vrijdag 14 juni 2019

Keppel


Waarom draag ik wel of niet permanent een keppel? Die vraag kun je je als Jood sowieso regelmatig stellen, maar hij werd voor mij wat acuter door een recent artikeltje van rabbijn Evers.

Daarin noemt hij een aantal motieven voor het dragen van een keppel, zoals de wens om je te onderscheiden van niet-Joden, de wens om je bínnen de Joodse groep te onderscheiden (er zijn immers vele soorten keppeltjes met elk een eigen ideologische lading), en respect voor het hogere: het gevoel dat er iets boven ons is. Geen van deze motieven spreekt mij bijzonder aan.

Het vierde motief maakte mij alert. Het luidt als volgt: “Een hoofdbedekking is onderdeel van onze kleding. We bedekken onze hersenen omdat we ons schamen voor ons verstand. God heeft de mensheid met zeer veel intelligentie begiftigd, maar als wij het resultaat van onze inspanningen aanschouwen, komen wij al gauw tot de conclusie dat wij er niet veel van hebben gebrouwen. De wereld had zo veel mooier kunnen zijn.”

Ik vind dit motief interessant omdat het raakt aan het thema dat mij al jaren bezighoudt: dat van de denkschaamte, dat wil zeggen de schaamte die je kan overvallen omdat je te veel denkt, en daarmee over een ander heen walst. Daarnaar verwijst de titel van mijn Engelse boek: The Shame of Reason.

Misschien is mijn associatie wel helemaal onterecht, en bedoelt Evers dat wij mensen juist te weínig denken, en het geschenk van ons verstand niet goed genoeg gebruiken. Maar toch, als ik een keppel had met de tekst ‘The Shame of Reason’ dan zou ik die misschien wel dagelijks dragen.

Zie ook Samenvatting van Schaamte en verandering

donderdag 6 juni 2019

Misleidende ideeën over verantwoording


In de kringen waar ik me thuis voel is het gebruikelijk om onderscheid te maken tussen de organisatiemodellen van Angelsaksische snit en die van Rijnlandse snit, en vervolgens een, al dan niet lichte, voorkeur uit te spreken voor het Rijnlandse model.

Grofweg kun je zeggen dat het Angelsaksische denken symbool staat voor verticaal, top-down organiseren; in alles is het primair gericht op het creëren van aandeelhouderswaarde en op winstmaximalisatie op de korte termijn, dus processen moeten zo efficiënt en goedkoop mogelijk gemanaged worden.

De Rijnlandse traditie stelt andere prioriteiten: er wordt meer op lange termijn gedacht, en horizontaal organiseren staat voorop, waarbij vakmensen (professionals) in de voorste linie weten wat hun klanten, patiënten of burgers willen. De rest van de organisatie plooit zich daarnaar en zorgt voor passende ondersteuning. En het leiderschap? ‘Wie het weet, mag het zeggen’, ook als je geen manager bent. Er is in het Rijnland meer oog voor andere zaken dan geld en de belangen van de aandeelhouder alleen.

De bredere scope van het Rijnlandse model, zowel qua betrokken groepen burgers als qua tijdshorizon, en de nadruk op vertrouwen en overleg maken dat ik me daar het meeste thuis voel. Tegelijkertijd vind ik het van belang dat aanhangers van de twee modellen met elkaar het gesprek voeren over de waardenstelsels die zij in zich bergen, al was het maar omdat te veel mensen tegen hun zin in het Angelsaksische model gedwongen worden, want dat is in de mode.

Ik ga in mijn voorkeur voor het Rijnlandse model niet zover om te zeggen, zoals anderen soms doen, dat het door zijn eigenschappen moreel superieur zou zijn aan het Angelsaksische model. Voor je het weet zet je de andere partij neer als moreel inferieur, en dat is niet zo vruchtbaar voor een goed gesprek. Ik ga er liever vanuit dat in beide modellen mensen oprecht hun best doen om het goede te doen.

Gezien mijn uitgangspunt – dus: dat alle mensen in welk model ook hun werk graag goed willen doen, en daarover ook verantwoording willen afleggen – is voor een goed gesprek de constatering interessant dat het juist op dat vlak van de verantwoording in beide modellen goed mis kan gaan. En wel vanwege de respectievelijke ideeën over verantwoording die er leven. Wanneer doe je het goed?

Van het Angelsaksische model kun je best zeggen dat verantwoording een centrale plaats inneemt. Dat is wel een zeer specifieke vorm van verantwoording, namelijk zo volledig mogelijke transparantie in bedrijfsmatige zin. Omdat daarbij zo’n beetje alles in geld wordt uitgedrukt, is alles meetbaar. Doordat via een stelsel van regels en procedures permanente registratie plaatsvindt, zijn permanent alomvattende overzichten en verslagen voorhanden. Bovendien is het volstrekt duidelijk wie de baas is en wie welke verantwoordelijkheden draagt. Via de perfecte verslaglegging kunnen medewerkers direct op hun prestaties worden afgerekend.

