donderdag 29 mei 2014

Lang leve Europa!


Dat moet er echt even uit, en dat kan ik nog wel tien keer herhalen.

Want natuurlijk is er een democratisch tekort. Maar dat is simpel op te lossen: versterk de democratische instellingen in Brussel. Het is opmerkelijk dat juist veel nationale politici dat tegenhouden.

Bovendien kun je volhouden dat in veel lidstaten van de EU, waaronder in ieder geval Nederland, eveneens sprake is van een democratisch tekort. Maar dan niet zozeer van de instellingen als wel van het functioneren van de democratie.

Dat democratisch tekort van de lidstaten vloeit voort uit een overmatige angst bij politici voor de kiezer. In Frankrijk hebben, ondanks evidente noodzaak, opeenvolgende presidenten echte financieel-economische hervormingen niet aangedurfd, uit angst voor de vakbonden en de kiezers. In Nederland is met name premier Rutte als de dood om kiezers te verliezen door impopulaire maatregelen. Dat noem ik een tekort in het functioneren van de democratie.

Die nationale democratische tekorten worden vaak opgelost via het andere democratische tekort, dat van Europa. Als Rutte en Hollande en anderen op dit moment aan begrotingsdiscipline doen, kunnen ze naar Brussel wijzen en zeggen: dat moet van Europa. Een beetje laf is het wel, maar op deze manier kun je de democratische tekorten van Europa en de lidstaten tegen elkaar wegstrepen en functioneert het geheel nog redelijk. Lang leve Europa!

Verder zijn er veel praktische en technocratische redenen aan te voeren voor het belang van Europa. Neem de energiepolitiek: over het inkopen van gas kun je beter niet 28 staten los van elkaar laten onderhandelen, het is een stuk voordeliger voor iedereen als je dat collectief doet. Of defensie: als we erachter komen dat verdediging nog steeds belangrijk is dan wordt meteen duidelijk dat er meer nodig is dan de verzameling nationale leger(tje)s die we altijd hadden. En milieuvervuiling, zo weten we allemaal, stopt niet bij Lobith of Maastricht, maar komt met de rivieren en via de lucht ons land binnen. Wie deze dingen niet inziet is ofwel dom, of lui of kwaadwillig, of alles tegelijk. Lang leve Europa!

Het kan zijn dat een ‘Europees gevoel’ deze overwegingen niet bij kan benen, maar dan moet het verstand maar even het voortouw nemen, vind ik. Bij mezelf valt het trouwens wel mee met het gevoel van ‘vreemdheid’ van Europa. Als Gerrit Hiemstra aan het eind van het Journaal de luchtdrukverdeling in Europa laat zien vind ik dat niet raar, het voelt wel als één meteorologische ruimte. In mijn jeugd kwam de weerman niet verder dan de Golf van Biskaje, want daar kwamen altijd depressies vandaan. Nu horen de temperaturen in Portugal en Griekenland en Finland er gewoon bij.

Verder zijn er beschavingsontwikkelingen die ik niet anders dan als Europese projecten kan duiden. Ik denk aan de Renaissance, het Humanisme, de Verlichting, de Westerse wetenschap. Zeker als je die op detailniveau bekijkt, zoals ik bijvoorbeeld gedaan heb voor ontwikkelingen in de muziek, blijkt snel hoe zeer Europa een aaneengesloten cultuurgebied is.

Lang leve Europa!

Zie ook Onze man in Brussel, Nee zeggen en De TV houdt ons bij de les

donderdag 22 mei 2014

Right en wrong


“Right or wrong, it’s my country”. Dat kun je Israëliers en Joden horen zeggen over Israël.

Blijkens de titel van zijn boek Mijn beloofde land beaamt de politieke journalist Ari Shavit het tweede deel van de uitspraak. Maar met het eerste deel van de uitspraak is hij niet zo snel klaar. In feite gaat zijn hele boek over right en wrong.

Het lezen van dit boek is een aangrijpende ervaring. Ik heb het nog lang niet uit, ik ben pas halverwege, maar kan al vaststellen dat de ondertitel van het boek de inhoud goed samenvat: De triomf en tragedie van Israël. Het boek is een afwisseling van hoogte- en dieptepunten.

