vrijdag 30 januari 2015

Aantallen


Wordt het een kwestie van aantallen?

Ik bedoel: is er sprake van een clash of civilizations à la Samuel Huntington? In de zin van een massieve cultuurstrijd tussen de Islam en het Westen, te winnen door de grootste en de sterkste?

Daar wil ik niet aan. Maar soms laat ik me – uit angst – door die gedachte meeslepen. En voor de duur van dit stukje laat ik dat gebeuren.

Want soms lijkt wat we meemaken wel erg veel op een beschavingenstrijd. Vorige week interviewde het Journaal een imam die gewag maakte van de ondraaglijke vernederingen die hij en de hele Islamitische gemeenschap moesten ondergaan. Het was een zachtmoedige man maar hij wilde er toch wel even bij zeggen dat zij met 1,7 miljard zijn.

En burgemeester Van der Laan herhaalde zijn terechte boodschap dat we wel bang mogen zijn maar ons niet moeten laten terroriseren. Dat hoeft ook niet, zei hij erbij, want “wij zijn met veel meer”, waarbij hij overigens doelde op een coalitie van allen die tegen terreur zijn.

Maar als aantallen zo belangrijk zijn, dan ziet het er voor Joden niet zo best uit. Want in dat opzicht delven wij natuurlijk altijd het onderspit.

Het is waar, wij beschouwen onszelf als onderdeel van de coalitie tegen terreur, en worden meestal ook door anderen daartoe gerekend. Je kunt zelfs zeggen dat Israël – afgezien van de landjepikkende Groot-Israël aanhangers – geografisch in de frontlinie staat tegen de barbarij.

Maar er hoeft maar dít te gebeuren in het Midden-Oosten, of de Westerse publieke opinie vindt dat de Joden er toch net níet bij horen. Voor de Islamitische publieke opinie is dat so wie so al een uitgemaakte zaak, dus dan wordt het knap benauwd met die geringe Joodse aantallen. Je zou er Groot-Israël-fan van worden.

Maar daar wil ik niet aan.

Zie ook Prikkels en Een ander Joods geloof?

donderdag 22 januari 2015

Eigenaardigheden


“Britse integratie betekent tolerantie voor elkaars eigenaardigheden”, zegt correspondent Titia Ketelaar. Daarmee doelt ze op in het openbaar uitgedragen eigenaardigheden zoals de weigering om een hand te geven, of het dragen van een keppel of een hoofddoek.

Daartegenover zou je kunnen zeggen: Franse integratie betekent absolute gelijkheid voor de wet en slechts beperkte tolerantie voor elkaars eigenaardigheden in de openbare ruimte. Franse integratie bestaat namelijk voor een groot deel uit instemming met de ideologie van de laïcité, dat wil zeggen de gedachte dat de staat en de openbare ruimte zich verre houden van religie, juist om neutraliteit en gelijkheid te garanderen. Anders dan in Engeland is acceptatie van openbare religieuze uitingen in Frankrijk dus met meer voorwaarden omgeven. Eigenaardigheden bewaar je voor thuis.

Dit verschil tussen beide landen is verklaarbaar vanuit de geschiedenis. De Fransen hebben lang geleden onder een oppermachtig regime van de kerk, versterkt door het verbond van de kerk met de absolute monarchie van de 17e en 18e eeuw. Engeland daarentegen kon al vanaf het einde van de 17e eeuw gaan experimenteren met serieuze parlementaire en democratische instellingen. Grote standsverschillen zijn er – tot op de dag van vandaag – gebleven, maar de bijna totalitaire repressie en censuur die in Frankrijk bestond hebben de Engelsen al lang niet meer gekend.

Dat verschil maakt inzichtelijk waarom de omgang met satire zo verschillend is. In Frankrijk stond er meer op het spel. Het regime was hard en repressief, satiristen waren voortdurend op de vlucht voor censuur en politie, en dat lokte vanzelf de meest bijtende prenten en teksten uit. De bevrijdende lach werd mede opgewekt omdat het hard tegen hard ging.

