vrijdag 22 maart 2019

Onvergeeflijk simplistisch


Ik durf best te stellen dat ik een op harmonie en verzoening gericht mens ben – conflictmijdend zo je wilt. Tegelijkertijd ben ik ervan overtuigd dat je het alleen daarmee niet redt. Dat is even kort door de bocht en onhoudbaar als het Christelijke gebod tot universele liefde voor iedereen.

Hoe averechts bijvoorbeeld het simplistische geloof in vergeving kan uitwerken wordt verwoord door Sisonke Msimang, die in februari de eerste Nelson Mandela Lezing hield in Amsterdam. Wellicht tot teleurstelling van de initiatiefnemers voor de lezing breekt Msimang met de gangbare verheerlijking van de vergevingsgezinde Mandela. In plaats van in hem de moderne heilige te zien waar hij in het Westen voor wordt gehouden, wijst zij op de teleurstelling van veel zwarte jongeren in Mandela’s boodschap van nationale verzoening.

In de eerste plaats, zo meent Msimang in een interview in Trouw, werd vergeving door Mandela vooral instrumenteel ingezet. Vanwege de hoogspanning die Mandela’s vrijlating in 1990 in de Zuid-Afrikaanse samenleving teweegbracht, wilde hij een geruststellende positie innemen. Hij verzekerde de witte minderheid daarom dat er echt geen gewelddadige opstand zou komen, dat er vergeving zou volgen. Voor Mandela was praten over vergiffenis dus een strategie die uiteindelijk moest leiden tot een einde aan de onderdrukking van zwarte mensen.

Dat is een begrijpelijke strategie, zegt Msimang, maar het werkt niet. Dat komt, zo luidt haar tweede punt, niet alleen maar door het instrumentele karakter van het beroep op vergeving. Dat heeft meer te maken met het gebrek aan respect voor de zwarte Zuid-Afrikanen als voormalige slachtoffers en hun emoties. Zij moesten omwille van de vereiste verzoening zo sterk gestuurd worden, dat er nog maar één acceptabele reactie op de apartheidsmisdaden overbleef: vergeving. Verzoening betekende dat zwarte Zuid-Afrikanen minder boos moesten zijn. En anders dan een lange Christelijke traditie en moderne filosofen als Martha Nussbaum in hun cerebraliteit het willen voorstellen: dan neem je mensen niet serieus. Dat is, aldus Msimang, te simplistisch gedacht.

In het Westen kon Mandela door deze strategie uitgroeien tot een “ultieme zwarte knuffelbeer”. Hij liet witte mensen geloven dat zwarte slachtoffers alle zonden van witte daders zomaar even konden vergeven. En tegen Msimang, die daar vraagtekens bij zet, kunnen witte mensen – die nog altijd weigeren weigeren hun witte privileges op te geven – nu zeggen: kijk naar Mandela, die zat 27 jaar in de gevangenis en toen hij vrijkwam was hij toch bereid ons direct te vergeven; waarom doe jij dan zo moeilijk? “Kijk, daarom zijn sommige zwarte Zuid-Afrikanen boos op Mandela. Dat is onderdrukte zwarte woede die jaren later alsnog naar buiten komt.” Hoewel de meeste Zuid-Afrikanen hem bewonderen, stellen Mandela’s radicaalste critici zelfs dat hij de zwarte bevolking heeft verraden.

Wat had er dan moeten gebeuren? “Ik denk dat het beter was geweest als Mandela, binnen de grenzen van de geweldsloosheid uiteraard, een groter palet aan emoties had toegestaan. Er bestaat immers een groot verschil tussen boos zijn en wraak willen nemen. Mandela had meer druk moeten uitoefenen op witte Zuid-Afrikanen.” En na Mandela had iemand anders de verzoeningsdiscussie naar een nieuw niveau moeten tillen en tegelijkertijd moeten zorgen dat de herinnering aan de verschrikkingen van de apartheid ook voor jongeren levend zou blijven.

Msimang noemt het “niet wijs” om Mandela’s verzoeningsaanpak als oplossing te zien. Ik zou zeggen: onvergeeflijk simplistisch, en voorbijgaand aan wat er in zo’n situatie aan vernedering en emoties speelt.

Maar het ideaal van onmogelijke vergeving zit diep, zo bleek ook deze week weer uit een bericht over de overleden kardinaal Danneels. In een misbruikzaak waar een van zijn bisschoppen bij betrokken was maande Danneels het slachtoffer tot vergeving en vroeg hij de zaak niet naar buiten te brengen voor de bisschop met pensioen zou gaan.

Zie ook Plato, Bambi en Danneels

vrijdag 15 maart 2019

Levinas en John Dewey


In mijn workshops over de filosoof Emmanuel Levinas spreek ik veel en graag over het verschijnsel ‘denkschaamte’. Het is het verschijnsel dat je je verlegen voelt over je eigen denken, terwijl je het alleen maar goed bedoelt. Juist dat goedbedoelende denken voor een ander kan een soort existentiële verlegenheid veroorzaken. Vandaar: denkschaamte.

