maandag 28 december 2009

Onttakelen


Op de tentoonstelling Cézanne, Picasso, Mondriaan in het Haags Gemeente Museum werden in de toelichting opmerkelijke woorden gebruikt om aan te duiden wat die drie schilders nu precies deden.

Zo werd bijvoorbeeld over Picasso gezegd dat hij zijn voorstellingen ‘onttakelde’. Waar voordien landschappen en – zeker in de klassieke humanistische traditie - vooral mensen gepresenteerd werden als één en ondeelbaar, ging Picasso over tot het accentueren van onderdelen. Dat deed hij door oren, neuzen, borsten en ledematen binnenste buiten te draaien en uit te klappen.

De portretten waarin Picasso dit doet zijn wel op te vatten als treffende, levende verbeeldingen van een nieuwe kijk op de mens. Ze doen denken aan anatomische exercities, maar dan veel drastischer dan Rembrandt ze geschilderd heeft. Hier gaat het niet om lijken, maar om portretten van levende mensen die in hun onderdelen uiteengelegd worden.

Je kunt zeggen: dit is een soort anti-creativiteit, het tegendeel van scheppingswerk. Maar dan vat je ‘scheppen’ op als: het ‘maken’ van iets. Daar tegenover kun je volhouden dat ‘scheppen’ en ‘uiteenrafelen’ niet zover uit elkaar hoeven te liggen, of sterker, juist samengaan. Dat is de stelling van Ellen ten Wolde, een theologe die veel studie heeft gemaakt van het woordgebruik in het bijbelse scheppingsverhaal. Zij meent dat daarin het maken en het scheiden elkaar afwisselen en alleen in combinatie met elkaar een kosmos mogelijk maken die pluraliteit kent.

De uiteenleggende actie die behoort bij het scheppen wordt volgens Ten Wolde aangeduid met het Hebreeuwse woord bara. Dat woord wordt traditioneel vertaald met ‘scheppen’ in de zin van ‘maken’, maar ‘scheiden’ zou volgens haar een betere vertaling zijn. Daarnaast blijft de traditionele opvatting van scheppen als ‘maken’ intact, en daarvoor wijst Van Wolde het woord asa aan.

Asa en bara wisselen elkaar af, bijvoorbeeld bij de schepping van hemel en aarde. Het donker is er al, het water is er al, die zijn al ‘gemaakt’. Door vervolgens de watermassa te ‘scheiden’ ontstaat er ruimte tussen de hemelboog en de aardschijf en daarin ‘maakt’ God het licht.

De gedachte dat scheppen een scheidingsaspect heeft lijkt mij filosofisch interessant. En wel vanwege het punt dat Ten Wolde aanroert. Namelijk dat – naast de massieve, mystieke eenheid van het Al – (onder-)scheidingen mogelijk worden tussen schepselen. En daarmee, paradoxaal genoeg, relaties en verbondenheid.

Langs die weg neemt Ten Wolde – nu eens niet via de natuurwetenschap, maar op een tekstwetenschappelijke manier – afstand van een interpretatie van de schepping die lang dominant is geweest in het Westen. Namelijk de opvatting van de schepping als een eeuwige, statische en stabiele eenheid, die zijn pendant op aarde heeft in de gedaante van kerkelijke en bestuurlijke hiërarchieën.

Er ontstaat dan ruimte om in de mensenwereld anders met elkaar om te gaan. Als scheiding en onderscheiding inderdaad al in het taaleigen van het scheppingsverhaal besloten liggen, dan hoeft het niet te verbazen dat daar zoiets als een Joodse traditie uit kan groeien. Want de discussiecultuur is daarvan misschien wel het belangrijkste kenmerk.

Zie ook Kant avant la lettre

donderdag 17 december 2009

Bekvechten


Opmerkelijk is dat veel traditionele, godsdienstgebonden bezwaren tegen Joden een overeenkomst vertonen met bezwaren die, vanuit diverse hoeken, worden ingebracht tegen het democratisch bestuurssysteem zoals de meeste Westerse landen dat tegenwoordig kennen.

Traditionele anti-Joodse bezwaren komen bijvoorbeeld van het Christendom. Daar werd, onder verwijzing naar de heftigheid waarmee Joden tegen elkaar tekeer konden gaan, de uitdrukking gemunt ‘Het lijkt hier wel een Jodenkerk’ om aan te geven dat er ergens veel tumult was. En verder gebruiken Christenen wel de uitspraak ‘twee Joden, drie meningen’, een stelling overigens die door Joden niet wordt weersproken. Integendeel, alle belangrijke debatten en meningsverschillen zijn in de Talmoed uitvoerig gedocumenteerd bewaard gebleven. Met evenveel aandacht voor de winnende als voor de verliezende partijen.

Voor zover de Koran zich negatief uitlaat over Joden, heeft dat volgens de Amerikaanse Islamkenner Frank Peters in belangrijke mate te maken met de Joodse discussiecultuur. Het Jodendom kreeg daardoor het negatieve imago van een religie die ten onder ging aan schisma’s en sektarisme.

Deze bezwaren tegen intern bekvechten lijken veel op de weerzin die je op gezette tijden hoort uiten tegen de democratie: die is omslachtig en traag, die zet aan tot manipulatie en gekissebis en genereert niet de eendrachtigheid die nodig is om de toekomst tegemoet te treden. Dit soort kritische geluiden over de democratie komen van alle kanten. Van minder opgeleide burgers tot aan reactionaire gegoede kringen, die gehecht zijn aan gezag en orde.

Ik kan me er wel iets bij voorstellen. Als je gesteld bent op een zekere orde – en dat ben ik zelf bepaald wel – dan voelt veel politiek gedoe inderdaad al gauw als ontregelend. Het ziet er vaak niet verheffend uit. Neem nou de koehandel die er kennelijk nodig is om Obama’s zorgverzekeringsstelsel door het Amerikaanse Congres aangenomen te krijgen, en dan waarschijnlijk nog in zwaar gehavende vorm. Of dichter bij huis: het partijpolitieke gemarchandeer over verlenging van ons verblijf in Afghanistan of over het Irak-onderzoek.

Het eindeloze woord en wederwoord van democratisch politiek bedrijven krijgt makkelijk het imago van bezoedelend, smerig en platvloers te zijn. Het is ook zeker niet iets waar iedereen met evenveel plezier aan mee doet. Het is meer iets voor het type Churchill ("democracy is a bad system but it’s the best we’ve got”) dan voor het type Van Agt, die er niet voor niets na de formatie van zijn derde kabinet als premier de brui aan gaf en als commissaris van de koningin graag zijn eigen gang ging.

Maar het punt is: is er een alternatief voor democratie? En hoe zou dat alternatief eruit moeten zien?

Als traagheid, gekissebis en onvoldoende uitrusting voor de toekomst de democratie uiteindelijk waardeloos maken, dan zou het antwoord gezocht moeten worden in gecentraliseerd bestuur dat via strakke, snelle besluitvorming voortvarend te werk kan gaan. Een dictatuur dus.

Maar – hoe groot mijn hang naar orde ook is – daar geloof ik niet in. Voor de godsdienst niet, omdat dan een strenge hiërarchie en denktucht de dienst zouden gaan uitmaken. En om te zien hoe dat uitpakt valt te verwijzen naar de Rooms-katholieke kerk waar op last van Rome gezwegen moest worden over het misbruik van Ierse kinderen door Ierse priesters. En Rome kon dat kennelijk afdwingen. Dat lijkt me niks.

En voor de politiek geloof ik evenmin in een dictatuur. Over de toekomst gesproken, het is niet helemaal toevallig - zoals Willem Breedveld onlangs aangaf in Trouw - dat in dictatoriaal geleide landen het klimaat tot voor kort helemaal geen issue was. Dat we zover zijn dat we er überhaupt over praten, hebben we aan de democratieën te danken. Ook al staat daar tegenover dat, juist vanwege de democratie en de angst voor de kiezers, politici nog niet ver genoeg durven gaan.

Kiften hoort er gewoon bij, zeg ik dan maar tegen mezelf.

Zie ook Wel logisch

woensdag 9 december 2009

Wel logisch


Dat is wel logisch, dacht ik, toen een krantenkop meldde dat Moskou en het Vaticaan hun onderlinge band willen verstevigen. Want, toen ik dat las, vatte ik ‘Moskou’ op als een aanduiding voor de ‘Russische ziel’. En die staat vooral voor mystieke ervaring en niet voor een politieke of diplomatieke instantie. Met die interpretatie zat ik er niet zo ver naast, want het blijkt in het bericht te gaan om toenadering tussen de Russisch-orthodoxe kerk – de hoeder van die ziel – en de Rooms-katholieke kerk.

En inderdaad hebben de Russisch-orthodoxe kerk en de katholieke kerk heel wat met elkaar gemeen. Ze zijn allebei van de warme muziek en de geborgen mystiek. Dat is niet raar, want hun culturen stammen beide uit een tijd waarin de rede nog niet zo oppermachtig was als zij vanaf de zeventiende eeuw werd. Zij hebben de kaalslag overleefd die het verstandelijke denken heeft aangericht en die het protestantisme zo kil en schraal kan doen aanvoelen. Die gedeelde oude warmte maakt de liturgieën van Rome en Moskou zeer genietbaar en hun mystiek - wat die ook waard is - zo echt. Waarschijnlijk herkennen zij dat in elkaar en waarderen ze dat van elkaar.

Daarbij zijn ze beide niet erg weg van verlichting en democratie. In Rusland zijn ze daar ze soms verrassend open over. Veel nationalisten, onder wie Solzjenitsyn, menen dat de autonomie van het individu vloekt met de mystieke beleving van de eenheid van God en vaderland in Rusland. En volgens de Russische filosoof Alexandr Tsipko kunnen de Russen zich niet helemaal vinden in het liberale gedachtengoed.

De katholieke kerk is daar niet zo open over, daarvoor is die kerk inmiddels te veel geworteld in de moderne Westerse samenleving. Ze heeft in sommige landen zelfs veel baat gehad bij moderne liberale ideeën over godsdienstvrijheid. In Nederland maakte dat bijvoorbeeld het herstel mogelijk van de kerkelijke hiërarchie in 1853.

Toch zitten naar mijn inschatting inspraak en democratie niet in het DNA van de katholieke kerk, zij heeft er gewoon niet zo veel mee. Ze is er niet tegen en ze heeft best oog voor de zegeningen die democratie en rechtstaat met zich mee gebracht hebben. Maar echt warm loopt ze er niet voor. De verbindingen hebben vooral de trekken van een verstandshuwelijk.

Nederland biedt ook daarvan een goede illustratie. Want vanaf het moment dat er in de jaren zestig geëxperimenteerd werd met invloed van onderop, met meer begrijpelijke liturgie en een plaats voor de leek en de vrouw, ging het met de kerk bergafwaarts. De Nederlandse volkskerk lijkt de interne democratisering niet te overleven. Wat overblijft zijn de meer conservatieve katholieke groeperingen. Die zijn klein, maar wel vitaal. Het echte katholicisme, zo blijkt, is sterk gebonden aan hiërarchie en klassieke vroomheid, in traditionele stijl. Precies zoals aartsbisschop Eijk het weer wil hebben.

Dan geef ik toch de voorkeur aan een traditie waarin democratisch denken en scherpzinnig redeneren in de genen zitten, gecombineerd met warme muziek en oeroude riten.

Zie ook Plato ontzenuwd?

vrijdag 4 december 2009

Weerbarstige woorden


Het valt op als doorgewinterde lezer-schijvers blijven haken aan bepaalde teksten. Zij zijn gewend om grote hoeveelheden letters soepel tot zich te nemen dan wel te produceren. Dan is het wel interessant om te zien waar dat even stokt.