Een dieptepunt, misschien wel hét dieptepunt, heb ik net achter de rug: het verhaal over de nederzettingen. Op zichzelf genoeg aanleiding om gedeprimeerd van te raken. De primitieve ideologie, de medeschuldigheid van overigens weldenkende Arbeiderspartij-politici, de corrumperende werking van militaire overmacht, de vergelijkingen met nazipraktijken die zich ook aan de Israëliërs opdringen, de golven van terreuraanslagen die iedere vredeswil ongeloofwaardig maken.

Wat mij op de been houdt bij het lezen van dit boek – dat is wat mij betreft de triomf van dit boek – is de intellectuele moed en meedogenloze eerlijkheid van de auteur. Noem dat maar, bij alle kronkels van right en wrong die hij beschrijft en benoemt, een morele prestatie van formaat. “Je denkt te veel na”, krijgt hij van sommige Machers als verwijt. Voor mij is hij juist daardoor een betrouwbaar baken op woest terrein.

Kort gezegd is de tussenbalans van het zionistische right and wrong op de helft van het boek als volgt:

Right: de troosteloze situatie van miljoenen Joden in Midden- en Oost-Europa was aan het eind van de 19e eeuw - na eeuwen van pogroms, discriminatie, en onderdrukking die alleen maar erger werden - niet langer houdbaar. En het relatief kleine deel dat daaraan had kunnen ontsnappen naar West-Europa bouwde weliswaar een redelijk comfortabel bestaan op maar wist zich vanaf de Dreyfus-affaire ook daar niet veilig meer. De Endlösung werd intuïtief voorvoeld.

Dit zelf-destructieve verblijf van Joden in een Europa dat hen in het Oosten naar het eind van hun krachten had gedreven, en in het Westen op het punt stond om ze uit te kotsen, verschafte de oorspronkelijke zionistische plannen een onmiskenbare morele rechtvaardiging. Wat Shavit betreft tot en met het Delingsplan van 1947 en de stichting van de staat in 1948.

Wrong: de stelselmatige veronachtzaming van het Palestijnse leed dat met de stichting van de staat gepaard ging. En minstens zo erg: de creatie van nieuw leed door sluipende voortzetting van inbreuk op hun rechten. Daarvoor ontbreekt, wat Shavit betreft, precies de morele basis die het vroege Zionisme wat hem betreft wel had.

Zoals gezegd: dat Shavit dit verhaal op déze manier durft te vertellen is een grote verdienste op zichzelf.

Zie ook Geschiedenis in het kwadraat, Zionisme en Meerstemmigheid

donderdag 15 mei 2014

Amsterdam en ICT


Kunt u zich voorstellen wat het voor een organisatie betekent dat je adressenbestand vervuild is? Bijvoorbeeld het debiteurenbestand, met de namen van alle personen en instellingen waar je nog geld van krijgt.

Als dat bestand vervuild is dan kan het gebeuren dat één en dezelfde debiteur er vier of vijf keer in staat, met steeds een iets andere schrijfwijze. “Prins Hendrikkade 38hs” staat er dan ook in als “Pr. Hendrikkade 38 huis”, en als “Prins-Hendrikkade 38hs” en als “Prins-Hendrik-Kade 38-hs”. Dat komt bijvoorbeeld doordat de medewerker van de debiteurenadministratie ooit bij het sturen van een tweede rekening een andere schrijfwijze hanteerde dan die al aanwezig was in de administratie, of doordat men in een later stadium de net iets andere schrijfwijze heeft overgenomen die de debiteur zelf in zijn correspondentie gebruikt, enzovoorts.

Als dat zo is, dan kunt u zich voorstellen dat het lastig is om een totaalbeeld te krijgen van de vorderingen die je hebt op zo’n debiteur. En dat je geen goed overzicht hebt van de correspondentie met die debiteur. En dat je invorderingsacties waarschijnlijk niet erg adequaat zullen zijn. Dan kunt u zich voorstellen hoeveel ergernis dagelijks met zo’n situatie gepaard gaat en hoeveel energie hierdoor permanent weglekt.

