vrijdag 21 september 2018

Trumps uitverkoren land


Ik vond het wel wat hebben, dat Israël in de loop van de laatste jaren in een realistischer daglicht kwam te staan.

Zolang de buren Irak, Syrië, Egypte black boxes waren, waarvan we wel wisten dat dictators er de dienst uitmaakten maar waar je niettemin als toerist leuk terecht kon, was er in het Midden-Oosten eigenlijk maar één probleem en één brute actor. Daar wonden betrokken mensen in het Westen zich over op.

Nu de black boxes, met name na de ‘Arabische Lente’, al een tijdje open staan, tot in Jemen toe, is het voor iedereen duidelijk geworden hoeveel wreedheid het hele Midden-Oosten herbergt. Het zit vol met bruut geweld, met een omvang waartegen de Israëlische bruutheid nog relatief beschaafd afsteekt.

Wil Israël zich in die omgeving handhaven, dan zal het zijn mannetje moeten staan. Zo bezien is het een opmerkelijke prestatie dat het land op veel vlakken nog aanvoelt als een Westers land met veel interne discussie, veelkleurige media en een functionerend rechtssysteem. Er is beslist meer corruptie dan in Nederland, de omgangsvormen zijn er harder, en de arrogantie tegenover de Palestijnen is stuitend. Maar er is ook veel herkenbaar, zeg maar ‘normaal’ voor het Westerse gemoed.

Het feit dat de Palestijnse kwestie ook in Israël voor veel discussie en ongemak zorgt beoordeel ik als positief. Ik zie ook wel dat ondertussen de bezetting gewoon is voortgegaan en dat er weinig echt geïnvesteerd werd in vrede. Maar Netanjahoe kon zich tot nu toe niet zomaar alles veroorloven, vanwege binnenlandse oppositie en omdat Europa, maar vooral de VS dat met argusogen volgden.

Tot zover was ik dus gematigd gestemd omtrent de situatie in en rond Israël. Sinds Trump de Palestijnen in het nauw drijft, is dat anders. Ik beoordeel de situatie een stuk somberder, nu Trump hun erkenning terugdraait en hun financiering afknijpt en op alle fronten eenzijdig Israël steunt. Van terughoudendheid zal bij de Israëlische haviken steeds minder sprake zijn, van machtsarrogantie des te meer. Een triomfalistische overwinningsroes zal zich van hen en misschien het hele volk meester maken. De verelendung van de Palestijnen zal explosieve vormen aannemen. Dat kan voor mijn gevoel niet goed gaan.

Je zult maar Trumps uitverkoren land zijn.

Zie ook Er verandert niet veel

vrijdag 7 september 2018

Religieuze infrastructuur


Sommige mensen zijn religieus aangelegd, andere niet. Bij mensen die het hebben, heeft die religieuze aanleg sinds mensenheugenis zijn eigen dynamiek. Die kent soms de vreugde van de religieuze extase, dan weer de zwaarte van een zondebesef, de troostende routine van dagelijks gebed en bijna altijd de beleving onderdeel te zijn van een groter geheel.

Zoals gezegd, sommige mensen zijn daar ontvankelijk voor, andere niet. Mijn intuïtie van de koude grond zegt dat het percentage religie-gevoeligen in ieder samenleving wel zo’n twintig procent van de bevolking uitmaakt.

De vorm waarin deze religieus aangelegde groep zijn aanleg kan beleven is afhankelijk van het aanbod, zeg maar de religieuze infrastructuur die in een samenleving beschikbaar is. In Israël bijvoorbeeld wordt, voor Joden, de daar beschikbare infrastructuur voornamelijk geleverd door de Joodse orthodoxie, al dan niet chassidisch. Natuurlijk zijn, in naam, veel meer Joden orthodox, maar het aantal religieuzen in de bovengenoemde zin zal het percentage van twintig procent niet te boven gaan. De rest van de bevolking beschouwt de religieuze traditie meer als gemeenschappelijk erfgoed waar je al dan niet nostalgische gevoelens bij hebt of je tegen afzet.

In het Westen werd de religieuze infrastructuur traditioneel geleverd door de Christelijke religie, maar door de afkalving daarvan wordt die steeds minder zichtbaar in de samenleving. De Islam daarentegen is qua zichtbaarheid veel aanweziger, en van een overtuigde religieuze uitstraling. Als moderne mensen in het Westen in aanraking komen met authentiek ogende voorbeelden van religie dan betreft het steeds vaker de Islam. Of het nu gaat om het vijf maal daagse bidden, of de terugkeer op Schiphol van Hadj-pelgrims, of de maatschappelijke aandacht voor de Ramadan.

Het zou dus goed kunnen dat binnenkort, voor religieus aangelegde mensen in het Westen, de Islam de meest zichtbare en bekende en dus beschikbare vorm van religie presenteert. Dat is waar te nemen in Nederland, maar in Zweden schijnt die ontwikkeling al veel verder voortgeschreden te zijn.