Wat er mis gaat heeft alles met deze manier van verantwoording te maken: het plaatje is perfect transparant, maar er staat een heleboel niet in. Namelijk dat wat niet in geld is uit te drukken. Je zou kunnen zeggen dat het ideaal van een perfecte rationele verantwoording (want die is aanwezig) het model opzadelt met een illusie die nauwelijks nog verbinding heeft met de werkelijkheid.

Het Rijnlandse model is wat smoezeliger in zijn verantwoordingspraktijken. Er zijn meerdere stakeholders in het spel, zoals werknemers, klanten, leveranciers en de samenleving als geheel, en die zijn allemaal even belangrijk, dus dan wordt het gauw wat onoverzichtelijker. Dat maakt ook dat er minder gecentraliseerde registratie en proceduredruk (mogelijk) is, en dat de illusie van een compleet verantwoordingsplaatje minder kans heeft om toe te slaan.

Maar binnen het Rijnlandse model doet die illusie zich wél voor op een ander vlak, en dat is het vlak van de professional die in dat model zo’n belangrijke rol speelt. Plaatjes van perfecte en zuivere verantwoording bestaan daar in sterke mate. Zij zijn geworteld in de professionele standaarden die vakmensen in hun opleidingen meekrijgen, en de kwaliteitseisen die de beroepsgroepen formuleren. Daaraan wil de professional voldoen, en helaas blijft er dan ook veel buiten beschouwing. De verhalen over psychologen in de GGZ die hun eigen gang gaan, over specialisten in ziekenhuizen en rechters die prima hun eigen ding doen maar zich verder niets gelegen laten liggen aan het grotere verband waarbinnen ze werken, zijn legio. Zij kunnen op hun eigen manier het contact met de werkelijkheid kwijt zijn. In dat ideaal van professionele verantwoording, eveneens van rationele en procedurele aard, heeft het Rijnlandse model dus zijn eigen valkuil.

Overigens valt op dat in het net genoemde rijtje voorbeelden het vooral de academisch geschoolde en beter betaalde professionals zijn die eigenheimerig hun gang gaan. Politieagenten, verpleegkundigen en leraren staan daar niet bij. Ik denk dat dat komt omdat de professionele verantwoordingspraktijken van deze laatste minder strikt rationeel en wetenschappelijk zijn uitgewerkt en dus ook minder snel de illusie wekken dat perfecte verantwoording mogelijk is.

Mijn punt is dat in zowel het Angelsaksische als het Rijnlandse model, uitgaande van mensen die hun werk goed willen doen, de wijze waarop ze zich menen te moeten verantwoorden met hen op de loop kan gaan. In beide gevallen is die valkuil gelegen in de fata morgana van een rationeel onderbouwde perfecte verantwoordingsmogelijkheid. In beide gevallen komen daardoor delen van de werkelijkheid buiten beschouwing te liggen.

Daar moeten goedwillende mensen op aan te spreken zijn, toch?

Zie ook Automaten, koffie en automatenkoffie

vrijdag 31 mei 2019

Etnische zuivering


Jammer dat CIDI zich in zijn verslag van blunders van de Volkskrant en NRC laat verleiden tot dezelfde soort oppervlakkigheid en eenzijdigheid als die kranten vertonen. In de Volkskrant werd bericht dat de concertzaal Expo waar het Songfestival werd gehouden gebouwd zou zijn op de ruïnes van het Palestijnse dorp Al-Shaykh Muwannis. In NRC nam columnist Ellen Deckwitz dat bericht ongecheckt over, om Israël vervolgens van sunwashing te beschuldigen vanwege de propaganda rondom het Songfestival met een stroom van zonovergoten Israëlische landschappen “waar bloed aan kleeft”.

Maar dit klopt niet allemaal met de feiten, zo stelt de CIDI Nieuwsbrief, want dat dorp lag ergens anders, namelijk waar nu de campus is van de Universiteit van Tel Aviv. Die feitelijke correctie lijkt me niet meer dan juist, dus tot zover is dit een nodige en terechte reactie van CIDI.

Wat me stoort is dat vervolgens de schrijver van het Nieuwsbriefartikel, en daarnaast ook nog eens de CIDI-directeur in haar Commentaar, er niet voor terugschrikken om het achterhaalde sprookje te reproduceren over Israëls onschuld ten aanzien van de verhuizing van de Arabische inwoners uit het grondgebied van de Joodse staat. Israël zou daar op geen enkele manier de hand in hebben gehad, veel van de Arabische inwoners verlieten op instructie van hun eigen leiderschap hun huizen. “Hun werd beloofd dat ze snel terug zouden keren nadat Israël de oorlog had verloren en de Joden waren verdreven”.

