vrijdag 25 september 2020

Wie je bent

Een antropologische wijsheid luidt: “Je weet het best wie je bent als je ook weet wie je niet bent”. 

Het lijkt me een wijsheid die je aan Joden niet hoeft te vertellen, want dat weten we al heel lang. Al in het Oude Testament laat God het volk weten: volg niet de gebruiken en afgoden van de andere volkeren, want ‘dat is mij een gruwel’. En toen het Christendom zijn zegetocht begon voelden de Joden heel duidelijk: dat is not our cup of tea. Dus zij weigerden zich te laten bekeren, hoeveel ellende hen dat in de loop van de geschiedenis ook bracht.

Het huidige Israël op zijn beurt weet heel goed wie het niet is. Een paar stappen over de grens aan de Noord- of de Oostkant kan je als Joodse Israëliër al in de problemen brengen. En economisch netwerken met de buren wil Israël wel, maar de gebruikelijke autocratische staatsinrichtingen van de andere Midden-oosterse landen wil de Joodse staat zeker niet overnemen.

Toch, met dat particularisme is niet het hele Joodse verhaal verteld. Er is namelijk ook zoiets als beslist-zeer-Joods universalisme: dat droomt van opheffing van alle grenzen tussen mensen, of die grenzen nu nationaal, etnisch of religieus van aard zijn. De profeet Jesaja schildert het visioen van een toekomstige paradijsachtige vrede tussen alle volkeren op aarde. In de 19e eeuw maakten veel Europese Joden zich sterk voor socialistische idealen die de emancipatie en gelijkheid van allerlei maatschappelijke groeperingen dichterbij zouden brengen. En na de Tweede Wereldoorlog hadden Joden zoals Raphael Lemkin en Hersch Lauterpacht een belangrijk aandeel in de opbouw van mensenrechten en het internationale strafrecht. Hun uitgangspunt daarbij was het bestaan van een mondiale gemeenschap die uitging boven de nationale grenzen en etnische identiteiten.

Ze zijn bijna niet bij elkaar te brengen, de twee polen van Joods particularisme en Joods universalisme. Daarbij moeten we wel bedenken dat die polen de meest extreem uiteen liggende posities zijn, in de praktijk blijken er veel mengvormen te bestaan. Daarbij denk ik aan de al millennia bestaande, en bij tijden bloeiende, Joodse diaspora over de hele wereld. En aan de reëel bestaande vredesakkoorden die Israël sluit met sommige buren, met de Verenigde Arabische Emiraten als meest recente aanwinst.

Het zou best eens kunnen dat weten wie je niet bent een stevig uitgangspunt vormt om te komen tot betrekkingen met degenen die je niet bent. Blijft staan dat grenzen tussen identiteiten niet zomaar kunnen worden opgeheven. Een gemakkelijke positie ten opzichte van grenzen bestaat kennelijk niet.

Zie ook Ellips in Israël


donderdag 17 september 2020

Vluchtelingen helpen, maar de Grieken ook

Naar aanleiding van de schandalige Moria-deal schreef hoogleraar publieksfilosofie Marli Huijer in Trouw: “De mensenrechten gelden voor ieder mens, ook buiten de landsgrenzen van de nationale staat. Iedereen die bedreigd wordt zou het recht moeten hebben bij ons aan te kloppen en in een fatsoenlijke asielprocedure te komen”. En verder: “De Moria-deal is louter denken in cijfers, waarbij het oog voor de specifieke situatie na de brand in het kamp volledig afwezig is”

Van dit soort uitspraken krijg ik altijd de kriebels.

Allereerst, wat haar bagatellisering van aantallen vluchtelingen betreft: spreken over aantallen is niet zo categorisch fout als zij stelt. Ook wie ruimhartig wil zijn kan voor aantallen komen te staan die te groot zijn. Je kunt wél zeggen dat in dit geval de Nederlandse aantallen (100, eigenlijk: 0) veelzeggend zijn want nonexistent, maar niet dat aantallen in dit soort kwesties geen rol spelen. Dat moet Huijer zelf trouwens ook weten. Zij vangt immigranten op in haar eigen huis en zal daar beslist een maximum voor gesteld hebben. Het is vervreemdend en dus niet constructief om dat te verdoezelen.

Dan, als het gaat om de nationale staat die open zou moeten staan voor alle bedreigde mensen wereldwijd: daar ontbreekt de historische dimensie. Al zouden filosofen dat anders willen, de mensheid springt niet van zijn oertoestand in één keer naar wereldwijd gerespecteerde mensenrechten.

Voor zover er rechtsstatelijke vooruitgang was in het Westen vond die altijd plaats binnen grenzen van nationale, al dan niet langs etnische lijnen opgebouwde staten. Dat is een organisatiekwestie – het organiseren van solidariteit is sowieso een moeilijke opgave, dat lukt niet meteen op grote schaal. De eerste stadia vereisen een behapbare omvang en een overzichtelijke bedding. Concreet historisch gezien lukte dat het beste in gemeenschappen met een gedeelde taal, geschiedenis en min of meer stabiele grenzen. 

