vrijdag 25 september 2020

Wie je bent

Een antropologische wijsheid luidt: “Je weet het best wie je bent als je ook weet wie je niet bent”. 

Het lijkt me een wijsheid die je aan Joden niet hoeft te vertellen, want dat weten we al heel lang. Al in het Oude Testament laat God het volk weten: volg niet de gebruiken en afgoden van de andere volkeren, want ‘dat is mij een gruwel’. En toen het Christendom zijn zegetocht begon voelden de Joden heel duidelijk: dat is not our cup of tea. Dus zij weigerden zich te laten bekeren, hoeveel ellende hen dat in de loop van de geschiedenis ook bracht.

Het huidige Israël op zijn beurt weet heel goed wie het niet is. Een paar stappen over de grens aan de Noord- of de Oostkant kan je als Joodse Israëliër al in de problemen brengen. En economisch netwerken met de buren wil Israël wel, maar de gebruikelijke autocratische staatsinrichtingen van de andere Midden-oosterse landen wil de Joodse staat zeker niet overnemen.

Toch, met dat particularisme is niet het hele Joodse verhaal verteld. Er is namelijk ook zoiets als beslist-zeer-Joods universalisme: dat droomt van opheffing van alle grenzen tussen mensen, of die grenzen nu nationaal, etnisch of religieus van aard zijn. De profeet Jesaja schildert het visioen van een toekomstige paradijsachtige vrede tussen alle volkeren op aarde. In de 19e eeuw maakten veel Europese Joden zich sterk voor socialistische idealen die de emancipatie en gelijkheid van allerlei maatschappelijke groeperingen dichterbij zouden brengen. En na de Tweede Wereldoorlog hadden Joden zoals Raphael Lemkin en Hersch Lauterpacht een belangrijk aandeel in de opbouw van mensenrechten en het internationale strafrecht. Hun uitgangspunt daarbij was het bestaan van een mondiale gemeenschap die uitging boven de nationale grenzen en etnische identiteiten.

Ze zijn bijna niet bij elkaar te brengen, de twee polen van Joods particularisme en Joods universalisme. Daarbij moeten we wel bedenken dat die polen de meest extreem uiteen liggende posities zijn, in de praktijk blijken er veel mengvormen te bestaan. Daarbij denk ik aan de al millennia bestaande, en bij tijden bloeiende, Joodse diaspora over de hele wereld. En aan de reëel bestaande vredesakkoorden die Israël sluit met sommige buren, met de Verenigde Arabische Emiraten als meest recente aanwinst.

Het zou best eens kunnen dat weten wie je niet bent een stevig uitgangspunt vormt om te komen tot betrekkingen met degenen die je niet bent. Blijft staan dat grenzen tussen identiteiten niet zomaar kunnen worden opgeheven. Een gemakkelijke positie ten opzichte van grenzen bestaat kennelijk niet.

Zie ook Ellips in Israël


donderdag 17 september 2020

Vluchtelingen helpen, maar de Grieken ook

Naar aanleiding van de schandalige Moria-deal schreef hoogleraar publieksfilosofie Marli Huijer in Trouw: “De mensenrechten gelden voor ieder mens, ook buiten de landsgrenzen van de nationale staat. Iedereen die bedreigd wordt zou het recht moeten hebben bij ons aan te kloppen en in een fatsoenlijke asielprocedure te komen”. En verder: “De Moria-deal is louter denken in cijfers, waarbij het oog voor de specifieke situatie na de brand in het kamp volledig afwezig is”

Van dit soort uitspraken krijg ik altijd de kriebels.

Allereerst, wat haar bagatellisering van aantallen vluchtelingen betreft: spreken over aantallen is niet zo categorisch fout als zij stelt. Ook wie ruimhartig wil zijn kan voor aantallen komen te staan die te groot zijn. Je kunt wél zeggen dat in dit geval de Nederlandse aantallen (100, eigenlijk: 0) veelzeggend zijn want nonexistent, maar niet dat aantallen in dit soort kwesties geen rol spelen. Dat moet Huijer zelf trouwens ook weten. Zij vangt immigranten op in haar eigen huis en zal daar beslist een maximum voor gesteld hebben. Het is vervreemdend en dus niet constructief om dat te verdoezelen.

Dan, als het gaat om de nationale staat die open zou moeten staan voor alle bedreigde mensen wereldwijd: daar ontbreekt de historische dimensie. Al zouden filosofen dat anders willen, de mensheid springt niet van zijn oertoestand in één keer naar wereldwijd gerespecteerde mensenrechten.

Voor zover er rechtsstatelijke vooruitgang was in het Westen vond die altijd plaats binnen grenzen van nationale, al dan niet langs etnische lijnen opgebouwde staten. Dat is een organisatiekwestie – het organiseren van solidariteit is sowieso een moeilijke opgave, dat lukt niet meteen op grote schaal. De eerste stadia vereisen een behapbare omvang en een overzichtelijke bedding. Concreet historisch gezien lukte dat het beste in gemeenschappen met een gedeelde taal, geschiedenis en min of meer stabiele grenzen. 

Hoe begrijpelijk het ook is dat westerse leiders, na de nationalistische barbarij van de Tweede Wereldoorlog, dat ontwikkelingsproces wilden opschalen naar mondiaal niveau, we zijn daar te gretig in geweest. Al die verdragen van eind jaren veertig en begin jaren vijftig zoals de Verklaring van de Rechten van de Mens en het Vluchtelingenverdrag blijken te hoog gegrepen. We hebben ons ontwikkelingsstadium overschat en zitten nu met de vreemde paradox dat we ons verplicht hebben tot bescherming van mensenrechten wereldwijd maar tegelijkertijd buiten ons nationale territorium geen zeggenschap hebben. Huijer verwoordt zelf die paradox, maar ze neemt de implicaties ervan voor onze verplichtingen nauwelijks serieus, zoals Hannah Arendt dat bijvoorbeeld al vroeg wél deed.

Uit alles blijkt dat we nog maar net of niet voorbij de grenzen van de natiestaat durven kijken. Europese belastingen? Dat is opgeven van soevereiniteit! Brusselse regels voor Goudse kaas? Daar gaat onze identiteit! We kunnen onze huidige situatie maar het beste beschouwen als een vroeg stadium in de ontwikkeling naar steeds bredere samenwerking: net voorbij de natiestaat, aan het begin van het eerstvolgende grotere verband, namelijk Europa. Het is wat anders dan de wereldomspannende eeuwige vrede van Immanuel Kant, maar wel een stuk pragmatischer. Daarom moet naar mijn idee de verdere integratie van Europa krachtig ondersteund worden.

Het is waar, dat lost het probleem niet op dat Huijer ten grondslag ziet liggen aan alle vluchtelingenproblematiek: “Door een wij te creëren, creëren we ook een niet-wij”. Door grenzen te trekken ontstaat een wij en ontstaan anderen die daar niet bij horen. En ook al doet Europa landsgrenzen vervagen, de buitengrens van de Europese Unie wordt een nieuwe, keiharde grens tussen wij en niet-wij.

Maar ik ben bang dat we dat stadium niet kunnen overslaan. Het lijkt erop dat de westerse pogingen om de mensrechten in één keer wereldwijd in te voeren te optimistisch zijn geweest. In ieder geval is de handhaving daarvan wereldwijd op zijn retour. Des te meer reden om Europa te omarmen. Ook daarom is het hard nodig de Grieken te helpen met de vluchtelingen. En de Italianen net zo goed.

Zie ook Met universele waarden kom je niet ver en Wie is de ander bij Levinas?

vrijdag 11 september 2020

Moria in brand


Rutte is een charmante en knappe politicus. Maar nog langer wegkijken is gewoon crimineel.

Zie ook

Herhaling van zetten, over de soms beschamende kleinhartigheid van onze joviale premier

Behapbare aantallen, over de aanwezigheid van draagvlak waar je vooral gebruik van moet maken



donderdag 3 september 2020

Pfeijffer en geloof


Ilja Leonard Pfeijffer deed in Zomergasten een uitspraak die me in verwarring achterliet: “Bijna alle mensen die echt ergens in geloven zijn mooi”.

Misschien komt dat doordat de zomergast van de week ervoor, Jaap Goudsmit, waarschuwt tegen geloof - in zijn geval in de intuïtieve wetenschap -, hoeveel schoonheid daar ook lokt.

Het kan ook zijn dat ik het verwarrend vind om te horen dat Pfeijffer zelf weer ergens in gelooft. Hij was tot vijf jaar geleden de vleesgeworden afstandelijkheid, moeilijk te betrappen op enig enthousiasme voor wat dan ook, en met trotse ironie als belangrijkste uitstraling.

Maar nu draagt hij nadrukkelijk aandacht uit voor de andere mens en in zijn werk klinkt engagement door met de samenleving, onze democratie en het milieu. Waarschijnlijk doet het een mens goed om weer ergens in te geloven en doet dat Pfeijffer ook goed, dus dat kan zijn uitspraak verklaren.

Maar dan vind ik zijn bekering tot ‘geloof’, zonder nadere specificatie, toch iets te ondoordacht. Het enige voorbehoud wat hij nog maakt zit in het woordje ‘bijna’, maar het is van belang om daar preciezer in te zijn. Denk aan de tien jaren van ontnuchtering die Jaap Goudsmit nodig had om van zijn geloof in de intuïtieve wetenschap af te komen. 

Pfeijffer kwam zelf in een van de door hem gekozen filmfragmenten met het thema van de flat earth beweging. Aanhangers daarvan zijn beslist gelovig, maar vindt hij dat ook ‘mooi’? En zo zijn er nog veel meer enthousiaste bewegingen aan te wijzen, van complottheorieën tot fanatieke religieuze sektes, waar mensen met diepe overtuiging de meest rare dingen geloven. Is dat mooi?

Ik zou zeggen: geef me ten opzichte van de geloofsbekeerling Pfeijffer het gezonde deel terug van de scepticus Pfeijffer.

Zie ook Waar of raar?

vrijdag 28 augustus 2020

Jaap Goudsmit


Bij nadere vertering van het Zomergasten interview met Jaap Goudsmit (drie weken geleden, ik weet het) raak ik steeds meer overtuigd van de verwantschap van een van zijn hoofdthema’s met mijn thema van de denkschaamte.

Het gespreksonderwerp waar ik op doel is dat wat Goudsmit aanduidt als zijn grote professionele misser: de in 1990 in Science triomfantelijk aangekondigde ontdekking van een weg naar het definitieve medicijn tegen HIV en de daarop volgende ontmaskering van die ontdekking als broddelwerk. Niet alleen werkte de medicijnontwikkeling niet, het onderzoek van Goudsmit en collega Henk Buck wat eraan ten grondslag lag deugde van geen kanten.

