vrijdag 9 december 2016

De boekhouder van Auschwitz


Vorige week besloot de hoogste Duitse rechtsinstantie, het Bundesgerichtshof in Karlsruhe, dat iedereen die een functie had in een nazi-vernietigingskamp beschouwd moet worden als medeplichtig aan de daar gepleegde moorden.

Dat is revolutionair, want tot dan toe gold de bepaling dat iemand die werkzaam geweest was in een kamp pas schuldig was als zijn of haar deelname aan het moordproces objectief was vastgesteld. Het Hof nam deze beslissing naar aanleiding van de zaak tegen de ‘boekhouder van Auschwitz’, de 95-jarige Oskar Gröning.

Moet je nu blij zijn met zo’n beslissing of niet?

Mijn eerste reactie is dat ik de gang van zaken nogal ontluisterend vind. Het recht hobbelt kennelijk zover achter de gebeurtenissen aan dat het zichzelf irrelevant dreigt te maken. Twee generaties van mensen die nu als daders zouden worden aangemerkt hebben ongestoord hun leven verder kunnen leiden. Het huidige oordeel kan hooguit nog een handjevol grijsaards raken die daarvoor uit verzorgings- en verpleegtehuizen moeten worden gehaald.

De vraag is ook hoe dit oordeel zich verhoudt tot de soms regelrechte straffeloosheid van daders van veel zwaardere vergrijpen die na de oorlog hun carrières konden hervatten. Je kunt zeggen: lekker makkelijk oordelen, na zeventig jaar.

Aan de andere kant, ten opzichte van de eerdere beslissing van het Bundesgerichtshof om de ‘kleintjes’ te laten lopen, getuigt dit oordeel van een terechte inhoudelijke omslag. We weten inmiddels immers dat meelopen niet onschuldig is: een misdadig systeem drijft op meelopers.

Tenslotte zou je, ter instemming met dit late oordeel, kunnen aanvoeren dat hier een denkwijze en jurisprudentie worden ontwikkeld die maken dat het een volgende keer geen zeventig jaar hoeft te duren.

Maar juist dat willen we toch niet meer: een volgende keer?

Zie ook Vergangenheitsbewältigung

vrijdag 2 december 2016

Historische ervaring


Ik houd van de zogenoemde ‘historische ervaring’: het gevoel dat je even contact hebt met het verleden, of met mensen uit het verleden. Meestal heb ik dat naar aanleiding van de nabijheid van oude gebouwen of de aanraking met oude objecten.

Naar aanleiding van een recent bezoek aan Nijmegen vroeg ik me af: waardoor wordt die historische ervaring nu het meest getriggerd? Door een volledig bewaarde historische omgeving, desnoods in volledig gerestaureerde staat? Of mogen er ook moderne gebouwen (waaronder veel lelijke) staan tussen de oude? Of mag zelfs het grootste deel modern zijn, terwijl er slechts zo nu en dan een stukje 15e, 16e, 17e of 18e eeuw doorheen piept?

Ik geef de voorkeur aan het laatste. Juist door de onverwachtsheid van hun verschijning treffen die oude fragmenten als direct uit het verleden op mij toekomend. Dat beleefde ik in Nijmegen, met zijn wederopgebouwde centrum. In een jaren-vijftig straatwand opent één oud pand of oud poortje al de tijdsdimensie, misschien wel meer dan een geheel historische straatwand.

Het eerste – een volledig bewaarde historische omgeving – bestaat in originele staat bijna niet meer in Nederland. In Frankrijk wel, en daar kan ik er wel van genieten maar ik betrap mezelf dan tegelijkertijd op een bijna totalitair verlangen: de omgeving moet compleet kloppen met het historische beeld, als in een kostuumdrama.

In Nederland is dat totalitaire karakter van historische sites nog sterker, omdat de originele staat in de meeste gevallen ver te zoeken is, en het gerestaureerde karakter van erfgoed er soms vanaf spat.

Voor associaties met een totalitair stedelijk landschap hoef ik in mijn woonplaats Zaandam niet bang te zijn. Hier staan de oorspronkelijke en minder oorspronkelijke groene huisjes tussen betonnen kolossen.

Zie ook Bakstenen

vrijdag 25 november 2016

Als Heidegger filosofisch deugt...


Toen ik laatst een filosofiedocent vroeg naar zijn favoriete filosoof was zijn antwoord: “Heidegger, helaas”.

