vrijdag 3 september 2010

Ingewikkeld


Je kunt er alle kanten mee op, met Wilders’ reactie op de strubbelingen in het CDA.

Ab Klink onthult dat Wilders tijdens de onderhandelingen zijn partners heeft verteld dat hij dingen gaat zeggen waar zij het schaamrood van op de kaken zullen krijgen. Klink ervaart dit, begrijpelijkerwijze, als de zoveelste grofheid en onbeschaamdheid van de kant van Wilders.

Maar je kúnt Wilders’ aankondiging van dwars optreden ook beschouwen als een ingewikkelde manier van hem om een zeker respect te tonen aan zijn partners. Beter dan nu niks te zeggen en hen later negatief te verrassen wil hij het nu al kwijt. Het valt te beschouwen als een vorm van relatiemanagement, en het lijkt erop dat Maxime Verhagen het zo beleeft.

Veelzeggend hoeft het niet te zijn dat Wilders vervolgens deze onthulling van Klink heeft tegengesproken. Het kan gewoon betekenen dat Klinks onthullingen niet waar zijn. Of, als ze wel waar zijn, dat Wilders zit te draaien.

Maar het kan ook betekenen dat Wilders uiteindelijk uit is op een fatsoenlijk imago en een werkbare relatie met zijn gespreks- dan wel gedoogpartners wil behouden. Kennelijk houdt Verhagen het op dat laatste.

Wat in ieder geval duidelijk is: gedoe zal er zijn. Maar of je daarin wilt stappen of niet, dat is waarschijnlijk erg afhankelijk van de inschatting die je maakt van de persoon Wilders. En daarnaast natuurlijk van het belang dat je toekent aan de groep die hij vertegenwoordigt.

vrijdag 27 augustus 2010

Kunnen Amsterdammers wel samenwerken?


Je zou haast denken van niet. Althans afgaande op bijeenkomsten die de gemeente Amsterdam al sinds jaar en dag organiseert voor het ambtenaren kader. Want daarin gaat het iedere keer opnieuw over het beter afstemmen van activiteiten van stadsdelen en diensten op elkaar, en over het hebben van vertrouwen in elkaar.

De keren dat ik aan die bijeenkomsten heb deelgenomen komt er steeds één trefwoord bovendrijven: ‘samenwerking’. Bijvoorbeeld in uitspraken als “Samenwerking is alles” of “Samenwerking ligt in Amsterdam erg gevoelig”.

Direct daaraan gekoppeld volgt altijd de vergoelijkende vaststelling “Maar ja, we hebben hier wel te maken met Amsterdammers” en die zijn wel eigen in hun soort, hoor. Met een zekere vertedering wordt die Amsterdammer, ook de Amsterdamse ambtenaar, dan getekend als iemand die zelf wel uitmaakt wat hij doet en hoe die het doet.

Op die momenten daalt er, ondanks de vertedering, een soort onmacht neer over zo’n bijeenkomst. Want die Amsterdamse eigenzinnigheid mag dan van karakter getuigen, ‘een Amsterdammer’ laat zich verder niets gezeggen. De conclusie dringt zich op: Amsterdammers kunnen niet samenwerken. De bijeenkomst wordt dan meestal gesloten door nog eens te tamboereren op het woordje ‘samenwerking’, want de stad moet wel bestuurd worden.

Toch deel ik die genoemde conclusie niet, althans niet volledig. Mijn ervaring is namelijk dat Amsterdammers, in ieder geval Amsterdamse ambtenaren, wel degelijk heel goed kunnen samenwerken. Maar dan moet je je wel, met hen, begeven op het niveau wat er toe doet: dat van de straat die moet worden geherprofileerd, van de invalide die een parkeervergunning wil. Kortom, het niveau van de primaire processen.

Als ik ambtenaren aan tafel heb om over die dingen te praten is samenwerking nooit een probleem. Als de een een goed idee heeft neemt de ander dat graag over, ook als het komt van een andere afdeling. En als men het niet eens is wordt er gediscussieerd totdat er een oplossing is.