Als ik in Levinas-workshops daarover spreek, dan zijn er altijd mensen die moeite hebben met het gegeven dat niet iedereen de ervaring (her)kent. Als het zo is dat die ervaring van denkschaamte soms wel voorkomt en soms niet, bij de een wel en bij de ander niet, ‘kun je het verschijnsel dan wel serieus nemen?’, zo luidt hun bezwaar.

En inderdaad, gezien door de ogen van gebruikelijke wetenschapsopvattingen maakt het verschijnsel niet veel kans op erkenning als iets ‘werkelijks’. Om werkelijkheidswaarde te krijgen moet een verschijnsel binnen dat paradigma voorspelbaar zijn en het liefst universeel bij alle mensen voorkomen. En als dat niet zo is moet verklaard kunnen worden waarom het soms wel en soms niet voorkomt.

Dat kan allemaal niet met denkschaamte. En toch zijn er behoorlijk wat mensen voor wie het verschijnsel reëel is. Voor een goede omgang met die spanning, denk ik wel eens, vraagt bestudering van Levinas en zijn thema’s zoals denkschaamte, om iets heel pragmatisch. Namelijk om het afwerpen van die wetenschapstheoretische bagage, omdat die ons tot last is geworden en ons belet om bepaalde verschijnselen die niet in de gangbare schema’s passen op hun werkelijkheidswaarde te waarderen.

Bestudering van de filosoof John Dewey heeft me bevestigd in die gedachte. Dewey is een van de ikonen van de Amerikaanse pragmatistische filosofie. In zijn nadruk op het belang van ervaren en handelen bij menselijke kennisverwerving lijkt Dewey’s pragmatisme aan te sluiten bij onderdelen van Levinas’ filosofie. En breder gezien: bij een Joodse benadering van de wereld die wel wordt aangeduid met het woord ‘tacheles’.

Om dat te illustreren loop ik drie standpunten van Dewey omtrent kennisverwerving door die zich lenen voor verbindingen met het gedachtegoed van Levinas. Ik hanteer daarbij het verschijnsel denkschaamte als een exponent van dat gedachtegoed.

Allereerst is er de aansporing van Dewey om alle ervaring ernstig te nemen. Dit stukje begon met de vraag in hoeverre je een particuliere ervaring serieus mag nemen. Het antwoord op die vraag van Dewey is volstrekt duidelijk: een ervaring is een ervaring. Punt. Daar hoeven geen nadere overwegingen geldigheid aan te verschaffen.

Daar voegt hij een behulpzaam criterium aan toe om de waarheid - te onderscheiden van de werkelijkheidswaarde waar het zojuist over ging - van de ervaring vast te stellen. Want die blijkt volgens hem uit de betekenis van de ervaring en de wijze waarop we erop reageren. Over het algemeen heeft denkschaamte een grote impact op degene die hem ondergaat, en verandert die haar gedrag naar aanleiding daarvan. Als de waarheidswaarde daaruit af te lezen is, dan zit het dus wel goed met de denkschaamte van Levinas.

Een tweede standpunt van Dewey laat zich als volgt formuleren: kennis vloeit voort uit interactie. Wanneer we dit standpunt toepassen op denkschaamte en dus de interactie rondom denkschaamte nader bekijken, moet je vaststellen dat die interactie er in eerste instantie negatief uitziet uit het oogpunt van bruikbaarheid van kennis. Immers, de denker blijkt met zijn denken in de uitwisseling met de ander te ver te zijn gegaan, ook al heeft hij het goed bedoeld en voorbereid. De aanwezige kennis lijkt nutteloos geweest te zijn, de Ander is écht anders gebleken dan alles wat de denker van hem dacht te weten. Je zou er sceptisch van worden: je kunt een ander nooit echt kennen.

Maar uiteindelijk is Dewey’s standpunt geruststellend omdat je, ná de interactie, wel degelijk meer kennis hebt. Kennis gaat volgens hem immers altijd over het verband tussen ons handelen en de (mogelijke) gevolgen ervan, en daar heb je net wat van meegemaakt. Maar het is waar: die kennis reikt slechts tot de volgende interactie, en niet daaraan voorbij.

Tenslotte is er een derde standpunt van Dewey interessant, namelijk dat waarin hij aanspoort tot terughoudendheid als het gaat om generalisaties. De onmogelijkheid om te komen tot universeel geldige uitspraken omtrent denkschaamte diskwalificeert denkschaamte voor Dewey niet als object van kennis. Voor Dewey is die onmogelijkheid niets bijzonders, die geldt wat hem betreft voor alle kennis. Heel veel kennisuitspraken zijn niet te generaliseren. Kennis is per definitie onvolledig, vanwege de diversiteiten en andersheden in de wereld, en kan ons nooit allesdekkende zekerheid bieden. Kennis kan ons alleen laten zien wat mogelijk is, en wat ook in de toekomst mogelijk weer kan optreden.