Dit antwoord vat goed de spagaat samen waar veel filosofen zich in bevinden: tussen bewondering voor Heidegger als filosoof, en afschuw van zijn nazisympathieën en zijn antisemitisme. Die afschuw werd recent fors gevoed door publicatie van zijn briefwisseling met zijn broer Fritz waarin hij ongeremd antisemitisch tekeer gaat.

De spagaat wordt er alleen maar groter van, want de meeste filosofen menen dat je in de filosofie niet om Heidegger heen kunt. “Hem negeren is eigenlijk onmogelijk, omdat hij zo diepzinnig en invloedrijk is als denker”, zegt filosoof Gert-Jan van der Heiden.

Ik denk dat Van der Heiden daar wel gelijk in heeft. Maar die spagaat zou wel eens mogen leiden tot een andere vraag: als Heidegger filosofisch deugt, deugt de filosofie dan wel? Of op zijn minst: deugt de Westerse filosofie dan wel? Het antwoord op die vraag vereist een onderzoek naar de fundamenten van de Westerse filosofische traditie.

De ironie van dit verhaal is dat het nu precies Heidegger is geweest die iets dergelijks gedaan heeft. Hij heeft inzichtelijk gemaakt hoe schraal eigenlijk de filosofische traditie is vanaf Plato, door een eenzijdige aandacht voor het afstandelijke kennen en vervolgens gebruiken van objecten, uitmondend in een diabolische overheersing door ‘de techniek’. Dit alles onder verwaarlozing, aldus Heidegger, van het basale levensgevoel van een mens, namelijk: er-te-zijn, in deze wereld, met andere mensen.

Het is onmiskenbaar een, misschien wel dé zwakke plek in de Westerse filosofische traditie waar Heidegger de vinger op legt, en dat rechtvaardigt de grote reputatie die hij heeft onder filosofen. Maar de spagaat blijft wel bestaan. Heideggers zwijgen over de Jodenvervolging en zijn antisemitisme zijn hoe dan ook onverteerbaar. Sommigen lossen dat op door de mens en de filosoof in Heidegger van elkaar te scheiden. De méns zou niet deugen, maar de filosoof wel.

Ik vind dat een gekunstelde oplossing, net als Marli Huijers oproep tot het overwinnen van de weerzin, in navolging van Hannah Arendt – ooit Heidegger liefje – die na de oorlog weer contact met hem opnam. Die oplossingen bieden geen serieus antwoord op de vraag.

Wat mij betreft licht Levinas een tipje van de sluier op. Hij zegt: ja, Heidegger heeft de filosofische aandacht terecht verlegd, weg van het afstandelijke, objectiverende en technische kennen van de wereld. Maar hij verruilde dat voor een nieuwe afstandelijkheid: het akelig neutrale Zijn.

Hiermee wijst Levinas een nog omvattender zwakke plek aan in de filosofie, waaraan zowel de Platoonse filosofische traditie als Heideggers remedie daarvoor in gelijke mate mank gaan. Namelijk: het zoeken naar neutrale middentermen waarlangs het begrijpende individu zich de wereld kan toeëigenen en beheersen. Voor Plato en zijn navolgers verliep dat via het kennen van objecten, voor Heidegger via de bemiddeling van het Zijn.

Heideggers Zijn schept misschien meer ruimte dan de Platoons/Westerse gerichtheid op objecten en techniek, maar hij deelt daarmee ook een vernietigende eigenschap. Zijn denken is net zo amoreel, net zo ethisch onverschillig als de klassieke Platoonse focus. Het gaat nog steeds om het (be)grijpen van de wereld, gezien vanuit het autonome individu. Je laten verrassen en gezeggen door de Ander is er nog steeds niet bij.

Daarvoor moet je, volgens Levinas, bij een andere traditie zijn.

Zie ook Waarom Heidegger ons niet verder brengt en Heidegger en de Joden

vrijdag 11 november 2016

Achterlopen


Bestaat er zoiets als vóórlopen of achterlopen van culturen ten opzichte van elkaar? En zo ja, mag je daar dan hardop over praten?

Die beide vragen werden eeuwenlang met ja beantwoord door Christenen met betrekking tot onder andere Joden. Deze laatsten kregen het verwijt dat ze de tekenen des tijds niet verstaan hadden doordat ze Jezus Christus als verlosser hadden afgewezen. Daarom waren Joden vervolgens gedoemd om bijna tweeduizend jaar als levend anachronisme en daardoor als derde rangs mensen door het leven te gaan. Je mocht ze hardop uitschelden voor fossielen.

