen volk op te komen en alleen officiële status toekennen aan de taal van de meerderheid, dan wordt het verschil tussen Israël en het Westen wat minder. Als bovendien blijkt, zoals in recente jaren, dat maar nét wat grotere migrantenstromen of globalisering nodig zijn om nationalistische protestbewegingen als Front National of PVV groot te maken, dan is er aanleiding tot enige herbezinning op de vraag hoezeer we ook in het Westen die nationale verankering toch wel keihard nodig hebben.

Bovenstaande overwegingen relativeren het mogelijk schokkende karakter van de nieuwe Israëlische wet nogal. Waarom maak ik me dan toch zorgen?

Dat heeft ermee te maken dat de nieuwe wet beslist een verslechtering inhoudt van het rechtsstatelijk karakter van Israël. Want hoewel gelijkheid voor Joodse en Arabische Israëliërs tot nu toe soms ook al ver te zoeken was (denk aan gescheiden wegenstelsels, de mogelijkheid om te dienen in het leger, subsidies te krijgen), was die ongelijkheid niet in een fundamentele wet vastgelegd. Nu wel, bijvoorbeeld als het gaat om het laten vallen van het Arabisch als officiële taal, en doordat de passages geschrapt zijn die minderheden beschermen volgens “de principes van vrijheid, rechtvaardigheid en vrede zoals onderwezen door de profeten van Israël”.

Tot nu toe had het Hooggerechtshof een basiswet tot zijn beschikking die kon leiden tot gunstige uitspraken voor Arabische Israëliërs die een beroep deden op gelijkberechtiging. Dat waren momenten waarop het rechtsstaat-karakter van Israël duidelijk naar voren kwam. Door de nieuwe wet zal het Hooggerechtshof minder juridische basis hebben om te beslissen in overeenstemming met het visioen van de Profeten.

Dat is zorgelijk. Opmerkelijk is dat de protesten hiertegen vooral uit progressief-Joodse hoek klinken, dat wil zeggen, afkomstig zijn vanuit Conservative en Liberaal-Joodse groeperingen. Zou het toch waar zijn dat zij het profetische geluid serieuzer nemen dan de Joodse Orthodoxie?

Zie ook Toen was naïviteit heel gewoon

donderdag 2 augustus 2018

Integratie en dictatuur


Ik geloof Mesut Özil voor honderd procent als hij vertelt over subtiele en vernederende vormen van discriminatie waarmee een in Duitsland geboren Turk te maken krijgt, ook als hij een succesvolle voetballer is.

Ook voor in Nederland geboren Turken en Marokkanen geldt dat er, zo niet formele, dan toch allerlei informele onderscheidingsmechanismen werkzaam zijn waardoor je je afvraagt of je wel geaccepteerd bent. Om wanhopig van te worden.

Maar tegelijkertijd ben ik bang dat integratie zo werkt. Zelfs als je ervan uitgaat dat zowel de ontvangende als de ontvangen partij oprecht zijn in hun bedoelingen, dan nog neemt het gemakkelijk generaties in beslag voordat volledige integratie een feit is.

De indaling van het besef dat het dus weleens veel langer kan duren dan we in optimistische buien hopen kan leiden tot frustratie of overdreven aangezet cynisme. Ik denk dat dat met minister Blok aan de hand is geweest. Die heeft ooit gemeend, blijkens zijn toenmalige optreden als voorzitter van een Kamercommissie die zich boog over het succes van integratie, dat de integratie “geheel of gedeeltelijk geslaagd” was. Nu beschouwt hij de multiculturele samenleving in Nederland als mislukt, en in het algemeen als kansloos, vanwege de menselijke genen, waardoor we “geen binding kunnen aangaan met ons onbekende mensen”.

Ik stel me voor dat Bloks recente uitspraken voortkomen uit die frustratie, in combinatie met het publiek dat hij op 18 juli toesprak: een gezelschap van Nederlanders die werkzaam zijn bij internationale organisaties zoals de VN en hulporganisaties, en die hij waarschijnlijk heeft ingeschat als multiculti-ijveraars en naïeve optimisten. Zij moesten maar eens het lesje leren dat hij zelf gekregen had, en daarom confronteerde Blok hen met de harde realiteit.