Welnu, dit is binnen de gemeente Amsterdam al voor minstens vijftien jaar de feitelijke situatie in veel van de gemeentelijke diensten en afdelingen. En dan niet alleen voor de debiteurenadministratie, maar ook voor de crediteurenadministratie (vandaar die stelselmatige termijnoverschrijdingen) en andere administraties.

Nu zijn er in de loop van die jaren vele automatiseringsslagen geweest, en je zou denken dat die aanleiding hadden kunnen zijn tot het saneren van die adressenbestanden. Maar dat was niet het geval, bij iedere nieuwe ronde werd er voor het gemak vanuit gegaan dat het wel goed zat met de adressenbestanden, ze werden gewoon als black boxes overgeheveld naar het nieuwe systeem.

“Voor het gemak”, dat geldt vanzelfsprekend niet voor het administratieve personeel dat akelig veel tijd kwijt is met het vervuilde bestand. Dat geldt kennelijk voor de beslissers die dit maar op zijn beloop laten.

Hoewel: “gemak” is ook niet echt van toepassing op de beslissers. Want ook zij hebben uiteindelijk meer last dan plezier van vervuilde bestanden: overzichten deugen niet, er komen geen juiste cijfers beschikbaar en je wordt voortdurend ingehaald door de werkelijkheid. Best zielig eigenlijk.

Er moet dus iets anders spelen bij de verwaarlozing van de administratieve aspecten van management. Ik denk dat het te maken heeft met een gebrek aan prestige van dit soort zaken. Mensen met hersens laten zich toch niet in met suffig administratief geneuzel en met zoiets nerderigs als adressenbestanden? Nee, die leggen in Amsterdam eer in met strategische vergezichten en ronkende beleidsnota’s en ‘optimalisaties’. Althans, op de meeste plekken in Amsterdam is dat zo, maar in mijn huidige Amsterdamse project merk ik dat het soms ook goed kan gaan.

Nu de parlementaire enquête naar de ICT-debacles bij de overheid in volle gang is kom ik in de verslagen erover de bovengenoemde symptomen wel tegen. “Beslissers wisten niet precies waar ze het over hadden”, of “Beslissers werden voortdurend ingehaald door de werkelijkheid en moesten dan aanvullende eisen stellen”.

Wat ik nog mis in deze diagnose is de verwijzing naar het onderliggende waardenstelsel. Kennelijk leggen beslissers geen eer in met aandacht voor wat er écht gebeurt op de werkvloer. Afdaling daar naar toe wordt gemakkelijk afgedaan als geneuzel. Zolang dat zo is zal er veel energie blijven weglekken.

Zie ook Verstrikt in slimheid, Ongevraagd advies, en The devil is voortdurend in the detail

vrijdag 9 mei 2014

Die moeilijke Levinas


Je hoort vaak zeggen dat Levinas zo’n moeilijke filosoof zou zijn. “Ik snap gewoon niet waar hij heen wil”, zeggen mensen dan.

Ik denk dat het wel meevalt met die moeilijkheid van Levinas. En dat, als zijn teksten toch als lastig worden ervaren, dat meer te maken heeft met het contra-intuïtieve, de dwarsheid en het oncomfortabele van zijn gedachten.

Er is namelijk een set van door velen van ons dagelijks gehanteerde en als vanzelfsprekend beschouwde uitgangspunten die voor logica doorgaan. En bij die punten zet Levinas vraagtekens. Inhoudelijk gezien is dat niet zo ingewikkeld, bij nader inzien is vaak de logica van zijn vraagtekens overtuigender dan die alledaagse logica.

Het probleem ligt eerder in het contra-intuïtieve karakter van Levinas’ logica. Die staat soms dwars op de logica van de zelfhandhaving. En juist díe voelt in het sociale en maatschappelijke verkeer in eerste instantie als ontwijfelbaar. Als een filosoof daar iets anders tegenover zet voelt dat raar aan.

Ik geef een paar voorbeelden van het gangbare soort goede raad, aansporingen en streefrichtingen die, afgaande op hun dagelijkse verschijnen, door ons kennelijk als logisch worden beschouwd. Van ieder voorbeeld wil ik vervolgens laten zien dat die logica misschien schijn is en dat ontmaskering van die schijn helemaal niet zo moeilijk is. De échte moeilijkheid, zo is dan de conclusie, zit kennelijk ergens anders, namelijk in het emotioneel toelaten van een andere logica.