Tegenwoordig is de kwestie nog steeds relevant, maar dan in de verhouding van de Westerse cultuur tot de Islam of tot zwarte bevolkingsgroepen.

Met betrekking tot Moslims hoor je geregeld de stelling dat het logisch is dat zij achterlopen, omdat de Islam (nog) geen Reformatie of Verlichting heeft doorgemaakt. De fase waarin de Islamitische wereld zich bevindt laat zich het beste vergelijken met die van de Dertigjarige Oorlog, aldus Ian Buruma in NRC. De achterstand zou daarmee vastgesteld zijn op zo’n vierhonderd jaar.

Als het gaat om zwarte culturen woedt er momenteel in de literaire wereld een controverse rondom de afbeelding van zwarten in boeken van witte auteurs. Deze krijgen van zwarte critici het verwijt dat ze gekleurde personages als primitievelingen opvoeren. Zo stoort Anousha Nzume zich aan Robert Vuijsje die een romanfiguur laat zeggen dat je met zwarte vrouwen goede seks hebt, “omdat zij dichter bij de natuur staan”. En Karin Amatmoekrim vraagt zich af, na een bespreking van boeken van onder andere Lionel Shriver en P.F. Thomése, of het nodig is om de karikatuur van de zwarte wildeling opnieuw leven in te blazen.

Dat uitspraken, zoals bovenstaande, over primitiviteit of achterstand als kwetsend ervaren worden door degenen tot wie ze gericht zijn, kan ik goed begrijpen. Je kunt eigenlijk niet veel anders dan die kwetsing serieus nemen, en dus misschien beter niet spreken over achterlopen of ontwikkelingsverschillen.

Toch liggen de zaken niet altijd heel eenduidig. Dat kan blijken uit een uitspraak van Chimamanda Ngozi Adichie die naar aanleiding van Shrivers verdediging van de vrijheid van fictie (dus van de vrijheid om te schrijven over wie en wat ze wil) het volgende opmerkte: “Verhalen bestaan niet in een vacuüm maar in een machtsspectrum. Dus als een witte schrijft over een historisch onderdrukte minderheid, waarvan de leden nog niet afdoende hun eigen verhalen kunnen vertellen, mag je dat als lezer ook bekritiseren”.

Ook in dit argument, ook al is het nu van Adichie, is weer sprake van een ‘nog niet’, dus van een ontwikkeling die minder ver is dan ergens anders. De dimensie van tijd en ontwikkeling is kennelijk niet te vermijden, en daarmee de noties van voorlopen en achterlopen.

Ter relativering daarvan kun je aanvoeren dat culturen kunnen voor- en achterlopen tegelijkertijd. De Joodse traditie geeft ook daarvan een illustratie. Wat eeuwenlang door de Christelijke omgeving als een symptoom van achterlijkheid gezien werd: het verhalend redeneren – dat is in de moderne filosofie weer hip en voorlijk. Omgekeerd vervalt dat hippe rabbijnse denken op veel jesjivot tegenwoordig weer in peilloze diepten van obscurantisme.

Ik zou zeggen: gewoon over praten maar.

Zie ook Bewaak het perspectief

donderdag 3 november 2016

Geen visie


Ze zeggen dat hij geen visie heeft, premier Rutte, en dat zegt hij zelf ook graag. Maar ik heb hem nu toch al twee keer op visie betrapt.

Vorige week meende ik dat daar sprake van was, toen het ging om een poging tot redding van het Oekraïneverdrag na de afwijzing daarvan door het Oekraïnereferendum in april. Rutte toonde openlijk zijn wanhoop over de vastgelopen gesprekken over een reddingsplan in het parlement. “Ik doe in het landsbelang een beroep op de redelijke krachten in dit land. Dit onderwerp is groter dan Nederland alleen, véél groter”, zei de premier op zijn wekelijkse persconferentie. “Nederland maakt een grote fout als wij het Oekraïneverdrag laten ontsporen”. Hij wees op de verbindingen tussen ratificatie van het verdrag, de uitstraling van Europa naar de buitenwereld en de noodzaak om destructieve krachten in Rusland en het Midden-Oosten tot de orde te roepen.

