donderdag 17 januari 2008

Goede bedoelingen en illusies


De listigheid van de rede is groot. Dat blijkt iedere keer weer uit pogingen van filosofen of anderen om te ontsnappen aan de opdringerige rede. In die pogingen wordt de kwelling van overmatige en inperkende rationaliteit geassocieerd met opsluiting van het ik in zichzelf en zijn eigen redeneringen, ook wel het ik-perspectief genoemd. Het breken van de macht van de rede vereist zo bezien het doorbreken van het ik-perspectief. Opmerkelijk is nu dat vele pogingen om die opsluiting te doorbreken vaak uitmonden in betogen waarin sluipenderwijs het ik-perspectief opnieuw bevestigd wordt.

Zo vergaat het naar mijn idee Marc van den Bossche in zijn lovende bespreking van het boek “Eindelijk buiten” van Ann Meskens (Trouw, 14 januari). Hij benadrukt daarin de noodzaak voor ons mensen om te treden uit het op zichzelf gerichte ik-perspectief. Dat zou bijvoorbeeld de communicatie weer op gang kunnen helpen tussen de Vlaamse en Waalse politici die momenteel in hun eigen rationele tunnelvisies vastlopen.

Zij belichamen voor van den Bossche de voor het Westen karakteristieke rationaliteit. Die neemt als enig vertrekpunt de eigen, ontwijfelbare subjectiviteit. Daar tegenover stelt hij voor dat we proberen de achtergrond van andere standpunten beter te begrijpen en zo meer ruimte laten voor twijfel, zoals Gadamer deed. Voorts bepleit hij een ‘esthetisch kijken’. Esthetisch kijken heeft te maken met verbeelding. Het is veel meer dan alleen maar zien, het is: het standpunt van de ander kunnen mee-denken.

Ik betwijfel of hier de breuk met de rede gemaakt wordt die hij beoogt. Want de breedte opzoeken en het plaatsen van verschijnselen in hun geschiedenis hoeft geen breuk te zijn. Dat kan wel degelijk een manifestatie zijn van toeëigening van de wereld aan zichzelf. Zoals Levinas het verwoordt: het ultieme doel van Odysseus’ zwerftochten was niet anders dan om verrijkt weer bij zichzelf thuis te komen. Je kunt vanuit die invalshoek serieus de vraag stellen of de indrukwekkende inlevende methode van Gadamer wel zo revolutionair is en niet alleen een meer bedachtzame (en wellicht sympathiekere) vorm van toeëigening inhoudt.

En de verbeelding laten werken, zoals van den Bossche bepleit, is dat dan geen breuk met de rede? Ik ben bang dat de verbeelding meer in het verlengde ligt van het redenerende bewustzijn dan veel romanlezers willen weten. Wellicht kenmerkt de verbeelding zich inderdaad niet door dor, op efficiëncy gericht denken. Maar naar mijn idee stellig wel door het bij elkaar denken van een eigen wereld in je eigen hoofd. Het is niet voor niets dat romanschrijvers ook wel worden aangeduid als tirannen binnen hun eigen universum. De zo geprezen breuk met de rede is een schijnbreuk, een list van de rede. De verbeelding is net zo autistisch als de rede en misschien wel erger vanwege de pretentie het niet te zijn.

De suggestie dat ik, via serieuze inspanning, zou kunnen waarnemen of me verbeelden wat de ander wil hanteert een vertrekpunt dat slechts gradueel verschilt van het ik-standpunt van de karikaturale lineaire rationaliteit. Het ultieme uitgangspunt is voor beide gelijk: je vertrekt vanuit jezelf. En de illusies die goedbedoelende ruimdenkendheid kan creëren doen uiteindelijk niet onder voor de illusies van de lineaire rationaliteit. Goede bedoelingen zijn vaak genoeg geëindigd als nachtmerries. In laatste instantie is het alleen de ander zelf die kan zeggen: dit wil ik wel of niet. Dat kan ik niet voor een ander bedenken.