Ik meende dat stokken laatst een paar keer waar te nemen, bij Ger Groot en bij Bert Keizer, die beide naar mijn idee gerekend kunnen worden tot die categorie van productieve lezer-schrijvers.

Ger Groot besprak een tijd geleden in Trouw Karl Barths De brief aan de Romeinen. Hij stuitte daarin naar eigen zeggen op een werkelijkheid die hij niet begrijpen kan, maar ook niet kan negeren. Hij noemt het een even schandalig als onmisbaar boek. De Romeinenbrief is fascinerend en schrikwekkend, zegt hij, daarmee zijn toevlucht nemend tot bijna bijbelse karakteriseringen. In ieder geval is het iets anders dan de vele filosofisch-literaire teksten of – vaak Spaanse – romans die hij met een zekere regelmaat bespreekt.

Een tijdje later beschreef Groot een soortgelijke ervaring, nu bij het lezen van Kierkegaards Het begrip Angst. Kierkegaard presenteert daarin aanstootgevende gedachten op een onaangepaste, vreemde manier, aldus Groot. Verrassing levert het wel op, maar het lezen ervan is een ongemakkelijk avontuur.

Bert Keizer werd onlangs, zo beschreef hij, naar de strot gegrepen door een biografie: die van Kafka, geschreven door Reiner Pach. Het lezen van dat boek, in combinatie met een bezoek aan de Pinkassynagoge in Praag, viel hem zo zwaar dat hij overwoog om het boek weg te leggen. Totdat hij bedenkt: er zijn dingen die je niet mag vergeten.

En ergens anders spreekt hij over waarheid als iets wat zich niet negeren laat; als iets waar je nog last van kunt krijgen als je het wel negeert. En hij voegt daaraan toe: dat onverbiddelijke nee van de werkelijkheid, daar zijn theologie, filosofie en ook veel literatuur slechts matig mee bekend. Die genres zijn daardoor niet op slag waardeloos, maar het ontbreekt daar wel aan de pittige mogelijkheid van een realitycheck. “Wat men daar beweert maakt in belangrijke mate niks uit”.

In deze gedachte – dat de genoemde genres een fundamentele existentiële ervaring buiten beschouwing laten – ligt naar mijn mening een aanknopingspunt met een discussie die al enige tijd gevoerd wordt, vooral in de NRC. Namelijk over de vraag naar de relevantie van veel van onze literatuur.

Een terugkerende constatering in dat debat werd onlangs samengevat door Margot Dijkgraaf onder de kop: "Westerse literatuur is meestal vrijblijvend". Zij stelt vast dat geëngageerde, op de maatschappij betrokken romans zeldzaam zijn in de hedendaagse Westerse literatuur. Bloeden, strijden en vechten doen wij literair het liefst uit de tweede hand, via Multatuli of Bertold Brecht. Voor ons fungeert een boek in belangrijke mate in de functie die boeken voor A. F. Th. van der Heijden naar eigen zeggen hadden toen hij in zijn tienerjaren aan zijn literaire carriere begon: zij bieden ontsnapping uit de werkelijke wereld door het verblijf in een fantasiewereld.

Dat is in andere delen van de wereld wel anders, zegt Dijkgraaf. Dat heeft veel of alles te maken met de kwalijke politieke en burgerrechtelijke situatie in veel andere landen. Terwijl Westerse auteurs het zich kunnen permitteren in hun werk enigszins vrijblijvend te zijn en hun eigen belangstelling kunnen volgen, hebben schrijvers in een groot deel van de wereld die vrijheid niet of nauwelijks.

Maar de geëngageerde Indonesische schrijfster Ayu Utami wil ook eigenlijk niet anders: “Ik vind het erg moeilijk mijn angsten, mijn rusteloosheid te behouden zonder geëngageerd te zijn in een of ander sociaal gevecht. Je moet altijd bronnen buiten jezelf vinden om je drive tot het schrijven te bewaren”.

Misschien ligt daar wel een sleutel tot interessante literatuur.

Zie ook: Leiderschap

vrijdag 27 november 2009

Grand Design


Slimme mensen hebben het moeilijk tegenwoordig. Want slimme mensen denken graag groot. Zij houden van het Grand Design.

Dat was tijdenlang geen probleem. Integendeel: zolang het geloof in maakbaarheid de boventoon voerde konden groots opgezette plannen niet groot genoeg zijn. Want ze droegen per definitie bij aan de verbetering van de wereld. Grand design op tal van gebieden was tegelijkertijd een uitdaging aan het intellect én een bijdrage aan een betere wereld. Zo vonden slimme denkers emplooi in de politiek, in de stedenbouw, in de ICT en in de financiële wereld. Zij ontwierpen daar verzorgingsstaten, massale uitbreidingswijken, complexe automatisering en ingewikkelde financiële producten.

Maar de verzorgingsstaat blijkt minder houdbaar dan gedacht. En volgens bouwkundig ingenieur Rudy Stroink lopen stadsplanners en ingenieurs tegenwoordig – en al vóór de kredietcrisis – vast in hun plannen. De stappen die ze willen nemen zijn te groot, vergen te veel kapitaal en te veel vergunningen.

In de ICT zijn we het bouwen van grote, integrale geautomatiseerde systemen – denk aan het UWV en de Belastingdienst – aan het afleren. Ze blijken te megalomaan, te overmoedig; het zijn recepten voor mislukking. Niet voor niets werd in Amerika het Grand Design in de automatisering al in 1996 bij wet verboden. En in de moderne agile aanpak van automatisering moeten de denkers zich inhouden. Ze kunnen minder vooruit ontwerpen en via voortdurend overleg met de toekomstige gebruikers zijn ze meer tijd kwijt aan het managen van verwachtingen.

En voor zover de bedenkers van de complexe financiële producten niet door hebzucht werden gedreven, maar door een oprecht geloof in de creatie van een risicoloze economie, zijn ook zij op ruwe wijze uit de droom geholpen. Bankieren moet weer saai worden.

Maar wat moeten al die ambitieuze, slimme mensen dan, als Grand Design niet meer kan?
Stroink pleit voor ‘klein denken’: straten en pleinen beter verzorgen, we moeten als het ware gaan tuinieren. En de voorstanders van agile automatisering wijzen op het belang van aandacht voor de basale processen en eenvoudige interacties tussen gebruikers, ontwikkelaars en systemen.

Ik ben daar erg voor, maar ik betwijfel of die benadering wel genoeg uitdaging biedt aan slimme mensen. Komen zij daarmee aan de nodige adrenaline? Als ik naar mijn Amsterdamse werk kijk ben ik daar niet zo optimistisch over. Want daar zie ik dagelijks hoe veel hoger opgeleiden en beleidsmakers zich liever terugtrekken in hooggestemde vergezichten dan in te gaan op de triviale details die wel veel meer de werkelijkheid bepalen.

Aan de andere kant: er zijn werkterreinen waar groot denken wel degelijk nog hard nodig blijft. Bijvoorbeeld dat van de milieubescherming. Als we daar niet gecoördineerd en op grote schaal alles uit de kast trekken zou het wel eens helemaal mis kunnen gaan. Bescheidenheid is daar niet op zijn plaats, dus wellicht een goed terrein voor de liefhebbers van het Grand Design?

Zie ook Adrenaline en Verstrikt in slimheid

dinsdag 17 november 2009

Gezag


De Engelse socioloog Frank Furedi had het over gezag vorige week, maar hij kwam er niet goed uit - vond ik. Niet tijdens zijn Thomas More-lezing van woensdag en ook niet in zijn NRC-artikel van zaterdag. Ik vond het verwarde stukken.

De teneur van zijn bijdragen is overwegend somber. Pessimistisch wordt Furedi van de constatering dat de samenleving tegenwoordig iets kwijt is wat je niet missen kunt, namelijk gezag. Geen enkele maatschappij kan immers voortbestaan zonder de werking van gezaghebbende instellingen, een vorm van collectief gezag is noodzakelijk. Vroeger bestond dat gezag in het zelfvertrouwen van de professionals – leraren, rechters, wetenschappers en artsen – en het vertrouwen dat de bevolking als geheel in hen had. Daar kon je een samenleving op bouwen. Die stevigheid is nu zoek. Professionals geloven niet meer in zichzelf, zij verschuilen zich liever achter procedures en 'deskundigen'. En de bevolking vertrouwt de professionals niet meer. Vandaar de wildgroei aan regels en procedures. Die moeten het gezagsvacuüm vullen, maar hollen eigenlijk het gezag alleen maar verder uit.

Maar tegelijkertijd wijst Furedi erop dat die deskundigenadviezen maar een wankele status hebben. Dat blijkt “uit de voortdurend felle discussies over onderwerpen als opvoeding, gezondheid, levensstijl”. Veel burgers hebben lak aan de doorgeschoten regelgeving en een procedurele samenleving. Zij geloven liever in zichzelf. Dat heeft weliswaar tot gevolg, dat traditioneel gezag erodeert maar als - volgens Furedi’s eigen formulering – gezag te maken heeft met geloven in jezelf, dan is die burgerlijke mondigheid te beschouwen als een nieuwe vorm van gezag. Dat zou Furedi toch optimistisch moeten stemmen?

In die laatste gedachte word ik gesterkt door de ophef rondom de inentingscampagne tegen de Mexicaanse griep. Volgens de pessimistische opvatting verloopt die campagne niet goed. Er is reden tot zorg want het ministerie en de medische stand slagen er maar moeilijk in om grote groepen mensen aan de prik te krijgen. Zij hebben onvoldoende gezag.

Maar gezag, omschreven als de uitstraling van geloof in jezelf en daar het respect voor krijgen, is er wel degelijk. De prikweigeraar kan gezien worden als de zelfbewuste persoon die de zo door Furedi verfoeide betuttelende samenleving en doorgeschoten regelgeving afwijst. Hij gelooft in zichzelf en komt van daaruit tot relativering van de regels.

En dokter Coutinho en zijn collega’s geloven niet minder in zichzelf. Ze staan voor de boodschap die ze brengen en schuiven het gebrek aan respons niet af op falende communicatiestrategieën of domheid van de burger. In die zin zijn ze niet minder gezagsvol dan de weigeraars. Zo bezien is er bijna een surplus aan gezag, althans volgens het criterium van gezag als staan voor waar je in gelooft.

Wat er duidelijk ontbreekt, zeker ten opzichte van vroeger, is gezag in de betekenis van controle over de hele samenleving. Als iets waar een heel collectief naar luistert. Als Furedi vasthoudt aan dat idee – bijna instemmend haalt hij Odysseus en Plato aan die pleiten voor collectief gezag onder één leider – dan heeft hij reden om pessimistisch te zijn. Maar de vraag is of dat niet een achterhaald idee is. Tot halverwege de moderniteit konden natiestaten daarmee vooruit, op nationaal niveau schaarden burgers zich toen achter hun leiders. Nu werkt dat niet meer.

Thijs Jansen en Loet Leydesdorff (Trouw van 11 november) denken dat we in de situatie gekomen zijn dat nooit meer de gehele bevolking van een land overtuigd kan worden van bijvoorbeeld een inentingscampagne. Dat lukt hooguit nog bij kleinere, overzichtelijke gemeenschappen. Verschillen van inzicht zullen ons, mede dankzij de voortschrijdende wetenschap, blijven vergezellen. Immers, zo zeggen zij, het besef heeft zich diep gevestigd dat kennis toch vaak alleen maar voorlopig is. Van die gedachte had men vroeger geen last.