Daarover vertelt David Thurfjell in zijn boek Het goddeloze volk, dat een hit werd in Zweden. Zweden houden van Christelijke gebruiken, zegt Thurfjell, maar generen zich voor het merendeel om daar ook in te geloven. Écht geloof treffen ze vooral aan bij de Moslims in het land. Voor de religieus gevoeligen onder de Zweden moet daar een grote fascinatie van uitgaan.

Zie ook Liberale varianten

donderdag 30 augustus 2018

Bottom up


Er is een opmerkelijke parallel tussen de berichten die ik lees over gewenste hervormingen in de Rooms-Katholieke kerk naar aanleiding van de misbruikschandalen, en de inspanningen van een groepje mensen waarin ik zit binnen de gemeente Amsterdam. De parallel is gelegen in de regelmatig geopperde wens om de organisatie (respectievelijk de kerk en de gemeente) bottom up te laten veranderen in plaats van top down: van onderop in plaats van van bovenaf. Als dat inderdaad de ambitie is van paus Franciscus voor de RK kerk, dan lijkt dat wel op de ambitie van mij en een aantal collega’s ten aanzien van verandering binnen de gemeente Amsterdam.

Dat die parallel kan optreden heeft ermee te maken dat er achterliggend meer punten van overeenkomst aan te wijzen zijn tussen Amsterdam en het Vaticaan. Om te beginnen is er de aard van die organisaties. Beide zijn het, elk op zijn eigen schaal, machinerieën, logge bureaucratieën, aan elkaar hangend van regelgeving en protocollen. Compleet met de machinaties van interne lobbies en stoelpootzagerijen die daarbij horen.

Verder zijn ze beide bedreven in het optuigen van goede pr. De kerk met behulp van het arsenaal van mooie woorden als vergiffenis, deemoed, zonde, en natuurlijk de mantel der liefde, Amsterdam met de presentatie van een swingend en flitsend imago. Er is, aan de binnenkant van beide organisaties, veel verstoorde communicatie, maar dat zie je niet direct dankzij de statige of gloedvolle buitenkant.

Een derde punt van overeenkomst vloeit daaruit voort. Door de discrepantie tussen het beeld dat de organisaties met succes van zichzelf neerzetten, en de werkelijkheid van de interne verhoudingen, is het lastig om tot een goede en eerlijk analyse te komen van de problemen die er spelen. Je kunt daar de conclusie aan verbinden dat voor beide organisaties de kans op werkelijke verandering ingeschat moet worden als gering.

In ieder geval lukt dat beide organisaties via de top down benadering maar moeizaam of helemaal niet. Toen Femke Halsema werd benoemd tot burgemeester van Amsterdam, kreeg  ze behalve felicitaties nogal wat waarschuwingen voor de slangenkuil die Stopera heet, waar al zoveel veranderenergie op is stukgelopen. Voor wat betreft het Vaticaan: het lijkt erop dat de paus al heeft afgezien van verandering van bovenaf. Er is te veel verstarring bovenin de organisatie en gebrek aan betrokkenheid onderin. Bovendien vindt Franciscus werken van onderop sympathieker.

Dat verklaart waarom de wens tot bottom up werken optreedt in zowel Amsterdam en het Vaticaan. Maar na het vaststellen van die parallel denk ik dat de kansen om die wens te vervullen voor de twee organisaties wel uiteenlopen.

In beide gevallen is, zoals gezegd, de uitgangssituatie niet gunstig. Bij de gemeente Amsterdam zal bottom up werken aan verandering lastig zijn, want door de vaak verstoorde interne communicatie is er op veel plaatsen gebrek aan vertrouwen. Maar, zeg ik mede op basis van eigen ervaringen, het kán soms wel. Het is moeilijk, maar niet onmogelijk. Daar houden mijn collega’s en ik ons aan vast.

Voor de RK kerk schat ik de mogelijkheden een stuk somberder in. Ik denk zelfs dat die mogelijkheden niet bestaan, althans zonder de identiteit van de kerk geheel kwijt te raken. Want die identiteit hangt aan elkaar van leerstelligheid, dus van leergezag, en dus van hiërarchie. Dat is ten enenmale onverenigbaar met bottom up veranderen.

Verklaart dat het mismoedig gebogen hoofd van deze overigens zo montere en communicatieve paus?

Zie ook Monseigneur Léonard en Het bestaat wél

vrijdag 24 augustus 2018

Terloopse zinnen


Het zijn subtiele hints en tussenzinnetjes, ik geef het toe. Ze zijn van een tussen-neus-en-lippen-door terloopsheid, maar qua impact niet te onderschatten veelzeggend. Ik doel op twee verstopte zinnetjes, de ene uit een krantenbericht, de andere uit een boekrecensie.