Maar – die vraag dringt zich op – kan ik dan zelf niets doen aan betere communicatie en het serieus nemen van anderen? Want dat willen we zo graag, en niet alleen in België.
Naar mijn idee is het antwoord: gegeven de listigheid van de op zichzelf gerichte rede moeten onze pretenties bescheiden blijven. Hooguit kun je je voorbereiden door rekening te houden met al dan niet aangename verrassingen op de momenten dat de ander Nee of Ja roept. Maar dat betekent ook dat ik me iets minder druk hoef te maken over mijn goede bedoelingen. De ander fluit me toch wel terug. Als ik het maar hoor op dat moment.

zondag 6 januari 2008

Waar of raar


Het hoeft niet te verbazen dat de ontwikkeling van de wetenschappen juist in het Christelijke Westen zo’n vlucht heeft genomen. Dat heeft naar mijn idee alles te maken met de gigantische kennisclaims van het Christendom. Niet alleen op metafysisch gebied: dat er een God is die zich om ons bekommert en daartoe een heilsplan heeft ontworpen. Nee, het bijzondere van de Christelijke pretenties zit er juist in dat de uitvoering van het heilsplan een empirisch waarneembare vorm kreeg en historisch gezien heel precies gesitueerd werd. Rond het jaar dertig van onze jaartelling liep God rond op aarde, als mens. Je kon hem aanraken en je kon, volgens ooggetuigen, zien en voelen dat hij een bijzondere man was. En dat werd vervolgens zichtbaar bevestigd op het uur waarop de verlossing zich voltrok: bij zijn sterven beefde de aarde en scheurde het gordijn van de tempel in tweeën.

Deze concreetheid mag vooral niet beschouwd worden als iets bijkomstigs; het is het hart van de zaak, zoals blijkt uit verhitte discussies in Christelijke kringen. Maar daarmee voegt zich bij de metafysische kennisclaim een empirische kennisclaim.

Het laat zich raden dat een dergelijke afhankelijkheid van een beperkte set overgeleverde gegevens een geloof kwetsbaar maakt. Als die koppeling tussen geloof en feiten zo cruciaal is zal de vraag gauw opkomen: hoe weten we dit allemaal en weten we het wel zeker. De Christelijke mens zal al zijn verstand willen gebruiken om die zekerheid te verkrijgen.

Enerzijds gebeurde dat inderdaad door overal naar tekenen te zoeken die konden worden opgevat als bevestiging van het geloof. De beperkte set empirische gegevens kon langs die weg worden uitgebreid. Men zocht en vond ze in oudere teksten, in de natuur, in de kosmos, in het verloop van de geschiedenis. Dit rationele onderzoek van de wereld, ook al diende het ter bevestiging van een bepaald geloofsstandpunt, is te beschouwen als een begin van wetenschappelijke interesse in de wereld.

Anderzijds was het belangrijk om te reflecteren op de wijze waarop valide kennis verworven kan worden. Deze kentheoretische interesse mondde uit in de grote natuurwetenschappelijke omwentelingen van de zeventiende eeuw en daarna. Christelijk onderzoek naar de wereld en naar de kenmogelijkheden stimuleerden aldus het wetenschappelijk bedrijf in het Westen.

Het kon echter niet uitblijven dat de wetenschappelijke exercities zich gingen keren tegen de oorspronkelijke inspiratie. Naarmate het kritische historische en natuurwetenschappelijke onderzoek zich verder ontwikkelde nam de twijfel toe over het feitelijke gehalte van bepaalde overleveringen. En de kentheoretische reflecties vergrootten de scepsis over de mogelijkheid om ooit zekerheid te verkrijgen over welke feiten dan ook. Maar als voor het Christendom die koppeling tussen geloof en historische feiten zo cruciaal is dan vormen deze ontwikkelingen een tragische bedreiging: het hart van het Christendom wordt er door aangetast.