Een blamage, en zo heeft Goudsmit het ook beleefd. Hij schaamde zich “de hele dag”, ik weet niet hoeveel dagen achter elkaar, en heeft er tien jaar voor nodig gehad om erover heen te komen.

Waar ging die schaamte dan over? Die ging over blind geloof. Allereerst geloof in een bepaalde manier van wetenschap bedrijven, namelijk via de mogelijkheid van een briljante gedachte waarvan je alleen maar hoeft te bewijzen dat die waar is. En vervolgens zijn geloof in de ‘geniale’ gedachte die hij feitelijk had over zijn HIV-medicijn: dat zou aids voorgoed uitbannen. Hij was geweldig bezig, en echt niet alleen voor zichzelf.

Tot zover het denkschaamtestadium van de euforie en de nog niet doorgeprikte illusie. Dan volgt het stadium van de confrontatie. Behalve dat de medicijnontwikkeling niet bleek te werken zat hem dwars wat hij zijn collega had aangedaan, die alles uit de kast gehaald had om het medicijn te produceren. “Je zinkt daarna tot de diepste krocht”. Hij heeft ervan geleerd om niet meer intuïtief te geloven in euforische ideeën maar ze bescheiden en kritisch te ondervragen.

Toch was het confrontatiestadium nog niet compleet. Daar was de tussenkomst van Abbring voor nodig: “Heb je je collega nadien nog gesproken? Hem gebeld: hoe gaat het met je? Hij gaf aan dat hij dat best wel gewaardeerd zou hebben.” “Nee”, zei hij. En: “Misschien moet dat een keer gebeuren”. Goudsmit nam zich voor om dat te gaan doen. Zo is, zij het pas na dertig jaar, ook het laatste stadium van de denkschaamtecyclus present, die van het vernieuwde contact.

Zie ook Levinas en politiekBaas in eigen boek en Iets kleins


donderdag 20 augustus 2020

De markt van hoop en troost

‘Ook links wil lekker eten’, zo ontdekte men begin jaren negentig van de vorige eeuw. De welvaartsstaat was op een hoogtepunt, de polarisatie tussen streng socialisme en bon vivant liberalisme uit de tijd van Den Uyl en Wiegel was voorbij en alleen Hans Spekman bleef nog twintig jaar in slobbertruien lopen.

Een soortgelijke verzachting van stereotypen is op dit moment waar te nemen binnen de verlicht rationele gelederen van de NRC. Kritisch denken en milde scepsis zijn daar traditioneel de trefwoorden, men was altijd wars van alles wat naar ideologie, religie of metafysica riekt.

Maar onder invloed van corona is daar iets gaan schuiven. NRC-columnist Floor Rusman zegt met zoveel woorden: “Toen ik achttien was, vond ik het een teken van volwassenheid om cynisch te zijn en nog steeds heb ik een voorkeur voor ‘ja maar’-zeggers, sceptici, anti-utopisten”. Ze was het daarom aanvankelijk ook wel eens met de nuchtere stukken in de krant die gehakt maakten van pogingen om per se de ‘goede kanten van corona’ te benadrukken en de ‘lessen die het virus ons leert’. Totdat ze dacht “Bedankt, maar wat moet ik ermee?”

Zoveel scepsis is teveel, Rusman voelt de behoefte om toch iets positiefs uit de coronacrisis te persen. “Daar zit ik dan, in een spagaat tussen intellectuele voorkeur en emotionele behoefte. Tussen anti-utopisme en Hollywood. Misschien, denk ik, is scepsis een luxe voor betere tijden.”

Van redacteur Sjoerd de Jong, een ander NRC-boegbeeld, die graag het post-ideologische karakter van de krant benadrukt, viel me op dat hij in een boekbespreking een punt maakte van de totale afwezigheid van waarden. Het ging om het boek Moeder Natuur van Wouter Oudemans, waarin De Jong een hard-rechts anti-humanisme ontwaart, getekend door weemoed en sarcasme tegelijk. Hij sluit zijn bespreking als volgt af: “Aan betekenis, hoe betrekkelijk ook, heb je uiteindelijk meer dan aan grimmig nihilisme – en dat is niet voor niets”.

Aan strooien met betekenis en promotie van utopieën zal de NRC nog steeds niet gauw doen. Maar het ideaal van superieure kritische onafhankelijkheid en volstrekte neutraliteit ten opzichte van existentiële waarden lijkt in tijden van beproeving wat te moeten inleveren. ‘Ook rechts behoeft betekenis’.

Zie ook Aan onszelf overgeleverd

vrijdag 14 augustus 2020

Van Rossem en Harari


Over het algemeen lees ik graag historici, vanwege de wijdheid van hun blik. Ze zijn bekend met tijden waarin mensen heel andere dingen deden dan wij nu, of dezelfde dingen maar dan anders. En soms precies zoals wij. Dat relativeert en schept ruimte voor het denken en voorstellen. Om die reden ben ik waarschijnlijk ooit geschiedenis gaan studeren. 

Des te groter is mijn verbijstering wanneer ik op historici stuit die (delen van) het verleden niet anders weten te benaderen dan met de mindset van de verlichte, comfortabele 21e-eeuwse intellectueel. En vooral met de blinde vanzelfsprekendheid van die mindset. 

Zo heeft voor mij Maarten van Rossem volstrekt afgedaan als historicus door onlangs in zijn tv-quiz De slimste mens, zonder aanleiding behalve een kennelijk diepgewortelde eigen emotie, het Oude Testament af te branden als “totaal krankjorum, gewelddadig en idioot”. Als je van iemand mag verwachten dergelijke geschriften te kunnen plaatsen in de context van hun tijd (dit waren, ook qua inhoud, gebruikelijke teksten), dan is het wel van een historicus. 

En anders zou je – maar daar hoef je geen historicus voor te zijn – wel het omgekeerde mogen verwachten: dat je kunt doorzien dat onze huidige wereld wel erg veel weg heeft van die van de Hebreeuwse Bijbel. In weerwil van ons eigentijdse mensenrechtenverhaal zijn op wereldschaal uitbuiting, ongelijkheid en geweld aan de orde van de dag. Het complexe beeld dat het Oude Testament schetst van menselijke (wan)verhoudingen is zo onrealistisch nog niet. Maar misschien is Van Rossem alleen geïnteresseerd in utopieën, en vindt hij om die reden alleen het Nieuwe Testament acceptabel. 

De Israëlische historicus Yuval Harari kun je een dergelijke utopische gerichtheid in ieder geval niet aanwrijven. Hij is eerder geïnteresseerd in het tegendeel ervan, de dystopie, en wel in het bijzonder die van de toenemende menselijke afhankelijkheid van algoritmes en dataflows – ook al wil hij dat geen dystopie noemen. 

Harari kent beslist belang toe aan alle utopische verhalen die mensen sinds het begin der tijden verzonnen om elkaar moed in te spreken en tot samenwerking te komen. Daartoe rekent hij de mythen en legenden die mensen elkaar van generatie op generatie doorvertelden, en in de laatste eeuwen het geloof in de wetenschap en het humanisme. Maar, zo stelt hij, die verhalen zijn voor de moderne mens niet geloofwaardig meer. De toekomst zal daarom zijn aan kunstmatige intelligentie en dataflows en utopisch kun je dat niet noemen. 

Dat het utopische het dan moet afleggen heeft wel iets verfrissends. Daarin toont Harari regelmatig de wijde blik die ik graag zie bij een historicus. Hij komt tot relativering van veel zingevingsverhalen, inclusief die van de Joodse traditie waar hij zelf uit afkomstig is en waarvan het Oude Testament een kernelement vormt. Ook daar kan ik grotendeels mee instemmen. 

Maar tegelijkertijd stuit ik bij Harari’s behandeling van dit onderwerp op een blinde vlek die misschien wel vergelijkbaar is met die van Van Rossem. Harari noemt in een – wel zeer bondige – kenschets het oudtestamentische Jodendom “een geloof van tempels, priesters en woeste krijgers”. Dat klopt op zichzelf, maar – hoe bondig je het ook wilt samenvatten – in dat rijtje mogen de profeten niet ontbreken. Harari laat een onderdeel weg dat geen historicus zou mogen missen. 

Het ontbreken van de profeten heeft waarschijnlijk te maken met Harari’s seculiere blik die geen chocola kan maken van visioenen en profetieën. Maar daardoor klopt zijn historische verhaal niet meer helemaal, want dat verhaal is niet te vertellen als je de profeten weglaat. Daar faalt Harari dus als historicus. 

Maar zo bezien gaan mijn bedenkingen tegen Harari nog verder. Want hoewel het debunken van veel zingevingsverhalen voor mij iets verfrissends heeft, vind ik dat hij te ver gaat. Uiteindelijk bestaat ook het werk van een historicus eruit om verhalen te vertellen, met in ieder geval een minimum aan betekenis erin. Door de mensengeschiedenis te reduceren tot het verslag van het Verdwijnen van Alle Verhalen verzaakt hij aan die opdracht.

dinsdag 4 augustus 2020

Filosofie als vluchtgedrag


Ik houd van filosofie, net als Zomergast Inez Weski die recent ontvangen werd door Janine Abbring. Maar dan moet je er geen bastion van maken, zoals Weski doet voor mijn gevoel.

Filosofie is mooi als het denken de verbinding aangaat met het geleefde leven. Dan krijgen persoonlijke belevenissen reliëf door het licht dat een denktraditie erop laat schijnen. En omgekeerd kunnen vermolmde overgeleverde denkbeelden tot leven komen in de dagelijkse worstelingen van gewone mensen.

Om dat te bereiken is een zekere openheid nodig over persoonlijke worstelingen en wederwaardigheden. Als die openheid er niet is krijg je filosofie op zijn lelijkst: als een misschien eerbiedwaardig maar verder compleet van het leven losgezongen instituut. Dat is het eeuwenlang ook geweest, maar zeker sinds ontwikkelingen in de 20e eeuw hoeft filosofie al lang niet meer zo te zijn.

Maar voor Weski wel. Ze verklaart graag dat ze staat “in een lange lijn van filosofen” en zich daarin liefst terugtrekt als ze genoeg heeft van de “meute” die de samenleving is. Iedere poging van Abbring om dat te verbinden met wat Weski heeft meegemaakt of doorleefd werd door de gast terzijde geschoven. Ondertussen sprak ze wel over de absoluutheid van de normen waar maatschappij en rechtspraak aan zouden moeten voldoen. Het resultaat was een ophemeling van cultuur en filosofie en verheven rechtsnormen, doodlopend in steriele geslotenheid.