Hoe het ook zij, langs twee verschillende wegen komen Özil en Blok tot dezelfde vaststelling, namelijk dat integratie nog niet zo simpel is als we dachten. Die vaststelling hoeft niet per se negatief te zijn. Ik zie iedere reality-check als winst, en die hoeft de inzet voor een gezamenlijke toekomst en integratie niet in de weg de staan. Integendeel, er kan nieuw elan uit voortkomen om te werken aan lotsverbondenheid.

Tegelijkertijd laat het zien dat het denken over integratie soms wel erg armoedig is. Aan de kant van Blok constateer ik dat hij, als integratie taaier is dan gedacht, terugvalt op gemakzuchtig cynisme, en de onmogelijkheid proclameert van integratie op grond van ons biologische gestel.

Aan de kant van Özil constateer ik gedachtearmoede wanneer hij geslaagde integratie afmeet aan de acceptatie van zijn enthousiaste omhelzing van een dictator. Dan maak je het wel erg lastig. Want van die omhelzing kan voor westerlingen alleen maar dreiging uitgaan, dat hoor je te begrijpen.

Mijn stelling is dat die dreiging niet uitgaat van djellaba’s of hoofddoeken op zichzelf – wat je zou kunnen denken als je somber bent over integratie omdat mensen vreemd zijn voor elkaar. Ik denk dat Duitsers en Nederlanders over die dingen op zichzelf niet zo moeilijk doen. En als er tóch van een hoofddoek of djellaba dreiging uitgaat, dan is het die van een achterliggende dictator.

Dat onderscheid moeten Blok en Özil en wij allemaal dus blijven maken. Dat is wezenlijk voor het succes van onze integratie.

Zie ook Eigenaardigheden en Met en zonder hoofddoek

donderdag 19 juli 2018

Fort Europa


Fort Europa, het lijkt ervan te gaan komen. Met tienduizend grenswachten, en mogelijk ontschepingsplatforms en terugnamepunten aan binnengrenzen.

Tot een paar jaar geleden was het volkomen incorrect om zoiets te opperen of daarmee in te stemmen. Dat dat nu gewoon gebeurt zou kunnen duiden op moreel verval van Europa, dat zijn geloof in humanitaire waarden en mensenrechten verkwanselt.

Maar ik weet niet of dat zo is. Het is zonder meer waar dat in ieder geval de West-Europeanen de overtuiging hadden dat ze in die waarden geloofden. Dat was omdat we op sommige momenten er ook inderdaad naar konden handelen, zie het ‘Wir schaffen das’ van Merkel. Maar dat was ook omdat we lange tijd – al ruim vóór 2015 – het probleem van migratie op afstand konden houden door het vooral bij Italië en andere zuidelijke landen neer te leggen en daarnaast te ijveren voor ‘opvang in de regio’. Als je wilt kun je het hypocriet noemen, maar grosso modo speelden (West-)Europeanen het klaar om koestering van de eigen welvaart en veiligheid te combineren met het zelfbeeld van strijder te zijn voor humanitaire waarden.

Die spagaat is op dit moment niet goed meer vol te houden, door nieuwe inzichten die we gekregen hebben. Het lijkt er bijvoorbeeld op dat Merkel met haar beleid de Duitse samenleving heeft overvraagd. Een samenleving kan minder migratie aan dan in alle oprechtheid werd gedacht. Voordat je het weet creëer je op die manier een populistische weerstand die je veel verder van huis brengt. Daarmee rekening houden is realistisch, en geen zwakheid.

Verder realiseren we ons nu dat Oost-Europa dat geloof in onze waarden nooit op dezelfde manier geïnternaliseerd heeft. Wat dat betreft zit minister Blok er niet zo ver naast als hij zegt dat het straatbeeld in Praag en Warschau er anders uitziet dan bij ons. Dat Oost-Europese landen wel lippendienst bewezen aan die waarden had alles te maken met de eisen die West-Europa stelde voor toegang tot de EU. Dat kun je Oost-Europese hypocrisie, of West-Europese bevoogding noemen, maar zo is het gegaan. Van verkwanselen van waarden is in ieder geval geen sprake, want Oost-Europa heeft die waarden nooit oprecht beleden. Het heeft wel de EU-plannen voor spreiding van de migranten gefrustreerd, maar daar ging dus al een West-Europese blindheid aan vooraf.