Daar wil ik nog een andere factor aan toevoegen, die niets te maken heeft met wetenschap of (post-)moderniteit. Die factor is zo oud als de wereld en bestaat erin dat mensen gewoon nee kunnen zeggen. Het is al vaker gebleken dat de inhoud van een onderhavige kwestie bij zo’n weigering geheel geen rol speelt. Zelfs kan het zo zijn dat mensen het met de inhoud van een plan wel eens zijn en dan toch nog weigeren. Simpelweg omdat een ander het voor je heeft bedacht.

Zie ook Parrèsia

zaterdag 14 november 2009

Een enkel zinnetje


De betovering van de rede kan groot zijn. En de kracht ervan is misschien wel het beste voelbaar als we ons laten meevoeren door een helder, sluitend, rationeel betoog, van onszelf of van een ander. We ondervinden de weldaad daarvan totdat we ergens, half verstopt, een subversief, ongemakkelijk zinnetje tegenkomen. Met als effect dat het idee waar we geheel in op gingen leegloopt als een lekgestoken ballon.

Vaak zijn het korte zinnetjes die zo’n effect teweegbrengen, veelal een beetje aarzelend en bedeesd van karakter.

De econoom Keynes maakte zo’n korte, maar dodelijke aantekening bij het verhaal van de klassieke economie. Dat verhaal, sinds de negentiende eeuw verteld door economische filosofen en gretig omarmd door praktizerende economen, is een schoolvoorbeeld van een sluitend, rationeel betoog. Het betoog komt erop neer dat een economisch systeem altijd vanuit zichzelf naar evenwicht beweegt. Er kunnen zich crises voordoen, maar die laten zich gemakkelijk verklaren als veroorzaakt door een inefficiënt aanbod. Want in de klassieke theorie vindt spaargeld op een of andere manier altijd een bestemming zodra de prijs klopt. Het kan enige tijd duren, maar evenwicht zal als vanzelf weer ontstaan. En dan komt Keynes en die zegt: mensen en instituties kunnen simpelweg, los van de prijs, stoppen met investeren en consumeren, bijvoorbeeld omdat ze onzeker zijn. Raadselachtig misschien, maar consumenten kunnen nee zeggen. En weg is de zekerheid van het sluitende model.

Een soortgelijke plotselinge overgang van zekerheid naar onzekerheid voltrekt zich in het artikel over de economische crisis dat Frank Ankersmit laatst presenteerde in Trouw. Hij voert je mee in zijn uiteenzetting van de modellen die werden opgesteld tijdens de financieel-economische hype. Je voelt de geruststelling die uitgaat van de gedachte dat alle variabelen in kaart gebracht zijn: toekomstige opbrengsten, risico’s en de invloed van die risico’s op de opbrengsten. Maar dan zegt hij ineens: “Er is altijd de mogelijkheid dat een belangrijke variabele buiten beschouwing bleef”. Zo’n zinnetje is vernietigend want het trekt in één keer de absolute zekerheid onderuit. Immers, als één steen wankelt kan het hele bouwwerk instorten. En dat is ook wel gebleken.

In de filosofie zijn eveneens vaak alomvattende ideeën omarmd. Bijvoorbeeld de gedachte dat alle mensen ‘ten diepste’ hetzelfde zijn, en dat iedere ethiek vanuit die gedachte moet vertrekken. Maar wat, zegt de filosoof Hillary Putnam, als soms iemand gelooft dat sommige anderen nét niet ‘echt’ hetzelfde zijn? Dat zet, zegt hij, de deur open naar een holocaust. Weg betoog, weg ethiek, met dat ene zinnetje als boosdoener. De veronderstelde, en gezochte universaliteit is ineens verdwenen, er sluipt onmiddellijk willekeur in het verhaal. Ons houvast is weg.

Je kunt er verdrietig van worden, dat onze sluitende verhalen vaak niet houdbaar blijken te zijn. Maar is het dan een oplossing om, zoals het Handvest voor compassie recent deed, nog eens extra de intentie te benadrukken om "een ieder, zonder enige uitzondering, te behandelen met volstrekte waardigheid, billijkheid en respect". Of is zo'n uitspraak eigenlijk totalitair? En kan die eigenlijk niet anders dan cynisme in de hand werken, en daarmee de ethiek als geheel op het spel zetten, omdat het gewoon onmogelijk is?

Het is de verdienste van onder andere Levinas geweest om erop te wijzen dat die verstorende zinnetjes ook positief te duiden zijn. Ze doorbreken het totalitaire karakter dat onze ideeën al gauw krijgen als ze ongestoord hun gang kunnen gaan.

donderdag 5 november 2009

Ontzettend fout


Ik kan er niks aan doen, maar ik word er een beetje vrolijk van. Van die barokke Zaanse geveltjes, tot hoog in de lucht gestapeld als aankleding van de nieuwe gebouwen die in het centrum van Zaandam verrijzen. Zij maken deel uit van het plan Inverdan van Sjoerd Soeters voor een nieuw stadshart bij het station van Zaandam.

Dat mijn vrolijkheid esthetisch incorrect is weet ik heel goed. Zoals Abram de Swaan onlangs vaststelde in de NRC leven wij sinds het begin van de twintigste eeuw onder het regime van het functionele bouwen. Om sociale en technische redenen (de noodzaak en mogelijkheid van massabouw) deed men versieringen in de bouw in de ban en concentreerde men zich op een nieuwe norm. De constructie moest getoond worden en die moest de functie verhelderen in de vorm. Zo komt de naakte waarheid aan de oppervlakte.

Dit kan ook esthetisch heel bevredigend zijn. Het is onmiskenbaar waar dat die functionele focus zijn eigen schoonheid met zich meebrengt. Er zijn genoeg gebouwen uit die school die zeer te genieten zijn, bijvoorbeeld van Mies van der Rohe of Frank Lloyd Wright.

Maar tegelijkertijd heeft die kraakheldere functionaliteit iets bits en steekt als reactie daarop een verlangen naar ornament en decoratie de kop weer op. De Swaan constateert dat dat bijvoorbeeld geldt voor veel Turkse en Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders. Zij trekken in onze strakke, onversierde huizen, maar zo gauw ze de kans krijgen brengen ze wat boogjes aan in de hal of stuccen ze de woonkamer met allerlei profielen. In die trend voegen zich nu de Zaankanters met gekleurde collages van trap- en klokgeveltjes.

Je riskeert natuurlijk wel om in levengrote kitsch terecht te komen, en ik ben er, ondanks mijn vrolijkheid, nog niet helemaal van overtuigd dat dat in Zaandam niet gaat gebeuren. Maar, zoals Joep Schrijvers onlangs zei, brutaal is het wel, en over the top. Ze durven het toch maar.

In die sprong is meer in het geding dan alleen nostalgische heimwee naar vroeger. Er zit ook een soort verzet in tegen het modernistische smaakdictaat. Want je kunt weliswaar genieten van de helderheid daarvan, maar de afstandelijkheid creëert vervreemding. Het kan in zijn genadeloze soberheid een totalitair karakter krijgen. De stadsvisionair Charles Landry was laatst in Amsterdam en vertelde daar dat, als je verbinding met een plek wilt creëren, zintuigen en emoties mogen concurreren met technische en functionele kwaliteiten. Desnoods voorbij het punt van de functionaliteit.

donderdag 29 oktober 2009

Erbij horen


Daar werd wel erg minnetjes over gedaan in de jaren zeventig en tachtig: ergens bij willen horen. Het waren de hoogtijdagen van het vrijgevochten individu. En van de afkeer van het collectivisme. De behoefte aan verbinding met een groep gold als een teken van zwakte. De reflectie op de collectieve wanen van fascisme en nazisme en het menselijk kuddegedrag speelde in die veroordeling van groepslidmaatschap een grote rol.

Maar we komen er nu achter dat ergens bij willen horen een diep menselijke behoefte is. Het is die behoefte, volgens Tineke Bennema in een reactie op Femke Halsema, waardoor grote groepen vrouwen zich happy voelen met hoofddoek. In veel gevallen is het motief daarvoor niet vroomheid of kuisheid, maar de wens van die vrouwen om deel uit te maken van een geheel.

Erbij horen geeft inderdaad een kick. Dat weldadige gevoel herinner ik me nog wel van de carnaval in Bergen op Zoom. Daar is het echt zoals Cornald Maas onlangs vertelde in de Tien Geboden: “Je voelt daar de oprechte intentie om met elkaar feest te vieren. Zoiets heb ik tijdens Koninginnedag in Amsterdam nog nooit meegemaakt”. Toch doet iedere Amsterdammer alsof die ranzige Koninginnedag na de middag nog leuk is. Ook zij hebben kennelijk de behoefte om op te gaan in dat grotere geheel.

De kwestie is dus niet meer zo zeer of je je wel mag engageren met een groep of dat je moet kiezen voor een individueel bestaan. Het is al lang weer geaccepteerd dat mensen zich identificeren met een cultureel, etnisch of politiek gekleurde groep, dat is niet per se een teken van zwakte meer. Tegelijkertijd is duidelijk geworden dat het dan vaak niet meer gaat om een massieve, monomane loyaliteit aan één groep. Wij staan onszelf veelal toe verbonden te zijn met meerdere groepen, die soms ook nog in een ingewikkelde verhouding staan met elkaar. Dat lijkt me alleen maar realistisch te zijn en winst ten opzichte van het strikte groepsdenken van vroeger.

Blijft staan dat iedere groep de neiging heeft tot verheerlijken van de eigen kring en tot het uitsluiten van anderen. Zeker met de opkomst van nationalistische bewegingen als die van Wilders komen de verwerpelijke varianten van groepsvorming dan weer akelig dichtbij.

Tegelijkertijd blijken sociale groeperingen erg te kunnen verschillen als het gaat om die tendens tot uitsluiting. Zelfkritiek en openheid kunnen overheersen, dan wel groepsdwang en censuur. Alertheid tegenover groepsvorming blijft dus geboden, waarbij het punt niet meer zozeer is dát je ergens bij wilt horen. Belangrijker – voor mij althans – is het een punt te maken van de vraag wáár je precies bij wilt horen. Ergens bij horen luistert nauw.

Zie ook Wat doen Joden bij Wilders?

donderdag 22 oktober 2009

Leiderschap


Het lukt de literaire wereld maar niet om de aansluiting met de samenleving te (her)vinden. Zowel schrijvers, recensenten als lezers ontbreekt het aan inbedding in het straatrumoer, ze verliezen aan maatschappelijke relevantie. Dat althans stelt Thomas Vaessens in zijn boek De revanche van de roman dat voor de nodige beroering heeft gezorgd in de diverse boekenbijlagen.

Bas Heijne is het met Vaessens stelling niet eens en hij haalt in een recente NRC-column Theodore Dalrymple aan, die meent dat literatuur beter dan bijvoorbeeld de filosofie kan afdalen tot in de vezels van ons bestaan. Vervolgens waagt Heijne een poging om de beschuldiging van Vaessens te weerleggen door heel kordaat een boek te nemen – De stille kracht van Louis Couperus – en een (altijd) actueel issue – leiderschap – en te laten zien hoe het boek licht kan werpen op dat thema.

Die verheldering is volgens Heijne met name te vinden in de bespiegelingen van een van de hoofdpersonen, de bestuurder Van Oudijck, die zich aan het eind van zijn mislukte Indische regentschap afvraagt wat er nu fout is gegaan. Die mislukking kwam voort, laat Couperus Van Oudijck zeggen, uit zijn neiging om als rationalist het leven te zien zoals het moet zijn, niet zoals het is. Het ontbrak hem aan gevoeligheid, intuïtie en empathie.

