vrijdag 30 oktober 2015

Wittgenstein als talmoedist


Het ligt niet voor de hand om Wittgenstein in verband te brengen met talmoedisch denken. Hijzelf zou als eerste bezwaar maken omdat hij niet graag aan zijn Joodse afkomst herinnerd wilde worden. En daarnaast omdat in Wittgensteins eigen ogen helder denken zijn handelsmerk was terwijl de talmoedische redeneertrant, zeker in zijn tijd, doorging voor obscuur en onnavolgbaar. Daar wilde hij dus niets mee te maken hebben.

Maar met Wittgenstein is wel wat aan de hand. Zijn aanvankelijke streven naar spatzuivere, lineaire logica en eenduidige waarheid maakte op een gegeven moment plaats voor de overtuiging dat er meerdere contextgebonden logica’s in meervoud naast elkaar konden bestaan. ‘De’ waarheid was zijn doel niet meer, eerder helderheid in het praktische gebruik van woorden en taal. Deze verandering in Wittgensteins denken is de oorzaak van het vrij gangbare onderscheid dat wordt gemaakt tussen een vroege en een late Wittgenstein.

De genoemde koerswijziging in zijn filosofie valt niet bij iedereen even goed en sommigen zijn zelfs geneigd Wittgensteins late filosofie als obscuur en onnavolgbaar te betitelen. Zo meende Bertrand Russell, groot fan van de vroege Wittgenstein, dat de latere Wittgenstein de filosofische zoektocht naar ware kennis gewoonweg opgaf en daarmee verzaakte aan de plicht van een filosoof. Volgens Ernest Gellner leidt de late Wittgenstein tot relativisme of conservatisme.

Anderen, zoals John Austin en Gilbert Ryle, volgen enthousiast in Wittgensteins voetspoor. In Nederland prijst Bert Keizer hem om de revolutionaire breuk met Plato die Wittgenstein voltrekt.

Ik behoor tot de tweede groep. Weliswaar heb ik enige reserve als het gaat om een mogelijk conservatief effect van Wittgensteins werk, maar over het geheel genomen vind ik het verfrissend en ontspannend. Het opmerkelijke daarbij is dat mijn waardering een aantal elementen betreft die ik ook aantref en waardeer in de stijl van de Talmoed. Daardoor staat wat mij betreft Wittgensteins denken dichter bij het talmoedische denken dan in het algemeen onderkend wordt, en dan hem zelf lief geweest was.

Waar denk ik aan als ik dat zeg? Wat zijn dan die mogelijk parallelle elementen? Ik denk aan twee dingen: een pragmatische interesse in het zoeken van begaanbare paden en het afzien van de notie van ‘de’ waarheid.

Voor de late Wittgenstein is het criterium voor bepaling van de ‘juiste visie’ de vraag of we ermee uit de voeten kunnen. Hij vraagt zich af wat er nodig is om uit de voeten te kunnen met een visie, en hoe je kunt handelen overeenkomstig wat de situatie van je vraagt. Wittgenstein doet dus heel bewust geen beroep op algemeen geldende waarheid als criterium voor handelen, zijn criterium is pragmatisch van aard.

Vraag niet wat een ding is, zo is zijn adagium, maar kijk hoe we erover spreken en ermee handelen. Zo doende komt hij uit bij contextgebonden betekenissen van taal, de betekenis van een woord is het gebruik ervan. “To know how to go on” is waar het om gaat. Wie er gelijk heeft is afhankelijk van het spel dat je speelt.

Neem bijvoorbeeld de maatschappelijke discussie over roken. Denkers in de lijn van de late Wittgenstein bekommeren zich niet zozeer over wat nu de wetenschappelijke waarheid is op dit vlak. Dus over de vraag of het sluitend bewezen is dat roken gezondheidsschade oplevert, en hoe dan precies.

Die denkers vragen zich wél af wat er maatschappelijk als feit geaccepteerd wordt, op basis waarvan wij feitelijk (kunnen) handelen. Zoals: dat we genoeg meegemaakt hebben om een verband tussen roken en longkanker aan te nemen, en geneigd zijn een zekere verantwoordelijkheid te leggen bij tabaksproducenten. En dat in de loop van de tijd andere accenten gelegd kunnen worden. Het gesprek over roken wordt op deze manier dus eerder een praktisch-normatieve vraag dan een waarheidskwestie.