Hier was geen goedlachse manager van de BV Nederland aan het woord, maar een politicus/intellectueel met gevoel voor realpolitiek en tegelijkertijd een besef van de waarden waar Europa voor kan staan. Dat hij niet te koop loopt met deze kwaliteiten en ze pas toont als ze dringend nodig zijn maakt het voor mij nog wat sympathieker. Ik geloof trouwens dat D66 dit visiemoment wel op waarde heeft geschat.

De andere keer dat er onmiskenbaar visie sijpelde door Rutte’s uitspraken was tijdens zijn optreden in Zomergasten, afgelopen augustus. Op zijn verzoek begon de uitzending met een hommage aan de componist Bach, en dat was al een statement op zichzelf. Maar dat werd het nog meer toen Rutte in vervoering sprak over de eeuwenlange doorwerking van Bachs inspiratie. “Mozart, Beethoven, en alles wat erna kwam, het zou er niet geweest zijn zonder Bach”, iets dergelijks liet hij zich ontvallen.

Een zeker gevoel voor datgene wat de enkele mens overstijgt, noem het visie, perspecief, transcendentie – horizontaal of verticaal – is de premier beslist niet te ontzeggen.

Voor de duidelijkheid: ik ben geen VVD-stemmer.

Zie ook Rechts en milieu

vrijdag 28 oktober 2016

Geschiedschrijving die zich laat kennen


De Vergangenheitsbewältigung werkt nog even door bij mij. Want: in het reine komen met je geschiedenis kan op verschillende manieren gebeuren, en dat kunnen interessante verschillen zijn.

Bijvoorbeeld het verschil tussen de op objectiviteit en exacte reconstructie gerichte geschiedschrijving die gangbaar is in de Westerse wereld en de etnocentrische Joodse omgang met het verleden.

Wat betreft de Westerse geschiedschrijving zijn de geleerden het er wel over eens dat die is uitgevonden door de Grieken, met onder andere Herodotus en Thucydides als vroege beoefenaars daarvan. Dit is kritische geschiedschrijving, waarbij de onderzoeker zich zoveel mogelijk als onpartijdige toeschouwer opstelt, onbevooroordeeld en van een afstand feiten weegt en vervolgens een zo objectief mogelijk verhaal vertelt. Behalve aan hoge professionele standaarden moet deze variant van geschiedschrijving tegelijkertijd voldoen aan een hoge morele standaard. Gebeurtenissen en personen moeten immers los van hun populariteit op hun feitelijke verdiensten worden beoordeeld. Blinde adoratie van leiders (rehabilitatie van Stalin, of bewieroking van Poetin en Erdogan) zou op die manier minder kans moeten krijgen.

De andere wijze van geschiedschrijving die ik op het oog heb is er een die meer van binnenuit de gemeenschap werkt, en dus wat intiemer is. De geschiedschrijver stelt zich daarbij op als betrokken deelhebber, in plaats van als afstandelijke toeschouwer. Veel Joodse geschiedschrijving van voor 1800 is van dit type, dat al teruggaat tot de wijze waarop de Tenach omgaat met historische helden.

Het verschil met de gangbare wetenschappelijke variant van geschiedschrijving is duidelijk: het gaat in Tenach niet om een via zorgvuldige bronnenkritiek uitgevoerde exacte reconstructie van het verleden. Maar dat wil niet zeggen dat deze variant niet zijn eigen kritische standaarden kent voor de omgang met het verleden. Ik doel daarmee op standaarden van vooral morele aard, dus sterk gekleurd door expliciete noties van goed en kwaad. Denk aan de behandeling – aan het eind van de Tora – van Mozes, die ondanks zijn grote verdiensten na de veertig jaren woestijn het beloofde land niet mocht binnentrekken vanwege de tekortkomingen die hij óók had. Of aan David, die zowat de belichaming was van het Joodse koningschap, maar vanwege zijn overtredingen de bouw van de tempel in Jeruzalem aan Salomo moest overlaten.

Waar in de Griekse variant wordt gepoogd tot een zuiver oordeel te komen door inzet van kritische afstand, is in de bedoelde Joodse geschiedschrijving een set van ingebouwde checks and balances aan het werk die moet maken dat historische figuren niet zo maar wegkomen met hun gedrag. Die normen moeten, meer vanuit een inwendige betrokkenheid, gebeurtenissen en personen hun juiste proporties toedelen.