In Engeland was, aldus Simon Schama, satire meer onderdeel van het politieke spel. Er werd net zo veel gelachen als in Frankrijk, maar het naakte bestaan was niet in het geding. De Engelse satiristen hoefden niet ondergronds te gaan, de meest beroemde van hen – James Gillray – werd slechts éénmaal gearresteerd.

Dat verschil kan ook verklaren waarom de Engelsen, bij al hun satire, meer oog hebben voor de kwetsuren die de spotprenten kunnen aanrichten, zoals belediging en vernedering. De Fransen voerden een strijd op leven en dood, die niet voor niets uitmondde in de Franse Revolutie; zij hadden voor hun gevoel niet de ruimte om zich te bekommeren om omgangsvormen. De Engelsen wel.

Op een dieper niveau speelt er, denk ik, nog iets anders mee. De Franse denktrant, meer in het algemeen genomen, zet vooral in op clair et distinct, is rationeel, zoekt het felle zonlicht van de rede op. Engelse denkers – maar ook tragedieschrijvers zoals Shakespeare – hebben juist altijd basale menselijke gewaarwordingen en emoties een plaats gegeven in hun geschriften. Daar hoorden woede en verontwaardiging bij, de brandstof voor hun satires. Maar net zo goed de aandacht voor gevoelens van belediging en vernedering.

Charlie Hebdo staat onmiskenbaar in de Franse traditie.

Zie ook Je suis (pas) Charlie

donderdag 15 januari 2015

Je suis (pas) Charlie


Een raar gevoel van verwantschap met de cartoonisten van Charlie Hebdo leeft in mij.

Raar omdat ik – anders dan Charlie Hebdo – niet zo van het provoceren ben. Ik ben juist geneigd uiteenlopende belangen en verschillen van inzicht te willen overbruggen door gesprek en wederzijds begrip. Beslist anders dan de vermoorde cartoonisten gewend waren.

Heeft het er misschien mee te maken dat behalve cartoonisten ook Joodse doelen hoog op de Moslimterroristische doelwittenlijst staan? Dan zou mijn gevoel van verwantschap voortkomen uit een gedeelde dreiging. Solidariteit door toevallige lotsverbondenheid.

Maar, denk ik dan, zo toevallig is die gedeelde eerste plaats op de doelwittenlijst niet. Je kunt Joden in de Europese cultuurgeschiedenis benoemen als de vrijdenkers van het Westen. Dat begon al in het eerste millennium van de jaartelling toen de Joden zo brutaal waren om de zogenaamd universele Christelijke waarheid af te wijzen. Dat werd door de omringende samenleving  beleefd als ongehoord en aanstootgevend. Levensgevaarlijk, maar ze déden het, de Joden.

En ze hielden dat, ondanks veel vervolgingen, vol gedurende het tweede millennium. Ook toen vanaf de 18e, 19e eeuw de secularisatie toesloeg bleven Joden, gewend aan de koestering van een eigen sociaal-innerlijk leven, daaruit putten. Ze leverden vaak originele bijdragen aan de Westerse muziek, filosofie en literatuur. Afwijkend van de hoofdstroom, van hun hart en seksueel leven geen moordkuil makend, en daardoor soms opnieuw aanstootgevend.

De Joodse vrijdenkendheid stoort tegenwoordig (Westerse) Christenen veel minder dan vroeger, toen de universele Christelijke waarheidspretenties nog intact waren. Maar inmiddels hebben bepaalde Islamitische stromingen veel van die universele pretenties tot niets ontziende waarheid verheven, en daar passen dwarse Joden opnieuw niet in. Dat kan verklaren waarom hun reputatie van eigenzinnigheid, aangeblazen door het Israëlisch-Palestijnse conflict, Joden tot topprioriteit maakt voor Moslimterroristische aanslagen.

Dus, al ga ik niet de straat op met “Je suis Charlie” – ik voel het wel.

