vrijdag 30 december 2011

Constructief nee zeggen


Het blogbericht over de listige en totalitaire aspecten van organisaties heb ik misschien iets somberder afgesloten dan nodig was. Want we kunnen daar toch wel íets aan doen?

Reken maar: we kunnen “nee” zeggen. Tegen systemen die maar doordenderen, tegen de moedwillig gecreëerde schimmigheid, tegen de vernedering steeds maar niet gehoord te worden.

Het is waar, als je nee zegt heb je de schijn tegen. De schijn namelijk van ‘negativiteit’. Daar houden veel leiders, managers en collega’s niet van want daar zou je maar somber van worden. Vandaar de vele cursussen waar medewerkers geleerd wordt om niet meer te “ja-maren”, enthousiast te zijn en het woord nee uit hun vocabulaire te schrappen.

Maar nee is misschien wel een van onze belangrijkste woordjes, aldus de Franse schrijver Albert Camus in zijn boek De mens in opstand. Het woordje stelt je in staat om je eigen waardigheid te beschermen doordat het zegt: het heeft nu lang genoeg geduurd, tot hier en niet verder. Het bevestigt de grens en tegelijkertijd alles wat het aan deze zijde van de grens vermoedt en wil beschermen, aldus Hans Achterhuis.

Het woordje nee is voor Camus gekoppeld aan de mens in opstand, en die is hem liever dan de mens in revolutie. Want de revolutie kent weliswaar de hartstocht en het woordje ja, maar daardoor ook het fanatisme en het geweld. “De opstandige mens”, zegt Camus in zijn boek, “handelt in naam van een waarde”.

Zo bezien is het woordje nee dus in het geheel niet negatief. Niet alleen ligt er, zoals Camus zegt, altijd een waarde aan ten grondslag. Het vergt ook behoorlijk wat constructieve inzet en volgehouden denkwerk om die waarde(n) voor jezelf helder te krijgen. Zodanig dat het nee er gewoon uitrolt als het erop aankomt.

Maar is dat niet te optimistisch gedacht? Kun je verheldering aanleren? Kees Kraaijeveld van De Argumentenfabriek denkt van wel. “Helder leren denken is een ambacht, daar horen bepaalde vaardigheden bij die mensen kunnen leren. Ook als ze niet zo intelligent zijn. Helder denken is te institutionaliseren. Je ziet dat mensen daardoor in een klap kritische vragen durven stellen bij alle verhalen die hen verteld worden”.

Kraaijeveld is niet naïef. Hij verwijst ook naar filosofen zoals Lacan die niet geloofde in helderheid en het menselijk vermogen daartoe. Maar Kraaijeveld denkt daar zelf duidelijk anders over, en ik ben wel geneigd om het met hem eens te zijn: je kunt tot op zekere hoogte vertrouwen op je eigen vermogen tot verheldering.

Mijn ervaring is dat zoeken naar verheldering loont: eenmaal gevonden helderheid verschaft zijn eigen plezier en dat stimuleert je om ermee door te gaan. Vergelijk het (voor de bijzienden onder ons) met het inzetten van lenzen of het opzetten van een bril. De verscherpte waarneming op zichzelf kan al aanvoelen als weldadig en energie verschaffen. Zelfs binnen organisaties.

Zie ook Lekker werken en Baan kwijt

woensdag 21 december 2011

De eerste prijs


De prijs voor de mooiste, of laat ik zeggen de meest aangeklede kersthoek gaat ook dit jaar weer naar onze afdeling Informatie&Automatisering. Lopend door de prozaïsche lange gangen van de Stopera kom je zomaar ineens in een andere wereld en houd je als vanzelf de haastige tred even in onder invloed van het sfeertje. Daar is echt werk van gemaakt.

Dat is niet toevallig zo. Dezelfde afdeling was ooit de eerste die begon met sfeervolle schemerlampjes op de bureau’s, zoals ik ze inmiddels ook op een aantal andere afdelingen ben tegengekomen.

Dit vraagt om een verklaring. Waarom komt nu net de meest techneuterige afdeling met sfeerverlichting en overvloedige kerstversiering? Ter compensatie natuurlijk, denk ik dan in eerste instantie. Als je de hele dag met je hoofd in gecodeerde technische geheimtaal verkeert, dan snak je naar wat sentimentele romantiek en de koele materie van kabels, snoeren en andere infrastructuur vraagt om hete chocolademelk.

Maar als die verklaring waar is, dan gaat de traditie van de ICT-kersthoek misschien wel langzamerhand verloren. Want zo techneuterig zijn onze I&A-ers allang niet meer. Integendeel zelfs. Waar menig manager nog diep in de jaren negentig verkeert en alle heil van de automatisering verwacht hebben behoorlijk wat ICT-ers een metamorfose van bewustwording ondergaan.

Zij snappen in veel gevallen, wijs geworden door de vele ICT-mislukkingen, beter dan veel andere medewerkers hoezeer in een organisatie alles met alles verbonden is. Dus dat er altijd een veelheid van afhankelijkheden bestaat waar je niet straffeloos een onderdeel uit kunt isoleren en automatiseren. En dat het opentrekken van een blik techniek in veel gevallen geen verbetering is, maar dat er primair helderheid moet zijn over wat we doen en wat we willen.

Waar managers zich nogal eens onder de indruk betonen van de gecodeerde geheimtaal van automatiseerders, zijn juist die automatiseerders meer doordrongen geraakt van de noodzaak van gewone-mensen-taal om een precies beeld te kunnen krijgen van waar ze het over hebben. Want alleen in gewone-mensen-taal kunnen de gewone mensen die straks de gebruikers worden van een geautomatiseerd systeem daar echt over meepraten. En alleen via gewone-mensen-taal krijgen de managers de kans om zich werkelijk een beeld te vormen bij de opdrachten die ze verstrekken.

Ook díe eerste prijs, namelijk voor het verschaffen van helderheid, zou dus weleens naar onze ICT-ers kunnen gaan. Dan mag de kerstversiering best wat minder worden.

Zie ook Plaatjes maken

donderdag 15 december 2011

Levinas en egoïsme


Egoïsme is slecht. Zo hebben we het geleerd en die gedachte zit diep verankerd in de ons omringende Christelijke cultuur. Maar dat idee is zeker niet beperkt tot Christenen. De bekende Brits-Joodse socioloog Zygmunt Bauman bijvoorbeeld draagt dezelfde gedachte uit in zijn talrijke boeken. Hij stelt tegenover de strevingen van het Ik de onbaatzuchtige toewijding aan de Ander en bevestigt daarmee een denkpatroon dat diep geworteld is in het Westen.

Velen die zo denken menen hun opvattingen over de slechtheid van ego en egoïsme bevestigd te zien in de geschriften van Emmanuel Levinas. Door diens nadruk op het ‘Gelaat van de Ander’ en de inbreuk die bij hem de Ander maakt op het Ik lijkt Levinas geknipt voor inlijving bij het van oorsprong Christelijke gedachtegoed over de erfzonde, de slechtheid van de mens en diens egoïsme. Dat zou ook kunnen verklaren waarom Levinas juist in het Calvinistische Nederland al vroeg populair werd. Levinas wordt dan geplaatst in het verlengde van de Christelijke aanklagers van het menselijke egoïsme en boodschappers van de naastenliefde. Levinas is, kortom, volgens die visie een moralist bij uitstek.

Ik heb tegen deze voorstelling van zaken altijd bezwaar gehad en gelukkig is er nu een master thesis verschenen die op deze kwestie nader in gaat. Het betreft de afstudeerscriptie van Henk den Uijl, afgestudeerd in Filosofie van Management en Organisatie aan de VU, met als titel Beyond egoism and altruism. A Levinasian approach. Hij pleit daarin, aan de hand van het werk van Levinas, voor het in moreel opzicht als neutraal beschouwen van egoïsme.

Dat is nogal wat, juist omdat dat in strijd is met het gangbare denken dat door Den Uijl wordt gekarakteriseerd als een vorm van dualistisch denken. Met dualisme bedoelt hij een gepolariseerd stelsel van twee aan elkaar tegengestelde waardenpolen waarbij de ene pool goed is en de andere slecht. In dit geval: altruïsme is goed, egoïsme is slecht.

De gangbaarheid van dit dualisme komt wat Den Uijl betreft tot uitdrukking in zijn constatering dat “when theorized about it, people will say that altruism is better than egoism”. Daar zet Den Uijl tegenover dat “to say this (the ego) is wrong or good is a categorical mistake, the egoism is (not yet) about ethics or morals”. Egoïsme heeft zijn eigen terrein waar het op zijn plaats is en moet niet in een hiërarchische verhouding tot altruïsme gezien worden. “Egoism is ethically neutral, and is good in the sense of enjoying life, yet not in an ethical sense. There is no definite hierarchy between egoism and altruism. Egoism is not something condemnable; it is no normative notion at all”.

Hoe hij voor deze stellingname teruggrijpt op Levinas wordt duidelijk in zijn weergave van Levinas’ beoordeling van het egoïsme. Uit die weergave presenteer ik een aantal zinnen die Den Uijls betoog dragen en die ik voor deze gelegenheid achter elkaar weergeef. “He (Levinas) does not see egoism as a vice, rather, it is the very way a subject in solitude behaves through intentionality; the ego wants to understand, or better, grasp the world so to suspense anonymous being”. “Egoism is the very way an ego stands in the world. It is strange to say that the ego perceives the world wrong, for who else should perceive the world than the ego?”

Den Uijl vertelt dat, als hij in gesprek met managers en economen op deze manier spreekt over egoïsme, zij het daar soms knap moeilijk mee hebben. Hun reacties zijn vaak defensief. Den Uijl verklaart dat door de negatieve lading die het woord egoïsme onder de invloed van het Christendom heeft gekregen.

Overigens komt hij, juist in die kringen van managers en economen, ook het precieze tegendeel tegen. Dan wordt altruïsme gezien als naïef en daarom slecht, en wordt het egoïsme bejubeld omdat individuele ambities en begerigheid zouden kunnen zorgen voor welvaart van het collectief. Hier treedt, aldus Den Uijl, opnieuw dualisme op met bijbehorende omgekeerde hiërarchisering.

Kennelijk is het moeilijk om rustig te blijven als het om egoïsme gaat en wordt er snel in ideologische termen over gesproken: er is ofwel totale afwijzing (zoals in het Christendom) ofwel totale omarming (zoals in het doorgeschoten marktdenken). Daartegenover stelt Den Uijl met Levinas terecht: er is geen hiërarchie tussen egoïsme en altruïsme, en ze wisselen elkaar als het goed is voortdurend af.

Wanneer je dit eenmaal tot je hebt laten doordringen klinkt het zo onwaarschijnlijk gedateerd dualistisch om een filosoof als Andreas Kinneging in Trouw te horen zeggen dat in onze tijd de Christelijke nadruk op de naastenliefde van cruciaal belang is. “Het Christendom, dat uitgaat van naastenliefde, maakt de mens minder egoïstisch en doet hem meer gericht zijn op de gemeenschap en op de ander”. Om die reden zou het Christendom volgens Kinneging beter samengaan met democratie dan Jodendom en Islam.

Kinneging zegt dit ondanks het feit dat het Christelijk dualisme en de bevoorrechting van het altruïsme inmiddels door veel mensen als overspannen ideologie worden beleefd en ongeloofwaardig zijn geworden. Het is niet voor niets dat de door Kinneging geroemde Alexis De Tocqueville zich nog slechts ‘cultuurchristen’ kon noemen. Hij kon het niet meer echt geloven.