Hoe begrijpelijk het ook is dat westerse leiders, na de nationalistische barbarij van de Tweede Wereldoorlog, dat ontwikkelingsproces wilden opschalen naar mondiaal niveau, we zijn daar te gretig in geweest. Al die verdragen van eind jaren veertig en begin jaren vijftig zoals de Verklaring van de Rechten van de Mens en het Vluchtelingenverdrag blijken te hoog gegrepen. We hebben ons ontwikkelingsstadium overschat en zitten nu met de vreemde paradox dat we ons verplicht hebben tot bescherming van mensenrechten wereldwijd maar tegelijkertijd buiten ons nationale territorium geen zeggenschap hebben. Huijer verwoordt zelf die paradox, maar ze neemt de implicaties ervan voor onze verplichtingen nauwelijks serieus, zoals Hannah Arendt dat bijvoorbeeld al vroeg wél deed.

Uit alles blijkt dat we nog maar net of niet voorbij de grenzen van de natiestaat durven kijken. Europese belastingen? Dat is opgeven van soevereiniteit! Brusselse regels voor Goudse kaas? Daar gaat onze identiteit! We kunnen onze huidige situatie maar het beste beschouwen als een vroeg stadium in de ontwikkeling naar steeds bredere samenwerking: net voorbij de natiestaat, aan het begin van het eerstvolgende grotere verband, namelijk Europa. Het is wat anders dan de wereldomspannende eeuwige vrede van Immanuel Kant, maar wel een stuk pragmatischer. Daarom moet naar mijn idee de verdere integratie van Europa krachtig ondersteund worden.

Het is waar, dat lost het probleem niet op dat Huijer ten grondslag ziet liggen aan alle vluchtelingenproblematiek: “Door een wij te creëren, creëren we ook een niet-wij”. Door grenzen te trekken ontstaat een wij en ontstaan anderen die daar niet bij horen. En ook al doet Europa landsgrenzen vervagen, de buitengrens van de Europese Unie wordt een nieuwe, keiharde grens tussen wij en niet-wij.

Maar ik ben bang dat we dat stadium niet kunnen overslaan. Het lijkt erop dat de westerse pogingen om de mensrechten in één keer wereldwijd in te voeren te optimistisch zijn geweest. In ieder geval is de handhaving daarvan wereldwijd op zijn retour. Des te meer reden om Europa te omarmen. Ook daarom is het hard nodig de Grieken te helpen met de vluchtelingen. En de Italianen net zo goed.

Zie ook Met universele waarden kom je niet ver en Wie is de ander bij Levinas?

vrijdag 11 september 2020

Moria in brand


Rutte is een charmante en knappe politicus. Maar nog langer wegkijken is gewoon crimineel.

Zie ook

Herhaling van zetten, over de soms beschamende kleinhartigheid van onze joviale premier

Behapbare aantallen, over de aanwezigheid van draagvlak waar je vooral gebruik van moet maken



donderdag 3 september 2020

Pfeijffer en geloof


Ilja Leonard Pfeijffer deed in Zomergasten een uitspraak die me in verwarring achterliet: “Bijna alle mensen die echt ergens in geloven zijn mooi”.

Misschien komt dat doordat de zomergast van de week ervoor, Jaap Goudsmit, waarschuwt tegen geloof - in zijn geval in de intuïtieve wetenschap -, hoeveel schoonheid daar ook lokt.

Het kan ook zijn dat ik het verwarrend vind om te horen dat Pfeijffer zelf weer ergens in gelooft. Hij was tot vijf jaar geleden de vleesgeworden afstandelijkheid, moeilijk te betrappen op enig enthousiasme voor wat dan ook, en met trotse ironie als belangrijkste uitstraling.

Maar nu draagt hij nadrukkelijk aandacht uit voor de andere mens en in zijn werk klinkt engagement door met de samenleving, onze democratie en het milieu. Waarschijnlijk doet het een mens goed om weer ergens in te geloven en doet dat Pfeijffer ook goed, dus dat kan zijn uitspraak verklaren.

Maar dan vind ik zijn bekering tot ‘geloof’, zonder nadere specificatie, toch iets te ondoordacht. Het enige voorbehoud wat hij nog maakt zit in het woordje ‘bijna’, maar het is van belang om daar preciezer in te zijn. Denk aan de tien jaren van ontnuchtering die Jaap Goudsmit nodig had om van zijn geloof in de intuïtieve wetenschap af te komen. 

Pfeijffer kwam zelf in een van de door hem gekozen filmfragmenten met het thema van de flat earth beweging. Aanhangers daarvan zijn beslist gelovig, maar vindt hij dat ook ‘mooi’? En zo zijn er nog veel meer enthousiaste bewegingen aan te wijzen, van complottheorieën tot fanatieke religieuze sektes, waar mensen met diepe overtuiging de meest rare dingen geloven. Is dat mooi?

Ik zou zeggen: geef me ten opzichte van de geloofsbekeerling Pfeijffer het gezonde deel terug van de scepticus Pfeijffer.

Zie ook Waar of raar?