Ik noem dat: geschiedschrijving die zich laat kennen. Vanwege de intimiteit, en vanwege de bereidheid ook minder mooie zaken te tonen.

Zie ook Geschiedenis als exacte wetenschap

donderdag 20 oktober 2016

Bureaucratie is een inktvis


Met die titel won hoogleraar filosofie René ten Bos dit jaar de Socrateswisselbeker. In het boek gaat het onder andere om de vraag waarom we allemaal tegen bureaucratie zijn en we er toch steeds meer van krijgen.

Het antwoord van Ten Bos op die vraag heeft iets sombers en geruststellends tegelijkertijd. Somberstemmend is zijn waarneming dat bureaucratie onontkoombaar is, omdat het verschijnsel inherent is aan ons samenleven, en ook diep in ieder van ons en in ons brein verankerd zit. In dat licht verschijnen alle pogingen om bureaucratie-vrij en ‘authentiek’ samen te leven als hopeloos naïef en romantisch, dus daar kunnen droombeelden aan flarden gaan.

Het geruststellende van Ten Bos’ betoog is zijn waarneming dat bureaucratie ons ook veel oplevert. Een goed georganiseerde samenleving is de prijs wel waard van traagheid, vervreemding en middelmatigheid.

Vanuit deze milde, realistische appreciatie van bureaucratie als vertrekpunt heeft Ten Bos nog wel een zorg, want niet alle varianten van bureaucratie zijn even onschuldig. In grote lijnen onderscheidt hij een Angelsaksische variant en een Europese variant.

De Angelsaksische variant is venijnig, want die pretendeert soms de bureaucratie achter zich te laten. Dat doet die door tegenspraak in organisaties zoveel mogelijk weg te structureren en alle ruimte te geven aan een machtige, daadkrachtige baas. Die variant gelooft in one best way van handelen. Dat lijkt on-bureaucratisch, want effectieve besluitvorming te bevorderen, maar dat is grotendeels schijn omdat de weerstand en uitsluiting die dit model oproept zich vertalen in juridisering van interactie, veel kleine lettertjes en controle-instanties. Net zo goed bureaucratie dus, maar dan van de minst aangename soort.

De Europese variant kent meer ingebouwde checks and balances. In bedrijven en andere arbeidsorganisaties bestaat er naast de raad van bestuur meestal een raad van commissarissen of ander toezicht, regeringen zijn vaak gebouwd op coalities en burgemeesters zijn voor veel zaken afhankelijk van raadsbeslissingen.

Ten Bos prefereert het Europese model vanwege de pluraliteit van perspectieven en de breedheid van de discussies die daar mogelijk zijn. Helaas, aldus Ten Bos, wint het Angelsaksische model bij ons terrein. Dat kan blijken uit de toenemende nadruk op centraal opgestelde financiële en kwantitatieve targets, ten koste van professionele en kwalitatieve standaarden, resulterend in een verschraling van inhoudelijke debatten.

Als we dan toch met bureaucratie moeten leven, zo benadrukt Ten Bos, laten we ons dan niet uitleveren aan die armzalige Angelsaksische variant. Dan liever de moeizame, chaotische Europese variant.

Geeft de EU dan misschien toch het goede voorbeeld?

Zie ook Werk en Reflectie met René ten Bos

donderdag 13 oktober 2016

Vergangenheitsbewältigung


Beatrice de Graaf sneed in NRC een mooi thema aan voor de (afgelopen) dagen van inkeer. Zij schaamt zich als historicus dat het echte verhaal over de Nederlandse oorlogsmisdaden in Indonesië door haar beroepsgroep van Nederlandse historici nog niet is geleverd. En dat, nu de waarheid boven tafel komt, dat te danken is aan een Zwitserse onderzoeker, weliswaar met Nederlandse wortels.

Betekent dit dat er, kennelijk, een afstand van 70 jaar voor nodig is om tot dergelijk zelfonderzoek te komen?

Toch niet voor een mens, met betrekking tot zichzelf? Want dan zou er nog maar weinig zelfonderzoek plaatsvinden, als je ook de onschuldige kinderjaren nog mag passeren. En dan zou de jaarlijkse cyclus van inkeer, spijtbetuiging en verzoening, die we in de synagoge net achter de rug hebben, nergens op slaan.