Misschien is het in het geval van Al-Shaykh Muwannis zo gegaan, maar de suggestie die de auteurs wekken dat het overal zo ging en dat van etnische zuivering door Israël dus geen sprake kan zijn is ongelofelijk, en bijna vals te noemen. Serieuze, ook Israëlische historici zijn het er al jaren over eens dat een zeker mate van etnische zuivering bewust gepland werd en systematisch heeft plaatsgevonden.

Bijvoorbeeld in het Arabische stadje Lydda, waarover Ari Shavit vertelt in zijn boek Mijn beloofde land. Shavit laat zien hoe al direct na de verovering door het Israëlische leger van Lydda op 11 juli 1948 grootschalig geweld plaatsvond, uitgeoefend door Israëlische soldaten. Daarna volgde een slachting in en rondom de kleine moskee van Lydda, met 200 gedode burgers als gevolg. Doodsbenauwd voor een nog grotere slachtpartij smeken Lydda’s Arabische leiders de Israëlische militaire gouverneur of de bevolking het stadje mag verlaten.

Shavit: “Wanneer het nieuws van de slachting bekend wordt vraagt Jigal Allon aan Ben-Gurion wat men met de Arabieren aan moet. Ben-Gurion maakt een handgebaar: deporteren. Uren na de val van Lydda vaardigt Jitschak Rabin, stafofficier Operaties, een schriftelijke order uit: ‘De inwoners van Lydda moeten, ongeacht hun leeftijd, snel worden afgevoerd’”.

Wanneer men, aldus Shavit, de zwarte doos opent, valt nog te begrijpen dat het bloedbad in de kleine moskee een misverstand was als gevolg van een tragische reeks incidenten. Maar  de verovering van Lydda en het uitzetten van de inwoners was beslist géén incident.

Zelfs Israëlische officieren die Shavit moreel hoog heeft zitten, waren er volgens hem van overtuigd dat er vuil werk gedaan moest worden. Zoals die door hem hoog geachte militaire gouverneur van Lydda, Shmaryahu Gutman. Shavit: “Hij is zich volledig bewust van de strategische en morele dilemma’s waarmee hij wordt geconfronteerd. Hem was altijd al duidelijk dat het de taak van zijn generatie zou zijn om het land te ontdoen van de Arabieren. En altijd heeft hij beseft hoe afschuwelijk het zou zijn om het land te ontdoen van de Arabieren. Daarom heeft hij steeds gezocht naar meer ‘geraffineerde’ manieren om ze kwijt te raken. Hij wilde hen helemaal niet doden of verdrijven; hij wil hen zover krijgen dat ze eigener beweging opstappen”.

Het onder ogen zien van deze historische feiten brengt Shavit overigens niet tot een veroordeling van de betrokken Israëlische leiders. Hij wenst geen banvloek uit te spreken over de brigadecommandant, de militaire gouverneur en de jongens van het trainingsteam. “Ik besef namelijk dat als zij er niet waren geweest, de geboorte van de staat Israël niet zou hebben plaatsgevonden. Zij hebben het smerige, vuile werk gedaan waardoor mijn volk, ikzelf, mijn dochter en mijn zoons kunnen leven”.

Het zou CIDI hebben gesierd als het, in de geest van Shavit, in zijn berichtgeving en commentaar het onschuldsprookje had vermeden en gedaan had waar het altijd goed in was: het respecteren van de feiten.

Zie ook Right en wrong

vrijdag 17 mei 2019

Onder de indruk


Ik was óók erg onder de indruk van Edith Eva Eger, de ballerina van Auschwitz. Dat zeg ik zo omdat Stevo Akkerman in de krant vertelde hoe hij van zijn sokken geblazen werd door de interviews met haar van de afgelopen maand.

Dat snap ik goed. Eger had moeten dansen voor Jozef Mengele terwijl haar ouders vermoord werden. Ze kwam meer dood dan levend uit het kamp, maar bleek in staat om in de Verenigde Staten uit te groeien tot een succesvolle psychotherapeut. Onlangs publiceerde ze, nu 91, het boek De keuze.

Geheel begrijpelijk stelt Akkerman zichzelf de vraag hoe een mens zo’n draai kan maken, van haat naar liefde: “Als dat ons, geconfronteerd met het doodgewone kwaad in onze doodgewone levens, al nauwelijks lukt, hoe haar dan wel?”

Die fascinatie kan ik volgen, en ook die andere die Akkerman er aan toevoegt: “Ze deed me denken aan Etty Hillesum in haar menselijkheid”. Maar hoe leidend moet een dergelijke fascinatie zijn? Betekent dit dat dergelijke uitzonderlijke voorbeelden maatstaf moeten worden voor de beoordeling van onszelf en anderen?

Ik stel die vraag omdat bij mij tegelijkertijd herinneringen bovenkomen aan behoorlijk vernietigende oordelen van Akkerman over het huidige gedrag van de staat Israël. Afgewogen in zijn oordeel is Akkerman altijd, maar toch: je zou daar, op basis van zijn boven geciteerde consideratie met onze menselijke gesteldheid, wat meer mildheid verwachten.