Zie ook: Levinas en empathie en Noodopvang

vrijdag 2 december 2011

Griek en Jood


Hannah Arendts observaties over Eichmann blijven raak. Zoals ook op te maken is uit het vorige blogbericht is het niet per se vergezocht om een verbinding te zien tussen totalitair denken, bureaucratie en ons aller hang naar het scheppen van orde. Als dergelijke verbindingen bestaan kunnen brave huisvaders zomaar schreibtischmörder à la Eichmann worden en krijgt het kwaad iets banaals.

Maar ze draafde af en toe door. Dan had ze ideeën in haar hoofd en was ze alleen geïnteresseerd in gebeurtenissen die met die ideeën overeenkwamen. Eén van de aanklagers in het Eichmann proces, Gabriël Bach, vertelt daarover: “Een paar dagen voor het proces arriveerde er ineens een filosofe, die alleen de getuigenissen en documenten gebruikte die in haar straatje pasten. Met ons, de aanklagers, heeft ze zelfs nooit willen spreken”.

Daarbij kon Arendt zeer hard zijn in haar oordeel, met name als ze spreekt over de opstelling van de Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Volgens Bernard Wasserstein verdeelt zij de Joden grofweg in twee categorieën: aan de ene kant de passieve meerderheid die zich naar de slachtbank liet leiden en aan de andere kant de leden van de collaborerende Joodse raden.

Ik ben geneigd Arendts harde oordeel over de Joodse houding tijdens de Tweede Wereldoorlog te koppelen aan haar voorliefde voor het soeverein handelende, autonome subject. Die voorliefde gaat gepaard met een zekere laatdunkendheid ten opzichte van mensen in situaties waarin van vrij handelen maar beperkt of niet sprake kan zijn. Mensen in klemsituaties dus, bijvoorbeeld van vervolging, armoede, of andere afhankelijkheid. Die minachting is er ondanks het feit dat Arendt, als Duitse Jodin, aan den lijve heeft ondervonden wat het betekent om ongewenst te zijn. Zij moest voor haar veiligheid via Frankrijk uiteindelijk naar Amerika vluchten.

Misschien vond zij dat de enige waardige uitweg voor zelfstandig denkende mensen. In ieder geval voelde zij zich filosofisch zeer thuis bij de oude Grieken voor zover ook dezen van mening zijn dat er maar weinig eer te behalen is aan de activiteiten die een mens verricht om in zijn levensonderhoud te voorzien of een minimum aan veiligheid te scheppen. Geheel in klassiek Griekse zin beschouwt ze het ongebonden nadenken en handelen als het meest hoogstaande en het meest aangename wat een mens kan doen.

Nu gingen de Grieken wel een stapje verder en organiseerden ze de zaken zodanig dat ondergeschikten en slaven de lagere werksoorten verrichtten. De vrije burgers konden zich daardoor volledig aan het waardige werk wijden, zoals politiek bedrijven en filosoferen. Zo ver gaat Arendt bepaald niet, want in haar boek The Human Condition besteedt zij veel aandacht aan die lagere werksoorten die zij ‘arbeiden’ en ‘werken’ noemt. Samen met het door haar zo hoog geschatte (politieke) ‘handelen’ vormen zij de menselijke conditie.

Toch is Arendt daar niet eenduidig in, ze spreekt zichzelf soms tegen. Enerzijds zegt ze: de werkelijkheid is niet op te knippen, alle werksoorten horen bij het mens-zijn. Maar op andere plaatsen pleit ze voor het scherp onderscheiden ervan, en wijst ze de lagere soorten hun plaats: de arbeidende mens is eigenlijk een animal laborans, een werkend dier. En de ambachtsman ontstijgt niet de resultaatgerichtheid op dezelfde manier als de ongebonden polisburger. Tussen de regels door verschijnt Arendts hang naar het soevereine bestaan van de Griekse vrije man.

Vanuit die voorliefde verklaar ik de reserve die ze meer dan eens toont tegenover de Joodse bestaansopvatting. Want deze laatste wijkt op dit punt in belangrijke zin af van de Griekse. Waar de Griekse bestaansopvatting een leven ophemelt dat gezuiverd is van arbeiden en werken is er in de Joodse traditie van zo’n reinheidsstreven geen sprake. Zeker, een mens is te prijzen voor de tijd die hij besteedt aan Tora en studie maar het chantabele economische bestaan dat wij leiden hoort er ook volledig bij. Het wegzuiveren daarvan zou, voor het Joodse gemoed, niets minder zijn dan een reductie van de werkelijkheid.

Zie ook Polderhelden en Parrèsia

donderdag 24 november 2011

Listig


Onlangs luchtte Nelleke Noordervliet in Trouw haar hart over de uitdijende bureaucratie in ons land en over de funeste bedrijfscultuur die daar bij hoort. Daar moet wat aan veranderen, vindt zij, en met name de PvdA zou daarin een rol moeten spelen omdat die partij van oudsher meer heeft met de overheid dan andere partijen.

“Het kan anders. Het moet anders. Ik zie een schone, snelle, slanke, betrokken overheid voor me. Daar ligt een taak voor de Partij van de Arbeid. Vooruit, het is tijd voor een grassroots beweging in de bureaucratie. Alle ambtenaren van PvdA-huize beginnen een beweging op het gemeentehuis of departement om de stroperige hiërarchie op te heffen. Elke ambtenaar maakt een lijstje van nutteloze handelingen en regels en schaft ze een voor een af. Occupy de bureaucratie!”

Eerlijk gezegd valt mij deze simplistische taal van Noordervliet wat tegen. Het gaat naar mijn idee bij het fenomeen van de bureaucratie om een Westers cultuurprobleem van de eerste orde. Daarin komen samen: de complexiteit van de moderne gedigitaliseerde samenleving, de manipulatie van loyaliteit en moraliteit die daarbij hoort en het denkgeweld waarmee we voortdurend gebombardeerd worden.

Het neerzetten van deze monsterachtige octopus als een papieren tijger die door montere individuen met een beetje goede wil kan worden neergeknald getuigt van grove onderschatting van de venijnige complexiteit en inkapselende listigheid van moderne organisaties. Noordervliet lijkt daar geen idee van te hebben.

Een concreet voorbeeld. Al bijna een jaar ben ik betrokken bij een experiment in onze gemeente dat tot doel heeft om de verlening van omgevingsvergunningen (voor bouwen, slopen, bomen kappen enzovoorts) sneller en klantvriendelijker te maken. Het probleem hierbij zat hem niet in de analyse. Die was net als in Noordervliets column relatief snel te maken, en die laat zich ook goed in haar termen verwoorden. Het echte probleem komt pas om de hoek kijken als de knellende werkelijkheid zich niet blijkt te voegen naar het wereldvreemde advies van Noordervliet: elke ambtenaar maakt een lijstje van nutteloze handelingen, vage teksten en regels en schaft ze een voor een af.

Niet dat dat niet geprobeerd is. De eerste voor de hand liggende gedachte was: we verbeteren de informatie over onze vergunningen op de website. Maar tussen ons en de website bleken drie of vier schijven te zitten dus dat schoot niet op.

Daarna bedachten we dat we minder adviezen zouden vragen aan adviesgevende instanties zoals Brandweer, Welstand en Monumentenzorg. Maar daarbij rekenden we buiten de hiërarchische lijnen die moeten worden gevolgd om dat voor elkaar te krijgen en de hiërarchie bleek zich – o wonder – niet van onderaf te laten afbreken of gezeggen.

We bedachten dat de haperende software een belangrijke vertragende factor is. Maar die is vanuit Den Haag voor alle gemeenten voorgeschreven. Zouden we misschien moeten gaan lobbyen in Den Haag? Maar dat kost veel tijd, en wat doen we ondertussen met alle nieuwe vergunningsaanvragen?

Om in een dergelijke situatie van duizenden draadjes waardoor iedere medewerker verbonden is met andere medewerkers en systemen de zaak voor te stellen alsof de oplossing een kwestie is van individuele moed of karakter is simplistisch en misleidend. Net als de bijna misdadige spreuk die een tijdlang op de startpagina van ons intranet stond: “Dienstverlening dat ben jij”.

De beschreven verwevenheid van alles met alles maakt het innemen van een individueel standpunt tot een hachelijke zaak. Niet alleen operationeel: de boel kan in het honderd lopen. Nog veel venijniger is de morele chantage die hier kan optreden. Loyaliteit aan het gezamenlijke systeem kan door bazen en collega’s opgevat worden als een morele kwestie. Het ter discussie stellen ervan geldt dan als disloyaal gedrag.

De vergelijking die soms gemaakt wordt tussen politieke totalitaire systemen en organisaties is niet vergezocht. Dezelfde soort van knellende verbanden houdt meer dan eens loyale medewerkers gevangen in de brave uitvoering van zaken die eigenlijk niemand zo wil hebben.

Zie ook Hoeradwang, Blij met de PvdA,  Constructief nee zeggen en Verspilling

vrijdag 18 november 2011

Godsdienst en geschiedenis


De psalmenvertaling 150 psalmen vrij van Huub Oosterhuis die vorige week verscheen is gedrenkt in geschiedenis. Neem bijvoorbeeld het middendeel van psalm 95 in zijn vertaling:

De rots van ons behoud zijt Gij?
Wij zijn nieuwe eeuwen ingegaan,
ruimen puin, tellen de lijken.

Was het maar waar
dat wij nog konden geloven.
Zoals een kudde kent
de voetstap en stem van haar herder.

De rots van ons behoud
zijt Gij.


Dat door en door historische karakter van Oosterhuis’ lezing van de psalmen kan twee kanten op gaan. Enerzijds komt het naar voren in de verwijzingen naar de verschrikkingen van de twintigste eeuw en met name de Sjoa. Het zou raar zijn als de schok van die gebeurtenissen geen invloed zou hebben op ons religieuze bewustzijn en Oosterhuis móet, voor zijn gevoel, dat verwerken in de psalmen. Het bijzondere is dat de psalmen zich daar ook bijzonder toe lenen, want aan God werd in de psalmen al eerder getwijfeld. Alleen, dat twijfelen wordt nu pregnanter. Zo opent Psalm 23 (“Gij zijt mijn herder, het ontbreekt mij aan niets”) nu als volgt:

Jij mijn herder? Niets zou mij ontbreken.
En psalm 74 vertelt:

Terwijl we waren op weg naar uw huis
werd het door de vijand veroverd.

Hij kapte op de balken in
als op lovertakken in het woud.

Kraste swastika’s in de muren,
bijlen beukten de oeroude poorten

kliefden hun hoofden – vuur deed de rest,
weg Woning van de Naam.


Anderzijds volgt Oosterhuis het spoor van het expliciet benoemen van de vele misstanden en wandaden waarvoor we zelf mogelijk verantwoordelijk zijn. Zaken waar we zelf bij geweest zijn, ontleend aan onze eigen geschiedenis, dus ook door en door historisch gedacht. Een mooi voorbeeld daarvan vormt de vertaling van psalm 72 waaruit de volgende fragmenten genomen zijn:

Vrede de kopermijnen
vrede de olievelden
vrede de zwanenmeren
vrede de regenwouden
zou het worden godweet –
vrede de naam van die koning,
moge zijn koninkrijk bloeien,
vrede voor jou en voor jou

Kom toch haastig, vandaag nog


In datzelfde stramien past de vertaling van psalm 62:

Jachtig en ijl
is onze generatie –
pluizen die niets wegen,
waaien hoog op, zijn weg.