Zie ook Parrèsia en Bekvechten

donderdag 8 januari 2015

De heilige verbeelding


Al zolang ik mensen het woord ‘verbeelding’ hoor bezigen is daaraan een verheven klank verbonden. Verbeelding staat op een voetstuk. Maar, vroeg ik me al vaak af, waarom is dat zo?

Het kan zijn omdat verbeelding mensen – schrijvers en lezers – helpt om, al is het maar tijdelijk, even de weerbarstige werkelijkheid te ontvluchten en een roes van vergetelheid te beleven. Uitgevers lijken daarop te mikken bij het promoten van nieuwe boeken zoals nu gebeurt met een nieuw boek van Leon de Winter dat wordt aangeprezen als ‘een dans op het hoge koord van de verbeelding’. En schrijver Adri van der Heijden vertelde eens dat het vroeger bij hem thuis zo vervelend was dat hij in de verbeelding vluchtte.

Gelukkig dat het bestaat, maar een tweede verklaring spreekt me meer aan. Daarin staat verbeelding voor de koestering en vergroting van de menselijke innerlijke ruimte. Zoals filosofie je horizon kan verbreden door de presentatie van nieuwe ideeën, zo kan de literaire verbeelding dat door de schildering van emoties en psychologische verwikkelingen.

Maar wat me van die laatste waardering van de verbeelding weer minder aanspreekt is dat die vaak in één moeite door gekoppeld wordt aan een nuttige bijwerking van de verbeelding: die zou de intermenselijke communicatie helpen verbeteren doordat mensen zich beter in elkaars situatie leren inleven. Ja zelfs, zeggen sommigen zoals Martha Nussbaum of Richard Rorty, voor het écht verbeteren van de wereld moet je literatuur inzetten.

Ik heb het daar niet zo op. In de eerste plaats omdat er tussen de studeerkamer waar de verbeelding zich ontplooit en de werkelijkheid op een irritante manier licht blijft zitten. Iets van die irritatie klonk laatst door bij criticus Rob Schouten in zijn voorzichtige appreciatie van Arnon Grunberg. Die weigert ons in zijn romans gerust te stellen, en die omkering van het Zwitserlevengevoel laat Schouten niet onberoerd. “Zijn werk heeft meer met het menselijk trauma dan met de heilige verbeelding te maken”.

In de tweede plaats, en daarmee samenhangend, houd ik niet van het idee van wereldverbeterende maakbaarheid dat spreekt uit de instrumentele waardering voor verbeelding. Natuurlijk is er niets tegen horizonverbreding op filosofisch of literair gebied, dat is alleen maar goed. Maar de onderliggende gedachte klopt niet, want die redeneert dat als je maar breed genoeg denkt en voelt, je de misverstanden uit de wereld kunt bannen. En die gedachte is op een geniepige manier contraproductief.

Het scala van menselijke gedachten en emoties is immers oneindig groot. Te denken dat je dat allemaal op voorhand kunt inpassen in je voorstellingswereld doet per definitie geen recht aan de werkelijkheid van mensen en is daarom, in zijn pretenties, potentieel gewelddadig. Want hoe gaat een ruime verbeeldingswereld om met een werkelijkheid die daar alsnog buiten blijkt te vallen? Daarmee moet al gauw iets mis zijn.

En die laatste conclusie wil ik niet te snel trekken. Maar dat betekent dat er omgekeerd iets mis is, niet zozeer met de verbeelding zelf, maar met de pretenties van de verbeelding. We zullen, in weerwil van de pretenties van Nussbaum en Rorty, verrast blijven worden door de reacties van anderen, hoe groot onze verbeeldingskracht ook is.

Goed beschouwd hoeven we uit het hele scala van menselijke emoties er maar één te kennen, of – als je wilt – te verbeelden: verdriet. Want dan zul je meestal in staat zijn om de situaties te herkennen waarin je een ander gekwetst hebt, al je verbeeldingskracht ten spijt.

Zie ook Baas in eigen boek

vrijdag 2 januari 2015

Wat is er toch gebeurd in het Westen?


