vrijdag 5 september 2014

Antisemitisme


Isis-aanhangers in de Schilderswijk schreeuwen antisemitische leuzen.

Rabbijn Jacobs krijgt een baksteen door zijn ruit.

Een voorbeeldige allochtoon in overheidsdienst vertoont karikaturaal antisemitisch complotdenken.

Raar genoeg voel ik me wat antisemitisme betreft iets rustiger dan jaren het geval was. Want wat er altijd al was, was het vermoeden van antisemitisme. Dat vermoeden werd regelmatig geactiveerd doordat vanonder een schijnbaar rimpelloos oppervlak zomaar ineens een anti-Joodse of anti-Israëlische opmerking gemaakt kon worden. En vooral de gretigheid waarmee sommige mensen dat deden – in navolging van Abram de Swaan, ook al had hij het juist over anti-Israëlisme, treffend aan te duiden als enthousiasme – dat maakte mij onrustig.

Na het oppoppen van zo’n opmerking sloot het oppervlak zich weer en leek er opnieuw weinig aan de hand. Maar mijn onrust was gewekt. Waarom popte daar, vaak naar aanleiding van iets kleins, zomaar ineens dat anti-Joodse op, en vooral: waarom zo gretig? Dat suggereerde een verborgen, diepgaande vanzelfsprekendheid: Joden deugen niet, of ze zich nu wel of niet gedragen.

Met name de verborgenheid van die stemming, terwijl je weet dat hij onderhuids aanwezig is, veroorzaakt onrust. Dan heb ik liever dat dat voor iedereen zichtbaar wordt. Misschien dat ik me daardoor wat rustiger voel.

Zie ook Antizionisme en antisemitisme en Hoe naïef is Levinas eigenlijk?

vrijdag 29 augustus 2014

Definiëren van de wereld


Definiëren van de wereld, het móet wel, anders wordt het in ons hoofd een chaos. Dus daarom doen we het allemaal. Het is een kwestie van evolutionair overleven, en het manifesteert zich als onze neiging tot categoriseren en stereotyperen.

Je kunt daar heel nuchter over spreken. Dat doet bijvoorbeeld Daniel Kahneman in zijn boek Thinking, fast and slow: “Stereotypering is in onze cultuur een beladen begrip, maar zoals ik het hier gebruik, is de betekenis neutraal. Een van de voornaamste kenmerken van ons intuïtieve systeem is dat het categorieën als normen of prototypen interpreteert. Dit is hoe we paarden, koelkasten en politieagenten opvatten.”

Maar dat het móet – omdat je om te overleven in noodsituaties onmiddellijk tot actie moet kunnen overgaan en geen twijfel kunt toelaten – betekent nog niet dat je definities juist zijn en je oordelen gegrond.

Je hebt dus goede kans dat je dieren, mensen, dingen in het verkeerde hokje stopt. En dat is minder onschuldig dan het lijkt. Zeker als je dat bij mensen doet, want mensen willen in laatste instantie zelf de baas zijn over hun eigen leven. Als een ander hen voortijdig of ten onrechte in een bepaald hokje stopt (definieert), dan kan dat voelen als een grensoverschrijding: daar heb jij niets over te zeggen! Dat voelt als geweld.

Maar tegelijkertijd hangt, zoals gezegd, ons leven aan elkaar van definities en labels die we aan de wereld en anderen opleggen. En de vanzelfsprekendheid daarvan is soms zo groot dat het vergezocht lijkt om daar moeilijk over te doen.

Zo zou je denken dat het onderscheid tussen man en vrouw behoort tot de meest fundamentele en gemakkelijke onderscheidingen die we kunnen maken, zodanig dat we ervan mogen uitgaan dat iedereen indeelbaar is in een van die twee categorieën. We vragen niet voor niets: is het een jongen of een meisje?

Wat we dan feitelijk doen, zegt Lies Wesseling, is dat de vele verschillen tussen mensen eerst op slechts twee hopen worden geharkt. Daarna wordt alles wat niet past onder de noemers ‘man’ of ‘vrouw’ als afwijkend gezien, als niet van belang.