Tenslotte wordt duidelijk dat de toestroom van migranten, met name vanuit Afrika, wel eens veel groter zou kunnen worden dan Europa ooit heeft kunnen denken, en daarmee onze welvaart serieus bedreigt. Dat inzicht stelt vragen aan je geloof in humanitaire waarden, hoe oprecht je daar tot nu toe ook in geloofde.  Het is nooit echt de bedoeling geweest dat wij welvaart zouden inleveren.

De spagaat was kortom, tot een paar jaar geleden, simpelweg beter vol te houden dan nu. Omdat een oprecht geloof in humanitaire waarden te combineren was met handhaving van onze levensstandaard en veiligheid. Dat kan niet meer.

Het is waar, er zijn nog steeds oprechte idealisten. De organisaties die reddingsoperaties uitvoeren op de Middellandse Zee. Maar, eerlijk gezegd, vind ik dat de voorvechters van volledig open grenzen zich weleens mogen afvragen in hoeverre zij met hun radicale ideeën het andere, namelijk populistische, radicalisme voeden. Of je wilt of niet, je bent onderdeel van een groter systeem en zult rekening moeten houden met anders denkende, noem ze voor mijn part minder verlicht denkende, delen van onze samenleving: Oost-Europeanen, Duitse populisten, Italiaanse kiezers.

Zie ook Met universele waarden kom je niet ver

vrijdag 13 juli 2018

Levinas en René Girard


René Girard is de filosoof van het zondebokmechanisme. Daaronder verstaat hij het verschijnsel dat één mens geslachtofferd wordt als genoegdoening voor de uit de hand gelopen rivaliteiten binnen een collectief. Dat mechanisme is al zo oud als de mensheid, maar Girard heeft het in de twintigste eeuw een plaats gegeven binnen de filosofie. Daarmee komt hij dicht in de buurt van een aantal thema’s van mijn favoriete filosoof Emmanuel Levinas.

In zijn beschrijving van het mechanisme in zijn boek God en geweld start Girard bij wat hij noemt de ‘mimesis’: de neiging van mensen om elkaars gedrag te kopiëren. In feite gaat het daarbij om jaloezie – mensen willen zijn of bezitten wat andere mensen zijn of bezitten.

De mimetische rivaliteit leidt vervolgens tot een bepaalde dynamiek die verschillende stadia doorloopt. De eerste stap is de strijd van allen tegen allen, bijvoorbeeld binnen een stadsgemeenschap. Als die strijd onbeheersbaar gewelddadig wordt kan de tweede stap in werking treden: de strijd van allen tegen allen wordt een strijd van allen tegen één. Die ene wordt fysiek geslachtofferd – meestal betekent dat: vermoord – en die gebeurtenis brengt de rust terug in de stad. Door dit weldadige effect wordt het slachtoffer al snel vergoddelijkt en als steun en toeverlaat aanbeden door de burgers.

Maar om op termijn de rust te kunnen handhaven is voortgaande slachtoffering noodzakelijk, en in die lange-termijn-behoefte blijkt het oorspronkelijke slachtoffer opnieuw een rol te kunnen spelen. Weliswaar is het slachtoffer al dood en heilig verklaard, maar het kan heel goed opnieuw geslachtofferd worden, alleen nu op symbolische wijze. Dat bevalt goed en dat gaat men vervolgens ieder jaar herhalen. De offerrituelen die daarbij horen hebben een verzoenende en kalmerende uitwerking op de stadsbevolking.

Zes jaar later, in zijn boek Wat vanaf het begin der tijden verborgen was, stelt Girard vast dat in de loop van de tijd een verschil zichtbaar wordt in de omgang met het zondebokmechanisme. Waar de heidense mythologieën, zoals die van de Mesopotamiërs, de Egyptenaren en de Grieken, hun geloof in de reinigende werking van het zondebokoffer volhouden zolang hun cultuur bestaat, ontstaat daar in de Hebreeuwse Bijbel twijfel over. Daar duikt geleidelijk aan de gedachte op dat de zondebok wel eens onschuldig zou kunnen zijn, of gepaard gaat met onnodig veel geweld.