Dat zou ik nog wel eens precies willen achterhalen. Want dát zich in West-Europa de afgelopen drie, vier eeuwen een bijzondere ontwikkeling heeft voorgedaan staat voor mij wel vast.

Daarmee doel ik op het gegeven dat de twee religieuze stromingen die West-Europa gedurende die periode kende – het Christendom en (op afstand) het Jodendom – fundamenteel van karakter zijn veranderd gedurende die periode.

Voor beide godsdiensten geldt dat ze ooit begonnen zijn op basis van axioma’s waaraan niet getwijfeld mocht worden. Voor het Jodendom waren dat bijvoorbeeld de leerstellingen dat de Tora de letterlijke tekst is van Gods woord aan Mozes, en dat het Joodse volk uitverkoren is. Voor het Christendom bijvoorbeeld dat Jezus Gods zoon is, en dat zijn kruisdood de wereld heeft verlost.

En voor beide religieuze tradities geldt dat grote groepen binnen elke traditie het idee van axioma’s (ontwijfelbare waarheden) hebben ingeruild voor het idee van hypotheses. Dat wil zeggen, voor concepten die oriëntatie bieden maar naar bevind van zaken kunnen worden bijgesteld.

Hoe revolutionair die ontwikkeling is geweest, is af te lezen aan het lot van degenen die vasthouden aan de axioma’s. Binnen de Joodse gemeenschap in Europa heeft de Orthodoxie een groot probleem met haar intellectuele geloofwaardigheid, en qua aantallen handhaaft zij zich moeizaam.

Binnen de Christelijke gemeenschap stuitte ik onlangs op een veelzeggend voorbeeld van onmogelijk geworden axioma’s. Namelijk in de persoon van Jozef van den Berg, een voormalige poppenspeler die een iconische Christelijke bekering heeft beleefd. Iconisch in de zin van ouderwets axiomatisch: hij ontdekte Jezus als de waarheid, verliet vrouw en kinderen, werd kluizenaar en heeft vanaf dat moment innerlijk nog maar één verlangen, namelijk “die andere, die zegt dat het niet waar is, zover krijgen”.

Zo klassiek als maar kan, en Van den Berg kan zich verheugen in grote publieke belangstelling. Maar desondanks heeft hij zich moeten aansluiten bij de Oosters-orthodoxe kerk. In het Westen heeft men liever hypothesen.

Zie ook Bestemming bereikt, Liberale varianten en Het rechte eind

donderdag 18 december 2014

Is Islamitische verzuiling mogelijk en gewenst?


In het debat over integratie van groepen nieuwkomers in ons land is regelmatig geopperd dat het zuilenmodel, zoals Nederland dat kende in de twintigste eeuw, wel eens waardevol zou kunnen zijn. Met name voor de inburgering van Moslims zou de oprichting van een Islamitisch zuil goede diensten kunnen bewijzen, zo is de gedachte. Want zo’n zuil, met eigen scholen, een eigen omroep en eigen politieke partijen, zou aan de ene kant deelname aan de algemene Nederlandse samenleving mogelijk maken, en aan de andere kant de religieuze en culturele identiteit van Moslims kunnen veilig stellen.

Maar zo lijkt het niet te werken. In een aantal plaatsen hebben Islamitische scholen hun deuren weer moeten sluiten, de oprichting van een Islamitische omroep verloopt moeizaam, en politieke partijen zijn er maar mondjesmaat.

De vraag is waarom de oprichting van een Islamitische zuil zo moeizaam verloopt. Zeker omdat er op het eerste gezicht veel gelijkenis is met de positie van de grote aanjagers van de verzuiling in de negentiende eeuw: de Gereformeerde ‘kleine luiden’ en de Katholieken. Beide waren maatschappelijk enigszins achtergestelde groepen, ontleenden hun identiteit voor een belangrijk deel aan een (soms zeer) orthodox beleden geloof, en leefden behoorlijk gesegregeerd. De verzuiling bood hen kansen om maatschappelijke invloed te verwerven en daarmee hun emancipatie in de samenleving te bevorderen.