Enigszins bijgesteld zou zijn vraag vanuit die consideratie kunnen luiden: als het ons, geconfronteerd met het doodgewone kwaad in onze doodgewone levens, al nauwelijks lukt om daar fatsoenlijk mee om te gaan, hoe kun je dan verwachten dat er in Israël, met al die door de Sjoa en latere verdedigingsoorlogen (zwaar) getraumatiseerden, iets anders uitkomt dan nu het geval is: een land dat overleving nog steeds op de eerste plaats zet, en dat besloten heeft om zich – een groep bijzondere activisten daargelaten – niet erg te bekommeren om het Palestijnse leed?

Ik snap dat je in deze gewelddadige wereld bakens zoekt waaraan je hoop kunt ontlenen. Maar het gaat fout als je gewone mensen in hun dagdagelijkse sores en struggle for life gaat afrekenen op hun tekortschieten ten opzichte van buitengewone mensen als Eger of Hillesum.

Terecht zegt hij, met Arnon Grunberg in zijn essay Oorlog en kamp gaan altijd ook over ons, dat het gevaarlijk is om de mens te beschouwen als fundamenteel onbeschadigd en tot perfect gedrag in staat. Maar is dat niet wat er gebeurt als westerse commentatoren Joodse helden uitkiezen en hen reduceren tot handleidingen voor het leven in de meest extreme omstandigheden? Die zijn allemaal al gauw van bovenmenselijke, onbevlekte statuur: Eger, Hillesum, Jezus, Maria. De rest woont in Israël of zit in zaken.

Zie ook De gelaagdheid van Ari Shavit

donderdag 9 mei 2019

Het Europarlement als huiskamer


Mijn smaak voor politiek werd gewekt toen ik, in de jaren 1970, in korte tijd via de tv een aantal kamerdebatten kreeg voorgeschoteld. Ik weet niet meer waar ze over gingen, maar ik weet wel dat een aantal hoofdrolspelers zoals Den Uyl, Wiegel, Van Agt, Van Thijn mij geleidelijk aan vertrouwd werden als bekende karakters.

Ik vond het interessant om te zien hoe ze wel of niet op elkaar ingingen, pleidooien hielden of grappen maakten. Ik kreeg er een intiem gevoel bij, zo van ik ken die mensen. De Tweede Kamer voelde als de nationale huiskamer, eigendom van ons allemaal.

Zoiets moet voor het Europarlement langzamerhand ook mogelijk zijn, denk ik wel eens. De problematiek die ter sprake komt heeft het beslist in zich, de behandelde kwesties lenen zich voor identificatie en betrokkenheid. Of het nu gaat over boetes voor BigTech, het verbod op insecticiden of handhaving van rechtsstatelijkheid, het is allemaal van groot belang.

Een aantal Europolitici heeft het ook wel in zich om betrokkenheid (of verontwaardiging) te wekken met hun optreden en overtuigingen, denk aan Guy Verhofstadt, Margrethe Vestager, Nigel Farage, Frans Timmermans. Inderdaad, mede door de manier waarop ze interacteren.

Maar de media zijn nog niet gewend om even veel aandacht te besteden aan Europarlementdebatten als aan Tweede Kamerdebatten. Bijvoorbeeld door hoogtepunten daaruit, al dan niet live, te vertonen.

Maar misschien is wat een echte huiskamerbeleving nog het meest in de weg staat is de afwezigheid van een enkele, gedeelde taal in de debatten. Uitwisseling van meningen, verwijten of grappen vindt nu eenmaal directer plaats als er geen vertaler tussen hoeft te zitten. Daar zullen we dan toch echt aan moeten wennen.

Zie ook Baudet verklaard

vrijdag 3 mei 2019

Antisemitisme


Al was het feest vorige week – dat van onze bevrijding uit de slavernij van Egypte –, ik wilde toch even mijn gedachten laten gaan over zoiets ongezelligs als antisemitisme. De aanleiding vormden twee interviews in de krant.

Het ene interview was met Ivan Jablonka, Frans historicus en schrijver. Hij merkt op dat het ondoenlijk is om antisemitisme toe te schrijven aan concrete aanleidingen of aan bepaalde bevolkingsgroepen. In Frankrijk bijvoorbeeld leefde het vanaf het einde van de negentiende eeuw – even los gezien van al de eeuwen daarvóór – evenzeer in de arbeidersbeweging als in de bourgeoisie, en tegenwoordig vind je het zowel op uiterst links als uiterst recht. En dan maakt hij de grote, maar naar mijn idee terechte sprong naar de conclusie: “De onderliggende gedachte is dat Joden de wereld verstoren, dat de wereld beter af zou zijn zonder Joden of Israël. Dat is de grondtoon”. Met andere woorden: Joden zijn per definitie aanstootgevend, met of zonder bekering tot het Christendom, met of zonder Israël, of ze nu kapitalist zijn of communist of nette burgerman.

