vrijdag 15 februari 2019

Verliezers


Grote waardering heb ik voor de manier waarop Salomon Bouman publiekelijk zijn positie bijstelt ten opzichte van het conflict tussen Israël en de Palestijnen. Het getuigt van intellectuele eerlijkheid om, zoals Bouman doet, te onderkennen dat jouw visie op de situatie door de werkelijkheid is achterhaald.

Dat is des te lastiger naarmate je meer gehecht bent aan oplossingen die op een gegeven moment niet meer als realistisch kunnen gelden. Voor Bouman was dat zo’n beetje zijn hele professionele leven lang de ‘twee-statenoplossing’. Zoals hij zelf zegt in een recente column: “Wie ooit mijn correspondenties voor NRC gedurende bijna veertig jaar heeft gevolgd, kan weten dat ik, met anderen, na de oorlog van 1967 tegen de nederzettingenpolitiek was en voor de stichting van een Palestijnse staat naast Israël in de bezette gebieden”.

Dat was, zo schat ik Bouman in, voor hem niet zo maar alleen een technische oplossing voor het conflict. Dat was ook een ethisch bevredigende oplossing, omdat beide partijen daarin serieus genomen zouden worden in hun streven naar onafhankelijkheid, de twee-statenoptie oogde rechtvaardig. En daar engageerde Bouman zich mee.

Nu echter stelt hij vast dat de Palestijnen de verliezers zijn van het verdere verloop van “dit historisch proces”, en de schipbreuk van de twee-statenoplossing moet Bouman pijn gedaan hebben. Natuurlijk is hij blij dat de staat Israël niet het onderspit heeft gedolven, maar de manier waarop kan niet gelden als iets om trots op te zijn. Hij moet zichzelf óók een verliezer gevoeld hebben – of leg ik nu teveel van mezelf in Bouman?

Hoe dan ook, het belet Bouman niet om de nieuwe situatie realistisch onder ogen te zien: “Israël heeft de vrije hand om met een wel doordachte nederzettingenpolitiek de Palestijnse onafhankelijkheidsdroom in de kiem te smoren, totdat er wellicht in de toekomst een Israëlisch protectoraat komt over die gebieden die onder bestuur blijven van het Palestijns zelfbestuur in Ramallah”.

Het is goed om dit in alle nuchterheid vast te stellen, en knap van Bouman dat hij dat kan. Blijft over het knagende gevoel dat een volk dat zo graag een ‘licht voor de naties’ zou willen zijn, met zijn protectoraat niet anders eindigt dan destijds de Fransen en de Engelsen met hún protectoraten. Misschien nog nét anders dan de Amerikanen en de Australiërs bij wie de overgenomen bevolkingen het moeten doen met reservaten.

Zie Right en Wrong

donderdag 7 februari 2019

Tegenvallende transparantie


‘Transparantie’ is een jeukwoord. Daarmee bedoel ik dat aansprekende en bedrieglijke implicaties van het woord zodanig door elkaar lopen dat je steeds op een andere plek aan het krabben bent om het ongemak te ontwarren dat je eraan beleeft.

Transparantie wordt in de politiek en in organisaties vaak gepresenteerd als een belofte aan de burgers en medewerkers. Namelijk om zichtbaar te maken hoe keuzes tot stand komen die raken aan het leven van die burgers en medewerkers. Welke overwegingen spelen daarbij een rol, en hoe worden verschillende belangen tegen elkaar afgewogen? Daarover wordt volledige openheid van zaken beloofd.

Transparantie wordt niet alleen beloofd, maar ook vaak geëist. Ondernemingsraden, vakbonden, mondige burgers en werknemers willen zicht op de manier waarop beslissingen die hen aangaan genomen worden.

Maar in die laatst genoemde groepen ontstaat geleidelijk aan ook een soort transparantiemoeheid. In de praktijk ervaren bijvoorbeeld veel medewerkers in organisaties dat een deel van de motieven voor een beslissing wel ter sprake komt, maar een ander deel niet. Dat is halve transparantie, is dat dan nog transparant? Op mijn werk maak ik mee dat medewerkers het woord liever niet meer horen, omdat het iets bedrieglijks heeft: ‘Zeg maar wat jullie besloten hebben, we zullen ons er wel naar schikken; maar noem het alsjeblieft niet transparant want dan voelen we ons voor de gek gehouden’.

Als het gaat om de politiek hoor je geluiden met dezelfde strekking. De roep om transparantie leidt er volgens sommigen toe dat ondoorzichtige belangen van media een buitenproportioneel aandeel krijgen in de besluitvorming, ten koste van de politieke compromissen van vroeger. Politiek commentator Lex Oomkes riep deze week daarom uit: “Wees blij met de achterkamertjes!”. Met andere woorden: pas op voor het transparantie-ideaal.

Waarom blijft de transparantiepraktijk zo vaak achter bij het ideaal? Een voor de hand liggend antwoord is dat degenen die transparantie beloven het niet menen, en net doen alsof ze transparant zijn. Dat zal best veel voorkomen, maar daar wil ik nu niet op ingaan. Interessanter vind ik de vraag of dat überhaupt wel kán, volledig transparant zijn? Maar die filosofische vraag laat ik nu ook liggen.