De gelijkenis tussen die toenmalige groepen en huidige Moslims is in ieder geval gelegen in de achtergesteldheid en in het orthodoxe karakter van het groepsgeloof. Maar misschien minder in het verlangen naar emancipatie, en de afwezigheid van dat verlangen zou kunnen verklaren waarom een Islamitische zuil er niet in zit.

Want emancipatie kan ook betekenen: verwatering van de oorspronkelijke groepsidentiteit. In ieder geval heeft die verwatering duidelijk zichtbaar toegeslagen bij de Christelijke groeperingen. In de Tweede Kamer bijvoorbeeld hadden Christelijke partijen rond 1960 nog 80 van de 150 zetels, nu nog maar 21. Van oorsprong Katholieke scholen doen vaak weinig meer aan hun identiteit, en oorspronkelijk Christelijke omroepen beginnen nu echt in het nauw te komen.

Mijn punt is dat die verwatering voor de betreffende groepen Christenen misschien wel niet zo bedreigend was, omdat veel van de beleden Christelijke waarden, zoals gelijkwaardigheid van mensen en rechtvaardigheid, hun plek in de seculiere omgeving al hadden gevonden. Misschien kónden die emancipatie en bijbehorende verwatering van geloofstradities alleen maar plaatsvinden omdat verwante kernwaarden overeind bleven. Namelijk, belichaamd in de liberaal-democratische rechtsstaat waarvan je gerust kunt zeggen dat die een product is van de Westers-Christelijke traditie.

Precies die geruststelling zou voor Moslims wel eens kunnen ontbreken. Emancipatie, namelijk in de Westerse rechtsstaat, en de bijbehorende verwatering van tradities zouden hen het gevoel kunnen geven niets over te houden. Want de liberaal-democratische rechtsstaat is niet uit hún traditie gegroeid, dus innerlijke verwantschap daarmee ontbreekt. Dan voelt verwatering echt bedreigend, want niets overhouden is geen optie.

Ondertussen vinden emancipatie en ingroei in de Nederlandse rechtsstaat toch wel plaats. Maar dan op basis van persoonlijke keuzes van individuen, en niet van een collectief arrangement. Integratie-deskundige Frank van Tubergen stelt vast dat de religieuze betrokkenheid onder Moslims afneemt, en dat het (dus?) goed gaat met de integratie.

Gaat het dan (dus) ook goed met Moslims?

Zie ook Alcohol, Er is over nagedacht en Rome, Mekka en Halsteren

vrijdag 12 december 2014

Een ander Joods geloof?


Ik ben Joods, maar ik vraag me regelmatig af of ik wel tot dezelfde traditie behoor als degenen die benadrukken het uitverkoren volk te zijn en daarom de Westbank opeisen; of die dromen van een Groot Israël; of die Moslims willen weren van de Tempelberg en daarvoor, aldus oud-Mossad-chef Shavit, zelfs een nieuwe verwoesting van Jeruzalem en een nieuwe ballingschap willen riskeren.

In ieder geval ben ik het met deze standpunten volstrekt oneens, en geneigd daarin het slechtste te zien opduiken van wat religie kan zijn. Daartegenover benadruk ik graag het goede van de traditie waar ik bij hoor.

Wat mij betreft is de kern daarvan de focus op leren. Maar daarmee zeg ik het niet precies genoeg want, juist met het oog op de ontsporingen die ik constateer, blijkt dat sommige vormen van leren beklemmend en betekenisloos kunnen worden. De goede vorm van leren die ik op het oog heb is eigentijds leren dat levengevende impact heeft.

In de formatieve jaren van de rabbijnse traditie (zeg maar van de tweede tot de achtste eeuw van de gewone jaartelling) had het leren dat constructieve karakter. Dat leren had de vorm van studie van de overgeleverde mondelinge en schriftelijke teksten, met de bedoeling daaraan richting te ontlenen voor het Joodse volksbestaan in die dagen. En dat werkte buitengewoon krachtig, dankzij de gedrevenheid en het intellectuele vernuft dat door de toenmalige rabbijnen hierin werd geïnvesteerd.