Voor de Joodse traditie ligt dit alles een slag anders. Op het metafysische vlak zijn de pretenties vergelijkbaar. Ook het Jodendom gaat uit van een God die zich om ons bekommert. Maar de afhankelijkheid van een beperkte set historische feiten is er in veel mindere mate. Verhalen over Gods handelen met mensen zijn er in overvloed maar de koppeling met het reëel bestaande wordt in laatste instantie niet in het verleden gezocht. De ultieme concreetheid is gelegen in het doorgaande bestaan van het Joodse volk. Dat levert geen grote kentheoretische problemen op. Die kennisclaim is minder onwaarschijnlijk dan die van een tastbare God op aarde in het jaar dertig van de gebruikelijke jaartelling.

Als de Joodse traditie er een bizar of onwaarschijnlijk denkbeeld op na houdt is dat wellicht als volgt te formuleren: dat we fundamenteel afhankelijk zijn van elkaar. Zo’n denkbeeld prikkelt de kritische zin en nodigt uit tot verder nadenken. Voor zover zich Joodse wetenschap als Joodse wetenschap manifesteert – dus zonder dat er direct een Nobelprijs aan vast zit – komt die dan ook voort uit de fascinatie voor de afhankelijkheid van de Ander. Dat is wat filosofen als Buber, Arendt, Derrida en Levinas proberen te onderzoeken en beschrijven.

Zie ook Eindtijd

donderdag 20 december 2007

Kankerpitten


Wat doe je met kankerpitten in je organisatie? Dat kan een voor de hand liggende vraag zijn voor wie bloot gesteld wordt aan het verhaal van Levinas. Zeker als men zichzelf beschouwt als realist en enigszins geïrriteerd raakt door het verhaal van Levinas.

Oorzaak van de irritatie kunnen Levinas' beschrijvingen zijn van het verschijnsel dat de Ander ons soms overrompelt door zijn kwetsbaarheid. Dat voelt alsof onze machtsuitoefening, en daarmee wij zelf, ter discussie gesteld worden. Op zo’n moment – hoe kort het ook duurt – laten we onszelf terugfluiten door de ander. Levinas vindt dat een mooi verschijnsel. Want zo’n moment kan het begin zijn van reflectie, creativiteit en betere ideeën.

Dat is allemaal heel mooi, zeggen de geïrriteerde realisten, maar dat bestaat niet echt. Want de échte wereld bestaat uit machtsevenwichten, strategisch denken en wederkerigheid. Daar is geen plaats voor raadselachtige onmacht, uitgelokt door gekwetstheid of verdriet van een toevallige ander. Is Levinas niet een tikkeltje naïef en wishful thinking in zijn beschrijvingen?

Het realistische en waarschijnlijk geruststellende antwoord is: het fenomeen dat Levinas beschrijft zal zich niet zo gauw voordoen in het geval van een agressieve, onsympathieke medewerker tegenover je. In de verhalen die mensen erover vertellen gaat het meestal om zachtaardige types in de rol van de ander.

Maar – en dat is het punt – je hebt er niets over te zeggen. Het gebeurt of het gebeurt niet, of die ander nu sympathiek is of niet. Het overkomt je, je doet het niet zelf. En dat is het verschil met iemand te labelen als “kankerpit”. Dat doe je wél zelf. Maar dan ben je het moment al voorbij waarin de aanraking door de ander had kunnen optreden maar niet opgetreden is. Je redeneert ongestoord vanuit het ik. In die sfeer is inderdaad de enige realistische vraag: wat doe ik met die kankerpit.

In de bijzondere situatie dat het verschijnsel zich daadwerkelijk voordoet (dat wil zeggen: voordat je het weet word je geraakt door die mens tegenover je, je bent even je initiatief kwijt) dan doe je dus dat: even je initiatief kwijt zijn en even reflecteren op jezelf. De ruimte om iemand te labelen als kankerpit heb je in dat geval niet. Met als mogelijke uitkomst een veranderd plan waar die (al dan niet sympathieke) ander meer vrede mee heeft. Dat blijkt voor te komen.

