vrijdag 25 januari 2013

(On)reinheid


Vaag wist ik het wel, maar zo precies als het door Stuart Isacoff beschreven wordt in Het octaaf heb ik het me nooit gerealiseerd. Dat de verwerving van ons tonale systeem – waarin we lenig moduleren door alle toonsoorten heen en zo de meest prachtige muzikale bouwwerken produceren – de uitkomst is van een forse strijd, en dat die strijd verliep langs theologisch en filosofisch gekleurde lijnen. Het verhaal van die strijd laat zich lezen als een uit klank gebouwde versie van een groter verhaal. Zo je wilt een bevrijdingsverhaal dat raakvlakken heeft met de emancipatie van de Westerse mens uit de bevoogding door de Griekse klassieken en de Christelijke kerk.

Het verhaal begint met opvattingen en met een probleem. De opvattingen behelzen de gedachte – gebaseerd op Pythagoras en Plato – dat muziek de weerspiegeling is van een volgens harmonieuze wiskundige verhoudingen ingericht heelal. Muziek moet daardoor opgebouwd zijn uit intervallen van zuivere verhoudingen zoals de reine kwint (3:2) en de reine kwart (4:3).

Het probleem hiermee was dat de formules van Pythagoras geen ruimte boden voor enkele zeer populaire harmonieën: de grote tertsen, de kleine tertsen en hun tegenhangers, de sexten. Deze intervallen waren zo gewild omdat ze muziek intiemer, sensueler en expressiever maakten. Maar het gebruik ervan maakte veel discussie los, omdat volgens tegenstanders deze intervallen niet pasten in de door Pythagoras en de kerk gepostuleerde wereldorde.

Voor dit probleem waren wel oplossingen. Die bestonden erin dat in de muzikale praktijk meer of minder gesjoemeld werd met de zuiverheid van de intervallen. Bij snaarinstrumenten kon dat doordat de muzikant de toonhoogte zelf moet vormen en steeds iets hoger of lager kan mikken. Zangers konden dat eveneens door hun toonhoogte constant iets aan te passen om de diverse intervallen zo harmonisch mogelijk te laten samenklinken.

Dit waren pragmatische oplossingen waarbij het probleem niet op scherp gezet werd en de bewakers van de straffe wiskundige orde niet werden uitgedaagd. Maar die oplossingen waren halfbakken, want zangers werden ook begeleid door orgels en er werd muziek geschreven voor strijkers met klavecimbelbegeleiding. En met toetsinstrumenten zoals orgel en klavecimbel kun je onder het spelen niet rommelen met de toonhoogte zoals dat kan bij een stem of een snaar. Toetsinstrumenten moeten van te voren goed gestemd staan, en als je daar tertsen op wilt spelen dan moet je ze bewust anders stemmen dan wanneer er alleen kwinten en kwarten hoeven te klinken.

Deze technische noodzaak liet minder ruimte voor pragmatisme, het vraagstuk van de juiste stemming was ook behoorlijk theoretisch van aard. Het trok daardoor al gauw de aandacht en de bemoeienis van al dan niet zelf benoemde bewaarders van de door God ingestelde orde. En die maakten principieel bezwaar tegen iedere inbreuk op de zuivere wiskundige verhoudingen.

Ondertussen kroop het bloed waar het niet gaan mocht en probeerden musici allerlei stemmingen uit op toetsinstrumenten. Daarin werden concessies gedaan aan de reinheid van de intervallen omwille van de mogelijkheid om onbeperkt allerlei kwinten, kwarten, tertsen en octaven met elkaar te kunnen verbinden zonder dat het gierend vals werd.

De tegenstanders were not amused. De 16e eeuwse muziektheoreticus Gioseffo Zarlino meende, evenals vele anderen, dat zangers van nature reine intervallen zingen en dat de nieuwe stemmingen de eenheid van de wereld bedreigden. Hij was gekrenkt toen Vincenzo Galilei (de vader van Galileo Galilei) vaststelde dat zangers in de praktijk afwisselend alle stemmingen door elkaar heen gebruiken omdat ze voortdurend op zoek zijn naar een mooie samenklank. Galilei verweet Zarlino dat hij streed voor een illusie en dat de muziek volledig verlost diende te worden van de tirannie van het onschendbare getal.

Rousseau koos ook positie in het debat en wel voor zijn eigen variant op de kosmische orde. Daarin fungeerde muziek als een oerkracht die beslist verdedigd moest worden tegen de bijgeschaafde en daarom decadente experimentele stemmingen. Zelfs Newton, die in zijn natuurkundige werk moedig genoeg was om de wereld te beschrijven zoals die is in plaats van zoals die volgens de overlevering zou moeten zijn, toonde zich hier behoudend: “Het is filosofen onwaardig om de zuivere verhoudingen aan te tasten”, vond hij.

Met name in het beroep dat hier gedaan wordt op de onaantastbaarheid van een goddelijk-natuurlijke orde – tegen de feitelijk beleefde of gezochte praxis van mensen in – is een parallel te trekken tussen wat er in de muziek gebeurd is en wat zich op andere terreinen nog steeds afspeelt. Ik denk hierbij aan bepaalde vertegenwoordigers van de gevestigde orde die homosexualiteit als onnatuurlijk bestempelen en daarmee als ongewenst. Of aan managers die nauwelijks oog hebben voor de feitelijke onderstromen in hun organisatie omdat de door hen bedachte orde daarvoor geen plaats inruimt.

Zo bezien kun je de muzikale strijd tégen de reinheidsillusie en vóór de veelvormigheid van de geleefde praktijk wel een Europees modelproject noemen. En gelukkig is die strijd goed afgelopen. De fysicus Daniel Bernoulli kon eind 17e eeuw aantonen dat iedere toon boventonen produceert en dat de reeks boventonen die we ‘boven’ de basistoon van een snaar horen veel groter is dan aanvankelijk werd gedacht. Isacoff: “Deze aanvullende klanken vormen een eindeloze uitbreiding van de reeks met tonen die over het algemeen niet harmonieus zijn. Alle trillende lichamen drijven dus van nature in een grote zee van dissonanten. Het idee dat de natuur een voorkeur heeft voor reine harmonieën was, naar het zich liet aanzien, voorgoed van het toneel verdreven”.

Zie ook Edelkitsch en Orde

Geen opmerkingen:

Een reactie posten