Dat is dodelijk voor het effect van het mechanisme, want als maatschappelijk fenomeen werkt het systeem alleen als iedereen het eens is over de zondebok. Het slachtoffer moet dus neergezet kunnen worden als de oorzaak van de huidige ellende. En daar moet iedereen in geloven, inclusief de zondebok, al is het maar omdat hij zich er niet tegen kan verweren. Zodra iemand in staat is om te zeggen: dit is een zondebok, werkt dat mechanisme niet meer voor ons.

En precies dat gebeurt, aldus Girard, in de Hebreeuwse Bijbel. Eén van de plaatsen waar de twijfel over de zondebok opduikt is het boek Job. Als zijn vrienden op hem inpraten en hem proberen te overtuigen dat de ellende waarin hij zich bevindt zijn eigen schuld is, dan weigert Job daarin mee te gaan. Hij laat zich niet gebruiken als zondebok.

Het is, volgens Girard, de verdienste van de Hebreeuwse profeten dat zij het besef omtrent de mogelijke onschuld van de zondebok hebben geïntroduceerd. Zij maken bezwaar tegen deze vorm van sacraliteit die zo dicht tegen geweld aanschurkt. Zij nemen de offerrituelen op de korrel en verkondigen dat het uiteindelijk gaat om individuele en collectieve rechtvaardigheid en om niets anders.

Naar mijn idee lopen veel van Levinas’ opvattingen parallel aan deze denklijnen van Girard. Ook Levinas laat zich inspireren door de profeten en vooral hun gedachte dat niets, geen offers maar ook geen instituten of heersende moraal, jouw persoonlijke verantwoordelijkheid kan vervangen.

Tegelijkertijd is duidelijk dat op een verder punt de wegen van de beide filosofen uit elkaar gaan. Voor Girard is de logische consequentie van de ontwikkeling die hij in de Hebreeuwse Bijbel waarneemt de kruisdood van ‘het lam’ Jezus. Christus drijft op ultieme wijze de spot met het mechanisme van de zondebok, en wel op twee manieren. Enerzijds gelooft ook hij, net als Job, niet in zijn eigen schuld; maar anderzijds neemt hij toch het lijden op zich. Daarmee legt hij in één klap het geweld bloot waarop de religie en de beschaving zijn gegrondvest. Daardoor zal, aldus Girard, het mechanisme van de zondebok niet meer werken en heeft Christus ons allemaal werkelijk verlost van alle geweld dat in naam van het heilige gepleegd wordt.

Dat ‘ons allemaal’ zal Levinas te opdringerig in de oren hebben geklonken. En hij zal erop gewezen hebben dat het zondebokmechanisme met het ontstaan van het Christendom bepaald niet is verdwenen. Het Christendom beschouwde nog eeuwenlang het lijden van Christus als een offerrite, en blijft dat in het misritueel ook systematisch herhalen. Daarnaast zijn gedurende bijna twee millennia Christelijke overheersing de Joden veelvuldig ingezet als zondebok waarop allerlei maatschappelijke onvrede geprojecteerd kon worden.

Door een levinassiaanse bril bekeken moet je zeggen dat Girard wat te vroeg gejuichd heeft en een zekere blindheid vertoont voor het reëel bestaande Christendom en zijn gedroomde moraal.

Zie ook Zondebok (2)

zondag 1 juli 2018

Voetbal, broeklengte en islamisering


Als je die ultrakorte voetbalbroekjes van de jaren zestig en zeventig vergelijkt met de comfortabele lengtes van vandaag de dag, dan is de voetbalkledij toch wel een stuk relaxter geworden. Eerlijk gezegd vond ik die hitserige broekjes er toen al niet uitzien, en het heeft beslist bijgedragen aan mijn desinteresse voor of weerzin tegen alles wat sportief was. Bewegen vond ik altijd wel leuk, maar met ballen was ik onhandig en de lol van het breken van records ken ik niet.