Maar zo duidelijk is de natuur niet, in ieder geval niet altijd. En wat belangrijker is: zo duidelijk is de individuele menselijke beleving niet. Iemand in een vrouwenlichaam kan zich man voelen, of omgekeerd, of iets daartussenin. Als je zo iemand, als vanzelfsprekend, vastpint op een stereotype, richt je schade aan.

Hoe kwetsend die vanzelfsprekende categorisering kan zijn, blijkt uit ervaringen van mensen die niet uitkwamen met die categorieën en van wie de verhalen pas recent serieus genomen zijn: de transgenders. Daar is puur verdriet aan de orde. En in Nederland zijn dat er toch al gauw 50.000.

Nu is er een nieuwe wet die bevestigt dat identiteit iets is wat je uitsluitend zelf kunt voelen en benoemen. Transgenders kunnen nu administratief van geslacht veranderen, ook zonder dat aan het lichaam iets verandert. Dan kan het bijvoorbeeld gaan gebeuren dat een man bevalt van een kind, en wordt aangemerkt als moeder.

De nieuwe wet schaft de categorieën niet af, want er wordt nog steeds gesproken in termen van mannelijk en vrouwelijk. De droom van menig transgender gaat verder, bijvoorbeeld zoals Vreer het verwoordt: “Ik droom van een geboorteakte en een identiteitsbewijs zonder geslachtsaanduiding. Al zou een X, zoals sinds kort in Australië kan, ook een verbetering zijn. Dat betekent niet-gespecificeerd, en zo is het bij mij”.

Maar hoe dan ook maakt de nieuwe wet inbreuk op stereotypen en definities die tot voor kort in beton gegoten leken te zijn. De wet is daarmee te zien als een Levinassiaans antwoord op het probleem dat Levinas met grote hardnekkigheid in al zijn werken behandelt: dat van de kwetsuren die wij met ons definiërende denken, op zoek naar stabiele categorieën, bij anderen aanrichten.

Is Zwarte Piet misschien ook zo'n dubieuze stabiele categorie?

Zie ook Kol Nidrei en andere illusies en (On)reinheid

donderdag 21 augustus 2014

Meemaken


Wat je hoopt, als je intensief in de weer bent met een bepaalde zaak, is dat jij en jouw generatie het nog mogen meemaken dat het beter wordt met die zaak. Maar soms moet je realistisch zijn, en dan stel je vast dat het wel langer kan duren dan jouw levenstijd, voordat iets goed komt.

Ten aanzien van de twee onderwerpen waar ik sinds langere tijd intensief mee bezig ben moet ik op dit moment die conclusie trekken. In beide gevallen is de inzet trouwens dezelfde: het gaat steeds om samenwerking en vertrouwen.

Het ene onderwerp is Israël, of beter gezegd, vrede tussen Israël en zijn buren. Het is duidelijk dat gebrek aan vertrouwen daar al van meet af aan de grote kwestie was en is. Een getraumatiseerd volk hervestigde zich op land dat inmiddels van anderen was. Oorlogen en terreur volgden, en te vrezen is dat de meest recente oorlog in Gaza niet de laatste zal zijn geweest.

Bij realisatie van die situatie rest mij niet veel meer dan, net als rabbijn David Lilienthal ooit deed, me proberen voor te stellen hoe het eruit zal zien als je niet meer je eigen leven maar een veel langere periode als uitgangspunt neemt. Zou de situatie over bijvoorbeeld driehonderd jaar veel beter kunnen zijn? Zou het Midden-Oosten dan een soort Europa van nu kunnen zijn? Daarvoor zou er tegen die tijd, behalve bij Israël, ook aan de kant van Isis en Hamas en geestverwanten natuurlijk wel wat veranderd moeten zijn.

Het andere onderwerp is: het dysfunctioneren van de gemeente Amsterdam, dat wil zeggen van het ambtelijke apparaat. Daarmee doel ik op medewerkers en afdelingen die weigeren met elkaar te overleggen, gestreste bazen en top-down doorduwoplossingen voor problemen die men niet werkelijk kent. Wat zich afspeelt is geen oorlog zoals in het Midden-Oosten, maar het doet er soms wel aan denken: ik zie heel veel mensen hiervan diep ongelukkig worden, meer dan nodig is.

