vrijdag 10 juli 2020

Annexatie


Het deugt niet. Punt uit. Annexatie van andermans land is onfatsoenlijk, en als je dat zelf niet kunt bedenken zijn de regels van het internationale recht daarover duidelijk genoeg.

Ik wijs annexatie dus af. Maar ik ben genoeg historicus om te weten: water stroomt naar het laagste punt en een machtsvacuüm houdt niet lang stand tegen overmacht. De verschillen in militair, politiek en economisch opzicht tussen Israël en Palestina op de Westbank zijn simpelweg te groot. Daardoor zal de huidige dynamiek van Israëlische expansie gewoon doorgaan, heel cynisch maar waar.

Tegenover deze neerdrukkende werkelijkheid laat ik me af en toe optrekken door geluiden over constructieve Palestijns-Israëlische samenwerking. Zo zou een flink aantal Palestijnen voor werk en welvaartsniveau liever bij Israël horen dan in een eigen Palestijnse staat te wonen. Een dergelijk geluid kwam bijvoorbeeld onlangs van Crescas columnist Eldad Kisch. Vanwege zijn niet aflatende medische activisme ten behoeve van Palestijnen beschouw ik hem als onverdachte bron. Hij tilt niet zo zwaar aan de voorgenomen annexatie.

Blijft staan, zeker bij verdergaande annexatie, dat Israël de Palestijnen van de Westbank als Israëlische burgers zal moeten beschouwen, inclusief stemrecht en andere rechten. Zo niet, dan dreigt Israël een racistische staat te worden.

Zie ook Schuiven

maandag 29 juni 2020

Wie is de ander bij Levinas?


“Let een beetje op elkaar”, of: “Zorg goed voor je naaste”; met die uitspraken zijn we het graag snel eens, zeker in tijden van corona. Maar voor wie een beetje doordenkt doet zich al gauw de vraag voor: wie is die naaste, wie is ‘elkaar’? Ik kan toch niet voor iedereen zorgen? De filosoof Emmanuel Levinas biedt via het thema ‘denkschaamte’ mogelijke antwoorden op de vraag ‘Wie is de ander?’. Daarover gaat mijn bijdrage voor de webinars van adviesbureau Haagse Beek.

Zie ook Denken voor een ander en Levinas zoals ik hem begrijp.

vrijdag 26 juni 2020

Pelgrimstocht


Gied ten Berge is socioloog, theoloog en vredesactivist. Hij was jarenlang actief voor Christelijke vredesbewegingen als het Interkerkelijk Vredesberaad en Pax Christi. Dat is gevoelig terrein, en daar voegde hij vorige week met zijn proefschrift nog een gevoelig onderwerp aan toe: Pelgrimeren met een missie. Het Palestijnse ‘Kom en zie’-initiatief in cultuurwetenschappelijk en historisch-theologisch perspectief.

De titel verwijst naar een oproep uit 2009 van een groep Palestijnse Christenen aan Christenen wereldwijd om naar hun land te pelgrimeren en er de harde werkelijkheid te zien en “een boodschap van vrede, liefde en verzoening” te brengen.

Wat is daar zo gevoelig aan? Nou, vanuit Joods perspectief denk je al gauw aan de spontane voorliefde voor de underdog in kringen van de vredesbeweging, en dus aan anti-Israëlische vooringenomenheid vanwege het militair-politieke overwicht van Israël tegenover de Palestijnen. Maar ook vanuit intern-Palestijns perspectief ligt er voldoende conflictstof. Palestijnse Christenen hebben te lijden onder de toenemende invloed van de Islam in het hele Midden-Oosten. In tegenstelling tot de Islamitische Palestijnen krimpen zij in aantallen en invloed.

Ten Berge lijkt op een ontspannen manier om te gaan met deze gevoeligheden. Zo gebruikt hij de term ‘Het Land’ in een duidelijke poging om de term ‘Het Heilige Land’ te vermijden. Daar kan ik goed mee instemmen, je moet altijd oppassen met het heilig verklaren van landen en dingen en mensen. Nu komt hij trouwens wel erg dicht in de buurt van het in Joodse kring veel gebruikte ‘HaArets’.

Op de vraag of ‘Kom en zie’ tegen Israël gericht is, antwoordt hij dat de pelgrims geen partij kiezen en met iedereen spreken, van Palestijnse activisten tot Joods-Israëlische kolonisten. Daardoor kunnen onverwachte inzichten ontstaan. De mooiste omslag in de ogen van Ten Berge was die van een jezuïet met ervaringen in Libanon die hem fel anti-Israël hadden gemaakt. Na een ontmoeting met Yehuda Shaul, de oprichter van de beweging ‘Breaking the Silence’ van Israëlische oud-militairen, raakte de man heftig geëmotioneerd: hij was zijn vijandbeeld kwijt. Hopelijk kan Ten Berge ook voorbeelden noemen van beweging in omgekeerde richting.

Eigenlijk sluit de nadruk van Ten Berge op schokkende ontmoetingen met mensen die nét of helemaal anders zijn dan je dacht goed aan bij mijn interesse: zomaar, bij verrassing, geraakt worden door een ander. Maar moet je daarvoor op pelgrimstocht? En met een missie nog wel? Zelf heeft Ten Berge het niet zo op de modieuze pelgrimstochten naar Santiago de Compostella. “De kerk liep leeg, en plots liep iedereen naar Santiago. Dat type pelgrim heeft zelfrealisatie als hoogste waarde”, die is vooral op zoek naar zichzelf.

Daar stelt Ten Berge de tocht naar Palestina tegenover: “Je verlaat je eigen omgeving, je durft het grensgebied in te gaan en andere mensen te ontmoeten, waardoor je de dingen plotseling heel anders kunt gaan zien”. Ik snap wat hij bedoelt, maar wat mij betreft is het nog te ver gezocht. De andersheid die je kan schokken woont gewoon bij je in de straat, of zelfs in huis.

Zie ook Markering

vrijdag 12 juni 2020

Levinas en politiek


Geraakt worden door de pijn die een ander heeft van jouw opstelling. Dat is misschien een schattig verschijnsel uit de privé-sfeer, maar maatschappelijk gezien is het niet erg relevant.

Zo ongeveer loopt de redenering die betwijfelt of de Frans-Joodse filosoof Emmanuel Levinas met zijn aandacht voor de ander in politiek en maatschappelijk opzicht wel van betekenis kan zijn. Overigens ken ik als Levinas-fan die twijfel zelf ook wel, zoals bijvoorbeeld te horen is aan het slot van de Bevrijdingsdaglezing van Crescas, in mijn antwoord op de vraag die Diklah Zohar daar stelt.

Maar deze week voltrok zich een mooi gevalletje denkschaamte met wel degelijk politieke gevolgen. Overeenkomstig het levinassiaanse schema startte premier Rutte zes jaar geleden nog vanuit de comfortabele positie van enthousiaste supporter van Sinterklaas als een onschuldig kinderfeest, beleefde de confrontatie met (naar eigen zeggen) “mensen en kleine kinderen die zich ongelofelijk gediscrimineerd voelden”, en komt nu uit bij de opvatting dat Zwarte Piet niet meer kan.

Het maakt – politiek gezien – natuurlijk wel uit of het een politieke leider is die zo’n draai maakt, of een gewone burger zoals ik. Maar daar zitten nog allerlei gradaties en smaken tussenin, zoals bijvoorbeeld de soortgelijke ervaring waar schrijver Robert Vuijsje over vertelt. In ieder geval valt niet meer uit te sluiten dát zo’n draai maatschappelijk relevant kan zijn.

Zie ook Hoe naïef is Levinas eigenlijk? en Wie is de ander bij Levinas?

vrijdag 29 mei 2020

Zaligverklaring


“In het Christendom worden alle universele antwoorden te schande gemaakt en is het goddelijke nauw verbonden gebleken met het dagelijkse en concrete”, aldus verwoordt de theoloog Erik Borgman volgens zijn recensent de kern van zijn Christelijke geloof.