Ik wil hier de vraag aansnijden of de tegenvallende transparantie ook te maken kan hebben met de middelen die we gebruiken voor onze onderlinge communicatie. Dat zijn de middelen met behulp waarvan de belangen van diverse betrokkenen bij een beslissing zichtbaar gemaakt worden. Dat wil zeggen: de middelen waarlangs transparantie tot stand zou moeten komen.

De middelen die bestuurders, in politiek en organisaties, over het algemeen inzetten om erachter te komen wat medewerkers, klanten en burgers vinden van iets, zijn meestal digitaal. Of het nu gaat over een product of een politieke beslissing, men verzamelt ‘opinies’ via ratings, digitale enquêtes of politieke referenda. Die laatste zijn, door hun ja-versus-nee structuur, niet minder digitaal te noemen dan de eerstgenoemde middelen.

Waar het mij om gaat is dat deze peilmiddelen, gebruikt als basis voor transparantie, één eigenschap met elkaar gemeen hebben: ze zijn digitaal, dat wil zeggen technology-based en binair. Het kenmerk daarvan is dat alle gewonnen informatie uiteindelijk te reduceren is tot het simplisme van de tweepoligheid: het ja-versus-nee van de bits en bytes.

Maar menselijke kwaliteit is per definitie niet binair. Die kent meer dan twee smaken tegelijkertijd, is meerduidig, vol en rijk. Juist deze ‘analoge’ kwaliteit is niet zichtbaar te krijgen in de transparantie die de digitale systemen ons opleveren.

Ik denk dat daar voor een deel de oorzaak gevonden moet worden van de onvrede met ‘transparantie’, en de reden waarom die soms aanvoelt als vals. Aan ons bestaan als mens kan met behulp van die middelen geen recht gedaan worden.



vrijdag 1 februari 2019

Ido Abram


Ido kwam altijd direct terzake. Je wist meteen wat hij op z’n lever had, althans zo verging het mij altijd bij hem.

Ik herinner me nog een toevallige ontmoeting in de trein, meer dan dertig jaar geleden. Thuis waren we, tot onze tevredenheid, net aangesloten bij de Liberaal Joodse Gemeente (LJG), maar Ido had daar kennelijk juist negatieve ervaringen opgedaan en in no time kreeg ik te horen wat er allemaal mis was met de Liberalen.

Een tijdje later, tijdens een ontmoeting in tram 12 richting Amstelstation: weer onmiddellijk in gesprek. De LJG was misschien wat kleinburgerlijk, vond hij, maar wel open minded. Voelde ik me er ook thuis?

Als ik Ido in sjoel tegenkwam was er altijd die onmiddellijke focus op wat er voor hem of voor mij werkelijk toe deed.

Afgelopen december, op een zeldzame wat betere dag tussen zijn ziekenhuisopnames door, sprak ik hem voor het laatst, tijdens een middag van het Levisson Instituut. Het patroon van onze ontmoeting was nog steeds hetzelfde, misschien nog wat heftiger dan anders. Ja, hij was veel ziek geweest, en dat was deels zijn eigen schuld want als het weer ietsje beter ging dan vergat hij de adviezen van de artsen en dan werkte hij door zonder goed op zijn eten of drinken te letten. Hij had dat wel meer, zei hij, dat doorslaan in dingen waar hij mee bezig was of de keuzes die hij maakte, dan vergat hij de wereld om zich heen, dan werd hij fanatiek. Of ik dat ook zo had?

Soms, zei ik – een beetje, maar iets minder. Meer kon ik op dat pauzemoment niet met hem uitwisselen. Maar het was weer even intens geweest als altijd.

Zijn aandenken zij tot zegen.

Zie ook Een goed gesprek en Leren en tikoen olam

donderdag 24 januari 2019

Isolement en resonantie


Artikelen uit tijdschriften en kranten die me interesseren knip ik uit en bewaar ik. Soms, als ik een stapeltje daarvan nader ga bekijken, springt er zo maar een rode draad uit naar voren, die mij duidelijk maakt dat op dat moment een bepaald onderwerp kennelijk actueel is voor me.

Zo’n patroon zat er onmiskenbaar in de oogst van vorige week. In al de verzamelde artikelen kwam wel het woord ‘isolement’, of een equivalent daarvan, voor. Al dan niet in combinatie met juist een bevríjding uit isolement, wat ik nu even samenvat met het woord ‘resonantie’, maar wat ook wel aangeduid wordt met ‘contact’ of ‘intimiteit’.

Ik loop even kort de artikelen door waarover het gaat.

De schrijfster Olivia Laing stelt dat wij mensen in deze tijd constant verlangen naar aandacht, maar tegelijkertijd doodsbang zijn voor écht contact. We koesteren volgens haar immers een geïdealiseerd zelfbeeld, de fantasie van een solide ik. De prijs voor échte intimiteit is dat je die onvolwassen zelfidealisering opgeeft. En dat is voor velen een stap te ver.