Dat het wél goed kan gaan met Amsterdams overleg heb ik trouwens nog net mogen meemaken. Vorig jaar, een jaar lang, werden er tijd en energie vrijgemaakt om in het kader van het Amsterdamse Stadsloket, op gerichte en zakelijke wijze uiteenlopende visies op elkaar af te stemmen. Wat alleen maar mogelijk was – zo is mijn stelling – dankzij ruimhartige aandacht voor het primaire proces, zodanig dat alle betrokkenen, van baliemedewerkers tot managers, wisten wat ze aan elkaar hadden. Het afstemmen zelf was een vorm van samenwerken.

Maar ik heb me vergist in de ernst waarmee men dit geslaagde experiment een vervolg wilde geven. Het is iets moois, samenwerking en vertrouwen, maar het is kennelijk niet de bedoeling dat permanent te maken. Dat het College van burgermeester en wethouders in verband met opgelegde doelstellingen het gehele apparaat nu stelselmatig onder druk zet, maakt de zaak er niet beter op. Het bombardement van politieke en strategische imperatieven is zo hevig dat aandacht voor de core-business gesmoord wordt in laag overvliegende doorduwoplossingen. Medewerkers worden opgejaagd tot gekmakens toe.

Dus ook hier moet ik onder ogen zien dat ik de utopie – behalve tijdens dat afgelopen jaar – niet meer zal mee beleven. Het zal wel even duren voordat vertrouwen en samenwerking hier weer een kans maken. Vooruit, misschien niet over driehonderd jaar, maar toch gauw honderd jaar: dan moet het vanzelfsprekend geworden zijn dat organisaties, ongeacht de strategische eisen die er gesteld worden, hun primaire processen en core business geen moment uit het oog verliezen.

Nederlagen? Zeker, maar ik heb gelukkig nog wel andere mogelijkheden voor de beleving van samenwerking en vertrouwen.

Zie ook I think to myself, Kunnen Amsterdammers wel samenwerken? en Vertrouwen

donderdag 14 augustus 2014

Onvolwassen


In de workshop over denkschaamte komt er altijd wel een moment waarop een aantal deelnemers het zat is. Zij hebben het dan gehad met de vooronderstelling die ten grondslag ligt aan de workshop. Namelijk dat, terwijl je het alleen maar goed bedoelt, een ander daadwerkelijk gekwetst kan zijn door iets wat jij zegt en dat jij je daar verlegen over voelt.

“Kom op zeg, we zijn toch allemaal volwassen mensen! Daar zet je je maar overheen”.

Toch, zo houd ik dan vol, kun je bij het signaleren van de kwetsuur die je aanricht een diepe schaamte voelen. Denkschaamte, want je bent met je denken (en spreken) bij de ander over een grens gegaan, ook al bedoelde je het goed.

“Wat een onzin! Schamen is echt niet nodig voor een vergissing, hoor”.

Nou, zeg ik dan, kwetsuren kúnnen diep gaan. En schaamte, hoe irrationeel ook, voor wat je aanricht kan dus zeer adekwaat zijn. Los daarvan, is mijn eigenlijke boodschap, die schaamte blijkt gewoon voor te komen in dat soort situaties. En: daar mogen we blij mee zijn, want die verlegenheid kan leiden tot reflectie en terughouding en kan helpen voorkomen dat de verhoudingen volkomen vastlopen.

Op dat punt in de workshop is mijn pleidooi dus: wuif gevoelens van vernederingen en kwetsuren niet te snel weg als symptomen van onvolwassenheid, want ze hakken erin, net zoals de gevoelens van schaamte die je daarover kunt hebben. Het serieus nemen ervan zou wel eens een hoop onbegrepen gedrag van mensen in organisaties begrijpelijk kunnen maken.

Dat pleidooi is niet alleen voor organisaties relevant. In de krant lees ik de column van Caroline de Gruyter over wereldpolitiek, en zij bespreekt eigenlijk hetzelfde mechanisme als dat van de workshop, maar nu met betrekking tot de relatie tussen het Westen en de rest van de wereld.

Poetin, zegt zij, en de Isisstrijders en de militieleiders van Libië tot Nigeria, voelen zich diep vernederd door de Westerse interventies onder ‘humanitair’ label van de afgelopen tien jaar in Irak, Afghanistan, Libië en Mali.