Maar voor een volk misschien wel? Dat er decennia voor nodig zijn zou je inderdaad kunnen afleiden uit de omgang van de Duitsers met hun duistere periode. De confrontatie die zij hebben durven aangaan, ook wel bekend als Vergangenheitsbewältigung, geldt als voorbeeldig en passend bij een vrije, open en inclusieve democratie. Maar de standaard voor het afleggen van rekenschap op deze manier moest wel eerst gezet worden door de geallieerden, tijdens de Neurenbergprocessen van 1945/46. Het duurde vervolgens tot 1963 voor de Auschwitz-processen begonnen, en tot in de jaren 70 en 80 voordat er brede maatschappelijke discussies over ontstonden. De Graaf: “Nu zijn de Duitsers nog steeds niet klaar, over de rol van de andere staatsapparaten, over het lot van Sinti en Roma, van de LBTG-gemeenschap moet nog veel worden aufgeklärt.”

En hoe is dat voor Israël? Ook daar heeft het decennia geduurd voordat historici serieus werk gingen maken van de werkelijkheid van de stichting van de staat Israël in 1948 en wat eraan vooraf ging. Dat deden de New Historians, vanaf de jaren tachtig. Een verschil met Duitsland is dat hun invloed hoofdzakelijk beperkt bleef tot het academische milieu, met een enkele uitzondering in de journalistiek zoals Ari Shavit. Voor doorwerking ervan in brede lagen van de bevolking is in Israël kennelijk 70 jaar niet genoeg.

Waarschijnlijk is daar ook vrede voor nodig.

Zie ook Bewaak het perspectief

vrijdag 7 oktober 2016

Rare krant


Soms is Trouw een rare krant. Volgens mij wil Trouw allang geen Christelijk blad meer zijn, maar de reflexen zijn daar af en toe nog wel naar.

Regelmatig treffen mij zinsnedes die suggereren dat Christelijke zending en missie nog steeds vanzelfsprekende zaken zijn voor sommige medewerkers. Recent kreeg  ik dat gevoel bij een interview met Andries Knevel, en dat werd getriggerd door de opmerking van de interviewer dat “dat het einde zou betekenen van zending en missie”,  een eindje verder gevolgd door de vraag: “Bent u daar niet boos over?” Al verraadt de toon van de journalist wel een zekere afstand tot de zendingsgedachte, bekering lijkt er gewoon bij te horen.

Dat is misschien niet zo raar als je bedenkt dat veel Trouw-medewerkers en -lezers nog opgegroeid zijn met die vanzelfsprekendheid, en de geportretteerde figuren zoals Knevel net zo. Maar toch klopt er gevoelsmatig iets niet. Wat mij betreft staat een onkritische houding ten opzichte van zieltjes winnen haaks op de gelijktijdige ambitie van Trouw om een kritisch denkende krant te zijn voor mondige mensen.

Voor NRC zouden suggestieve vragen als bovengenoemd compleet ondenkbaar zijn. Is NRC dan beschaafder, verlichter? Misschien wel. Welgemanierde mensen dringen elkaar geen meningen op, zo is de gedachte. De vrijgevochten weerzin tegen alle bekering en zending zit in de liberale genen van de liberale krant, en die deel ik.

Daartegenover kan Trouw soms aanvoelen als een beetje belegen, en enigszins provinciaals, zeker als je de rouwadvertenties er nog bij betrekt. Maar vergis je niet. Want genoeg mensen bij die krant realiseren zich terdege wat voor hachelijke positie zij innemen in deze onttoverde wereld. Iets hooghouden van een niet te verantwoorden transcendentie, ook temidden van het dagelijkse nieuws, dat trekt toch iedere dag ook mij weer aan.


vrijdag 30 september 2016

Incarnatie als Joods begrip


“Het theatrale schouwspel van het proces tegen Gallileï versluiert het historische moment waarop de fysica geboren werd in een milieu dat sterk doordrongen was van het christelijke idee van de Incarnatie”.

Dit is een citaat van de Franse filosoof Michel Serres. Hij wil hiermee zeggen dat de triomftocht van de Westerse natuurwetenschap niet zomaar uit de lucht kwam vallen. Die triomf was voorbereid door een cultuur waarin betekenis en materie een verbinding met elkaar aan konden gaan. Serres doelt daarmee op de Christelijke cultuur, ook al kende die momenten van spectaculaire confrontaties tussen kerk en wetenschap zoals die over Gallileï’s stelling dat  de aarde om de zon draait.