De recensent van Trouw verweet Abbring te geagiteerd te reageren op die geslotenheid. Maar ik vind de irritatie daarover volkomen begrijpelijk, want je kunt heel boos worden van zo’n façade waar al je pogingen tot gesprek op afketsen. Wat Weski doet heeft iets gemakzuchtigs: verheven standpunten innemen, en zelf buiten schot blijven in je filosofische ivoren toren.

Aan het begin van de uitzending ging het over de vakantietijd, waarin de mensen massaal  “vluchtgedrag” vertonen. Weski houdt daar niet van. Maar als zij zich voor de meute verschuilt en toevlucht zoekt achter haar steriele muur van filosofie en cultuur, dan ben ik geneigd dat ook vluchtgedrag te noemen.

Zie ook Bellen blazen en Onveiligheid in filosofie en organisatie

vrijdag 31 juli 2020

Levinas en Harari


Laatst verzorgde ik een inleiding over de Israëlische historicus Yuval Harari, en zoals voor mij te doen gebruikelijk laste ik daar een vergelijking in tussen zijn werk en dat van Emmanuel Levinas. Onvermijdelijk stuit je dan op grote verschillen. Levinas plaatst zichzelf binnen de Bijbels-humanistische traditie, Harari denkt dat die weleens helemaal passé zou kunnen zijn. Harari is met zijn belangstelling voor algoritmen en dataflows volledig van de 21e eeuw, Levinas (overleden in 1995) had dat nog allemaal niet mee gekregen. En last but not least, zo hoog opgestapeld als Sapiens en Homo Deus hebben Levinas’ boeken nooit gelegen; Harari schrijft vlot en populariserend, hij bereikt een miljoenenpubliek. Levinas staat bekend als een moeilijke schrijver met een nichepubliek.

Toch is er een belangrijk raakvlak tussen Harari en Levinas, en dat ligt in de gedeelde belangstelling die ze hebben voor het onderwerp van fictie en ideologie. In het werk van beiden speelt dat een cruciale rol.

Harari kent in zijn beschrijving van de geschiedenis van de mensheid een groot belang toe aan het vermogen van de mens tot het vertellen van verhalen. Verhalen – door hem ook wel ficties of ideologieën genoemd – hebben een kracht die mensen samenbindt en hen daardoor tot samenwerking brengt. Het ontstaan van grotere organisatorische verbanden zoals staten en wereldrijken, maar ook productiebedrijven en rechtsvormen is voor een groot deel daarop gebaseerd. Het is misschien niet gemakkelijk om met een effectief verhaal te komen, zegt Harari, “maar als het lukt, geeft het sapiens immens veel macht, omdat het miljoenen vreemden in staat stelt om samen te werken met een gemeenschappelijk doel”. Momenteel, in het laatste stadium van het humanisme, worden wij nog steeds beheerst door ons verhalende zelf. Maar dat nuttige gebruik van fictie en verhalen is een aflopende zaak, aldus Harari, omdat algoritmen hun functie overnemen en beter presteren.

Hoe valt Levinas daarmee in verband te brengen? Wel, bij Levinas, of in ieder geval in mijn interpretatie van Levinas, is de denkschaamte een belangrijk verschijnsel, en bij het optreden van denkschaamte is er altijd fictie en ideologie in het spel. Immers, het begint steeds met een goedbedoeld idee, waarvan de bedenkers – oprecht – denken: dit is niet alleen voor mij goed, maar voor iedereen. En dat zou wel eens de definitie kunnen zijn van wat ideologie is. Vervolgens komt een fase van uitrollen of zelfs opdringen van dat goede idee, gerechtvaardigd door het eigen, heilige geloof in de heilzame werking ervan. Als dat tenslotte verkeerd uitpakt – je constateert tot je verrassing dat anderen niet gediend zijn van jouw leuke ideetje, je gaat bij hen over de grens – dan kan denkschaamte optreden. Dat wil zeggen: verlegenheid met  je eigen denken, terwijl je het alleen maar goed bedoeld hebt, ook voor een ander.

Het gaat me, in deze omschrijving van denkschaamte, voor de vergelijking met Harari nu speciaal om de fase van het goedbedoelde idee bij Levinas, dus van de ideologie. Want daarin herken ik de verhalen, mythes en legendes waar Harari over spreekt. Dat zijn de imaginaire entiteiten waarvan hij, met het grote gebaar dat hem eigen is, in de geschiedenis een breed assortiment ontwaart, lopend van het Soemerische godenrijk tot het automerk Peugeot, van wereldreligies tot Zwarte Piet, van communisme tot kapitalisme en humanisme.

Belangrijk is vast te stellen dat het hier wel om fictie gaat, maar niet om leugens. Levinas spreekt van illusies, maar die komen niet voort uit kwaadaardigheid maar uit de manier waarop wij spreken en kennis verwerven. En Harari stelt duidelijk dat een imaginaire realiteit geen leugen is. In tegenstelling tot een leugen is een imaginaire realiteit iets waarin velen oprecht geloven. “De meesten van ons identificeren zich met hun verhalende zelf, het maakt niet uit dat de plot vol verzinsels en gaten zit en dat die constant herschreven wordt”, aldus Harari.

Dat Levinas en Harari bij elkaar in de buurt komen blijkt als Harari een vraag aanhaalt van Jorge Luis Borges, waarin hij het begin van denkschaamte te pakken heeft: “Borges stelt een fundamentele vraag over de condition humaine: wat gebeurt er als de verhaaltjes die ons verhalende zelf ons voorspiegelt ernstig leed toebrengen aan onszelf of de mensen om ons heen?”.

Maar nu. Het humanisme loopt op zijn einde, volgens Harari. Gaat, met het humanisme, álle ideologie verdwijnen? De ideologie dus die in het betoog van Levinas ook zo’n belangrijke rol speelt?

Daar lijkt het wel op. Ideologieën in al hun gedaantes, tot aan het humanisme toe, hadden de functie het menselijke vermogen tot samenwerking te ondersteunen. Maar als algoritmen die ondersteunende functie overnemen, en daarin zelfs nog veel beter blijken te zijn dan al onze zelfverzonnen verhalen ooit waren, dan is het, letterlijk, einde verhaal voor alle ideologie.

Dus het antwoord op de laatste vraag is: ja, het humanisme komt ten einde, en er is geen ideologie die het overneemt. In de leidende positie zijn er alleen nog maar algoritmen die op basis van kennis van onze biologische gesteldheid en genot- en pijngevoeligheid onze keuzes sturen.

Is er dan nog communicatie? Je kunt ervan uitgaan dat dat wel zo is. Want er zal nog genot en (weliswaar minder) pijn zijn, en daar kun je over praten. En over de steeds intensievere ineenvlechting van biologische en mechanische elementen en voortdurende uitbreiding van het geïntegreerde informatiesysteem zal overlegd worden. Verbondenheid met het systeem zal de bron zijn van alle nieuwe zingeving.

Maar de specifieke vorm van communicatie waar Levinas het over heeft, die verdwijnt dan wel. Die communicatie bestaat uit de ontmoeting met wat wezenlijk anders is dan jijzelf. Dat wordt ook wel het ‘waagstuk van de communicatie’ genoemd, omdat het meestal begint met twee elkaar wederzijds uitsluitende wereldbeelden of ideologieën, die afkomstig zijn van  verhalen vertellende ego’s. Dat schuurt en botst, maar biedt daardoor juist de mogelijkheid om iets nieuws te ontmoeten. Je leert iets wat je nog niet wist. Als ideologie en het verhalende zelf gaan verdwijnen, dan zal er niets meer zijn om te ontmoeten.

Zo eindig ik deze keer met een vraag: was Levinas alleen maar relevant zolang er al dan niet  totalitaire ideologieën en verhalen waren? Die leidden vaak tot gewelddadigheden, en daarom moest daar een draai aan gegeven worden in constructieve richting en dat deed Levinas. Nu het verhalende zelf een tijdelijk, evolutionair verschijnsel blijkt te zijn, aldus Harari, kan het gezonde verstand van de algoritmen daaraan voorbijgaan.

Of kan andersheid ook nog betekenen dat je je tegen de algoritmen keert, ook al belooft Harari’s Nieuwe Grote Verhaal pijnloosheid?

Zie ook Het totalitarisme is onder ons

donderdag 16 juli 2020

Vijftig jaar achterop


Frankrijk en Duitsland gaan de voor herstel uitgetrokken fondsen op klimaatvriendelijke manier besteden. Beide landen zetten in op duurzaam industriebeleid met de coronamiljarden. Hun herstelprogramma’s richten zich op het verbeteren van de exportpositie van bedrijven in groene technologieën.

Verder wil Frankrijk elektrisch rijden aantrekkelijker maken, geeft het lage inkomens die hun fossiele auto inwisselen een premie en breidt het de laadstations sneller uit. Air France krijgt extra groene voorwaarden opgelegd: de trein moet korte vluchten gaan vervangen en het gebruik van duurzame kerosine moet groeien.

Duitsland zet in op snellere omschakeling naar elektrisch vervoer en energiezuinige nieuwbouw. Warmtepompen worden voor burgers beter betaalbaar en er gaat extra geld naar renovatie van energieslurpende gebouwen.

In Nederland hebben we nog weinig vernomen van klimaatvriendelijk herstel. Aan de miljarden die de KLM als steun ontvangt zijn nauwelijks nieuwe duurzaamheidsvoorwaarden verbonden, en de voorgenomen CO2-heffing voor de industrie is kortgeleden op een laag pitje gezet om bedrijven te ontzien. De fossiele industrie wordt voor acht miljard euro gesubsidieerd. Nederland doet de zegswijze eer aan dat alles hier vijftig jaar achterloopt op de omringende landen.

Nou ja, beter zo dan andersom, want wat grote landen doen telt natuurlijk zwaarder dan wat een klein land doet. En het past wel bij Rutte en zijn ploeg: niet moeilijk doen totdat het echt niet anders kan. Dat is zijn makke, maar ook zijn charme. Daarom is hij een goede crisismanager voor wat op de korte termijn speelt, zoals de coronadreiging.

Maar toch, je zou zo graag een beetje trots zijn op wat je land doet op klimaatgebied. Want uiteindelijk geldt daar hetzelfde als wat Rutte over corona zei: je wilt later geen spijt hebben van wat je hebt gedaan of nagelaten. En die vijftig jaar om achter te lopen hebben we gewoon niet meer.