Het krantenbericht ging over de nieuwe opstelling van de vaste collectie van het Tropenmuseum. Onder de titel Things That Matter groepeert het museum zijn voorwerpen rondom tien vragen, die elk een paviljoen hebben op de begane grond. Het gaat om vragen zoals ‘Wanneer voel jij je thuis?’ of ‘Verandert het klimaat jouw cultuur?’. De getoonde voorwerpen worden toegelicht door middel van filmpjes en geluidsopnamen, waarin hedendaagse personen iets vertellen over de betekenis ervan voor hen.

Op zichzelf vind ik dit een creatieve en aansprekende manier om voorwerpen, mensen en actuele gebeurtenissen met elkaar te verbinden en te presenteren. Waar ik aan blijf hangen is de vraag ‘Waar kom je voor op?’, en de vanzelfsprekendheid waarmee die vraag via een opzwepende rap in combinatie met traditionele Arabische kleding gekoppeld wordt aan de strijd tegen Israël van een Palestijnse activiste.

Laat me duidelijk zijn, ik begrijp de woede van de Palestijnen en hun strijd voor een eigen land. Maar ik struikel over de opzet van het Tropenmuseum om via opstelling van hun vaste collectie Israël te maken tot een iconische boeman. Meteen voor vijf jaar (semi-permanent) is de zaak op deze manier ingericht. Dat getuigt niet van veel hoop op een oplossing op korte termijn, en dat mag een realistische inschatting zijn, maar het effect is wel dat de vijandschap van Israël hier museaal bekrachtigd wordt als een vanzelfsprekend, zeg maar Metafysisch Kwaad.

Met in de afgelopen drie jaar inmiddels meer dan 10.000 Jemenitische doden door de schaduwoorlog tussen het Soennitische Saoedi-Arabië en diens Shi’itische tegenhanger Iran, lijkt me ‘Waar kom je voor op?’ ook zeer toepasselijk als vraag aan een Jemenitische vrouw in haar strijd tegen Arabische en Iraanse inmenging. Of wat te denken van een Syrische rebel die weigert om zich neer te leggen bij de dictatuur van Assad? Maar iedereen voelt meteen: daar kan het Tropenmuseum niet aan beginnen. Waarom eigenlijk niet?

Een ander bericht, met een andere strekking maar van eenzelfde soort terloopsheid, komt uit de bespreking van het boek Schaduwoorlog. Israël en het geheime liquidatieprogramma van de Mossad van Ronen Bergman. Je laat je bij het lezen van de bespreking een tijd lang, via de recensent en de auteur Bergman, meevoeren in de verontwaardiging over de vele moorden door de Israëlische geheime diensten en het morele verval dat daarmee gepaard gaat. Op een gegeven moment gaat het over de moordcampagne tegen de bommenmakers en aanslagplegers van Hamas begin jaren 2000, en dan lees je in een bijna achteloos geplaatst zinnetje dat, zonder die campagne, “het land waarschijnlijk ten onder was gegaan”.

Tja, wat moet je dan? Dan maar geen Joodse staat?

Zie ook Levinas en Israël

vrijdag 17 augustus 2018

Markt en democratie


Liberale democratie en markteconomie worden altijd in één adem genoemd, als bij elkaar behorende zaken. De twee zouden elkaar wederzijds vruchtbaar beïnvloeden.

De liberale democratie doet dat door in de staatsinrichting individuele vrijheid, ruimte voor afwijkende meningen en eigen initiatieven te waarborgen. Dat heeft een stimulerend effect op ondernemingszin, creativiteit en innovatie, en daarmee op de markteconomie.

De markt doet dat doordat daar – in vergelijking met een standenmaatschappij of dictatoriale samenleving – (in principe) voor iedereen gelijke toegang en kansen gelden. En doordat economisch zelfstandige, op de markt opererende mensen het soort zelfbewustzijn ontwikkelen waar burgerschap van gemaakt is. Dat is weer nodig om te participeren in de publieke zaak, en voor het functioneren van de liberale democratie.

Wanneer de markt uitsluiting en té grote ongelijkheden creëert moet hij door de staat worden ingetoomd, maar met behoud van de essentiële vrijheden die voor het functioneren van de markt nodig zijn.

Tot zover de theorie van het naoorlogse liberalisme. Maar hoe zit het met het neo-liberalisme, dat sinds de jaren tachtig en negentig opgeld doet in het Westen? Daarin lijkt de markt de economie te hebben overvleugeld. De dominantie van de economie is nu zo groot dat essentiële taken van de liberale democratie in gevaar komen, zoals onderwijs en het onderhouden van een gelijk speelveld. Bovendien lijken vooral de (heel) hoge inkomens te profiteren van de groeiende economie. De lonen van gewone burgers stijgen niet of nauwelijks, met negatieve gevolgen voor de identificatie van de gewone burger met zijn democratische staat.