Heijnes column overtuigt mij niet echt. Ik heb het gevoel dat hij een negentiende eeuws schema – dat van de tegenstelling tussen rede en gevoel – wil toepassen op een hedendaagse discussie. Maar hebben we dat allemaal niet allang gehad? Empathie en intuïtie vierden hoogtij in de jaren zeventig en tachtig. Toevallig kan de genoemde Dalrymple goed uitweiden over de omzwachteling en versluiering van maatschappelijke problemen die daar het gevolg van waren. Veel leiderschap heeft dat niet direct opgeleverd.

Is ons probleem niet eerder dat wij inmiddels weten dat er niet één logica is, of die ene overzichtelijke tegenstelling van rede en gevoel; maar dat er vele logica’s zijn, waaronder die van allerlei gevoelens, die vaak met elkaar botsen en elk evenveel aanspraak kunnen maken op hun gelijk. En dat je vaak meerdere logica’s recht wilt doen en toch moet kiezen. Had Heijne er niet goed aan gedaan om een boek te nemen waarin een dergelijke, meer eigentijds geformuleerde patstelling centraal staat?

Overigens vind ik de noodkreten over leiderschap en dan vooral over het veronderstelde gebrek daaraan wat overdreven. Er wordt veel over geklaagd, bijvoorbeeld in de Trouw-columns van Goslinga en Oomkes en in de bedoelde column van Heijne waarin hij onze leiders verwijt dat ze alles doen om de burger tegemoet te komen en dan verongelijkt worden als ze toch worden gehoond en gehaat.

Maar volgens mij valt het met dat slechte leiderschap bij ons wel mee. De oogst aan belangrijke besluiten van de afgelopen twee weken stelt niet teleur. Ondanks rampzalige peilingen, die daar echt niet beter van zullen worden, heeft PvdA-leider Bos mede gezorgd voor verhoging van de AOW-leeftijd en de verleiding weerstaan om de DSB geld toe te stoppen. En Frank de Grave blijkt zich bij de DSB niet de mond te hebben laten snoeren, waardoor hij ontslag riskeerde en kreeg.

Ook voor al die situaties geldt trouwens dat het hedendaagse bewustzijn van de vele gelijktijdige en tegenstrijdige logica’s volop van kracht was. Voor alle standpunten was wel wat te zeggen, zowel iets rationeels als iets empathisch. Om dat drama te zien heb je niet per se literatuur nodig. Blijven denken en tegelijkertijd er afstand van kunnen nemen is van zichzelf in de gewone werkelijkheid al instructief en spannend genoeg.

Zie ook Leunstoelgeweld

donderdag 15 oktober 2009

Té triviaal


Een DSB-medewerker vertelde met tranen in zijn ogen dat zijn afdeling Financiële Administratie maar een trap verwijderd was van de kamer van topman Scheringa.

Misschien, dacht ik, heeft Dick Scheringa die nabijheid tactisch ingezet. Misschien ook voelde hij zich zelf het prettigste bij een dergelijke inrichting. In ieder geval kon hij – zolang als het duurde - zijn mensen niet gelukkiger maken dan door het zo in te richten, dat blijkt wel.

Dat is een indicatie voor managers die hun mensen willen motiveren. En eigenlijk weten ze dat ook wel: de lof der alledaagsheid wordt in brede kring gezongen. In ieder geval met de mond wordt beleden dat “we het samen doen met mensen van de werkvloer”. Niet op afstand sturen maar aandacht hebben voor wat mensen doen. ‘Gewoon doen’ is het parool.

Grappig is dat deze intentie om gewoon te doen zijn parallel heeft in de filosofie. Levinas koos in de jaren dertig voor een baan als leraar aan een middelbare school in plaats van de academische carrière waaraan hij had kunnen beginnen. Heidegger omhelsde het alledaagse en beoogde daarin te volharden tot in de diepe verveling toe. En veel postmodernistische filosofen hebben hun best gedaan om alle hiërarchie ongedaan te maken door het onderscheid tussen verheven en ordinair volledig op te heffen. Het ene is niet interessanter dan het andere. Beschouw alles maar als gelijkvloers, zonder zelfs nog maar één trap ertussen.

Maar de valkuil lijkt groot te zijn. Als het erop aankomt, is bij deze omhelzers van het gewone de onwil om het gewone en triviale werkelijk serieus te nemen teleurstellend te noemen. Dat geldt zowel voor de managers als de filosofen onder hen.

Voor de meeste managers blijkt ‘gewoon doen’ toch iets té triviaal. Ik merk dat op mijn werk waar de vaak doorslaggevende, simpele logistieke en administratieve problemen net niet interessant genoeg zijn om meer dan tactische aandacht te krijgen. Zo krijgen ze de kans om door te woekeren, want daar leg je als knappe kop geen eer mee in.

Op het vlak van de filosofie blijkt het verhevene, in de gedaante van een carrière in de academische filosofie, in de meeste gevallen het ook te winnen van het gewone. Heidegger kon al snel geen weerstand bieden aan het idee dat zijn filosofie, gekoppeld aan het nazisme, vanuit de universiteit voor een revolutionaire historische doorbraak kon zorgen. En toen dat op niets uitliep heeft hij gedurende de rest van zijn carrière het academische milieu niet meer verlaten, behalve voor zijn berghut.

Levinas is goed begonnen, maar hij heeft het niet volgehouden. Na het succes van Totalité et Infini werd hij de academische wereld binnengezogen. Dat heeft, naar mijn smaak, zijn latere werk geen goed gedaan.

Gewoon doen is kennelijk moeilijk vol te houden. Als je dat echt serieus probeert, krijg je al snel de meewarige reacties die Bert Keizer ooit in zijn column beschreef. Hij vertelde daarin over de verbazing waarmee collega artsen, die zelf academisch carrière maakten, hem soms vroegen waarom iemand met zoveel intellectuele capaciteiten gewoon bleef werken in een verpleeghuis.

Gewoon doen, en het niet alleen met de mond belijden, is eigenlijk iets té triviaal. Ik hoop dat ik het zelf vol kan houden - tot mijn zesenzestigste.

Zie ook Ongevraagd advies

donderdag 8 oktober 2009

Kwade trouw


Net als het werk van Levinas is ook dat van Sartre te verbinden met allerlei uit het leven gegrepen situaties in management en organisatie.

Dat geldt bijvoorbeeld voor Sartres uitwerking van het begrip 'kwade trouw'. Kwade trouw is het verschijnsel dat mensen zich verregaand met elkaar kunnen verbinden maar de mogelijkheid openhouden zich op zichzelf terug te trekken en dat, als puntje bij paaltje komt, ook doen.

Een van de beroemdste voorbeelden die Sartre daarvan geeft is dat van een meisje in een Parijs’ café dat haar hand laat strelen door een vriend. Ze voelt zich door het strelen gevleid en zolang het strelen duurt, wil ze ook de versmelting met de ander voelen. Maar als de begeerte heviger wordt, doet ze plotseling alsof de streling geen betekenis heeft of heeft gehad, en alleen maar een uitwendige gebeurtenis is.

Kwade trouw hoort bij de tweeslachtigheid die Sartre waarneemt in het menselijke bestaan, dat schommelt tussen versmelting en herstel van de eigen vrijheid.

Dit verschijnsel moet velen binnen organisaties vertrouwd voorkomen. Hoe gebruikelijk is het niet in managementsituaties voor managers om een beroep te doen op gezamenlijkheid, zelfs versmelting met elkaar in de werksituatie. 'Gedeeld enthousiasme', 'er met zijn allen voor gaan', 'teamspirit' zijn niet alleen aansporingen tot het inzetten van energie, maar ook beloften van sociaal welbevinden waardoor medewerkers moeten worden verleid.

Een van de meest geliefde metaforen die voor die verleiding worden ingezet is de vergelijking van een organisatie met een orkest. Natuurlijk, daar staat een dirigent voor en dat suggereert misschien een hiërarchie, maar dat weegt niet op tegen de gelukzaligheid van een gezamenlijke prestatie en onderschikking van alle individuele belangen aan de collectieve versmelting.

Totdat puntje bij paaltje komt. Als de economische wind ineens tegenzit of als de organisatie nog andere ambities heeft dan die waarmee jij toevallig versmolten bent. Dan herneemt de organisatie zijn vrijheid tegenover jou en blijkt de gelukzalige versmelting ineens niets meer waard te zijn.

De cartoon van Stefan Verwey geeft die tweeslachtigheid goed weer. De baas zit nog half in de modus van de gezamenlijkheid: hij heeft een hand op de schouder van zijn medewerker en wil even sparren over een ideetje. Maar dat ideetje snijdt tegelijkertijd alle banden tussen hen door en maakt hen beiden tot loszwevende elementaire deeltjes die onverschillig of vijandig tegenover elkaar staan.

Volgens Sartre is deze tragiek onvermijdelijk, want inherent aan ons bestaan als mensen. In een uitdrukkelijke discussie met Heidegger stelt hij vast dat niet het Mitsein de kern van de menselijke verhoudingen is, maar het conflict. Zo zwartgallig is Sartres visie dus. Ik deel die visie niet, maar zijn begrip van kwade trouw is wel geschikt voor het aanduiden van ervaringen die ons hoe dan ook bekend voorkomen.

Zie ook Sartre, Levinas en het café.

zondag 27 september 2009

Ik heb makkelijk praten


Vliegen zou veel duurder moeten worden, zeg ik wel eens. En waarom gaan er niet meer mensen met de trein?

Maar ja, ik heb makkelijk praten. Want ik houd niet van vakanties in Azië en ik heb een hekel aan autorijden. Ik ga liever schaatsen dan skiën en ik vind vlees wel lekker maar champignons en noten niet minder.

Er is principieel toch ook niks in te brengen tegen liefde voor verre reizen en al dan niet dure auto’s? Integendeel, reizen kan verrijken. Het kan je horizon verbreden, het kan je in contact brengen met heel andere leefstijlen en denkgewoonten en daardoor helpen je eigen vanzelfsprekendheden te relativeren. En auto’s verruimen hoe dan ook onze mobiliteit en ontplooiingsmogelijkheden.

Het is ontegenzeglijk waar dat een heleboel mensen aan die verrijking niet toekomen, omdat ze vooral de zon en hun eigen nationale vakantiekolonie opzoeken. Maar voor een aantal mensen geldt de wens verder te kijken dan hun culturele neus lang is wel degelijk. Daar is toch niks tegen? En dan zou vliegen ontmoedigd moeten worden?

Is er iets inherent beters aan mijn voorkeuren, behalve dat het milieu erbij gebaat is? Ik denk niet dat ik dat vol zou kunnen houden. De mens is kennelijk geschapen als nieuwsgierig wezen en als dat uitloopt op een botsing met de rest van de schepping, dan zit er kennelijk een weeffout in die schepping. Daar is weinig aan te doen.

Toch blijft nog één vraag hangen. In hoeverre worden we gestuurd door verveling? Zijn het misschien de monotonie van ons bestaan en een gevoel van intense zinloosheid die ons alle hoeken van de wereld doen opzoeken? Als Awee Prins in zijn boek Uit verveling de ontevreden verzadiging en moedeloosheid van de gegoede negentiende eeuwse Russische burgerij ter sprake brengt, geeft hij aan: “Een telkens weer beproefd, maar nimmer genezing brengend medicijn voor deze verveelden is: reizen”.

En de vraag die daar weer bij hoort: is dat, die verveling, ook een weeffout van de schepping? Is verveling – in een op orde gebrachte samenleving – onvermijdelijk en onafwendbaar? Of biedt diezelfde schepping ons mogelijkheden tot ontsnapping? Niet door naar Azië te vliegen, maar door de confrontatie met bepaalde verrassingen bij je thuis, op het werk, op straat?