In de Talmoed kunnen discussies op dezelfde manier verlopen. Een centraal criterium voor Talmoedische uitspraken is eveneens de vraag of er een begaanbaar pad tevoorschijn komt. Niet voor niets is het woord ‘halacha’ (het geheel van rabbijnse voorschriften) afgeleid van het werkwoord ‘gaan’. En als het je te doen is om een collectief begaanbaar pad, dan kan een set van richtinggevende voorschriften en omgangsvormen handiger zijn dan de beschikbaarheid van een massieve waarheid.

Een voorbeeld van talmoedisch redeneren is de behandeling van de vraag of een bepaalde oven koosjer is of niet. Rabbi Eliëzer doet voor zijn beantwoording van die vraag een beroep op goddelijke waarheid, en ter onderstreping daarvan weet hij God te bewegen tot allerlei bovennatuurlijke tekenen: “Als ik gelijk heb”, zegt Rabbi Eliëzer, “zal nu deze boom ontworteld worden en die rivier de andere kant op gaan stromen”, en het gebeurt nog ook. Maar de andere rabbijnen in de vergadering blijken geen boodschap te hebben aan die waarheid. “We besteden geen aandacht aan een hemelse stem, want U, Eeuwige, heeft lang geleden op de berg Sinaï geschreven in de Tora: Volg de meerderheid”. Gewoon democratisch beslissen dus, zonder goddelijke inmenging.

Opmerkelijk is dat een dergelijke manier van redeneren zowel in het geval van de Talmoed als in het geval van de Filosofische Onderzoekingen (van de late Wittgenstein) doorwerkt in de stijl waarin die boeken geschreven zijn. Beide hebben een springerig karakter waarbij redeneringen zich eerder via associaties voltrekken dan via een streng logische, lineaire opbouw. Verder is er in beide werken veel aandacht voor individuele, specifieke situaties en  gevallen. Bij Wittgenstein is dat een bewust gekozen stijl: hij spreekt veroordelend over de ‘minachting voor het individuele geval’ en hij bestrijdt de menselijke neiging om te generaliseren. “I’ll teach you differences”, zegt Wittgenstein, een streven dat aan de Talmoed ook wel toegeschreven kan worden.

Een onuitwisbaar verschil blijft dat in de Talmoed de mogelijkheid van herleiding van uitspraken tot een bijbelvers vereist is. Dat stuwt de associatieve wijze van denken van de rabbijnen tot grote hoogte, maar de mate waarin men zich daarbij in bochten wringt zou Wittgenstein ongetwijfeld te zeer tegen de borst stoten.

Blijft staan dat zowel Wittgenstein als de Talmoed beogen om met hun ordenend werk de geleefde menselijke praktijken te verhelderen en ondersteunen. Wie weet, als Wittgenstein niet gehinderd was door tijdgebonden vooroordelen tegen de Talmoed zou hij de parallellen misschien wel onderkend hebben.

Zie ook Het draagbare vaderland en Ik-lit

donderdag 22 oktober 2015

Ik-lit


Naema Tahir noemde laatst Die Welt von Gestern van Stefan Zweig een van de mooiste boeken die ze gelezen had. Voor mij geldt dat eigenlijk ook wel. Het is 35 jaar geleden dat ik het las, maar de leerzaamheid en het indringende genot ervan staan me nog scherp voor de geest.

Maar met de gedachten die ze daar vervolgens aan verbindt ben ik het geheel niet eens. Zij meent dat Zweig dat grootse effect bereikt doordat hij aan de buitenkant blijft: hij observeert zijn omgeving en styleert op een meesterlijke manier zijn bevindingen. Hij spreekt niet over zichzelf en die beheerste afstand creëert diepte en kunst.

Ze zet dat af tegen de tendens van moderne literatuur om uitgebreid in te gaan op het innerlijke leven van de auteur zelf, inclusief de lichamelijke en seksuele aspecten van het privé-leven. Zij noemt dat ‘ik-lit’, met Karl Ove Knausgård en Jonathan Littell als hedendaagse exponenten daarvan, en ze verfoeit het. In de eerste plaats omdat ze de vele seksuele details weerzinwikkend vindt. Maar in de tweede plaats, zoals ze zegt, omdat het innerlijk leven van een ander niet relevant zou zijn voor een lezer. En, naar ik op basis van de toon van het stuk vermoed, in de derde plaats om de aloude moralistische reden dat aandacht voor je eigen innerlijk egocentrisch is.