Deze conclusie is in lijn met mijn eigen conclusies in een aantal columns, dat antisemitisme feitelijk fungeert als iets metafysisch, als een axioma, waar mogelijk corrigerende constateringen geen vat op hebben. Antisemitische opvattingen lijken niet bijstuurbaar te zijn, dat maakt het zo moeilijk om er tegen te vechten.

Wat je wel kunt zeggen is dat sommige uitspraken van onze kant niet bepaald helpend zijn. Daarmee kom ik op het tweede interview dat me bezighoudt, namelijk dat met rabbijn Yanki Jacobs in Trouw over het Pesachfeest. Naar aanleiding daarvan zegt Jacobs: “Dit feest gaat over vrijheid – je nooit laten begrenzen, niet door jezelf, niet door anderen, niet door wat dan ook”.

Het eerste deel van de uitspraak gaat nog, want jezelf overwinnen is natuurlijk altijd iets moois. Maar de tweede helft kun je gemakkelijk lezen als een pleidooi om je van anderen niets aan te trekken, en dan is het nogal een uitspraak. Misschien bedoelt hij het niet zo, maar dan moet hij het ook niet zo zeggen. De associaties met zich superieur voelende herrenvolken zijn snel gemaakt. Judaism first, zeg maar.

Dan heb ik meer met het Jodendom à la Levinas. Waar Jacobs zich eigenlijk plaatst in een lange rij van westerse denkers, van Socrates tot de stoïcijnen en van Sartre tot de hippies, die vrijheid en onverstoorbaarheid tot hoogste goed verklaren, laat Levinas iets anders zien. Levinas problematiseert op een fundamentele manier het westerse uitgangspunt van het autonome, vrije zelf.  Zijn voorstel is om daartegenover nu eens niet een nieuwe filosofie van de vrijheid te zetten, maar een filosofie van de verantwoordelijkheid, die start bij de ander. En dat komt mij voor als heel Joods.

Maar kun je dan geen Pesach meer vieren, het feest van de vrijheid? Natuurlijk wel, iedere bevrijding uit welke onderdrukking en slavernij dan ook is het waard om herdacht en gevierd te worden. Maar dat is iets anders dan je van anderen niets aan te trekken.

Zie ook Levinas als revolutionair

donderdag 18 april 2019

Een moeder voor de stad


Ik schrik een beetje van alle bijgeloof en bovennatuurlijke verklaringen die gekoppeld worden aan de brand in de Nôtre-Dame. Het zou niet zomaar toevallig op de eerste dag van de Goede Week gebeurd zijn, en het houten altaarkruis kan niet anders dan door goddelijke voorzienigheid zijn gered.

Maar voor het overige herken ik wel de gehechtheid aan de moederlijke geborgenheid die uitgaat van een eeuwenoude icoon, die ook nog eens de naam draagt van Onze Vrouw. Een dergelijke feminiene aanwezigheid in een overigens overvolle en schreeuwerige stad is van niet te onderschatten betekenis.

Die waarde werd in de stad Amsterdam in de Middeleeuwen ook al ten volle onderkend en uitgedragen. Dat kan blijken uit de vele Mariabeeldjes die in de Amsterdamse bodem worden gevonden, en die ooit op straathoeken en in huiskamers hebben gestaan. Nadat de stad in 1578 door de mannenbroeders van de Reformatie was overgenomen moest het uit zijn met die feminiene bijgelovigheid, maar zie: anno 2019 is in de persoon van burgemeester Femke Halsema de vrouw weer terug in het centrum. En nu zonder dat we onze toevlucht hoeven te nemen tot het bovennatuurlijke.

Zie ook Bakstenen

vrijdag 12 april 2019

Is Hannah Arendt een Joodse filosoof?


De boeken van Hannah Arendt kunnen zich sinds de verkiezing van Trump tot president verheugen in sterk toenemende belangstelling. Dat heeft alles te maken met de groeiende zorg in het Westen over het behoud van de rechtsstaat en de waakzaamheid tegenover totalitaire tendenzen, waar Trumps optreden aanleiding toe geeft. Arendt heeft – naast heel veel andere dingen – veel over totalitarisme geschreven, en het zijn dan ook met name haar boek The Origins of Totalitarianism en andere politiek-historische geschriften die goed verkopen.

Arendts belangstelling voor totalitaire regimes is op zijn beurt niet los te zien van haar persoonlijke geschiedenis als Duitse Jodin. Zij ontvluchtte Hitler-Duitsland, ontsnapte uit een gevangenenkamp voor statenlozen in Frankrijk, en vestigde zich uiteindelijk in de VS. Ze is in haar keuze voor het onderwerp van de totalitaire regimes ongetwijfeld geïnspireerd geweest door haar Joodse identiteit en het lot wat daar aan vast zat.