Levinas denkt van wel.

donderdag 17 september 2009

De man van hoger honing


Dries Van Agt is diep verontwaardigd over de situatie in de Palestijnse gebieden. Hij ziet “zo mateloos veel onheil in het Heilige Land dat hij daarmee niet leven kan”. Hij voelt het als zijn plicht om, zonder de Palestijnse wandaden weg te praten, de schijnwerper te zetten op het Israëlische wangedrag.

Van Agts aanklacht in een interview met Trouw van vorige week roept bij mij een zeker onbehaaglijk gevoel op.

Voor de duidelijkheid: ik heb niks met de Israëlische kolonisten die sluipenderwijs Palestijns gebied usurperen en ik word kwaad over de vernederingen en pesterijen die Palestijnen moeten ondergaan van Israëlische soldaten. Ik vind de muur niet verkeerd, want die heeft aantoonbaar het aantal zelfmoordaanslagen verminderd. Maar ik vind het miezerige landjepik dat via het bouwen van de muur wordt uitgeoefend kleinzielig en de Joodse traditie onwaardig.

Dus de onbehaaglijkheid waar Van Agt me mee opzadelt zal daar zeker mee te maken hebben. Maar er is meer. Hier is ook een culturele houding in het geding die mij afstoot. Een beschavingspretentie met zeer oude papieren in het Westen.

Van Agt staat ergens voor. Namelijk voor een pretentie van onschuld en morele verhevenheid, die zich uitdrukt in gestyleerd taalgebruik en gesoigneerde manieren en met een heilig geloof dat de Christelijke, Westerse beschaving dat samengaan van moraal en schoonheid op een uitmuntende manier representeert. Op de foto is dat een beetje terug te zien.

Als zo’n man op een dag besluit om op bedevaart te gaan in Het Heilige Land, dan moet die even onberispelijk en zuiver verlopen als de verheven (Europees-Christelijke) wereldorde is waarin hij gelooft. Ieder checkpoint langs de West-Bank en iedere gewelddadigheid maken daar onaanvaardbare inbreuk op. Want hier staat een wereldbeeld op het spel dat geen bezoedeling verdraagt.

Relativering van het eigen Europese beschavingspeil is voor Van Agt vanuit die positie een onmogelijkheid. Hij komt in het interview dan ook niet zo ver als hij de rol van Europa bespreekt bij het ontstaan van Israël. Europa is schuldig, want het had in de oorlog meer moeten doen voor de Joden en na de oorlog meer voor de Palestijnen. Dat daar, in het Christelijke hartland, iets gebeurd is waar eigenlijk ook niet mee te leven valt, komt niet ter sprake.

Wat mij betreft komt die aap verder uit de mouw als Van Agt zijn vierde motief noemt om zich op te winden over het Israëlische onrecht. “Israël doet dagelijks zijn best om bij Europa te zijn”. Dat geeft Van Agt naar eigen zeggen reden om veel bozer te zijn wanneer Israël zich misdraagt, dan wanneer – met veel hogere aantallen slachtoffers – bijvoorbeeld de Congolezen, de Soedanezen of de Chinezen dat doen. Want dan komt de primitiviteit ineens wel erg dichtbij en wordt het des te belangrijker om goed duidelijk te maken: jullie horen niet bij ons.

Jullie zijn toch niet echt zoals wij, dat is de boodschap. Een heel oud Europees geluid inderdaad. Dat je bestaan er wel anders uitziet in situaties waar mensen elkaar naar het leven staan dan wanneer je in vrede leeft, dat maakt kennelijk niets uit. En dat het helemaal niet zo lang geleden is dat pakweg Frankrijk en Nederland in hun koloniën en Duitsland in Europa als beesten tekeer gingen, brengt Van Agt kennelijk niet van zijn geloof af. Daar zit iets onwezenlijks in.

Zie ook Bekvechten en Te dom

donderdag 10 september 2009

Wat doen Joden bij Wilders?


Het Nieuw Israëlitisch Weekblad publiceerde laatst een artikel waarin twee psychologen zich kritisch uitlieten over Geert Wilders. Dat lokte een storm van ingezonden brieven uit waarin lezers zich keerden tegen de auteurs en het opnamen voor Wilders.

De reactie die daar weer op kwam luidde in veel gevallen: hoe is het mogelijk dat Joden sympathiseren met de PVV? Zij weten toch als geen andere groep wat het is om als minderheid gediscrimineerd te worden? Zij moeten toch als eersten gevoelig zijn voor geluiden die spreken over uitwijzing en deportatie? En is het niet kortzichtig? Wilders komt immers wel erg dicht in de buurt van het klassieke antisemitisme als hij oproept tot het afhakken van de neus van Clairy Polak?

Dit zijn zeker voor de hand liggende redeneringen en die tref je gelukkig ook veelvuldig aan in Joodse kring. Maar Joden laten zich, evenmin als andere Nederlanders, niet opsluiten in politieke correctheden. Alle Joodse gevoelens en redeneringen zijn met het bovenstaande niet uitputtend getekend. Joden zijn meer dan dat.

Zij vormen inderdaad een groep, en zijn daardoor behept met het chauvinisme dat elke groep eigen is. Een groep bovendien die getalsmatig klein is, en zich bedreigd kan voelen door Islamitisch antisemitisme. En die vaak via bloedbanden verbonden is met Israël en zich daarin gesteund voelt door Wilders.

Dat zie je allemaal terugkomen in die ingezonden brieven. Dat onmiddellijk te duiden als verongelijktheid en wraakzuchtigheid is net iets te kort door de bocht. Een dergelijke duiding komt voort uit de moderne neiging om alle gehechtheid aan eigen volk, eigen groep en eigen land af te doen als achterhaald of verwerpelijk. Ik snap die neiging wel, maar ik ben bang dat daar ook enigszins naïef denken achter schuil gaat.

Die neiging gaat in ieder geval voorbij aan het diepgewortelde verlangen van mensen naar verbinding met de plaats waar ze wonen en de groep waar ze uit stammen, of je dat nu goed vindt of niet. Die behoefte is er gewoon.

Safranski laat in zijn boek Romantiek. Een Duitse affaire zien hoe als reactie op de verheerlijking van de universele rede tijdens de Franse Revolutie in Duitsland een beweging ontstond die het lokale en de Heimat verheerlijkte. En vorige week maakte Ad Verbrugge (in Trouw) duidelijk dat de kosmopolitische tendenzen van de spraakmakende elite bij veel mensen gevoelens van ontaarding en vervreemding in de eigen leefwereld opleveren. Er is juist meer behoefte aan verbinding met en zorg voor de plaats waar men woont.

Het is wel zo realistisch om deze krachten serieus te nemen. In ieder geval lijkt het mij contraproductief om dergelijk chauvinisme bestraffend af te wijzen en als achterlijk weg te zetten. Dan voelen mensen zich miskend.

Dat geldt voor de gewone autochtone Nederlander die zich gekapitteld voelt door een kosmopolitische elite. En dat geldt even hard voor veel Joden die zich in hún leefwereld bedreigd voelen. Het is niet anders.

Zie ook Erbij horen

zondag 6 september 2009

Sartre, Levinas en het café


Het café was Sartres habitat. Hij werkte er en observeerde er zijn medemensen. Hij kreeg er zijn ideeën en het bood een decor voor illustraties van zijn denkbeelden.

Levinas moest er niets van hebben. Hij is nooit betrapt op een terrasje en hij omschrijft het café ergens streng en afkeurend als “een open huis, gelijkvloers met de straat; de plaats van het comfortabele samenleven, zonder wederzijdse verantwoordelijkheid. Men komt er niet om iets te doen, men gaat er zitten terwijl men niet moe is, men drinkt er zonder dat men dorst heeft”.

Nu hoeft deze tegenstelling tussen Sartre en Levinas niet zo te verwonderen, want veel van hun andere denkbeelden zijn ook tegengesteld. Dat geldt bijvoorbeeld voor de menselijke blik die voor Sartre het voertuig is van overheersing over anderen en voor Levinas van geraakt te worden door een ander. Of voor de omarming door Sartre van totalitaire systemen, terwijl Levinas niet anders doet dan daarvoor waarschuwen.

Het opmerkelijke is dat de inspiratie voor hun beider denken aan dezelfde bron ontspringt, namelijk de filosofie van Edmund Husserl. Deze filosofie zocht naar het serieus nemen van concrete ervaringen en concrete betekenissen binnen het denken.

Grappig genoeg vond Sartres kennismaking met Husserl in het begin van de jaren dertig plaats in een café. Zijn vriend Raymond Aron wees hem daar op een glas op de tapkast en vertelde hem dat de Duitse filosoof Husserl zodanig kon praten over zo’n glas dat het filosofie werd. Dat sprak Sartre onmiddellijk aan. Voor hem vormen de dingen in hun ondoordringbaarheid (zelfs als ze doorzichtig zijn als glas) de grootste concreetheid. Dus moest filosofie in ieder geval daarover gaan. Alle objecten worden daarmee interessant, ook die in een café. Dat in het café (in ieder geval in Parijs) ook de mensen object worden en ondoordringbare buitenkant, maakt het café alleen maar interessanter voor hem.

Levinas heeft daar niets te zoeken. Ook hij is, in het voetspoor van Husserl, op zoek naar het concrete. Maar het meest concrete voor hem is geraakt te worden door anderen; dat heeft de grootste betekenis. Maar dat is precies wat in Sartres café niet gebeurt. Want in het Parijse café heerst wat Ger Groot noemt een sfeer van doelloosheid en bijna agressief individualisme. Levinas noemt het ook wel een niet-plaats voor een niet-gemeenschappelijkheid, voor een samenleving zonder solidariteit, een gemeenschap van het louter verstrooiende spel.

Nu moet ik zeggen dat deze karakterisering van het Parijse café voor mij enigszins nieuw is. Ik had me tot nu toe van de horeca aan de Rive Gauche in de jaren veertig en vijftig een wat romantischer voorstelling gevormd. Van terrasjes en kelders en café’s waar mensen tot diep in de nacht met elkaar in gesprek waren en waar intensieve, intellectuele ontmoetingen plaatsvonden.

Zo was het dus niet, maar dat zou wellicht meer naar Levinas’ smaak zijn geweest. Misschien had hij eens - althans voor de gemoedelijkheid - een Amsterdams bruin café moeten proberen.

Zie ook De dingen en de mensen en Levinas en Bergson

maandag 31 augustus 2009

Nu nog niet


“Geef mij kuisheid, Heer, maar nu nog niet”.
Dat bad de kerkvader Augustinus toen hij de overgang wilde maken van een genotzuchtig naar een ascetisch leven.

Ik moest eraan denken toen ik gisterenavond in Zomergasten Jaap van Zweden (overigens weer een geweldige gast) hoorde zeggen niet meer te willen willen. Want willen en verlangen zijn strevingen die vanuit het ego komen en eenwording met de rest van de wereld in de weg staan. Zij houden een gespletenheid in stand, een kloof tussen mens en wereld, een dualiteit. Het grootste geluk van de mens zou, volgens de violist/dirigent, gelegen zijn in de opheffing van die dualiteit.

Toen presentatrice Margriet van der Linden vervolgens vroeg hoe niet meer willen willen zich verhoudt tot Van Zwedens tot in 2012 volgeboekte agenda, was zijn antwoord dat je die twee verschillende niveau’s niet door elkaar moet halen. Op het vlak van de muzikale prestaties was er nog heel veel te doen en te willen, en hopelijk zou hij nog eens de Berliner of de Wiener Symphoniker mogen leiden. Het vlak van de spiritualiteit heeft daar niets mee te maken, dat heeft een geheel eigen plaats.