Bij Tahirs eerste argument kan ik me wel wat voorstellen: ik vind het vaak ook bepaald niet aangenaam om bijvoorbeeld de details van andermans seksleven opgediend te krijgen. Maar met haar tweede argument, namelijk dat het niet relevant zou zijn, ben ik het niet eens. Om die reden ben ik het ook hartgrondig oneens met haar normatieve, veroordelende afwijzing.

Ik ben bang dat Tahirs overwegingen net iets te veel afkomstig zijn uit de wereld van gisteren waarheen ze zich door Zweig heeft laten meevoeren. Die wereld van uitwendige beheersing, elegante maar dwingende objectiviteit, afstand en stylering is volstrekt achterhaald, zo is mijn overtuiging. Die drijft te zeer op elementen die onherstelbaar voorbij zijn zoals orde-denken en de vooronderstelling van een kosmische harmonie die je via beheersing en desnoods met enig geweld dichterbij kunt brengen. Kortom, op een in essentie platoonse opvatting van de wereld.

Dat onderliggende wereldbeeld is gedurende de afgelopen eeuw zijn geloofwaardigheid kwijtgeraakt. Voor het Westen is maatschappelijk gezien tot op de dag van vandaag de inmiddels tachtig jaar oude ontaarding van onze politieke orde in nazisme en stalinisme een onverbiddelijk kantelpunt gebleken. De diep in het Westerse denken verankerde hang naar objectieve orde en beheersing heeft in de ogen van veel deskundigen mede die totalitaire regimes mogelijk gemaakt.

Parallel daaraan is door de psycho-analyse en andere menswetenschappen het inzicht in onszelf en onze vaak troebele drijfveren inmiddels dermate overweldigend, dat het gepoetste  gentlemanbestaan van Zweig voor ons voorgoed onbereikbaar is geworden, maar eigenlijk ook als onrealistisch en daardoor onwenselijk is gaan gelden. Er zit voor ons niets anders op dan af te dalen in onze troebele levens, dus onze literatuur doet dat dus ook.

En ja, dat kan allerlei onthullingen opleveren waar Tahir van gruwt, zoals de vaststelling door een recente biograaf dat Zweig een potloodventer was. “Dat wil en hoor ik niet te weten”,  roept zij uit, “het is een soort bezoedeling.” Het vertroebelt de schoonheid en het is niet relevant.

Ik zou daarentegen zeggen: alleen al het feit dat haar verheven beeld erdoor onderuit gehaald kan worden maakt de onthulling relevant. Eerlijk gezegd vind ik de aandacht voor het innerlijk leven in ál zijn aspecten, en niet alleen de verhevene, wel een vooruitgang. Niet dat ik Knausgård ga lezen, maar de tendens dat moderne mensen proberen zo goed mogelijk te dealen met hun misschien weinig hoogstaande maar wel alledaagse lichamelijke, seksuele en geestelijke behoeften vind ik goed. En de onderkenning van de duistere diversiteit van menselijke strevingen zie ik als winst. Het is op den duur een beter middel tot het afwenden van sociale chaos dan de beheersende werking van een uitwendig beschavingsideaal.

Immers, hoe komen wij anders ooit uit die vaak steriele, objectiverende, communicatief arme sfeer op onze kantoren, scholen en universiteiten, dan doordat we systematisch onszelf als subject onder de loep nemen en uitdrukken? Dat als egocentrisch af te doen noem ik ouderwets normatief. Graag haal ik in dit verband Wittgenstein aan, in gesprek met Friedrich Waismann: “At the end of my lecture on ethics I spoke in the first person: I think that this is something very essential. Here there is nothing to be stated any more; all I can do is to step forth as an individual and speak in the first person.”

La belle époque ligt definitief in het verleden. Maar dat verlies kan heel leefbaar zijn en alleen maar leefbaarder worden als we ons innerlijk leven er meer in betrekken. Zo veel geloof in een zekere orde heb ik nog wel.