Dat geldt bij uitstek voor denkschaamte: die is niet algemeen te maken, hoezeer de neiging daartoe ook bestaat. In die zin biedt denkschaamte een prachtige illustratie van de onmogelijkheid van generalisatie.

Zie ook Werk en Reflectie over John Dewey

donderdag 7 maart 2019

Schouwtoneel


Dat heb ik nou nooit. Dat ik in het weekend de krant uit de bus haal en me aan tafel installeer, “thee met een beschuitje, het wekelijkse moment waarop ik me verheug”, zoals een ingezonden brief het beschrijft.

Als ik de krant uit de bus haal is het altijd met een mengeling van vrees en nieuwgierigheid: wat zou vandaag de onheilstijding zijn? Klimaat, Trump, antisemitisme of tweedeling in de samenleving?

En hoe hard ze bij het Journaal ook hun best doen om zwaar nieuws af te wisselen met luchtigheden, ik keek altijd uit naar het weerbericht, als zo’n beetje het enige werkelijk onschuldige en neutrale nieuws. Maar dat was voordat de opwarming van de aarde zich daar dagelijks ging opdringen.

De wereld te zien als schouwtoneel waar je geamuseerd naar kunt zitten kijken, dat is niet mijn invalshoek. Krantennamen met het woord ‘tribune’ erin (bijvoorbeeld de International Herald Tribune), hebben me altijd een beetje vreemd in de oren geklonken. Dan moet je je wel onkwetsbaar voelen en op een behoorlijk veilige afstand van het gewoel, in zo’n tribuneloge, dacht ik altijd.

Nu blijkt die associatie met een theatertribune niet te kloppen. Wikipedia vertelt dat de naam ‘tribune’ voor een krant of tijdschrift is afgeleid van ‘volkstribuun’, een functionaris in het Romeinse Rijk die de belangen van de plebejers verdedigde. Kranten met ‘Tribune’ in hun naam stelden zich dus vaak kritisch op tegenover machthebbers.

Als een dergelijke opstelling ook nog eens gepaard gaat aan scherp denken, dan voldoet een krant aan waar ik primair naar uitkijk als ik hem uit de bus haal: naar intelligente en solidaire beschouwingen over wat we er collectief van maken. Bij Stevo Akkerman, Abdelkader Benali, Tommy Wieringa, Caroline de Gruyter – om er een paar te noemen van nog veel meer – kom ik daarbij ruimschoots aan mijn trekken.

Zie ook Verwondering of verbijstering?

vrijdag 1 maart 2019

Archetypisch


Naar aanleiding van de scholierendemonstratie voor het klimaat vroeg NRC zich op de voorpagina af of dat vooral iets was voor havo’ers en vwo’ers.

In een van de korte gesprekjes die de krant op straat daarover had met demonstranten zegt een scholier dat opleiding niet zo belangrijk is, en dat het voor een groot gedeelte met je ouders te maken heeft of je gaat staken of niet. “ ‘Het is politiek. Staken is eerder iets wat linkse mensen doen. Als je meer rechts bent ga je denk ik niet zo snel.’ De moeder van Tigo protesteert veel, zegt hij, voor het klimaat maar ook voor Palestina.”

Als ‘het kwaad’ spontaan en in een paar woorden moet worden samengevat – dus in een vlot gesprekje op straat – lijken Israël en ‘de Joden’ zich daar nogal snel voor te lenen bij veel mensen. In dit geval in één adem met klimaatvernielers.

Dat kan niet verklaard worden door een objectieve meting van aangericht kwaad en onrecht, waarbij Joden als daders hoger zouden scoren dan anderen. Althans zulke metingen ken ik niet.

Ik ben het met iedereen eens die de behandeling door Israël van de Palestijnen vernederend en soms misdadig noemt. Maar ter aanwijzing van de mondiale kampioen van het kwaad is er meer nodig, en ken ik nog wel serieuzere kandidaten.

Dat Joden in het Westen fungeren als archetypisch beeld van het kwaad kan ik daarom niet anders verklaren dan uit een eeuwenlang door de Christelijke cultuur gevormd collectief onderbewuste dat geneigd is in al zijn spontaniteit naar Joden te wijzen.

Dat dat niet beperkt is tot politiek links, zoals de scholier meent, weten we al heel lang. Tot in de jaren zestig van de 20ste eeuw vond je openlijk antisemitisme vooral in rechtse kringen. Tegenwoordig, met PVV en Forum voor Democratie als verdedigers van de ‘Joods-christelijke beschaving’, lijken de rollen misschien omgedraaid, maar de demonstraties van de ‘Gele hesjes’ in Frankrijk leren anders. Politiek gezien bevinden zich daarin aanhangers uit het hele spectrum, van links tot rechts, en antisemitische leuzen klinken daar al sinds het begon in november. Kennelijk zit die spontane reflex bij veel mensen dicht onder de oppervlakte.

Het zijn vaak korte woordjes en tussenzinnetjes waaruit dat blijkt. Dat is niet onschuldig.