Maar hoe moet ik dat dan zien? In eerste instantie dacht ik: hij bedoelt dat het willen en streven nog even de ruimte moet krijgen, en dat daarna de spiritualiteit aan bod kan komen. Dat deed me aan Augustinus’ uitspraak denken. Maar misschien bedoelt hij te zeggen dat die twee niveau’s al hier en nu naast elkaar bestaan.

Hoe dan ook, ik ontkom niet aan de indruk van een sterke dualiteit in zijn spreken over het opheffen van de dualiteit. Want ofwel de twee niveau’s volgen elkaar op in de tijd en dan krijg je het soort dualiteit als die van managers die na hun pensioen wijsheden ten toon spreiden waarop ze tijdens hun carrière niet te betrappen waren. Ofwel ze bestaan zodanig gescheiden van elkaar dat een volle agenda en spirituele ervaringen elkaar nergens raken. Zoals in Plato’s denken de orde van de Ideeën en de orde van de tastbare wereld naast elkaar bestaan en de eerste op geen enkele manier door de tweede kan worden bezoedeld.

Met Levinas vraag ik me daarom af of je wat Van Zweden wil wel als ideaal kunt beschouwen: op te gaan in het Geheel en mystiek Eén te worden met al het omringende. Hoe lekker dat ook voelt. Levinas heeft voor zijn afwijzing hiervan een streng motief: mystieke eenwording heft de verantwoordelijkheid van het individu op, die juist gegeven is met zijn individu-zijn. Dat kan niet goed zijn.

Mijn eigen vraag is eerder: kán het wel, als je kijkt naar de tegenstrijdigheden die er in het spel zijn. Het willen opheffen van dualiteit roept nieuwe dualiteit op. Kan dat werken? Ik denk van niet.

Zie ook Kunnen wij het CDA wel missen?

maandag 24 augustus 2009

Ramadan


De gemeente Rotterdam en de Erasmus Universiteit besloten vorige week Tariq Ramadan te ontslaan uit zijn functie van bruggenbouwer tussen allochtone (met name Islamitische) en autochtone bevolkingsgroepen. Dit vanwege twijfel of Ramadan wel genoeg afstand neemt van repressieve Islamitische regimes en praktijken, met name in Iran. De ophef die vervolgens ontstond over het ontslag van Ramadan maakt de vraag los wat nu de beste benadering is als je wilt bruggen bouwen in Rotterdam.

Gisteravond in Zomergasten hoorde ik Alexander Pechtold zeggen dat ze in Rotterdam al van meet af aan fout zaten door iemand te benoemen uit gelovige hoek. Zo iemand kan, vanwege alle dogmatiek waarmee hij behept is, volgens Pechtold per definitie geen bruggenbouwer kan zijn.

Maar, met alle respect voor Pechtold (en ik waardeer hem zeer), ik vind dit standpunt wel erg D66 op z’n smalst. Er spreekt een zeer herkenbaar verlangen uit naar redelijkheid en niets dan redelijkheid, maar het gaat volkomen voorbij aan het feit dat religieuze hartstochten krachtig zijn en in allerlei spanningen een grote rol spelen. En dat religie als zodanig serieus genomen wil worden. Dus naar mijn idee ben je kansloos als je die erbuiten laat.

Yoessef Azghari neemt vandaag in Trouw de religie wel mee in zijn advies. Hij meent dat je voor de functie van bruggenbouwer een liberaal denkende moslim nodig hebt. In ieder geval iemand die het geloof serieus neemt, maar tegelijkertijd een open geest heeft en naar vernieuwing streeft. Hij moet geen missie bedrijven.

Maar dit advies is tricky. Uitvoering ervan zou inhouden dat de overheid positie kiest in religieuze zaken. Die zou bepalen wat de juiste inhoud van een godsdienst is. Dat kan naar mijn idee ook nooit werken.

Academici van de Erasmus Universiteit stellen in de NRC dat je de academische traditie van vrijheid van denken en spreken te grabbel gooit door een intellectueel van het kaliber Ramadan de deur te wijzen. Ik moet zeggen, dat argument spreekt me wel aan. Academische tolerantie en debat behoren tot de kroonjuwelen van onze cultuur, en daarbij: Ramadan is ontegenzeglijk thuis in de Westerse traditie. Hij is gepromoveerd op Nietzsche, spreekt zeer verzorgd Engels en Frans en kent de academische manieren. Als hij nu ook nog eens van binnenuit bekend is met de Islam en daarover helder kan spreken, wat wil je dan nog meer? Wie dat afwijst verraadt het beste van de Westerse academische traditie.

Maar je kunt je afvragen of deze academici niet teveel afgaan op uiterlijkheden. Want hoeveel discussie vindt er nu werkelijk plaats met Ramadan? Hoeveel discussie kán er überhaupt plaatsvinden als hij de enige echte van-binnen-uit deskundige is? Ik ben bang dat de verontwaardigde academici vergeten dat voor het debat dat zij op het oog hebben, er botsende meningen moeten zijn. Nu zijn zij het zelf lang niet altijd met Ramadan eens, maar van echt academisch weerwoord tegenover hem kan eigenlijk, ook in dit hooggeleerd gezelschap, helemaal geen sprake zijn. Want alleen Ramadan weet in die kringen waar hij het over heeft.

Daarop voortbordurend zou ik zeggen: zoek het niet buiten de godsdienst, laat Ramadan in zijn functie, en zet er een ander naast met even veel kennis van de Islam, maar met een totaal andere kijk erop. Of liever nog: meerdere van zulke personen. Moslims dus, bijvoorbeeld van de richting Azghari. Want dan kun je de échte discussie krijgen die nu zo node gemist wordt. Een discussie namelijk tussen Moslims onderling, desnoods gevoerd in Oxford-English.

En wij maar luisteren.

Zie ook Ongerijmd

zaterdag 22 augustus 2009

Naïef


Anderen verwijten dat ze naïef zijn heeft altijd als bij-effect dat je de indruk wekt net iets verder te kijken dan die anderen. Toch doe ik het maar even want het gaat mij hier om de naïviteit van de Verlichting, die zelf grossierde in verwijten van naïviteit. Die verwijten kwamen er over het algemeen op neer dat ieder achterlijk was die niet de universele idealen van de rede aanhing en die hechtte aan overgeleverde religies of andere groepsverbanden.

Een bloeiperiode van dit soort verlichtingsdenken heb ik zelf meegemaakt. Het waren de jaren '70 en '80, toen een golf van rationele vrijgevochtenheid het verzuilde nederland overspoelde. Met Vrij Nederland als het lijfblad van de ontmaskeringsbeweging en Piet Grijs als de onbetwiste paus van het cynisch arrogante denken.

Bas Heijne beschrijft in een terugblik in zijn boek Onredelijkheid hoe alle groepsvorming door het progressieve establishment van de jaren zeventig en tachtig met wantrouwen werd bezien. Zo algemeen mogelijk moest je zijn, dat wilde zeggen: geen groepsvorming toelaten en individualiseren.

Deels is deze beweging wel begrijpelijk, want zij vormde mede een reactie op de blinde groepsvorming in het fascisme en communisme. Maar anderzijds getuigen die opvattingen en taboes van een ontstellende naïviteit. Want het is maar de vraag of een individu wel kan bestaan als je hem losmaakt van sociale verbanden en hem verbiedt die banden te koesteren. Niemand kan leven in een leeg ideaal van volstrekte individualiteit en autonomie.

Behalve een onderschatting van het belang van sociale inbedding was hier sprake van een miskenning van het belang en vooral van de aard van de identiteit die mensen met zich meedragen.

In eerste instantie (jaren '70 en '80) bestond die miskenning erin dat onze identiteit – volgens de grondbeginselen van de Verlichting – beschouwd werd als een zuiver autonome kwestie. Je bepaalt toch zelf, in alle vrijheid, wie je bent? Een zekere romantiek is aan die opvatting niet te ontzeggen, die gaat kennelijk hand in hand met rationeel denken.

In tweede instantie (jaren '90), toen er wel erg veel mensen bijkwamen die hun identiteit duidelijk niet zelf bepaald hadden, bleek die opvatting niet houdbaar, althans niet voor iedereen. Er kwam ruimte om identiteit wat ruimer op te vatten, maar de romantisch versluierende neigingen bleven onverminderd sterk. Voor bepaalde, met name nieuwe, bevolkingsgroepen werd identiteit nu gekoppeld aan hun cultuur, en die werd vooral als kleurrijk opgevat. Zeker als er smakelijke culinaire attracties aan vastzaten.

Wat deze varianten van de identiteitsopvatting met elkaar gemeen hebben is dat identiteit in beide gevallen iets aardigs is: voor de autochtonen hun eigen vrijgevochtenheid en voor de allochtonen hun eigen pittoreske tradities.

Maar dit komt naar mijn mening niet in de buurt van wat identiteit echt inhoudt. Identiteit kan namelijk ook een last kan zijn. Een schurend bezit, waar je eigenlijk wel vanaf wilt maar niet vanaf kunt komen. Door je identiteit ben je vaak juist niet vrij, want de mensen kijken je op van alles aan, ook op een achtergrond waar je niets aan kunt doen. Simpelweg omdat je dingen hebt meegekregen, zelfs dingen waarvan je je niet eens bewust bent.

Alleen als je daar oog voor hebt is een aantal verschijnselen te verklaren van de laatste vijftien jaar die het naïeve verlichtingsdenken compleet moeten hebben verrast.
Bijvoorbeeld het uiteen vallen van de eenheidsstaat Joegoslavië in entiteiten die elkaar op basis van tradities en historie bestrijden. Of de ontmaskering van de romantische multi-culti gezelligheid doordat zich daaronder heetgebakerde en gewelddadige ideeën bleken te kunnen schuilhouden. Of de ‘eigen cultuur eerst’ gedachte waarmee Nederlanders van diverse snit zich in de armen van Geert Wilders laten drijven. Of de diepe behoefte aan collectieve intense ervaringen, bijvoorbeeld rondom André Hazes of het Koninginnedagdrama, waardoor we onszelf kunnen overtuigen dat we níet cynisch zijn.

Je kunt alleen maar concluderen dat het niet kan wat de Verlichting wil, en wat wethouder Wibaut in zijn tijd nog als levend ideaal kon verwoorden: Ik ken geen burgers van nationale staten, ik ken alleen mensen. Dan kun je wel eens absurde en levensgevaarlijke tegenreacties krijgen.

Zie ook Zie mij eens open zijn en Hoe naïef is Levinas eigenlijk?

donderdag 6 augustus 2009

Adrenaline


Het was zo’n comfortabele gedachte, ontleend aan Adam Smith. Namelijk, dat als iedereen nu maar goed voor zichzelf zorgt ook de samenleving als geheel zal floreren. En wel dankzij het geheimzinnige mechanisme van de markt – Smiths ‘Onzichtbare Hand’ die de harmonie tussen private en publieke belangen garandeert. Met andere woorden, voel je niet geremd in je streven naar zelfverrijking want je bent geheel moreel gedekt, het is bijna sociaal werk! Dus laat de adrenaline maar stromen die gewekt wordt door de behartiging van private belangen.

Maar er is geen onzichtbare hand, zegt de Franse denker Jean-Claude Milner, en dat is ons weer eens goed ingewreven door de kredietcrisis. Daar bleek maar al te zeer hoe de jacht op persoonlijk gewin niet per se harmonieus samengaat met het belang van een samenleving. Integendeel, de samenleving stond even bijna op instorten en we weten nog steeds niet hoe het af zal lopen. Het idee van een gemakkelijke harmonie via de onzichtbare hand is dus eigenlijk een staaltje van zelfmisleiding. Als je eerlijk bent zit er aan die bron van adrenaline een luchtje.