Deze analyse van onze situatie in het neo-liberale tijdvak wordt veel gemaakt, en daar word ik niet vrolijk van. Wél grappig vind ik om te lezen dat economische krachten, ook de neo-liberale, nog steeds een corrigerend effect kunnen hebben op repressieve regimes. De val van de Turkse lira bijvoorbeeld staat in rechtstreeks verband met het autocratische optreden van de Turkse president Erdogan. Toen deze zijn schoonzoon benoemde tot minister van Financiën zakte de Turkse munt direct in waarde door zorgen over de onafhankelijkheid van de Turkse centrale bank. Dat is een goed liberale reflex, zou ik zeggen. Net zoals de inzakkende prijzen van tweedehands dieselauto’s, als gevolg van antivervuilingsmaatregelen in Duitse steden.

Zie ook AAA

vrijdag 10 augustus 2018

Natiestaat


De onlangs door de Israëlische Knesset aangenomen ‘Joodse natiestaat’-wet bevestigt wat ook al in de Onafhankelijkheidsverklaring van 1948 stond. Namelijk dat Israël de natiestaat is van het Joodse volk, waarin het zijn natuurlijk recht op culturele, historische en religieuze zelfbeschikking realiseert. Die woorden zijn niet nieuw, wél nieuw is het schrappen van de rechtsgelijkheid voor al zijn burgers en de versterking van de positie van de Joodse meerderheid ten opzichte van etnische, culturele en religieuze minderheden. Ik maak me zorgen om die nieuwe wet.

Niet vanwege de schok die een gemiddeld verlichte, universeel denkende westerling voelt als er woorden gebruikt worden zoals ‘nationale bestemming’, het belang van een ‘nationale taal’ en een duidelijke ‘eigen identiteit’.

Het feit dat wij die schok kunnen voelen getuigt van een enorme luxe. Onze eigen Europese natiestaten zijn al lang zodanig veilig gesteld dat het voortbestaan vanzelfsprekend is en nooit inzet van discussie. Waardoor je vanuit een veilige basis verdergaande verbanden kunt verkennen, zoals de EU of het streven naar mondiale gerechtigheid.

Die luxe heeft Israël niet, en de aandacht (en mensenlevens) die het sinds zijn ontstaan heeft moeten besteden aan het eigen overleven wordt door het Westen vaak niet goed begrepen. In tijden van groeiend grensoverschrijdend denken wordt Israëls concentratie op eigen identiteit en voortbestaan, inclusief de bijbehorende symboliek van volkslied, vlag en eigen hoofdstad, al gauw opgevat als een negentiende-eeuws anachronisme dat Europa al lang achter zich gelaten heeft.

Maar als je weet dat veel Europese natiestaten sinds jaar en dag in hun constituties ook verklaren voor het eigen volk op te komen en alleen officiële status toekennen aan de taal van de meerderheid, dan wordt het verschil tussen Israël en het Westen wat minder. Als bovendien blijkt, zoals in recente jaren, dat maar nét wat grotere migrantenstromen of globalisering nodig zijn om nationalistische protestbewegingen als Front National of PVV groot te maken, dan is er aanleiding tot enige herbezinning op de vraag hoezeer we ook in het Westen die nationale verankering toch wel keihard nodig hebben.

Bovenstaande overwegingen relativeren het mogelijk schokkende karakter van de nieuwe Israëlische wet nogal. Waarom maak ik me dan toch zorgen?

Dat heeft ermee te maken dat de nieuwe wet beslist een verslechtering inhoudt van het rechtsstatelijk karakter van Israël. Want hoewel gelijkheid voor Joodse en Arabische Israëliërs tot nu toe soms ook al ver te zoeken was (denk aan gescheiden wegenstelsels, de mogelijkheid om te dienen in het leger, subsidies te krijgen), was die ongelijkheid niet in een fundamentele wet vastgelegd. Nu wel, bijvoorbeeld als het gaat om het laten vallen van het Arabisch als officiële taal, en doordat de passages geschrapt zijn die minderheden beschermen volgens “de principes van vrijheid, rechtvaardigheid en vrede zoals onderwezen door de profeten van Israël”.

Tot nu toe had het Hooggerechtshof een basiswet tot zijn beschikking die kon leiden tot gunstige uitspraken voor Arabische Israëliërs die een beroep deden op gelijkberechtiging. Dat waren momenten waarop het rechtsstaat-karakter van Israël duidelijk naar voren kwam. Door de nieuwe wet zal het Hooggerechtshof minder juridische basis hebben om te beslissen in overeenstemming met het visioen van de Profeten.

Dat is zorgelijk. Opmerkelijk is dat de protesten hiertegen vooral uit progressief-Joodse hoek klinken, dat wil zeggen, afkomstig zijn vanuit Conservative en Liberaal-Joodse groeperingen. Zou het toch waar zijn dat zij het profetische geluid serieuzer nemen dan de Joodse Orthodoxie?