Laatst las ik dat, in weerwil van de seksuele bevrijding die we vanaf de jaren zestig hebben beleefd, de niet-preutsheid van de samenleving niet langer dan een decennium geduurd heeft. De associatie van publiek bloot met nieuw gewonnen vrijheid was gedurende de jaren zeventig zo sterk dat het de afstotende werking ervan overtrof. Maar daarna werd het waarschijnlijk toch als te onrustig beleefd.

In ieder geval ontwikkelde zich vanaf de jaren negentig de sportieve en andere mode weer naar beduidend langere lengtes. Het verwondert me niet, ik denk dat dat rustiger aanvoelt en dat mensen dat, bewust of onbewust, comfortabeler vinden.

Het zou me niets verbazen als die trend gaat doorzetten, mede onder invloed van de opvattingen en gevoelens van Moslims over deze dingen. Maar dan moet het niet zo zonnestekerig heet zijn als met de warme dagen die we nu beleven. Nu tekent zich op straat eerder een scherpe tweedeling af tussen degenen die teruggaan naar de mini-afmetingen van de jaren zeventig en degenen die daar niets van willen weten.

Zie ook Alcohol

zaterdag 23 juni 2018

Liefde en hypocrisie


Soms vind ik Naema Tahir als columnist een beetje simpel. Maar naar aanleiding van het huwelijk van Harry en Meghan sloeg ze de spijker op de kop. De schenkende, of opofferende liefde waarover bisschop Curry zo begeesterd preekte, is mooi, maar de bisschop gaat te ver als hij de opofferende liefde presenteert als “oplossing voor alle problemen in de wereld.”

Ik vond het best moedig ook, van Tahir. Want “zijn toespraak toverde een glimlach op de lippen van menigeen.” Eindelijk weer eens een verschijning die het grote publiek iets meer biedt dan bling-bling-verhalen en materieel nepgeluk en dan ga jij daar direct een vraagteken bij plaatsen?

Wat mij betreft is het van het grootste belang dat vraagteken te durven zetten. Want als model voor sociaal of maatschappelijk handelen is opofferende liefde onbruikbaar. En dat niet alleen, het is gevaarlijk. Die modelmatige opvatting van liefde impliceert namelijk de gedachte dat je opoffering als generiek ideaal kunt poneren en propageren. En vervolgens als iets wenselijks kunt opleggen aan anderen en het tot programma kunt uitroepen. Juist vanwege het enthousiasme dat erbij hoort, is de overgang naar dat soort utopieën snel gemaakt. Inclusief strengheid en veroordeling van wie de idealen niet deelt of er niet aan voldoet. Dan kom je uit bij de hypocrisie van de ‘liefdesgestichten’ van de Zusters van de Goede Herder, die afgelopen weken in het nieuws waren omdat daar van 1860 tot 1973 zeker 15.000 meisjes en vrouwen onbetaald werk moesten verrichten. Of bij de afgedwongen solidariteit van de communistische heilstaat. Zie ook de geschiedenis van de Maatschappij van Weldadigheid in Veenhuizen.

Er is een goede verklaring voor het verschijnsel dat veel goedbedoelde ideologieën van zelfopoffering op zo’n ontluisterende manier in hun tegendeel verkeren. Het idee van zelfopofferende liefde boort diepe verlangens van overgave aan en genereert enthousiasme, zoals zichtbaar in de reacties op de bisschop. Maar het zijn waarschijnlijk precies dat enthousiasme en diepe verlangen die ongeduld en realisatiedrift genereren. En daarmee haast en lichtzinnigheid. En dat resulteert in dwang en hypocrisie, want het onbereikbaar gebleken ideaal moet wel overeind worden gehouden.

De wereld zit ingewikkelder in elkaar dan het simplistische enthousiasme wil weten. Dat enthousiasme, ook al is het voor zoiets als liefde, is dus enigszins wereldvreemd, en als het daar achter komt wordt het gevaarlijk. Want om de veronderstelde maar achterblijvende utopie alsnog te redden moet je steeds meer dwang en leugen in gaan zetten.

Zelfopofferende liefde is beslist een aanstekelijk fenomeen. Maar per saldo is het – op z’n best – mogelijk van belang voor het individu, maar als maatschappelijk model niet te gebruiken; en op z’n slechtst, wanneer het wél wordt ingezet als maatschappelijk model: een bron van hypocrisie en gewelddadigheid.