Zie ook Terloopse zinnen

donderdag 21 februari 2019

Gevoelstemperatuur


‘Gevoelstemperatuur’ vind ik een mooi woord. Tenminste, zolang het onderdeel ‘gevoel’ in die woordcombinatie serieus genomen wordt.

Neem bijvoorbeeld de situatie dat de buitenthermometer min twee graden aangeeft. Tegelijkertijd staat er een harde Noordoosten wind die maakt dat het voor het gevoel wel min vijftien is. Voor iemand die daar doorheen fietst is dát de werkelijkheid.

En als iemand, na een blik op de thermometer, meent dat tegen te kunnen spreken, en vertelt dat dat bij de fietser alleen maar ‘tussen de oren zit’ – en dus niet werkelijk is – dan schuift die, met een beroep op objectieve feiten, betweterig terzijde wat de fietser echt voelt. Daartegenover houd ik vol dat het voor de fietser min vijftien is en niet min twee. Dat vind ik het mooie van gevoelstemperatuur.

In die gedachte voel ik me gesteund door de filosoof John Dewey. Dewey meent dat alle ervaring per definitie reëel is en dat alle ervaringsmodi even reëel zijn. Ook al is het nog geen kennen, het is aanraking met de werkelijkheid. Iets ís wat het in de ervaring is, ook temperatuur.

Dit betekent ook dat wat wordt ervaren zelf als reëel moet worden beschouwd. En dus ook dat ieders ervaring even reëel is. De onderwijskundige Ger Biesta legt dat uit met een voorbeeld: als iemand bang is van een geluid, dan ís dat geluid bangmakend, punt uit. Dewey benadrukt dat het geluid écht bangmakend is, en niet alleen in de subjectieve ervaring van een individu. Het geluid is bangmakend omdat de persoon op het geluid reageert als op een bangmakend geluid. Dit is de onmiddellijke, in het handelen gereflecteerde betekenis van de ervaring.

Ik kom hierop doordat in mijn krant gesproken wordt van een ‘lage economische gevoelstemperatuur’. De journalist gebruikt die metafoor omdat de economie het op dit moment best goed doet (zeg maar min twee), maar tegelijkertijd de consumenten er geen vertrouwen meer in hebben (min vijftien).

Daar bleef ik aan haken omdat ‘gevoelstemperatuur’, op deze wijze gebruikt in combinatie met de economische toekomst, zijn mooie karakter kwijtraakt. Het dreigt weer iets illusionairs te worden wat alleen maar tussen de oren zit. Dat komt waarschijnlijk omdat aan dat lage vertrouwen, anders dan bij de gevoelstemperatuur, geen ervaring ten grondslag ligt, geen gevoelde kou of een gevoeld tekort. Daaraan ligt een gevreesd tekort in de toekomst ten grondslag, en dat kan nog niet ervaren zijn. Dan verliest het woord zijn werkelijkheidswaarde.

Zie ook Isolement en resonantie

vrijdag 15 februari 2019

Verliezers


Grote waardering heb ik voor de manier waarop Salomon Bouman publiekelijk zijn positie bijstelt ten opzichte van het conflict tussen Israël en de Palestijnen. Het getuigt van intellectuele eerlijkheid om, zoals Bouman doet, te onderkennen dat jouw visie op de situatie door de werkelijkheid is achterhaald.

Dat is des te lastiger naarmate je meer gehecht bent aan oplossingen die op een gegeven moment niet meer als realistisch kunnen gelden. Voor Bouman was dat zo’n beetje zijn hele professionele leven lang de ‘twee-statenoplossing’. Zoals hij zelf zegt in een recente column: “Wie ooit mijn correspondenties voor NRC gedurende bijna veertig jaar heeft gevolgd, kan weten dat ik, met anderen, na de oorlog van 1967 tegen de nederzettingenpolitiek was en voor de stichting van een Palestijnse staat naast Israël in de bezette gebieden”.

Dat was, zo schat ik Bouman in, voor hem niet zo maar alleen een technische oplossing voor het conflict. Dat was ook een ethisch bevredigende oplossing, omdat beide partijen daarin serieus genomen zouden worden in hun streven naar onafhankelijkheid, de twee-statenoptie oogde rechtvaardig. En daar engageerde Bouman zich mee.

Nu echter stelt hij vast dat de Palestijnen de verliezers zijn van het verdere verloop van “dit historisch proces”, en de schipbreuk van de twee-statenoplossing moet Bouman pijn gedaan hebben. Natuurlijk is hij blij dat de staat Israël niet het onderspit heeft gedolven, maar de manier waarop kan niet gelden als iets om trots op te zijn. Hij moet zichzelf óók een verliezer gevoeld hebben – of leg ik nu teveel van mezelf in Bouman?

Hoe dan ook, het belet Bouman niet om de nieuwe situatie realistisch onder ogen te zien: “Israël heeft de vrije hand om met een wel doordachte nederzettingenpolitiek de Palestijnse onafhankelijkheidsdroom in de kiem te smoren, totdat er wellicht in de toekomst een Israëlisch protectoraat komt over die gebieden die onder bestuur blijven van het Palestijns zelfbestuur in Ramallah”.