Zie Herhaling van zetten en Geen visie

vrijdag 10 juli 2020

Annexatie


Het deugt niet. Punt uit. Annexatie van andermans land is onfatsoenlijk, en als je dat zelf niet kunt bedenken zijn de regels van het internationale recht daarover duidelijk genoeg.

Ik wijs annexatie dus af. Maar ik ben genoeg historicus om te weten: water stroomt naar het laagste punt en een machtsvacuüm houdt niet lang stand tegen overmacht. De verschillen in militair, politiek en economisch opzicht tussen Israël en Palestina op de Westbank zijn simpelweg te groot. Daardoor zal de huidige dynamiek van Israëlische expansie gewoon doorgaan, heel cynisch maar waar.

Tegenover deze neerdrukkende werkelijkheid laat ik me af en toe optrekken door geluiden over constructieve Palestijns-Israëlische samenwerking. Zo zou een flink aantal Palestijnen voor werk en welvaartsniveau liever bij Israël horen dan in een eigen Palestijnse staat te wonen. Een dergelijk geluid kwam bijvoorbeeld onlangs van Crescas columnist Eldad Kisch. Vanwege zijn niet aflatende medische activisme ten behoeve van Palestijnen beschouw ik hem als onverdachte bron. Hij tilt niet zo zwaar aan de voorgenomen annexatie.

Blijft staan, zeker bij verdergaande annexatie, dat Israël de Palestijnen van de Westbank als Israëlische burgers zal moeten beschouwen, inclusief stemrecht en andere rechten. Zo niet, dan dreigt Israël een racistische staat te worden.

Zie ook Schuiven

maandag 29 juni 2020

Wie is de ander bij Levinas?


“Let een beetje op elkaar”, of: “Zorg goed voor je naaste”; met die uitspraken zijn we het graag snel eens, zeker in tijden van corona. Maar voor wie een beetje doordenkt doet zich al gauw de vraag voor: wie is die naaste, wie is ‘elkaar’? Ik kan toch niet voor iedereen zorgen? De filosoof Emmanuel Levinas biedt via het thema ‘denkschaamte’ mogelijke antwoorden op de vraag ‘Wie is de ander?’. Daarover gaat mijn bijdrage voor de webinars van adviesbureau Haagse Beek.

Zie ook Denken voor een ander en Levinas zoals ik hem begrijp.

vrijdag 26 juni 2020

Pelgrimstocht


Gied ten Berge is socioloog, theoloog en vredesactivist. Hij was jarenlang actief voor Christelijke vredesbewegingen als het Interkerkelijk Vredesberaad en Pax Christi. Dat is gevoelig terrein, en daar voegde hij vorige week met zijn proefschrift nog een gevoelig onderwerp aan toe: Pelgrimeren met een missie. Het Palestijnse ‘Kom en zie’-initiatief in cultuurwetenschappelijk en historisch-theologisch perspectief.

De titel verwijst naar een oproep uit 2009 van een groep Palestijnse Christenen aan Christenen wereldwijd om naar hun land te pelgrimeren en er de harde werkelijkheid te zien en “een boodschap van vrede, liefde en verzoening” te brengen.

Wat is daar zo gevoelig aan? Nou, vanuit Joods perspectief denk je al gauw aan de spontane voorliefde voor de underdog in kringen van de vredesbeweging, en dus aan anti-Israëlische vooringenomenheid vanwege het militair-politieke overwicht van Israël tegenover de Palestijnen. Maar ook vanuit intern-Palestijns perspectief ligt er voldoende conflictstof. Palestijnse Christenen hebben te lijden onder de toenemende invloed van de Islam in het hele Midden-Oosten. In tegenstelling tot de Islamitische Palestijnen krimpen zij in aantallen en invloed.

Ten Berge lijkt op een ontspannen manier om te gaan met deze gevoeligheden. Zo gebruikt hij de term ‘Het Land’ in een duidelijke poging om de term ‘Het Heilige Land’ te vermijden. Daar kan ik goed mee instemmen, je moet altijd oppassen met het heilig verklaren van landen en dingen en mensen. Nu komt hij trouwens wel erg dicht in de buurt van het in Joodse kring veel gebruikte ‘HaArets’.

Op de vraag of ‘Kom en zie’ tegen Israël gericht is, antwoordt hij dat de pelgrims geen partij kiezen en met iedereen spreken, van Palestijnse activisten tot Joods-Israëlische kolonisten. Daardoor kunnen onverwachte inzichten ontstaan. De mooiste omslag in de ogen van Ten Berge was die van een jezuïet met ervaringen in Libanon die hem fel anti-Israël hadden gemaakt. Na een ontmoeting met Yehuda Shaul, de oprichter van de beweging ‘Breaking the Silence’ van Israëlische oud-militairen, raakte de man heftig geëmotioneerd: hij was zijn vijandbeeld kwijt. Hopelijk kan Ten Berge ook voorbeelden noemen van beweging in omgekeerde richting.

Eigenlijk sluit de nadruk van Ten Berge op schokkende ontmoetingen met mensen die nét of helemaal anders zijn dan je dacht goed aan bij mijn interesse: zomaar, bij verrassing, geraakt worden door een ander. Maar moet je daarvoor op pelgrimstocht? En met een missie nog wel? Zelf heeft Ten Berge het niet zo op de modieuze pelgrimstochten naar Santiago de Compostella. “De kerk liep leeg, en plots liep iedereen naar Santiago. Dat type pelgrim heeft zelfrealisatie als hoogste waarde”, die is vooral op zoek naar zichzelf.

Daar stelt Ten Berge de tocht naar Palestina tegenover: “Je verlaat je eigen omgeving, je durft het grensgebied in te gaan en andere mensen te ontmoeten, waardoor je de dingen plotseling heel anders kunt gaan zien”. Ik snap wat hij bedoelt, maar wat mij betreft is het nog te ver gezocht. De andersheid die je kan schokken woont gewoon bij je in de straat, of zelfs in huis.

Zie ook Markering

vrijdag 12 juni 2020

Levinas en politiek


Geraakt worden door de pijn die een ander heeft van jouw opstelling. Dat is misschien een schattig verschijnsel uit de privé-sfeer, maar maatschappelijk gezien is het niet erg relevant.

Zo ongeveer loopt de redenering die betwijfelt of de Frans-Joodse filosoof Emmanuel Levinas met zijn aandacht voor de ander in politiek en maatschappelijk opzicht wel van betekenis kan zijn. Die twijfel ken ik trouwens als Levinas-fan zelf ook wel.

Maar deze week voltrok zich een mooi gevalletje denkschaamte met wel degelijk politieke gevolgen. Overeenkomstig het levinassiaanse schema startte premier Rutte zes jaar geleden nog vanuit de comfortabele positie van enthousiaste supporter van Sinterklaas als een onschuldig kinderfeest, beleefde de confrontatie met (naar eigen zeggen) “mensen en kleine kinderen die zich ongelofelijk gediscrimineerd voelden”, en komt nu uit bij de opvatting dat Zwarte Piet niet meer kan.

Het maakt – politiek gezien – natuurlijk wel uit of het een politieke leider is die zo’n draai maakt, of een gewone burger zoals ik. Maar daar zitten nog allerlei gradaties en smaken tussenin, zoals bijvoorbeeld de soortgelijke ervaring waar schrijver Robert Vuijsje over vertelt. In ieder geval valt niet meer uit te sluiten dát zo’n draai maatschappelijk relevant kan zijn.

Zie ook Jaap GoudsmitHoe naïef is Levinas eigenlijk? en Wie is de ander bij Levinas?

vrijdag 29 mei 2020

Zaligverklaring


“In het Christendom worden alle universele antwoorden te schande gemaakt en is het goddelijke nauw verbonden gebleken met het dagelijkse en concrete”, aldus verwoordt de theoloog Erik Borgman volgens zijn recensent de kern van zijn Christelijke geloof.

Ik moet zeggen, een dergelijke kritische houding tegenover de arrogantie van universele boodschappen waarin religies al snel vervallen, spreekt mij aan. En waardering voor de  bescheidenheid van het concrete particuliere en locale is me uit het hart gegrepen.

Maar waar haalt Borgman het vandaan? Hoeveel geweld moet hij de feitelijke geschiedenis van tweeduizend jaar Christendom aandoen om tot die uitspraak te komen? Want was de opdracht om het Christelijke geloof, goedschiks of kwaadschiks, uit te rollen tot in de uithoeken van de aarde niet vanaf de tweede of derde eeuw al een belangrijk geloofspunt? Immers, Christus was voor alle mensen gestorven, dus dat zullen ze weten ook.

Jawel, zegt Borgman misschien, maar daar hebben we van geleerd. Tegenwoordig begrijpt de kerk dat dat soort pretenties en missiedrang niet altijd mensvriendelijk zijn. Dat gaat in tegen de naastenliefde, en daarom heeft de kerk een draai gemaakt: van universeel opdringerig naar bescheiden nabij in concrete leefsituaties.

Zou Borgman dat zelf kunnen geloven? Kun je met zoveel gemak tweeduizend jaar imperialistische geschiedenis uitwissen? Bovendien: het missionaire gedachtengoed is helemaal niet dood, het is springlevend. Een mooie illustratie daarvan biedt het recente besluit van paus Franciscus om de zaligverklaring van Isabella van Castilië, bijgenaamd Isabella de Katholieke (1451-1504), opnieuw op te starten. Het proces voor haar zaligverklaring was al in 1958 gestart, maar werd onderbroken in 1991 omdat op dat moment Isabella’s rol in de verdrijving van de Joden uit Spanje een te groot obstakel leek te zijn. Dat de paus haar zaligverklaring nu weer voortzet, heeft te maken met haar belangrijke aandeel in de evangelisatie van Zuid-Amerika. Isabella financierde onder meer de expeditie van Christoffel Columbus, die leidde tot de ontdekking van Amerika in 1492.

Deze gang van zaken toont het omgekeerde van wat Borgman beweert. Er was misschien even, tot vijftig, zestig jaar na de Tweede Wereldoorlog, in de kerk een schuldig bewustzijn over wat de universele heilsboodschap met Joden (net zo goed als met Zuid-Amerikaanse Indianen) gedaan had. Maar Franciscus’ motief voor het herstarten van de zaligverklaring laat zien hoe diep het evangelische universalisme geworteld is in het kerkelijke DNA.