Maar daar houdt haar Joodse inspiratie op, lijkt het. Het is namelijk opmerkelijk hoezeer Arendt zich in haar zoektocht naar een fatsoenlijk politiek model laat inspireren door de klassieke oudheid. Met name het democratische Athene, waarin een elite van vrije burgers door middel van beraadslagingen en stemmingen de polis bestuurde, kan haar bijzonder bekoren. Daar is het menselijk samenleven wat Arendt betreft op zijn mooist, omdat individuen er de kans krijgen om zich uit te spreken en te handelen in het publieke domein. Euforisch stelt ze dat zulk spreken en handelen, “om in zijn volheid aan de wereld te verschijnen, de stralende belichting nodig heeft van wat wij eens het aureool van de roem noemden, die slechts mogelijk is op het publieke domein”.

Een soortgelijke inspiratie ontleent Arendt beslist niet aan de Joodse geschiedenis. Er zijn wel geschriften van haar waarin ze spreekt over wonderlijke verdiensten van de Joodse geschiedenis, met name via de kabbalistische mystiek. Zo stelt ze bijvoorbeeld dat Joodse mystici, anders dan hun Christelijke tegenhangers, “hun mystieke praktijken inzetten als instrumenten voor actieve deelname in de lotsbestemming van de mensheid”. Maar dit klinkt nogal vaag en gezocht, en gezien Arendts volledig seculiere inslag ook nogal ongeloofwaardig.

Beslist Joods is haar argwaan tegenover theoretische universele rechten, bijvoorbeeld zoals verwoord in diverse verklaringen van de Rechten van de Mens. Ze had als statenloze aan den lijve ondervonden dat je daar niets aan hebt als het erop aankomt. Die zijn pas wat waard als er een concreet land is dat zo’n ‘universeel’ recht omzet in een door die specifieke staat gegarandeerd verblijf of staatsburgerrecht, zoals zij in 1951 mocht ontvangen van de VS. Op dit moment wordt die loosheid  geïllustreerd door vluchtelingen die op de Middellandse Zee blijven dolen tot er een specifiek land bereid gevonden is hen op te nemen.

Maar om het voor Joden ook zo te regelen – dat wil zeggen: een natiestaat in te stellen, exclusief voor, of op zijn minst primair voor Joden – dat ging Arendt uiteindelijk te ver. Een standpunt dat haar vervreemdde van haar zionistische mede-Joden.

Al met al maken de eigenzinnige positiekeuzes van Arendt haar in Joodse kring tot een omstreden denker. En inhoudelijk is ze beslist niet zomaar in het vakje ‘Joodse filosofie’ te plaatsen.

Zie ook Levinas en Arendt en Werk en Reflectie over Hannah Arendt

donderdag 4 april 2019

Baudet verklaard


Dostojevski was er vroeg bij. Hij voorzag al in 1864 dat de Engelsen, geheel tegen hun belang in, voor een brexit konden kiezen, dat in het volledig van de Europese handel afhankelijke Westland een eurofoob kon winnen, en dat zes procent van de Loppersumse stemmen kon gaan naar de man die de gaskraan weer vol open wil zetten.

Luister naar Dostojevski in Aantekeningen uit het ondergrondse, waarin de schrijver een voormalig ambtenaar aan het woord laat in zijn verbittering over de geest van de moderne tijd.

“Nu vraag ik u: wat kan men verwachten van de mens…? Overstelp hem met alle aardse geneugten, dompel hem tot over de oren onder in het geluk, zodat er alleen nog luchtblaasjes opborrelen naar de oppervlakte van dat geluk, als op een waterspiegel, verschaf hem zo’n economische welstand dat hij niets anders meer hoeft te doen dan slapen, peperkoeken eten en zorgen voor de voortgang van de wereldgeschiedenis, dan blijft hij toch diezelfde mens, en zal hij u toch prompt uit pure ondankbaarheid, louter voor de lol, een gemene streek leveren. Hij zal zelfs de peperkoeken op het spel zetten en met opzet naar de meest rampzalige onzin streven, naar de meest oneconomische absurditeit, alleen om al die positieve weldenkendheid te vermengen met zijn eigen rampzalige, gefantaseerde wereldje.”

“Zo zal het mij bijvoorbeeld helemaal niet verbazen als er plotseling, zo maar ineens, te midden van de algemene komende weldenkendheid een gentleman zal opstaan met een ordinair, of liever gezegd met een reactionair en spottend gezicht, z’n handen in de zij zet en ons allen zal toevoegen: welaan, heren, zullen we al die weldenkendheid niet met één schop in puin trappen, met als enige doel dat al die logaritmen in het niets verdwijnen, zodat we weer kunnen leven volgens onze eigen stomme wil? Dat zou zo erg nog niet zijn, maar het vervelende is dat hij beslist medestanders zal vinden: zo zit de mens nu eenmaal in elkaar.”