Op zo’n moment mist de vraag “Wat doe je met kankerpitten?” dus iedere relevantie: je bent dan door het verhaal van Levinas heen gegaan en dat verhindert je – althans tijdelijk – iemand te labelen. Je kunt dan dus ook – tijdelijk – die vraag niet stellen. Wat overblijft is een zekere passiviteit.

Maar troost u: zo vaak komt het niet voor.

Zie ook Hoe naïef is Levinas eigenlijk? en Zwarte zwaan

zaterdag 8 december 2007

Ontstroeving


In de workshop Goede bedoelingen en Illusies (ook wel Illusieonderzoek geheten) ga ik met de deelnemers op zoek naar concrete voorbeelden van denkschaamte. Dat is de schaamte die je kunt hebben voor je eigen denken, vooral als je meent het beste voor te hebben met een ander. De gedachte achter de workshop is dat die schaamte je op het spoor kan zetten naar illusies die je erop na houdt.

Bij dat onderzoek leg ik, soms tot vervelens toe, veel nadruk op het onderscheid tussen denkschaamte en andere soorten van schaamte. Deelnemers willen dan vaak weten waarom ik zoveel belang hecht aan dat onderscheid. Die andere soorten schaamte kunnen toch net zo goed heel confronterend zijn? En trouwens, waarom gaat het alleen over schaamte? Andere emoties zoals trots of woede of verdriet kunnen je toch ook heel veel leren?

Gelijk hebben ze, maar ik heb een goede reden voor mijn specifieke interesse in de denkschaamte. Die reden is gelegen in het ontstroevende karakter van die schaamte. Ik ontleen dat woord aan het vocabulaire van Edu Feltmann en bedoel daarmee dat bewustwording van de denkschaamte ontspannend kan werken in menselijke relaties. Er treedt een zekere versoepeling op.

Wat is er zo specifiek aan denkschaamte dat dit effect optreedt? Allereerst heeft rationaliteit iets hooggestemds, althans daar ga ik in de workshops vanuit. De denker die denkt voor een ander heeft met die ander het beste voor. Dat deze niet altijd gediend is van dat denkwerk kan schaamte veroorzaken voor het denken maar doet aan de goede bedoelingen van de denker niets af. Deze aandoenlijkheid stemt mild.

Daarnaast lijkt dit verschijnsel van schaamte voor het eigen denken zich voor te doen op alle levensterreinen: privé en op het werk, in steile en platte organisaties, in management en zorg. Dat maakt het tot een voor velen herkenbaar verschijnsel dat verschillen van hiërarchische positie relativeert.

De schaamte voor het eigen denken heeft iets ontwapenend hilarisch: je bedoelt het goed maar het pakt verkeerd uit. Ontdekking van dat tragi-komische effect van het denken kan een zekere ontspanning teweeg brengen in situaties waar mensen elkaar kwade wil verwijten. Het denken zélf veroorzaakt kwetsuren, daar hoef je niet per se kwade opzet of machtsstreven van anderen achter te zoeken. Vandaar dat het specifiek de schaamte voor het denken is waarop ik de focus gericht wil houden. Ontstroeving kunnen veel organisaties wel gebruiken.

Zie ook Gewaagd

donderdag 29 november 2007

Poten in de modder


Men lijkt zich op veel plekken plotseling bewust te worden van de vitale rol die ICT speelt in moderne organisaties. Prorail gaf ooit een groot deel van de automatisering uit handen aan een trio van aannemers en ontdekt nu dat ICT te cruciaal is om op afstand te zetten. De top van de Belastingsdienst besloot op een achternamiddag de adviezen van haar ICT-afdeling te negeren als gevolg waarvan de dienst nu bijna bezwijkt aan de chaos. De Protestantse Kerk van Nederland heeft de complexiteit van haar ledenadministratie onderschat waardoor een aantal beleidsvoornemens op inhoudelijke terreinen in gevaar komen. Verder is becijferd dat de overheid jaarlijks 4 miljard Euro kwijt is aan mislukte automatisering.

We komen er kennelijk achter dat, mede vanwege het voortdurend veranderende karakter van onze omgeving en wetgeving, goeddraaiende ICT van strategisch belang is. De ICT, en dat is voornamelijk het geheel van operationele processen, gaat concurreren met productstrategie en financieel management om de aandacht van de topmanagers.