Maar dan heb je het dus over straatstenen, afvalbakken, gehandicaptenparkeerkaarten of kapvergunningen. Zo gauw je dat terrein verlaat en het moet gaan over budgetten, afdelingsgrenzen en coördinatiemechanismen, dan wordt het ineens een stuk moeilijker. Dan steekt de territoriumdrift de kop op, mensen gaan op hun strepen staan, worden ideologisch en maken het, heel Amsterdams, inderdaad zelf wel uit.

Niet voor niets zijn de bijeenkomsten waar zo getamboereerd wordt op samenwerking vooral bevolkt met bezoekers uit het midden en hogere kader. De stap om ruim aandacht te schenken aan de primaire processen is voor velen van hen nog te groot.

Zie ook Van groot naar klein en terug

dinsdag 24 augustus 2010

Mislukte concretisering


De verschillen tussen Karl Marx en Martin Heidegger zijn zo groot dat je niet gauw op het idee komt dat ze wat gemeen hebben. En dan doel ik natuurlijk niet op het feit dat ze allebei stammen uit Duitsland en in de negentiende eeuw geboren zijn.

Ik doel op het gegeven dat ze beiden de sterke wens hadden om hun denken om te zetten in actie, om het maatschappelijk vorm te geven en vruchtbaar te maken. En dat beider pogingen om zelf bij te dragen aan die concretisering op een fiasco zijn uitgelopen en dat ze zich daarna met des te meer toewijding in de studeerkamer of de berghut hebben teruggetrokken.

Bij Marx zat de aandacht voor de concrete, materiële omstandigheden waarin mensen leven er al vroeg in. Die waren wat hem betreft meer bepalend voor de loop van de geschiedenis dan de bovenbouw van ideeën en theorieën. Daar sloot zijn uitspraak op aan dat filosofen niet enkel de wereld moeten interpreteren, maar ze ook moeten veranderen.

In en rond het Europese revolutiejaar 1848 probeerde Marx aan dat project zijn eigen daadwerkelijke bijdrage te leveren. In Parijs en in Duitsland beklom hij de barricaden voor de revolutie, maar dat lag hem toch niet echt. Daarom stortte hij zich vervolgens toch maar, en met volle inzet, op zijn onderzoek naar de kapitalistische productiewijze. Hij werd de kamergeleerde bij uitstek die doorwrochte studies produceerde en zijn hele leven juist verklarend en verhelderend is bezig geweest. Hij vertelde dat hij met Das Kapital de bourgeoisie een theoretische slag wilde toebrengen die ze nooit meer te boven zou komen.

Heidegger benadrukte vanaf de jaren twintig van de twintigste eeuw het belang van inbedding van het geestelijk leven in taal, cultuur en geschiedenis. Ook de filosofie staat volgens hem nooit op zichzelf, maar is ingebed in situaties van materiële en sociale aard. De filosoof moest van hem dan ook de aarde trouw blijven en de Nationaal-Socialistische revolutie was in zijn ogen de beweging die de verbinding tussen materieel-culturele bedding en geestelijke waarden ging verwerkelijken. Daarom werd hij actief Nazi-partijlid, de revolutie moest niet alleen met het woord maar vooral met de daad worden voltrokken. In de woorden van Safranski: “plotseling breekt er een honger naar concreetheid en compacte werkelijkheid door, en de eenzame filosofie zoekt het bad van de menigte”.

Maar al snel realiseerde Heidegger zich dat zijn droom door Hitler niet zou worden waargemaakt en dat zijn engagement met de actieve politiek een vergissing was. Hij trok zich terug, zonder overigens zijn idealen op te geven. Hij bleef spreken in termen van het 'trouw blijven aan de aarde', maar zocht vormgeving daarvan niet langer in politieke bewegingen. Juist niet, want daardoor werd de zuiverheid van zijn streven maar aangetast. Zijn zelfopgelegd opdracht luidde voortaan: bij alle verwikkelingen in het zijnde 'het zijn niet vergeten'. En daarvoor waren zijn hut en de studeerkamer de beste plekken.