Je kunt jezelf de vraag stellen: mag dat eigenlijk wel, deze actualisering van eerbiedwaardige heilige teksten, door invoeging van verwijzingen naar de recente geschiedenis?

De vorig jaar overleden Rabbijn Just zou het helemaal niets gevonden hebben. Ik herinner me een bijeenkomst in de jaren tachtig waarop de historische context van een middeleeuws Joods gebed besproken werd. Hij vroeg zich daar in lichte maar oprechte verwondering af wat de geschiedenis in vredesnaam met een heilige tekst te maken kan hebben.

De Islam houdt er ook niet van, vermenging van de categorieën van het heilige en het historische is daar niet de bedoeling. En het orthodoxe Christendom kan historiciteit alleen maar waarderen voorzover historische feiten het heilige bevestigen.

Binnen de Liberaal Joodse traditie ligt dat anders. Die gaat nadrukkelijk uit van het bestaan van een interactie tussen het historische en het heilige, waar het heilige niet onveranderd uit hoeft te komen. De Liberaal-Joodse voorman Robert Levisson sprak daarom wel van de belangstelling voor historiciteit als het onderscheidende kenmerk van het Liberale Jodendom tegenover de a-historisch ingestelde Orthodoxie.

Ik vind dat een sympathieke positie en teken daarbij aan dat een dergelijk standpunt op geen enkele manier de heilige kern van de Joodse traditie in gevaar hoeft te brengen. Integendeel. Dat kan blijken door bijvoorbeeld het concept ‘tesjoeva’ (inkeer, omkeer) nader te beschouwen. Als tesjoeva inderdaad – en volgens mij zijn alle Joodse denominaties het daarover eens – een van de kernwoorden is van de Joodse traditie dan zie ik niet goed voor me hoe je de geschiedenis erbuiten kunt houden. Waar moet tesjoeva anders over gaan dan over wat er gebeurd is? Tesjoeva kán alleen maar gaan over wat er gebeurd is. Dat moet je dus heel precies uitzoeken en in je reflecties meenemen. Dat noem je geschiedenis. Zijn goede historici niet per definitie Nieuwe Historici?

Zie ook Er is tòch vooruitgang en Geschiedenis die zich laat kennen

vrijdag 11 november 2011

Sympathiek?


Berlusconi? Bepaald niet, althans niet in mijn ogen. Als iemand de nietsigheid belichaamt van het moderne mediale amusement-politieke complex is hij het wel. Wat mij betreft staat hij model voor exhibistionistische zelfverrijking, misbruik van politiek voor louter eigen belangen en bijna-vernietiging van de Italiaanse rechtsstaat. Zijn schijndaadkrachtigheid heeft Italië aan de rand van de afgrond gebracht en in zijn val sleept hij wellicht de rest van Europa nog mee.

Waarom moet ik dan toch weerstand bieden aan mijn neiging tot sympathie als ik zo’n plaatje zie van een man die steun zoek bij zijn maat en daarbij zijn hand legt op die van de ander?

Dat zal wel te maken hebben met een tekort aan aanraking, aan basale emotionele expressie, dus met een zekere kilheid die wij elkaar in Noord-Europa aandoen. En met de sentimentaliteit die we ter compensatie van dat tekort creëren. We zijn dat vanzelfsprekende directe contact niet zo gewend en snakken er misschien wel naar. Zo’n foto activeert dat verlangen, ook al is het Berlusconi en weten we dat hij een beetje te veel heeft aangeraakt.

Vanuit die blik krijgt een dergelijk gebaar kennelijk iets sympathieks en moet ik mezelf goed voorhouden om welk heerschap het hier gaat. Het helpt dan om te bedenken dat ook maffiabazen elkaar wel ondersteunen op deze manier en dat hechte tribale of familie-verbanden bepaald geen deugdzaamheid garanderen.

donderdag 3 november 2011

Zijn Joden slimmer?


Er wordt weleens beweerd dat Joden slimmer zijn dan andere mensen. Trouwens ook dat ze rijker zijn. Ik weet niet of dat klopt. In sjoel hoor ik genoeg domme dingen. En ik kom er genoeg mensen tegen die net als ik modaal of minder verdienen.

Toch zijn er wel verschillen aan te wijzen tussen de Joodse traditie en andere tradities als het gaat om de plaats van het intellect. Zelf heb ik ook ervaring met de Katholieke traditie en ik durf te stellen dat vroomheid daar niet primair een verbinding aangaat met het intellect. Eerder met eenvoud, dienstbaarheid, bescheidenheid. De onnozelheid van kleine kinderen en de uitspraak “Zalig zijn de armen van geest” doen het goed in Katholieke kringen. En de Katholieke Volkskrant beschouwde tot lang na de oorlog haar lezers als onderdanen die beleerd en vermaakt moesten worden (door respectievelijk de bisschoppen en Godfried Bomans).

Dat wil niet zeggen dat in die kringen niet nagedacht wordt. Maar men besteedt het echte denkwerk liever niet uit aan de gemiddelde gelovige. Beter kan dat gedaan worden door intellectuele keurtroepen, zoals bijvoorbeeld de Dominicaner of Jezuïten-ordes. Die mogen zich uitleven in theologie, filosofie en wetenschap. Op hen rust voor een groot deel de verantwoordelijkheid om de Katholieke gelovigen intellectueel te leiden.

Binnen de Joodse traditie geldt dat geleerdheid ook een gewone gelovige niet misstaat. Integendeel, het geldt als een verdienste voor iedere Jood (vrouwen moesten er wel een tijd op wachten) om te lernen, dat wil zeggen intensief te studeren op de heilige teksten en daarover te discussiëren.

Of je daar slimmer van wordt weet ik niet. Dat is wel wat René Kahn beweert in zijn Tien geboden voor het brein: tien tips om het brein beter te laten presteren. Die geboden zijn, in Kahns volgorde: Studeer, Slaap, Maak muziek, Stress niet, Maak vrienden, Geniet aanzien, Drink niet, Zweet, Speel. Daarna komt nog: Kies uw ouders met zorg, maar die doet niet serieus mee, omdat het overduidelijk is dat je daar niet zelf voor kunt zorgen. Dit gebod dient er slechts toe om de rest te relativeren.

Of Kahn werkelijk aan het studeren een vooraanstaande plaats toekent kun je trouwens pas zeker weten als voor hem de volgorde van zijn tips van belang is. En als je weet of die loopt van belangrijk naar minder belangrijk of omgekeerd. Zet hij bewust “Studeer” aan het begin en “Speel” aan het einde? Dat maakt veel uit, want als spelen belangrijker is dan studeren dan heeft de Katholieke kerk misschien weer een streepje voor in het onderhoud van de hersenen.

Zie ook Waar of raar

vrijdag 28 oktober 2011

AAA


Ze hebben natuurlijk allemaal zitten slapen, de Moody’s, de Standard&Poors en de Fitches, toen de banken grossierden in waardeloze hypotheken en kansloze schulden. De kredietbeoordelaars bleven hen even gemakkelijk top status toekennen. Met als gevolg dat de bellen steeds groter werden en de klappen daarna ook.

Maar nu we vier jaar verder zijn en nu het vooral gaat om staatsschulden ben ik wel iets meer geneigd om naar hen en naar de markten te luisteren. Ik sluit niet uit dat de kredietbeoordelaars op dit moment net zo veel bellen doorprikken als ze creëren.

Allereerst omdat de kredietbeoordelaars zelf ook geschrokken zijn van de mate waarin ze zich in de financiële poppenkast hebben laten meeslepen. Ze lijken zich te hebben voorgenomen om kritischer te zijn in hun beoordelingen en om duistere en misleidende financiële constructies als zodanig te benoemen.

Daarnaast omdat de kredietbeoordelaars met in hun kielzog de markten minder speculatief en losgezongen van de werkelijkheid lijken te opereren dan voorheen. Dat maak ik op uit het feit dat op de schaarse momenten dat de EU of individuele regeringen bereidheid tonen tot werkelijk ingrijpen in hun financiën, de markten onmiddellijk reageren. De rente op staatsleningen gaat dan omlaag en de beurskoersen gaan omhoog. Kennelijk worden er op zo’n moment serieuze calculaties gemaakt door kredietbeoordelaars en financiële instellingen die aantonen dat vertrouwen weer gerechtvaardigd is en dat investeren weer kan lonen.

Dat het over het algemeen niet genoeg wordt bevonden voor een duurzaam effect, doet wat mij betreft aan die constatering niet af: er zijn kennelijk bodems en plafonds. Daaraan verbind ik de conclusie dat er, ondanks de buitenproportionele financiële schimmigheden, nog steeds een verbinding is met de reële economie. Dat er dus sprake is van een reality check die serieuze rendementen op het oog heeft.

Het belang hiervan kan duidelijk worden als je bedenkt dat het ook nog heel anders zou kunnen. Het is niet ondenkbaar dat markten op een gegeven moment in het geheel niet meer reageren op de politiek, dat er geen enkele rem meer is op de rente en op het kapotspeculeren van de euro en dat je helemaal geen kredietbeoordelaars meer nodig hebt. Daar zijn we, op een aantal speculanten na, terecht het meeste bang voor.

Zie ook Adrenaline

donderdag 20 oktober 2011

Lekker irrationeel (2)


Irrationaliteit is in, zo kun je opmaken uit recente artikelen van toonaangevende filosofen. Ger Groot en Thierry Baudet wierpen onlangs, naar aanleiding van het Catalaanse verbod op stierenvechten, de vraag op of een alles gelijkschakelende, rationalistische moderniteit niet bezig is ons te beroven van oeroude maar betekenisvolle rituelen. Die worden als overleefd en barbaars beschouwd en dienen te verdwijnen. Maar hoeveel betekenis raken we dan kwijt, die precies gelegen is in het tragische en ongepolijste karakter van die rituelen? En hoe totalitair is een samenleving “waarin het individu zich volledig conformeert aan de rationaliteit?”, zo vraagt Baudet zich af in navolging van de filosofen Horkheimer en Adorno.

Betekent deze stellingname van Groot en Baudet nu dat behalve stierenvechters ook Joden en Moslims hulp kunnen verwachten uit die hoek? Namelijk in de actuele strijd van die gelovigen voor het redden van traditionele gebruiken tegenover de voortrazende gelijkschakelende moderniteit. Immers, de parallellen in de thematiek zijn te treffend om over het hoofd te kunnen worden gezien. De twee semitische culturen strijden beide en soms zij aan zij voor zaken als rituele slacht en besnijdenis. Zij roepen daarmee in verlichte kringen dezelfde afkeuring op als die geleid heeft tot het verbod op stierenvechten en waar Groot en Baudet hun vraagtekens bij plaatsen.

De parallellen zijn vooral daarin gelegen dat de filosofen en de godsdiensten zich geplaatst voelen tegenover hetzelfde, vaak impliciete verwijt. Namelijk dat wie hecht aan traditionele rituelen wel achterlijk of barbaars moet zijn.

Zo voelt Baudet dat in ieder geval als hij beschrijft dat hij betoverd werd door het stierenvechten, “hoezeer ik ook doodgegooid was met de gebruikelijke verontwaardiging over dit ‘barbaarse gebruik’”. En als Groot zijn twijfels uit over de totaliserende doorwerking van de moderniteit voelt hij zich blijkens de titel De grenzen van het barbaarse in de hoek gedrukt waar de moderne mens slechts minachting voor kan hebben.