Maar waar moet je dán je adrenaline vandaan halen?

Johan Schaberg vroeg zich laatst in de NRC af of het bedrijfsleven geen andere drijfveren voor actie kent dan geldzucht. Hij stelt, op basis van interviews met onder andere Cor Herkströter en Frits Goldschmeding, enigszins gerustgesteld vast dat geld, optieplannen en bonussen bij deze topmannen als drijfveer geen belangrijke rol spelen. Maar, vraagt hij zich af, waarom vertellen ze dat pas aan het eind van hun carrière? En waarom hebben ze in hun werkzame leven kritiekloos gedaan wat het hele beursgenoteerde bedrijfsleven doet: juist wel massaal inzetten op beloningspakketten?

Meer overtuigende voorbeelden van inzet van zakenlieden voor de publieke zaak vindt Schaberg door verder terug te gaan in het verleden. In de jaren dertig verenigden links-liberale Rotterdamse zakenlieden zich in het Woodbrokerhuis. Daar spraken ze over hun eigen verantwoordelijkheid tegenover de samenleving en oriënteerden zich op linkse ideologische modellen die verbetering zouden kunnen brengen.

Maar het geloof in dat soort modellen was in de jaren dertig, vóór het failliet van het communisme en de problematiek van de verzorgingsstaat, wat makkelijker op te brengen dan tegenwoordig. Schaberg stelt dan ook enigszins mistroostig vast dat dit soort maatschappelijke betrokkenheid bij de huidige generaties ver te zoeken is. En dat dat gevaarlijk is omdat een samenleving niet zomaar vanzelf gezond blijft.

Kun je dan nergens meer in geloven?
Ik ben bang dat de grote ideologische verhalen inderdaad weinig prikkelend vermogen meer hebben, en daartoe reken ik zowel de Onzichtbare Hand als het idealisme van de jaren dertig. Als ik ergens in geloof is het dat soms, nu en dan, de ene mens de andere echt toegewijd is. En dat niet per se als romantische geliefden. Iets kleins dus, maar wel iets wat ons gewone leven even spannend kan maken en ons werk kleur kan geven. Dat creëert zijn eigen adrenaline. Voorwaarde is wel dat er een gewoon leven mogelijk is. Dus dat er goede maatschappelijke instituties zijn: democratie, degelijk bestuur en eerlijke rechtspraak.

Nu is het probleem, zegt Milner, dat het kapitalisme aan die maatschappelijke instituties geen boodschap meer heeft. Misschien wel omdat het zorgvuldig onderhouden daarvan te prozaïsch is en te weinig adrenaline losmaakt. Het koortsachtige kapitalisme wil alleen maar grote stoten adrenaline. Het maalt niet meer om de vraag waar de regels vandaan komen. Als er maar regels zijn, dan zorgen de agressiefsten wel dat ze daaraan verdienen. Volgens Milner is dat pas echt gevaarlijk. Hij meent dan ook dat we niet zuinig genoeg kunnen zijn op onze rechtsstatelijke verworvenheden. Laten we onze denkkracht ook daaraan besteden en niet alleen aan geld verdienen.

Zie ook Kun je tegenkracht wel organiseren?

zondag 2 augustus 2009

Orde


Het is vrij gebruikelijk in de Westerse traditie om de vita activa en de vita contemplativa te zien als ultieme tegenoverliggende polen van de mensenwereld. Vita activa staat dan voor de uitgaande beweging van de mens die de wereld ingaat ter ontginning en verovering; vita contemplativa voor de naar binnen gekeerde beweging van de mens, die de wereld met zijn geest beschouwt.

Maar de vraag is of die twee wel zover van elkaar verwijderd zijn. Zijn het niet twee kanten van dezelfde medaille? Die medaille heet dan: orde, of fascinatie voor orde.

Neem bijvoorbeeld de rol die de Benedictijner monniken in de loop van de eeuwen gespeeld hebben in West-Europa. Daarin blijken orde beleven (vita contemplativa) en orde scheppen (vita activa) in elkaars verlengde te liggen. En dan doel ik niet primair op het voorschrift van de Regel van Benedictus dat de monniken hun tijd moeten verdelen over gebed, studie en (handen)arbeid. Want met die arbeid lijkt vooral ambachtelijk of agrarisch werk bedoeld te worden dat keurig past binnen een geordend geheel. Het versterkt als zodanig eerder de contemplatie dan dat het orde op de wereld verovert.

Nee, dan doel ik op een verschijnsel dat je kunt beleven als je als Nederlandse vakantieganger naar Zuid-Frankrijk gaat en weer terugkomt. Je kunt dan constateren dat de Benedictijner beschavingsbrengers in die verschillende gebieden actief waren op geheel verschillende terreinen.

In Zuid-Frankrijk lag de nadruk inderdaad op agrarisch en ambachtelijk werk en op het kopiëren van heilige boeken. Werk dus met een vrij sterk contemplatief karakter.

In Nederland daarentegen hielden de monniken zich voor een groot deel bezig met (of werden beziggehouden door) de strijd tegen het water. De Benediktijnen van Egmond bijvoorbeeld legden dijken aan en polderden stukken land in. Dat lijkt mij bij uitstek te behoren tot de categorie ‘orde veroveren op chaos’, en daarmee tot de vita activa.

Maar al die monniken, in Zuid-Frankrijk zowel als in Nederland, behoorden tot dezelfde congregatie met dezelfde regel. Het bewaren en koesteren van orde, waar het zwaartepunt lag in het Christelijke hartland Frankrijk, kon dus naadloos overgaan in het scheppen van orde in de woestere randgebieden. Het is niet voor niets dat moderne managementboeken de Benedictijner praktijken hebben ontdekt als managementmodel: de fascinatie voor orde dringt ver de aardse wereld binnen en heeft daar ontginnende kracht.

Daarmee vormen in het Christendom vita activa en vita contemplativa dus niet het paar van ultieme tegengestelden dat er vaak in gezien wordt. Er is een verbindend element tussen die twee. Namelijk, de gedachte dat er een diepere, in feite objectieve, heilige orde in de wereld te vinden is. Die orde manifesteert zich in de diepte van studie en gebed, maar wordt ook weerspiegeld in de ordentelijkheid van droge en veilige stukken land. So wie so is orde van de laatste soort een voorwaarde voor het schouwen van de orde op een dieper niveau en zo verbindt zich de vita activa met de vita contemplativa.

Als vita activa en vita contemplativa inderdaad niet meer het ultieme paar van tegengestelde polen vormen, omdat ze beide gemotiveerd worden door het motief van orde, dan zou er een nieuw polenveld ontstaan. Dan wordt de ultieme tegenstelling eerder die tussen datgene wat zich binnen de orde bevindt en datgene wat de orde doorbreekt omdat het erbuiten valt.

Zie ook Bestemming bereikt en De dingen en de mensen

maandag 6 juli 2009

Wantrouw het bloedeloze intellect


In de filosofie produceren ze scherpzinnige maar doodse polemieken en vooral een grote zelfgenoegzaamheid. In de ICT zijn ze herkenbaar als dorre oncommunicatieve nerds. In de financiële wereld stellen ze eindeloos modellen op en veroorzaken ze een kredietcrisis.

Ik doel op een type mens dat je kunt beschrijven als consequent rationeel, opzichtig scherpzinnig maar zonder oog voor, of in ieder geval zonder boodschap aan de omringende wereld. Zo omschrijft Johan Schaberg dat type in zijn laatste NRC-column.

Hij voegt daar een waarschuwing aan toe, voor zover het gaat om de gretige whizzkids in maatpakken en met een smaak voor dure auto’s. Want zij hebben de wereld opgezadeld met miljardenverliezen en een economische crisis, maar staan in de coulissen al weer klaar om het afgebroken spel te hervatten. Misschien is het toch niet zo slim om deze jongens ‘slim’ te noemen?

Volgens mij ziet echte slimheid er anders uit. Echte slimheid heeft oog voor de omgeving, snapt dat bedachte lineaire rekenmodellen geen recht doen aan de complexiteit van een menselijke samenleving. Echt slim is het dus om de pretenties van het knappe rationele denken met argwaan te bezien.

Misschien is dat voor economen te veel gevraagd. Althans dat suggereert Frank Ankersmit. Hij stelt dat de economie zich iedere keer weer uitlevert aan versimpelende rationaliteit die de werkelijkheid versmalt. Daardoor zal de economie zich voortdurend in impasses blijven werken en zal die de inmenging van overheid en politiek niet kunnen missen.

Maar is het ook voor ons, als publiek, teveel gevraagd? Naar mijn idee hebben wij best wat in te brengen tegenover de nieuwe generatie graaiende whizzkids die volgens Schaberg al weer klaar staat. Wat ons te doen te staat is vooral: niet onder de indruk zijn van hun slimheid. Hun graailust kun je hen niet afleren, dat is gewoon te menselijk. Graailust vermomd als slimheid kan wél afgeleerd worden, denk ik, wanneer het publiek er niet meer intrapt. Laten we ons daarom met z’n allen iets minder vergapen aan het duizelingwekkende modelmatige denken, want het is bloedeloos en voos. En in de plaats daarvan het besef koesteren dat een samenleving kwetsbaar en complex is. Dat is namelijk al ingewikkeld genoeg.

woensdag 1 juli 2009

Het nut van geschiedenis


Wat is het nut van geschiedenis? Dat heb ik me ook vaak afgevraagd toen ik als afgestudeerd historicus niet direct een baan kon vinden. Dat laatste lukte pas na een forse omscholing in financieel administratieve richting.

Maar het bloed kruipt ook waar het geen geld verdient en mijn historisch-filosofische belangstelling kan zich tegenwoordig uitleven zonder daarover aan iemand verantwoording te hoeven afleggen. En dat is wel zo fijn.

Maar daarmee is de vraag nog niet beantwoord: wat heb je aan geschiedenis?
Ik denk dat de waarde vooral gelegen is in het taalveld dat je krijgt aangeboden. Niet het taalveld van de snelle media en de oppervlakkige journalistiek. Niet dat van de smalle economische belangen. Niet dat van de darwinistische competitie van de biologie.

Het is een taalveld van eindeloos botsende menselijke wilskrachten, van verlangens en stromingen die op elkaar inwerken. Daar horen zinnetjes bij als ‘De geesten werden rijp gemaakt’, ‘Zij wachtten op de grote kladderadatsch’, ‘De economische ontwikkeling nam een grote vlucht’, ‘In Parijs begonnen Verlichtingsideeën salonfähig te worden’. Er zijn onderstromen, stichtingsmythen en plotselinge uitbarstingen en wat er gebeurt is vaak tragisch toevallig, maar ook kleurrijk. Het besef dat een heleboel dingen net zo goed heel anders hadden kunnen lopen verankert zich diep.

Ik heb het dan natuurlijk wel over de geschiedenis beoefend als vak. Dat wil zeggen over een benadering van de geschiedenis die zich bewust is van de eindeloze complexiteit van op elkaar inwerkende krachten en van de tragiek die daarbij hoort. Ik heb het niet over het al dan niet selectief op een rijtje zetten van allerlei historische feiten. Dat betekent eigenlijk dat geschiedbeoefening voor mij een literair genre is en niet voor niets traditioneel een plaats had in de letterenfaculteiten.

En het belang dáárvan is wat mij betreft dat ik niet langer overgeleverd ben aan aan de snelle oordelen en cliché’s van de borreltafel. Je kunt aan de gemeenplaatsen voorbij komen zonder dat het per se filosofisch wordt, maar simpelweg door je te realiseren dat er zo ontzettend veel gebeurd is. Op straat, in gezinnen, in de politiek, op het slagveld. En dat schept een zekere ruimte.