Deze terugtrekking in een eenzaam, studieus bestaan na een teleurstellende engagement met hun revolutie hebben Marx en Heidegger met elkaar gemeen. Hoe groot de verschillen tussen de beide denkers verder ook zijn, bijvoorbeeld wat betreft de kleur van hun politieke engagement of de mate waarin ze begaan waren met de maatschappelijke onderklasse.

Toch is er nog een aspect dat zij met elkaar gemeen hebben. Beide kwamen in totalitair vaarwater terecht. Heidegger heel direct door zijn verbinding met het Nationaal-Socialisme, Marx meer indirect doordat, misschien wel juist door het doorwrochte, wetenschappelijke imago van zijn werk, totalitaire bewegingen met hem op de loop gingen.

Zo bezien bieden toch juist de plaats en eeuw van hun geboorte de verklaring voor de parallellen. Zij delen beiden in de erfenis van Hegel. Die had het streven naar concretisering van het geestelijke in het materiële een flinke impuls gegeven en inspireerde wel meer revolutionairen tot totalitaire ideeën.

Zie ook Marx op zijn kop

donderdag 12 augustus 2010

La trahison des clercs


Zo openlijk verwoord als gisteren in Trouw door dominee Bas van der Graaf zie je het niet gauw. Als hoogopgeleide slimme mensen naar de kerk komen dan is dat voor eenvoud en houvast, zegt hij. Ze leven in een complexe, hectische wereld en hun grootste behoefte is: rust. Daar zoeken ze de kerk voor uit en dan willen ze niet getrakteerd worden op moeilijke onderwerpen. Ze zitten niet te wachten op uitdagend denkwerk.

Dat hebben ze namelijk al genoeg, volgens van der Graaf. En dat ben ik met hem eens, ik kan met verwondering toezien hoeveel vernuft en denkwerk er wordt gestoken in financiële producten, juridische overnameconstructies, wetenschappelijk onderzoek, audioapparatuur en zelfs voetbalopstellingen.

En daarna is het kennelijk op. “Hoogopgeleide kerkgangers zitten niet te wachten op hoorcolleges over moeilijke onderwerpen”. Ze voelen intuïtief wel dat de wereld groter is dan waar ze in hun werk mee bezig zijn, en ze zoeken daar ruimte voor, maar laat dat alsjeblieft geen geestelijke inspanning meer kosten.

Deze houding is in het Christendom geen nieuw verschijnsel. Integendeel, die staat in een traditie waarin stille contemplatie meer gewaardeerd wordt dan scherpe debatten die ergens over gaan; waarin overgave en eenvoud “gevierd” worden; en waarin de idylle van kloostergemeenschappen niet verstoord mag worden door kritische reflectie op mogelijk ongezonde spanningen daarbinnen.

In laatste instantie staat die traditie het ook niet toe om de mogelijke wankelheid van de eigen grondslagen te bevragen. Daar kun je redenen voor hebben, namelijk de redenen die Van der Graaf daarvoor aanhaalt: hij en zijn mede-hoogopgeleiden willen rust in de tent. Maar intellectueel kost zo’n weigering wel wat.

Die weigering laat zich niet zo makkelijk met intellectuele scherpte verzoenen als Van der Graaf suggereert wanneer hij zegt dat je natuurlijk aan sommige dingen niet mag tornen. Dan is de Remonstrantse predikant Leegte in datzelfde artikel een stuk helderder. “Als één hersencel niet mee mag doen in mijn werk als predikant”, zegt hij, “dan zoek ik een andere baan”. Die ene hercencel zou wel eens moeite kunnen hebben met de “feitelijkheden” van Van der Graaf, zoals de kruisiging, opstanding, Pinksteren, het werk van de Heilige Geest.