Jonathan Sacks verwoordt het als volgt: “Liefde, bij uitstek de emotie die vorm geeft aan menselijke banden en die ook nieuw leven voortbrengt, is noch simpel noch universeel goedaardig in haar effecten.” Rechtvaardigheid is minstens zo belangrijk.

Zie ook Een kwestie van volwassenheid en Ongemakkelijke vragen

zaterdag 16 juni 2018

Hoe ga ik hiermee om?


Alarmerend nieuws van het klimaatfront: het verlies aan ijs op Antarctica is in tien jaar verdrievoudigd. Een forse zeespiegelstijging dreigt.

Hoe ga ik om met dat soort nieuws? Vaak dacht ik: dit is een ernstig probleem, maar het zal mijn tijd wel duren. Maar ik begin me te realiseren dat het nog sneller kan gaan dan eerst gedacht, en dat ik er volop mee te maken krijg.

Ik vind het lastig dat ik dit probleem ernstiger neem dan de meeste mensen die ik tegenkom. Wat moet ik zeggen tegen mijn vrienden, kennissen, familie die vliegen de gewoonste zaak van de wereld vinden? En hoe houd ik me staande tegenover al die surrealistische berichten over ‘de noodzaak van een tweede nationale luchthaven’ en voorspellingen over verdubbeling van het aantal vluchten wereldwijd in de komende jaren? De cognitieve dissonantie wordt welhaast ondraaglijk.

Ik kan natuurlijk voordeel behalen uit het feit dat ik zwaarder til aan deze ontwikkeling dan anderen. Het zou mij moeten helpen om te verhuizen van het Westen van het land naar de veiligere hoge zandgronden, vóórdat iedereen dat wil, de huizenprijzen in de Randstad gaan zakken en op de veilige plekken gaan stijgen.

Maar daar moet ik nog even niet aan denken. Ook voor mij is er kennelijk nog meer alarmerend nieuws nodig.

Zie ook Ik heb makkelijk praten

woensdag 6 juni 2018

Nijmegen 2018


Alsof 1968 niet vijftig jaar geleden was, en Nijmegen nog steeds de springlevende hoofdstad van activistisch Nederland. Die indruk hield ik over aan de lezing Levinas, Vulnerability and Responsibility door de Levinas-kenner Robert Bernasconi, maar vooral aan de aansluitende discussie met Anya Topolski, filosoof van de Radboud Universiteit.

Onze verantwoordelijkheid voor de ander, voor álle anderen, voor ál het onrecht in de wereld is eindeloos, en niet te delgen. Op een andere manier kon je Levinas niet lezen, volgens de discussianten op het podium, en daaruit volgde dat je gehouden bent een niet aflatende strijd te voeren tegen de status quo van de gevestigde orde, en voor rechtzetting van onrecht.

Maar, kwam de vraag uit de zaal, kan daar ook niet een grens aan zitten? Je kunt toch soms de grenzen bereiken van wat je kunt dragen aan lijden, en je daar dus, al is het maar tijdelijk, voor af willen sluiten? Al is het maar voor je geestelijke gezondheid?

Nee, was het antwoord van de discussianten op het podium, de theorie van Levinas laat een dergelijk afstand nemen niet toe. Onze verantwoordelijkheid is volgens die theorie oneindig, en die last zullen we in zijn volheid moeten dragen.

Ik vind dit niet zo’n vruchtbare uitleg van Levinas, maar ik moet toegeven dat de meester zelf daar duidelijker in had kunnen zijn. Maar ik geloof niet dat hij ons heeft willen opzadelen met de ondraaglijke kwetsbaarheid waarover Bernasconi en Topolski met enige graagte spraken.

Bovendien zal een Levinas met zoveel ‘moeten’ niet makkelijk aanslaan, denk ik. Dus als hij het wel zo bedoelde dan ben ik zo vrij om dat te schrappen als tamelijk onbruikbaar. Er blijft genoeg waardevols over. Met name de, gelukkig door Bernasconi benadrukte, boodschap – tegen de gangbare cynische filosofie in – dat er zoiets is als ‘aangeslagen zijn door de ander’ en je in je handelen daardoor laten leiden – dat is revolutionair genoeg. Ook voor Nijmegen.