Religieuze groeperingen ervaren dezelfde afkeuring wanneer de KNMG stelt dat de tijd gekomen is voor het afschaffen van de besnijdenis, die gekwalificeerd wordt als ‘een pijnlijk en schadelijk ritueel’. De achterlijkheid die hierdoor gesuggereerd wordt als je om redenen van identiteit of geloof wilt vasthouden aan het ritueel kan aanleiding zijn voor “een nieuwe golf van stemmingmakerij tegen moslims en joden”, aldus Mohammed Ghaly.

Je kunt op basis van deze parallellen concluderen dat de twee filosofen en de twee godsdiensten een thema gemeen hebben: de verschralende effecten van de uniformerende moderniteit. Dat sluit niet uit dat zij op onderdelen bij verschillende posities kunnen uitkomen. Zo neigt Baudet naar omarming van de natuur en Groot van oerkrachten, terwijl Jodendom en Islam de besnijdenis beschouwen als een wijze van afstand nemen tot de natuur. Maar de gemeenschappelijke weerzin tegen de verstikkende moderniteit lijkt me belangrijker dan die verschillen.

Op grond daarvan lijkt het mij niet onmogelijk dat Jodendom en Islam de steun die zij zoeken in hun strijd tegen de moderniteit ook voor een deel bij de filosofen kunnen vinden. Dat zou in de discussies die ongetwijfeld gaan komen van grote waarde kunnen zijn, want blijkens hun publicaties zijn Groot en Baudet op dit terrein wel geneigd tot actie en bereid hun stem te verheffen.

In ieder geval in grotere mate dan waartoe ik zelf geneigd en bereid ben. Ik zie mijzelf nog niet zo gauw actievoeren voor de besnijdenis, net zo min als voor het stierenvechten trouwens. Ik kan niet goed tegen bloed.

Zie ook Ramadan en Lekker irrationeel (1)

vrijdag 14 oktober 2011

Lekker irrationeel


Modes komen en gaan, ook in de filosofie. Primair zijn dat lange termijn golfbewegingen op grote diepte in een cultuur. Voor het Westen denk ik bijvoorbeeld aan een filosofische pendelbeweging tussen ratio en gevoel zoals die tot uitdrukking kwam in de Verlichting met de Romantiek als reactie daarop, gevolgd door het nuchtere positivisme dat op zijn beurt de meer op ervaring gerichte bewegingen opriep van de fenomenologie, het existentialisme en diverse postmodernistische stromingen.

Er lijkt zich de laatste jaren, bovenop die grotere onderstromen, een extra golfje irrationaliteit voor te doen. Ik ontwaar dat golfje onder andere in recente publicaties van Ger Groot en Thierry Baudet. Ger Groot bespreekt onder de kop De grenzen van het barbaarse de afschaffing in Catalonië van het stierenvechten. Hij ziet in die afschaffing de triomf van het rationele verlichtingsdenken dat probeert al het tragische uit te bannen. Het maakt de rede almachtig en steriliseert de wereld door al het aanstootgevende eruit de bulldozeren. Maar “onderhuids weet het universele humanisme zich niettemin aangevreten door iets dat niet redelijk, niet universeel en misschien zelfs niet moreel is, maar dat wel onlosmakelijk verbonden is met ons menselijk wezen”, aldus Groot.

Groot voelde de behoefte om zelf het terrein van het irrationele te betreden en ging stierenvechten. En inderdaad, opwinding, spanning en ook een beetje trots heeft hij kunnen ervaren. Het zorgde ervoor dat zijn vraag des te klemmender werd: “hoe lang zal het duren, voordat de moderniteit zelfs de laatste resten tragisch levensgevoel heeft uitgeroeid?”

Thierry Baudet haakt in zijn NRC-column in op die vraag. Baudet stelt vast dat de corrida op algemene afkeuring kan rekenen onder zich als ‘modern’ en ‘weldenkend’ beschouwende mensen. Daardoor ziet hij veel waardevols verloren gaan, want als je stierenvechten, plezierjacht en visserij verbiedt, raak je vervreemd van de natuur. De moderniteit schiet dan door, wil alles steriel en uniform maken en heeft zo uiteindelijk ook de gaskamers mogelijk gemaakt. “Het was kortom geen toeval dat Hitler veganist was”.

Voor Baudet is het duidelijk: de waarde van het leven hangt op mysterieuze wijze samen met de aanwezigheid van dierlijkheid, gevaar en dood in ons bestaan. Hij kan helemaal warm worden van de volheid van het stierenvechten. Hij viert de gedachte dat grandeur en dood, noblesse en tragiek nauw samenhangen en dat het leven strijd is. Hetgeen mij trouwens ook even aan Hitler deed denken.

Het modegolfje dat ik hierin ontwaar wordt dus gevormd door pleidooien voor minder uniformerende en verstikkende rationaliteit. Opmerkelijk is dat die pleidooien afkomstig zijn van soepele, gevestigde filosofen die hun mars door de denk-instituties en de bijbehorende normaliteit zonder noemenswaardige problemen doorlopen, keurig binnen de bandbreedtes van de meer en minder rationalistische onderstromen. Kennelijk kom je daar op een gegeven moment niet meer mee uit en wens je wat extra irrationaliteit, beargumenteerd vanuit de gedachte dat twintigste-eeuwse rampen als fascisme en nazisme hun oorsprong vinden in de moderniteit.

Dat ik dat betitel als een modegolfje komt misschien wat denigrerend over. Maar ik vind het meeste wat ze zeggen niet raar, ik begrijp Groot en Baudet wel. Ik herken daarin veel van wat mij via Levinas bekend en sympathiek is. Ook Levinas meent dat de Westerse filosofische traditie in haar adoratie van de rede blind is geweest voor de verstikkende en totalitaire tendensen die de rede aankleven. En dat die blindheid mede totalitaire systemen als communisme en fascisme heeft mogelijk gemaakt.

Maar tegelijkertijd heb ik zo mijn reserves tegenover de invulling door Groot en Baudet van het irrationele en hun pleidooi voor het vieren van machismo en strijd. Ik ben geneigd om die reserves in verband te brengen met twee verschillen die ik vaststel tussen hen en Levinas.

Een eerste verschil is dat Levinas, al vanaf het prilste begin van zijn filosofische belangstelling, het verstikkende karakter van de rede en de moderniteit heeft onderkend en, waarschijnlijk precies om die reden, al direct voor zichzelf in de academische filosofie geen toekomst zag weggelegd.

Een tweede verschil is dat Levinas, waarschijnlijk door zijn weigering om in het academisch-modernistische keurslijf te stappen, nooit in de toch enigszins anti-intellectualistische tegenreactie is terechtgekomen die we nu bij Groot en Baudet waarnemen. Integendeel, hij heeft gezocht naar mogelijkheden om de interactie van het irrationele met het rationele te beschrijven op een manier die niet per se de strijd en het geweld als dé vieringen van het irrationele bij uitstek omarmt. Ons zintuig voor het irrationele, het tragische en het transcendente moet zeer zeker aan zijn trekken komen, aldus Levinas. Maar dat kan ook, en net zo of meer vruchtbaar, gewoon in het dagelijks leven – als we maar oog hebben voor het ongerijmde van de Ander. Want die is misschien wel de irrationaliteit zelve. En die tref ik niet aan in de arena, maar thuis of op het werk.

Dat vind ik belangrijke verschillen. Want met Groot en Baudet vind ik aandacht voor het irrationele terecht en nodig. Maar met Levinas ben ik van mening dat je ermee op moet passen. Per slot van rekening is, zoals gezegd, Hitler niet alleen in verband te brengen met het veganisme als uitdrukking van de klinische en steriele moderniteit, maar ook met de verheerlijking van strijd en geweld die een uitwas vormde van de Romantiek.

Zie ook Veranderingsporno, Lekker irrationeel (2) en Ongerijmd

donderdag 6 oktober 2011

Levinas en Machiavelli


Levinas en Machiavelli, kun je twee filosofen bedenken die - althans op het eerste gezicht - verder van elkaar af staan in hun denken? Machiavelli, bekend van zijn boek Il Principe, geldt als de filosoof van de machtspolitiek die vorsten en politici adviseert zich niet af te laten leiden door idealisme en mooie gedachten. In de plaats daarvan moeten zij louter en alleen op rationele en realistische wijze het staatsbelang dienen, als het moet op een meedogenloze, opportunistische manier.

Levinas daarentegen is bekend als de filosoof van de Ander. Hij wijst ons op het morele appèl dat medemensen op ons geweten doen en op de schaamte en schuld die het gevolg zijn van de manipulaties en beheersingsdrang waarmee we anderen aan ons onderwerpen of proberen dat te doen. Het absolute tegendeel van Machiavelli, zou je zeggen.

Toch moest ik laatst bij een artikel over Machiavelli erg aan Levinas denken. In dat artikel was Hans Achterhuis aan het woord over de Navo-interventie in Afghanistan. Onze Nederlandse bijdrage aan die missie werd door generaal Berlijn destijds gesteld in termen van een morele verplichting. Het zou een moreel failliet betekenen, zo geeft Achterhuis diens standpunt weer, als een welvarend land als Nederland zou zeggen: ach wat kan ons Afghanistan schelen, het is zo ver weg. Je zou zeggen: dat is een mooi Levinassiaans standpunt.

Maar ik geloof er niets van dat Levinas zo gedacht zou hebben. Hij was al dood toen dit speelde, dus we zullen nooit weten. Maar Levinas’ gehechtheid aan politieke zekerheid en stabiliteit kennende weet ik bijna zeker dat hij meer gevoeld had voor de redenering die Achterhuis, in het voetspoor van Machiavelli, volgt. Namelijk dat je realistisch moet zijn, dat je middelen en doelen op elkaar af moet stemmen, dat je moet beseffen dat je niet even in een paar jaar tijd van Afghanistan een Westers land kunt maken, dat je bereid moet zijn om daar tientallen jaren te blijven en dat je het anders niet moet doen. “Natuurlijk, het was moeilijk om je aan het morele appèl dat uitgaat van Berlijns woorden te onttrekken. Toch is dat in de politiek vaak nodig, en Machiavelli zou het gedaan hebben”,

En Levinas ook, ondanks zijn beschrijvingen van wat zich moreel gesproken tussen twee mensen kan afspelen. Want Levinas heeft ook nog een theorie over de derde. Waar er derden in het spel komen treedt een relativering op van het appèl dat de ander (de tweede) op mij doet. Immers, de derde kan ook een beroep op mij doen, en na de derde een vierde en een vijfde en nog veel meer. Dat maakt de morele aanspraken relatief, de absoluutheid gaat eraf. Daardoor komt er ruimte binnen het denken van Levinas voor groepsbelangen en maatschappelijke instituties en rationele afweging van belangen. Dat stelt hem in staat om behoorlijk ver mee te gaan in politieke machtstheorieën als die van Machiavelli.