“Ik verdenk u ervan, heren, dat u mij meewarig aankijkt; u maakt mij er nog eens op attent dat een verlicht en ontwikkeld man, kortom, zo iemand als de toekomstige mens zal zijn, niet welbewust iets kan willen dat tegen zijn eigenbelang indruist, dat dat wiskundig is uitgemaakt. Maar ik zeg u: er is maar één reden, maar één, waarom de mens opzettelijk, welbewust iets kan wensen dat zelfs schadelijk is, iets stoms, zelfs iets ontzettend stoms, en wel om het recht te hebben zichzelf iets ontzettend stoms toe te wensen en niet gebonden te zijn door de verplichting alleen verstandige dingen te willen.”

Commentaar overbodig, zou ik zeggen. De twee verklarinkjes voor de opmars van Baudet die ik zelf had bedacht vallen in het niet bij de verklaring van Dostojevski. Voor de weldenkende volledigheid voeg ik ze toch nog maar even toe. Ik denk dat in het centrum en op links een al dan niet vaag onbehagen leeft over groeiende ongelijkheid, in combinatie met een wegkijkende elite. Daarnaast heeft een toenemend aantal mensen, verspreid over het hele politieke spectrum van links tot rechts, behoefte aan een verhaal dat verder gaat dan kundig, maar visieloos management. Namelijk over wat het betekent om een samenleving te zijn.

Zie ook Taylor, Levinas en de leegte

vrijdag 29 maart 2019

Het blijft lastig


Het blijft lastig, voor seculiere mensen, om te duiden wat religie nu precies betekent voor mensen die wél geloven.

Neem Paul Cliteur, hoogleraar aan de Rechtenfaculteit te Leiden, en inmiddels vooral bekend als huisfilosoof van Forum voor Democratie. Cliteur stelt al decennia lang het achterlijke en potentieel gevaarlijke karakter van religie aan de kaak, onder andere in zijn boeken Moreel Esperanto (2007), The Secular Outlook (2010) en (samen met Dirk Verhofstadt) In naam van God (2018). Hij stelt daarin dat religieus denken zich per definitie beroept op dogma’s en absolute waarheden, en hij vat dat samen onder de noemer van de ‘goddelijke-bevelstheorie’. Gelovigen laten zich blind gezeggen door instructies in hun heilige boeken en daar valt geen redelijk debat over te voeren.

Voor deze voorstelling van zaken heeft Cliteur wel een verengde omschrijving van religie nodig, een stropop. Dat komt hem niet slecht uit want, zoals hij zelf zegt, hij is in het algemeen niet bijzonder in religie geïnteresseerd, behalve als religie voor problemen zorgt. Maar daarmee maakt hij het zich te gemakkelijk, want er is ook nog zoiets als vrijzinnige, niet-dogmatische religie. Die wil hij dan ook het liefste niet kennen – eigenlijk net zoals de orthodoxe religieuzen dat niet willen. Bij voorkeur voldoen religies bij Cliteur aan karakteristieken die hij daaraan wenst toe te kennen zoals dogmatisme, slaafse onderwerping en gebrek aan kritisch denken.

Als hij er vervolgens op gewezen wordt dat er liberale varianten zijn, in ieder geval van Joodse, Christelijke en in toenemende mate ook Islamitische snit, waartegen zijn bezwaren niet gelden, dan noemt hij dat gewoon geen religie, ongeacht de geloofsbeleving die daarin een plek vindt. Omdat hij niet vertrouwd is met religie doet hij voor zijn gevoel niets verkeerds met die karikatuur. Maar ik denk dat dit gebrek zijn betoog over religie en haar problemen beslist verzwakt.

Het is overigens wel grappig dat Cliteur zich nu aansluit bij de beweging van Baudet. Stevo Akkerman beschreef in Trouw heel aardig de quasi religieuze trekken die Forum voor Democratie vertoont in zijn adoratie van Baudets heilsleer en diens bijna liturgische teksten.

Maar vlak ook de andere kant van het maatschappelijk-politieke spectrum niet uit voor wat betreft de religie-vreemdheid. Neem bijvoorbeeld de – over het algemeen behoorlijk links geörienteerde – onderzoekers naar radicalisering aan universiteiten. In een artikel over de recente publicatie Radicalisation van Leuven University Press wijst Maarten Boudry op de weigering van de betrokken sociologen en antropologen om religieuze motieven in hun onderzoek naar terrorisme te betrekken. De terreur zou allemaal voortkomen uit achterstelling en discriminatie, geestelijke labiliteit of ordinaire criminaliteit.

Boudry wijst voor het ontbreken van de factor religie in de analyses van de onderzoekers naar hun onbekendheid met het verschijnsel religie. “Deze goddeloze westerlingen”, zegt hij, “kunnen zich amper nog inbeelden wat het betekent om in een concrete en persoonlijke godheid te geloven, die zich openbaarde in een onfeilbaar Heilig Boek, en die actie verlangt van zijn gelovigen, op straffe van het eeuwige hellevuur.” Niet alleen geloven ze zelf niet in een dergelijke God, maar ze kunnen zich niet voorstellen dat anderen daar wel in geloven. Dit sluit overigens aan bij Cliteurs vaststelling van deze blinde vlek – even afgezien van zijn eigen blinde vlek – wanneer Cliteur zegt dat de politieke elite zich geen houding weet te geven en niet voldoende weerbaar is tegenover religieus gedachtegoed.