Zie ook Toen was naïviteit heel gewoon

donderdag 2 augustus 2018

Integratie en dictatuur


Ik geloof Mesut Özil voor honderd procent als hij vertelt over subtiele en vernederende vormen van discriminatie waarmee een in Duitsland geboren Turk te maken krijgt, ook als hij een succesvolle voetballer is.

Ook voor in Nederland geboren Turken en Marokkanen geldt dat er, zo niet formele, dan toch allerlei informele onderscheidingsmechanismen werkzaam zijn waardoor je je afvraagt of je wel geaccepteerd bent. Om wanhopig van te worden.

Maar tegelijkertijd ben ik bang dat integratie zo werkt. Zelfs als je ervan uitgaat dat zowel de ontvangende als de ontvangen partij oprecht zijn in hun bedoelingen, dan nog neemt het gemakkelijk generaties in beslag voordat volledige integratie een feit is.

De indaling van het besef dat het dus weleens veel langer kan duren dan we in optimistische buien hopen kan leiden tot frustratie of overdreven aangezet cynisme. Ik denk dat dat met minister Blok aan de hand is geweest. Die heeft ooit gemeend, blijkens zijn toenmalige optreden als voorzitter van een Kamercommissie die zich boog over het succes van integratie, dat de integratie “geheel of gedeeltelijk geslaagd” was. Nu beschouwt hij de multiculturele samenleving in Nederland als mislukt, en in het algemeen als kansloos, vanwege de menselijke genen, waardoor we “geen binding kunnen aangaan met ons onbekende mensen”.

Ik stel me voor dat Bloks recente uitspraken voortkomen uit die frustratie, in combinatie met het publiek dat hij op 18 juli toesprak: een gezelschap van Nederlanders die werkzaam zijn bij internationale organisaties zoals de VN en hulporganisaties, en die hij waarschijnlijk heeft ingeschat als multiculti-ijveraars en naïeve optimisten. Zij moesten maar eens het lesje leren dat hij zelf gekregen had, en daarom confronteerde Blok hen met de harde realiteit.

Hoe het ook zij, langs twee verschillende wegen komen Özil en Blok tot dezelfde vaststelling, namelijk dat integratie nog niet zo simpel is als we dachten. Die vaststelling hoeft niet per se negatief te zijn. Ik zie iedere reality-check als winst, en die hoeft de inzet voor een gezamenlijke toekomst en integratie niet in de weg de staan. Integendeel, er kan nieuw elan uit voortkomen om te werken aan lotsverbondenheid.

Tegelijkertijd laat het zien dat het denken over integratie soms wel erg armoedig is. Aan de kant van Blok constateer ik dat hij, als integratie taaier is dan gedacht, terugvalt op gemakzuchtig cynisme, en de onmogelijkheid proclameert van integratie op grond van ons biologische gestel.

Aan de kant van Özil constateer ik gedachtearmoede wanneer hij geslaagde integratie afmeet aan de acceptatie van zijn enthousiaste omhelzing van een dictator. Dan maak je het wel erg lastig. Want van die omhelzing kan voor westerlingen alleen maar dreiging uitgaan, dat hoor je te begrijpen.

Mijn stelling is dat die dreiging niet uitgaat van djellaba’s of hoofddoeken op zichzelf – wat je zou kunnen denken als je somber bent over integratie omdat mensen vreemd zijn voor elkaar. Ik denk dat Duitsers en Nederlanders over die dingen op zichzelf niet zo moeilijk doen. En als er tóch van een hoofddoek of djellaba dreiging uitgaat, dan is het die van een achterliggende dictator.

Dat onderscheid moeten Blok en Özil en wij allemaal dus blijven maken. Dat is wezenlijk voor het succes van onze integratie.

Zie ook Eigenaardigheden en Met en zonder hoofddoek

donderdag 19 juli 2018

Fort Europa


Fort Europa, het lijkt ervan te gaan komen. Met tienduizend grenswachten, en mogelijk ontschepingsplatforms en terugnamepunten aan binnengrenzen.

Tot een paar jaar geleden was het volkomen incorrect om zoiets te opperen of daarmee in te stemmen. Dat dat nu gewoon gebeurt zou kunnen duiden op moreel verval van Europa, dat zijn geloof in humanitaire waarden en mensenrechten verkwanselt.