De weigering om die ene hercencel te gebruiken is je goed recht. En wellicht krijg je daarmee ook zeer betrokken mensen met een goed stel hersens in de kerk, zoals Van der Graaf zegt. Maar het intellectuele debat daarbinnen zal de middenmaat niet gauw ontstijgen. Werkelijk kritische vragen over ons samenleven, kritische reflectie die direct raakt aan ons professionele handelen, dat alles blijft dan halfbakken. Dat gemankeerde intellect werd ooit benoemd als “la trahison des clercs”. Meer recent - en met betere antwoorden dan Benda - verwees Huub Oosterhuis ernaar met de vraag: “Als je zo goed kunt denken, waarom denk je dan niet méér na over hoe wij samenleven?”

Zie ook Waar of raar en De dingen en de mensen

zondag 8 augustus 2010

Regeren met de PVV


Ik geef het wel een kans, zo’n kabinet met VVD, CDA en PVV.

Niet omdat ik iets heb met de PVV. Integendeel, ik vind dat Wilders potentieel gevaarlijk bezig is. En met de VVD heb ik nooit wat gehad en met het CDA maar weinig. Dus daar heeft mijn voorzichtige instemming niets mee te maken.

Die instemming komt voort uit het gevoel dat je de opkomst en politieke macht van de PVV ook anders kunt duiden dan alleen maar als een maatschappelijk gevaar doordat de partij mensen tegen elkaar opzet en haat zaait.

Uiteraard is dat de meest in het oog springende kant van het verhaal. Maar er is ook een andere kant. Je kunt de opkomst van de PVV ook zien als de voltooiing van het historische proces van politieke emancipatie van bepaalde bevolkingsgroepen. Dat proces begon in de negentiende eeuw als een beweging waarbij tweederangs burgers als katholieken en gereformeerden via hun elites meer invloed kregen op het landsbestuur. Die emancipatie kreeg een verbreding in de twintigste eeuw toen het algemeen kiesrecht werd ingevoerd en ook de middenklasse – confessioneel en niet-confessioneel - daadwerkelijk meer invloed kreeg.

Maar daar ergens is de emancipatie een tijdlang blijven steken. Er was wel algemeen kiesrecht maar een groep van pakweg 20 tot 25 procent van de bevolking slaagde er nooit in daarmee zijn eigen geluid in de politiek te laten horen. Die groep bestond uit Christelijke, voor het overgrote deel Katholieke, arbeiders en kleine luiden. Door de macht van het verzuilde systeem leverden zij hun stemmen aan Christelijke partijen, met name de KVP en later het CDA. Zij ondersteunden daarmee de ideeën van anderen, want die wisten wat goed voor je was. In afgezwakte vorm hadden kleine luiden binnen de socialistische zuil daar ook last van: de partij dacht wel voor hen.

Maar dat is voorbij. De niet gehoorde groep wil geen stemvee meer zijn, die wil zijn eigen geluid laten horen. Het is niet voor niets dat het CDA zoveel kiezers verloor in Brabant en Limburg, eerst aan de SP, en daarna aan de PVV. Dat is hoe dan ook een vorm van weer opgenomen emancipatie.

Dat de inhoud van het geluid mij en een heleboel andere Nederlanders niet aanstaat kan helpen om de emancipatie nog verder te voeren. We zullen moeten leren niet meer voor de niet gehoorde groep te denken. Maar die groep op zijn beurt zal ook gedwongen zijn om over de eigen ideeën in discussie te gaan en zal leren wat het betekent, zoals Frank Ankersmit zegt in de NRC, om eigen ideeën te hebben. Zeker als je zo dicht tegen de regeermacht aanzit. Dat kan nooit slecht zijn.