Ik moet zeggen, een dergelijke kritische houding tegenover de arrogantie van universele boodschappen waarin religies al snel vervallen, spreekt mij aan. En waardering voor de  bescheidenheid van het concrete particuliere en locale is me uit het hart gegrepen.

Maar waar haalt Borgman het vandaan? Hoeveel geweld moet hij de feitelijke geschiedenis van tweeduizend jaar Christendom aandoen om tot die uitspraak te komen? Want was de opdracht om het Christelijke geloof, goedschiks of kwaadschiks, uit te rollen tot in de uithoeken van de aarde niet vanaf de tweede of derde eeuw al een belangrijk geloofspunt? Immers, Christus was voor alle mensen gestorven, dus dat zullen ze weten ook.

Jawel, zegt Borgman misschien, maar daar hebben we van geleerd. Tegenwoordig begrijpt de kerk dat dat soort pretenties en missiedrang niet altijd mensvriendelijk zijn. Dat gaat in tegen de naastenliefde, en daarom heeft de kerk een draai gemaakt: van universeel opdringerig naar bescheiden nabij in concrete leefsituaties.

Zou Borgman dat zelf kunnen geloven? Kun je met zoveel gemak tweeduizend jaar imperialistische geschiedenis uitwissen? Bovendien: het missionaire gedachtengoed is helemaal niet dood, het is springlevend. Een mooie illustratie daarvan biedt het recente besluit van paus Franciscus om de zaligverklaring van Isabella van Castilië, bijgenaamd Isabella de Katholieke (1451-1504), opnieuw op te starten. Het proces voor haar zaligverklaring was al in 1958 gestart, maar werd onderbroken in 1991 omdat op dat moment Isabella’s rol in de verdrijving van de Joden uit Spanje een te groot obstakel leek te zijn. Dat de paus haar zaligverklaring nu weer voortzet, heeft te maken met haar belangrijke aandeel in de evangelisatie van Zuid-Amerika. Isabella financierde onder meer de expeditie van Christoffel Columbus, die leidde tot de ontdekking van Amerika in 1492.

Deze gang van zaken toont het omgekeerde van wat Borgman beweert. Er was misschien even, tot vijftig, zestig jaar na de Tweede Wereldoorlog, in de kerk een schuldig bewustzijn over wat de universele heilsboodschap met Joden (net zo goed als met Zuid-Amerikaanse Indianen) gedaan had. Maar Franciscus’ motief voor het herstarten van de zaligverklaring laat zien hoe diep het evangelische universalisme geworteld is in het kerkelijke DNA.

Als Borgman niettemin zelf oprecht gelooft in zijn uitspraak, is het waarschijnlijk door de toepassing van een veelbeproefd recept om onwelgevallige dingen van je geloofstraditie ‘een plekje te geven’. Hij valt terug op het dualistische schema dat onderscheidt maakt tussen de wereldse, zondige verschijningsvorm van de kerk op aarde, en de ware, spiritueel opgevatte kerk waartoe Borgman zich bekent.

Ik houd het erop dat het reëel bestaande Christendom toch werkelijk tot in zijn diepste vezels universalistisch en missionair is. Nog steeds.

Zie ook Groots, want universeel

zaterdag 16 mei 2020

Iedereen helpen? Dat verlamt


Noem mij politiek incorrect, verwijt me het doorbreken van eerbiedwaardige taboes. Want het klopt, ik ben tegen het intensief opsporen en oppikken van vluchtelingen op de Middellandse Zee door West-Europese hulporganisaties. En inderdaad, ik geloof dat er zoiets is als een aanzuigende werking.

Maar dat weerhoudt me niet om nu vurig te pleiten voor deelname aan de actie #Weeswelkom#500kinderen die is gestart door de zanger Joshua Nolet. Die actie voor het opnemen van 500 ouderloze kinderen van de Griekse eilanden voldoet namelijk aan alle voorwaarden voor levensvatbaarheid die je aan zo’n actie mag stellen: het is te overzien, het is uitvoerbaar en meer dan zestig gemeentes hebben zich al bereid verklaard tot opvang. Dan kun je toch niet meer weigeren?

Toen Nolet gisteren in Op1 zijn initiatief presenteerde haakte coronagezant Feike Sijbesma daarbij aan door te vertellen dat door corona, sprinkhanen en milieuschade nu nog veel meer ellende in de maak is. Heel Afrika zal daardoor getroffen worden, en daar zullen we ook iets mee moeten. Sijbesma bedoelde het goed, maar het effect van zo’n uitvergroting van onze verplichtingen jegens anderen creëerde direct een verlammend gevoel van onmacht in de studio.

Terecht wees Nolet vervolgens op de simpelheid en duidelijkheid van zijn initiatief. Niet iedereen is kennelijk onze naaste, al hebben we het vaak wel zo geleerd. Laat ons universaliserende denken alsjeblieft niet onze direct mogelijke acties blokkeren. Dus verschijn aanstaande maandag om 11.55u op Instagram (als je dat hebt).

Los daarvan, het misstaat ons als gevestigd EU-lid beslist niet om eens een gebaar van solidariteit naar Griekenland te maken.

Zie ook Behapbare aantallen en Met universele waarden kom je niet ver

vrijdag 15 mei 2020

De schuld van religie


Opvallend is het wel in de verhalen over coronabesmettingsbronnen: de rol van religieuze bijeenkomsten. In Frankrijk kon een van de grootste besmettingshaarden in verband worden gebracht met een Evangelisch-charismatische manifestatie in Mulhouse, op Goeree-Overflakkee met de Hervormde Exoduskerk en in India met een Islamitisch centrum in New Delhi. Maar die besmettingen zijn nog enigszins geëxcuseerd omdat ze plaatsvonden in de begintijd, toen Rutte per ongeluk ook nog handen gaf.

Maar bij recente berichten lijkt regelrechte moedwil in het spel te zijn. In New York woonden 2500 Chassidiem de begrafenis bij van een geliefde rabbijn, in Rusland gingen met Pasen veel Orthodoxe parochies hun eigen gang en in Israël moeten ordetroepen de maatregelen afdwingen in ultraorthodoxe buurten.

Daar zijn allerlei reacties op mogelijk. Voor sommige religiehaters vormen deze gebeurtenissen het zoveelste bewijs dat religieuze mensen achterlijk zijn. Andere religiehaters nemen de gelovigen niks kwalijk – die zijn gebrainwasht en dat kunnen ze ook niet helpen – maar wel de religies, die als instituten per definitie achterlijk zouden zijn. Weer anderen trekken het nog breder: religies zijn een deelverzameling van de grotere verzameling van ideologieën die een bepaalde werking hebben op onze geest en ons op listige wijze kunnen verblinden.

De eerste reactie, dat gelovigen per definitie achterlijk zijn, kan gemakkelijk weerlegd worden. Daarvoor hoef je alleen maar te wijzen op de overgrote meerderheid van gelovigen op de wereld die instemmen met de anti-coronamaatregelen en ze in de praktijk brengen. Zij organiseren al lang geen live bijeenkomsten meer, treffen elkaar in zoom-sessies of wachten op betere tijden.

Tegen de tweede reactie valt in te brengen dat religies geen onveranderlijke grootheden zijn. Mede onder invloed van de feitelijk levende en in meerderheid redelijk denkende gelovigen veranderen religies door de geschiedenis heen voortdurend van karakter. Dus van ‘achterlijkheid per definitie’ kan geen sprake zijn, hooguit bij sommige stromingen binnen de religies. In conservatieve Russische kring bijvoorbeeld wordt het gevaar van het coronavirus steevast gebagatelliseerd, de communie via een gezamenlijke lepel zou zelfs de beste bescherming bieden tegen het virus. Maar in Rusland zie je ook vooruitstrevende kerken die hun parochianen vragen helemaal af te zien van het kussen van iconen of andere voorwerpen.