Maar ik weet niet of dat zo is. Het is zonder meer waar dat in ieder geval de West-Europeanen de overtuiging hadden dat ze in die waarden geloofden. Dat was omdat we op sommige momenten er ook inderdaad naar konden handelen, zie het ‘Wir schaffen das’ van Merkel. Maar dat was ook omdat we lange tijd – al ruim vóór 2015 – het probleem van migratie op afstand konden houden door het vooral bij Italië en andere zuidelijke landen neer te leggen en daarnaast te ijveren voor ‘opvang in de regio’. Als je wilt kun je het hypocriet noemen, maar grosso modo speelden (West-)Europeanen het klaar om koestering van de eigen welvaart en veiligheid te combineren met het zelfbeeld van strijder te zijn voor humanitaire waarden.

Die spagaat is op dit moment niet goed meer vol te houden, door nieuwe inzichten die we gekregen hebben. Het lijkt er bijvoorbeeld op dat Merkel met haar beleid de Duitse samenleving heeft overvraagd. Een samenleving kan minder migratie aan dan in alle oprechtheid werd gedacht. Voordat je het weet creëer je op die manier een populistische weerstand die je veel verder van huis brengt. Daarmee rekening houden is realistisch, en geen zwakheid.

Verder realiseren we ons nu dat Oost-Europa dat geloof in onze waarden nooit op dezelfde manier geïnternaliseerd heeft. Wat dat betreft zit minister Blok er niet zo ver naast als hij zegt dat het straatbeeld in Praag en Warschau er anders uitziet dan bij ons. Dat Oost-Europese landen wel lippendienst bewezen aan die waarden had alles te maken met de eisen die West-Europa stelde voor toegang tot de EU. Dat kun je Oost-Europese hypocrisie, of West-Europese bevoogding noemen, maar zo is het gegaan. Van verkwanselen van waarden is in ieder geval geen sprake, want Oost-Europa heeft die waarden nooit oprecht beleden. Het heeft wel de EU-plannen voor spreiding van de migranten gefrustreerd, maar daar ging dus al een West-Europese blindheid aan vooraf.

Tenslotte wordt duidelijk dat de toestroom van migranten, met name vanuit Afrika, wel eens veel groter zou kunnen worden dan Europa ooit heeft kunnen denken, en daarmee onze welvaart serieus bedreigt. Dat inzicht stelt vragen aan je geloof in humanitaire waarden, hoe oprecht je daar tot nu toe ook in geloofde.  Het is nooit echt de bedoeling geweest dat wij welvaart zouden inleveren.

De spagaat was kortom, tot een paar jaar geleden, simpelweg beter vol te houden dan nu. Omdat een oprecht geloof in humanitaire waarden te combineren was met handhaving van onze levensstandaard en veiligheid. Dat kan niet meer.

Het is waar, er zijn nog steeds oprechte idealisten. De organisaties die reddingsoperaties uitvoeren op de Middellandse Zee. Maar, eerlijk gezegd, vind ik dat de voorvechters van volledig open grenzen zich weleens mogen afvragen in hoeverre zij met hun radicale ideeën het andere, namelijk populistische, radicalisme voeden. Of je wilt of niet, je bent onderdeel van een groter systeem en zult rekening moeten houden met anders denkende, noem ze voor mijn part minder verlicht denkende, delen van onze samenleving: Oost-Europeanen, Duitse populisten, Italiaanse kiezers.

Zie ook Met universele waarden kom je niet ver

vrijdag 13 juli 2018

Levinas en René Girard


René Girard is de filosoof van het zondebokmechanisme. Daaronder verstaat hij het verschijnsel dat één mens geslachtofferd wordt als genoegdoening voor de uit de hand gelopen rivaliteiten binnen een collectief. Dat mechanisme is al zo oud als de mensheid, maar Girard heeft het in de twintigste eeuw een plaats gegeven binnen de filosofie. Daarmee komt hij dicht in de buurt van een aantal thema’s van mijn favoriete filosoof Emmanuel Levinas.

In zijn beschrijving van het mechanisme in zijn boek God en geweld start Girard bij wat hij noemt de ‘mimesis’: de neiging van mensen om elkaars gedrag te kopiëren. In feite gaat het daarbij om jaloezie – mensen willen zijn of bezitten wat andere mensen zijn of bezitten.

De mimetische rivaliteit leidt vervolgens tot een bepaalde dynamiek die verschillende stadia doorloopt. De eerste stap is de strijd van allen tegen allen, bijvoorbeeld binnen een stadsgemeenschap. Als die strijd onbeheersbaar gewelddadig wordt kan de tweede stap in werking treden: de strijd van allen tegen allen wordt een strijd van allen tegen één. Die ene wordt fysiek geslachtofferd – meestal betekent dat: vermoord – en die gebeurtenis brengt de rust terug in de stad. Door dit weldadige effect wordt het slachtoffer al snel vergoddelijkt en als steun en toeverlaat aanbeden door de burgers.