Zeker niet als de andere 75 tot 80 procent (PvdA, CDA, VVD, SP, GroenLinks, D66, CU, PvdD) – die zo goed weet wat een rechtsstaat inhoudt – op het vlak van de feitelijke gedragingen (te onderscheiden van uitingen) van politici geen millimeter inbreuk op die rechtsstaat zal dulden.

maandag 26 juli 2010

Geloven


Je kunt ook te véél geloven, al ben je niet gelovig meer.

Dat overkomt naar mijn idee Jan Marijnissen als hij zegt nog steeds te geloven in zijn keuze voor Agnes Kant als zijn opvolger in de fractie. Daarover toont hij geen spoor van twijfel, zij was de goede vrouw op de goede plaats. De beslissing om op te stappen heeft ze dan ook geheel zelf en zonder druk vanuit de partij genomen.

Die overtuiging van Marijnissen vloeit samen met een ander geloof dat hij gisterenavond in Zomergasten breed etaleerde. Het gaat in het leven om samenwerken, om met z´n allen te geloven in waar je mee bezig bent, om een esprit de corps waarbij je als één man staat achter een gezamenlijk doel.

Binnen de SP is hem de realisatie van dat ideaal goed gelukt. Een beetje té goed, want de bijeffecten daarvan in de vorm van collectieve blindheid, of de angst om uit de toon te vallen hebben de partij wel parten gespeeld. Waar de rest van Nederland, ondanks alle sympathie voor haar gedrevenheid, Agnes Kant toch wel erg bozig en fanatiek begon te vinden, hield Marijnissen vol dat binnen de partij iedereen tevreden was met haar optreden. Niemand had daar ooit een kanttekening bij gemaakt.

Arme Agnes Kant! De samenbindende partijideologie en de groepswerking waren zo succesvol dat ze de moeilijke beslissing om op te stappen ook nog in opperste eenzaamheid heeft moeten nemen. Geen dissident binnen de partij met wie ze mogelijke twijfels al eerder had kunnen delen.

De parallellen tussen de SP à la Marijnissen en de Rooms-Katholieke kerk dringen zich nu aan mij op. Dat is niet origineel of opzienbarend, want Marijnissen zelf had al - tot zichtbare verlegenheid van presentator Jelle Brandt Corstius - via de keuze van zijn filmfragmenten zijn gehechtheid aan het Katholieke erfgoed een ruime plaats gegeven. Zwaar van de nostalgie die geen centrum meer heeft. Marijnissen gelooft niet meer in Jezus, maar des te meer in het samengaan van dwingende inspiratie en kameraadschap met esprit de corps en groepsdwang. Misschien is hij zelf wel de belichaming van die tegelijkertijd zo gemoedelijke en strenge bonhommie.

Terecht maakte hij gisterenavond Allan Greenspan het verwijt blind geloof te hebben gehecht aan de ideologie van het neoliberalisme. En daardoor verantwoordelijk te zijn voor de ineenstorting van het financiële systeem en de stuitende zelfverrijking van zoveel profiteurs. Maar je kunt ervan vinden wat je wilt, Greenspan gaf wel toe dat hij iets over het hoofd gezien had. Dat heb ik Jan Marijnissen nog niet horen zeggen.

vrijdag 23 juli 2010

Heftigheid


Voordringen bij de kassa's, schreeuwen tegen iedereen, inclusief baby's, de lompheid van veel Israëliërs is onbeschrijfelijk, aldus Guus Valk laatst in de NRC. En ze weten het van zichzelf wel, maar cultiveren het in zekere mate. De 'nieuwe Jood' is los van conventies. Alles beter dan die stijve Europeanen, zeggen ze zelf.

Ook al schaadt het de zaken want, zegt Valk, voor zover de politieke situatie in het Midden-Oosten al handelscontacten toelaat worden die bepaald niet bevorderd door de Israëlische lompheid. Maar ook daar kiezen ze kennelijk bewust voor. Alles beter dan geremd te worden in de heftigheid die niet wenst te worden ingesnoerd.