“Nou en? Daar had het Westen moderne, rationele argumenten voor, dat kunnen zij toch ook bedenken? En het NAVO-lidmaatschap voor de Oost-Europese landen was niet offensief bedoeld, laat Poetin een beetje rationeel blijven”.

Pas maar op, zegt De Gruyter, door de gevoelens van vernedering en wrok te bestempelen als onvolwassen, blijft misschien een hoop van de huidige wereldpolitieke dynamiek onbegrepen, en gevaarlijker dan nodig is. Neem die gevoelens serieus, hoe goed onze Westerse  bedoelingen ook zijn.

Zie ook Geweld, denken en denkgeweld en Iets kleins

vrijdag 8 augustus 2014

Wereldorde?


Het mondiale crisisbeheersingssysteem zoals we dat de afgelopen decennia hebben gekend lijkt op dit moment niet goed meer te werken. Want als dat wel zo was dan zouden er al veel eerder werkbare afspraken zijn geweest met Rusland, al dan niet via bemiddeling van de OVSE of de VN, om de ramp met de MH17 op een fatsoenlijke manier af te handelen.

En dan zou de Israëlische militaire actie door gezamenlijke druk van Amerika en daarvoor geschikte Arabische onderhandelaars eerder tot stoppen gedwongen zijn. “Incidenten”, zoals granaten op de school in Jabalia of de dood van de vier voetballende kinderen op het strand van Gaza, zouden onder het tot recent geldende wereldregime daarvoor voldoende reden geweest zijn.

Maar dat systeem functioneert kennelijk nog maar gebrekkig, en dat is een enge conclusie. Want hoe dan ook, temidden van vaak forse spanningen, speelde men het tot op grote hoogte klaar om met elkaar in gesprek te blijven en diplomatieke resultaten te boeken.

Voor wat betreft de Gaza-oorlog lijkt het zand in de diplomatieke raderen op het eerste gezicht en op de korte termijn in het voordeel van Israël te zijn. Evidente militaire missers die veel burgerslachtoffers maken zijn geen show-stoppers meer. En Israël kan mogelijk zijn gestelde doelen realiseren, zodanig dat het over een paar jaar niet weer in dezelfde situatie zit en een offensief moet beginnen.

Maar vanuit een breder perspectief bezien kan ook het ook voor Israël bepaald geen wenkend vooruitzicht zijn wanneer het Midden-Oosten verder destabiliseert en in brand komt te staan. Wat je mag hopen is dat een Israël, dat zich aan zijn directe grenzen wat veiliger voelt, het verstand opbrengt om zich te gedragen. Namelijk als een machtige, maar dus ook verantwoordelijke speler die zijn gewicht mede inzet voor nieuwe stabiliteit in de regio.

Zie ook Het nieuwe Midden-Oosten en Schuiven

donderdag 31 juli 2014

Nu niet meer


Gaza, het is een schrijnend ongelijke strijd.

Maar vreemd genoeg door beide partijen gewenst.

Door het slachtoffer, ik weet niet waarom.

Door de dader, ik wist wel waarom, maar nu even niet meer.








Zie ook Gaza

donderdag 24 juli 2014

Snap ik niet


Er is een aantal dingen rondom Israël die ik niet begrijp.

Daar hoort overigens niet de huidige militaire actie bij om de raketaanvallen vanuit Gaza weer voor enige tijd in te dammen. Want die kan ik – hoe onverteerbaar het oorlogsleed ook is – wel begrijpen. Geen enkel land, democratisch of niet, kan zich zo maar laten beschieten terwijl het wel over de middelen beschikt om de beschietingen te stoppen. Vroeg of laat zal het die middelen inzetten. Dat vindt niemand leuk, dat snap ik ook, maar kennelijk is vechten zowel voor Hamas als voor Israël op dit moment de moeite waard.

Een van de dingen die ik níet snap is de nonchalance waarmee Israël de bezetting van de Westbank maar laat voortduren, en zelfs actief verstevigt. Ik kan het niet anders zien dan dat de illegaliteit daarvan, gecombineerd met de vernederingen voor de Palestijnen, een serieuze bedreiging vormt voor Israëls toekomst.

