dinsdag 26 januari 2021

Saai, saai….


Aandacht voor de uitvoering van werkzaamheden geldt als saai, al minstens sinds Plato. Die wilde graag denkwerk en het opstellen van plannen zoveel mogelijk gescheiden houden van het uitvoeren ervan. Die verschillende werksoorten moesten dan ook, volgens Plato, aan verschillende groepen in de samenleving worden toebedeeld: het denken aan een intellectuele elite van leiders, het uitvoeren aan de grotere massa van gewone mensen. Dat zou recht doen aan de verschillende capaciteiten van die groepen en daardoor rechtvaardig zijn. Dat de meeste macht en het grootste maatschappelijk aanzien bij de eerste groep kwamen te liggen was (dus?) ook logisch en rechtvaardig.

Wij in onze westerse samenleving, zo’n tweeënhalfduizend jaar later, zitten nog steeds opgescheept met die erfenis van Plato. En dat is beslist niet alleen een filosofische kwestie, dat toont zich in het werkende leven van velen, via de standaard managementhiërarchie in bedrijven en overheidsorganisaties. Daar houdt de top maximaal afstand van de werkvloer, omdat dat maar afleidt van het echte denkwerk. De details die in de uitvoering aan de orde zijn, die zijn ook zo vreselijk saai….Beleid en strategie, die zijn spannend. En prestigieuzer.

Zo bezien is het behoorlijk revolutionair dat deze principiële tweedeling steeds meer, ook van de kant van de denkers, ter discussie wordt gesteld. Een recent voorbeeld daarvan zijn uitspraken van de president van de Algemene Rekenkamer Arno Visser. Naar aanleiding van steeds terugkerende problemen bij overheidsorganisaties als het UWV en de Belastingdienst stelt Visser: “In het algemeen geldt: let op de uitvoering. Zorg voor een heldere organisatie, goed opgeleid personeel en moderne computersystemen. Daarvoor moet de politiek de scheiding tussen beleid en uitvoering ter discussie stellen. Als je beleid en uitvoering samenbrengt, weet je beter wat er gaande is. Nu is het nog zo dat bijvoorbeeld Sociale Zaken het beleid bepaalt en de Belastingdienst en het UWV dat uitvoeren. Of: het ministerie van Volksgezondheid heeft een plan en de gemeenten moeten ermee werken, Infrastructuur en Waterstaat heeft het geld en Rijkswaterstaat moet ermee aan de slag”.

Het zal duidelijk zijn: dit vergt een andere mindset. En dan vooral een andere opvatting van wat ‘uitdagend’ en ‘spannend’ en ‘prestigieus’ genoemd kan worden. En liefde voor de gewone mensen.

Zie ook Verstrikt in slimheid en Plato ontzenuwd?

Wil je commentaar geven of zien: klik op Saai, saai.... en scrol naar beneden door.

donderdag 21 januari 2021

De banaliteit van het kwaad revisited


Een belangrijke vraag die de wereld bezighield in de decennia na de Tweede Wereldoorlog was: Hoe konden de gruwelijkheden van de Sjoa plaatsvinden in een continent dat zo trots was op zijn beschaving? En hoe was het mogelijk dat ‘fatsoenlijke’ burgers en soldaten zich lieten meeslepen in de uitvoering van die gruwelijkheden?

Een eerste verklaring was van meet af aan dat het vernis van beschaving maar dun is, en dat bij velen van ons sluimerende destructieve neigingen onder de oppervlakte liggen te wachten op een gelegenheid om hun moordlust bot te vieren. 

Naar aanleiding van haar observaties van het Eichmann-proces kwam Hannah Arendt in de jaren zestig met een verrassende tweede verklaringsmogelijkheid: die van ‘de banaliteit van het kwaad’. Het kwam erop neer, zei Arendt, dat mensen als Eichmann niet zo veel bijzonders deden. Ze voerden op dagelijkse basis simpelweg de opdrachten uit die ze kregen opgelegd, en dachten daar vooral niet te veel bij na. In de woorden van journalist Pieter van Os: “Eichmann was volgens haar een banale, alledaagse man die er prat op ging efficiënt te hebben geopereerd als uitvoerder”. Geen monster maar een radertje in een bureaucratische machine. 

