vrijdag 27 november 2009

Grand Design


Slimme mensen hebben het moeilijk tegenwoordig. Want slimme mensen denken graag groot. Zij houden van het Grand Design.

Dat was tijdenlang geen probleem. Integendeel: zolang het geloof in maakbaarheid de boventoon voerde konden groots opgezette plannen niet groot genoeg zijn. Want ze droegen per definitie bij aan de verbetering van de wereld. Grand design op tal van gebieden was tegelijkertijd een uitdaging aan het intellect én een bijdrage aan een betere wereld. Zo vonden slimme denkers emplooi in de politiek, in de stedenbouw, in de ICT en in de financiële wereld. Zij ontwierpen daar verzorgingsstaten, massale uitbreidingswijken, complexe automatisering en ingewikkelde financiële producten.

Maar de verzorgingsstaat blijkt minder houdbaar dan gedacht. En volgens bouwkundig ingenieur Rudy Stroink lopen stadsplanners en ingenieurs tegenwoordig – en al vóór de kredietcrisis – vast in hun plannen. De stappen die ze willen nemen zijn te groot, vergen te veel kapitaal en te veel vergunningen.

In de ICT zijn we het bouwen van grote, integrale geautomatiseerde systemen – denk aan het UWV en de Belastingdienst – aan het afleren. Ze blijken te megalomaan, te overmoedig; het zijn recepten voor mislukking. Niet voor niets werd in Amerika het Grand Design in de automatisering al in 1996 bij wet verboden. En in de moderne agile aanpak van automatisering moeten de denkers zich inhouden. Ze kunnen minder vooruit ontwerpen en via voortdurend overleg met de toekomstige gebruikers zijn ze meer tijd kwijt aan het managen van verwachtingen.

En voor zover de bedenkers van de complexe financiële producten niet door hebzucht werden gedreven, maar door een oprecht geloof in de creatie van een risicoloze economie, zijn ook zij op ruwe wijze uit de droom geholpen. Bankieren moet weer saai worden.

Maar wat moeten al die ambitieuze, slimme mensen dan, als Grand Design niet meer kan?
Stroink pleit voor ‘klein denken’: straten en pleinen beter verzorgen, we moeten als het ware gaan tuinieren. En de voorstanders van agile automatisering wijzen op het belang van aandacht voor de basale processen en eenvoudige interacties tussen gebruikers, ontwikkelaars en systemen.

Ik ben daar erg voor, maar ik betwijfel of die benadering wel genoeg uitdaging biedt aan slimme mensen. Komen zij daarmee aan de nodige adrenaline? Als ik naar mijn Amsterdamse werk kijk ben ik daar niet zo optimistisch over. Want daar zie ik dagelijks hoe veel hoger opgeleiden en beleidsmakers zich liever terugtrekken in hooggestemde vergezichten dan in te gaan op de triviale details die wel veel meer de werkelijkheid bepalen.

Aan de andere kant: er zijn werkterreinen waar groot denken wel degelijk nog hard nodig blijft. Bijvoorbeeld dat van de milieubescherming. Als we daar niet gecoördineerd en op grote schaal alles uit de kast trekken zou het wel eens helemaal mis kunnen gaan. Bescheidenheid is daar niet op zijn plaats, dus wellicht een goed terrein voor de liefhebbers van het Grand Design?

Zie ook Adrenaline en Verstrikt in slimheid

dinsdag 17 november 2009

Gezag


De Engelse socioloog Frank Furedi had het over gezag vorige week, maar hij kwam er niet goed uit - vond ik. Niet tijdens zijn Thomas More-lezing van woensdag en ook niet in zijn NRC-artikel van zaterdag. Ik vond het verwarde stukken.

De teneur van zijn bijdragen is overwegend somber. Pessimistisch wordt Furedi van de constatering dat de samenleving tegenwoordig iets kwijt is wat je niet missen kunt, namelijk gezag. Geen enkele maatschappij kan immers voortbestaan zonder de werking van gezaghebbende instellingen, een vorm van collectief gezag is noodzakelijk. Vroeger bestond dat gezag in het zelfvertrouwen van de professionals – leraren, rechters, wetenschappers en artsen – en het vertrouwen dat de bevolking als geheel in hen had. Daar kon je een samenleving op bouwen. Die stevigheid is nu zoek. Professionals geloven niet meer in zichzelf, zij verschuilen zich liever achter procedures en 'deskundigen'. En de bevolking vertrouwt de professionals niet meer. Vandaar de wildgroei aan regels en procedures. Die moeten het gezagsvacuüm vullen, maar hollen eigenlijk het gezag alleen maar verder uit.

Maar tegelijkertijd wijst Furedi erop dat die deskundigenadviezen maar een wankele status hebben. Dat blijkt “uit de voortdurend felle discussies over onderwerpen als opvoeding, gezondheid, levensstijl”. Veel burgers hebben lak aan de doorgeschoten regelgeving en een procedurele samenleving. Zij geloven liever in zichzelf. Dat heeft weliswaar tot gevolg, dat traditioneel gezag erodeert maar als - volgens Furedi’s eigen formulering – gezag te maken heeft met geloven in jezelf, dan is die burgerlijke mondigheid te beschouwen als een nieuwe vorm van gezag. Dat zou Furedi toch optimistisch moeten stemmen?

