maandag 23 november 2020

Levinas en scepsis


Gaat de waarheid het redden? Temidden van complottheorieën, alternatieve feiten en al dan niet gemanipuleerde verkiezingen houdt die bange vraag me regelmatig bezig. Er is een trend zichtbaar van ‘gewone mensen’, hoog én laag opgeleid, die het oordeel van deskundigen in twijfel trekken, bijvoorbeeld wanneer het gaat om vaccinatie of coronamaatregelen.  Onmiskenbaar groeit er een zeker wantrouwen tegenover wetenschap en overheid.

Wat me interesseert in dat wantrouwen is vooral de vraag in hoeverre het daarbij gaat om twijfel over de mogelijkheid om tot waarheid te komen, überhaupt. Geloven mensen nog in waarheid?

Voor complottheoretici is het antwoord stellig ja. Zij geloven eerder te veel dan te weinig. Zij geloven in de waarheid van de meest onwaarschijnlijke dingen zoals pedofiele netwerken in en rond het Catshuis en 9/11 als een actie van de CIA. 

Voor serieuze wetenschappers en journalisten is het antwoord ook bevestigend. Zij kunnen (zeer) kritisch zijn over richtlijnen van het RIVM of maatregelen van de regering. Maar dat doen zij omdat ze geloven dat er betere analyses en diagnoses mogelijk zijn. Denk aan Maurice de Hond die vond dat de overdracht van het coronavirus door de lucht via aerosolen te weinig aandacht kreeg. Dergelijke kritiek komt niet voort uit algehele scepsis, maar uit het geloof dat een preciezere waarheid te vinden is.

Wie werkelijk niet in (kennis van) de waarheid geloven zijn de echte sceptici. Zij menen dat adequate kennis van de wereld en van onszelf onmogelijk is, en dat waarheid dus niet bestaat. Sceptici zijn van alle tijden, zij ontlenen hun naam aan de waarheidontkenners uit de Griekse oudheid, en blijven sindsdien tot de dag van vandaag opduiken. In de context van de coronavirusdiscussie valt de beweging Viruswaanzin/waarheid van Willem Engel misschien wel in die categorie.

De sceptici vormen dus in feite de enige groep die twijfelt aan de mogelijkheid van waarheid. Toch kun je daar als niet-scepticus behoorlijk druk mee zijn. Het bestaan van die waarheidsontkenners roept namelijk verontrustende vragen op. Kun je nog wel samenleven, politiek bedrijven, aan wetenschap doen als er niet een minimum aan gedeelde en erkende waarheden voorhanden is? 

In ieder geval is de filosofie daar in de loop van millennia druk mee geweest. Immers, voor zover de filosofie zich beschouwt als ‘hoeder van de waarheid’ en dat ook ziet als een maatschappelijke taak, is een stroming die het bestaan van waarheid simpelweg ontkent een probleem. Daarom heeft de westerse filosofie vanaf haar ontstaan in de Griekse oudheid werk gemaakt van filosofische bestrijding van het scepticisme. En de politieke en juridische overheden maakten daar steeds dankbaar gebruik van, want hun macht en gezag zijn mede gebaseerd op waarheidsclaims.

De klassieke manier waarop de filosofie het scepticisme bestrijdt is door te wijzen op de tegenstrijdigheid die erin zit. De scepticus bijt in zijn eigen staart, zegt de constructieve filosoof, want als hij uitspreekt dat waarheid niet bestaat wil hij dat die uitspraak serieus genomen wordt, dus als waarheid gezien wordt. Dus gelooft de scepticus toch in waarheid, het scepticisme is weerlegd.

Op dit punt is het verfrissend om het betoog van Levinas in te brengen. Want in plaats van verontrustend vindt Levinas het scepticisme wel interessant. Vooral het feit dat, ondanks de systematische weerlegging ervan door de filosofie, het scepticisme door de geschiedenis heen iedere keer weer opduikt, fascineert hem. “De wijsbegeerte komt niet los van het scepticisme dat haar achtervolgt als een schaduw die zij met haar weerlegging verjaagt om het meteen weer vlak achter zich te vinden. Heeft de wijsbegeerte dan niet het laatste woord?”

Jawel, zegt Levinas, dankzij het door de filosofische logica ondersteunde geloof in waarheid  is er een draagvlak voor samenleven, en kunnen de staat en de wetenschap hun werk doen. Maar, zegt hij ook, dat heeft een prijs. “De staat houdt geen rekening met de onherstelbare waanzin, en zelfs niet met de waanzin bij vlagen”. En in de onderdrukking daarvan door verantwoorde opvattingen en onderbouwde redeneringen bespeurt Levinas geweld: de staat (en zijn logica) “ontwart de knopen niet, maar hakt ze door”. 