Je kunt je afvragen hoeveel Levinas’ filosofie van de Ander in combinatie met zijn filosofie van de derde nog waard is, maar in elk geval kun je vaststellen dat Levinas wat minder ver af staat van de brute wereld dan vaak gedacht. Anderzijds was Machiavelli als persoon wellicht wat aandoenlijker en kwetsbaarder dan zijn stoere politieke filosofie doet vermoeden. In een recente biografie komt hij naar voren als een in zekere zin on-Machiavelliaanse persoon: emotioneel, open en eerlijk, maar ook onhandig en sociaal gebrekkig. “De meest ‘realistische’ van alle politieke denkers was in een aantal opzichten buitengewoon wereldvreemd”, aldus recensent André Gerrits. Zo ontmoeten uitersten elkaar.

Zie ook Levinas en Israël

vrijdag 30 september 2011

Soorten overleg


Intuïtief onderscheid ik, zo merk ik na jaren, op mijn werk drie soorten overleg. Er is overleg dat ergens over gaat, er is overleg dat ergens anders over gaat en er is overleg dat nergens over gaat.

Laat ik beginnen met die laatste soort. Dat is in de meeste gevallen het overleg dat ingegeven is door nieuwe managementmodes of nieuwe digitale mogelijkheden. Dat overleg wordt gedomineerd door kreten en termen die vaak voor de gebruikers ervan niet helemaal helder zijn en meestal niet voor iedereen dezelfde lading dekken. Denk hierbij aan ‘integraal werken’, ‘workflowmanagement’, ‘people management’, al dan niet in combinatie met ‘niet-directief’ of ‘wel-directief’ optreden. De uitkomsten van dergelijk overleg zijn meestal vage voornemens waarmee men elkaar bemoedigt maar waar niemand zich echt aan gebonden voelt. Ik houd er niet van.

Met overleg dat ergens anders over gaat bedoel ik dat er wel een concreet doel is waartoe het overleg moet leiden, maar dat het vooral gaat over de instrumenten om dat te bereiken. Vaak zijn die instrumenten de budgetten die aan een bepaald doel gekoppeld zijn. Er is bijvoorbeeld geld voor straatonderhoud gereserveerd, met de bepaling erbij dat dat geld wel vóór een bepaalde datum besteed moet zijn, anders is het weg. Maar de straat is er nog niet klaar voor en dan volgt soms (veel) overleg om het budget te behouden. Of we bespreken de klantvriendelijkheid van onze organisatie, maar het overleg gaat op aan de geautomatiseerde systemen die dat doel in de weg staan en veel ergernis geven. Of het doel van een overleg is om het management met iets tevreden te stellen, terwijl de relevantie daarvan voor de overlegdeelnemers niet duidelijk is. Daar houd ik ook niet van.

Overleg dat ergens over gaat situeer ik grofweg op twee plaatsen in de organisatie: aan de top en aan de basis. Aan de top worden besluiten genomen met zeer onmiddellijke effecten: de opheffing of creatie van een afdeling, samenwerking met andere organisaties, de samenstelling van het managementteam. Maar ik zit ik niet bij dat overleg, dus ik weet niet wat ik daarvan vind.

Het andere relevante overleg tref ik aan aan de basis. Bijvoorbeeld bij de groepjes uitvoerders en projectmedewerkers die zich buigen over het opknappen van een pleintje of het herstel van een kademuur of de herprofilering van een straat. Die medewerkers zitten met zijn vijven of zessen gebogen over grote tekeningen en plattegronden en stemmen heel precies met elkaar af wat er technisch en logistiek moet gebeuren. Soms als ik over de gang loop zitten er verpreid over de kamers links en rechts van die groepjes en kun je door de open deuren de afstemming volgen. Daar zit ik, ook qua werk, gelukkig nog het dichtste bij. Want daar houd ik van.

Zie ook Kunnen Amsterdammers wel samenwerken?, Zelfrealisatie en Baan kwijt

vrijdag 23 september 2011

Palestijnse staat


Wat kun je voor argumenten hebben om een Palestijnse staat nu niet te willen?

De gedachte kan zijn: we moeten de Westbank bij Israël voegen want dat is historisch Joods gebied. Dit is een ideologische positie die uit is op het inlijven van gebied. Dat is gewoon illegaal.

Je kunt zeggen: Als Israël niet meer mag vliegen boven de Westbank, verliest het militaire controle over het luchtruim en worden de grenzen moeilijker beheersbaar. Ik denk dat dat wel waar is. Maar ik zou dat willen verbinden met een andere gedachte: als militaire slagkracht zo belangrijk is, zorg dan dat je, anders dan minister van Buitenlandse Zaken Lieberman doet, de contacten met je buren goed onderhoudt. Want het verlies daarvan weegt voor de beheersing van je militaire positie waarschijnlijk nog zwaarder.

Je kunt denken: de Palestijnen willen Israël de zee indrijven. Hamas zegt dat expliciet, en dat lijkt me moeilijk zaken doen. Abbas en zijn club erkent, in ieder geval verbaal, het bestaansrecht van Israël. Dat moet je wel koesteren, denk ik.

De gedachte kan ook zijn: nu krijgen we behalve vanuit Gaza ook raketten uit de Westbank. Dat zou inderdaad goed kunnen want Abbas’ gezag is niet groot genoeg om dat te kunnen tegenhouden. Ik zou niet weten wat je daartegen kunt doen, dus dat lijkt me een echt probleem.

Zo kom ik uit op drie argumenten voor en een argument tegen. Natuurlijk zijn er nog veel meer kwesties en argumenten in te brengen, maar ik denk dat mijn afwegingen al gauw het patroon zullen volgen dat er zojuist uitkwam: meer argumenten voor de Palestijnse staat dan ertegen.

Waar ik bang voor ben is dat voor de huidige Israëlische regering het eerste argument het allerzwaarste weegt: de ideologie van Groot Israël. En dat alle andere argumenten daarvoor moeten wijken. Ik koester de gedachte dat als we de ideologie loslaten, er wel zaken gedaan kunnen worden over de rest.

Zie ook Het kan wél en Schuiven

vrijdag 16 september 2011

Onhoudbare barmhartigheid


Het verbaasde me toch weer, dat dat nog bestaat. Een pastoor die spreekt over voorgaan in de waarheid, over objectieve regels voor het bereiken van het zieleheil en over het bewaken van het zieleheil van anderen omdat je precies weet wat goed is en wat niet. Dit alles naar aanleiding van de euthanasie van een parochiaan in Liempde en de weigering van pastoor Van der Sluis om de man een kerkelijke uitvaart te geven omdat euthanasie volgens de Katholieke leer niet is toegestaan.

Maar ik had het kunnen weten. Ik was even vergeten dat ik vertrouwd ben met een bepaalde historische verschijningsvorm van de kerk, namelijk die van pakweg de jaren zestig tot negentig, waarin ruimdenkendheid, experiment en ruimhartigheid de boventoon voerden.

Ik had kunnen bedenken dat, op het totaal van tweeduizend jaar Christendom, die eind-twintigste-eeuwse gestalte van de kerk waarschijnlijk beschouwd moet worden als een wezensvreemde en daarom zeer tijdelijke uitstap van het Christelijke denken. Dat is zich al weer een tijdje op zijn fratsen aan het bezinnen en keert terug naar de ingrediënten die vanaf het begin het hart van de Christelijke traditie hebben uitgemaakt: een claim op objectieve kennis van diepere waarheden en regels voor het verwerven van zieleheil. Platonisme voor het volk, zou je met Nietzsche kunnen zeggen. Dus als dat de kern van de Christelijke traditie is, is het logisch dat het weer terugkomt. Het is eerder raar dat het even weg was.

Het koesteren van een werkelijkheid die ergens anders ligt dan hier is trouwens niet specifiek Christelijk. Ook in de Islam is de gedachte terug te vinden dat het leven hier op aarde een voorbereiding is voor een bestaan in het hiernamaals dat alles pas echt de moeite waard maakt. En ook dat er behoorlijk precieze en vaststelbare objectieve criteria zijn die kunnen helpen om ons daarnaar toe te leiden. Wat mensen op aarde doen is van rechtstreekse invloed op hun positie in het hiernamaals, aldus de Islam.

Wat deze waarheidspretentie in het Christendom ingewikkelder maakt dan in de Islam is de boodschap van absolute barmhartigheid en naastenliefde die tegelijkertijd centraal staat in het Christendom. Want barmhartigheid en denkdwang gaan nu eenmaal niet samen, zo is mijn diepste overtuiging. Het kan niet anders dat, wanneer gepoogd wordt die twee wel te combineren, er iets moeizaams uitkomt: ofwel de barmhartigheid overheerst en men krijgt het gevoel de waarheid kwijt te zijn, ofwel de denkdwang overheerst en de pretentie van barmhartigheid krijgt iets hypocriets. Van die spagaat heeft de Islam wat minder last.

De spanning tussen de pretenties van barmhartigheid en van waarheid is in de Katholieke kerk altijd voelbaar geweest. En ook nu is men zich daarvan bewust, zoals blijkt uit de woorden van Van der Sluis: “Een dienaar van de kerk moet voorgaan in de waarheid. Dan kun je niet alles onder de mantel der barmhartigheid brengen”.

Maar het feit dat de Katholieke traditie, net zoals Van der Sluis nu, in veel gevallen in haar lange bestaan heeft gekozen voor de waarheid boven barmhartigheid zegt veel. Die keuze geeft aan dat de kerk niet zo zwaar tilt aan de terreur die van denkdwang uitgaat en aan de kwetsuren die daardoor veroorzaakt worden. Die traditie bagatelliseert systematisch het geweld van denkdwang, een beetje zoals kardinaal Danneels meende dat het wel meeviel met de kwetsuren van de man die in zijn jeugd was misbruikt door zijn bisschoppelijke heeroom. Het besef dat denkdwang niet onschuldig is maar iets diep kwaadaardigs – dat besef ligt in de Katholieke geest niet vooraan.

Zoals gezegd, Van der Sluis lijkt zich bewust te zijn van de spanning tussen zijn waarheidspretentie en barmhartigheid en kiest expliciet voor de eerste. Daarmee verdwijnt de tweede want tegenover zoveel bagatellisering van geestelijke terreur houdt de barmhartigheid geen stand. Het wordt tijd voor Levinas en zijn diagnose van wat er allemaal gebeurt als de ene mens denkt voor de andere.

Zie ook Bestemming bereikt en Geweld, denken en denkgeweld

vrijdag 9 september 2011

Levinas en Israël


In een weblog met interesse in Levinas, Jodendom en Israël mag deze vraag niet ontbreken: hoe stond Levinas eigenlijk tegenover Israël?

Het eerste wat opvalt bij beantwoording van die vraag is Levinas’ gehechtheid aan de staat Israël. Die gehechtheid was er niet meteen, net zoals veel anderen in het orthodox-Joodse milieu waarin hij verkeerde had hij er aanvankelijk niet zoveel mee. Maar vanaf de jaren vijftig geldt voor Levinas wat voor zijn generatiegenoot Raymond Aron gold: als hij dat land had moeten zien verdwijnen had hij niet de kracht gehad om verder te leven. Niet dat hij ooit gedacht heeft aan migratie naar Israël, want daarvoor was hij tegelijkertijd te zeer gehecht aan Frankrijk.

Wat betreft de politieke situatie in en om de Joodse staat, daarvan bleef hij over het algemeen op grote afstand. Hij hield er niet van publiekelijk commentaar geven op de actualiteit.