De verbinding van betekenis en materie die Serres koppelt aan ‘de Incarnatie’ zou je ook kunnen benoemen als de verbinding van geest en lichaam, maar het woord ‘geest’ gebruikt Serres niet, waarschijnlijk omdat dat te zweverig of te veel misbruikt is. In de plaats daarvan spreekt hij over het samengaan van software en hardware, het formele en het reële, betekenis en materie. “Wat de Incarnatie is? De vermenging van het harde en het zachte. Bij de geboorte van het Woord vermengen dat harde en zachte zich met elkaar en vallen ze zelfs samen”. Het woord wordt vlees.

Pas in een cultuur die dat soort verbindingen aangaat, aldus Serres, kunnen er ook verbindingen komen tussen experimenten (materie, hardware) en formules (betekenis, software), en dan heb je zomaar ineens een Keppler, Gallileï of Newton. In de cultuur van de oude Grieken zou dat niet gelukt zijn, want zij geloofden alleen in formules (geest), niet in experimenten (met materie) en de kloof daartussen was onoverbrugbaar. Alleen dankzij de centrale positie van het begrip incarnatie in het Christendom, was binnen de Christelijke cultuur de opbloei van de natuurwetenschappen mogelijk.

Dit zijn mooie gedachten van Serres, maar naar mijn smaak hangt hij wel erg veel op aan het kerstverhaal. Te weinig bespreekt hij dat ook dát verhaal zich niet in een leegte afspeelt, maar in een culturele omgeving waarin de nauwe verknooptheid van ziel en lichaam, betekenis en materie, al eeuwenlang een thema was, namelijk de Joodse traditie van vóór de Christelijke jaartelling.

Het allereerste begin daarvan noemt hij wel, als hij spreekt over de Hebreeuwse ruach als “het blazen van de geest over het tumult van de verspreide wateren bij de aanvang van de wereld”. Maar de Joodse worsteling van de eeuwen daarna met als inzet de koppeling van de Tora (de software) aan een bestaan als volk in een reëel land (de hardware) slaat hij over. Terwijl zonder die voorbereiding het idee van de Christelijke incarnatie kansloos zou zijn geweest.

Variërend op Serres’ stelling over Gallileï zou je dan ook kunnen zeggen: het theatrale schouwspel van het proces tegen Jezus versluiert het historische moment waarop het Christendom geboren werd in een milieu dat sterk doordrongen was van het Joodse idee van de mens als Beeld van God.

Zie ook Wereldvreemd

vrijdag 23 september 2016

Rechts en milieu


Het sneeuwt en Donald Trump krijgt een vraag over de opwarming van de aarde. Hij volstaat voor zijn antwoord met de aanwijzing aan het publiek om even naar buiten te kijken. “De milieulobby draait ons gewoon een rad voor ogen”.

De Poolse Katholiek-conservatieve regering gaat windmolens extra belasten en de bouw van nieuwe molens ontmoedigen. Met groot enthousiasme ondersteunt zij de steen- en bruinkoolwinning voor de kolencentrales, en niet alleen omdat daar Poolse werkgelegenheid mee gemoeid is. De regering heeft niet zo veel met het milieu.

De gemiddelde Nederlandse VVD-er laat zich – al heeft de partij ooit goede milieuministers geleverd – niet door alarmerende milieuberichten uit de comfortzone drukken. Vooral niet te zwaar aan tillen, lijkt het devies. En windmolens draaien op subsidies.

Deze posities overziende dringt de vraag zich op: waarom lukt het politiek rechts zo slecht  om de omvang van het milieuprobleem tot zich door te laten dringen? Zijn ze minder slim, daar op rechts? Of zijn ze slim genoeg maar denken ze minder na?

Geen idee. Ik denk dat het te maken heeft met gevestigde belangen. Die zijn over het algemeen in rechtse partijen beter vertegenwoordigd, en die hebben iets te verliezen. Initiatieven tot verandering zijn daar dus niet welkom, ook al zullen haves en have-nots gelijkelijk lijden onder milieurampen. Of hebben de eersten geheime ontsnappingsroutes?

Specifiek voor de conservatieve confessionele groeperingen komt daar een ander element bij: God heeft, in hun ogen, de wereld in goede orde geschapen, dus Hij zal de boel niet naar de verdoemenis laten gaan.

Tja, zo kom ik toch bij domheid uit.

Zie ook Ik heb makkelijk praten en Windmolens