Mij interesseert de vraag: wat betekent dit voor een doorsnee organisatiemedewerker? Is dit goed nieuws of slecht nieuws?
Een negatief effect kan zijn dat het antwoord op de gebrekkige uitvoering van processen gezocht wordt in een totale technische controle van die processen. Men gaat de bedrijfsvoering volledig voorprogrammeren, bijvoorbeeld via workflow. De vrijheidsgraad voor medewerkers wordt dan nul en het werkplezier waarschijnlijk ook.

Een positief effect van het besef dat ICT belangrijk is kan zijn: de notie dat operationele processen ertoe doen. De vaak door het management aan medewerkers gerichte obligate opmerking: “jullie doen het echte werk” verliest dan zijn vrijblijvendheid.

Een dergelijke herwaardering van het basale, operationele werk zou werkelijk revolutionair zijn. Je kunt zeggen dat het klassieke management, alle vrome woorden ten spijt, juist gelijk staat aan verwaarlozing van details en een zekere minachting voor het alledaagse geploeter in de modder. Dat management staat voor grote lijnen, hoofdzaken en de bijbehorende hiërarchie.

Op het moment dat ICT (eigenlijk: de operationele processen) ontdekt wordt als van cruciaal belang, straft een dergelijke afstandelijke opvatting van management zichzelf af. Het is waar, ook als je je met ICT bezighoudt kun je tijdelijk de relevante details verwaarlozen en toch veel verdienen. Daar zijn voorbeelden genoeg van. Maar als de verantwoordelijken wakker worden, en dat lijkt bijvoorbeeld bij Prorail te gebeuren, dan is dat afgelopen.

Een goede regeling van de details wordt dan een hoofdzaak. Dat is goed nieuws voor de medewerkers met hun poten in de modder: ze zullen meer dan voorheen oprechte aandacht krijgen van afdalende managers en gehonoreerd worden voor hun specifieke kennis van de processen.

Zie ook Plato op het werk

woensdag 14 november 2007

Vista (2)


De verhouding tussen Microsoft en Linux waarover ik in mijn vorige bericht schreef vertoont enige verwantschap met de verhouding tussen het Angelsaksische en het Rijnlandse ondernemingsmodel. Microsoft heeft met het Angelsaksische model de monopolisering gemeen van de werkelijkheid door één (opgelegde) logica. Het Rijnlandse model lijkt op Linux door nadrukkelijk meerdere logica’s naast elkaar te dulden en de samenwerking daartussen te zoeken.

De verwantschap is dus gelegen in de wijze van omgang met logica. En dat heeft, volgens Nietzsche en Levinas, te maken met het listige karakter van rationaliteit. Rationaliteit, zo zeggen zij, heeft namelijk de neiging om voortdurend illusies te creëren. En misschien wel de meest venijnige van die illusies is de waan dat de aangehangen rationaliteit de enig juiste is. Ten diepste bestaat de illusie van de rationaliteit in de gedachte dat logica, mits goed doorgevoerd, noodzakelijkerwijs iedere keer bij dezelfde waarheid moet uitkomen, die daarmee dus dé waarheid is. Eén logica wordt tot zijn uiterste consequenties gevolgd en maakt alle andere logica’s aan zich ondergeschikt.

Dat is, op ideologisch en praktisch vlak, precies wat er gebeurt als het kapitalisme vrij spel krijgt. Dat wil zeggen wanneer, zoals in het Angelsaksische model, de logica van het aandeelhouderbelang als veel logischer wordt bestempeld dan bijvoorbeeld de logica van de werknemers of van het milieu. Dan is het “niet meer dan logisch” dat je het milieu uitbuit; dan is het “rationeel” dat Google zich uit angst voor de aandeelhouders schikt in de censuur van de Chinese overheid; en dan geldt als “volwassen” dat je consumenten in je commercials aanspreekt als kleine kinderen.

