vrijdag 17 mei 2019

Onder de indruk


Ik was óók erg onder de indruk van Edith Eva Eger, de ballerina van Auschwitz. Dat zeg ik zo omdat Stevo Akkerman in de krant vertelde hoe hij van zijn sokken geblazen werd door de interviews met haar van de afgelopen maand.

Dat snap ik goed. Eger had moeten dansen voor Jozef Mengele terwijl haar ouders vermoord werden. Ze kwam meer dood dan levend uit het kamp, maar bleek in staat om in de Verenigde Staten uit te groeien tot een succesvolle psychotherapeut. Onlangs publiceerde ze, nu 91, het boek De keuze.

Geheel begrijpelijk stelt Akkerman zichzelf de vraag hoe een mens zo’n draai kan maken, van haat naar liefde: “Als dat ons, geconfronteerd met het doodgewone kwaad in onze doodgewone levens, al nauwelijks lukt, hoe haar dan wel?”

Die fascinatie kan ik volgen, en ook die andere die Akkerman er aan toevoegt: “Ze deed me denken aan Etty Hillesum in haar menselijkheid”. Maar hoe leidend moet een dergelijke fascinatie zijn? Betekent dit dat dergelijke uitzonderlijke voorbeelden maatstaf moeten worden voor de beoordeling van onszelf en anderen?

Ik stel die vraag omdat bij mij tegelijkertijd herinneringen bovenkomen aan behoorlijk vernietigende oordelen van Akkerman over het huidige gedrag van de staat Israël. Afgewogen in zijn oordeel is Akkerman altijd, maar toch: je zou daar, op basis van zijn boven geciteerde consideratie met onze menselijke gesteldheid, wat meer mildheid verwachten.

Enigszins bijgesteld zou zijn vraag vanuit die consideratie kunnen luiden: als het ons, geconfronteerd met het doodgewone kwaad in onze doodgewone levens, al nauwelijks lukt om daar fatsoenlijk mee om te gaan, hoe kun je dan verwachten dat er in Israël, met al die door de Sjoa en latere verdedigingsoorlogen (zwaar) getraumatiseerden, iets anders uitkomt dan nu het geval is: een land dat overleving nog steeds op de eerste plaats zet, en dat besloten heeft om zich – een groep bijzondere activisten daargelaten – niet erg te bekommeren om het Palestijnse leed?

Ik snap dat je in deze gewelddadige wereld bakens zoekt waaraan je hoop kunt ontlenen. Maar het gaat fout als je gewone mensen in hun dagdagelijkse sores en struggle for life gaat afrekenen op hun tekortschieten ten opzichte van buitengewone mensen als Eger of Hillesum.

Terecht zegt hij, met Arnon Grunberg in zijn essay Oorlog en kamp gaan altijd ook over ons, dat het gevaarlijk is om de mens te beschouwen als fundamenteel onbeschadigd en tot perfect gedrag in staat. Maar is dat niet wat er gebeurt als westerse commentatoren Joodse helden uitkiezen en hen reduceren tot handleidingen voor het leven in de meest extreme omstandigheden? Die zijn allemaal al gauw van bovenmenselijke, onbevlekte statuur: Eger, Hillesum, Jezus, Maria. De rest woont in Israël of zit in zaken.

Zie ook De gelaagdheid van Ari Shavit

donderdag 9 mei 2019

Het Europarlement als huiskamer


Mijn smaak voor politiek werd gewekt toen ik, in de jaren 1970, in korte tijd via de tv een aantal kamerdebatten kreeg voorgeschoteld. Ik weet niet meer waar ze over gingen, maar ik weet wel dat een aantal hoofdrolspelers zoals Den Uyl, Wiegel, Van Agt, Van Thijn mij geleidelijk aan vertrouwd werden als bekende karakters.

Ik vond het interessant om te zien hoe ze wel of niet op elkaar ingingen, pleidooien hielden of grappen maakten. Ik kreeg er een intiem gevoel bij, zo van ik ken die mensen. De Tweede Kamer voelde als de nationale huiskamer, eigendom van ons allemaal.

Zoiets moet voor het Europarlement langzamerhand ook mogelijk zijn, denk ik wel eens. De problematiek die ter sprake komt heeft het beslist in zich, de behandelde kwesties lenen zich voor identificatie en betrokkenheid. Of het nu gaat over boetes voor BigTech, het verbod op insecticiden of handhaving van rechtsstatelijkheid, het is allemaal van groot belang.