Maar om op termijn de rust te kunnen handhaven is voortgaande slachtoffering noodzakelijk, en in die lange-termijn-behoefte blijkt het oorspronkelijke slachtoffer opnieuw een rol te kunnen spelen. Weliswaar is het slachtoffer al dood en heilig verklaard, maar het kan heel goed opnieuw geslachtofferd worden, alleen nu op symbolische wijze. Dat bevalt goed en dat gaat men vervolgens ieder jaar herhalen. De offerrituelen die daarbij horen hebben een verzoenende en kalmerende uitwerking op de stadsbevolking.

Zes jaar later, in zijn boek Wat vanaf het begin der tijden verborgen was, stelt Girard vast dat in de loop van de tijd een verschil zichtbaar wordt in de omgang met het zondebokmechanisme. Waar de heidense mythologieën, zoals die van de Mesopotamiërs, de Egyptenaren en de Grieken, hun geloof in de reinigende werking van het zondebokoffer volhouden zolang hun cultuur bestaat, ontstaat daar in de Hebreeuwse Bijbel twijfel over. Daar duikt geleidelijk aan de gedachte op dat de zondebok wel eens onschuldig zou kunnen zijn, of gepaard gaat met onnodig veel geweld.

Dat is dodelijk voor het effect van het mechanisme, want als maatschappelijk fenomeen werkt het systeem alleen als iedereen het eens is over de zondebok. Het slachtoffer moet dus neergezet kunnen worden als de oorzaak van de huidige ellende. En daar moet iedereen in geloven, inclusief de zondebok, al is het maar omdat hij zich er niet tegen kan verweren. Zodra iemand in staat is om te zeggen: dit is een zondebok, werkt dat mechanisme niet meer voor ons.

En precies dat gebeurt, aldus Girard, in de Hebreeuwse Bijbel. Eén van de plaatsen waar de twijfel over de zondebok opduikt is het boek Job. Als zijn vrienden op hem inpraten en hem proberen te overtuigen dat de ellende waarin hij zich bevindt zijn eigen schuld is, dan weigert Job daarin mee te gaan. Hij laat zich niet gebruiken als zondebok.

Het is, volgens Girard, de verdienste van de Hebreeuwse profeten dat zij het besef omtrent de mogelijke onschuld van de zondebok hebben geïntroduceerd. Zij maken bezwaar tegen deze vorm van sacraliteit die zo dicht tegen geweld aanschurkt. Zij nemen de offerrituelen op de korrel en verkondigen dat het uiteindelijk gaat om individuele en collectieve rechtvaardigheid en om niets anders.

Naar mijn idee lopen veel van Levinas’ opvattingen parallel aan deze denklijnen van Girard. Ook Levinas laat zich inspireren door de profeten en vooral hun gedachte dat niets, geen offers maar ook geen instituten of heersende moraal, jouw persoonlijke verantwoordelijkheid kan vervangen.

Tegelijkertijd is duidelijk dat op een verder punt de wegen van de beide filosofen uit elkaar gaan. Voor Girard is de logische consequentie van de ontwikkeling die hij in de Hebreeuwse Bijbel waarneemt de kruisdood van ‘het lam’ Jezus. Christus drijft op ultieme wijze de spot met het mechanisme van de zondebok, en wel op twee manieren. Enerzijds gelooft ook hij, net als Job, niet in zijn eigen schuld; maar anderzijds neemt hij toch het lijden op zich. Daarmee legt hij in één klap het geweld bloot waarop de religie en de beschaving zijn gegrondvest. Daardoor zal, aldus Girard, het mechanisme van de zondebok niet meer werken en heeft Christus ons allemaal werkelijk verlost van alle geweld dat in naam van het heilige gepleegd wordt.

Dat ‘ons allemaal’ zal Levinas te opdringerig in de oren hebben geklonken. En hij zal erop gewezen hebben dat het zondebokmechanisme met het ontstaan van het Christendom bepaald niet is verdwenen. Het Christendom beschouwde nog eeuwenlang het lijden van Christus als een offerrite, en blijft dat in het misritueel ook systematisch herhalen. Daarnaast zijn gedurende bijna twee millennia Christelijke overheersing de Joden veelvuldig ingezet als zondebok waarop allerlei maatschappelijke onvrede geprojecteerd kon worden.

Door een levinassiaanse bril bekeken moet je zeggen dat Girard wat te vroeg gejuichd heeft en een zekere blindheid vertoont voor het reëel bestaande Christendom en zijn gedroomde moraal.

Zie ook Zondebok (2)

zondag 1 juli 2018

Voetbal, broeklengte en islamisering


Als je die ultrakorte voetbalbroekjes van de jaren zestig en zeventig vergelijkt met de comfortabele lengtes van vandaag de dag, dan is de voetbalkledij toch wel een stuk relaxter geworden. Eerlijk gezegd vond ik die hitserige broekjes er toen al niet uitzien, en het heeft beslist bijgedragen aan mijn desinteresse voor of weerzin tegen alles wat sportief was. Bewegen vond ik altijd wel leuk, maar met ballen was ik onhandig en de lol van het breken van records ken ik niet.