Schrijfster en filosofe Marilynne Robinson, in Nederland vanwege de Nexus-conferentie, meent dat ‘het ideologische denken’ lang na communisme en fascisme onze hersenen nog in de greep heeft. Ze bedoelt daarmee dat veel mensen vastgedraaid zitten in hun eigen abstracte wereldbeeld, en blind worden voor alles wat daar niet mee strookt. De pragmatist William James leert haar dat onze kennis van de werkelijkheid altijd onvolledig zal zijn, waardoor je open en ontvankelijk moet zijn voor de wereld. En voor de ander, die een mysterieus innerlijk leven heeft dat je nooit zult kennen.

De historicus Timothy Snyder maakt zich zorgen over Facebook, omdat dat medium mensen opsluit in hun eigen bubble en hun eigen gelijk. Als je daarentegen iemand in eigen persoon ziet, kun je je nog eens laten overtuigen tot iets anders.

Psychiater Dirk de Wachter stelt vast dat het grote publiek en zijn patiënten eigenlijk dezelfde problemen verwoorden, namelijk relationele instabiliteit, hardnekkige gevoelens van eenzaamheid, leegte en zinloosheid. “Mijn oplossingen voor de wereld zitten in engagement, zorg en verbinding.”

Hogeschooldocent Bert van den Bergh doet onderzoek naar het massaal optreden van depressies. Hij omschrijft depressie als een existentieel isolement. “De wereld resoneert niet meer, ze geeft geen antwoord. Depressie is dus geen stemmingsstoornis, maar een afstemmingsstoornis. In mijn proefschrift laat ik zien dat afstemming in deze neoliberale samenleving ook helemaal niet gewenst is. Je moet autonoom zijn en flexibel en voortdurend concurreren met anderen.”

Mag ik concluderen dat het thema isolement niet alleen voor mij relevant is, maar voor veel meer mensen in de samenleving? En dat de Franse schrijver Michel Houellebecq dat, op de voor hem kenmerkende grauwe wijze, samenvat als hij zich afvraagt of we zijn gezwicht voor de illusie van de individuele vrijheid, “de illusie van het vrije leven, de oneindige mogelijkheden? De jaren zestig. We hebben ons erin geschikt, we hebben ons erdoor laten vernietigen – en sindsdien lijden we”.

De actualiteit van het onderwerp is in mijn geval mede gewekt door het feit dat ik me de afgelopen tijd met de Amerikaanse pragmatistische filosoof John Dewey heb bezig gehouden. Opmerkelijk genoeg ging dat over een op zich misschien dor onderwerp, namelijk de manier waarop wij kennis verzamelen en leren. Maar ik zie mezelf een aantal aspecten daarvan in mijn verhaal over John Dewey samenvatten onder de volgende titels:

‘Het serieus nemen van ervaring’
‘Kennis vloeit voort uit interactie’
‘Terughoudend met generalisaties’.

Zie wat hier gebeurt. Ik lees bij Dewey over kennisleer, maar de thema’s die tevoorschijn komen lijken wel antwoorden te zijn op de existentiële problemen van het isolement waar dit stukje mee begon. Nu staat Dewey bekend als een eigenzinnige denker op het vlak van de kennisleer. Betekent dit dat er misschien een relatie is tussen de manier waarop wij standaard geleerd krijgen wat geldige kennis is, en onze maatschappelijke kwalen? En dat Dewey probeert pleisters op die wonden te plakken?

Wat we standaard geleerd krijgen zou je, kort door de bocht, als volgt kunnen samenvatten: onze kennisverwerving verloopt door het systematisch inzetten van dualismen, zoals wereld tegenover geest, objectief versus subjectief, theorie versus praktijk, beleids-en denkwerk tegenover uitvoerend werk. Op die manier zijn we voortdurend bezig met het aanbrengen van scheidingen in onze leef- en actiegebieden. Dat splitsingswerk is in ons kenproces tot tweede natuur is geworden.

Wat ik van Dewey opsteek als het over kennen gaat is wat ik noem de opvatting van de wereld ‘als een ademend geheel’. Doordat Dewey weigert mee te gaan – op een overigens beslist niet zweverige manier – in de traditionele tegenover-elkaar-stelling van wereld en geest, verliezen ook andere onderscheidingen, zoals tussen objectief en subjectief en theorie en praktijk, hun scherpte. Iedere kenuitspraak wordt door Dewey opgevat als gedaan vanuit een bepaalde interactie in een bepaalde situatie. Daarin zijn wereld en mens op vaak onontwarbare manier met elkaar verknoopt.

Terug naar mijn vraag: zouden de isolementsgevoelens op het sociale vlak er niet regelrecht mee te maken kunnen hebben dat we gewend zijn om die scheidingen voortdurend juist wél te maken? Het zou goed kunnen, denk ik, dat we daarom de wereld niet meer horen en voelen resoneren. Resonantie is zo bezien het tegendeel van isolement en vervreemding.

‘Resonantie’ is het favoriete woord van de denker Hartmut Rosa als hij aangeeft waar wij massaal behoefte aan hebben. “Resonantie betekent juist dat je wél geraakt wordt door de wereld. Ze komt alleen tot stand als je de wereld geen zin hoeft te geven, maar als je de ervaring opdoet dat de wereld zelf zinvol is. Alleen dan kan de wereld tot je spreken. Als we zelf die zin geven, blijft de wereld stom.”