Toen ik dit las moest ik denken aan de beleefdheidscampagne die gevoerd werd toen ik in de jaren negentig in Israël was. In bussen, postkantoren en winkels werd het publiek aangespoord om met twee woorden te spreken en iets meer geduld te tonen. Het heeft kennelijk niet mogen baten.

Moet je er dan maar om lachen? De filosofen Salomon Malka en Jacques Derrida doen dat uiteindelijk in een dialoogje over de Joodse traditie. Malka haalt een achttiende-eeuwse Poolse rabbijn aan die zei: “Het hele Jodendom bestaat er misschien slechts in om de werkelijke betekenis van woorden te kennen”. Waarop Derrida helemaal verstijft, en geïrriteerd antwoordt dat men dat wel van iedere cultuur kan zeggen. Maar, zegt Malka, de rabbijn bedoelt dat het Jodendom dat in extreme mate doet. Derrida, opnieuw geprikkeld: “Dus beter dan in andere culturen?” Malka: “Nee, maar meer extreem”. Derrida: “Dus het extreme is Joods?” En daar moesten ze, zoals destijds Cor Galis en Ischa Meijer, allebei hartelijk om lachen.

Zo bezien, als we toch in sjablonen spreken, vormt de karikaturale Engelsman het honderd procent tegendeel van de Israëlier: beleefd, flegmatiek, voorkomend, geduldig. Maar dat contrast gaat ook op voor het gebruik van alcohol door de genoemde bevolkingen. In Engeland hebben ze daar over het algemeen veel van nodig, in Israël veel minder.

Zie ook Alcohol en Bekvechten

donderdag 15 juli 2010

Verwondering of verbijstering


Begint filosofie met verwondering of met verbijstering?

Gangbaar en gerespecteerd is de opvatting dat filosofie begint met verwondering. De verwondering bijvoorbeeld die verwoord is in de vraag van Leibniz en Heidegger "Waarom is er iets en niet niets?” Of die tot uitdrukking komt in Kants ontzag voor de sterrenhemel boven hem en de morele wet in hem.

In die verwondering zit al gauw iets bewonderends en beamends: wat is alles toch fantastisch ordentelijk geschapen; wat zit de wereld toch knap in elkaar. Een echo van deze traditionele waardering voor verwondering klonk onlangs bij de toekenning van de P.C. Hooftprijs aan Charlotte Mutsaers: het was de beloning voor de verwondering, de betovering, de onbevangenheid, het enthousiasme.

Met dat cliché heb ik nooit zoveel gehad, ik vind het te weinig kritisch en te weinig recht doen aan de chaos en onverschilligheid van de wereld om ons heen, ook van de pure schepping. En dat verklaart misschien waarom ik met een heleboel filosofie nooit uit de voeten kon, terwijl ik best beschouwend ben aangelegd.

Ik herken me meer in Theo de Boer, waar hij zegt dat denken voortkomt uit verbijstering, of onbehagen, een woord dat Freud al gebruikte. De wereld om ons heen geeft nauwelijks aanleiding tot de brave verwondering en de lof die veel traditionele filosofieën en, niet te vergeten, traditionele godsdiensten toezwaaien aan het Intelligent Design van de kosmos. Die verwondering en lof associeer ik vooral met mensen in een luxe positie. Met mensen die op veilige afstand van het straat- en wereldrumoer zich kunnen overgeven aan de beschouwing die zijn eigen fascinatie en schoonheid schept.

Nu hoeft het niet of/of te zijn. Er zijn tussenposities mogelijk tussen verbijstering en verwondering. Zo beaamt de filosoof Daan Roovers dat filosofie begint met verwondering. Maar bij haar is dat niet de romantisch aanbiddende verwondering over het uitspansel. Zij doelt op de verwondering over alle meningen die ze om zich heen tegenkomt. Die wekken verbazing en maken dat zij zich afvraagt: ik zal toch niet gek zijn? Hoe kom ik aan de ideeën die ik heb, hebben anderen ze ook, zijn ze daarom waar of leven we in een collectieve illusie? Dat klinkt toch heel wat kritischer dan ademloze bewondering.