Natuurlijk hoort daar wel discussie bij. Daarom herken ik me wel in de wens van de twee directeuren van het Nederlands Historisch Museum om dat museum in de stad te huisvesten. Want debat en discussie gedijen daar beter dan tussen het lommer en de folklore.

Zie ook Geschiedenis als exacte wetenschap

maandag 22 juni 2009

Irritant


Waarom zijn Joden zo irritant? Althans, volgens de Romeinen en de vroege Christenen? En trouwens ook volgens Mohammed en de latere Christenen en Verlichtingsdenkers zoals Voltaire en Rousseau?

Afshin Ellian legt dat uit (in de NRC van 6 juni) voor het Christendom en de Islam. Die beide godsdiensten claimen universele geldigheid. Jezus is volgens de Christelijke leer voor iedereen gekomen, en de Islam pretendeert de waarheid voor alle mensen te kennen.

Uiteraard botsen die twee universalistische claims met elkaar, want omdat ze elk de totaliteit opeisen sluiten ze elkaar uit. Maar zij hebben tenminste nog met elkaar gemeen dat ze geloven in een waarheid die voor iedereen geldt. Fundamenteler voor beide godsdiensten is dan ook de confrontatie met een stroming die níet gelooft in eenzelfde waarheid voor iedereen. En die in ieder geval weigert om haar eigen particuliere geloof op te geven ten gunste van de universaliteit. Dat is pas werkelijk aanstootgevend want algemene geldigheid, van welke kleur dan ook, biedt houvast. Wie dat ter discussie stelt gaat echt te ver.

Maar dat is precies wat de Joden eeuwenlang gedaan hebben. Zij bekeken de blijde boodschap van het evangelie met scepsis en bedankten ervoor want ze zagen nog weinig verlossing. Voor een ideologie, zoals het Christendom, die zijn kracht juist put uit de algemene geldigheid van zijn boodschap, is dat een affront.

Hetzelfde gebeurde met de waarheid die Mohammed bracht. Daarvan zeiden de Joden: dat is niet onze waarheid. Maar dat kun je niet ongestraft zeggen tegen een ideologie die voor iedereen wil gelden want dan ben je spelbreker. Dan roep je weerzin en ergernis op.

De pech – of de stommiteit? – van de Joden is dus geweest dat zij voor zichzelf het recht op vrijheid van meningsuiting opeisten op momenten in de geschiedenis dat je dat beter nog niet kon doen. Nee zeggen tegen universalistische pretenties is levensgevaarlijk als je niet door mensenrechten beschermd wordt, en dat is ook wel gebleken. Je kunt de Joden er ook om bewonderen.

Het probleem is dat de universalistische pretenties niet minder werden naarmate het Christendom aan invloed verloor. Zoals gezegd, ook Verlichtingsdenkers als Voltaire en Rousseau stoorden zich aan de koestering door de Joden van hun eigen tradities. En dat heeft alles te maken met de universele waarden die de rede, als opvolger van het Christendom, propageerde. Daar passen geen afwijkende volkeren, godsdiensten of culturen bij. Die verstoren het universalistische feestje.

Volgens Ellian konden, vanwege hun universele claims, Christendom en Islam niet zonder de ontkrachting en demonisering van Jodendom en Joden. Met als gevolg een spiraal van onderdrukking en angst, geweld en tegengeweld waarvan je mag hopen dat het ooit nog goed komt.

De pathologie als gevolg van het geweld en de angst heeft de oorspronkelijke inzet voor een groot deel overwoekerd. Maar die inzet is er – historisch gezien – wel degelijk. Het ging om de vrijheid van meningsuiting, ook zonder dat je daarvoor beschermd werd. Misschien gaat het daar nog steeds wel om.

donderdag 11 juni 2009

Collectieve onmacht


De krant meldde gisteren dat de Jeugdzorg hervormingen van minister Rouvoet tot niets zullen leiden. Althans dat denkt ongeveer de vierde commissie die zich hierover buigt. Coördinatie- en bekostigingsproblemen belasten de instellingen. Kinderen en gezinnen zijn de dupe van de slecht functionerende jeugdzorg, ondanks alle goede bedoelingen. Iedereen is het erover eens dat de bureaucratie bestreden moet worden maar dat blijkt iedere keer uit te lopen op nog meer bureaucratie.

Aan de vooravond van de Europese verkiezingen woonde ik een debat bij over Europees kunstbeleid waaraan onder andere Hedy d’Ancona en Stefan Sanders deelnamen. Ondanks mijn sympathie voor d’Ancona vielen me haar regelzuchtige reflexen op. Woorden als gericht beleid, stimuleringssubsidies en cultuurnota’s rolden haar net te makkelijk uit de mond. De echte inspiratie is bij mij dan al gauw zoek. Ik heb het niet zo op zijn VVD maar ik moet zeggen dat ik Sanders’ meer liberale houding wel verfrissend vond. Terwijl ik heel goed begrijp wat d’Ancona wil en het eigenlijk wel met haar eens ben.

De dag erna werd er afgerekend met de PvdA, de partij ging van 7 naar 3 zetels in het Europese parlement. Daar had d’Ancona natuurlijk niets mee te maken maar door diverse commentatoren werd wel een verband gelegd met het bleke profiel van de partij. Die barst van de goede bedoelingen en de genuanceerde standpunten maar loopt tegelijkertijd vast in gehechtheid aan procedures, overmatige politieke correctheid en regelgevingssocialisme.

Verder las ik nog over een promotieonderzoek van Lida van den Broek waarin zij concludeert dat discriminatie meer voorkomt bij organisaties waarvan de medewerkers denken dat ze juist níet discrimineren. Juist bij die bedrijven wordt veel onderscheid gemaakt tussen prestaties van allochtonen en autochtonen.

In hoeverre is er een gemeenschappelijke lijn te ontdekken in bovenstaande plannen en projecten, behalve dat ze een zekere moedeloosheid veroorzaken? Het start allemaal met goede bedoelingen en het eindigt in het tegendeel of in stroperigheid. Wat betekent dat?

Wat bovenstaande zaken gemeenschappelijk hebben is een zekere hooggestemdheid, een bepaald geloof in de eigen progressiviteit, althans bij de start van de plannen, projecten en bewegingen die hier aan de orde zijn. Er is een sterk vertrouwen in maakbaarheid aan verbonden, dat zich uitdrukt in de gedachte dat je het allemaal wel geregeld hebt of op z’n minst kúnt regelen. En juist dat blijkt in al die gevallen anders uit te pakken.

Het is zonder meer waar dat deze fiasco’s aan de linkerkant van het politieke spectrum het sterkste uitkomen. De verklaring daarvoor is waarschijnlijk dat aan die kant het aantal goede bedoelingen groter is of dat ze daar de goede bedoelingen meer uitdragen.

Maar als je goed kijkt is die onmacht om dingen goed te regelen collectief. In feite delen alle politieke stromingen in de onmacht. Rouvoet is van de Christen Unie, de VVD deed aardig mee toen Erica Terpstra in de jaren negentig de hele geestelijke gezondheid overplaatste van de duinen naar de stad, en het Innovatieplatform van premier Balkenende is blijkens het boek van Frans Nauta daarover in zijn tegendeel verkeerd.

De onmacht zit dus dieper, het heeft met de ingewikkeldheid van onze samenleving te maken. Maar ook met een geloof dat alle politieke stromingen met elkaar delen omdat het diep in onze cultuur verankerd zit. Dat is het geloof in de ordenende rede, met zijn hooggestemdheid die steeds harder aanloopt tegen het feit dat zij iets wezenlijks verwaarloost. Ik doel op het verschijnsel dat anderen niet zo makkelijk in jouw plannen te vangen zijn als je zou willen. Verwaarlozing van dat verschijnsel is gelijkelijk verdeeld over alle politieke stromingen.

Daar is wel iets tegenover te stellen, zegt Levinas: een meer ingebed besef dat een ander wel eens veel meer en totaler anders zou kunnen zijn dan je in eerste instantie geneigd bent te denken. En dat besef zou voor zowel het technocratische als het ideologische denken, van rechts én van links, een aanwinst kunnen zijn.

Al met al kan ik dus gerust PvdA blijven stemmen.

Zie ook Geen eer meer aan te behalen

dinsdag 2 juni 2009

Bewaak het perspectief


In een van de columns in Trouw van Willem Breedveld viel mij de vanzelfsprekendheid op waarmee hij traditionele clichés presenteerde over de opvatting van God in het Oude Testament en in het Nieuwe Testament. Die traditionele opvattingen komen erop neer dat de eerste beschouwd wordt als wraakzuchtig en jaloers, de tweede als vergevingsgezind en vredelievend.

Gelukkig is Breedveld realistisch genoeg om op te merken dat de God van het Christendom lange tijd niet gefunctioneerd heeft volgens het Nieuw Testamentische model. Dat zou ook lastig vol te houden zijn, niet alleen vanwege de Kruistochten die Breedveld noemt, maar ook vanwege bijvoorbeeld de Inquisitie en het Westerse imperialisme.

Toch blijft Breedveld uiteindelijk vasthouden aan het traditionele schema, tegen beter weten in, zou ik zeggen. Dat zeg ik niet alleen vanwege het krijgshaftige karakter dat de Christelijke God eeuwenlang gehad heeft. Maar ook omdat de Oud Testamentische God niet zo monolithisch wraakzuchtig was als hij vaak wordt voorgesteld. Al in het Oude Testament komt hij ook naar voren als een mededogende God. En in het rabbijnse Jodendom bleek die Bijbelse God zich verder te kunnen ontwikkelen tot een God die vooral medemenselijkheid en solidariteit ondersteunde.

Dat kan blijken uit de mensvriendelijke manier waarop de rabbijnen omgingen met meningsverschillen, uit de democratische besluitvorming en de gerichtheid op onderlinge solidariteit. Het blijkt ook, zoals Ron van der Wieken onlangs opmerkte in het NIW, uit de relatieve vrouwvriendelijkheid van de Joodse traditie. “In de andere Midden Oosterse culturen waren vrouwen vaak niet meer waard dan vee, terwijl in het Jodendom de huwelijks- en scheidingswetten vaak relatief zachtzinnig waren. Ze stelden de man niet altijd bij voorbaat in het gelijk, de erfwetten lieten alleenstaande vrouwen niet helemaal berooid achter, en bij verdenking van overspel had een vrouw tenminste een kans om haar onschuld te bewijzen.”

Van der Wieken wijst erop dat pas na 1800 die relatieve vooruitstrevendheid werd ingehaald door ontwikkelingen in de omringende Westerse samenleving. Die kwam met grote stappen voorop te lopen waar het ging om de gelijkberechtiging van vrouwen, maar ook in de bestrijding van armoede en verankering van democratische praktijken. Tegelijkertijd geldt dat de inspiratie voor deze verworvenheden niet meer exclusief Christelijk was, maar ook humanistisch of socialistisch.

Zo schematisch als dat vroeger gebeurde vallen de Oud Testamentische en Nieuw Testamentische tradities dus niet tegenover elkaar te stellen. Renée van Riessen toont dat in haar boek Man as a place of God. Zij laat zien dat een nederige, mededogende voorstelling van God eigenlijk pas na Hegel een plaats krijgt in de Westerse filosofie, in de periode waarin ook de secularisatie een aanvang neemt. Tot die tijd heerst daar het beeld van God als de verhevene die bij voorkeur bij zichzelf blijft en alleen door zichzelf begrepen kan worden.

Tot 1800 dus. Dat is, voor het juiste perspectief, wel negen tiende deel van de afgelopen 2000 jaar.

Zie ook Heilig vuur