Zie ook Levinas en mei '68 en Levinas zoals ik hem begrijp

donderdag 31 mei 2018

Verontrustend?


Vorige week publiceerde het CBS de resultaten van het onderzoek ‘Sociale Samenhang en Welzijn’.  Daaruit bleek onder andere dat de bevolking behoorlijk vertrouwen heeft in de politie en de rechtspraak (ongeveer 70% heeft dat), laag vertrouwen in de politiek (40%) en nog minder in de journalistiek (32%).

Ik prijs mezelf gelukkig dat ik dat wantrouwen in de journalistiek niet deel, en me met volle hartstocht kan overgeven aan politieke en culturele beschouwingen in NRC en Trouw, en aan de columns van Stevo Akkerman, Caroline de Gruyter, Abdelkader Benali, Luuk van Middelaar en vele anderen.

Welbeschouwd is de score van de journalistiek in de CBS-onderzoek ook helemaal niet zo verontrustend. Dat de kwaliteitspers maar een relatief klein aandeel heeft in de nieuwsconsumptie wisten we allang. Als we ervan uitgaan dat 20% van de Nederlanders kwaliteitskranten leest (ik heb geen idee, maar meer zal het niet zijn), dan waag ik de stelling dat die 20% (dus: 100% van die lezers), net als ik, daarover tevreden is. Je betaalt daar per slot van rekening niet voor niets voor. Laten die media dus vooral blijven doen wat ze doen, want dat is goed en gewaardeerd werk.

Opmerkelijker vind ik uiteindelijk dat het resterende percentage tevreden mediaconsumenten (dat wil zeggen 32 min 20 is 12%) best hoog is. Die 12% heeft dus het volste vertrouwen in de pulp van Metro, GeenStijl, Facebook en Twitter, en dat is wel verontrustend. Maar 88% heeft dat dus niet.

Gelukkig meldt een onderzoek van communicatiebureau Counter Content dat het NOS Journaal, vooral in de persoon van Annechien Steenhuizen, gezien wordt als de meest betrouwbare brenger van nieuws.

Zie ook 59 doden

vrijdag 25 mei 2018

59 doden


Het is 14 mei 2018. Om 20.00 uur staat het aantal door Israël gedode Palestijnen op 59.

Ik ben altijd opgelucht als we op het Journaal dat onderwerp hebben gehad. En dan brengt het Journaal het nog op een relatief uitgebalanceerde manier. Ze vertellen over de waarschuwingen die het Israëlische leger tevoren geeft, over de interpretatie door Israël van plaatsing van explosieven en overschrijding van de grens als vijandelijke handelingen. En vervolgens over het schieten met scherp.

Wat een verschil met bijvoorbeeld het Franse nieuws. In ieder geval met France 2, dat op 14 mei volledig koos voor het Palestijnse perspectief, uitsluitend daar beelden van gaf, met veel oog voor de heroïek achter de brandende banden. Dat zal te maken hebben met de Franse sympathie voor verzet tegen gevestigde belangen, zolang het niet hun eigen belangen zijn.

In de regel is dat met de Nederlandse media die ik tot me neem inderdaad wel beter gesteld; de dilemma’s komen daarin beter uit de verf dan in de Franse. In Trouw kwamen bijvoorbeeld twee internationaal juristen aan het woord die menen dat veel van het gedrag van Israël volgens internationaal recht gewoon geoorloofd is. Zoals het verdedigen van grenzen, het tegenhouden van een dreigende invasie, en zelfs het doelbewust doden van mensen, al ben je gehouden om het aantal dodelijke slachtoffers zoveel mogelijk te beperken. “Het lijkt er niet op dat ze dat hebben gedaan.”