Curieus is dat de over één kam scherende bestempeling van religies als achterlijk vaak gepaard gaat met de klakkeloze inruil daarvan tegen seculiere ideologieën zoals socialisme, kapitalisme, fascisme of anarchisme. Dat is opmerkelijk omdat die bewegingen dezelfde verwerpelijke verschijnselen kunnen gaan vertonen als religieuze bewegingen, namelijk verblindend enthousiasme en een dogmatisch gevoel van onkwetsbaarheid.

Om die reden voel ik me het meeste thuis bij de derde reactie. Die stelt vast dat verblinding en dogmatisme niet beperkt zijn tot religies, maar kunnen optreden over het hele brede scala van menselijke opvattingen en ideologieën. Dat spectrum loopt van religie via wereldlijke ideologieën tot aan het liberale geloof in de vrijheid van de consument. In alle gevallen kunnen de door coronamaatregelen gestelde grenzen worden opgerekt door misleidende rechtvaardigingen, variërend van ‘God beschermt mij’  tot ‘dit is goed voor mij’ of ‘dit heb ik nu echt even nodig’. Schijt-aan-corona-feestjes vallen zo bezien onder dezelfde illusiewekkende werking van onze geest als pinkstersessies.

Als we ons daartegen willen wapenen is er daarom meer vereist dan het afwijzen van religie. Het gaat eerder om een gezond wantrouwen tegen alle manieren waarop de menselijke geest ons loeren draait en overmoedig maakt.

Zie ook Waarom is gezond verstand zo schaars? en Illusieonderzoek

donderdag 30 april 2020

Aan onszelf overgeleverd


Veel mensen zitten in deze coronacrisis noodgedwongen thuis. Als je dan ook nog eens – al dan niet tijdelijk – je werk kwijt bent, dan kun je het aardig benauwd krijgen. Je bent afgesneden van sociaal ingebedde en gelegitimeerde bezigheden en met al die nutteloosheid zit je binnen wel erg dicht op elkaars lip, of anders alleen. In die situatie kan het helpen om je eigen projectje te hebben waarmee je in zekere afzondering jezelf bezighoudt.

Maar dat klinkt simpeler dan het is. Want de toegang tot zulke soloprojecten kan door allerlei half-onbewuste opvattingen en blokkades behoorlijk versperd zijn. Het  socialisatietraject dat we op een of andere manier allemaal doorlopen hebben heeft ons ingeprent dat iets samen doen waardevol is. Iets alleen doen is al gauw egoïstisch of asociaal.

Het doet me denken aan een kwestie die laatst langskwam in de taalrubriek van Trouw. Het ging over spreken in de eerste persoon. Een briefschrijver verweet Peter-Arno Coppen zijn columns vaak te beginnen met “het naar egoïsme riekende woordje ‘ik’”. Terecht antwoordde Coppen dat “een persoonlijke stijl leesbaarder is dan een onpersoonlijke”. De briefschrijver lijkt hier slachtoffer te zijn van wat relatietherapeut Esther Perel noemt “een mensenleven vol waarschuwingen tegen egoïsme”. Daar wordt de liefde niet beter van en, zoals Coppen aangeeft, onze teksten ook niet.

Overigens ken ik dat anti-ik sentiment ook wel. Ik denk dat het – behalve door onze opvoeding – dagelijks gevoed wordt door alle dikke ikken die zich in de samenleving manifesteren. Persoonlijk heb ik dat nog het meest in het verkeer waar monsterlijke SUVs steeds meer het straatbeeld bepalen en motoren hun ongedempte decibellen diep het huis in slingeren. En als Trump op tv is natuurlijk. Op die momenten kan ik zomaar spontaan instemmen met de cultuurpessimisten en moralisten die de uitvergroting van het ik bestempelen als de kwaal van onze tijd.

Toch ligt het genuanceerder dan dat. Want als diezelfde moralisten het gebod uitdragen: gij zult uw stukjes niet met ‘ik’ beginnen, dan ben ik het daar beslist niet mee eens. Taal wordt namelijk meestal pas interessant als de spreker of schrijver een positie inneemt, of een persoonlijke ervaring inbrengt. Taal kan onpruimbaar worden als de gebruiker ervan de veiligheid opzoekt van de instemming van en inbedding in een collectief. Door veel ‘wij’ te gebruiken, of ‘mét elkaar’ (accent op ‘mét’), of juist een technisch, neutraal jargon.

Voor zover het onze opvoeding is die ons verhindert om daar een gezond egoïsme tegenover te zetten, kan de gedwongen sociale quarantaine ons helpen om dat wat bij te sturen. Cultiveer, om met Montaigne te spreken, je eigen individualiteit; besteed aandacht aan je persoonlijke belangstellingen en hobbies en films en boeken, los van enige sociale acceptatie.

Want hoe houd je het anders uit met jezelf – en anderen – dezer dagen?

Zie ook Eigenzinnig en Levinas en egoïsme

vrijdag 24 april 2020

Levinas en Butler


Onlangs gaf ik in het kader van Werk en Reflectie een workshop over Judith Butler en zoals bij iedere andere filosoof die ik behandel stel ik me bij haar de vraag: wat valt op in de vergelijking met mijn favoriete filosoof Levinas?

Een overeenkomst tussen Butler en Levinas is dat ze Joods zijn, en die overeenkomst is niet te missen omdat ze beiden in hun werk worstelen met vragen die uit de Joodse geschiedenis voortkomen.

Butler begon daar zelfs al op vroege leeftijd mee. Omdat ze als veertienjarige te veel kletste in de klas van haar Hebreeuwse school in Cleveland moest ze voor straf speciale lessen Joodse ethiek volgen, gegeven door de plaatselijke rabbijn. Ze mocht zelf onderwerpen aandragen ter behandeling in die lessen, en ze kwam met drie vragen: Waarom werd Spinoza uit de synagoge geëxcommuniceerd? Kan de vroeg 19e-eeuwse  Duitse filosofie (Kant en Hegel) verantwoordelijk worden gehouden voor het nazisme? En hoe moest men de existentiële theologie begrijpen, inclusief het werk van Martin Buber? Ze genoot van de straflessen.

Levinas heeft zich, mede naar aanleiding van de Sjoa, veel bezig gehouden met de vraag wat er mogelijk mis is met de westerse filosofie, zodanig dat de Sjoa heeft kunnen gebeuren. Hier toont zich een verschil tussen Levinas en Butler: de eerste maakte als behorend tot de eerste generatie alles zelf mee, en probeerde nadrukkelijk als betrokkene te duiden wat hij meemaakte. De tweede, geboren na de oorlog in Amerika, hoorde wel over de uitroeiing van haar moeders Hongaarse familie, maar kon daar met meer afstand naar kijken.

Uit het leeftijdsverschil vloeit een ander verschil voort. Levinas heeft waarschijnlijk nooit kennis gemaakt met het werk van Butler, maar omgekeerd wel. Dat blijkt uit de regelmatige verwijzingen van Butler naar het werk van Levinas. Maar misschien is het belangrijkste verschil – en dat zal behalve met de generatie waartoe ze behoren ook met hun persoonlijke aard te maken hebben – dat Butler vanuit de filosofie op soepele wijze andere gebieden betreedt, zoals de psychoanalyse en de politiek. Zij voert actie voor de bevordering van genderbewustzijn en neemt soms politiek stelling, bijvoorbeeld in het Palestijns-Israëlische conflict. Van dat soort activisme moest Levinas niks hebben.

Waar komen zij inhoudelijk wél een beetje bij elkaar in de buurt? Geestverwantschap tussen Butler en Levinas vind ik in hun beider aandacht voor ontvankelijkheid, dat wil zeggen voor de mogelijkheid om geraakt te worden door de ander. Butler kent belang toe aan het feit dat, voordat je zelf iets zegt, je in feite al aangesproken bent door de ander. De manier waarop ze dat verwoordt doet (ook in zijn ingewikkeldheid) regelmatig denken aan Levinas, zoals in de volgende passage: “Ik ben gewond en ik merk dat de wond zelf getuigt van het feit dat ik beïnvloedbaar ben, aan de Ander overgeleverd op manieren die ik niet volledig kan voorspellen of beheersen. Ik kan de kwestie van verantwoordelijkheid niet in mijn eentje overdenken, los van de ander. En als ik dat toch doe, negeer ik het feit dat ik aangesproken ben door iemand anders. Die aanspreking structureert het probleem van verantwoordelijkheid vanaf het begin”.