Het Rijnlandse model stelt daartegenover dat meerdere rationaliteiten tegelijkertijd belangrijk kunnen zijn. Naast aandeelhouderswaarde (die blijft belangrijk) zijn er de rationaliteit van de omwonenden en die van de werknemers. De ene rationaliteit laat zich door de andere corrigeren.

Diezelfde tegenstelling is te zien op het praktische vlak van de softwareontwikkeling. Door zijn monopolie maakt Microsoft zijn rationaliteit dominant. Die mag als (bijna) enige de virtuele werkelijkheid definiëren, andere logica’s worden niet geduld. Linux daarentegen honoreert inbreng van totaal verschillende partijen en confronteert meerdere rationaliteiten met elkaar.

Zo beschouwd gebeurt er in de Rijnlandse en Linux modellen filosofisch gezien iets fundamenteels: er is niet langer één waarheid en één logica, maar meerdere waarheden en logica’s naast elkaar. Er zijn filosofen die betwijfelen of dat wel kan maar daar gebeurt het. Zo belichamen Linux en het Rijnlandse model een soort postmodernisme avant la lettre.

Waarschijnlijk tref je in de praktijk noch het Angelsaksische noch het Rijnlandse model als zodanig aan. Wat je tegenkomt zal zowel van het een als het ander wat weg hebben.
Maar daar tevreden over zijn, dat is ongetwijfeld een Rijnlands gevoel. Meer.

donderdag 8 november 2007

Vista


Mijn 1 maand oude Vista kan plotseling geen mail meer versturen. Een blik op de “Microsoft Community” (echt waar, zo heet het) leert me dat mijn Vista niet de enige is en dat de oplossing nog wel even op zich zal laten wachten.

Aan de ene kant hoop ik natuurlijk dat er snel een patch komt want dit schiet niet op: één computer voor het versturen en een andere voor het ontvangen van mail (dat is namelijk het enige wat mijn XP nog doet).

Aan de andere kant mogen de Vista problemen zich van mij op grote schaal vermenigvuldigen. Het onsympathieke en zelfvernietigende karakter van het denkimperium Microsoft zou daarmee worden blootgelegd. Want goed bekeken vertoont Microsoft alle trekken van een totalitair systeem. Ik doel daarmee op de volgende kenmerken: een schrale basis van slecht doordachte uitgangspunten, in dit geval een verzameling DOS-codes; machtshandhaving via een vrijwel monopolistische positie; toenemende beheersingsproblemen naarmate de buitenwereld complexer blijkt te zijn dan gedacht.

Hoe dan ook, als consument heb ik last van het gevoel gevangen te zijn in een totalitair keurslijf dat mij wordt opgedrongen.

Maar de producent moet zich hier ook niet lekker bij voelen. Want hoe houd je zo’n geconstrueerd universum overeind? Het is bijna aandoenlijk. De associaties met een centraal geleide planeconomie dringen zich op. Wat gebeurt er in de breinen van die masterplanners die met kunst- en vliegwerk een DOS-gebaseerd construct uit de vorige eeuw in de lucht proberen te houden? Dat moet een zekere gelijkenis vertonen met de wanhoop van een gemiddeld lid van het Sovjet politbureau in de jaren 80.

De vraag begint serieus te worden of de megalomane beheersingsdrang van Microsoft het niet gaat afleggen tegen het open, democratische Linux. In ieder geval lijkt me op de aanhang van Linux de aanduiding “community” meer van toepassing dan op de daders en slachtoffers die tot elkaar veroordeeld zijn in hun afhankelijkheid van Microsoft. En daarom lijkt Linux me de meest duurzame partij.

donderdag 25 oktober 2007

Verveling


Het boek “Uit verveling” van Awee Prins helpt mij om bepaalde verschijnselen in organisaties te verhelderen. Ik doel op mijn waarneming dat veel medewerkers primair bezig zijn om de verveling te verjagen. En dat daar meer gelegenheid voor is naarmate die medewerkers hoger in de hiërarchie gevestigd zijn, met navenant funeste gevolgen voor de lager gesitueerde uitvoerende medewerkers en voor de organisatie als geheel.