Tegelijkertijd heeft de filosofie ook weer níet het laatste woord. Er toont zich tegenover het coherente filosofische betoog en het daarmee gepaard gaande (staats)geweld iets wat Levinas aanduidt als ‘oneindigheid’. Het feit dat van onder die platgeslagen knopen de scepsis steeds weer opduikt biedt Levinas de aanwijzing voor het bestaan van een kennelijk hardnekkige en dieperliggende bron van zin die het toegepaste geweld niet zomaar accepteert. Die bron breekt keer op keer, al dan niet als waanzin, door de gelijkgeschakelde consensus van staat en wetenschap heen. Zelfs als de scepsis zelf op logische manier weerlegd kan worden blijft die terugkomen. Dat is voor Levinas een indicatie van zinvolle transcendentie.

Willem Engel veranderde de naam van zijn beweging van ‘Viruswaanzin’ in ‘Viruswaarheid’. In het licht van bovenstaande levinassiaanse opvattingen maakte hij daarmee een knieval voor de logica van de staat en de wetenschap, hij streek zijn eigen scepsis plat. Niet getreurd, zegt Levinas, de scepsis breekt daar iedere keer weer doorheen, vertrouw daar maar op.

Zie ook Afkicken van het ware woord en Zwarte zwaan

Wil je commentaar geven of zien: klik op Levinas en scepsis en scrol naar beneden door.

vrijdag 13 november 2020

Bij het overlijden van rabbijn Jonathan Sacks


“Het is hoog tijd om de geest van Plato uit te drijven, helder en ondubbelzinnig.”

Wow, dacht ik toen ik dat las, die durft! Het is een uitspraak die de vorige week overleden oud-opperrabbijn van Engeland Jonathan Sacks doet in zijn boek Leven met verschil. Menswaardige verscheidenheid in een tijd van botsende culturen uit 2002. Sacks bedoelt met die uitspraak te zeggen dat wij in het Westen niet goed zijn in de waardering van verschillen tussen mensen en culturen. Als het eigene van andere mensen ons vreemd voorkomt zien we dat snel als een bedreiging en doen we veel moeite om alle afwijkingen gelijk te schakelen. Wie enigszins afwijkt moet zich aanpassen.

En dat komt mede, aldus Sacks, omdat wij gedrenkt zijn in het denken van Plato. Die zag weinig van waarde in het bijzondere en eigene van concrete individuen en groepen. In de plaats daarvan proclameert hij het bestaan van het Goede, het Ware en het Schone die als ideeën of idealen universeel zijn, dat wil zeggen: ze gelden voor alle mensen. Plato is dus met veel nadruk geïnteresseerd in wat alle mensen met elkaar gemeen hebben. En daar, zegt Sacks, gaat iets heel belangrijks verloren: de waardering voor verschillen. Want “als uiteindelijk alleen zou tellen wat we met elkaar gemeen hebben, zouden onze verschillen afwijkingen zijn die we te boven moeten komen”.

Om ons even te beperken tot het universele idee van het Ware, daarover zegt Sacks: “Die opvatting luidt dat er maar één waarheid is over wat wezenlijk is in het menselijk bestaan, en dat die waarheid dezelfde is voor alle mensen in alle tijden. Als ik dan gelijk heb, heb jij het fout. Ik hoop duidelijk te maken dat die opvatting op een grote vergissing berust”, en dat doet Sacks onder andere door die waarheidspretentie te koppelen aan zulke misdaden uit de geschiedenis als pogroms, gewelddadige revoluties en 9/11. “Van alles wat ik in dit boek te zeggen heb, is dit het meest radicale en het moeilijkst te vatten, omdat het ingaat tegen een veronderstelling die de westerse beschaving minstens tweeduizend jaar heeft beheerst”. We hebben dus een compleet ander denkmodel nodig.

Sacks waarschuwt niet voor niets voor de moeilijkheidsgraad van de inzichten die hij presenteert. Kennelijk rekent hij op weerstand tegen zijn poging tot herwaardering van het verschil, tegen Plato in. Je zou die weerstand allereerst verwachten uit de filosofische hoek. Plato heeft immers de status van oervader en boegbeeld van de westerse filosofie en het grenst aan heiligschennis om die met zulke historische misdaden in verband te brengen. Maar van die kant bleef het stil, waarschijnlijk vinden filosofen rabbijnen niet interessant.

Waar wel de hel losbrak was in Sacks’ eigen Joodse kring. In het voorwoord bij de tweede druk zegt hij daarover: “De eerste druk bracht veel beroering in de Joodse gemeenschap”. Kritiek kwam uit Manchester, van zijn eigen Londense Beth Din, en uit Jeruzalem van rabbijn Elyashiv. Het boek zou ideeën bevatten die “tegengesteld zijn aan ons geloof in de Heilige Tora”, en mag daarom niet in huis gehaald worden. Met name de suggestie dat geen enkele religie de hele waarheid bevat werd beleefd als godslasterlijk.