Wat ik verder nooit gesnapt heb is de onbekommerdheid waarmee Israël zich de steun laat welgevallen van de Christen-zionisten zoals Amerikaanse Evangelicals of Nederlandse Christenen voor Israël. Uit opportunistisch, korte-termijn oogpunt kan ik dat nog wel begrijpen. In een wereld met veel tegen Israël gerichte vijandigheid ben je blij met iedere steun die beschikbaar is.

Maar de vraag is of dat opportunisme wel slim is. Ik denk van niet. Allereerst omdat die steun fundamentalistisch geïnspireerd is. Kenmerkend voor de bedoelde groeperingen is hun geloof in het gezag van de Bijbel, en die leggen zij zo uit dat de staat Israël daarin verschijnt als door God gewild, want als voorbereiding op de wederkomst van Christus op aarde. Dit komt mij voor als een wezensvreemd motief binnen het seculier-Joodse project dat Israël in hoofdzaak was en is. Als motieven zo ver uit elkaar liggen moet je voorzichtig zijn met het aanhalen van de banden.

Een tweede reden vloeit voort uit dat fundamentalisme. Want dat impliceert dat het de Christen-zionisten niet primair gaat om de Joodse zaak, maar om een idee dat gekoppeld is aan hun theologie. Bij het ontbreken van een intrinsieke, menselijke betrokkenheid kan een omslag in die theologie of Bijbeluitleg zomaar leiden tot een omslag in houding. Enthousiasme voor de Joodse staat kan dan veranderen in onverschilligheid of zelfs vijandigheid.

Zoiets lijkt zich op dit moment in bepaalde Evangelicale kringen inderdaad voor te doen. Daar is sprake van een terugkeer naar de good old ‘vervullingstheologie’. Die houdt in dat, met Jezus, het Koninkrijk Gods gevestigd werd op aarde en de geschiedenis werd vervuld. Het Joodse volk heeft volgens die visie voor God geen betekenis meer en de staat Israël al helemaal niet. Uit dit soort theologie is voor de Joden al eerder veel ellende voortgekomen.

Voordat je gaat geloven in de oprechtheid van je supporters is het belangrijk om te weten met wie je te maken hebt en wat hun motieven zijn. Dat zouden Joden toch moeten snappen.

Zie ook De gelaagdheid van Ari Shavit en Precies genoeg

vrijdag 18 juli 2014

Elitair ongemak


De gemiddelde administratief medewerker op een doorsnee kantoor zetelt vandaag de dag aangenamer dan de bevoorrechte klasse ooit gedaan heeft.

Deze gedachte overkwam me toen ik afgelopen dagen, gezeten aan een stevig bureau in een ouderwetse bestuurdersstoel, wat leeswerk deed.

De stoel zag er statig uit met zijn leren bekleding en sierlijke ornamenten. Daarbij was hij zeer stevig en bijna niet te tillen.

Het voelde beslist vorstelijk om me daarin neer te zetten, maar ik merkte al snel dat ik ging verschuiven en verzitten. Het leer gaf wel mee maar, ongeacht welke houding ik probeerde, echt aangenaam werd het niet. De gebeeldhouwde maar harde stoelleuningen droegen bepaald niet bij aan een gevoel van zitcomfort.

Op een gegeven moment had ik er genoeg van. In de kamer stond ook een moderne bureaustoel en daar ging ik op zitten. Je weet niet wat je meemaakt aan comfortverschil op zo’n moment. Die bureaustoel is werkelijk een wonder van gemak.

Je mocht vroeger dan bestuurder of notabel zijn, dacht ik, maar daar moest je kennelijk ook heel wat voor aflijden op die grote indrukwekkende stoelen. Hoe zou het voelen in de Ridderzaal? Die tronen ogen ook niet echt comfortabel.

Zie ook Orde en (On)reinheid 

vrijdag 11 juli 2014

Precies genoeg


“Natuurlijk veroordeel ik alle geweld. Dat geldt geweld van Palestijnse én van Israëlische zijde. De commotie over de moord op de drie Israëlische tieners geeft mij tóch een wrange bijsmaak. Toen half mei twee Palestijnse tieners uit Ramallah zonder enige reden door het Israëlische leger werden doodgeschoten, was er niemand die zijn verontwaardiging uitte, ook  niet de Nederlandse minister van buitenlandse zaken, die in het geval van de drie Israëlische jongens onmiddellijk met zijn oordeel klaar stond. De drie Israëlische tieners waren kolonisten. Zij woonden in een illegale nederzetting op Palestijns grondgebied. Als hun ouders gewoon in Israël waren blijven wonen, waren ze nog in leven”.