Er is nog een ander raakpunt dat laat zien hoe zij verder werkt in de lijn van Levinas. Het punt sluit aan bij de grote lijn die Levinas meent waar te nemen in de geschiedenis van de westerse filosofie. Die komt erop neer dat de twee soorten rationalisme die het Westen ontwikkeld heeft elk op zijn eigen manier tekort schiet. Er is aan de ene kant het almachtige rationalisme à la Plato en Descartes, dat aan de autoriteit van de rede bijna geen grenzen stelt en daardoor gemakkelijk totalitair en gewelddadig wordt. En er is daarnaast het zelf-kritische rationalisme à la Socrates, dat zich bewust is van de betrekkelijkheid van kennis en ratio. Die bescheidenheid voelt een stuk aangenamer aan, maar per saldo is het verschil met Plato en Descartes niet zo groot, want de zelf-kritische variant kan zelf ook weer akelig pedant worden.

Om die reden plaatst Levinas tegenover beide rationalismevarianten zijn derde variant: dat rationalisme gelooft in de rede die tot de orde geroepen wordt, juist niet door het zelf, maar door de ander. Langs die weg maakt Levinas duidelijk dat er iets schort, niet alleen aan het platoons/cartesiaanse, maar ook aan het socratische standpunt. De ver doorgevoerde zelfreflectie waar Socrates voor staat is misschien wel niet het ultieme hoogtepunt van reflectie waar het vaak voor gehouden wordt.

Butlers weergave van dit standpunt van Levinas is onder andere te vinden in de volgende passage waarin ze ingaat op de twee soorten passiviteit die Levinas onderscheidt. “Levinas spreekt van een passiviteit voorafgaand aan passiviteit. Daarmee bedoelt hij het verschil aan te geven tussen de passiviteit die een subject ondergaat middels een daad van reflexiviteit, en een passiviteit die voorafgaat aan het subject, de voorwaarde van zijn eigen subjectwording, zijn primaire ontvankelijkheid.”

Ik lees deze passage als volgt. De ‘daad van reflexiviteit’ die Butler koppelt aan de tweede genoemde passiviteit (dus de passiviteit die later komt) omvat de eerste twee varianten van rationaliteit, dus de reflexiviteit van Plato/Descartes én de zelf-reflexiviteit van Socrates. Daarbij kun je het woord ‘daad’ met recht gebruiken, de mens die reflecteert dóet iets, ook al zit er altijd iets passiefs en secundairs in reflectie.

De andere, namelijk aan alles voorafgaande, vorm van passiviteit betreft alles waar ik al van meet af aan aan ben overgeleverd, en waar van een ‘daad’ helemaal geen sprake kan zijn: het gegeven dat ik gevoelig ben voor anderen. Dat was ik, bij wijze van spreken, al voordat ik geboren werd.

Hier heeft Butler Levinas beslist goed begrepen.

Zie ook Levinas en Popper

dinsdag 7 april 2020

Herhaling van zetten


Het zal best dat Rutte en Hoekstra het niet zo bedoeld hebben, het kapittelen van Italië en Spanje in coronatijd. Maar het getuigt toch van een basaal soort onfatsoen als je begint over begrotingspolitiek terwijl er in die landen een strijd op leven en dood gevoerd wordt tegen het virus. Dat gebrek aan empathie steekt dieper en komt voort uit een mentaliteit van het wel goed getroffen hebben met jezelf, in combinatie met luchthartigheid over de zorgen van anderen en een beperkt vermogen om over de grens te kijken.

Ik ben dan ook bang voor een herhaling van zetten vanuit deze regering, met Rutte voorop.  Een nieuwe beschamende positiekeuze is in de maak, as we speak dreigt een waardevol initiatief vanuit 32 Nederlandse gemeentes voor de opvang van 500 ouderloze kinderen uit Griekse opvangkampen dood te lopen op een categorisch njet van de premier. Ongetwijfeld voortkomend uit een ‘diep gevoelde’ overtuiging.

Wat is er mooier dan een van onderop gedragen, en ook nog behapbaar gebaar van solidariteit met mensen die het mogelijk nog wat zwaarder hebben dan wij? Dáár zou een premier met recht ‘trots’ op mogen zijn, en dat zou hij van mij mogen uitdragen. Liever dan al die retoriek over een trots Nederlands volk van fiere burgers, alleen maar omdat we er zo goed in slagen om thuis te blijven. Alsof dat niet grotendeels een kwestie is van welbegrepen eigenbelang en zelfbescherming.

Wanneer wij ons onderscheiden binnen het beschaafde deel van Europa – Kroatië, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Finland, Portugal, Ierland – dan is het in negatieve zin: al die landen helpen mee om de in totaal 2500 kinderen op te vangen.

Overigens doet Rutte het binnenslands prima, ik vind hem een fantastische crisismanager van de coronabestrijding. Maar het woord ‘trots’ zou ik voor iets anders reserveren.

Zie ook #SOSMoria, #500kinderen en Mark Rutte, historicus

vrijdag 3 april 2020

Dingen om te doen zonder sjoel


Nee, de Torarol kunnen we niet meer aanraken of van dichtbij bekijken. Niet omdat die besmet is, maar omdat wijzelf mogelijk besmet zijn en elkaar niet meer ontmoeten rondom de rol in sjoel.

Maar dat is eigenlijk ook het enige, de sjoeldienst blijft gewoon overeind, virtueel via Zoom. Als er tien of meer mensen inloggen dan worden de gebeden gezegd en wordt de Tora gelezen uit een boek of via een schermtekst. De op het Oosten gerichte choreografie van staan en buigen verplaatst zich naar vele huiskamers, en voor de kiddoesj schenkt iedereen zijn eigen glaasje wijn in.

Er zijn beslist heilige zaken in de wereld waarbij dat niet zou kunnen. Denk aan de hostie die niet ‘echt’ kan bestaan zonder consecratie door een officieel gewijde Rooms-Katholieke priester. Die zou dan centraal verspreid en via de brievenbussen bezorgd moeten worden. Of neem de Ka’aba in Mekka, die zou niet zomaar gemist kunnen worden.

In de Joodse traditie blijkt geen godsdienstig attribuut zo intrinsiek heilig te zijn dat je er niet buiten kunt. Dat was al eerder gebleken, na de ramp van de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem in het jaar zeventig. Als er íets de heiligheid zelf belichaamde was het wel die Tempel, met de vele voorschriften eromheen voor de offerrituelen en toegang die wel of niet toegestaan was. Het Heilige der heilige, was dat niet Gods woonplaats zelf? Daar kun je toch niet buiten?

Kennelijk wel, want na de verwoesting ging het Joodse leven door. Op een nieuwe manier weliswaar, nu zonder offers en reinigingsrituelen. In de plaats daarvan kwamen diensten met gebeden en lezingen uit de Tora, uitgevoerd in synagogen verspreid over het eigen land, en in toenemende mate over andere landen. De Torarollen, geplaatst in mooi bewerkte kasten, werden het nieuwe middelpunt in de sjoels.

En als in de loop van tweeduizend jaar Torarollen op hun beurt de neiging hadden om goddelijkheid te belichamen, dan blijken we op dit moment ook daar weer buiten te kunnen. Niets is intrinsiek heilig of onmisbaar.

Wat ik nog het meeste mis is waarschijnlijk de nazit met koffie en koekjes.