Trouw beperkt zich niet tot de visie die (terecht) alom wordt gehoord: dat de Gazanen, en masse opgesloten als ze zijn op een paar vierkante kilometer, geen menswaardig leven hebben – in de woorden Stevo Akkerman: “die wanhoop in Gaza is reëel en zit diep.” In die zelfde krant toont Monique van Hoogstraten daarnaast ook het dilemma van een kibboetsbewoonster die uitkijkt op de Gazastrook: “Mijn zoon is net uit het leger. Ik zou niet willen dat hij daar moest staan om iemand dood te schieten. Maar aan de andere kant: als ze met een massa doorbreken…dat wil je ook niet.”

Dan blijkt dat over de impact van zo’n doorbraak weldenkende mensen nogal van mening kunnen verschillen, en dat laten de Nederlandse media goed zien. Crescas-columnist Salomon Bouman vraagt zich af: “Was het wel een front in de militaire zin van het woord? Werd Israël werkelijk bedreigd?” De twee juristen die in Trouw aan het woord komen, menen dat een doorbraak op te vangen zou zijn met arrestatie en berechting. En dat de instructie om te schieten met scherp dus buitenproportioneel is.

Omdat ik zelf nog niet voor me zie hoe je een massale doorbraak met arrestaties en berechting kunt pareren, herken ik mijn eigen positie beter bij Van Hoogstraten. Zij stelt, in reactie op de vraag van Hamasleider Yehya Sinwar: “Wat is het probleem als honderdduizenden het grenshek bestormen dat niet eens een staatsgrens is?”, het volgende: “Dat is voor Israël een immens probleem. Het leger grijpt juist zo hard in om te voorkomen dat eerst een kleine groep Palestijnen door het hek breekt, en daarna een massa de grens over zou steken. Wat er dan zou gebeuren is niet te overzien.”

Ten slotte citeert Trouw de Gazaanse politiek analiste Reham Owda als volgt: “Hamas is erin geslaagd de aandacht van de wereld te krijgen voor de Palestijnse zaak. Ze hebben begrepen dat ze niet nog meer mensen konden opofferen.” Het is inderdaad niet menswaardig zo te moeten leven.

Zie ook Er verandert niet veel

vrijdag 11 mei 2018

Wijntje of trijntje


Etnisch profileren is natuurlijk niet goed. Maar ook zo natuurlijk dat het bijna vanzelf gebeurt.

Zo heb ik weleens gelezen dat in de negentiende eeuw een Amsterdamse hoofdcommissaris van politie bepaalde soorten overtredingen koppelde aan bevolkingsgroepen. Hij had vastgesteld dat openbare dronkenschap en andere alcohol-gerelateerde overtredingen over het algemeen een zaak waren van autochtone Amsterdammers. Bij overtredingen op het gebied van prostitutie en zedendelicten waren in meerderheid allochtonen – ofwel, in die tijd: Joden – betrokken.

Ik moest daaraan denken toen ik onlangs in de krant las over Israëlische onderzoekers die met behulp van fruitvliegjes hebben vastgesteld dat alcohol voor dezelfde beloning in de hersenen zorgt als seks. Dus dat alcohol en seks rivaliserende prikkelmiddelen zijn.

De fruitvlieg, schrijven Israëlische biologen in het vakblad Current Biology, beleeft zijn extase tijdens de zaadlozing. Dat konden ze laten zien door de ejaculatie kunstmatig op te wekken. Daarvoor maakten ze gebruik van een bepaald soort rood licht dat de mannetjes-vliegjes op die momenten in opperste staat van geluk bracht, zonder dat er seks aan te pas was gekomen. Ze waren daarna volmaakt tevreden, en hadden nergens meer behoefte aan.

Dat bleek als de vliegjes na blootstelling aan het rode licht zoete drankjes kregen voorgeschoteld, waarvan een deel met alcohol. De seksueel verzadigde vliegjes kozen bijna allemaal voor suikerwater zonder alcohol. De mannetjes daarentegen die op seksuele onthouding waren gezet, zochten hun bevrediging elders. In de drank, met name.

Een beetje zoals Katholieke celibatairen zich vroeger moesten behelpen met een ‘wijntje’ voor het gemis aan een ‘trijntje’. Het zou, afgaand op dit onderzoek, dus goed kunnen kloppen dat de keuze voor een favoriet pepmiddel per bevolkingsgroep en etnische cultuur verschilt. En dat die keuzes tot in de overtredingensfeer terug te zien zijn.