In die laatste gedachte word ik gesterkt door de ophef rondom de inentingscampagne tegen de Mexicaanse griep. Volgens de pessimistische opvatting verloopt die campagne niet goed. Er is reden tot zorg want het ministerie en de medische stand slagen er maar moeilijk in om grote groepen mensen aan de prik te krijgen. Zij hebben onvoldoende gezag.

Maar gezag, omschreven als de uitstraling van geloof in jezelf en daar het respect voor krijgen, is er wel degelijk. De prikweigeraar kan gezien worden als de zelfbewuste persoon die de zo door Furedi verfoeide betuttelende samenleving en doorgeschoten regelgeving afwijst. Hij gelooft in zichzelf en komt van daaruit tot relativering van de regels.

En dokter Coutinho en zijn collega’s geloven niet minder in zichzelf. Ze staan voor de boodschap die ze brengen en schuiven het gebrek aan respons niet af op falende communicatiestrategieën of domheid van de burger. In die zin zijn ze niet minder gezagsvol dan de weigeraars. Zo bezien is er bijna een surplus aan gezag, althans volgens het criterium van gezag als staan voor waar je in gelooft.

Wat er duidelijk ontbreekt, zeker ten opzichte van vroeger, is gezag in de betekenis van controle over de hele samenleving. Als iets waar een heel collectief naar luistert. Als Furedi vasthoudt aan dat idee – bijna instemmend haalt hij Odysseus en Plato aan die pleiten voor collectief gezag onder één leider – dan heeft hij reden om pessimistisch te zijn. Maar de vraag is of dat niet een achterhaald idee is. Tot halverwege de moderniteit konden natiestaten daarmee vooruit, op nationaal niveau schaarden burgers zich toen achter hun leiders. Nu werkt dat niet meer.

Thijs Jansen en Loet Leydesdorff (Trouw van 11 november) denken dat we in de situatie gekomen zijn dat nooit meer de gehele bevolking van een land overtuigd kan worden van bijvoorbeeld een inentingscampagne. Dat lukt hooguit nog bij kleinere, overzichtelijke gemeenschappen. Verschillen van inzicht zullen ons, mede dankzij de voortschrijdende wetenschap, blijven vergezellen. Immers, zo zeggen zij, het besef heeft zich diep gevestigd dat kennis toch vaak alleen maar voorlopig is. Van die gedachte had men vroeger geen last.

Daar wil ik nog een andere factor aan toevoegen, die niets te maken heeft met wetenschap of (post-)moderniteit. Die factor is zo oud als de wereld en bestaat erin dat mensen gewoon nee kunnen zeggen. Het is al vaker gebleken dat de inhoud van een onderhavige kwestie bij zo’n weigering geheel geen rol speelt. Zelfs kan het zo zijn dat mensen het met de inhoud van een plan wel eens zijn en dan toch nog weigeren. Simpelweg omdat een ander het voor je heeft bedacht.

Zie ook Parrèsia

zaterdag 14 november 2009

Een enkel zinnetje


De betovering van de rede kan groot zijn. En de kracht ervan is misschien wel het beste voelbaar als we ons laten meevoeren door een helder, sluitend, rationeel betoog, van onszelf of van een ander. We ondervinden de weldaad daarvan totdat we ergens, half verstopt, een subversief, ongemakkelijk zinnetje tegenkomen. Met als effect dat het idee waar we geheel in op gingen leegloopt als een lekgestoken ballon.

Vaak zijn het korte zinnetjes die zo’n effect teweegbrengen, veelal een beetje aarzelend en bedeesd van karakter.

De econoom Keynes maakte zo’n korte, maar dodelijke aantekening bij het verhaal van de klassieke economie. Dat verhaal, sinds de negentiende eeuw verteld door economische filosofen en gretig omarmd door praktizerende economen, is een schoolvoorbeeld van een sluitend, rationeel betoog. Het betoog komt erop neer dat een economisch systeem altijd vanuit zichzelf naar evenwicht beweegt. Er kunnen zich crises voordoen, maar die laten zich gemakkelijk verklaren als veroorzaakt door een inefficiënt aanbod. Want in de klassieke theorie vindt spaargeld op een of andere manier altijd een bestemming zodra de prijs klopt. Het kan enige tijd duren, maar evenwicht zal als vanzelf weer ontstaan. En dan komt Keynes en die zegt: mensen en instituties kunnen simpelweg, los van de prijs, stoppen met investeren en consumeren, bijvoorbeeld omdat ze onzeker zijn. Raadselachtig misschien, maar consumenten kunnen nee zeggen. En weg is de zekerheid van het sluitende model.