En zo is er de tussenpositie van Wislawa Szymborska. Het lijkt alsof zij de romantisch lieflijke insteek kiest in haar gedicht “Onachtzaamheid”, namelijk die van de brave verwondering over al wat is: “ik heb een dag geleefd zonder me ergens over te verbazen”. Maar bij nader inzien blijkt er toch eerder sprake te zijn van verbijstering: “De wereld kon doorgaan voor een krankzinnige wereld, terwijl ik hem enkel aanwendde voor dagelijks gebruik”.

De laatste tijd betrap ik mezelf erop dat ik naast de verbijstering toch meer van die verwondering blijk te hebben over sommige dingen dan ik altijd gedacht heb. Bijvoorbeeld een soort fascinatie voor een klinkende toon, of een zonnestraal. Dat dat bestaat! Misschien een teken dat ik rustiger word, of meer in balans? Als het maar niet de vorm gaat aannemen van brave, onkritische, bijna Katholieke “beaming van al wat bestaat”.

vrijdag 9 juli 2010

De kick van verbinding


De aantrekkingskracht van het woord 'verbinding' is gigantisch. En dat geldt eigenlijk voor alle woorden die daar een beetje bij in de buurt komen, zoals communicatie, samenspel, directheid.

Niet voor niets worden die woorden zoveel gebruikt om mensen te pakken. Niet alleen in contactadvertenties, maar ook bij de werving van personeel of bij reorganisaties. Kennelijk is de nood aan verbinding hoog.

En aan verbonden zijn. Dat bleek onlangs op een bijeenkomst voor medewerkers van de gemeente Amsterdam. Daar werden acht medewerkerstypen genoemd, elk met zijn eigen kwaliteiten, die de stad nodig heeft om goed te functioneren. Tot die typen behoorden onder andere de ‘netwerker’ en de ‘verbinder’. Toen vervolgens aan de aanwezigen gevraagd werd om zichzelf bij een van de typen in te delen, bleken de netwerker en de verbinder, samen met de ‘spelverdeler’ wel 75 procent van de scores te halen. De ‘afmaker’ kwam niet verder dan anderhalf procent.

In Amsterdam kennen we niettemin behoorlijk wat situaties waarin die verbindingen er per ongeluk niet blijken te zijn, en niet alleen bij de Noord-Zuidlijn. Dan stellen we coördinatoren aan of communicatie-experts of sociale innovatoren. Die voorzien dan, alleen al door de magie van hun functienamen, in de behoefte, ook al is dat maar voor korte duur. In werkelijkheid leidt dit soort oplossingen vaak alleen maar tot meer bellenblazerij in plaats van verbinding.

De behoefte aan verbinding lijkt een fysiologische basis te hebben. Regelmatig lees ik artikelen over de werking van de hersenen waarin de gezondheid van het brein in verband gebracht wordt met de mate waarin hersenonderdelen onderling contact leggen. Zo blijkt depressie bestreden te kunnen worden door haperingen in de verbindingen weg te nemen en blijven ouderen geestelijk langer fit als ze hun hersenen blijven trainen in het leggen van verbindingen.

Ik geloof er wel in. Het op een zinnige manier aan elkaar knopen van in eerste instantie aan elkaar vreemde elementen werkt stimulerend. Maar dat kun je beter niet doen door er vooral over te praten, zoals in Amsterdam een beetje te veel gebeurt.

Dat kun je beter gewoon doen. Heel letterlijk. Door een simpele muisklik kan ik de ene afdeling van mijn werk verbinden met de andere, via informatie die van de ene naar de andere gaat en terug. En altijd op basis van een gesprek tussen vertegenwoordigers van beide afdelingen. Iedere verbindingsklik geeft me iedere keer weer een kick.

Zie ook Van groot naar klein en terug