Als Borgman niettemin zelf oprecht gelooft in zijn uitspraak, is het waarschijnlijk door de toepassing van een veelbeproefd recept om onwelgevallige dingen van je geloofstraditie ‘een plekje te geven’. Hij valt terug op het dualistische schema dat onderscheidt maakt tussen de wereldse, zondige verschijningsvorm van de kerk op aarde, en de ware, spiritueel opgevatte kerk waartoe Borgman zich bekent.

Ik houd het erop dat het reëel bestaande Christendom toch werkelijk tot in zijn diepste vezels universalistisch en missionair is. Nog steeds.

Zie ook Groots, want universeel

zaterdag 16 mei 2020

Iedereen helpen? Dat verlamt


Noem mij politiek incorrect, verwijt me het doorbreken van eerbiedwaardige taboes. Want het klopt, ik ben tegen het intensief opsporen en oppikken van vluchtelingen op de Middellandse Zee door West-Europese hulporganisaties. En inderdaad, ik geloof dat er zoiets is als een aanzuigende werking.

Maar dat weerhoudt me niet om nu vurig te pleiten voor deelname aan de actie #Weeswelkom#500kinderen die is gestart door de zanger Joshua Nolet. Die actie voor het opnemen van 500 ouderloze kinderen van de Griekse eilanden voldoet namelijk aan alle voorwaarden voor levensvatbaarheid die je aan zo’n actie mag stellen: het is te overzien, het is uitvoerbaar en meer dan zestig gemeentes hebben zich al bereid verklaard tot opvang. Dan kun je toch niet meer weigeren?

Toen Nolet gisteren in Op1 zijn initiatief presenteerde haakte coronagezant Feike Sijbesma daarbij aan door te vertellen dat door corona, sprinkhanen en milieuschade nu nog veel meer ellende in de maak is. Heel Afrika zal daardoor getroffen worden, en daar zullen we ook iets mee moeten. Sijbesma bedoelde het goed, maar het effect van zo’n uitvergroting van onze verplichtingen jegens anderen creëerde direct een verlammend gevoel van onmacht in de studio.

Terecht wees Nolet vervolgens op de simpelheid en duidelijkheid van zijn initiatief. Niet iedereen is kennelijk onze naaste, al hebben we het vaak wel zo geleerd. Laat ons universaliserende denken alsjeblieft niet onze direct mogelijke acties blokkeren. Dus verschijn aanstaande maandag om 11.55u op Instagram (als je dat hebt).

Los daarvan, het misstaat ons als gevestigd EU-lid beslist niet om eens een gebaar van solidariteit naar Griekenland te maken.

Zie ook Behapbare aantallen en Met universele waarden kom je niet ver

vrijdag 15 mei 2020

De schuld van religie


Opvallend is het wel in de verhalen over coronabesmettingsbronnen: de rol van religieuze bijeenkomsten. In Frankrijk kon een van de grootste besmettingshaarden in verband worden gebracht met een Evangelisch-charismatische manifestatie in Mulhouse, op Goeree-Overflakkee met de Hervormde Exoduskerk en in India met een Islamitisch centrum in New Delhi. Maar die besmettingen zijn nog enigszins geëxcuseerd omdat ze plaatsvonden in de begintijd, toen Rutte per ongeluk ook nog handen gaf.

Maar bij recente berichten lijkt regelrechte moedwil in het spel te zijn. In New York woonden 2500 Chassidiem de begrafenis bij van een geliefde rabbijn, in Rusland gingen met Pasen veel Orthodoxe parochies hun eigen gang en in Israël moeten ordetroepen de maatregelen afdwingen in ultraorthodoxe buurten.

Daar zijn allerlei reacties op mogelijk. Voor sommige religiehaters vormen deze gebeurtenissen het zoveelste bewijs dat religieuze mensen achterlijk zijn. Andere religiehaters nemen de gelovigen niks kwalijk – die zijn gebrainwasht en dat kunnen ze ook niet helpen – maar wel de religies, die als instituten per definitie achterlijk zouden zijn. Weer anderen trekken het nog breder: religies zijn een deelverzameling van de grotere verzameling van ideologieën die een bepaalde werking hebben op onze geest en ons op listige wijze kunnen verblinden.

De eerste reactie, dat gelovigen per definitie achterlijk zijn, kan gemakkelijk weerlegd worden. Daarvoor hoef je alleen maar te wijzen op de overgrote meerderheid van gelovigen op de wereld die instemmen met de anti-coronamaatregelen en ze in de praktijk brengen. Zij organiseren al lang geen live bijeenkomsten meer, treffen elkaar in zoom-sessies of wachten op betere tijden.

Tegen de tweede reactie valt in te brengen dat religies geen onveranderlijke grootheden zijn. Mede onder invloed van de feitelijk levende en in meerderheid redelijk denkende gelovigen veranderen religies door de geschiedenis heen voortdurend van karakter. Dus van ‘achterlijkheid per definitie’ kan geen sprake zijn, hooguit bij sommige stromingen binnen de religies. In conservatieve Russische kring bijvoorbeeld wordt het gevaar van het coronavirus steevast gebagatelliseerd, de communie via een gezamenlijke lepel zou zelfs de beste bescherming bieden tegen het virus. Maar in Rusland zie je ook vooruitstrevende kerken die hun parochianen vragen helemaal af te zien van het kussen van iconen of andere voorwerpen.

Curieus is dat de over één kam scherende bestempeling van religies als achterlijk vaak gepaard gaat met de klakkeloze inruil daarvan tegen seculiere ideologieën zoals socialisme, kapitalisme, fascisme of anarchisme. Dat is opmerkelijk omdat die bewegingen dezelfde verwerpelijke verschijnselen kunnen gaan vertonen als religieuze bewegingen, namelijk verblindend enthousiasme en een dogmatisch gevoel van onkwetsbaarheid.

Om die reden voel ik me het meeste thuis bij de derde reactie. Die stelt vast dat verblinding en dogmatisme niet beperkt zijn tot religies, maar kunnen optreden over het hele brede scala van menselijke opvattingen en ideologieën. Dat spectrum loopt van religie via wereldlijke ideologieën tot aan het liberale geloof in de vrijheid van de consument. In alle gevallen kunnen de door coronamaatregelen gestelde grenzen worden opgerekt door misleidende rechtvaardigingen, variërend van ‘God beschermt mij’  tot ‘dit is goed voor mij’ of ‘dit heb ik nu echt even nodig’. Schijt-aan-corona-feestjes vallen zo bezien onder dezelfde illusiewekkende werking van onze geest als pinkstersessies.

Als we ons daartegen willen wapenen is er daarom meer vereist dan het afwijzen van religie. Het gaat eerder om een gezond wantrouwen tegen alle manieren waarop de menselijke geest ons loeren draait en overmoedig maakt.

Zie ook Waarom is gezond verstand zo schaars? en Illusieonderzoek

donderdag 30 april 2020

Aan onszelf overgeleverd


Veel mensen zitten in deze coronacrisis noodgedwongen thuis. Als je dan ook nog eens – al dan niet tijdelijk – je werk kwijt bent, dan kun je het aardig benauwd krijgen. Je bent afgesneden van sociaal ingebedde en gelegitimeerde bezigheden en met al die nutteloosheid zit je binnen wel erg dicht op elkaars lip, of anders alleen. In die situatie kan het helpen om je eigen projectje te hebben waarmee je in zekere afzondering jezelf bezighoudt.

Maar dat klinkt simpeler dan het is. Want de toegang tot zulke soloprojecten kan door allerlei half-onbewuste opvattingen en blokkades behoorlijk versperd zijn. Het  socialisatietraject dat we op een of andere manier allemaal doorlopen hebben heeft ons ingeprent dat iets samen doen waardevol is. Iets alleen doen is al gauw egoïstisch of asociaal.

Het doet me denken aan een kwestie die laatst langskwam in de taalrubriek van Trouw. Het ging over spreken in de eerste persoon. Een briefschrijver verweet Peter-Arno Coppen zijn columns vaak te beginnen met “het naar egoïsme riekende woordje ‘ik’”. Terecht antwoordde Coppen dat “een persoonlijke stijl leesbaarder is dan een onpersoonlijke”. De briefschrijver lijkt hier slachtoffer te zijn van wat relatietherapeut Esther Perel noemt “een mensenleven vol waarschuwingen tegen egoïsme”. Daar wordt de liefde niet beter van en, zoals Coppen aangeeft, onze teksten ook niet.

Overigens ken ik dat anti-ik sentiment ook wel. Ik denk dat het – behalve door onze opvoeding – dagelijks gevoed wordt door alle dikke ikken die zich in de samenleving manifesteren. Persoonlijk heb ik dat nog het meest in het verkeer waar monsterlijke SUVs steeds meer het straatbeeld bepalen en motoren hun ongedempte decibellen diep het huis in slingeren. En als Trump op tv is natuurlijk. Op die momenten kan ik zomaar spontaan instemmen met de cultuurpessimisten en moralisten die de uitvergroting van het ik bestempelen als de kwaal van onze tijd.

Toch ligt het genuanceerder dan dat. Want als diezelfde moralisten het gebod uitdragen: gij zult uw stukjes niet met ‘ik’ beginnen, dan ben ik het daar beslist niet mee eens. Taal wordt namelijk meestal pas interessant als de spreker of schrijver een positie inneemt, of een persoonlijke ervaring inbrengt. Taal kan onpruimbaar worden als de gebruiker ervan de veiligheid opzoekt van de instemming van en inbedding in een collectief. Door veel ‘wij’ te gebruiken, of ‘mét elkaar’ (accent op ‘mét’), of juist een technisch, neutraal jargon.

Voor zover het onze opvoeding is die ons verhindert om daar een gezond egoïsme tegenover te zetten, kan de gedwongen sociale quarantaine ons helpen om dat wat bij te sturen. Cultiveer, om met Montaigne te spreken, je eigen individualiteit; besteed aandacht aan je persoonlijke belangstellingen en hobbies en films en boeken, los van enige sociale acceptatie.

Want hoe houd je het anders uit met jezelf – en anderen – dezer dagen?

Zie ook Eigenzinnig en Levinas en egoïsme

vrijdag 24 april 2020

Levinas en Butler


Onlangs gaf ik in het kader van Werk en Reflectie een workshop over Judith Butler en zoals bij iedere andere filosoof die ik behandel stel ik me bij haar de vraag: wat valt op in de vergelijking met mijn favoriete filosoof Levinas?

Een overeenkomst tussen Butler en Levinas is dat ze Joods zijn, en die overeenkomst is niet te missen omdat ze beiden in hun werk worstelen met vragen die uit de Joodse geschiedenis voortkomen.