Boudry legt dus de vinger op een zere plek. Maar ook bij hem valt er iets tussenuit, en het is hetzelfde als wat Cliteur negeert: het vrijdenkende religieuze midden.


vrijdag 22 maart 2019

Vergeving


Ik durf best te stellen dat ik een op harmonie en verzoening gericht mens ben – conflictmijdend zo je wilt. Tegelijkertijd ben ik ervan overtuigd dat je het alleen daarmee niet redt. Dat is even kort door de bocht en onhoudbaar als het Christelijke gebod tot universele liefde voor iedereen.

Hoe averechts bijvoorbeeld het simplistische geloof in vergeving kan uitwerken wordt verwoord door Sisonke Msimang, die in februari de eerste Nelson Mandela Lezing hield in Amsterdam. Wellicht tot teleurstelling van de initiatiefnemers voor de lezing breekt Msimang met de gangbare verheerlijking van de vergevingsgezinde Mandela. In plaats van in hem de moderne heilige te zien waar hij in het Westen voor wordt gehouden, wijst zij op de teleurstelling van veel zwarte jongeren in Mandela’s boodschap van nationale verzoening.

In de eerste plaats, zo meent Msimang in een interview in Trouw, werd vergeving door Mandela vooral instrumenteel ingezet. Vanwege de hoogspanning die Mandela’s vrijlating in 1990 in de Zuid-Afrikaanse samenleving teweegbracht, wilde hij een geruststellende positie innemen. Hij verzekerde de witte minderheid daarom dat er echt geen gewelddadige opstand zou komen, dat er vergeving zou volgen. Voor Mandela was praten over vergiffenis dus een strategie die uiteindelijk moest leiden tot een einde aan de onderdrukking van zwarte mensen.

Dat is een begrijpelijke strategie, zegt Msimang, maar het werkt niet. Dat komt, zo luidt haar tweede punt, niet alleen maar door het instrumentele karakter van het beroep op vergeving. Dat heeft meer te maken met het gebrek aan respect voor de zwarte Zuid-Afrikanen als voormalige slachtoffers en hun emoties. Zij moesten omwille van de vereiste verzoening zo sterk gestuurd worden, dat er nog maar één acceptabele reactie op de apartheidsmisdaden overbleef: vergeving. Verzoening betekende dat zwarte Zuid-Afrikanen minder boos moesten zijn. En anders dan een lange Christelijke traditie en moderne filosofen als Martha Nussbaum in hun cerebraliteit het willen voorstellen: dan neem je mensen niet serieus. Dat is, aldus Msimang, te simplistisch gedacht.

In het Westen kon Mandela door deze strategie uitgroeien tot een “ultieme zwarte knuffelbeer”. Hij liet witte mensen geloven dat zwarte slachtoffers alle zonden van witte daders zomaar even konden vergeven. En tegen Msimang, die daar vraagtekens bij zet, kunnen witte mensen – die nog altijd weigeren weigeren hun witte privileges op te geven – nu zeggen: kijk naar Mandela, die zat 27 jaar in de gevangenis en toen hij vrijkwam was hij toch bereid ons direct te vergeven; waarom doe jij dan zo moeilijk? “Kijk, daarom zijn sommige zwarte Zuid-Afrikanen boos op Mandela. Dat is onderdrukte zwarte woede die jaren later alsnog naar buiten komt.” Hoewel de meeste Zuid-Afrikanen hem bewonderen, stellen Mandela’s radicaalste critici zelfs dat hij de zwarte bevolking heeft verraden.

Wat had er dan moeten gebeuren? “Ik denk dat het beter was geweest als Mandela, binnen de grenzen van de geweldsloosheid uiteraard, een groter palet aan emoties had toegestaan. Er bestaat immers een groot verschil tussen boos zijn en wraak willen nemen. Mandela had meer druk moeten uitoefenen op witte Zuid-Afrikanen.” En na Mandela had iemand anders de verzoeningsdiscussie naar een nieuw niveau moeten tillen en tegelijkertijd moeten zorgen dat de herinnering aan de verschrikkingen van de apartheid ook voor jongeren levend zou blijven.

Msimang noemt het “niet wijs” om Mandela’s verzoeningsaanpak als oplossing te zien. Ik zou zeggen: onvergeeflijk simplistisch, en voorbijgaand aan wat er in zo’n situatie aan vernedering en emoties speelt.

Maar het ideaal van onmogelijke vergeving zit diep, zo bleek ook deze week weer uit een bericht over de overleden kardinaal Danneels. In een misbruikzaak waar een van zijn bisschoppen bij betrokken was maande Danneels het slachtoffer tot vergeving en vroeg hij de zaak niet naar buiten te brengen voor de bisschop met pensioen zou gaan.

Zie ook Plato, Bambi en Danneels en Ubuntu