Van Prins leer ik dat de vervelingverjagers mogelijk nog leven in het illusietijdperk dat in de filosofie al met Nietzsche is afgesloten. Deze mensen geloven nog in een voorgegeven betekenis van het leven, die je kunt vinden als je daar je best maar voor doet en die de verveling verdrijft. Zij menen dat als je maar genoeg kicks opzoekt, ook wel “uitdagingen” genoemd, de immanente zin van het leven vanzelf boven komt drijven. Daarom moet het werk een minimaal intellectueel en esthetisch gehalte hebben, en moet er voldoende afwisseling, spektakel en amusement in zitten. Buitenlandse reizen bijvoorbeeld, of fusies, spiritualiteit of politieke hypes. Je moet je vooral niet te veel bezighouden met elementaire, basale zaken als operationele en administratieve processen.

In mijn waarneming zijn van deze verwaarlozing van het alledaagse de uitvoerende medewerkers de dupe. Zij krijgen niet de aandacht die ze verdienen, simpelweg omdat ze niet interessant zijn. Onvermijdelijk hopen zich bij hen ongenoegen en frustratie op. En dat heeft weer zijn weerslag op de organisatieprestaties.

De boodschap van Prins voor de verveling verdrijvende medewerkers is een harde: verveling is niet te verdrijven. Het leven heeft geen immanente zin, anders gezegd: het leven is niet per se interessant. Vervelend genoeg om daarvan, met reden, in een existentiële crisis te geraken.

Aan de andere kant: voor de verwaarloosde krachten aan de onderkant van de organisatie kan zo’n boodschap goed uitpakken: mogelijk komt er daardoor weer wat oprechte aandacht voor hun werk.
Zou er dan toch zin te beleven zijn in organisaties?

maandag 15 oktober 2007

Ruben Bar Mitswa


Lieve Ruben,

Op de uitnodigingskaart voor jouw bar mitswa staat een babyfotootje van jou. Jij ligt in je trappelzak op de grond en leest een krant met de tekst “Een hardnekkige wil tot weten”. Die foto is echt niet in scène gezet, het was een buitenkansje dat jij daar zo lag en er is meteen een foto van gemaakt.

Ik wil het even hebben over die tekst: een hardnekkige wil tot weten.
Jouw Joodse leraren hebben toen ze die tekst lazen misschien wel gedacht: klopt dat wel voor Ruben? In Joodse les hebben wij hem nooit op zoveel leergierigheid kunnen betrappen.

Ik eigenlijk ook niet. En toch klopt die tekst. Want jouw honger naar kennis over het ontstaan van de aarde, over landen en volkeren en over geschiedenis is groot. En niet te vergeten jouw interesse in het nieuws. Als de Kidsweek in de bus valt en steeds vaker ook de gewone krant, stort jij je daar gretig op. Voor jou geldt wat de Duitse filosoof Hegel zei: Het ochtendgebed van de moderne mens is de ochtendkrant.

Soms denk ik: dat snap ik ook wel. Wat moet je nou met stenen tafelen in een wereld van plastic en aluminium? Je kunt beter zoveel mogelijk harde kennis over de wereld verzamelen dan je bezighouden met eeuwenoude verhalen en mythische verzinsels. Zeker als daar ook nog eens op grote schaal oorlog over gevoerd wordt.

Maar toch is dat te simpel gedacht. Godsdienst gaat ook over diepste betekenissen die mensen ervaren in de wereld. Godsdiensten vertegenwoordigen enorme krachten, ten goede of ten kwade, en het lijkt erop dat onze samenleving dat opnieuw ontdekt.

Ik denk dat de kennismaking die jij ermee gehad hebt, via de Joodse traditie, hele goede mogelijkheden biedt om godsdienst een plaats te geven in de moderne wereld. Ingewikkeld blijft het, maar in de Joodse traditie hoef je je denkkracht niet in te leveren als je godsdienstig wilt zijn. Kritisch denken wordt er nadrukkelijk op prijs gesteld, het wordt als een verdienste gezien om diepgaand over dingen te discussiëren.
Het kan niet anders of je hebt daar de afgelopen dertien jaar iets van meegekregen.