Butler begon daar zelfs al op vroege leeftijd mee. Omdat ze als veertienjarige te veel kletste in de klas van haar Hebreeuwse school in Cleveland moest ze voor straf speciale lessen Joodse ethiek volgen, gegeven door de plaatselijke rabbijn. Ze mocht zelf onderwerpen aandragen ter behandeling in die lessen, en ze kwam met drie vragen: Waarom werd Spinoza uit de synagoge geëxcommuniceerd? Kan de vroeg 19e-eeuwse  Duitse filosofie (Kant en Hegel) verantwoordelijk worden gehouden voor het nazisme? En hoe moest men de existentiële theologie begrijpen, inclusief het werk van Martin Buber? Ze genoot van de straflessen.

Levinas heeft zich, mede naar aanleiding van de Sjoa, veel bezig gehouden met de vraag wat er mogelijk mis is met de westerse filosofie, zodanig dat de Sjoa heeft kunnen gebeuren. Hier toont zich een verschil tussen Levinas en Butler: de eerste maakte als behorend tot de eerste generatie alles zelf mee, en probeerde nadrukkelijk als betrokkene te duiden wat hij meemaakte. De tweede, geboren na de oorlog in Amerika, hoorde wel over de uitroeiing van haar moeders Hongaarse familie, maar kon daar met meer afstand naar kijken.

Uit het leeftijdsverschil vloeit een ander verschil voort. Levinas heeft waarschijnlijk nooit kennis gemaakt met het werk van Butler, maar omgekeerd wel. Dat blijkt uit de regelmatige verwijzingen van Butler naar het werk van Levinas. Maar misschien is het belangrijkste verschil – en dat zal behalve met de generatie waartoe ze behoren ook met hun persoonlijke aard te maken hebben – dat Butler vanuit de filosofie op soepele wijze andere gebieden betreedt, zoals de psychoanalyse en de politiek. Zij voert actie voor de bevordering van genderbewustzijn en neemt soms politiek stelling, bijvoorbeeld in het Palestijns-Israëlische conflict. Van dat soort activisme moest Levinas niks hebben.

Waar komen zij inhoudelijk wél een beetje bij elkaar in de buurt? Geestverwantschap tussen Butler en Levinas vind ik in hun beider aandacht voor ontvankelijkheid, dat wil zeggen voor de mogelijkheid om geraakt te worden door de ander. Butler kent belang toe aan het feit dat, voordat je zelf iets zegt, je in feite al aangesproken bent door de ander. De manier waarop ze dat verwoordt doet (ook in zijn ingewikkeldheid) regelmatig denken aan Levinas, zoals in de volgende passage: “Ik ben gewond en ik merk dat de wond zelf getuigt van het feit dat ik beïnvloedbaar ben, aan de Ander overgeleverd op manieren die ik niet volledig kan voorspellen of beheersen. Ik kan de kwestie van verantwoordelijkheid niet in mijn eentje overdenken, los van de ander. En als ik dat toch doe, negeer ik het feit dat ik aangesproken ben door iemand anders. Die aanspreking structureert het probleem van verantwoordelijkheid vanaf het begin”.

Er is nog een ander raakpunt dat laat zien hoe zij verder werkt in de lijn van Levinas. Het punt sluit aan bij de grote lijn die Levinas meent waar te nemen in de geschiedenis van de westerse filosofie. Die komt erop neer dat de twee soorten rationalisme die het Westen ontwikkeld heeft elk op zijn eigen manier tekort schiet. Er is aan de ene kant het almachtige rationalisme à la Plato en Descartes, dat aan de autoriteit van de rede bijna geen grenzen stelt en daardoor gemakkelijk totalitair en gewelddadig wordt. En er is daarnaast het zelf-kritische rationalisme à la Socrates, dat zich bewust is van de betrekkelijkheid van kennis en ratio. Die bescheidenheid voelt een stuk aangenamer aan, maar per saldo is het verschil met Plato en Descartes niet zo groot, want de zelf-kritische variant kan zelf ook weer akelig pedant worden.

Om die reden plaatst Levinas tegenover beide rationalismevarianten zijn derde variant: dat rationalisme gelooft in de rede die tot de orde geroepen wordt, juist niet door het zelf, maar door de ander. Langs die weg maakt Levinas duidelijk dat er iets schort, niet alleen aan het platoons/cartesiaanse, maar ook aan het socratische standpunt. De ver doorgevoerde zelfreflectie waar Socrates voor staat is misschien wel niet het ultieme hoogtepunt van reflectie waar het vaak voor gehouden wordt.

Butlers weergave van dit standpunt van Levinas is onder andere te vinden in de volgende passage waarin ze ingaat op de twee soorten passiviteit die Levinas onderscheidt. “Levinas spreekt van een passiviteit voorafgaand aan passiviteit. Daarmee bedoelt hij het verschil aan te geven tussen de passiviteit die een subject ondergaat middels een daad van reflexiviteit, en een passiviteit die voorafgaat aan het subject, de voorwaarde van zijn eigen subjectwording, zijn primaire ontvankelijkheid.”

Ik lees deze passage als volgt. De ‘daad van reflexiviteit’ die Butler koppelt aan de tweede genoemde passiviteit (dus de passiviteit die later komt) omvat de eerste twee varianten van rationaliteit, dus de reflexiviteit van Plato/Descartes én de zelf-reflexiviteit van Socrates. Daarbij kun je het woord ‘daad’ met recht gebruiken, de mens die reflecteert dóet iets, ook al zit er altijd iets passiefs en secundairs in reflectie.

De andere, namelijk aan alles voorafgaande, vorm van passiviteit betreft alles waar ik al van meet af aan aan ben overgeleverd, en waar van een ‘daad’ helemaal geen sprake kan zijn: het gegeven dat ik gevoelig ben voor anderen. Dat was ik, bij wijze van spreken, al voordat ik geboren werd.

Hier heeft Butler Levinas beslist goed begrepen.

Zie ook Levinas en Popper

dinsdag 7 april 2020

Herhaling van zetten


Het zal best dat Rutte en Hoekstra het niet zo bedoeld hebben, het kapittelen van Italië en Spanje in coronatijd. Maar het getuigt toch van een basaal soort onfatsoen als je begint over begrotingspolitiek terwijl er in die landen een strijd op leven en dood gevoerd wordt tegen het virus. Dat gebrek aan empathie steekt dieper en komt voort uit een mentaliteit van het wel goed getroffen hebben met jezelf, in combinatie met luchthartigheid over de zorgen van anderen en een beperkt vermogen om over de grens te kijken.

Ik ben dan ook bang voor een herhaling van zetten vanuit deze regering, met Rutte voorop.  Een nieuwe beschamende positiekeuze is in de maak, as we speak dreigt een waardevol initiatief vanuit 32 Nederlandse gemeentes voor de opvang van 500 ouderloze kinderen uit Griekse opvangkampen dood te lopen op een categorisch njet van de premier. Ongetwijfeld voortkomend uit een ‘diep gevoelde’ overtuiging.

Wat is er mooier dan een van onderop gedragen, en ook nog behapbaar gebaar van solidariteit met mensen die het mogelijk nog wat zwaarder hebben dan wij? Dáár zou een premier met recht ‘trots’ op mogen zijn, en dat zou hij van mij mogen uitdragen. Liever dan al die retoriek over een trots Nederlands volk van fiere burgers, alleen maar omdat we er zo goed in slagen om thuis te blijven. Alsof dat niet grotendeels een kwestie is van welbegrepen eigenbelang en zelfbescherming.

Wanneer wij ons onderscheiden binnen het beschaafde deel van Europa – Kroatië, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg, Finland, Portugal, Ierland – dan is het in negatieve zin: al die landen helpen mee om de in totaal 2500 kinderen op te vangen.

Overigens doet Rutte het binnenslands prima, ik vind hem een fantastische crisismanager van de coronabestrijding. Maar het woord ‘trots’ zou ik voor iets anders reserveren.

Zie ook #SOSMoria, #500kinderen en Mark Rutte, historicus

vrijdag 3 april 2020

Dingen om te doen zonder sjoel


Nee, de Torarol kunnen we niet meer aanraken of van dichtbij bekijken. Niet omdat die besmet is, maar omdat wijzelf mogelijk besmet zijn en elkaar niet meer ontmoeten rondom de rol in sjoel.

Maar dat is eigenlijk ook het enige, de sjoeldienst blijft gewoon overeind, virtueel via Zoom. Als er tien of meer mensen inloggen dan worden de gebeden gezegd en wordt de Tora gelezen uit een boek of via een schermtekst. De op het Oosten gerichte choreografie van staan en buigen verplaatst zich naar vele huiskamers, en voor de kiddoesj schenkt iedereen zijn eigen glaasje wijn in.

Er zijn beslist heilige zaken in de wereld waarbij dat niet zou kunnen. Denk aan de hostie die niet ‘echt’ kan bestaan zonder consecratie door een officieel gewijde Rooms-Katholieke priester. Die zou dan centraal verspreid en via de brievenbussen bezorgd moeten worden. Of neem de Ka’aba in Mekka, die zou niet zomaar gemist kunnen worden.

In de Joodse traditie blijkt geen godsdienstig attribuut zo intrinsiek heilig te zijn dat je er niet buiten kunt. Dat was al eerder gebleken, na de ramp van de verwoesting van de Tempel in Jeruzalem in het jaar zeventig. Als er íets de heiligheid zelf belichaamde was het wel die Tempel, met de vele voorschriften eromheen voor de offerrituelen en toegang die wel of niet toegestaan was. Het Heilige der heilige, was dat niet Gods woonplaats zelf? Daar kun je toch niet buiten?

Kennelijk wel, want na de verwoesting ging het Joodse leven door. Op een nieuwe manier weliswaar, nu zonder offers en reinigingsrituelen. In de plaats daarvan kwamen diensten met gebeden en lezingen uit de Tora, uitgevoerd in synagogen verspreid over het eigen land, en in toenemende mate over andere landen. De Torarollen, geplaatst in mooi bewerkte kasten, werden het nieuwe middelpunt in de sjoels.

En als in de loop van tweeduizend jaar Torarollen op hun beurt de neiging hadden om goddelijkheid te belichamen, dan blijken we op dit moment ook daar weer buiten te kunnen. Niets is intrinsiek heilig of onmisbaar.

Wat ik nog het meeste mis is waarschijnlijk de nazit met koffie en koekjes.