Zie ook Parrèsia, Ontsnapping en Goudmijn

donderdag 15 oktober 2015

Levinas en calculatie


Het gaat veel over emoties de laatste weken. Ze vliegen je om de oren: mededogen, angst, afkeer, enthousiasme, allemaal getriggerd door de toestroom van vluchtelingen. De commotie gaat gepaard met de nodige verstandige commentaren die oproepen tot beteugeling van de emoties met behulp van de ratio.

Zoals bijvoorbeeld dat van Nelleke Noordervliet in Trouw: “De emotie regeert. De ratio heeft er een hele kluif aan om dat monster te temmen. In wezen schelen de misselijke tweets over verdronken vluchtelingen niet heel veel van een zending knuffels.”

En Kim Putters, directeur van het SCP meent dat, “of je nu de grenzen wilt sluiten of enorme barmhartigheid toont”, we moeten waarschijnlijk nieuwe democratische methodes ontwikkelen om met deze problemen om te gaan.

Laat de verschillende emoties maar met elkaar de strijd aangaan, denk ik dan, ook binnen ieder individu afzonderlijk. De uitkomst van die strijd zal waarschijnlijk allerlei tussenposities opleveren, die op zichzelf weer een opstap naar meer ratio kunnen vormen.

Ondertussen moeten we niet doen alsof er niet gekozen hoeft te worden of gekozen wordt. Het Rode Kruis suggereert iets dergelijks in zijn advertenties in kranten en voor de radio, met de leus ‘Laat ons niet kiezen’.

Dat vind ik een ernstig misleidende leus, want natuurlijk wordt er voortdurend gekozen. Politici, van Merkel tot Orban, doen dat op dagelijkse basis door grenzen een beetje meer open en dicht te doen. De UNHCR selecteert vluchtelingen in de regio voor herhuisvesting in Europa en gaat daarbij uit van ‘objectieve criteria’, niet van het ‘subjectief verlangen’ van de vluchteling. En het toeval selecteert doordat sommige mensen net op het goede tijdstip op de goede plek zijn en anderen niet. Ik zou niet weten hoe dat anders kan. Niet iedereen kan hier komen, dat is nu juist de tragiek achter het hele gebeuren.

De utopie van het Rode Kruis gaat uit van dezelfde maakbaarheid als de journalist Ron Frese die laatst de minister-president indringend aankeek en vroeg: “Meneer Rutte, u bent toch wel in control?”. Dat maakbaarheidsdenken staat ver af van het noodgedwongen altijd utilistisch gekleurde handelen van de politiek. Daarin is bepalend wat haalbaar is voor het grootste aantal mensen, burgers en migranten, en daarbij ga je dus altijd uit van een bepaalde mate van collateral damage. Het is een vorm van calculatie.

Moet zoiets mijn favoriete filosoof Levinas, en daarmee mijzelf, niet recht tegen de haren instrijken? Dit staat toch haaks op de aandacht die Levinas vraagt voor de andere mens?

Ja, dat staat het zeker. En al helemaal als je Levinas zo uitlegt dat je voor ieder mens overal en altijd klaar moet staan. Nu leg ik hem niet zo uit, maar dan nog blijft een complicatie in zijn filosofie dat de Ander die ik tegenkom concurrentie kan krijgen van nog een Ander die ik tegenkom, van meerdere Anderen ook. Tegenover hen heb ik ook de absolute verplichtingen waar Levinas het over heeft, maar daardoor worden tegelijkertijd de verschillende verplichtingen enigszins gerelativeerd.

Levinas onderkent deze sociaal-politieke complicatie en loopt er niet voor weg. Maar hij biedt ook geen nieuw gezichtspunt en voegt zich op dit punt simpelweg in de Westerse politiek-filosofische traditie. Die houdt zich al eeuwen bezig met reflectie op afweging van alle concurrerende verplichtingen die mensen tegenover elkaar kunnen hebben. Levinas omarmt met enthousiasme de politieke en rechtsstatelijke instituties van onze samenleving waar die afweging plaats vindt. Hij acht het bestaan daarvan van zeer groot belang.

Als zijn toegevoegde waarde valt wél te beschouwen dat hij laat zien dat die enigszins kille sociaal-politieke belangenafweging nooit zomaar goed is. Door de afweging en de bijbehorende calculatie, worden de oorspronkelijke morele verplichtingen altijd in zekere mate verraden. Hoe zegenrijk het werk van onze wetgevers, rechters en wetenschappers ook is, de zelfgenoegzaamheid die die instituties soms vertonen is wat Levinas betreft per definitie misplaatst. En de stabiliteit en kwaliteit van hun producten hebben een hoog illusiegehalte, gemeten naar de vraag of de oorspronkelijke morele verplichting niet te veel geweld wordt aangedaan. Levinas wordt niet moe daar aandacht voor te vragen.