Ik hoop dat je doorgaat met kranten lezen. En dat je doorgaat te leren over de wereld, met alle godsdienstige veelkleurigheid die daarbij hoort. En ik hoop dat de openheid en gevoeligheid van de Joodse traditie je daarbij kunnen helpen.

zondag 16 september 2007

Minister Vogelaar is niet dom


Er wordt wel gezegd: minister Vogelaar is dom. Men verwijst dan naar haar suggestie dat we misschien nog eens zullen spreken van een Joods-Christelijk-Islamitische samenleving zoals er ook wel gesproken wordt van een Joods-Christelijke samenleving. Critici werpen haar tegen dat er niet zoiets bestaat als een Joods-Christelijke traditie. De woordcombinatie zou na de tweede wereldoorlog zijn ontstaan als “goedmakertje” voor wat de Joden was aangedaan. Er zou inhoudelijk te weinig verwantschap bestaan tussen de twee tradities om ze met elkaar te verbinden.

Naar mijn idee valt hierover te twisten. Ik snap de reserves van de critici maar ontkom niet aan de gedachte dat, religieus gezien, het oud-testamentische Jodendom twee kinderen gebaard heeft: het rabbijnse Jodendom en het Christendom. Het kan niet anders of daar zit verwantschap tussen.

Maar deze discussie is niet zo relevant in relatie tot Vogelaars uitspraken. Zo bedoelde zij het niet. Zij had het volgens mij niet over de religieuze inhoud maar deed een feitelijke constatering op seculier gebied. Zoals een Trouw-lezer het formuleerde: de minister stelt dat mensen met verschillende achtergronden in de toekomst weer een samenleving zullen vormen, zoals dat vroeger ook al eens gebeurde.

En daarin kan ze gewoon gelijk hebben, mits we tijd hebben van leven en dialoog.

dinsdag 4 september 2007

You look sensational


Een mens hecht eraan dat anderen zijn grenzen respecteren. En dat niet alleen fysiek, in die zin dat zijn lichaam niet geschonden wordt. Hij wil ook niet gekwetst worden door het gedrag of de woorden van anderen. Het opmerkelijke van de kwetsuur die woorden aanrichten is dat de inhoud van die woorden er soms niet toe lijkt te doen. Het verdriet en de weerstand die zo’n kwetsuur oproept hebben vaak niets met de inhoud te maken.

Neem bijvoorbeeld het voorval van SP-kamerlid Harry van Bommel op de Jordaanse ambassade. “You look sensational” zou hij tijdens een werkbezoek in Jordanië gezegd hebben tegen een lokale medewerkster van de Nederlandse ambassade. De Jordaanse vrouw kon deze opmerking niet waarderen en diende een aanklacht in.

Het lijkt me sterk dat de vrouw protesteert tegen de inhoud van de opmerking. Want als ze zichzelf ook mooi vindt dan is ze het dus gewoon eens met de inhoud. En als ze zichzelf niet mooi vindt dan zal ze er geen behoefte aan hebben om dat luid en duidelijk te zeggen.

Ze protesteert dus tegen iets anders. Op basis van mijn ervaringen in de workshop Illusieonderzoek denk ik te kunnen zeggen dat de vrouw protesteert tegen het feit dat de ander met zijn gedachten teveel op haar terrein komt. In de illusieonderzoeken blijkt namelijk vaak dat een illusie lang niet altijd gelegen is in een verkeerde gedachteninhoud maar veel vaker in de aanname dat je gesprekspartner het wel met je eens zal zijn. Want, ook bij inhoudelijke overeenstemming, hoeft die er niet van gediend te zijn dat jij voor haar of hem denkt. Dat voelt immers, zegt Levinas, voor die ander als geweld. En dan verwordt de gezamenlijkheid die je met de opmerking beoogt tot de werkelijke illusie.