Het is goed om dit in alle nuchterheid vast te stellen, en knap van Bouman dat hij dat kan. Blijft over het knagende gevoel dat een volk dat zo graag een ‘licht voor de naties’ zou willen zijn, met zijn protectoraat niet anders eindigt dan destijds de Fransen en de Engelsen met hún protectoraten. Misschien nog nét anders dan de Amerikanen en de Australiërs bij wie de overgenomen bevolkingen het moeten doen met reservaten.

Zie Right en Wrong

donderdag 7 februari 2019

Tegenvallende transparantie


‘Transparantie’ is een jeukwoord. Daarmee bedoel ik dat aansprekende en bedrieglijke implicaties van het woord zodanig door elkaar lopen dat je steeds op een andere plek aan het krabben bent om het ongemak te ontwarren dat je eraan beleeft.

Transparantie wordt in de politiek en in organisaties vaak gepresenteerd als een belofte aan de burgers en medewerkers. Namelijk om zichtbaar te maken hoe keuzes tot stand komen die raken aan het leven van die burgers en medewerkers. Welke overwegingen spelen daarbij een rol, en hoe worden verschillende belangen tegen elkaar afgewogen? Daarover wordt volledige openheid van zaken beloofd.

Transparantie wordt niet alleen beloofd, maar ook vaak geëist. Ondernemingsraden, vakbonden, mondige burgers en werknemers willen zicht op de manier waarop beslissingen die hen aangaan genomen worden.

Maar in die laatst genoemde groepen ontstaat geleidelijk aan ook een soort transparantiemoeheid. In de praktijk ervaren bijvoorbeeld veel medewerkers in organisaties dat een deel van de motieven voor een beslissing wel ter sprake komt, maar een ander deel niet. Dat is halve transparantie, is dat dan nog transparant? Op mijn werk maak ik mee dat medewerkers het woord liever niet meer horen, omdat het iets bedrieglijks heeft: ‘Zeg maar wat jullie besloten hebben, we zullen ons er wel naar schikken; maar noem het alsjeblieft niet transparant want dan voelen we ons voor de gek gehouden’.

Als het gaat om de politiek hoor je geluiden met dezelfde strekking. De roep om transparantie leidt er volgens sommigen toe dat ondoorzichtige belangen van media een buitenproportioneel aandeel krijgen in de besluitvorming, ten koste van de politieke compromissen van vroeger. Politiek commentator Lex Oomkes riep deze week daarom uit: “Wees blij met de achterkamertjes!”. Met andere woorden: pas op voor het transparantie-ideaal.

Waarom blijft de transparantiepraktijk zo vaak achter bij het ideaal? Een voor de hand liggend antwoord is dat degenen die transparantie beloven het niet menen, en net doen alsof ze transparant zijn. Dat zal best veel voorkomen, maar daar wil ik nu niet op ingaan. Interessanter vind ik de vraag of dat überhaupt wel kán, volledig transparant zijn? Maar die filosofische vraag laat ik nu ook liggen.

Ik wil hier de vraag aansnijden of de tegenvallende transparantie ook te maken kan hebben met de middelen die we gebruiken voor onze onderlinge communicatie. Dat zijn de middelen met behulp waarvan de belangen van diverse betrokkenen bij een beslissing zichtbaar gemaakt worden. Dat wil zeggen: de middelen waarlangs transparantie tot stand zou moeten komen.

De middelen die bestuurders, in politiek en organisaties, over het algemeen inzetten om erachter te komen wat medewerkers, klanten en burgers vinden van iets, zijn meestal digitaal. Of het nu gaat over een product of een politieke beslissing, men verzamelt ‘opinies’ via ratings, digitale enquêtes of politieke referenda. Die laatste zijn, door hun ja-versus-nee structuur, niet minder digitaal te noemen dan de eerstgenoemde middelen.

Waar het mij om gaat is dat deze peilmiddelen, gebruikt als basis voor transparantie, één eigenschap met elkaar gemeen hebben: ze zijn digitaal, dat wil zeggen technology-based en binair. Het kenmerk daarvan is dat alle gewonnen informatie uiteindelijk te reduceren is tot het simplisme van de tweepoligheid: het ja-versus-nee van de bits en bytes.

Maar menselijke kwaliteit is per definitie niet binair. Die kent meer dan twee smaken tegelijkertijd, is meerduidig, vol en rijk. Juist deze ‘analoge’ kwaliteit is niet zichtbaar te krijgen in de transparantie die de digitale systemen ons opleveren.

Ik denk dat daar voor een deel de oorzaak gevonden moet worden van de onvrede met ‘transparantie’, en de reden waarom die soms aanvoelt als vals. Aan ons bestaan als mens kan met behulp van die middelen geen recht gedaan worden.



vrijdag 1 februari 2019

Ido Abram


Ido kwam altijd direct terzake. Je wist meteen wat hij op z’n lever had, althans zo verging het mij altijd bij hem.