Zie ook Hoe naïef is Levinas eigenlijk? en Het totalitarisme is onder ons

dinsdag 6 oktober 2015

Zo logisch als wat


Eigenlijk is het zo logisch als wat: in een tijd van maximale mondigheid en geletterdheid zal de animo slinken voor gedachtegoed waarin vooraf bepaald is wat je wel of niet mag denken.

Vraag toch niet of het allemaal wel waar is wat de Bijbel zegt, is de remedie die bestuurder Arjan Plaisier van de Protestantse Kerk in Nederland zijn leden aanbeveelt.

Maar het zou wel eens precies die censurerende Christelijke reflex kunnen zijn die de kerk in een ontwikkelde samenleving op achterstand zet. Want zo wil een denkend mens toch niet worden toegesproken?

Ik snap wel wat Plaisier bedoelt. Namelijk dat het zo lekker is om je te kunnen overgeven aan een bepaalde traditie en bijbehorend gedachtegoed. Maar in een beetje mondige samenleving zal die traditie niet te veel bizarre en gekunstelde basisideeën moeten omvatten, want daarmee blijf je de mensen prikkelen tot de vragen die je niet wilt.

Zie ook Waar of raar en Plato ontzenuwd?

zaterdag 3 oktober 2015

Gevoel voor verhoudingen


Met terugwerkende kracht ben ik verbijsterd over de selectieve verontwaardiging van links-activistisch Nederland als het gaat om schendingen van de mensenrechten in het Midden-Oosten. Vijftig jaar lang is alle aandacht uitgegaan naar Israël en de Palestijnen en geen demonstratie of poster besteed aan de mensenrechtenschendingen vijftig kilometer verderop naar het Oosten in Syrië onder de Assads of iets verder in Irak onder Saddam.

Terwijl die schendingen qua aantallen en bruutheid de Israëlische schendingen vele malen overtroffen. Zo werd mij (trouwens niet voor het eerst) weer indringend duidelijk gemaakt door het artikel “Syrië: een kaalslag en geen einde” van Marcel Kurpershoek in NRC. De organisatie van de Syrische politiestaat was een klasse apart, martelingen waren aan de orde van de dag en de repressie van rebellen was meedogenloos met bijvoorbeeld tienduizenden doden in de stad Hama in 1982. In het land van Saddam Hoessein was het niet anders.

De verklaring voor die selectieve verontwaardiging moet zijn dat bekendheid met de Israëlische schendingen groter was, en dat de toegankelijkheid tot vrije nieuwsgaring in het gebied Israël/Palestina beter is. Een andere verklaring zou kunnen zijn dat Israël met zijn schendingen over zijn territoriale grenzen heen ging, al dan niet als gevolg van opgedrongen oorlogen. Terwijl het geweld in Syrië en Irak binnenlandse aangelegenheden waren die ‘alleen maar’ de eigen bevolking raakten. Maar meestal tellen dat soort internationaal-rechtelijke overwegingen niet voor linkse activisten die onrecht aan de kaak willen stellen. De enige verklaring die ik kan bedenken voor de vijftigjarige stilte inzake Syrië en Irak op het activistische front moet dus wel zijn: een blinde vlek voor de gebieden buiten Israël.

Ik noem dat een slecht gevoel voor verhoudingen. En dat gold niet alleen voor de afgelopen vijftig jaar, maar ook voor het recente verleden. De 2000 doden van de Gaza-oorlog van vorig jaar zijn er 2000 te veel maar het is een ander aantal dan de 260.000 eigen burgers die Assad de laatste vier jaar heeft omgebracht. Toch sloeg hier in Nederland bijna de vlam in de pan door het eerste en op geen enkele manier door het tweede.

Terwijl de Syriërs het verschil in omgekeerde zin onderschrijven door Assad te ontvluchten en in grote aantallen hierheen te komen. Dat zie ik de Palestijnen voorlopig nog niet doen. Over gevoel voor verhoudingen gesproken.

Zie ook Ontspoorde ideologie en Zo gek nog niet