Zie ook Taylor, Levinas en de leegte

vrijdag 18 januari 2019

Door de ogen van Levinas


Rispa was een bijvrouw van koning Saul. Haar naam duikt pas op in het bijbelboek Samuel als Saul al overleden is, en haar stiefzoon, Sauls zoon Isboset met de jonge David strijdt om de troon. David wint de strijd en na een tijd krijgt hij een verzoek van de Gibeonieten, een bevolkingsgroep onder zijn gezag. De Gibeonieten hadden nog iets te wreken op Saul, en nu diens dynastie het onderspit heeft gedolven, vragen ze David of ze hun wraaklust mogen stillen op zeven van Sauls nakomelingen, waaronder twee eigen kinderen van Rispa. David vindt dat bestuurlijk gezien een goede zaak en levert hen uit aan de Gibeonieten, die hen vervolgens ophangen. Zo raakt Rispa behalve haar echtgenoot en haar maatschappelijke positie als bijvrouw van de koning ook haar zonen kwijt.

Maar nu komt ze in verzet. Ze spreidt een kleed uit, ergens op de rotsachtige bodem bij de galgen, en blijft van de lente tot de herfst op die plek slapen, vlak naast de rottende lijken. Ze levert gevecht met een stok tegen de wilde dieren en de aasgieren die op de lijken afkomen, en houdt dat maanden vol.

Als koning David ter ore komt waar Rispa mee bezig is, komt hij tot inkeer. Hij laat alle dode lichamen alsnog een eervolle laatste rustplaats geven.

De theoloog Alain Verheij zegt naar aanleiding van dit verhaal: “De strijd die Rispa heeft geleverd, was er een op het allerhoogste niveau, tegen de allerhoogste prijs en vanuit de allerzwakste positie. Toch heeft ze de koning ermee van gedachten laten veranderen en is haar verhaal uiteindelijk in de Bijbel terechtgekomen. Tegen alle machtsverhoudingen en waarschijnlijkheid in hebben de kroniekschrijvers van het koningshuis van David de dissidente daden van Rispa opgetekend. Omdat zij degene was die in haar recht stond.”

Dit verhaal was op de Crescasavond ‘Door de ogen van Levinas’ het uitgangspunt voor mijn presentatie van de filosoof Emmanuel Levinas. Immers, aan de kant van de figuur van koning David in het verhaal zou je denkschaamte kunnen vermoeden. Dat wil zeggen: verlegenheid met zijn eigen opvattingen van goed bestuur. En precies dat verschijnsel van denkschaamte staat wat mij betreft centraal bij Levinas.

Met een beetje goede wil kun je meer plaatsen in Tenach, de Hebreeuwse Bijbel, ontdekken waar sprake is van een dergelijke plotselinge bewustwording voor wat een ander doormaakt, juist door jouw goedbedoelde opvattingen.

Bijvoorbeeld in het verhaal van Job. Als Job geslagen wordt met het verlies van zijn kinderen, van zijn bezit, van zijn vee, dan wordt hij bestookt met goede raad van vrienden die het oprecht goed met hem menen. Hij moet berouw doen, zich in de orde voegen, vertellen ze hem.

Geen vriend die doorheeft dat Job met iets anders worstelt: de onrechtvaardigheid van dat alles. Wie het wél doorheeft is de auteur van het verhaal. Die vertoont een gevoeligheid die de ontoereikendheid beseft van de conventionele en traditionele, dus kenbare en universele cliché antwoorden, hoe doordacht ze ook zijn. Hij laat de mismatch tussen alle goed bedoelde adviezen en Jobs eenzaamheid gewoon bestaan, de bedachte ideeën rijmen niet met Jobs situatie. Die situatie is ongerijmd, en de auteur weet dat.

De stelling die ik daaraan koppel is dat deze gevoeligheid iets bijzonders is van de Hebreeuwse Bijbel, en dat je die niet terugvindt in veel gangbare ethische recepten zoals de Gulden Leefregel (‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet’) of de categorische imperatief (‘weeg bij je handelingen af of je zou willen dat het motief dat jij hebt voor je handelen tot een algemene wet gemaakt zou worden’).

Belangrijke kenmerken van die gangbare ethische recepten zijn: universele geldigheid en inbedding in een redelijke, kenbare orde. Denkschaamte heeft die kenmerken niet, het is een fenomeen dat soms optreedt en soms niet, bij sommigen wel en bij anderen niet. Daarmee krijgt het verschijnsel iets ongerijmds en weerbarstigs, en is het vanuit de gangbare recepten niet altijd te begrijpen.

Dat laatste geldt op gelijke wijze voor de filosofie van Levinas, en dat is niet geheel toevallig: hij heeft zich laten inspireren door Tenach. Dáár heeft Levinas de gevoeligheid vandaan, die hem leidt tot de ongerijmdheid van de denkschaamte. Denk ik.

Zie ook Parrèsia

donderdag 3 januari 2019

Links klaar


“Links – klaar”, zegt een heldere, geruststellende vrouwenstem als ik mijn linker gehoorapparaatje heb ingedaan. Met daarna hetzelfde tafereel voor de rechterkant.