Ik herinner me nog een toevallige ontmoeting in de trein, meer dan dertig jaar geleden. Thuis waren we, tot onze tevredenheid, net aangesloten bij de Liberaal Joodse Gemeente (LJG), maar Ido had daar kennelijk juist negatieve ervaringen opgedaan en in no time kreeg ik te horen wat er allemaal mis was met de Liberalen.

Een tijdje later, tijdens een ontmoeting in tram 12 richting Amstelstation: weer onmiddellijk in gesprek. De LJG was misschien wat kleinburgerlijk, vond hij, maar wel open minded. Voelde ik me er ook thuis?

Als ik Ido in sjoel tegenkwam was er altijd die onmiddellijke focus op wat er voor hem of voor mij werkelijk toe deed.

Afgelopen december, op een zeldzame wat betere dag tussen zijn ziekenhuisopnames door, sprak ik hem voor het laatst, tijdens een middag van het Levisson Instituut. Het patroon van onze ontmoeting was nog steeds hetzelfde, misschien nog wat heftiger dan anders. Ja, hij was veel ziek geweest, en dat was deels zijn eigen schuld want als het weer ietsje beter ging dan vergat hij de adviezen van de artsen en dan werkte hij door zonder goed op zijn eten of drinken te letten. Hij had dat wel meer, zei hij, dat doorslaan in dingen waar hij mee bezig was of de keuzes die hij maakte, dan vergat hij de wereld om zich heen, dan werd hij fanatiek. Of ik dat ook zo had?

Soms, zei ik – een beetje, maar iets minder. Meer kon ik op dat pauzemoment niet met hem uitwisselen. Maar het was weer even intens geweest als altijd.

Zijn aandenken zij tot zegen.

Zie ook Een goed gesprek en Leren en tikoen olam

donderdag 24 januari 2019

Isolement en resonantie


Artikelen uit tijdschriften en kranten die me interesseren knip ik uit en bewaar ik. Soms, als ik een stapeltje daarvan nader ga bekijken, springt er zo maar een rode draad uit naar voren, die mij duidelijk maakt dat op dat moment een bepaald onderwerp kennelijk actueel is voor me.

Zo’n patroon zat er onmiskenbaar in de oogst van vorige week. In al de verzamelde artikelen kwam wel het woord ‘isolement’, of een equivalent daarvan, voor. Al dan niet in combinatie met juist een bevríjding uit isolement, wat ik nu even samenvat met het woord ‘resonantie’, maar wat ook wel aangeduid wordt met ‘contact’ of ‘intimiteit’.

Ik loop even kort de artikelen door waarover het gaat.

De schrijfster Olivia Laing stelt dat wij mensen in deze tijd constant verlangen naar aandacht, maar tegelijkertijd doodsbang zijn voor écht contact. We koesteren volgens haar immers een geïdealiseerd zelfbeeld, de fantasie van een solide ik. De prijs voor échte intimiteit is dat je die onvolwassen zelfidealisering opgeeft. En dat is voor velen een stap te ver.

Schrijfster en filosofe Marilynne Robinson, in Nederland vanwege de Nexus-conferentie, meent dat ‘het ideologische denken’ lang na communisme en fascisme onze hersenen nog in de greep heeft. Ze bedoelt daarmee dat veel mensen vastgedraaid zitten in hun eigen abstracte wereldbeeld, en blind worden voor alles wat daar niet mee strookt. De pragmatist William James leert haar dat onze kennis van de werkelijkheid altijd onvolledig zal zijn, waardoor je open en ontvankelijk moet zijn voor de wereld. En voor de ander, die een mysterieus innerlijk leven heeft dat je nooit zult kennen.

De historicus Timothy Snyder maakt zich zorgen over Facebook, omdat dat medium mensen opsluit in hun eigen bubble en hun eigen gelijk. Als je daarentegen iemand in eigen persoon ziet, kun je je nog eens laten overtuigen tot iets anders.

Psychiater Dirk de Wachter stelt vast dat het grote publiek en zijn patiënten eigenlijk dezelfde problemen verwoorden, namelijk relationele instabiliteit, hardnekkige gevoelens van eenzaamheid, leegte en zinloosheid. “Mijn oplossingen voor de wereld zitten in engagement, zorg en verbinding.”

Hogeschooldocent Bert van den Bergh doet onderzoek naar het massaal optreden van depressies. Hij omschrijft depressie als een existentieel isolement. “De wereld resoneert niet meer, ze geeft geen antwoord. Depressie is dus geen stemmingsstoornis, maar een afstemmingsstoornis. In mijn proefschrift laat ik zien dat afstemming in deze neoliberale samenleving ook helemaal niet gewenst is. Je moet autonoom zijn en flexibel en voortdurend concurreren met anderen.”