Een aantal Europolitici heeft het ook wel in zich om betrokkenheid (of verontwaardiging) te wekken met hun optreden en overtuigingen, denk aan Guy Verhofstadt, Margrethe Vestager, Nigel Farage, Frans Timmermans. Inderdaad, mede door de manier waarop ze interacteren.

Maar de media zijn nog niet gewend om even veel aandacht te besteden aan Europarlementdebatten als aan Tweede Kamerdebatten. Bijvoorbeeld door hoogtepunten daaruit, al dan niet live, te vertonen.

Maar misschien is wat een echte huiskamerbeleving nog het meest in de weg staat is de afwezigheid van een enkele, gedeelde taal in de debatten. Uitwisseling van meningen, verwijten of grappen vindt nu eenmaal directer plaats als er geen vertaler tussen hoeft te zitten. Daar zullen we dan toch echt aan moeten wennen.

Zie ook Baudet verklaard

vrijdag 3 mei 2019

Antisemitisme


Al was het feest vorige week – dat van onze bevrijding uit de slavernij van Egypte –, ik wilde toch even mijn gedachten laten gaan over zoiets ongezelligs als antisemitisme. De aanleiding vormden twee interviews in de krant.

Het ene interview was met Ivan Jablonka, Frans historicus en schrijver. Hij merkt op dat het ondoenlijk is om antisemitisme toe te schrijven aan concrete aanleidingen of aan bepaalde bevolkingsgroepen. In Frankrijk bijvoorbeeld leefde het vanaf het einde van de negentiende eeuw – even los gezien van al de eeuwen daarvóór – evenzeer in de arbeidersbeweging als in de bourgeoisie, en tegenwoordig vind je het zowel op uiterst links als uiterst recht. En dan maakt hij de grote, maar naar mijn idee terechte sprong naar de conclusie: “De onderliggende gedachte is dat Joden de wereld verstoren, dat de wereld beter af zou zijn zonder Joden of Israël. Dat is de grondtoon”. Met andere woorden: Joden zijn per definitie aanstootgevend, met of zonder bekering tot het Christendom, met of zonder Israël, of ze nu kapitalist zijn of communist of nette burgerman.

Deze conclusie is in lijn met mijn eigen conclusies in een aantal columns, dat antisemitisme feitelijk fungeert als iets metafysisch, als een axioma, waar mogelijk corrigerende constateringen geen vat op hebben. Antisemitische opvattingen lijken niet bijstuurbaar te zijn, dat maakt het zo moeilijk om er tegen te vechten.

Wat je wel kunt zeggen is dat sommige uitspraken van onze kant niet bepaald helpend zijn. Daarmee kom ik op het tweede interview dat me bezighoudt, namelijk dat met rabbijn Yanki Jacobs in Trouw over het Pesachfeest. Naar aanleiding daarvan zegt Jacobs: “Dit feest gaat over vrijheid – je nooit laten begrenzen, niet door jezelf, niet door anderen, niet door wat dan ook”.

Het eerste deel van de uitspraak gaat nog, want jezelf overwinnen is natuurlijk altijd iets moois. Maar de tweede helft kun je gemakkelijk lezen als een pleidooi om je van anderen niets aan te trekken, en dan is het nogal een uitspraak. Misschien bedoelt hij het niet zo, maar dan moet hij het ook niet zo zeggen. De associaties met zich superieur voelende herrenvolken zijn snel gemaakt. Judaism first, zeg maar.

Dan heb ik meer met het Jodendom à la Levinas. Waar Jacobs zich eigenlijk plaatst in een lange rij van westerse denkers, van Socrates tot de stoïcijnen en van Sartre tot de hippies, die vrijheid en onverstoorbaarheid tot hoogste goed verklaren, laat Levinas iets anders zien. Levinas problematiseert op een fundamentele manier het westerse uitgangspunt van het autonome, vrije zelf.  Zijn voorstel is om daartegenover nu eens niet een nieuwe filosofie van de vrijheid te zetten, maar een filosofie van de verantwoordelijkheid, die start bij de ander. En dat komt mij voor als heel Joods.

Maar kun je dan geen Pesach meer vieren, het feest van de vrijheid? Natuurlijk wel, iedere bevrijding uit welke onderdrukking en slavernij dan ook is het waard om herdacht en gevierd te worden. Maar dat is iets anders dan je van anderen niets aan te trekken.

Zie ook Levinas als revolutionair