Het verbaast me, maar de geruststellende werking is er iedere morgen opnieuw. Kennelijk werkt dat, ook als ik weet dat niemand zich daadwerkelijk tot mij richt, en zelfs dat het mogelijk een kunstmatige stem is.

Die constatering maakt dat ik me wel iets voor kan stellen bij de verhalen over zorgrobots die in de toekomst allerlei ondersteunende handelingen kunnen verrichten, tot tevredenheid van de cliënten.

Kennelijk laten we ons graag voor de gek houden. We zijn zodanig geprogrammeerd, dat louter bepaalde klanken of bepaalde tot ons gerichte acties de suggestie van echtheid kunnen opwekken, en daarmee de gevoelens en reacties die horen bij de lijfelijke nabijheid van een levend mens van vlees en bloed.

Zoals mensen een telefoongesprek kunnen voeren met brede armgebaren en heftige gelaatsuitdrukkingen. Die expressies hebben geen enkele communicatieve functie meer, omdat de telefonische gesprekspartner ze niet kan zien. Dat soort programmering leeft blijkbaar stug voort in ons, en maakt ons ontvankelijk voor aandacht die apparaten en robots aan ons besteden.

Ik vraag me wel eens af hoelang die programmering bij ons zal standhouden. Gaat de mensheid, eenmaal gewend aan telefoons en robots, die misschien verliezen?

Zie ook Lenzen

woensdag 26 december 2018

Herkantelen


Zo vierkant gepresenteerd als onlangs op de voorpagina van Trouw krijg je het niet gauw: uitspraken over (top)bestuurders in het bedrijfsleven en bij de overheid als “De huidige bestuurders zijn te veel gericht op korte termijn winst, ze vermijden risico’s en hebben te weinig contact met de buitenwereld”. Dat is nog al wat. En dat nog wel uit de mond van bestuurders zelf.

Ja, vanuit de hoek van de antiglobalistische Occupy-beweging kon je dat horen, een aantal jaren geleden. En toen de communistische krant De Waarheid nog bestond was antikapitalistische retoriek op dagelijkse basis verkrijgbaar. Verder ken ik dergelijke kwalificaties uit de meer kritisch ingestelde academische hoek, met name vanuit Critical Management Studies.

Maar de tijdgeest is al een paar decennia aan het kantelen, de neoliberale kant op. Ook bij degenen onder ons die hun passie voor een rechtvaardige samenleving nooit verloren hebben raakte de gedachte in zwang dat de verzorgingsstaat was doorgeschoten, dat geleide economieën gefaald hebben, dat het geld wel ergens verdiend moet worden, en dat een kapitalistisch systeem de boel het beste aan de gang houdt.

In het licht van die kanteling is wat er in het Trouw-bericht gebeurt wel revolutionair. De relatief recente en breed gedragen waardering voor het neoliberale model komt opnieuw op serieuze manier onder vuur te liggen. Zelfs serieuzer dan vroeger, omdat het niet meer alleen om de onrechtvaardige verdeling van rijkdom gaat. Ook omdat de toekomst van de aarde voelbaar op het spel staat, en omdat maatschappelijke ontwrichting dreigt.

En de denigrerende uitspraken komen ook nog eens van de bestuurders zelf. Wat er nu nodig is, zeggen zij, is een nieuw type bestuurder. Iemand met meer zelfreflectie, met een verbindend vermogen, dienstbaar aan de maatschappij en gericht op de lange termijn. Nog niet zolang geleden werd je voor soft of gepensioneerde politicus versleten als je zo’n uitspraak deed. Het neoliberale model is kennelijk ineens heel snel ongeloofwaardig aan het worden.

Maar wat doen we dan nu? Van de zittende bestuurders moeten we het niet hebben. Want hoewel zij zelf de diagnose stellen, vinden zij (met name de mannen onder hen) dat ze zelf niet hoeven te veranderen of bij te leren (‘ik ben niet zo’n cursus type’). Immers, ‘onze boardroom heeft een goede samenstelling – goede mensen met veel ervaring – dan gaat het vanzelf’. Waarmee ze waarschijnlijk bedoelen dat ze allemaal even doorkneed zijn in gerichtheid op snelle winst en kwartaalrapportages, ze vermijden risico’s en hebben te weinig contact met de buitenwereld. Zoals ze het op de business schools en economische faculteiten geleerd hebben.

Voor oplossingen komen ze dan ook niet verder dan de suggesties dat er lef getoond moet worden voor grote veranderingen (door anderen dus), en dat de overheid kaders moet stellen (dat is wel weer revolutionair natuurlijk, tegenover de neoliberale deregulering).

Een aantal jaren geleden werd in de kring van Critical Management Studies de Manifestos for the Business School of Tomorrow uitgebracht. Waarschijnlijk moet het daar beginnen inderdaad.

Zie ook Jeukwoordenfestival

vrijdag 21 december 2018

Levinas als pragmatist


Het klinkt misschien ongeloofwaardig voor degenen die de Frans-Joodse filosoof Emmanuel Levinas ervaren als een abstracte denker. Maar toch houd ik vol: Levinas is te beschouwen als een pragmatische denker. Mijn stelling is dat zijn denken verhelderend werkt waar het conventionele denken overmatig ingewikkeld wordt en zich vastdraait in abstracties.