Zie ook Dik en dun herinneren

donderdag 26 maart 2020

Nationaal zelfbeeld


Zo’n tijd als we nu meemaken nodigt uit tot het vellen van oordelen over onszelf en onze reacties op de coronabedreiging. Die oordelen kunnen heel verschillend uitvallen. We zouden zo’n prettig nuchter volk zijn, of juist overdreven gealarmeerd – zie de hamsteraars. We zouden op een gezonde manier eigenzinnig zijn (vooral Amsterdammers), of asociaal ongedisciplineerd, of dat alles tegelijkertijd.

Van al die typeringen herken ik wel iets, dus ik ben er niet echt door verrast. Ik denk ook dat ieder land een mix heeft van die uiteenlopende reacties, en dat per saldo landen in hun gedrag best veel op elkaar lijken.

Maar juist daarom was ik toch verrast om Nederland genoemd te zien in één adem met Engeland en Amerika. Als het gaat om de maatregelen tegen het virus zegt de Vlaamse hoogleraar Paul Verhaeghe: “Ook zeer opvallend is dat bepaalde landen uitdrukkelijk achterblijven en andere keuzes maken: de VS, het VK en Nederland. Zou het toeval zijn dat net deze landen de neoliberale ideologie het hoogst in hun vaandel voeren? De onzichtbare hand waar ze nu op hopen, heet ‘herd immunity’ (natuurlijk in het Engels, dé taal van het neoliberalisme), als schaamlapje voor het klassieke ‘laissez-faire’: niks doen, ‘de’ economie zou eronder lijden, het waait wel over.”

Zo kun je kennelijk ook tegen ons land aankijken: als volledig in de greep van neoliberalisme en marktideologie. Maar zo beleef ik het zelf toch niet. Het is waar, vanaf midden jaren negentig waaide hier een neoliberale wind, maar dat gold voor meer continentale Europese landen. En het is ook waar dat we al tien jaar een VVD-geleid kabinet hebben met een premier die de tijdgeest soms niet helemaal aanvoelt als het over Europa of belastingen gaat.

Maar hij laat zich op die terreinen ook terugfluiten, en hij en zijn VVD nemen de laatste tijd woorden in de mond zoals ‘volkshuisvesting’ en ‘ziektekostenverzekering voor iedereen’ die we allemaal nog kennen van de bloeitijd van de verzorgingsstaat. Dat maakt verbinding mogelijk met meer links gerichte stromingen. Los daarvan: er klinkt een soort basisvertrouwen in door, van burgers die mogen rekenen op de overheid. En omgekeerd, zoals blijkt uit het beroep op ons gezond verstand tijdens de crisis, van de overheid op de burgers. Dit is echt het VK of de VS niet.

Verder zijn inmiddels de antivirusmaatregelen bij ons zo opgevoerd dat het verschil met bijvoorbeeld België en Frankrijk niet zo groot meer is.

Zie ook Adrenaline

vrijdag 20 maart 2020

Curieuze mix


Altijd weer als ik Hannah Arendt lees treft me in haar opvattingen een eigensoortige mengeling van klassieke Duitsheid en Joodse inspiratie.

Op dit moment lees ik teksten van Arendt over vluchtelingen en mensenrechten. Daarin ruist je aan de ene kant de verhevenheid tegemoet van het klassieke Duitse Bildungsideaal dat rechtstreeks afkomstig lijkt te zijn van Goethe en Von Humboldt. Ook als het over vluchtelingen gaat, of misschien wel juist dan, meent Arendt dat de mogelijkheid om te handelen gegarandeerd moet zijn, en daaronder verstaat zij dat de mens “zichzelf kan openbaren door uiting te geven aan zijn kwaliteiten, talenten en tekortkomingen” ten overstaan van andere mensen. Door te handelen onderscheidt een mens zich van anderen, het is “the disclosure of the agent in speech and action”. Pas dan doet hij ertoe.

Primair denkt Arendt daarbij aan politiek handelen, maar het kan breder opgevat worden. Dat moet ook wel als het om vluchtelingen gaat zonder politieke rechten, dus dan geldt de omschrijving: overal waar mensen met elkaar bezig zijn hun samenleven vorm te geven handelen zij. En dat gebeurt ook in een azielzoekerscentrum.

Nu is in heel Arendts oeuvre het handelen een centraal thema, dus langs die weg is het begrijpelijk dat zij de mogelijkheid tot handelen beschouwt als een mensenrecht, misschien nog wel basaler dan bed, bad en brood. Ze stelt dat een leven zonder handelen onmenselijk is. Niettemin, door de gebruikte woorden waan je je even in Weimar in plaats van in Ter Apel.

Daar staat tegenover dat Arendt in deze zaken op een on-Duitse manier pragmatisch is. Ze grijpt in haar betoog op geen enkel moment terug op metafysica, op eeuwige essenties of onwankelbare fundamenten. Daar is ze wars van, ze vraagt zich simpelweg af: wat hebben vluchtelingen het hardste nodig. Niet op grond van een metafysisch waardenstelsel, maar op grond van wat het betekent om mens te zijn. Zo komt ze bij handelen uit.

Nog duidelijker Joods geïnspireerd vind ik Arendts nadruk op het belang van het deel uitmaken van een overzichtelijke gemeenschap waarin jij en jouw stem ertoe doen. Handelen doe je namelijk, aldus Arendt, nooit in je eentje. Pas als onderdeel van een gemeenschap bevindt een mens zich in een situatie waarin hij zich als handelend en politiek wezen kan onderscheiden.

Politiek gezien was dat voor Joden gedurende grote periodes in de geschiedenis niet weggelegd. Zij stonden veelal buiten de samenleving waar politiek gehandeld werd. Maar die situatie maakte dat het belang van gemeenschap scherp in het Joodse bewustzijn werd gegrifd.

In de eerste plaats doordat ze als Joden hun eigen gemeenschappen konden blijven vormen waaraan ze gezamenlijk gestalte gaven. Op die manier garandeerden zij voor zichzelf de ruimte voor het mensenrecht ‘handelen’.

In de tweede plaats doordat ze als buitengeslotenen het belang op waarde wisten te schatten van deelname aan de omringende burgerlijke samenleving, misschien wel beter dan veel niet-Joodse burgers. Niet voor niets gingen Joden, toen rond 1800 overal de gettomuren werden afgebroken, gretig deelnemen aan die samenleving.

Om die redenen noem ik Arendts speciale aandacht voor het aspect van de gemeenschap een Joodse invloed. Aandacht daarvoor past, voor zover ik weet, niet gemakkelijk in de Bildungstraditie waar Arendt voor het overige veel uit put. De Duitse idealisten waren toch vooral vol van zelfontplooiing en artistieke ontwikkeling volgens het model van de Renaissance-mens.

Al met al een curieuze mix.

Zie ook Hardnekkig dualisme

donderdag 12 maart 2020

Behapbare aantallen


Hopelijk is het coronavirus van tijdelijke aard. Dan nog kan het knap gevaarlijk zijn en veel schade aanrichten. Maar het zal een keer klaar zijn.

Dat kun je waarschijnlijk niet zeggen van het vluchtelingenprobleem. Aan de Turks/Griekse grens is dat op dit moment acuut, maar daarnaast is het niet aflatend actueel in het hele Middellandse Zeegebied, in Afrika en veel andere gebieden van de wereld.

Om dat probleem voor mezelf behapbaar te maken, wil ik het in dat verband over aantallen kunnen hebben. Dan bedoel ik bijvoorbeeld: aantallen van mensen die er het slechtst aan toe zijn, of aantallen die wij in redelijkheid zouden kunnen opvangen.

Het venijn van die wens zit in de implicaties ervan. Dat betekent immers per definitie dat niet meer, over de hele linie, compassie leidend is. Je gaat dan onderscheid maken tussen vluchtelingen die het erg of minder erg hebben. Die laatste laat je buiten beschouwing. Weg compassie.

En je kijkt naar wat je aankunt. Voor hoeveel mensen hebben we capaciteit? Wel zo realistisch maar jammer voor wie daar buiten valt.