Een soortgelijke plotselinge overgang van zekerheid naar onzekerheid voltrekt zich in het artikel over de economische crisis dat Frank Ankersmit laatst presenteerde in Trouw. Hij voert je mee in zijn uiteenzetting van de modellen die werden opgesteld tijdens de financieel-economische hype. Je voelt de geruststelling die uitgaat van de gedachte dat alle variabelen in kaart gebracht zijn: toekomstige opbrengsten, risico’s en de invloed van die risico’s op de opbrengsten. Maar dan zegt hij ineens: “Er is altijd de mogelijkheid dat een belangrijke variabele buiten beschouwing bleef”. Zo’n zinnetje is vernietigend want het trekt in één keer de absolute zekerheid onderuit. Immers, als één steen wankelt kan het hele bouwwerk instorten. En dat is ook wel gebleken.

In de filosofie zijn eveneens vaak alomvattende ideeën omarmd. Bijvoorbeeld de gedachte dat alle mensen ‘ten diepste’ hetzelfde zijn, en dat iedere ethiek vanuit die gedachte moet vertrekken. Maar wat, zegt de filosoof Hillary Putnam, als soms iemand gelooft dat sommige anderen nét niet ‘echt’ hetzelfde zijn? Dat zet, zegt hij, de deur open naar een holocaust. Weg betoog, weg ethiek, met dat ene zinnetje als boosdoener. De veronderstelde, en gezochte universaliteit is ineens verdwenen, er sluipt onmiddellijk willekeur in het verhaal. Ons houvast is weg.

Je kunt er verdrietig van worden, dat onze sluitende verhalen vaak niet houdbaar blijken te zijn. Maar is het dan een oplossing om, zoals het Handvest voor compassie recent deed, nog eens extra de intentie te benadrukken om "een ieder, zonder enige uitzondering, te behandelen met volstrekte waardigheid, billijkheid en respect". Of is zo'n uitspraak eigenlijk totalitair? En kan die eigenlijk niet anders dan cynisme in de hand werken, en daarmee de ethiek als geheel op het spel zetten, omdat het gewoon onmogelijk is?

Het is de verdienste van onder andere Levinas geweest om erop te wijzen dat die verstorende zinnetjes ook positief te duiden zijn. Ze doorbreken het totalitaire karakter dat onze ideeën al gauw krijgen als ze ongestoord hun gang kunnen gaan.

donderdag 5 november 2009

Ontzettend fout


Ik kan er niks aan doen, maar ik word er een beetje vrolijk van. Van die barokke Zaanse geveltjes, tot hoog in de lucht gestapeld als aankleding van de nieuwe gebouwen die in het centrum van Zaandam verrijzen. Zij maken deel uit van het plan Inverdan van Sjoerd Soeters voor een nieuw stadshart bij het station van Zaandam.

Dat mijn vrolijkheid esthetisch incorrect is weet ik heel goed. Zoals Abram de Swaan onlangs vaststelde in de NRC leven wij sinds het begin van de twintigste eeuw onder het regime van het functionele bouwen. Om sociale en technische redenen (de noodzaak en mogelijkheid van massabouw) deed men versieringen in de bouw in de ban en concentreerde men zich op een nieuwe norm. De constructie moest getoond worden en die moest de functie verhelderen in de vorm. Zo komt de naakte waarheid aan de oppervlakte.

Dit kan ook esthetisch heel bevredigend zijn. Het is onmiskenbaar waar dat die functionele focus zijn eigen schoonheid met zich meebrengt. Er zijn genoeg gebouwen uit die school die zeer te genieten zijn, bijvoorbeeld van Mies van der Rohe of Frank Lloyd Wright.

Maar tegelijkertijd heeft die kraakheldere functionaliteit iets bits en steekt als reactie daarop een verlangen naar ornament en decoratie de kop weer op. De Swaan constateert dat dat bijvoorbeeld geldt voor veel Turkse en Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse Nederlanders. Zij trekken in onze strakke, onversierde huizen, maar zo gauw ze de kans krijgen brengen ze wat boogjes aan in de hal of stuccen ze de woonkamer met allerlei profielen. In die trend voegen zich nu de Zaankanters met gekleurde collages van trap- en klokgeveltjes.

Je riskeert natuurlijk wel om in levengrote kitsch terecht te komen, en ik ben er, ondanks mijn vrolijkheid, nog niet helemaal van overtuigd dat dat in Zaandam niet gaat gebeuren. Maar, zoals Joep Schrijvers onlangs zei, brutaal is het wel, en over the top. Ze durven het toch maar.

In die sprong is meer in het geding dan alleen nostalgische heimwee naar vroeger. Er zit ook een soort verzet in tegen het modernistische smaakdictaat. Want je kunt weliswaar genieten van de helderheid daarvan, maar de afstandelijkheid creëert vervreemding. Het kan in zijn genadeloze soberheid een totalitair karakter krijgen. De stadsvisionair Charles Landry was laatst in Amsterdam en vertelde daar dat, als je verbinding met een plek wilt creëren, zintuigen en emoties mogen concurreren met technische en functionele kwaliteiten. Desnoods voorbij het punt van de functionaliteit.