Bij deze stelling moet ik twee, enigszins ontluisterende, kanttekeningen maken. De eerste is dat Levinas deze, wat mij betreft weldadige, positie in zijn laatste werken heeft losgelaten en ingeruild voor een terugval in gangbare filosofische abstracties. De tweede is dat, ook in de werken van de middenperiode, op sommige momenten die filosofische abstracties al storend aanwezig zijn.

Als ik het heb over ‘filosofische abstracties’, dan doel ik met name op de neiging binnen de conventionele filosofie tot het zoeken van absolute, eenduidige fundamenten voor ons denken: onwankelbare uitgangspunten die door hun stabiliteit en alomvattendheid de afleiding van andere gedachten mogelijk maken en zo een hiërarchisch denkbouwwerk faciliteren.

Mijn opvatting is dat aanvaarding van dat soort fundamenten (‘fundamentsdenken’) schijnzekerheid creëert. De daaruit voortkomende redeneringen hebben de neiging om zich los te zingen van de werkelijkheid, en dan krijg je abstracties. Ik denk dat Levinas, althans in zijn vroege en midden-periode, daar ook niets van moest hebben, en dat is een van de redenen waarom hij mijn favoriete filosoof is.

Dat vind ik terug in Levinas’ behandeling van wat gangbare kandidaten zijn voor het vervullen van de rol van fundament. In veel traditionele denksystemen komt die rol toe aan de ontologie: het geheel van opvattingen over de grondstructuur van de wereld. Om een paar voorbeelden te noemen: die grondstructuur zou bijvoorbeeld bestaan uit verschillende materiële sferen (Aristoteles) of uit lichaam en geest (Descartes) of uit logische objecten (de vroege Wittgenstein).

Maar die funderende rol kan ook toegekend worden aan het ordenend vermogen van onze geest, zoals bij Kant. Of aan bovennatuurlijke grootheden, zoals een godheid of een mystieke orde. In plaats van ontologie als fundament spreekt men dan van een metafysische dimensie als fundament.

Hoe dan ook, mijn stelling is dat Levinas in zijn vroege en middenperiode (tot en met De Totaliteit en het Oneindige) er niet aan wil, aan zo’n eenduidig fundament. Niet de ontologische versie ervan, noch de metafysische versie.

Dat leid ik af uit de constatering dat hij, bijvoorbeeld in De Totaliteit en het Oneindige, de woorden ontologie en metafysica beide gebruikt, maar hen beurtelings de leidende rol geeft. Geen van beide fungeert als definitieve laatste grond. Levinas schetst een enscenering van het menselijk bestaan waarin soms de ontologie het voortouw neemt (het ego, de genietingen, het licht van de rede), en dan weer de metafysica (het raadselachtige andere), en dat steeds op verrassende, onverwachte manieren. Levinas spreekt niet over een permanent, stabiel gegeven dat altijd aanwezig is; dat maakt de beschrijvingen herkenbaar, dat wil zeggen: niet-abstract.

In de weigering om een eenduidig fundament aan te wijzen is Levinas verwant aan de Amerikaanse pragmatisten. Over John Dewey wordt bijvoorbeeld gezegd dat hij probeert om het niet te hebben over ‘tijdloze oorsprongen’, van welke aard ook. En Louis Menand meent dat ideeën op zichzelf eigenlijk geen betekenis hebben – dus abstract zijn; ethiek bijvoorbeeld is niet te begrijpen zonder de voltrekking ervan.

Het is waar: Levinas gebruikt, al in De Totaliteit en het Oneindige, het woord ‘eerste filosofie’, wat je zou kunnen opvatten als het aanwijzen van een eenduidig fundament. Maar, zoals gezegd, in dat boek wisselen in feite ethiek (als behorend tot de metafysica) en ontologie elkaar af als leidend principe, en is er geen definitieve laatste grond. Dat sluit, wat mij betreft, aan bij de menselijke ervaring. Het woord ervaring speelt in De Totaliteit en het Oneindige dan ook een belangrijke rol, wat de herkenbaarheid ten goede komt.

Een definitieve laatste grond is er wél in Levinas’ laatste grote boek Anders dan zijn. Daarin verwijst hij naar de ethiek (het beschikbaar zijn voor de andere mens) als ‘oorsprong vóór de oorsprong’, en naar die beschikbaarheid als een permanent, stabiel aanwezig gegeven.

Dat noem ik abstract. Want het kan best zo zijn dat het subject voor alle anderen verantwoordelijk is, en dat al voorafgaand aan de geboorte. Maar: praktisch gezien heeft dat geen betekenis. Een handvat voor praktische betekenis wordt geboden door de ervaring van verantwoordelijkheid, en die beschrijft Levinas in De Totaliteit en het Oneindige, namelijk in termen van momentane beleving van de overgang van rust naar onrust, en weer terug.

Díe Levinas is bruikbaarder. Zeg maar: pragmatischer.