Die inperking van de compassie zal de reden zijn dat in sommige kringen het praten over aantallen hulpbehoevenden als ongepast wordt gezien. Zijn het er een miljoen? Dan zijn het er een miljoen! Iedereen moet geholpen worden, punt uit. Daar passen geen overwegingen van uitvoerbaarheid.

Deze categorische opstelling wordt, behalve door het ideaal van compassie, mede gelegitimeerd door zeventig jaar mensenrechten-denken. Dat is primair een juridisch denken in termen van absolute menselijke rechten, en dat houdt zich per definitie niet met uitvoerbaarheid bezig. De voorzichtigheid in het spreken over aantallen komt ongetwijfeld ook daar vandaan.

Maar die voorzichtigheid helpt ons niet bij de creatie van draagvlak voor opvang van vluchtelingen. Als alleen de optie van totale compassie voor alle vluchtelingen openstaat wordt het gauw een keuze tussen alles of niets, en dan wordt het voorspelbaar niets.

Wat betekent dat concreet? Onder meer dat ik geen petitie zal ondertekenen waarin opgeroepen wordt tot opvang van een miljoen vluchtelingen. Ik denk eerder in aantallen van tienduizenden.

En het betekent dat ik graag het initiatief van de stad Leiden zou ondersteunen. Vorige week donderdagavond was Leiden de eerste stad die een concreet opvangaanbod deed voor 25 kinderen in reactie op de Griekse noodoproep om 2500 alleen reizende kinderen die vastzitten in opvangkampen elders in Europa te herplaatsen. Het idee achter het Leidse aanbod is dat als genoeg Nederlandse steden hulp aanbieden om samen vijfhonderd tieners op te nemen, de regering wel overstag moet gaan om dat toe te staan.

2500, 500, 25, dat zijn behapbare aantallen. Burgemeester Lenferink van Leiden schuwt zulke calculerende termen niet: “De aantallen zijn ook heel overzichtelijk. Als Nederland vijfhonderd kinderen opneemt die zonder volwassenen reizen, dan beginnen wij met 25. Dat kunnen we aan”.

Inmiddels heeft premier Rutte, in zijn ‘heerlijke volkse spontaniteit’, al laten weten dat daar geen sprake van kan zijn. Maar Lenferink geeft niet op: „Het gaat om een relatief klein aantal jonge vluchtelingen. Dat moeten we met elkaar kunnen oplossen. Het zou zeer betreurenswaardig zijn als het kabinet daartoe niet bereid is”. En ronduit beschamend.

Zie ook Herhaling van zetten en Mensenrechten, pragmatisch bekeken

vrijdag 6 maart 2020

Aalst


Een interessant commentaar, deze keer, van Esther Voet in het Nieuw Israëlitisch Weekblad. Het was gesteld in de vorm van een open brief aan Geert Wilders en Thierry Baudet.

Voet spreekt hen aan op hun zwijgen over de antisemitische karikaturen op de carnavalswagens van Aalst. Maar vooral op hun zwijgen over de enthousiaste verdediging van die karikaturen door hun achterban en geestverwanten. “En verschuil je niet achter hun vrijheid van meningsuiting, want jullie hadden, gebruikmakend van diezelfde vrijheid, ook je walging kunnen uitspreken.”

Wellicht is het wat naïef van Voet om steun te verwachten uit die hoek. Wilders en Baudet hebben al lang laten zien geen enkele principiële moeite te hebben met discriminatie en haatzaaien. En ook dat ze dat vooral opportunistisch inzetten, meestal tegen Turken en Marokkanen, maar waarom ook niet tegenover Joden?

Ik vraag me regelmatig af wat de betekenis is van de term ‘Joods-Christelijk’ die Wilders en Baudet zo graag gebruiken. Er moet bijna wel een strijdigheid zijn met de zuiverheid van eigen volk en beschaving die zij bepleiten, van vreemde smetten vrij. Het zou best kunnen dat hun gehechtheid aan die term voortkomt uit een diepe bewondering voor de etnische staat Israël, en zijn militaire en economische kracht. Als het daarentegen gaat om multicultureel Nederland zijn ze snel bereid om de Joden – van vreemde herkomst immers – te laten vallen.

Het is jammer, en een beetje potsierlijk, dat Voet haar commentaar afsluit met het dreigement in de trant van ‘Pas maar op, want wij Joden zijn zo slim!’.

Ten eerste is dat niet waar. Net zoals we niet allemaal rijk zijn, zijn we beslist niet allemaal slim. Ik erger me bijvoorbeeld regelmatig aan Israëlische leeghoofden die zeggen niet zelf te hoeven nadenken, omdat ze achter de sterke man Bibi aan kunnen lopen, want “wat Bibi doet is altijd goed.”

Ten tweede zij wij in Nederland met zo weinig dat de opportunisten Wilders en Baudet met ons geen rekening hoeven te houden als ze dat ineens niet meer willen.


donderdag 27 februari 2020

Waarschuwing


Ja lieve lezer, het spijt me het te moeten zeggen, maar ook op deze weblog krijgt u nepnieuws voorgeschoteld. En wel in de linkerkolom onder de rubriek “Pageviews afgelopen 30 dagen”.

Tot twee maanden geleden schommelden de daar vermelde aantallen redelijk stabiel rond de 1300, met een licht stijgende tendens. Maar sinds het begin van het jaar kwamen ze in een groeispurt, en inmiddels is de grens van 6000 pageviews overschreden.

Die cijfers worden geleverd door Blogger als je de rubriek Pageviews installeert op je blog. Voor een nadere specificatie daarvan kan ik terecht onder het tabblad Statistieken en dan krijg ik de volgende informatie over de afgelopen 30 dagen.



Die aantallen slaan natuurlijk nergens op, want ik geloof niet dat iemand in een van die buitenlanden geïnteresseerd is in mijn Nederlandstalige blogberichten. Kortom: fakenews, en de vaststelling dat trollen niet alleen in Rusland rondlopen.

Als wél betrouwbaar beschouw ik de cijfers van Google Analytics, al is het maar omdat ze lager zijn en meebewegen met de aantallen reacties die ik krijg op mijn blogberichten. Echt onderzoek heb ik er niet naar gedaan, maar bij gebrek aan beter neem ik die cijfers serieus. Voor hetzelfde tijdvak van de afgelopen 30 dagen zien die er als volgt uit:




Het aantal van 1300 pageviews per maand gedurende 2019 was dus al geflatteerd, in werkelijkheid moet het ongeveer de helft geweest zijn. En waarschijnlijk zal dat ook het gemiddelde aantal worden voor 2020. Vanaf volgende week zal ik dan ook bij de rubriek de melding plaatsen dat het weergegeven aantal door tien, of misschien wel meer, moet worden gedeeld.

Zie ook Nep

vrijdag 21 februari 2020

Hollandse jongen


Comedian Raoul Heertje is voor honderd procent Asjkenazisch Joods, zo blijkt uit een DNA-test die hij heeft laten afnemen.

Daarnaast is Heertje een oprechte Hollandse jongen, blijkens de authentieke verbijstering die hem overvalt bij allerlei confrontaties in Israël. Bijvoorbeeld als hij spreekt met een aan Israël toegewijde Druze die zich verraden voelt door de ‘Joodse natiestaat’-wet, of als hij een schijnproces meemaakt in de militaire rechtbank op de Westbank.

Dit alles komt langs in de documentaire Het Israel van Heertje en Bromet. De verbijstering waarmee Heertje worstelt welt spontaan op en komt zichtbaar van heel diep. Hij heeft duidelijk de normen geïnternaliseerd zoals wij die koesteren in onze bijna perfecte West-Europese rechtsstaat. Vanzelfsprekend schud je dan je hoofd bij zoveel Israëlische onrechtsstatelijkheid.

Er zijn genoeg momenten in de documentaire waarop hij begrip toont voor checkpoints en de afscheidingsmuur en andere discriminerende veiligheidsmaatregelen. “Dat is niet voor niets, hè” zegt Heertje dan, verwijzend naar de voorheen frequente terroristische aanvallen die dood en verderf zaaiden.