Deze door Jan Ramaker uit Tiel ingezonden brief in Trouw deed me wel wat. Maar wat dan precies?

Allereerst trof mij een onjuistheid, namelijk de volgende: De drie Israëlische tieners waren kolonisten. Zij woonden in een illegale nederzetting op Palestijns grondgebied.

Dat klopt niet. Naftali Frenkel en Gilad Shaar woonden in Modi’in, Eyal Yifrah woonde in Elad. Modi’in en Elad zijn steden in Israëls Centrum-district, beide binnen de Groene Lijn. Daar kun je niet precies genoeg in zijn.

Wel gingen zij naar school in bezet gebied. Naftali en Gilad in Kfar Etzion, Eyal in Hebron. Ze gingen dus naar scholen die zich niets aantrekken van een Groene Lijn. Daar kun je niet precies genoeg in zijn.

Verder bleef ik haken aan de uitspraak Als hun ouders gewoon in Israël waren blijven wonen, waren ze nog in leven. Die zou je, gezien het voorgaande, dus moeten wijzigen in de uitspraak “Als de jongens gewoon in Israël naar school waren gegaan, waren ze nog in leven”. Met als toevoeging dat dat pas geldt sinds de afscheidingsmuur is gebouwd, want voor die tijd vielen er een paar honderd terreurdoden per jaar en was je ook binnen de Groene Lijn op weg naar school je leven niet zeker.

Tenslotte ben ik gewoon touché door de wrange waarheid dat Toen half mei twee Palestijnse tieners uit Ramallah zonder enige reden door het Israëlische leger werden doodgeschoten, was er niemand die zijn verontwaardiging uitte. Ook in het tonen van je verontwaardiging kun je niet precies genoeg zijn.

Zie ook De Groene en de Rode Lijn, Het nieuwe Midden-Oosten en Palestijnse Staat

vrijdag 4 juli 2014

Onze Grondwet


Patrick van Schie, directeur van de Teldersstichting, stelt voor om een artikel van de Grondwet te schrappen, namelijk nummer 90 dat als volgt luidt: “De regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde”.

Van Schie’s motief voor dit voorstel is dat het artikel de Nederlandse naïviteit voedt in internationale zaken van machtspolitiek en een wereldvreemd utopisme stimuleert. Het is, zo zegt hij met het oog op de brute Oekraïne-politiek van Poetin en het misbruik door onder andere Rusland en China van VN-instituten, al lang tijd om daarvan terug te komen.

Ter vervanging van artikel 90 stelt Van Schie een nieuwe bepaling voor, en wel de volgende: “De Nederlandse regering heeft in de buitenlandse en in de EU-politiek primair tot taak de behartiging van het nationaal belang in strikte zin”, waarmee hij doelt op elementaire staatstaken als handhaving van de vrijheid en de onafhankelijkheid van ons land en zijn burgers.

Ik vind het gebruik van de woorden “in strikte zin” wel verfrissend. Want daar hangt gauw een taboe omheen, maar goed beschouwd is het een historische prestatie van formaat om op een beperkt grondgebied als tevreden natie samen te leven, en dat mag best eens gezegd worden. Zeker als de gerichtheid op eigenbelang enigszins verzacht wordt door een tweede, aanvullend artikel dat Van Schie voorstelt. Daarin zou moeten worden bepaald dat de Nederlandse regering de vestiging, versteviging en verdediging van vrije democratische rechtsstaten steunt.

Maar toch mis ik wat. Want zoals de oude tekst getuigde van of aanzette tot een houding van naïviteit doet zijn nieuwe, eerste tekst dat ook. Het ‘nationaal belang in strikte zin’ is inmiddels namelijk een volstrekte abstractie geworden, daarvoor zijn we immers te zeer verweven geraakt met andere landen, en via duizenden draadjes van financiële, energiepolitieke en economische aard verbonden met Europa.