Zie ook Mensenrechten, pragmatisch bekeken

donderdag 13 december 2018

Automaten, koffie en automatenkoffie


Koffie uit de automaat kan tegenwoordig best lekker zijn, geen vergelijk met de drab die je vroeger kreeg. Maar dan nog, niets haalt het bij echte koffie, dat wil zeggen koffie waarbij je zelf een aandeel levert.

Dat is althans de mening van Erik Friedeberg, van accountantskantoor Manifesto in Amsterdam. “Wil je bij ons komen werken, dan moet je eerst een baristacursus volgen om goede koffie te leren zetten. Koffiezetten is een manier om met mensen in gesprek te komen, hun dromen te achterhalen”. En dan blijkt dat heel wat ondernemers grote behoefte hebben aan dat persoonlijke gesprek. Natuurlijk moet de cijfermatige klus ook gedaan worden, maar dat kan tegenwoordig verregaand geautomatiseerd verlopen. Díe automaat mag blijven.

Vertegenwoordigt accountantskantoor Manifesto misschien een trend? Zou het waar zijn wat organisatieadviseur Lenette Schuyt ziet gebeuren? Dat verticale hiërarchie plaatsmaakt voor horizontale relaties; dat management meer en meer gezien wordt als de kunst om dingen gedaan te krijgen door en via mensen; dat werk meer gaat over manieren van samenwerken. Kortom, aldus Schuyt, dat op verbinding gerichte vrouwelijke perspectieven het winnen van op efficiency en controle gerichte mannelijke perspectieven. Of is dat wishful thinking van haar (en van mij)?

Áls het een trend is dan mag ik me in ieder geval gelukkig prijzen dat ik erbij hoor op dit moment. Er was een tijd dat ik er beslist niet bij hoorde, en het omgekeerde dacht: organisaties zijn totalitaire monsters. Toen vond ik dat de sfeer in organisaties – met zijn blauwdrukken, lineair denken, Total Quality Management en verandering op commando – het beste te omschrijven was met termen ontleend aan politieke stromingen van de jaren dertig. Hannah Arendts The Origins of Totalitarianism was heel toepasselijk voor de op beheersing gerichte organisatiemachines.

Zo niet op dit moment in mijn eigen, directe omgeving. Ik maak nu deel uit van een op leren en ontwikkelen gericht team binnen de gemeente Amsterdam. Daar is veel ruimte voor de menselijke maat, er kan geëxperimenteerd worden, men staat open voor het onbekende, besluitvorming verloopt langs participatief democratische lijnen. Pure vooruitgang dus, ten opzichte van mijn eerdere ervaringen waarin ik vooral een anoniem onderdeel was van een grote machinerie. Wat trouwens niet wil zeggen dat die machinerie er niet meer zou zijn; maar ik heb er in ieder geval minder last van.

Los daarvan meen ik in organisatieland soms opbeurende signalen op te vangen, zoals een toenemende belangstelling voor het meer relatiegerichte Rijnlandse denken, de grotere inbreng van vrouwen, en ontwikkelingen in de technologie die verfijndere afstemming mogelijk maken, ook in relaties. De historicus Fabian Scheidler acht de trend van verzet tegen het ‘lineaire denken’ zelfs onvermijdelijk. Waarbij ‘lineair denken’ bij hem staat voor de “onjuiste veronderstelling dat mensen hun hele leven als automaten kunnen worden behandeld zonder dat ze zich zullen wreken”.

Maar eerlijk gezegd denk ik dat het voorbarig is om van een trend te spreken, in ieder geval van een dominante trend. Het is waar, ik maak het mee, en Manifesta creëert nieuwe ruimte en Lenette Schuyt stelt vast dat het tijd is voor een vrouwelijk perspectief.

Maar we moeten de hardnekkigheid van de traditionele vormen niet onderschatten. Schuyt waarschuwt zelf dat in organisaties die ‘agile’ of ‘lean’ worden de stoere leider wordt vervangen door een coach en facilitator, maar dat de klassieke ‘hark’ daarmee niet is verdwenen. Door de ideeën uit het begin van de twintigste eeuw van Frederick Taylor en Max Weber zijn we het vanzelfsprekend gaan vinden dat een organisatie hiërarchisch en bureaucratisch is ingericht, en is het onderscheid tussen denken en doen nog steeds springlevend. “Je zou bijna vergeten dat hiërarchie en bureaucratie geen wetmatigheden zijn, maar een manier van organiseren, die ooit is bedacht en waaraan de meeste topmanagers nog steeds vasthouden.”

Ik denk dat zelfs deze waarschuwing van Schuyt het probleem nog te luchtig opvat. Alsof het met Taylor en Weber begonnen is. Mijns inziens wortelt het probleem veel dieper, namelijk in hiërarchistische organisatieopvattingen die via het Christendom  teruggaan op Plato, en die, vanwege de eerbiedwaardige status van die traditie, zowat onaantastbaar zijn.

Schuyt heeft gelijk als ze zegt dat het klassieke organisatieparadigma erg sterk verankerd is in de hoofden van managers. Maar om dat aan te vechten zul je verder terug moeten gaan dan Frederick Taylor. Dit raakt aan de grondslagen van onze westerse cultuur, zeg maar aan het Klassieke met een grote K.