Een eerste voorbeeld is de aanprijzing van een cursus  “Excellent manipuleren en beïnvloeden” zoals je die regelmatig in kranten en managementbladen kunt tegenkomen. Met een wervende tekst erbij zoals  “Volg deze cursus en win voortaan iedere discussie!”

Puur logisch gezien is dit laatste al onmogelijk. Want als dat aan alle cursisten wordt beloofd en ze gaan onderling met elkaar in discussie, dan zal de belofte niet kunnen uitkomen. Dus een dergelijk streven is gedoemd net zoveel problemen op te roepen als het oplost. Het is niet zo moeilijk om dat in te zien.

Maar wat in het zinnetje  “Volg deze cursus en win voortaan iedere discussie!” óók doorklinkt is het onderliggende waardestelsel, en dat is zoveel hardnekkiger dat we dat niet zo snel zullen loslaten. Daarbij gaat het namelijk om de diepgewortelde gedachte dat mensen voortdurend elkaars concurrenten zijn. Mensen zijn wolven voor elkaar. Als Levinas deze ‘ontologie van de oorlog’ ter discussie stelt, aarzelen we of hem zullen volgen. Dan wordt hij al gauw te moeilijk.

Een tweede voorbeeld is de bedrijfscultuur die wij in veel organisaties met elkaar creëren door elkaar voor te houden om “professioneel te blijven”, “emoties op afstand te houden”, methodisch te werken en vooral niet over moeilijke dingen te praten.

Het is niet moeilijk om in te zien dat werkvloeren op deze manier steriele plekken worden, waar contacten verbleken tot een schijnvertoning, en het hart uit de zaak verdwijnt. Dat is een logische conclusie, en die wordt door veel onderzoek bevestigd. Vandaar ook dat het ene na het andere managementboek komt met het recept: bestrijd de corporate silence, rommel minder langs elkaar heen. “Zorg voor meer en vooral échte communicatie, écht contact”.

Deze voor de hand liggende zaken heeft Levinas ook op het oog als hij spreekt over het waagstuk van echte communicatie. Waar hij wellicht weer lastiger te volgen wordt is wanneer hij zegt dat die goede communicatie altijd elementen van schaamte en schuld zal impliceren, wil die communicatie tenminste de naam waard zijn. Daar wordt het dus meteen weer wat weerbarstiger – zeg maar: moeilijk – bij Levinas.

Wel krijgt hij voor deze laatste gedachte ineens steun uit onverwachte hoek. Een blad voor managementethiek publiceerde onlangs een artikel waarin staat dat de bereidheid tot excuses van leiders aan hun medewerkers voor gemaakte fouten aantoonbaar positieve uitwerking heeft op de emotionele gezondheid van bedrijfsmedewerkers en de onderlinge relaties.

Levinas is gewoon net zo moeilijk als excuses maken.

Zie ook Resultatitis, Soorten overleg en Gewaagd

donderdag 1 mei 2014

Wat doe JIJ in de ultieme situatie?


De fascinatie voor de ultieme situatie is groot. Dat zal altijd wel zo geweest zijn, maar in deze tijd van het jaar worden we met onze gedachten weer sterk bepaald bij de ultieme situaties die de Tweede Wereldoorlog de mensen voorschotelde. En bij de vragen die sinds die tijd de morele ijkpunten van onze cultuur zijn geweest, zoals: Zou jij je leven in de waagschaal gezet hebben om anderen te redden? Zou jij op het goede moment de juiste keuze gemaakt hebben? Zou je überhaupt de ultieme situatie herkend hebben?

Die fascinatie hoor ik ook doorklinken in de reacties op de gewelddadige dood van de sympathieke Pater Frans van der Lugt. Zo meent dominee Henk Leegte dat van der Lugt  terecht op een voetstuk wordt geplaatst. Vooral zijn bereidheid om tot de uiterste consequentie van de dood trouw te blijven aan zijn overtuigingen dwingt respect af. Het doet denken, aldus Leegte, aan eerdere martelaren die met hun eigen dood “aanwezig hebben willen zijn bij Jezus’ dood”.