Maar de grondtoon van de film is verontwaardiging. Misschien moet je zeggen: gelukkig de Hollandse jongen die zijn leven lang niet anders gekend heeft dan West-Europese vrede, welvaart en rechtsstaat. En die oprecht van slag kan raken van systematisch onrecht en discriminatie. Dat geldt eigenlijk ook voor mezelf.

Maar zo rechtlijnig simpel ligt het voor Heertje toch niet, zo blijkt uit de laatste aflevering. Heertje worstelt niet alleen met praktijken waar je gemakkelijk helemaal tegen of voor kunt zijn. Hij heeft ook een geschiedenis op zijn nek – van uitgemoorde familie en ondergedoken ouders. En daar ben je minder snel mee klaar dan met heldere ideeën.

Zie ook Schuiven


vrijdag 7 februari 2020

Arendt en Beethoven


‘Alle Menschen werden Brüder’, dat hoor je regelmatig in dit Beethovenjaar. Niks ten nadele van de geniale muziek van Beethoven, maar de tekst van Friedrich Schiller klonk de filosoof Hannah Arendt wat vals in de oren. “Het zou geen teken van menselijkheid geweest zijn als een Duitser en een Jood tijdens het Derde Rijk over hun onderlinge relatie zouden hebben gezegd: ‘Zijn wij niet allebei mensen?’ Op die manier zouden ze alleen maar op de vlucht geslagen zijn voor de werkelijkheid en de wereld, die ze op dat ogenblik deelden”, zo stelt zij in haar lezing Over menselijkheid in donkere tijden: gedachten over Lessing. Met het uitroepen van broederschap kun je ook iets te snel zijn, zo stelt ze vast.

Als ik iets mooi vind aan Hannah Arendt is het haar realiteitszin. Naast haar liefde voor de wereld en haar hoop voor de mensheid – noem het maar: haar spirituele neigingen – houdt zij niet aflatend in de gaten wat de netto opbrengsten zijn van die spirituele impulsen. Welke bijdrage leveren ze wérkelijk aan de vooruitgang van ons samenleven?

Arendt snapt de vervoering wel die mensen ervaren bij de achttiende-eeuwse ideeën van wereldwijde broederschap en universele mensenrechten. Maar ze wijst erop dat deze ideeën een compensatiekarakter hebben. Ze zijn ontstaan in de achttiende eeuw en dat is goed te begrijpen omdat op dat moment het materialistische wereldbeeld in Europa overal terrein wint. Onder invloed van de wetenschappelijke tijdgeest zijn ‘zakelijkheid’ en ‘objectiviteit’ de trefwoorden. Wat erbij inschiet is de tot dan toe gedeelde wereld van Christelijke waarden en normen. Mensen verleren daardoor het onderlinge gesprek over wat werkelijk van waarde is, en verliezen zo, met al hun objectiviteit en zakelijkheid, hun werkelijke relatie met de wereld.

Dat is onleefbaar, en schreeuwde om compensatie. Zo lag het voor de hand, aldus Arendt,  dat men ging zoeken naar een nieuwe gemeenschappelijke noemer. Die meende men te vinden in een universele menselijke natuur, waarbij sommigen het accent legden op een bij alle mensen gelijke rede (rationalisme) en anderen op een door alle mensen gedeeld vermogen tot medelijden (sentimentalisme).

Arendt: “Het rationalisme en sentimentalisme van de achttiende eeuw zijn slechts twee kanten van dezelfde medaille, en allebei kunnen ze tot dweperige overdrijving leiden, waarin men zich met alle mensen broederlijk verbonden voelt. In elk geval waren dit rationalisme en sentimentalisme slechts het innerlijke, in het onzichtbare gelokaliseerde vervangmiddel voor het verlies van een gemeenschappelijke, zichtbare wereld”.

Dus, zegt ze – en hier spreekt haar realiteitszin – daar moet je mee oppassen. Voordat je het weet verworden ‘gedeelde menselijkheid’ en ‘broederschap’ tot holle frasen. Haar eigen ervaringen zijn niet vreemd aan deze gedachte. Toen zij zelf op de vlucht moest voor de nazi’s, konden alleen particuliere, nationale burgerrechten haar beschermen, maar die had ze niet meer. De veelgeprezen mensenrechten bleken van nul en gener waarde en daarom blijft het wat haar betreft zaak om zo goed mogelijk “weerstand te bieden aan de ijselijke ‘werkelijkheidloosheid’ van universele broederschap”.

Ze heeft daarom meer met vriendschap dan met broederschap. En dan bedoelt ze met vriendschap niet de verheven versmelting van twee zielen, want dat zou haar opnieuw te spiritueel zijn. Vriendschap formeert zich tussen mensen altijd door betrokkenheid op een zichtbare, gedeelde wereld waarin fysieke bescherming telt, en minstens zozeer: tolerantie voor de verschillende of juist gelijkgestemde manieren van in de wereld staan. Daar waar meningen uitgewisseld mogen worden kan vriendschap zich ontwikkelen, en die biedt meer menselijkheid dan abstracte, universele van de wereld losgemaakte concepten, zoals broederschap.

Nou ja, de muziek is gelukkig van Beethoven.

Zie ook Levinas zoals ik hem begrijp

donderdag 30 januari 2020

Mark Rutte, historicus


Mark Rutte is historicus van opleiding, en misschien heeft dat wel een rol gespeeld in de beslissing van het kabinet om excuses aan te bieden aan slachtoffers van de Holocaust voor het optreden van de overheid tijdens de oorlog. Volgens de berichten komt het initiatief daarvoor mede van premier Rutte. Hier heeft het oog voor de actuele belangen die hij als premier dagelijks moet afwegen even plaats gemaakt voor wat over de lange termijn bezien van historisch gewicht blijkt te zijn en om die reden aandacht verdient.

Als het gaat om andere beleidsterreinen vraag ik me regelmatig af of Rutte zich niet wat méér al historicus kan opstellen. Daarmee doel ik niet per se op zijn allergie voor wat hij ‘visie’ noemt, want misschien komt die weerzin wel voort uit een zekere reserve tegenover maatschappelijke blauwdrukken en geloof in de maakbaarheid van de samenleving. Dat lijkt me heel gepast voor een historicus.

Ik doel eerder op de vraag of Rutte ons tijdgewricht wel goed aanvoelt. Staat hij voldoende open voor de suggestie dat het weleens afgelopen kan zijn met veel business as usual? Laat hij de gedachte toe dat lage belastingen en groeiende consumentenbestedingen niet meer de toverformules zijn die het voor hem altijd waren? Ik vind dat een historicus dat soort serieuze trendbreuken moet kunnen onderkennen.

Maar soms lijkt dat de premier moeilijk af te gaan. Tegen de maatschappelijke trend in om het belang van belastingheffing te herwaarderen (denk aan de recente oproep van 125 topmiljardairs in die richting) hield Rutte verbijsterend lang vast aan zijn wens tot afschaffing van de dividendbelasting. Over de noodzaak van een krachtiger Europa hield hij vorig jaar een rede, maar betekent dat een echte koerswijziging? En dat het klimaat vraagt om fundamentele heroriëntatie heb ik de premier nog niet duidelijk horen zeggen. De uitspraak ‘Niet alles kan’ kwam van Remkes toen hij het Stikstofrapport uitbracht, niet van Rutte.

Rutte beweegt wel, maar komt het op tijd? Ik weet het niet. Hij zou zich met meer beweging waarschijnlijk ook niet populair maken. Zo wint de politicus het van de historicus.

Zie ook Geen visie en Huiskamergevoel

vrijdag 24 januari 2020

Levinas en Ayn Rand


Een grotere tegenstelling dan tussen de filosofen Emmanuel Levinas en Ayn Rand is moeilijk voorstelbaar. Ook al zijn ze allebei Joods, leeftijdgenoten, afkomstig uit grofweg hetzelfde gebied (respectievelijk Litouwen en Rusland), en hebben ze geleden onder dezelfde politieke regimes (tot 1917 de tsaar, daarna de bolsjewieken).