Laatst las ik dat, in weerwil van de seksuele bevrijding die we vanaf de jaren zestig hebben beleefd, de niet-preutsheid van de samenleving niet langer dan een decennium geduurd heeft. De associatie van publiek bloot met nieuw gewonnen vrijheid was gedurende de jaren zeventig zo sterk dat het de afstotende werking ervan overtrof. Maar daarna werd het waarschijnlijk toch als te onrustig beleefd.

In ieder geval ontwikkelde zich vanaf de jaren negentig de sportieve en andere mode weer naar beduidend langere lengtes. Het verwondert me niet, ik denk dat dat rustiger aanvoelt en dat mensen dat, bewust of onbewust, comfortabeler vinden.

Het zou me niets verbazen als die trend gaat doorzetten, mede onder invloed van de opvattingen en gevoelens van Moslims over deze dingen. Maar dan moet het niet zo zonnestekerig heet zijn als met de warme dagen die we nu beleven. Nu tekent zich op straat eerder een scherpe tweedeling af tussen degenen die teruggaan naar de mini-afmetingen van de jaren zeventig en degenen die daar niets van willen weten.

Zie ook Alcohol

zaterdag 23 juni 2018

Liefde en hypocrisie


Soms vind ik Naema Tahir als columnist een beetje simpel. Maar naar aanleiding van het huwelijk van Harry en Meghan sloeg ze de spijker op de kop. De schenkende, of opofferende liefde waarover bisschop Curry zo begeesterd preekte, is mooi, maar de bisschop gaat te ver als hij de opofferende liefde presenteert als “oplossing voor alle problemen in de wereld.”

Ik vond het best moedig ook, van Tahir. Want “zijn toespraak toverde een glimlach op de lippen van menigeen.” Eindelijk weer eens een verschijning die het grote publiek iets meer biedt dan bling-bling-verhalen en materieel nepgeluk en dan ga jij daar direct een vraagteken bij plaatsen?

Wat mij betreft is het van het grootste belang dat vraagteken te durven zetten. Want als model voor sociaal of maatschappelijk handelen is opofferende liefde onbruikbaar. En dat niet alleen, het is gevaarlijk. Die modelmatige opvatting van liefde impliceert namelijk de gedachte dat je opoffering als generiek ideaal kunt poneren en propageren. En vervolgens als iets wenselijks kunt opleggen aan anderen en het tot programma kunt uitroepen. Juist vanwege het enthousiasme dat erbij hoort, is de overgang naar dat soort utopieën snel gemaakt. Inclusief strengheid en veroordeling van wie de idealen niet deelt of er niet aan voldoet. Dan kom je uit bij de hypocrisie van de ‘liefdesgestichten’ van de Zusters van de Goede Herder, die afgelopen weken in het nieuws waren omdat daar van 1860 tot 1973 zeker 15.000 meisjes en vrouwen onbetaald werk moesten verrichten. Of bij de afgedwongen solidariteit van de communistische heilstaat. Zie ook de geschiedenis van de Maatschappij van Weldadigheid in Veenhuizen.

Er is een goede verklaring voor het verschijnsel dat veel goedbedoelde ideologieën van zelfopoffering op zo’n ontluisterende manier in hun tegendeel verkeren. Het idee van zelfopofferende liefde boort diepe verlangens van overgave aan en genereert enthousiasme, zoals zichtbaar in de reacties op de bisschop. Maar het zijn waarschijnlijk precies dat enthousiasme en diepe verlangen die ongeduld en realisatiedrift genereren. En daarmee haast en lichtzinnigheid. En dat resulteert in dwang en hypocrisie, want het onbereikbaar gebleken ideaal moet wel overeind worden gehouden.

De wereld zit ingewikkelder in elkaar dan het simplistische enthousiasme wil weten. Dat enthousiasme, ook al is het voor zoiets als liefde, is dus enigszins wereldvreemd, en als het daar achter komt wordt het gevaarlijk. Want om de veronderstelde maar achterblijvende utopie alsnog te redden moet je steeds meer dwang en leugen in gaan zetten.

Zelfopofferende liefde is beslist een aanstekelijk fenomeen. Maar per saldo is het – op z’n best – mogelijk van belang voor het individu, maar als maatschappelijk model niet te gebruiken; en op z’n slechtst, wanneer het wél wordt ingezet als maatschappelijk model: een bron van hypocrisie en gewelddadigheid.

Jonathan Sacks verwoordt het als volgt: “Liefde, bij uitstek de emotie die vorm geeft aan menselijke banden en die ook nieuw leven voortbrengt, is noch simpel noch universeel goedaardig in haar effecten.” Rechtvaardigheid is minstens zo belangrijk.

Zie ook Een kwestie van volwassenheid en Ongemakkelijke vragen