Zie ook Dik en dun herinneren

donderdag 26 maart 2020

Nationaal zelfbeeld


Zo’n tijd als we nu meemaken nodigt uit tot het vellen van oordelen over onszelf en onze reacties op de coronabedreiging. Die oordelen kunnen heel verschillend uitvallen. We zouden zo’n prettig nuchter volk zijn, of juist overdreven gealarmeerd – zie de hamsteraars. We zouden op een gezonde manier eigenzinnig zijn (vooral Amsterdammers), of asociaal ongedisciplineerd, of dat alles tegelijkertijd.

Van al die typeringen herken ik wel iets, dus ik ben er niet echt door verrast. Ik denk ook dat ieder land een mix heeft van die uiteenlopende reacties, en dat per saldo landen in hun gedrag best veel op elkaar lijken.

Maar juist daarom was ik toch verrast om Nederland genoemd te zien in één adem met Engeland en Amerika. Als het gaat om de maatregelen tegen het virus zegt de Vlaamse hoogleraar Paul Verhaeghe: “Ook zeer opvallend is dat bepaalde landen uitdrukkelijk achterblijven en andere keuzes maken: de VS, het VK en Nederland. Zou het toeval zijn dat net deze landen de neoliberale ideologie het hoogst in hun vaandel voeren? De onzichtbare hand waar ze nu op hopen, heet ‘herd immunity’ (natuurlijk in het Engels, dé taal van het neoliberalisme), als schaamlapje voor het klassieke ‘laissez-faire’: niks doen, ‘de’ economie zou eronder lijden, het waait wel over.”

Zo kun je kennelijk ook tegen ons land aankijken: als volledig in de greep van neoliberalisme en marktideologie. Maar zo beleef ik het zelf toch niet. Het is waar, vanaf midden jaren negentig waaide hier een neoliberale wind, maar dat gold voor meer continentale Europese landen. En het is ook waar dat we al tien jaar een VVD-geleid kabinet hebben met een premier die de tijdgeest soms niet helemaal aanvoelt als het over Europa of belastingen gaat.

Maar hij laat zich op die terreinen ook terugfluiten, en hij en zijn VVD nemen de laatste tijd woorden in de mond zoals ‘volkshuisvesting’ en ‘ziektekostenverzekering voor iedereen’ die we allemaal nog kennen van de bloeitijd van de verzorgingsstaat. Dat maakt verbinding mogelijk met meer links gerichte stromingen. Los daarvan: er klinkt een soort basisvertrouwen in door, van burgers die mogen rekenen op de overheid. En omgekeerd, zoals blijkt uit het beroep op ons gezond verstand tijdens de crisis, van de overheid op de burgers. Dit is echt het VK of de VS niet.

Verder zijn inmiddels de antivirusmaatregelen bij ons zo opgevoerd dat het verschil met bijvoorbeeld België en Frankrijk niet zo groot meer is.

Zie ook Adrenaline

vrijdag 20 maart 2020

Curieuze mix


Altijd weer als ik Hannah Arendt lees treft me in haar opvattingen een eigensoortige mengeling van klassieke Duitsheid en Joodse inspiratie.

Op dit moment lees ik teksten van Arendt over vluchtelingen en mensenrechten. Daarin ruist je aan de ene kant de verhevenheid tegemoet van het klassieke Duitse Bildungsideaal dat rechtstreeks afkomstig lijkt te zijn van Goethe en Von Humboldt. Ook als het over vluchtelingen gaat, of misschien wel juist dan, meent Arendt dat de mogelijkheid om te handelen gegarandeerd moet zijn, en daaronder verstaat zij dat de mens “zichzelf kan openbaren door uiting te geven aan zijn kwaliteiten, talenten en tekortkomingen” ten overstaan van andere mensen. Door te handelen onderscheidt een mens zich van anderen, het is “the disclosure of the agent in speech and action”. Pas dan doet hij ertoe.

Primair denkt Arendt daarbij aan politiek handelen, maar het kan breder opgevat worden. Dat moet ook wel als het om vluchtelingen gaat zonder politieke rechten, dus dan geldt de omschrijving: overal waar mensen met elkaar bezig zijn hun samenleven vorm te geven handelen zij. En dat gebeurt ook in een azielzoekerscentrum.

Nu is in heel Arendts oeuvre het handelen een centraal thema, dus langs die weg is het begrijpelijk dat zij de mogelijkheid tot handelen beschouwt als een mensenrecht, misschien nog wel basaler dan bed, bad en brood. Ze stelt dat een leven zonder handelen onmenselijk is. Niettemin, door de gebruikte woorden waan je je even in Weimar in plaats van in Ter Apel.

Daar staat tegenover dat Arendt in deze zaken op een on-Duitse manier pragmatisch is. Ze grijpt in haar betoog op geen enkel moment terug op metafysica, op eeuwige essenties of onwankelbare fundamenten. Daar is ze wars van, ze vraagt zich simpelweg af: wat hebben vluchtelingen het hardste nodig. Niet op grond van een metafysisch waardenstelsel, maar op grond van wat het betekent om mens te zijn. Zo komt ze bij handelen uit.

Nog duidelijker Joods geïnspireerd vind ik Arendts nadruk op het belang van het deel uitmaken van een overzichtelijke gemeenschap waarin jij en jouw stem ertoe doen. Handelen doe je namelijk, aldus Arendt, nooit in je eentje. Pas als onderdeel van een gemeenschap bevindt een mens zich in een situatie waarin hij zich als handelend en politiek wezen kan onderscheiden.

Politiek gezien was dat voor Joden gedurende grote periodes in de geschiedenis niet weggelegd. Zij stonden veelal buiten de samenleving waar politiek gehandeld werd. Maar die situatie maakte dat het belang van gemeenschap scherp in het Joodse bewustzijn werd gegrifd.

In de eerste plaats doordat ze als Joden hun eigen gemeenschappen konden blijven vormen waaraan ze gezamenlijk gestalte gaven. Op die manier garandeerden zij voor zichzelf de ruimte voor het mensenrecht ‘handelen’.

In de tweede plaats doordat ze als buitengeslotenen het belang op waarde wisten te schatten van deelname aan de omringende burgerlijke samenleving, misschien wel beter dan veel niet-Joodse burgers. Niet voor niets gingen Joden, toen rond 1800 overal de gettomuren werden afgebroken, gretig deelnemen aan die samenleving.

Om die redenen noem ik Arendts speciale aandacht voor het aspect van de gemeenschap een Joodse invloed. Aandacht daarvoor past, voor zover ik weet, niet gemakkelijk in de Bildungstraditie waar Arendt voor het overige veel uit put. De Duitse idealisten waren toch vooral vol van zelfontplooiing en artistieke ontwikkeling volgens het model van de Renaissance-mens.

Al met al een curieuze mix.

Zie ook Hardnekkig dualisme

donderdag 12 maart 2020

Behapbare aantallen


Hopelijk is het coronavirus van tijdelijke aard. Dan nog kan het knap gevaarlijk zijn en veel schade aanrichten. Maar het zal een keer klaar zijn.

Dat kun je waarschijnlijk niet zeggen van het vluchtelingenprobleem. Aan de Turks/Griekse grens is dat op dit moment acuut, maar daarnaast is het niet aflatend actueel in het hele Middellandse Zeegebied, in Afrika en veel andere gebieden van de wereld.

Om dat probleem voor mezelf behapbaar te maken, wil ik het in dat verband over aantallen kunnen hebben. Dan bedoel ik bijvoorbeeld: aantallen van mensen die er het slechtst aan toe zijn, of aantallen die wij in redelijkheid zouden kunnen opvangen.

Het venijn van die wens zit in de implicaties ervan. Dat betekent immers per definitie dat niet meer, over de hele linie, compassie leidend is. Je gaat dan onderscheid maken tussen vluchtelingen die het erg of minder erg hebben. Die laatste laat je buiten beschouwing. Weg compassie.

En je kijkt naar wat je aankunt. Voor hoeveel mensen hebben we capaciteit? Wel zo realistisch maar jammer voor wie daar buiten valt.

Die inperking van de compassie zal de reden zijn dat in sommige kringen het praten over aantallen hulpbehoevenden als ongepast wordt gezien. Zijn het er een miljoen? Dan zijn het er een miljoen! Iedereen moet geholpen worden, punt uit. Daar passen geen overwegingen van uitvoerbaarheid.

Deze categorische opstelling wordt, behalve door het ideaal van compassie, mede gelegitimeerd door zeventig jaar mensenrechten-denken. Dat is primair een juridisch denken in termen van absolute menselijke rechten, en dat houdt zich per definitie niet met uitvoerbaarheid bezig. De voorzichtigheid in het spreken over aantallen komt ongetwijfeld ook daar vandaan.

Maar die voorzichtigheid helpt ons niet bij de creatie van draagvlak voor opvang van vluchtelingen. Als alleen de optie van totale compassie voor alle vluchtelingen openstaat wordt het gauw een keuze tussen alles of niets, en dan wordt het voorspelbaar niets.

Wat betekent dat concreet? Onder meer dat ik geen petitie zal ondertekenen waarin opgeroepen wordt tot opvang van een miljoen vluchtelingen. Ik denk eerder in aantallen van tienduizenden.

En het betekent dat ik graag het initiatief van de stad Leiden zou ondersteunen. Vorige week donderdagavond was Leiden de eerste stad die een concreet opvangaanbod deed voor 25 kinderen in reactie op de Griekse noodoproep om 2500 alleen reizende kinderen die vastzitten in opvangkampen elders in Europa te herplaatsen. Het idee achter het Leidse aanbod is dat als genoeg Nederlandse steden hulp aanbieden om samen vijfhonderd tieners op te nemen, de regering wel overstag moet gaan om dat toe te staan.

2500, 500, 25, dat zijn behapbare aantallen. Burgemeester Lenferink van Leiden schuwt zulke calculerende termen niet: “De aantallen zijn ook heel overzichtelijk. Als Nederland vijfhonderd kinderen opneemt die zonder volwassenen reizen, dan beginnen wij met 25. Dat kunnen we aan”.

Inmiddels heeft premier Rutte, in zijn ‘heerlijke volkse spontaniteit’, al laten weten dat daar geen sprake van kan zijn. Maar Lenferink geeft niet op: „Het gaat om een relatief klein aantal jonge vluchtelingen. Dat moeten we met elkaar kunnen oplossen. Het zou zeer betreurenswaardig zijn als het kabinet daartoe niet bereid is”. En ronduit beschamend.

Zie ook Herhaling van zetten en Mensenrechten, pragmatisch bekeken

vrijdag 6 maart 2020

Aalst


Een interessant commentaar, deze keer, van Esther Voet in het Nieuw Israëlitisch Weekblad. Het was gesteld in de vorm van een open brief aan Geert Wilders en Thierry Baudet.