De analyse van Arendt maakte veel indruk en werd in brede kring geaccepteerd als een aannemelijke verklaring voor wat er gebeurd was. Maar de laatste twintig jaar zijn tegen haar visie veel bezwaren ingebracht door historici en filosofen, onder wie Daniel Goldhagen, Christophor Browning en Bettina Stangneth. Arendt zou zich volgens hen te veel hebben laten inpakken door Eichmann die heel bewust het Befehl ist Befehl benadrukte om zijn eigen aandeel in de gruwelijkheden te verdonkeremanen. Zij laten zien dat Eichmann wel degelijk de nazi-ideologie aanhing, en daar nog in de jaren vijftig begeesterd over kon spreken. Hier was geen sprake van een apolitieke bureaucraat.

Met name Goldhagen en Browning tonen dat er meer persoonlijke vrijheid was voor mensen dan het beeld van de machineradertjes suggereert. Hiërarchische verhoudingen waren niet cruciaal. Een bevel was niet altijd een bevel. Goldhagen wijst via de titel van zijn boek Hitlers gewillige beulen op de mannen die – zoals Eichmann – juist wél zin hadden mee te doen. Browning zegt omgekeerd: niemand hóefde mee te doen, je mocht bijvoorbeeld executieopdrachten weigeren. De banaliteit van het kwaad, ofwel: de alledaagse dwang van de machinebureaucratie, heeft als verklaringsmodel in het verband van de Sjoa dus aan betekenis verloren.

Maar dat wil niet zeggen dat het concept ‘banaliteit van het kwaad’ daarmee heeft afgedaan. Integendeel, zou ik zeggen, kijkend naar onze door efficiency-targets en prestatiedoelen ingerichte samenleving, het floreert op sommige plekken als nooit te voren. Het meest recente en pregnante voorbeeld daarvan is de Toeslagenaffaire, waarin stuitend zichtbaar wordt hoeveel schade alledaagse bureaucratische mechanismen kunnen aanrichten bij onschuldige mensen. 

Overduidelijk valt bij de toeslagen de grootste schuld toe te kennen aan een ondoordacht doordenderende bureaucratie. Dat komt naar voren in de robotachtige manier waarop regels werden toegepast, in de parafencultuur die alle verantwoordelijkheid deed verdwijnen en in de blindheid waarmee ‘de wet’ gevolgd werd – Gesetz ist Gesetz. Als je daarover leest doemt de banale benauwdheid van de Haagse radertjes bijna als vanzelf voor je op. Zoals Nelleke Noordervliet het beschrijft: “Ik kom weleens in zo’n gebouw vol hokjes, computers en overleggende figuren en voel ogenblikkelijk mijn individualiteit wegsijpelen, mijn lichaam verstijven en mijn verbeeldingskracht bevriezen”. 

Voor een verklaring wordt hier ook wel naar de destructieve kwaadaardigheid van individuen verwezen, zoals de eerstgenoemde verklaring voor de Sjoa doet. Dan verschijnt bijvoorbeeld de ambtenaar in beeld die zijn afwijzingen van bezwaren ondertekende met een vulpen waarin hij de tekst “Bij twijfel afwijzen” had laten graveren. 

Maar kijkend naar de gemiddelde bij de toeslagenaffaire betrokken ambtenaar, dan stel je vast dat je niet van het destructieve type hóeft te zijn om bij te dragen aan de fatale uitkomsten van het hele proces. Je zorgen te maken over je hypotheek, en dus je baan, is over het algemeen al voldoende om bij inwendige twijfels over een zaak niet door te vragen en ‘gewoon’ je werk te doen.

Daarmee zouden we weer terug zijn bij de kwalijke kant van bureaucratische systemen en de tendens die daarbinnen bestaat om verantwoordelijkheid zoek te maken. Dat proces kan zich zo geruisloos voltrekken dat niemand daar erg in heeft en het kwaad zich in de alledaagsheid kan nestelen. Een toestand van morele onzichtbaarheid die vaak door leidende instanties gesanctioneerd wordt. Vóóraf door fanatieke politieke doelstellingen – daar gaat premier Rutte bijvoorbeeld beslist niet vrijuit in zijn nadruk op nietsontziende fraudebestrijding. En áchteraf door het standpunt van het Openbaar Ministerie dat ambtenaren niet vervolgd kunnen worden voor de aangerichte schade. Dan ben je beland bij wat je met recht kunt noemen: de banaliteit van het kwaad.