En ik zie die fascinatie terug bij Willem Jan Otten in zijn bespreking naar aanleiding van de film 12 Years a Slave. Hij meent dat de film een kerngedachte met het Christelijke Paasverhaal gemeen heeft. Namelijk dat ‘overleven’ minderwaardig is ten opzichte van ‘leven’, en altijd schuld en schaamte impliceert, en dat om die reden ‘je leven geven’ te prefereren kan zijn. “Er wordt iets op een verschrikkelijke manier op zijn kop gezet, en toch staat het nu precies goed”, zo citeert hij vervolgens wat G.K. Chesterton als essentie van het  Paasverhaal benoemde. Waarbij het ‘verschrikkelijke’ opnieuw verwijst naar de ultieme situatie, met – kennelijk – een speciale zeggingskracht.

Het is waar, het Christendom zoekt niet de dood zoals een Japanse kamikazepiloot of een Islamitische zelfmoordterrorist. En de bloedlustige Filipijnse en Spaanse passierituelen kunnen beschouwd worden als een aberratie, en niet als representatief voor het Christendom.

Maar die bloedprocessies komen ook niet helemaal uit de lucht vallen, de fascinatie voor de ultieme situatie heeft er veel mee te maken. Dat blijkt ook uit de pedagogische vragen die er, volgens het schema van de imitatio Christi, in de commentaren over Van der Lugt direct aan gekoppeld worden. “Is zijn voorbeeld toepasbaar in Nederland?” vraagt Leegte, “Hij heeft een voorbeeld ter navolging gegeven”, zegt Peter Nissen.

Maar juist pedagogisch vind ik de fascinatie voor de ultieme situatie geen geslaagd idee. Allereerst omdat die gerichtheid mensen ontmoedigt. Peter Nissen stelt terecht dat de grootsheid van verhalen van opoffering en heiligheid de luisteraar kan blokkeren. “Dan krijg je helemaal het gevoel dat je er niet aan hoeft te beginnen”. En hoe stimulerend is Leegtes uitspraak dat de ultieme martelaarsdaad ons weer bewust maakt van “onze eigen tekortkomingen, onze lafheid”? Dit lijkt me eerder dé manier om je erbuiten te plaatsen. Ik zie mezelf in ieder geval al in lafheid ineenzijgen.

Maar in de tweede plaats - en vooral - omdat die fascinatie het zicht beneemt op gewone, dagelijkse situaties van omkering en bescheidenheid. Terecht zegt Nissen in zijn commentaar: “Waar het om gaat is dat er zaken zijn die zwaarder kunnen wegen dan het eigenbelang” en die zaken hoeven niet per se ultieme consequenties te hebben. Als Nissen daaraan toevoegt: “…zelfs als ze zwaarder wegen dan het eigen leven”, dan snap ik ook wat hij bedoelt. Maar ik wil benadrukken dat als je de beschreven omkeringen daadwerkelijk wilt kunnen beleven en ermee wilt oefenen, dat je dan beter het accent kunt leggen op de dagelijkse situaties, in plaats van op – wat collectief gebeurt – ultieme situaties.

Om terug te komen op Chesterton: “Er wordt iets op een verschrikkelijke manier op zijn kop gezet, en toch staat het nu precies goed”, dat kan ook zonder het woordje ‘verschrikkelijk’.

Dat is namelijk wat Levinas aanwijst in volstrekt dagelijkse situaties als momenten van omkering waarin plotseling andere zaken zwaarder kunnen wegen dan het eigenbelang. Want dat is wat er gebeurt als ik mij, midden in een gloedvol zelfingenomen betoog, laat gezeggen door de blik van een ander die zich door mijn zelfvoldaanheid overlopen voelt. Die gezegging voelt als ongerijmd, en als een volstrekte omkering van waarden. Er wordt iets op een indringende manier op zijn kop gezet, en toch staat het precies goed. Maar nu zonder het woordje ‘verschrikkelijk’ erbij.

Op die, niet-ultieme, manier wordt de omkering van waarden wellicht wat werkelijker en behapbaarder.

Zie ook Pater Frans, Bonhoeffer en de anderen, 4 mei 2012 en Badiou, Levinas en verschillen