Op basis van de zeldzame keren dat hij dat wél deed kun je hem een zekere naïviteit of Schöngeisterei verwijten. Zoals bijvoorbeeld in een commentaar waarin hij enthousiasme betoont voor het gedachtegoed dat volgens hem aan de moderne staten ten grondslag ligt waar hij zich thuis voelt, te weten Frankrijk en Israël. In hoogdravende taal schrijft hij, na zijn eerste bezoek aan Israël: “Wanneer een Jood zich hecht aan een grote moderne Westerse staat, of wanneer hij een rechtvaardige staat vestigt op voorvaderlijke grond, dan voegt hij zich opnieuw in de ware traditie van het denken”.

Maar hij beseft ook dat de filosofie niet zoveel vermag in de confrontatie tussen politiek en ethiek die volgens hem aan de orde is in Israël. Zo zegt hij in een gesprek met Alain Finkielkraut naar aanleiding van het bloedbad in Sabra en Shatila van 1982: “Tegenstellingen zoals die tussen moraal en politiek worden helaas niet opgelost door filosofische reflectie”. Wat in ieder geval niet mag gebeuren, zegt hij, is “zich beroepen op de sjoa om te zeggen dat God met ons is in alle omstandigheden. Want dat is even verfoeilijk als het Gott Mit Uns dat geschreven stond op de koppelriemen van de beulen”.

Daar krijgt zijn naïviteit mogelijk ook een assertief trekje, want als Finkielkraut in datzelfde gesprek oppert dat de zuivere reflexieve ziel zich mooi kan onttrekken aan de modderpoel van de geschiedenis, dan maakt hij de Schöngeisterei als het ware tot een geuzennaam door die te omarmen: “Uit vrees om voor schone ziel te worden uitgemaakt wordt men liever een lelijke ziel”.

Problematischer is dat Levinas, bij een van de schaarse gelegenheden dat hij wel in filosofische zin ingaat op een vraag inzake het Israëlisch-Palestijnse conflict, met zijn ideeën weinig nieuws of verhelderends toevoegt. Hem werd de vraag gesteld of de ander voor de Israëliër niet primair de Palestijn is. “De ander”, zei hij, “dat is de naaste, niet noodzakelijkerwijze de nabije naaste, maar die laatste ook. En in die zin is zijn-voor-de-ander: zijn voor de nabije naaste. Maar als jouw nabije naaste een andere nabije naaste aanvalt of hem onrechtvaardig behandelt, wat kun je dan doen? Op dat moment verandert de andersheid van karakter; op dat moment kan in de andersheid een vijand verschijnen, of op z’n minst stelt zich daar het probleem dat je moet weten wie gelijk heeft en wie niet, wie rechtvaardig is en wie onrechtvaardig. Er zijn mensen die ongelijk hebben”.

In zo’n passage wordt Levinas voor mij op slag eventjes irrelevant. Want daarmee voegt hij zich simpelweg in het gangbare discours van de juridische en historische wetenschappen en van de rationele afwegingen van gerechtvaardigde belangen zoals ze ons bekend zijn uit de sociale en politieke filosofie. Daarmee wil ik niet zeggen dat dat discours niet belangrijk is – integendeel –, maar wel dat Levinas binnen dat verband niets toevoegt aan de sophisticated ideeën die anderen daar al over hebben gevormd.

Zo kom ik tot een conclusie die al eerder is getrokken: op het politieke vlak kun je weinig met Levinas. Op het meso-niveau en micro-niveau, bijvoorbeeld dat van de menselijke interactie die plaats vindt in organisaties, des te meer.

Zie ook Hoe naïef is Levinas eigenlijk?

donderdag 1 september 2011

Verspilling


In de (re)organisatie waar ik werk zijn wij al een tijd druk in de weer met het opsporen, elimineren en voorkomen van verspilling. Dat doen we door de werkprocessen te onderzoeken op efficiëncy en effectiviteit en door onze activiteiten tegen het licht te houden van de vraag wat de burger (“de klant”) er uiteindelijk aan heeft.

Er is aanleiding genoeg voor deze verspillingsjacht. De gemeente Amsterdam is maar al te vaak negatief in het nieuws vanwege rommelige automatisering, slechte samenwerking en gebrekkige dienstverlening. Zo bezien is verspilling een grote vijand van de gemeente en kan het alleen maar lonen om veel energie te steken in de bestrijding ervan.

Maar, nu even met de filosoof Georges Bataille vanuit de leunstoel geredeneerd, is verspilling wel zo verwerpelijk? Is misschien het hele leven een grote verspilling? Geldt dat niet in ieder geval voor kunst en theater, voor lekker eten en voortplantingsloze sex, voor verre reizen, voor sport en spel? Ja, leidt zelfs het sterven niet tot verkwisting van milieu, geld en energie? De kosten daarvan zag ik laatst berekend in een krantenartikel waarin begraven en cremeren met elkaar vergeleken werden uit het oogpunt van milieubelasting.

Bovendien, tot hoeveel verspilling leidt de bestrijding van de verspilling op haar beurt bij de gemeente? Want het lukt interne en externe consultants niet zomaar om verspilling eruit te halen. De ambtenaren en hun bazen zijn gewend aan bepaalde routines en het blijkt erg moeilijk om hen te overtuigen van de zinloosheid van een aantal praktijken en van hun rol daarin. Te bereiken dat zij anders tegen de zaken gaan aankijken - dus: het verandertraject - vergt niet zelden veel geduld en inspanning, en dat kan bij elkaar ook weer op verspilling gaan lijken.

Je kunt concluderen dat verspilling, binnen maar ook buiten organisaties, met of zonder belastinggeld, misschien wel onvermijdelijk, menselijk en onderdeel van het leven is. Misschien is het dus wel helemaal niet zo erg.

Wat wel erg is: op je werk het gevoel hebben dat het nergens over gaat; dat er alleen maar papier of bits en bites heen en weer geschoven worden; dat mensen elkaar bezig houden met elkaar te overtuigen dat ze goed bezig zijn; dat je, wat je doet, net zo goed niet kunt doen.

Dat is de gevangenis van de bureaucratie of van de managementfabriek en die moet bestreden worden, ook in Amsterdam. Dus zolang het gevecht tegen de verspilling een gevecht is tegen de ziekmakende menselijke verhoudingen in de ambtelijke bureaucratie is het de moeite waard. En ook al hoort verspilling erbij, dat gevecht kun je goed voeren door te blijven onderscheiden tussen wat er toe doet en wat er niet toe doet.

Zie ook Kunnen Amsterdammers wel samenwerken?

vrijdag 26 augustus 2011

Joodse mensen


Het heeft iets ongemakkelijks: aan je niet-Joodse omgeving vertellen dat jij of je gezin in Israël op vakantie gaat. Het is alsof je je daarvoor moet verantwoorden tegenover mensen die niets met Israël hebben, je moet een barrière door. Meer zelfs dan wanneer je naar dictatoriaal geregeerde landen op vakantie gaat als Syrië of Bahrein.

Die besmuiktheid heeft wel iets weg - maar dan zijn de rollen precies omgedraaid - van de verlegenheid die ik soms bij mensen meen waar te nemen om het woord ’Jood’ te gebruiken. Liever dan over Joden heeft men het over Joodse mensen. Dat laatste geldt trouwens ook ten aanzien van Turken, ook in dat geval spreekt men liever van Turkse mensen.

De schroom met betrekking tot het woord ‘Jood’ gaat waarschijnlijk terug op een lang en beladen verleden. Daarin was oorspronkelijk het woord ‘Jood’ synoniem met een ongewenste en volgens het Christendom kwaadaardige vreemdeling. In een later stadium kwam daar nog een lading bij: die van slachtoffer geweest te zijn van een uitroeiingscampagne.

De eerst genoemde schroom heeft, althans bij mij, alles te maken met de bezettingspolitiek. Natuurlijk helpt het dan niet dat er regelmatig in zo’n klein hoekje van de krant wordt gemeld dat er weer 800 of 2400 huizen in Oost-Jeruzalem worden gebouwd.

Mijn oplossing daarvoor is: toch maar volhouden dat ook daar gewone mensen leven, hun hond uitlaten, televisieseries kijken en maken, in therapie gaan en hun werk doen. En tegen Bibi demonstreren voor meer sociale rechtvaardigheid en tegen de bezettingspolitiek.

Maar door de aanslagen vanuit de Sinaï moet het front zich weer sluiten en zijn de tentjes op de Rothschild Boulevard in Tel Aviv van de voorpagina’s verdreven. Zo gaat dat als je bedreigd wordt. Zelfs in het politiek correcte Noorwegen wilde men de eerste maand na de aanslag geen kritiek horen op de politie, al was daar alle aanleiding toe. Soms is alleen maar saamhorigheid geboden: ze krijgen ons er niet onder.

Noorwegen gaat nu wel zijn veiligheidsmaatregelen iets verscherpen. En het veiligheidshek langs de Sinaï wordt versneld afgemaakt. Hopelijk horen we daarna weer wat over de tentjes in Tel Aviv.

Zie ook Denkpolitie

woensdag 17 augustus 2011

Onze man in Brussel


Ons nationale NOS-Journaal doet behoorlijk wat opvoedend en algemeen beschavend werk. Een gemiddelde kijker krijgt er het nodige aan analyse en historische informatie van mee. Op een of andere manier moet als resultaat daarvan de indruk blijven hangen dat er op een ordentelijke, overzichtelijke manier te praten is over wat er zoal gebeurt. Wat dat gevoel ook waard is zolang de ergste dingen ver van ons bed plaatsvinden, want dan is het altijd makkelijk praten natuurlijk.

Maar toch. Als het bijvoorbeeld gaat over inflatiegevaar en het bijdrukken van geld dan kan ter sprake komen dat de politiek niet geacht wordt zich met de Europese Centrale Bank te bemoeien. Daar wordt bij verteld dat dat zijn oorzaak heeft in de desastreuze Duitse inflatieperikelen van na de Eerste Wereldoorlog, toen de politiek wel zeggenschap had over de geldvoorraad en daar op grote schaal misbruik van maakte. Verhelderend.

En als er rellen zijn in Londen dan legt Sacha de Boer uit dat er in de relwijken grote werkeloosheid heerst onder jongeren, dat er 58 sollicitanten zijn voor iedere vacature, en dat het grootste deel van de jeugdwerkers is wegbezuinigd. Ook al is hier een heleboel niet mee gezegd, het wordt zo allemaal wat verklaarbaarder. We leren zaken een beetje in verband te plaatsen op een manier die vroeger niet bestond.

Mijn indruk is dat die opvoedende taak soms nog wat ruimer wordt opgevat. Dan begeeft een verslaggever zich op het vlak van politieke gevoeligheden met een duidelijke, eigen boodschap. Dat gebeurde onlangs een paar keer naar aanleiding van de Euro-reddingsoperaties.

Terwijl in Den Haag premier Rutte en minister De Jager op eieren lopen en tegenspreken dat we meer Europa nodig hebben om de Euro te redden, laat NOS-verslaggever Chris Ostendorf vanuit Brussel weten dat het eigenlijk al lang volstrekt duidelijk is wat er moet gebeuren. Het garantiefonds moet groter en er moeten meer mogelijkheden komen voor Brussel om zich te bemoeien met het begrotingsbeleid van de Eurolanden. Het wachten is alleen op een paar treuzelaars in de achterhoede: Nederland en Duitsland.