Dus om alle aandacht te concentreren op het nationaal belang zoals Van Schie voorstelt is niet minder wereldvreemd dan het voorafgaande idee van utopisch universalisme waar hij vanaf wil. Om zijn voorstel wat realistischer te maken zou ik het daarom adekwaat vinden om de formulering van Van Schie uit te breiden met de bepaling dat we ook gehouden zijn het Europese belang ‘in strikte zin’ te bevorderen.

Dat zou recht doen aan een aantal feitelijke werkelijkheden. Bijvoorbeeld aan de inmiddels door velen onderkende noodzaak om een gezamenlijk Europees defensiebeleid en leger te vormen; aan het feit dat Europa is opgebouwd uit tevreden democratieën met, zoals Van Schie terecht zegt, hun specifieke belang bij rust en vrede; en aan een cruciale constatering van Van Schie: “mensen buiten West-Europa  handelen niet alleen anders, maar ze denken ook heel anders”.

Je komt zo wel uit bij de paradox dat bescherming van mogelijk universele waarden beter gewaarborgd is via Europese, regionale samenwerking dan door de traditionele oriëntatie op mondiale samenwerking.

Zie ook Eng en Lang leve Europa!

donderdag 26 juni 2014

Alcoholisme en djihad


Het is gewaagd wat Lamyae Aharouay doet in haar Trouw-column, maar ik kan het waarderen. Zij maakt daarin de vergelijking tussen Isis-aanhangers en alcoholisten. Dit in het kader van haar stelling dat het niet aangaat om gematigde Moslims aan te spreken op het gedrag van fanatieke djihadisten. Dat had ze bijvoorbeeld Halbe Zijlstra horen doen, en de columnist van de vorige week, Elma Drayer, die had gezegd: “Als moslims op grote schaal moslims afslachten blijft het nagenoeg stil”.

De vergelijking bestaat hieruit dat alcoholmisbruik en djihadisme beide problematisch zijn. En dat je, net zo min als je de gematigde alcoholgebruiker kunt aankijken op het gevaar van de probleemdrinkers, gematigde Moslims niet verantwoordelijk kunt stellen voor het gevaar van de extremisten.

Met deze stelling heeft Aharouay het gelijk aan haar kant, denk ik. Op een ander punt gaat de vergelijking echter mank, en ik zou willen dat de parallellen daar juist doorgetrokken zouden worden.

Dat andere punt is de mate waarin het probleem onderkend wordt als een ernstig gevaar en de mate waarin het probleem actief bestreden wordt. Zoals Aharouay aangeeft wordt alcoholverslaving door de Wereldgezondheidsorganisatie expliciet benoemd als ernstig gevaar voor de volksgezondheid. De organisatie rapporteert daarover, waardoor wij weten dat alcohol zorgt voor 1 op de 20 doden per jaar, wereldwijd 3,3 miljoen mensen.

De samenleving is zich kennelijk behoorlijk bewust van het verslavingsgevaar, en heeft er een organisatie op gezet die analyses maakt en verdere bewustwording stimuleert. Daar horen bijvoorbeeld vragen bij zoals: in hoeverre wordt alcoholmisbruik bevorderd door onze individualistische levensstijl en bijbehorende eenzaamheid? Wat is de rol van de opdringerige reclames?

De vergelijking doortrekkend zou mij iets dergelijks wenselijk lijken met betrekking tot het verslavingsgevaar van de Islam. Ook hier zijn analyses en reflectie nodig die doordringen tot het hart van de zaak. Waar zou dat verslavingsgevaar in kunnen zitten? Zou er mogelijk iets verslavends kunnen zitten in het centrale leerstuk van complete overgave aan Allah? En stimuleert het ontbreken van de relativerende werking van (gematigd) alcoholgebruik mogelijk religieuze radicalisering?

Het stellen van die vragen en de reflectie daarop lijken mij zeer urgent. Nogmaals, en in overeenstemming met wat Aharouay daarover zegt, niet om daar de gematigde Moslim mee om de oren te slaan. Maar wel, net als bij alcohol, om de mechanismes te ontdekken die in de wisselwerking met maatschappelijke omstandigheden tot dood en vernietiging leiden.

Zie ook 'Gematigd' is een scheldwoord, Eng en Heftigheid en Alcohol