Laat ik dus voorzichtig zijn, en nog niet spreken van een trend. Laat ik maar zeggen dat ik terecht gekomen ben in een leuke niche, met veel vrouwelijke collega’s en goed gerichte aandacht, en de juiste technologische ondersteuning. En niet te vergeten, dat ik nog maar een dienstverband heb van acht uren. Dan wordt het al helemaal gevaarlijk om van een trend te spreken.

Zie ook Listig

vrijdag 30 november 2018

Tacheles


Wat betekent dit Jiddische woord nu echt? Zolang ik het ken heeft het voor mij een sympathieke klank. Zo van: ‘het kan wel zijn dat er allerlei theorieën zijn, en regels en procedures doorlopen moeten worden, maar daar wordt niemand blijer van. Ons probleem lossen we nu op met het oog op de gewenste effecten’.

Enig speurwerk leert dat het woord is afgeleid van het Hebreeuwse woord ‘tachliet’, met als betekenissen doel, einde, grens. Via het Jiddisch is tacheles in het Nederlands en het Duits terechtgekomen, waar het staat voor klare taal, onomwonden spreken. Iemand die tacheles spreekt neemt geen blad voor de mond en komt op een verstandige manier ter zake.

Wat mij erin aanspreekt is het pragmatische en doelgerichte, en de combinatie daarvan met verstand. Het is dus niet het simplisme van ‘niet-lullen-maar-poetsen’, van mensen die graag daadkracht zien en daar liever niet bij nadenken. Want tacheles doet wel degelijk aan reflectie, maar dan gekoppeld aan actie. En het is al helemaal niet plat materialistisch, wat sommige mensen associëren met de notie van pragmatisme.

Ik kom op het woord tacheles omdat ik me op dit moment voor een lezing verdiep in het Amerikaanse pragmatisme van John Dewey. Zijn werk benadrukt dat het handelen van mensen het permanente oriëntatiepunt is voor wat we kunnen zeggen over de wereld. Alles wat een mens kent, doet, denkt, leert, weet is te relateren aan de betekenis die dat  heeft voor zijn handelen.

Het sympathieke en zelfs bevrijdende daarvan is dat theorie en theoretiseren als opzichzelfstaande beschavingswaarden sterk gerelativeerd worden. Dat impliceert wel een weigering om mee te gaan in het optrekken van theoretische, academische ivoren torens en ander moeilijk gedoe dat in Europa vanaf Plato en Aristoteles eeuwenlang doorging voor intellectueel leven en diepgang.

Niet alleen pragmatistische Amerikanen als John Dewey en William James keerden zich daarvan af, ook Europese Joden moesten daar wat tegenover zetten. Het ‘Tacheles reden’ is zo zelfs officieel in het Duitse woordenboek beland.

Zie ook Plato ontzenuwd?

donderdag 22 november 2018

Gezelligheidsfundamentalisme


Waarom trof mij onlangs het woord ‘gezelligheidsfundamentalisme’ (gemunt door de Leidse historicus Adriaan van Veldhuizen) als een bijzonder adequate combinatie van tegengestelde betekenissen? Met gezelligheid als het gezellige deel, en fundamentalisme als het ongezellige deel. Die zijn in Nederland kennelijk met elkaar verknoopt geraakt, zoals bijvoorbeeld in Pakistan de woorden ‘Moslim’ en ‘fundamentalisme’ dat zijn.

Dat heeft er, wat mij betreft, mee te maken dat gezelligheid dezer dagen in het hart van de pietendiscussie staat en daarin kan uitgroeien tot iets griezelig ongezelligs.

En dát komt weer doordat ‘gezelligheid’ in Nederland bijna de status heeft van een ideologie. Al heel lang maken Nederlanders elkaar wijs dat ze iets bijzonders in huis hebben. ‘Wat je nooit aan een buitenlander kunt uitleggen is het woord gezelligheid’, zeggen we dan tegen elkaar. Want behalve dat buitenlanders het woord niet kunnen uitspreken, begrijpen ze gewoon niet wat het is. Die intimiteit, die eigen codes, die huiselijkheid: je kúnt het ook niet uitleggen, het is een gevóel.

Je moet het hébben, en we voelen precies aan wanneer iemand het heeft, je zit er gauw net naast. Zwarte Piet racistisch? Nee, dan zit je er echt naast, dan snap je het echt niet, ons gevoel voor onschuldige geinigheid.

Het is op dat punt dat het fundamentalisme begint, want wie het niet precies snapt moet zijn mond houden. Andere belevingen van, andere associaties met datzelfde verschijnsel deugen gewoon niet, en mogen dus niet gehoord worden.

Omdat het aspect van erbij horen of er niet bij horen zo prominent gekoppeld is aan onze opvatting van gezelligheid (van bitterballen tot sinterklaas), kan gezelligheid van iets positiefs gemakkelijk veranderen in iets kwaadaardigs. Dan wordt wat zo leuk begon een instrument van verkettering en uitsluiting. Precies zoals bij andere ideologieën en fundamentalismes.

Zie ook Nationale denkschaamte en Identiteitspolitiek