De reacties op de toeslagenaffaire van de laatste weken laten gelukkig een toenemend bewustzijn zien van het gevaar van fanatieke doelstellingen en sluitende systemen. En daaraan gekoppeld soms de vraag of je systemen niet iets minder dicht kunt timmeren, zodat er minder kans is dat ze onbedoeld met mensen (slachtoffers én ambtenaren) op de loop gaan. Ik hoor nu regelmatig de volgende gedachte langskomen: als je niet buiten bureaucratische systemen kunt (en dat kunnen we niet), wees dan alert op ontsporing daarvan in de richting van gedachteloos geproduceerd kwaad. Maak de regelgeving niet te zwart/wit, geef ambtenaren meer ruimte tot maatwerk, bouw hardheidsclausules in, ga verstandig om met efficiency- en prestatiedoelen.

Ik denk dat dat goede voorstellen zijn. Banaliteit van het kwaad gedijt beslist goed bij heel strakke regelgeving en op hol geslagen efficiency-denken. Daar had het naziregime volgens huidige historici minder van dan we een tijd lang dachten. Maar onze eigen arbeidsorganisaties hebben daar misschien meer van dan we willen geloven.

Zie ook Het totalitarisme is onder ons en Soorten overleg

Wil je commentaar geven of zien: klik op De banaliteit van het kwaad revisited en scrol naar beneden door.

vrijdag 8 januari 2021

Buitenterreur


Bij mijn collega columnist Leo Mock volg ik de lessen over de Toralezing van de week (parasja) die hij verzorgt voor Crescas. Daarbij gaat het natuurlijk regelmatig over de aartsvaders Abraham, Izaäk en Jacob, en wat ik grappig vind is dat Leo ze soms indeelt in termen van ‘buitenmensen’ en ‘binnenmensen’. 

Zo vermeldde hij onlangs dat Abraham en Izaäk op dit vlak nogal eens als tegenpolen gepresenteerd worden. Van die twee zou Abraham het outgoing karakter vertegenwoordigen, zeg maar de buitenmens. Hij had veel gereisd en zo’n beetje het hele Midden-Oosten doorkruist, hij legde met groot gemak contact met steeds nieuwe mensen. Izaäk daarentegen zou meer naar binnen gericht zijn; hij is het land niet uit geweest en vond dat wel prima zo.

Maar juist in de betreffende parasja, vertelde Leo, figureert Izaäk als de buitenmens. Hij is het die voortdurend verder trekt, ook al is het binnen het land. Hij wordt daartoe gedwongen omdat jaloerse stammen steeds de putten dichtgooien die hij heeft gegraven voor zijn vee. Pas als Izaäk Rechovot en Beër Sjeva heeft bereikt kan hij zich ongestoord vestigen. Daarbij vergeleken was Abrahams verblijf bij de eiken van Mamre de honkvastheid zelve.

Veel explicieter is de Toratekst (Gen. 25, vs. 27) als het gaat over Jacob en Ezau, de twee zonen van Izaäk en Rebecca: “Toen de jongens opgegroeid waren, werd Ezau een uitstekend jager, iemand die altijd buiten was, terwijl Jacob een rustig man was, die het liefst bij de tenten bleef”. Of, zoals andere vertalingen zeggen, het liefst in tenten verbleef. Overigens spreekt de Tora niet direct een voorkeur uit voor de binnenmens Jacob of de buitenmens Ezau: “Izaäk was zeer op Ezau gesteld want hij at graag wildbraad, maar Rebecca hield meer van Jacob.”

Dat hoor je ook wel anders, minder genuanceerd. Zoals in de nieuwjaarsboodschap van buitenmens columnist Marijn de Vries. “Trek een dikke jas aan, ga naar buiten. Hoe meer uren je buiten doorbrengt, hoe meer de wind het gedoe uit je kop blaast. Buiten is pretentieloos prachtig. De chagrijnigste mensen zijn de mensen die altijd binnen zitten. Ontzettend veel buiten wens ik u. Voor nu en voor het komende jaar.”

Ik zal het maar bekennen, ik ben een verklaard binnenmens. Ik wind me daarom behoorlijk op over dergelijke normatieve buitenterreur die ik me ook van opvoeders van vroeger nog wel kan herinneren.

Maar eerlijk is eerlijk, binnenterreur bestaat ook. Denk bijvoorbeeld aan de uitspraak van de filosoof Blaise Pascal:  “Al het ongeluk van mensen komt voort uit één ding: ze kunnen niet rustig stil blijven zitten in een kamer”.

Ik stel voor dat we stoppen met normatieve uitspraken over deze dingen. En evengoed wens ik u een goed nieuw jaar.

Zie ook Geëngageerd roddelen