Henk en Ingrid vinden het misschien niet leuk dit op het Journaal te horen, maar van mij mag Ostendorf dit zeggen. Want ik denk dat die analyse de meest valide is en dat politici zich te veel laten inperken vanuit beduchtheid voor hun kiezers. En als de politiek niet durft te zeggen waar het op staat moeten journalisten dat maar doen. Uiteindelijk maken PVV en SP zichzelf irrelevant, als ze niet de economie naar de knoppen helpen.

Gelukkig is er ter afsluiting altijd nog het weerbericht. Vooral Erwin Krol maakt daar graag een feel good verhaal van, weer of geen weer. Maar ook bij de anderen zorgt de solide politieke neutraliteit van het verschijnsel weer dat ons Journaal met een zekere geruststelling kan worden afgesloten.

Zie ook Nee zeggen


vrijdag 12 augustus 2011

Het dorp Noorwegen


Na de aanslagen in Noorwegen ging een aantal commentaren over het dorpachtige karakter van Noorwegen. Daar heerst nog gemeenschapsgevoel, mensen vertrouwen elkaar en ze houden Europa en het kosmopolitisme buiten de deur. Bijna de droom van Geert Wilders, als die verrekte sociaal-democraten daar de Moslims niet zo zouden knuffelen. In dit dorp mogen alleen de Moslims ritueel slachten en de Joden niet, en dat zou Geert het liefst precies omgekeerd zien.

Iets dorpachtigs kun je Noorwegen inderdaad niet ontzeggen. Aanslagen kende men niet uit eigen ervaring. Misschien kwam daarom de misdaad van Breivik wel extra hard aan, hoewel leed op deze manier aangericht universeel verschrikkelijk is, waar het ook plaats vindt.

Iets merkwaardigs, ik zou zeggen dorpachtigs, zat er ook wel in de eerste reacties van de conferentiedeelnemers op de schoten van de terrorist, namelijk onmiddellijke associaties met het Israëlisch-Palestijnse conflict. Om dat helder te krijgen is het van belang te weten dat men de dagen tevoren op het eiland Utoya onder andere uitgebreid bezig was geweest met het promoten van de Palestijnse zaak.

Daar zaten wat mij betreft behartenswaardige zaken bij zoals oproepen tot beëindiging van de bezetting van de Westbank en steun aan een te vormen Palestijnse staat.

Maar daar zaten ook problematische zaken bij. De minister van Buitenlandse Zaken Gahr Stoere kon zich op het eiland goed vinden in een pleidooi voor een Israël-boycot - zie foto-, wat iets anders is dan een boycot van de nederzettingen. Hij bracht aan de conferentie het demoniserende gedachtegoed over dat na de aanslag opnieuw door Noorwegens ambassadeur in Israël werd verwoord: dat Hamas’ terrorisme tegen Israël meer gerechtvaardigd is dan ander terrorisme. Kortom, men ging al dagen lang lekker tekeer tegen Israël.

Vanuit de aldus gecreëerde dorpse overzichtelijkheid van bad guys versus good guys kan het volgende gebeuren. Volgens een verslag van Adrian Pracon, een overlevende van de moordpartij, dachten sommigen toen het schieten begon onmiddellijk aan Gaza. Dit zou een simulatie zijn van wat ze hadden geleerd, dus van wat Israël volgens de conferentie gewoon is te doen in Gaza.

“Sommige van mijn vrienden probeerden hem te stoppen door te praten met hem. Veel mensen op het eiland dachten dat het een test was, een vergelijking met hoe het is om in Gaza te leven. Daarom gingen veel mensen naar hem toe en probeerden met hem te praten, maar ze werden meteen doodgeschoten”, aldus Adrian Pracon.

Behalve dat de gedachte dat het menens zou kunnen zijn (gelukzalig) ver weg was, is de enige verbinding die de conferentiedeelnemers konden leggen tussen het schieten en de rest van de wereld: de gedachte aan het Israëlisch-Palestijnse conflict. Kennelijk is voor deze mensen ‘geweld’, ‘schieten’, ‘ruzie’ in hoge mate synoniem met dat conflict. Het is spreekwoordelijk geworden voor alles wat met schieten te maken heeft, je kunt niets anders meer bedenken.

Als mensen zo schematisch zijn gaan denken, wat is er dan gebeurd in hun hoofden? Want er is iets gebeurd, dat kan niet anders. Mensen hebben wat gedaan met beelden in hun hoofden, of zich wat laten doen.

Er vindt verdraaiing van informatie plaats. Immers, wat de inhoud betreft is er geen rechtvaardiging voor die stereotypering en toekenning van die unieke negatieve symboolwaarde aan alleen Israël. Niet dat er geen vreselijke dingen te melden zijn. Maar dat is niet uniek voor Israël en ook niet in hoge mate kenmerkend.

Zo kan ik het met iedereen eens zijn die vindt dat de sluipende bebouwing van de Westbank een rotstreek is en dat ieder slachtoffer dat valt in de strijd tegen raketten uit Gaza er een te veel is. Maar tegelijkertijd moet gezegd worden dat over die situatie binnen Israël veel discussie is. Er zijn historici die met ongekende openheid uitzoeken wat er precies gebeurd is en gebeurt en die Israël niet sparen. En er gaan deze zomer 60.000 Palestijnen in Israël op vakantie.

Daarbij: er zijn nogal wat regimes en milities op de wereld die evenveel of nog meer slachtoffers maken en op nog gruwelijkere manieren. En dat ook al jaren lang en onder de eigen bevolking. Of zou de gedachte zijn dat dat vooral de leiders zijn? Die zijn verderfelijk - het gewone volk is in al die landen, als edele wilden, alleen maar slachtoffer. En zou dan de gedachte zijn dat in Israël misschien wel het hele volk slecht is?

Ja, zoiets moet er wel aan de hand zijn. Een dergelijke verdraaiing moet er wel plaatsvinden in hoofden van mensen, anders kan ik de exclusieve demonisering van Israël niet verklaren. Objectief gezien is er namelijk geen enkele reden om de demonkaart speciaal Israël toe te spelen. Dus als je dat toch doet, dan doe je zelf wat – in je hoofd. Dan gebeurt er meer dan zich laat verantwoorden, ben ik bang.

Of dan weldenkende mensen voor hun rekening willen nemen, hoop ik - ook in een dorp. Dat mág ik wel hopen want het dorp Noorwegen is per slot van rekening het decor geweest van het eerste verdrag tussen Israël en de Palestijnen.

Zie ook Denkpolitie

donderdag 4 augustus 2011

Lucht en daadkracht


Hoewel het eigenlijk niet kan en dus heel frustrerend is doe ik het toch maar een keer: vechten tegen wind en lucht. Dat is nog moeilijker dan tegen windmolens.

Want het blijft fascinerend. Hoe zo’n bestuursapparaat als dat van de gemeente Amsterdam al pratend en elkaar bemoedigend een structuur in stand houdt die eigenlijk maar voor de helft echt bestaat en iets oplevert. Zoveel lucht zit erin.

U begint dit nu ook irritant te vinden. Waar gaat dit over? Over lucht, inderdaad. En toch houden zich daar dagelijks honderden goed betaalde krachten in Amsterdam mee bezig. Ewald Engelen beschreef dat twee weken geleden erg goed in zijn NRC-artikel over de “lulkoek van de beleidselite” die haar dagen vult met het spinnen van beleidssprookjes.

Maar hoe werkt dat dan? Dat werkt door de retoriek van de daadkrachtige termen. ‘Vertrouwen hebben in elkaar’, ‘Targets formuleren’, ‘Enthousiasme tonen’, ‘Ervoor gaan’. Dat werkt doordat het helemaal niet gaat om haalbaarheid of werkelijke resultaten, maar om mobilisatie. Daarvoor zijn vooral de verhalen belangrijk die daadkracht suggereren, groei en succes verbeelden en daarmee draagvlak moeten genereren, aldus Engelen.

Het is net monetaire politiek, van de Euro of de Dollar. Cruciaal is het om de illusie in de lucht te houden. En, als het vertrouwen dreigt minder te worden, om elkaar op te peppen en enthousiasme te eisen.

Maar hoe lang kun je daarmee doorgaan? Zoiets wordt toch doorgeprikt, net zoals Moody’s de retoriek van de regeringsleiders over schuldoplossingen doorprikt?

Nou, dat gaat niet zo gemakkelijk, laat Engelen zien. “Kenmerkend voor lulkoek is dat hij geen enkele waarheid claimt en daardoor resistent is tegen weerlegging. Dat verklaart waarom lulkoek niet kan worden ontmaskerd als leugen”.

Maar is er dan niemand die dat doorziet? Jawel, sommigen zien dit scherp. Maar, juist omdat lulkoek niet rechtstreeks te ontmaskeren is hebben die daar een harde dobber aan. Vechten tegen lucht en tegen de beleids- en managementfabriek is voor een groot deel: nee zeggen tegen wat je beschouwt als lulkoek. En dat is nooit leuk, het kan bovendien bijna gelijkstaan aan ambtelijke ongehoorzaamheid.

Gelukkig zijn er ook externe adviseurs die dit scherp zien, zoals het revolutionaire, uit Engeland overgewaaide bureau Vanguard dat daar op weldoordachte manier ondersteuning bij kan bieden. Zo wordt lucht misschien toch nog omgezet in (echte) energie.

Zie ook Soorten overleg, Van groot naar klein en terug en Leiderschap en energie

vrijdag 29 juli 2011

Denkpolitie


Morele beslissingen kunnen extreem moeilijk zijn.

Er zijn mensen die met het vingertje wijzen naar de leden van de Joodse Raden in de Tweede Wereldoorlog of naar anderen die door een perverse vijand gedwongen werden om de onmogelijke keuze te maken tussen nog een beetje te redden wat er te redden viel of totaal verzet.

Ik zou het werkelijk niet geweten hebben. Het belangrijkste in deze kwesties is naar mijn idee dat we niet te snel oordelen en veroordelen.

Er zijn ook kwesties waar heel moeilijk over gedaan wordt maar die moreel gesproken zo klaar als een klontje zijn. Wat mij betreft is de bezetting door Israël van de Westoever zo’n kwestie. Daar is niets moeilijks aan, dat gebied is van de Palestijnen en Israël heeft daar niets te zoeken. Een boycot van producten uit de nederzettingen – goed te onderscheiden van een boycot van Israël of Israëlische producten in het algemeen – vind ik dan ook helemaal niet verkeerd.

Ik ben genoeg historicus om te snappen dat die gebieden grote aantrekkingskracht uitoefenen en dat Joden zich daar willen vestigen. Per slot van rekening waren Judea en Samaria in de Bijbelse tijd belangrijke onderdelen van het Joodse territorium. Daarnaast zijn er veiligheidsoverwegingen die wenken in de richting van bezetting, aangezien Israëls militaire positie wat steviger is met de Westbank erbij. En tenslotte spelen hier ordinaire machts- en landhonger hier een rol.

Maar die overwegingen maken de kwestie moreel niet moeilijker. Uitgaande van Israëls fundering in de VN-beslissing van 1947 overschrijdt Israël op de Westbank letterlijk zijn grenzen, het heeft daar niets te maken. Los daarvan bezorgt die grensoverschrijding Israël op het politiek-diplomatieke vlak veel schade en komt daardoor de veiligheidspositie meer in gevaar dan de fysiek-militaire posities kunnen goedmaken.

Deze situatie is erg genoeg, maar misschien vind ik het ergste van alles nog wel dat sinds het aannemen van de Boycotwet door het Israëlische parlement twee weken geleden het open gesprek over deze kwesties van hogerhand wordt verboden. Wie bezwaar maakt tegen de bezetting en om die reden oproept tot een boycot van producten uit de nederzettingen is voortaan in overtreding.