Voet spreekt hen aan op hun zwijgen over de antisemitische karikaturen op de carnavalswagens van Aalst. Maar vooral op hun zwijgen over de enthousiaste verdediging van die karikaturen door hun achterban en geestverwanten. “En verschuil je niet achter hun vrijheid van meningsuiting, want jullie hadden, gebruikmakend van diezelfde vrijheid, ook je walging kunnen uitspreken.”

Wellicht is het wat naïef van Voet om steun te verwachten uit die hoek. Wilders en Baudet hebben al lang laten zien geen enkele principiële moeite te hebben met discriminatie en haatzaaien. En ook dat ze dat vooral opportunistisch inzetten, meestal tegen Turken en Marokkanen, maar waarom ook niet tegenover Joden?

Ik vraag me regelmatig af wat de betekenis is van de term ‘Joods-Christelijk’ die Wilders en Baudet zo graag gebruiken. Er moet bijna wel een strijdigheid zijn met de zuiverheid van eigen volk en beschaving die zij bepleiten, van vreemde smetten vrij. Het zou best kunnen dat hun gehechtheid aan die term voortkomt uit een diepe bewondering voor de etnische staat Israël, en zijn militaire en economische kracht. Als het daarentegen gaat om multicultureel Nederland zijn ze snel bereid om de Joden – van vreemde herkomst immers – te laten vallen.

Het is jammer, en een beetje potsierlijk, dat Voet haar commentaar afsluit met het dreigement in de trant van ‘Pas maar op, want wij Joden zijn zo slim!’.

Ten eerste is dat niet waar. Net zoals we niet allemaal rijk zijn, zijn we beslist niet allemaal slim. Ik erger me bijvoorbeeld regelmatig aan Israëlische leeghoofden die zeggen niet zelf te hoeven nadenken, omdat ze achter de sterke man Bibi aan kunnen lopen, want “wat Bibi doet is altijd goed.”

Ten tweede zij wij in Nederland met zo weinig dat de opportunisten Wilders en Baudet met ons geen rekening hoeven te houden als ze dat ineens niet meer willen.


donderdag 27 februari 2020

Waarschuwing


Ja lieve lezer, het spijt me het te moeten zeggen, maar ook op deze weblog krijgt u nepnieuws voorgeschoteld. En wel in de linkerkolom onder de rubriek “Pageviews afgelopen 30 dagen”.

Tot twee maanden geleden schommelden de daar vermelde aantallen redelijk stabiel rond de 1300, met een licht stijgende tendens. Maar sinds het begin van het jaar kwamen ze in een groeispurt, en inmiddels is de grens van 6000 pageviews overschreden.

Die cijfers worden geleverd door Blogger als je de rubriek Pageviews installeert op je blog. Voor een nadere specificatie daarvan kan ik terecht onder het tabblad Statistieken en dan krijg ik de volgende informatie over de afgelopen 30 dagen.



Die aantallen slaan natuurlijk nergens op, want ik geloof niet dat iemand in een van die buitenlanden geïnteresseerd is in mijn Nederlandstalige blogberichten. Kortom: fakenews, en de vaststelling dat trollen niet alleen in Rusland rondlopen.

Als wél betrouwbaar beschouw ik de cijfers van Google Analytics, al is het maar omdat ze lager zijn en meebewegen met de aantallen reacties die ik krijg op mijn blogberichten. Echt onderzoek heb ik er niet naar gedaan, maar bij gebrek aan beter neem ik die cijfers serieus. Voor hetzelfde tijdvak van de afgelopen 30 dagen zien die er als volgt uit:




Het aantal van 1300 pageviews per maand gedurende 2019 was dus al geflatteerd, in werkelijkheid moet het ongeveer de helft geweest zijn. En waarschijnlijk zal dat ook het gemiddelde aantal worden voor 2020. Vanaf volgende week zal ik dan ook bij de rubriek de melding plaatsen dat het weergegeven aantal door tien, of misschien wel meer, moet worden gedeeld.

Zie ook Nep

vrijdag 21 februari 2020

Hollandse jongen


Comedian Raoul Heertje is voor honderd procent Asjkenazisch Joods, zo blijkt uit een DNA-test die hij heeft laten afnemen.

Daarnaast is Heertje een oprechte Hollandse jongen, blijkens de authentieke verbijstering die hem overvalt bij allerlei confrontaties in Israël. Bijvoorbeeld als hij spreekt met een aan Israël toegewijde Druze die zich verraden voelt door de ‘Joodse natiestaat’-wet, of als hij een schijnproces meemaakt in de militaire rechtbank op de Westbank.

Dit alles komt langs in de documentaire Het Israel van Heertje en Bromet. De verbijstering waarmee Heertje worstelt welt spontaan op en komt zichtbaar van heel diep. Hij heeft duidelijk de normen geïnternaliseerd zoals wij die koesteren in onze bijna perfecte West-Europese rechtsstaat. Vanzelfsprekend schud je dan je hoofd bij zoveel Israëlische onrechtsstatelijkheid.

Er zijn genoeg momenten in de documentaire waarop hij begrip toont voor checkpoints en de afscheidingsmuur en andere discriminerende veiligheidsmaatregelen. “Dat is niet voor niets, hè” zegt Heertje dan, verwijzend naar de voorheen frequente terroristische aanvallen die dood en verderf zaaiden.

Maar de grondtoon van de film is verontwaardiging. Misschien moet je zeggen: gelukkig de Hollandse jongen die zijn leven lang niet anders gekend heeft dan West-Europese vrede, welvaart en rechtsstaat. En die oprecht van slag kan raken van systematisch onrecht en discriminatie. Dat geldt eigenlijk ook voor mezelf.

Maar zo rechtlijnig simpel ligt het voor Heertje toch niet, zo blijkt uit de laatste aflevering. Heertje worstelt niet alleen met praktijken waar je gemakkelijk helemaal tegen of voor kunt zijn. Hij heeft ook een geschiedenis op zijn nek – van uitgemoorde familie en ondergedoken ouders. En daar ben je minder snel mee klaar dan met heldere ideeën.

Zie ook Schuiven


vrijdag 7 februari 2020

Arendt en Beethoven


‘Alle Menschen werden Brüder’, dat hoor je regelmatig in dit Beethovenjaar. Niks ten nadele van de geniale muziek van Beethoven, maar de tekst van Friedrich Schiller klonk de filosoof Hannah Arendt wat vals in de oren. “Het zou geen teken van menselijkheid geweest zijn als een Duitser en een Jood tijdens het Derde Rijk over hun onderlinge relatie zouden hebben gezegd: ‘Zijn wij niet allebei mensen?’ Op die manier zouden ze alleen maar op de vlucht geslagen zijn voor de werkelijkheid en de wereld, die ze op dat ogenblik deelden”, zo stelt zij in haar lezing Over menselijkheid in donkere tijden: gedachten over Lessing. Met het uitroepen van broederschap kun je ook iets te snel zijn, zo stelt ze vast.

Als ik iets mooi vind aan Hannah Arendt is het haar realiteitszin. Naast haar liefde voor de wereld en haar hoop voor de mensheid – noem het maar: haar spirituele neigingen – houdt zij niet aflatend in de gaten wat de netto opbrengsten zijn van die spirituele impulsen. Welke bijdrage leveren ze wérkelijk aan de vooruitgang van ons samenleven?

Arendt snapt de vervoering wel die mensen ervaren bij de achttiende-eeuwse ideeën van wereldwijde broederschap en universele mensenrechten. Maar ze wijst erop dat deze ideeën een compensatiekarakter hebben. Ze zijn ontstaan in de achttiende eeuw en dat is goed te begrijpen omdat op dat moment het materialistische wereldbeeld in Europa overal terrein wint. Onder invloed van de wetenschappelijke tijdgeest zijn ‘zakelijkheid’ en ‘objectiviteit’ de trefwoorden. Wat erbij inschiet is de tot dan toe gedeelde wereld van Christelijke waarden en normen. Mensen verleren daardoor het onderlinge gesprek over wat werkelijk van waarde is, en verliezen zo, met al hun objectiviteit en zakelijkheid, hun werkelijke relatie met de wereld.

Dat is onleefbaar, en schreeuwde om compensatie. Zo lag het voor de hand, aldus Arendt,  dat men ging zoeken naar een nieuwe gemeenschappelijke noemer. Die meende men te vinden in een universele menselijke natuur, waarbij sommigen het accent legden op een bij alle mensen gelijke rede (rationalisme) en anderen op een door alle mensen gedeeld vermogen tot medelijden (sentimentalisme).

Arendt: “Het rationalisme en sentimentalisme van de achttiende eeuw zijn slechts twee kanten van dezelfde medaille, en allebei kunnen ze tot dweperige overdrijving leiden, waarin men zich met alle mensen broederlijk verbonden voelt. In elk geval waren dit rationalisme en sentimentalisme slechts het innerlijke, in het onzichtbare gelokaliseerde vervangmiddel voor het verlies van een gemeenschappelijke, zichtbare wereld”.

Dus, zegt ze – en hier spreekt haar realiteitszin – daar moet je mee oppassen. Voordat je het weet verworden ‘gedeelde menselijkheid’ en ‘broederschap’ tot holle frasen. Haar eigen ervaringen zijn niet vreemd aan deze gedachte. Toen zij zelf op de vlucht moest voor de nazi’s, konden alleen particuliere, nationale burgerrechten haar beschermen, maar die had ze niet meer. De veelgeprezen mensenrechten bleken van nul en gener waarde en daarom blijft het wat haar betreft zaak om zo goed mogelijk “weerstand te bieden aan de ijselijke ‘werkelijkheidloosheid’ van universele broederschap”.

Ze heeft daarom meer met vriendschap dan met broederschap. En dan bedoelt ze met vriendschap niet de verheven versmelting van twee zielen, want dat zou haar opnieuw te spiritueel zijn. Vriendschap formeert zich tussen mensen altijd door betrokkenheid op een zichtbare, gedeelde wereld waarin fysieke bescherming telt, en minstens zozeer: tolerantie voor de verschillende of juist gelijkgestemde manieren van in de wereld staan. Daar waar meningen uitgewisseld mogen worden kan vriendschap zich ontwikkelen, en die biedt meer menselijkheid dan abstracte, universele van de wereld losgemaakte concepten, zoals broederschap.

Nou ja, de muziek is gelukkig van Beethoven.

Zie ook Levinas zoals ik hem begrijp