Mag ik concluderen dat het thema isolement niet alleen voor mij relevant is, maar voor veel meer mensen in de samenleving? En dat de Franse schrijver Michel Houellebecq dat, op de voor hem kenmerkende grauwe wijze, samenvat als hij zich afvraagt of we zijn gezwicht voor de illusie van de individuele vrijheid, “de illusie van het vrije leven, de oneindige mogelijkheden? De jaren zestig. We hebben ons erin geschikt, we hebben ons erdoor laten vernietigen – en sindsdien lijden we”.

De actualiteit van het onderwerp is in mijn geval mede gewekt door het feit dat ik me de afgelopen tijd met de Amerikaanse pragmatistische filosoof John Dewey heb bezig gehouden. Opmerkelijk genoeg ging dat over een op zich misschien dor onderwerp, namelijk de manier waarop wij kennis verzamelen en leren. Maar ik zie mezelf een aantal aspecten daarvan in mijn verhaal over John Dewey samenvatten onder de volgende titels:

‘Het serieus nemen van ervaring’
‘Kennis vloeit voort uit interactie’
‘Terughoudend met generalisaties’.

Zie wat hier gebeurt. Ik lees bij Dewey over kennisleer, maar de thema’s die tevoorschijn komen lijken wel antwoorden te zijn op de existentiële problemen van het isolement waar dit stukje mee begon. Nu staat Dewey bekend als een eigenzinnige denker op het vlak van de kennisleer. Betekent dit dat er misschien een relatie is tussen de manier waarop wij standaard geleerd krijgen wat geldige kennis is, en onze maatschappelijke kwalen? En dat Dewey probeert pleisters op die wonden te plakken?

Wat we standaard geleerd krijgen zou je, kort door de bocht, als volgt kunnen samenvatten: onze kennisverwerving verloopt door het systematisch inzetten van dualismen, zoals wereld tegenover geest, objectief versus subjectief, theorie versus praktijk, beleids-en denkwerk tegenover uitvoerend werk. Op die manier zijn we voortdurend bezig met het aanbrengen van scheidingen in onze leef- en actiegebieden. Dat splitsingswerk is in ons kenproces tot tweede natuur is geworden.

Wat ik van Dewey opsteek als het over kennen gaat is wat ik noem de opvatting van de wereld ‘als een ademend geheel’. Doordat Dewey weigert mee te gaan – op een overigens beslist niet zweverige manier – in de traditionele tegenover-elkaar-stelling van wereld en geest, verliezen ook andere onderscheidingen, zoals tussen objectief en subjectief en theorie en praktijk, hun scherpte. Iedere kenuitspraak wordt door Dewey opgevat als gedaan vanuit een bepaalde interactie in een bepaalde situatie. Daarin zijn wereld en mens op vaak onontwarbare manier met elkaar verknoopt.

Terug naar mijn vraag: zouden de isolementsgevoelens op het sociale vlak er niet regelrecht mee te maken kunnen hebben dat we gewend zijn om die scheidingen voortdurend juist wél te maken? Het zou goed kunnen, denk ik, dat we daarom de wereld niet meer horen en voelen resoneren. Resonantie is zo bezien het tegendeel van isolement en vervreemding.

‘Resonantie’ is het favoriete woord van de denker Hartmut Rosa als hij aangeeft waar wij massaal behoefte aan hebben. “Resonantie betekent juist dat je wél geraakt wordt door de wereld. Ze komt alleen tot stand als je de wereld geen zin hoeft te geven, maar als je de ervaring opdoet dat de wereld zelf zinvol is. Alleen dan kan de wereld tot je spreken. Als we zelf die zin geven, blijft de wereld stom.”

Zie ook Taylor, Levinas en de leegte

vrijdag 18 januari 2019

Door de ogen van Levinas


Rispa was een bijvrouw van koning Saul. Haar naam duikt pas op in het bijbelboek Samuel als Saul al overleden is, en haar stiefzoon, Sauls zoon Isboset met de jonge David strijdt om de troon. David wint de strijd en na een tijd krijgt hij een verzoek van de Gibeonieten, een bevolkingsgroep onder zijn gezag. De Gibeonieten hadden nog iets te wreken op Saul, en nu diens dynastie het onderspit heeft gedolven, vragen ze David of ze hun wraaklust mogen stillen op zeven van Sauls nakomelingen, waaronder twee eigen kinderen van Rispa. David vindt dat bestuurlijk gezien een goede zaak en levert hen uit aan de Gibeonieten, die hen vervolgens ophangen. Zo raakt Rispa behalve haar echtgenoot en haar maatschappelijke positie als bijvrouw van de koning ook haar zonen kwijt.

Maar nu komt ze in verzet. Ze spreidt een kleed uit, ergens op de rotsachtige bodem bij de galgen, en blijft van de lente tot de herfst op die plek slapen, vlak naast de rottende lijken. Ze levert gevecht met een stok tegen de wilde dieren en de aasgieren die op de lijken afkomen, en houdt dat maanden vol.

Als koning David ter ore komt waar Rispa mee bezig is, komt hij tot inkeer. Hij laat alle dode lichamen alsnog een eervolle laatste rustplaats geven.