De tegenstelling tussen de twee beleef ik primair op gevoelsniveau. Bij de een (Levinas) voel ik me veilig, bij de ander (Rand) niet, en dat wil ik uitleggen. Maar voordat ik daarop inga moet ik eerst iets vertellen over dat gevoel van (on)veiligheid dat mij kan overvallen bij het bestuderen van filosofen.

Bij veel filosofen uit de westerse canon die ik lees krijg ik vroeg of laat een gevoel van onveiligheid. Dat heeft er dan mee te maken dat ik ze te rationeel vind, of te dogmatisch of te weinig doorleefd. En die tekorten vloeien vaak samen in een basistekort dat ik aantref in hun werken, namelijk een onvermogen om het waagstuk van oprecht menselijk contact te duiden. Daarvoor moet je namelijk een plaats geven aan de fundamentele verschillen die er bestaan tussen mensen, en aan het idee van radicale andersheid. En de westerse filosofie, met haar nadruk op overkoepeling en universalisme, heeft daar moeite mee.

Omdat daardoor bij veel filosofen het thema van intermenselijk contact er bekaaid vanaf komt, mis ik iets. Ik voel me onveilig, want authentieke communicatie is wat mij betreft een levensvoorwaarde.

Maar meestal kost het wat tijd voordat ik, al lezende in een filosoof, dat tekort gewaarword. Want in de meeste gevallen zijn dan allerlei sociale en ethische aspecten van het mens-zijn al op een aardige manier aan bod gekomen, en vergt het wat doordenking van mijn kant om vast te stellen dat ze de kern niet raken, en dat ik ze als gids niet helemaal betrouwbaar vind.

Bij de schrijver en filosoof Ayn Rand kost het me nauwelijks tijd om dat punt te bereiken. Waar je ook begint in haar oeuvre, de rücksichtloosheid van haar opvattingen over de mens en menselijk contact spatten direct van de bladzijden. Zo noemt zij altruïsme een ‘unspeakable evil’, en zelfzuchtigheid een primaire morele verplichting. “De essentie van mijn filosofie”, zegt ze, “is de opvatting van de mens als een heroïsch wezen, met zijn eigen geluk als het morele doel van zijn leven, met productieve prestaties als zijn meest nobele activiteit, en de rede als zijn enige absolute leidraad”.

Een patroon dat ik kan aanwijzen in de momenten van onveiligheid bij Rand is dat ze allemaal teruggaan op haar nadruk op eenduidigheid en tegenspraakloosheid. In haar vragen en antwoorden stelt ze op een gegeven moment: “Contradictions do not exist. So what happens in a mind holding a contradiction? Mental deterioration”. Die radicale blikvernauwing vind ik terug in bijvoorbeeld haar onvermogen om altruïsme náást egoïsme te denken, of kapitalisme náást overheidsingrijpen, of de vermenging van het mannelijke met het vrouwelijke.

Misschien zou ik ook wel willen, net als zij, dat de werkelijkheid minder vol van tegenstellingen was. Maar gegeven de meerduidige werkelijkheid zoals die is, vind ik denkers die dat serieus nemen geloofwaardiger, dus veiliger.

Levinas doet dat bij uitstek. Wat mij altijd bijzonder aangesproken heeft in zijn werken (helaas niet meer in zijn latere werk) is juist de delicate naast-elkaar-stelling van egoïsme en altruïsme.

Ik vind het enerzijds een verademing om bij Levinas een legitieme plaats tegen te komen voor het ego. In veel traditionele Christelijke en kantiaanse moraalfilosofie komt het ego er bekaaid vanaf, en ligt de nadruk op plichtsbesef. Bij Levinas krijgt het ego het volle pond.

Maar anderzijds – en vooral: tegelijkertijd – met al zijn aandacht voor het ego, staat Levinas vooral bekend als ‘de filosoof van de ander’. De plaats van de ander bij Levinas heeft een eigen kleur. Het is die van de verrassing die inbreekt in het regime van het ego, maar altijd tijdelijk, zodat daarna het ego weer de overhand heeft. Waarna de ander weer inbreekt, enzovoorts, zodat er een voortdurende wisselwerking is en afwisselende dominantie van het ik en de ander. Het gaat hier om ongerijmdheid en meerduidigheid bij uitstek, een situatie dus die niet meer volledig met de rede is te managen.

Voor Rand zou dat laatste al direct reden zijn om Levinas af te serveren: “Op het moment dat je tot de conclusie komt dat iemand een mysticus is (dat wil zeggen dat een deel van zijn filosofie volgens zijn eigen verklaring niet aan rede onderhevig is of voorbij rede is), heeft hij je de moeite bespaard om nog een seconde langer naar hem te luisteren”.

Voor mij is die meerduidigheid juist een blijk van een meer adequate werkelijkheidsopvatting. En dat voelt veiliger.

Zie ook Levinas en egoïsme en De valkuil van de universaliserende rede

vrijdag 10 januari 2020

Oorlog of de ander


Moet er oorlog komen om de samenleving een gevoel van betekenis en zin terug te geven?

Dat suggereert de psychiater Damiaan Denys. Hij stelt vast dat jonge mensen wanhopig op zoek zijn naar geluk en dat niet vinden. Dat is logisch, zegt Denys, want wat hen in ons vreedzame, luxueuze West-Europa ontbreekt is de basale overlevingsdrang. Die treedt pas op in situaties van nood, en creëert als vanzelf betekenis, namelijk: overleven. ‘Zingevingsproblemen’ worden dan ontmaskerd als schijnproblemen en verdwijnen als sneeuw voor de zon.

Ik vind dit een armoedige gedachte. Het doet me denken aan een uitspraak van kardinaal Simonis waarin hij zijn hoop vestigde op donkere tijden. Dan zouden de mensen weer leren bidden en de kerken zouden weer volstromen. Zo bezien krijgt het cliché dat psychiaters de moderne, seculiere priesters zijn extra reliëf.

Denys heeft het er niet over, maar je zou aan zijn redenering ook zomaar de conclusie kunnen verbinden dat Israël tot de (geestelijk) gezondste landen ter wereld behoort. Dat land combineert een relatief hoog welvaartspeil met een permanente noodtoestand. Israël staat onder voortdurende druk van buurlanden die het van de kaart willen vegen. Niet-aflatende alertheid is vereist, je kunt je daar geen burn-outs permitteren.

Maar, nogmaals, ik vind het een armoedige gedachte. Eigenlijk zwicht je daarmee voor wat Levinas noemt ‘de ontologie van de oorlog’, een uitdrukking waarmee hij de westerse filosofie karakteriseert. Want die filosofie vertrekt, aldus Levinas, sinds de oude Grieken vanuit de overtuiging dat het ego voor iedere mens het eenduidige startpunt van zin en betekenis is, en voor zichzelf de wereld moet inpalmen. De filosofie is een egologie, en dat kan niet anders dan tot oorlog leiden. Eigentijdse verschijningsvormen daarvan zijn de herlevende belangstelling voor het vijandsdenken van Karl Schmitt, de oproep van Baudet tot gevecht en strijdbaarheid, en misschien ook wel de gewelddadigheden op straat rond Oud en nieuw.

Tegelijkertijd biedt Levinas een alternatief voor de ontologie van de oorlog via zijn opvatting van de andere mens. Die laatste kan ons namelijk, ook onder perfect alledaagse en vreedzame omstandigheden, overrompelen en klem zetten door zijn andersheid. Die momenten kun je beschouwen als het equivalent in vredestijd van de fysieke bedreiging in oorlogstijd, en dus als verschaffers van zin.

Juist de vreedzame omstandigheden stellen ons dán in staat om ervan te leren, in plaats van te moeten terugslaan.