vrijdag 21 maart 2014

Heidegger en de Joden


Er kan geen twijfel meer over bestaan. Peter Trawny, de directeur van het Heidegger-instituut in Wuppertal brengt op dit moment Heideggers Schwartze Heften uit, de schriftjes met zijn dagboekaantekeningen uit de jaren dertig tot en met zeventig. Daarin komt naar voren dat de filosoof van het Zwarte Woud het Jodendom ervan verdenkt uit te zijn op de wereldheerschappij. Uit de schriftjes wasemt volgens Trawny een “zijnshistorisch antisemitisme” dat Heideggers denken tot in alle poriën doordrenkt.

Twijfel is er jarenlang wel degelijk geweest over de vraag of Heidegger antisemitisch was. De meeste schrijvers waren het erover eens dat zijn vrouw Elfriede dat wel was, want die liet zich openlijk antisemitisch uit, maar Heidegger zelf niet. Natuurlijk was er zijn lidmaatschap van de Nazi-partij en zijn uitspraak over de innerlijke waarheid en grootheid van de Hitlerbeweging. Maar dat kon verklaard worden door de omstandigheden waarin Heidegger als rector van een universiteit zijn werk moest doen.

Het is niet onwaarschijnlijk dat deze relativering door heideggerianen van Heideggers nazistische periode werd ingegeven door een grote bewondering voor het denken van de filosoof. Iemand met zulke fascinerende en diepgravende gedachten, die kan toch geen antisemiet geweest zijn?

Of misschien juist wel? Met deze vraag begint de zaak écht interessant te worden. Is er mogelijk een innerlijke verbinding tussen het diepe (volgens sommigen: quasi-diepe) denken over de geschiedenis van het Zijn en antisemitisme?

Sommigen zullen zeggen: nooit aan beginnen, aan het zoeken naar zo’n verbinding. Want Heideggers werk is rijkelijk vaag en antisemitisme is een ongrijpbaar verschijnsel, dus hooguit in de gedeelde warrigheid zou een verbinding te vinden zijn, maar dat verheldert niets.

Dan blijft het even vaag als de onveiligheid die Levinas al in de jaren dertig beleefde aan de filosofie van Heidegger (dus los van Heideggers politieke standpunten). In het voorwoord van Van het zijn naar de zijnde vertelt Levinas dat zijn denken tegelijkertijd bepaald wordt door Heideggers filosofische vernieuwingen, en “door de diep gevoelde behoefte om zich van het klimaat van diens filosofie te distantiëren”.

Maar zo vaag hoeft het niet te blijven. Zo vaag heeft Levinas het ook niet gelaten. Want hij maakt in zijn latere filosofische werk, met name in De Totaliteit en het Oneindige, goed duidelijk dat ook op filosofisch gebied Heidegger eigenlijk totalitair denkt. Heidegger weet het idee van radicale andersheid niet goed te plaatsen, en dat heeft alles te maken met zijn adoratie van het Zijn.

Zelf probeer ik, op basis van de commentaren van Levinas, helder te krijgen wat er gebeurt als je Heideggers denken over het Zijn toepast op zoiets concreets als management en organisatie. In dat geval wordt de gedachte van het Zijn waaraan wij allen gelijkelijk participeren, aangevuld met de gedachte dat wij ook onze leefwerelden delen via een gedeeld Mitsein. Het authentieke Mitsein zou een soort vanzelfsprekende samenwerking en communicatie genereren op basis waarvan een gezonde organisatie kan draaien.

Dat is een mooie gedachte, maar ook enigszins romantisch en onrealistisch en wat mij betreft maar de helft van het verhaal. In veel gevallen zal de eigenheid van een individu namelijk ook leiden tot spanningen en breuken met de anderen met wie hij een wereld deelt. En niet altijd met uitzicht op een overbrugging omdat mensen nu eenmaal écht kunnen verschillen van elkaar. Dan is er meer nodig dan een ethiek die zich baseert op een gedeelde wereld. Dan is de omgang met verschillen minstens zo wezenlijk.

Heideggers probleem daarmee zou wel eens iets te maken kunnen hebben met zijn antisemitisme.

Zie ook Waarom Heidegger ons niet verder brengt en Verwondering of verbijstering

Geen opmerkingen:

Een reactie posten