Opmerkelijk is dat de naam van Plato door de critici niet genoemd wordt. Immers, de opvatting dat de absolute waarheid bestaat en gekend kan worden is een platoonse pretentie. Die pretentie wordt met kracht verdedigd door de Joodse gemeenschap van Sacks. Men wil beslist de absolute claim op waarheid niet opgeven en men is tegen pluraliteit van waarheden: er is er eigenlijk maar één (namelijk de Tora). Toch heeft men er geen probleem mee dat Sacks zich hartgrondig uitspreekt tegen de filosoof die die ideeën als eerste geïntroduceerd en uitgewerkt heeft. 

Het zal best zo zijn dat rabbijnen (los van Sacks) op hun beurt filosofen niet interessant vinden, maar toch valt hier iets meer over te zeggen. Want het zijn wel degelijk filosofische ideeën die door deze Joodse gemeenschap omarmd worden. Maar kennelijk zijn die in de loop van duizenden jaren in religieuze tradities zoals de Joodse (maar ook de Christelijke en Islamitische) zodanig verinnerlijkt dat de filosofische herkomst niet meer herkenbaar is.

De ophef resulteerde uiteindelijk in het schrappen en aanpassen door Sacks van een aantal teksten, waardoor de tweede druk aanmerkelijk anders aanvoelt dan de eerste. Grappig genoeg mocht de zin waarmee dit stukje opent blijven staan.

(Onderstrepingen van mij, NvdV)

Hoe dan ook, voor mij was het verfrissend om een vooraanstaand denker en schrijver als rabbijn Jonathan Sacks zich zo onomwonden te horen uitspreken over de problematische kanten van Plato. We geven ons collectief nog lang niet genoeg rekenschap van de mate waarin wij geconditioneerd zijn door Plato’s denken. 

Jonathan Sacks, zijn aandenken zij tot zegen!

Zie ook Ongemakkelijke vragen en Het goede, het ware en het schone

Wil je commentaar geven of zien: klik op Bij het overlijden van rabbijn Jonathan Sacks en scrol naar beneden door.

vrijdag 6 november 2020

Beatrice de Graaf


“We moeten niet vergeten, in de schok van dit moment, dat deze terreur voor Franse Joden als veel langer aan de gang is. Al ruim vóór en tegelijkertijd met de overval op Charlie Hebdo in 2015 werden er specifiek op Joodse doelen aanslagen gepleegd.”

Beatrice de Graaf wilde dit per se even gezegd hebben toen ze als terreurdeskundige werd geïnterviewd bij Nieuwsuur over de aanslag op Samuel Paty. De Graaf doelde onder andere op aanslagen in Toulouse (2011), Sarcelles (2012) en de koosjere supermarkt in Parijs (2015). Dit loopt in de pas met het overzicht van aanslagen in Westerse landen van de AIVD sinds 2004 waaruit blijkt dat 5 procent gericht was tegen Joodse doelen. Dat is een hoog percentage, zelfs voor Frankrijk waar relatief veel Joden wonen, maar toch niet meer dan 1 procent van de bevolking. Niet voor niks vindt er vanuit Frankrijk veel migratie plaats naar Israël.

Waarom wilde De Graaf hier nadrukkelijk de aandacht op vestigen, nu het in de maand oktober 2020 (met de aanslagen op het voormalige pand van Charlie Hebdo en op Samuel Paty – die op de kerk in Nice moest nog komen) niet direct om Joden ging?

Allereerst, denk ik, om te wijzen op mogelijk selectieve verontwaardiging in de reactie van de autoriteiten. De regering Macron spreekt zich nu zeer krachtig uit en neemt ingrijpende maatregelen. Het is waar, een docent vertegenwoordigt de Franse Republikeinse waarden op een plek waar het er echt toe doet: de school. Maar was die collectieve verontwaardiging ook niet op zijn plaats geweest toen het voor een groot deel om Joden ging?

Daarnaast, vroeg ik me af, gaat De Graaf misschien uit van de opvatting van Joden in de diaspora als kanaries in de kolenmijn. Dat wil zeggen: als zich in het Westen gewelddadige groepen formeren zijn hun acties in eerste instantie relatief vaak op Joden gericht. Denk niet dat het geweld tot hen beperkt zal blijven, de hele samenleving moet eraan geloven. Maar de Joden zijn onder de eersten die dat ondervinden, en fungeren daarmee als graadmeter voor naderend onheil in de samenleving.