De theoloog Alain Verheij zegt naar aanleiding van dit verhaal: “De strijd die Rispa heeft geleverd, was er een op het allerhoogste niveau, tegen de allerhoogste prijs en vanuit de allerzwakste positie. Toch heeft ze de koning ermee van gedachten laten veranderen en is haar verhaal uiteindelijk in de Bijbel terechtgekomen. Tegen alle machtsverhoudingen en waarschijnlijkheid in hebben de kroniekschrijvers van het koningshuis van David de dissidente daden van Rispa opgetekend. Omdat zij degene was die in haar recht stond.”

Dit verhaal was op de Crescasavond ‘Door de ogen van Levinas’ het uitgangspunt voor mijn presentatie van de filosoof Emmanuel Levinas. Immers, aan de kant van de figuur van koning David in het verhaal zou je denkschaamte kunnen vermoeden. Dat wil zeggen: verlegenheid met zijn eigen opvattingen van goed bestuur. En precies dat verschijnsel van denkschaamte staat wat mij betreft centraal bij Levinas.

Met een beetje goede wil kun je meer plaatsen in Tenach, de Hebreeuwse Bijbel, ontdekken waar sprake is van een dergelijke plotselinge bewustwording voor wat een ander doormaakt, juist door jouw goedbedoelde opvattingen.

Bijvoorbeeld in het verhaal van Job. Als Job geslagen wordt met het verlies van zijn kinderen, van zijn bezit, van zijn vee, dan wordt hij bestookt met goede raad van vrienden die het oprecht goed met hem menen. Hij moet berouw doen, zich in de orde voegen, vertellen ze hem.

Geen vriend die doorheeft dat Job met iets anders worstelt: de onrechtvaardigheid van dat alles. Wie het wél doorheeft is de auteur van het verhaal. Die vertoont een gevoeligheid die de ontoereikendheid beseft van de conventionele en traditionele, dus kenbare en universele cliché antwoorden, hoe doordacht ze ook zijn. Hij laat de mismatch tussen alle goed bedoelde adviezen en Jobs eenzaamheid gewoon bestaan, de bedachte ideeën rijmen niet met Jobs situatie. Die situatie is ongerijmd, en de auteur weet dat.

De stelling die ik daaraan koppel is dat deze gevoeligheid iets bijzonders is van de Hebreeuwse Bijbel, en dat je die niet terugvindt in veel gangbare ethische recepten zoals de Gulden Leefregel (‘Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet’) of de categorische imperatief (‘weeg bij je handelingen af of je zou willen dat het motief dat jij hebt voor je handelen tot een algemene wet gemaakt zou worden’).

Belangrijke kenmerken van die gangbare ethische recepten zijn: universele geldigheid en inbedding in een redelijke, kenbare orde. Denkschaamte heeft die kenmerken niet, het is een fenomeen dat soms optreedt en soms niet, bij sommigen wel en bij anderen niet. Daarmee krijgt het verschijnsel iets ongerijmds en weerbarstigs, en is het vanuit de gangbare recepten niet altijd te begrijpen.

Dat laatste geldt op gelijke wijze voor de filosofie van Levinas, en dat is niet geheel toevallig: hij heeft zich laten inspireren door Tenach. Dáár heeft Levinas de gevoeligheid vandaan, die hem leidt tot de ongerijmdheid van de denkschaamte. Denk ik.

Zie ook Parrèsia

donderdag 3 januari 2019

Links klaar


“Links – klaar”, zegt een heldere, geruststellende vrouwenstem als ik mijn linker gehoorapparaatje heb ingedaan. Met daarna hetzelfde tafereel voor de rechterkant.

Het verbaast me, maar de geruststellende werking is er iedere morgen opnieuw. Kennelijk werkt dat, ook als ik weet dat niemand zich daadwerkelijk tot mij richt, en zelfs dat het mogelijk een kunstmatige stem is.

Die constatering maakt dat ik me wel iets voor kan stellen bij de verhalen over zorgrobots die in de toekomst allerlei ondersteunende handelingen kunnen verrichten, tot tevredenheid van de cliënten.

Kennelijk laten we ons graag voor de gek houden. We zijn zodanig geprogrammeerd, dat louter bepaalde klanken of bepaalde tot ons gerichte acties de suggestie van echtheid kunnen opwekken, en daarmee de gevoelens en reacties die horen bij de lijfelijke nabijheid van een levend mens van vlees en bloed.

Zoals mensen een telefoongesprek kunnen voeren met brede armgebaren en heftige gelaatsuitdrukkingen. Die expressies hebben geen enkele communicatieve functie meer, omdat de telefonische gesprekspartner ze niet kan zien. Dat soort programmering leeft blijkbaar stug voort in ons, en maakt ons ontvankelijk voor aandacht die apparaten en robots aan ons besteden.

Ik vraag me wel eens af hoelang die programmering bij ons zal standhouden. Gaat de mensheid, eenmaal gewend aan telefoons en robots, die misschien verliezen?

Zie ook Lenzen