Hier staat niet alleen meer het Joodse land op het spel, maar de hele Joodse traditie. Dit raakt die traditie in het hart. Want als er iets is dat het Jodendom eeuwenlang heeft gekenmerkt is het de debatcultuur en het van vele kanten bekijken van (morele) standpunten. Je kunt voor of tegen een boycot zijn, maar daar moet je vrij over kunnen discussiëren. Ik kan me daarom helemaal vinden in de uitspraak van de Israëlische Raad van Liberale Rabbijnen: “This is an unprecedented dangerous step onto a slippery slope that continuously erodes the Jewish character and democratic nature of Israel”.

Bij Israël hoort geen denkpolitie.

vrijdag 22 juli 2011

Geld is niet goed voor u


Zou kardinaal Simonis dan toch gelijk hebben gehad? Als een van de traditionele handelaars in angst en geruststelling zei hij jaren geleden al naar aanleiding van de ontkerkelijking: wacht maar tot de mensen het materieel weer moeilijk krijgen, dan komen ze wel terug.

Wat een armzalig mensbeeld. Zorg dat mensen het niet te goed hebben, want alleen dan is hen iets bij te brengen van de Echte en Eeuwige Waarheid.

Toch hoor ik respectabele intellectuelen wel dingen zeggen die in de buurt komen van Simonis’ uitspraak. Zo bijvoorbeeld Paul Frissen, die schrijft dat bezuinigen en minder geld voor de mensen zo’n weldadige uitwerking heeft. “In termen van beleid stelt het kabinet me allerminst teleur. Inderdaad: de staat is geen geluksmachine. De logica dat problematiek groter wordt naarmate er meer beleid en geld op wordt gericht wordt doorbroken. De samenleving mag grotere zelfredzaamheid en solidariteit tonen”.

En Heikelien Verrijn Stuart zegt in Filosofie Magazine, naar aanleiding van Ortega y Gasset en diens bespiegelingen over de materialistische massamens: “De democratie is kapitalisme geworden. Zelfs als sommige mensen nog waarden uitzenden, is de massa te vol met zoet, zout en flitsende beelden om ze te ontvangen. Misschien zal een totaal onverwachte ramp tot inkeer leiden? Ortega bleef hopen dat er een menselijk vermogen tot waarheid was dat de vernietiging zou afwenden”.

Als ik nu even het denken van Ortega als vertrekpunt neem, dan kan het van daaruit twee kanten op. Allereerst is er de platonische richting die ervan uit gaat dat de waarheid ergens klaar ligt om ontdekt te worden, als mensen maar genoeg opoffering en volharding opbrengen. In die visie is een elite noodzakelijk van onbaatzuchtige zoekers die de weg naar de waarheid aan anderen kunnen wijzen. En daar hoort cultuurpessimisme bij, want er is gerede twijfel mogelijk over het bestaan van zo’n voorhoede en dat vermogen tot waarheid.

Simonis hoort bij deze platonische richting en, ik weet het niet zeker, maar ik denk Ortega uiteindelijk ook. Hij heeft het niet voor niets over een voorhoede, en het bouwen van een kosmopolitische internationale rechtsorde. Simonis en Ortega vinden elkaar in hun cultuurpessimisme, ze stellen beiden vast dat het treurig gesteld is met het onderzoek naar de waarheid, en vragen zich net zo min als Plato af of De Waarheid in die massieve vorm eigenlijk wel bestaat.

De tweede richting die je op kunt na Ortega’s vaststelling van de terreur van de massacultuur ziet er anders uit. Met name de opvatting van waarheid en de omgang daarmee zijn verschillend. De waarheid ligt nu niet, zoals bij Plato, massief klaar om ontdekt te worden. In deze tweede visie vertoont de waarheid zich wel, zelfs dagelijks en in triviale zaken, maar op een niet te voorspellen en te organiseren wijze. Altijd onverwachts en, zou ik zeggen, bijna transcendent.

Daarvan vind ik iets terug in de suggestie waarmee Verrijn Stuart haar artikel afsluit. Zij zegt namelijk: Je moet op zoek naar dwarsliggers die een andere taal durven spreken. Daarmee zou ze kunnen doelen op mensen die gevoelig zijn voor de manier waarop onze menselijke interactie regelmatig van ons vraagt om vastliggende patronen en waarden te doorbreken. Een dergelijke triviale, niet te organiseren waarheid breekt bij veel mensen iedere dag wel een keertje in. Het kan helpen om ons besef daarvan te scherpen, zo is wellicht de boodschap van Verrijn Stuart.

Maar het kan ook zijn dat zij bij 'dwarsliggers' iets heroïsch op het oog heeft, à la Socrates. Dat zou een variant zijn van Plato’s visie. Want dan heb je het opnieuw over een visionair die doorheeft wat anderen niet zien en die dat vervolgens, heel pedant, aan de anderen gaat uitleggen. Dat zou opnieuw uitlopen op cultuurpessimisme want alleen al de gedachte daaraan maakt loodzwaar: we hebben onbaatzuchtige helden nodig, en die hebben we te weinig.

Zie ook Culturele asielzoekers

vrijdag 15 juli 2011

Net op tijd


Vorige week verscheen The Shame of reason, de Engelse vertaling door David Bevan van mijn boek Schaamte en verandering. Vlak voor de vakantie, dus net op tijd voor al die Engelsen, Amerikanen en Australiërs die op hun stranden het boek massaal gaan lezen.

Onzin natuurlijk, maar misschien geldt het net-op-tijd wel als het gaat om een andere trend die de media nogal bezig houdt: de dreigende teloorgang van het boekenvak. Over een paar jaar zou zo’n boek misschien geen uitgever meer vinden, althans voor een papieren editie.

Alom hoor ik sombere berichten uit de hoek van uitgeverijen en boekhandels. De verkoop van algemene boeken kromp in de afgelopen vijf maanden met 3,8 procent en in 2010 met 4,7 procent. Uitgevers schrappen banen en titels en trekken bij elkaar in om te kunnen overleven. Boekhandels hebben het moeilijk, en bijvoorbeeld Selexyz vermindert zijn personeelsbestand met veertig plaatsen. De boekverkopende markten die op dit moment het beste overeind blijven zijn die van de benzinepomp en de supermarkt. Als oorzaken worden genoemd de voortschrijdende ontlezing, de digitalisering en de economische crisis.

Word ik daar zelf ook somber van?

Wel als het zou gaan om de teloorgang van interessante ideeën die goed verwoord worden, want daar kan ik niet gauw genoeg van krijgen. En hoe dan ook, de klassieke uitgeverijen en boekhandels zijn wel de plaatsen waar je moet zijn daarvoor. Je kunt daar zelfs fysiek genieten van die mooie combinatie van stijl- en denkwerk, al dan niet met een kopje koffie erbij. Maar de vraag is of die fysieke plekken zo wezenlijk zijn en of goede geschriften in elektronische vorm niet even goed voldoen aan mijn behoefte.

Mijn somberheid wordt verder gerelativeerd doordat ik, eerlijk gezegd, nooit zoveel heb gehad met het strenge literaire gedoe van “de betere boekhandel”, met de psychologische roman “als pijler van uw geletterdheid” (Maartje Somers) en met de coterieën die daarbij horen. Voor mij geldt eerder een sympathie voor degenen die, zoals Theo de Boer onlangs beschreef met betrekking tot de Vijftigers, radicaal breken met een eeuwenlange traditie van ‘letterdames’ en ‘letterheren’. Welke breuk in de visie van De Boer tevens een afscheid is van de platonische metafysica en de klassieke esthetica.

Blijft staan dat ik blij ben met de papieren publicatie van mijn boek. Eigenlijk heb ik het beste van twee werelden, want de volledige elektronische versie is tegelijkertijd al beschikbaar.

Zie ook Iets kleins

zaterdag 9 juli 2011

De negentiende eeuw is terug


Er was een tijd dat veel goed opgeleide mensen oprecht van mening waren dat alleen wat meetbaar is er toe doet. Slechts het tastbare, meetbare, materieel aanwijsbare mocht werkelijkheid heten. De rest is op zijn best schoonheid of versiering, maar in ieder geval te subjectief of te willekeurig of te soft om serieus genomen te worden.

Die tijd was de negentiende eeuw en de bijbehorende opvattingen waren die van het positivisme. Zo genoemd naar het antwoord op de vraag of iets in staat is om de wijzer van een meetapparaat te doen uitslaan of niet. Als dat wel het geval is – het apparaat meet dan het gewicht of het volume of de druk van iets – dan heb je een positief resultaat. Dan bestaat zoiets. Slaat de meter niet uit, is er geen fysieke reactie, dan bestaat dat iets niet.

Het was de bloeitijd van het technisch-wetenschappelijke enthousiasme waarin de grondslagen werden gelegd voor de ontwikkeling van spoorwegen, bouwtechnieken, chemische ontdekkingen en medische kennis.

Sindsdien hebben we geleerd dat deze visie de werkelijkheid ernstig tekort doet. Onze realiteit bestaat voor – laten we zeggen, maar hoe meten we dat? – minstens de helft uit beelden, betekenissen, herinneringen en belevingen. En het effect daarvan kan tegenwoordig neurowetenschappelijk wel gemeten worden, maar pas nadat de drager van die effecten heeft verteld dát ze, bij haar of hem van binnen, bestaan en hoe ze voelen. We hebben geleerd dat betekenis vooraf kan gaan aan meetbaar bestaan.

En nu ineens, het is ongelofelijk, is de negentiende eeuw weer terug, althans in Nederland. Minister Schippers heeft bepaald dat lichamelijke, goed meetbare ziektes ‘echter’ zijn dan psychische, minder meetbare ziektes en dat daarom voor de laatste moet worden bijbetaald. En in de discussie over ritueel slachten wordt dierenleed gereduceerd tot meetbare, fysieke pijn. Daardoor kan het veel grotere schandaal van de industriële vleesproductie en het bijbehorende dierenleed buiten beschouwing blijven. Dat is immers een stuk vager dan de pijn van een doodssteek.

Hoe is het nu mogelijk dat dit soort negentiende-eeuwse denkbeelden in onze hedendaagse politiek zo sterk terugkomen?

Allereerst kan het zo zijn dat het positivisme helemaal niet zover weg is geweest als ik wel dacht. Per slot van rekening is onze samenleving sinds de 19e eeuw alleen maar technocratischer geworden. Het bijbehorende denken leeft voort in ons doen en laten.

Verder kan er sprake zijn van een bepaalde intellectuele luiheid. Het is nu eenmaal gemakkelijker gegevens van een metertje af te lezen dan het gesprek aan te gaan met mensen, laat staan met dieren, over hun belevingen en de interpretatie daarvan.

Dat laatste verbindt zich vervolgens naadloos met een derde factor: het politieke opportunisme van dit kabinet en zijn doelstellingen. Er moet bezuinigd worden en dan is de gedachte: hoe kunnen we met de minst mogelijke inspanning het grootst mogelijke aantal mensen achter onze noodmaatregelen krijgen? Dan blijken 19e eeuws positivisme, rechtse intellectuele luiheid en politiek opportunisme een ijzersterke 21e eeuwse verbinding met elkaar aan te gaan.

Zie ook Ongerijmd en Meetbaarheid