Het leren had impact. Dat is naar mijn idee niet of nauwelijks het geval met de nazaten van die rabbijnen die op jesjiwot hun teksten herkauwen. Want hen gaat het minder om de worsteling tot het verkrijgen van nieuwe antwoorden – dus om een creatief, levengevend proces – als wel om het bewijzen van eer aan de traditiestichters. Zij zijn daarmee in mijn ogen slachtoffers van hun eigen heilige huisjes, en veel inspiratie gaat er niet van uit.

Wil het Joodse leren in onze tijd eenzelfde impact hebben als destijds de rabbijnse tekstanalyses en discussies, dan zullen we daarvoor onze eigentijdse vormen moeten vinden en inzetten. Maar als het leren niet meer kan uitgaan van tekststudie en –interpretatie, hoe ziet eigentijds, creatief Joods leren er dan wél uit?

Naar mijn idee zal dat moeten gaan over onze geschiedenis. Op de manier waarop Simon Schama leert en vertelt over de ballingschap en het zionisme. Of Bart Wallet over het Nederlandse Jodendom, of Leo Mock over de Joodse Middeleeuwen. Of, inderdaad, Flavius Josephus over de verwoesting van de Tweede Tempel.

Ik zoek het in die richting vanwege de werking die ik voel uitgaan van historici die alle bestaande verhalen in een breed, genuanceerd perspectief weten te plaatsen. Dat is weldadig en ruimtescheppend, en daarmee richtinggevend op een manier die vergelijkbaar is met het leren van de rabbijnen.

Overigens denk ik dat het a-historische, klassieke studeren op fundamentele teksten niet alleen voor de Joodse traditie zijn beste tijd gehad heeft. Dat geldt stellig ook voor de Islam en het Christendom. A-historisch denken kan niet meer, historisch meerdimensionaal denken des te meer.

Dat vergt inderdaad veel leren. Maar is de Joodse traditie daar niet altijd goed in geweest?

Zie ook Liberale varianten, Assimilatie en Leren en Tikoen olam

donderdag 4 december 2014

Lekker makkelijk


Er is een aantal onderwerpen in de krant dat ik direct over kan slaan. En dat voelt, als je voor het overige de neiging hebt om de krant te spellen, als weldadig. Het gaat met name om sport en milieukwesties.

Sport, omdat het me niet interesseert. Zeker op maandag ben ik dan relatief snel klaar met de krant. Lekker makkelijk.

Milieukwesties, omdat ik zorg voor het milieu zo vanzelfsprekend vind dat ik zo goed als geen begrip en belangstelling kan opbrengen voor het gesteggel of de vertragingstactieken die links en rechts worden toegepast.

In tegenstelling tot delicate sociale kwesties zoals inkomensverdeling, radicalisering en integratie – met vaak meervoudige historische dimensies – is de richting die we ten aanzien van het milieu hebben te volgen klip en klaar. Daar is niets moeilijks aan. Je kunt niet snel genoeg kolencentrales sluiten, de plasticsoep stoppen, windmolens bouwen en zonnepanelen installeren.

Ik verdenk mijn generatie wel eens van de gedachte: na ons de zondvloed. Dat is heel cynisch natuurlijk. Maar dat hoeft de volgende generatie niet te verhinderen om te zeggen: ‘De zondvloed? Dat nooit!’. Om vervolgens met kracht en overtuiging alle middelen in te zetten die ook nu al lang beschikbaar zijn om het tij te keren.

Zie ook Windmolens en Geen ontkomen aan

vrijdag 28 november 2014

David Pinto


Als ik David Pinto was zou ik het omgedraaid hebben. Pinto zei vorige week in Trouw: “De Islam kan nog wat leren van het Jodendom”, en vraagt zich vervolgens af of het ten voorbeeld stellen van de Joodse traditie aan Moslims niet makkelijk in het verkeerde keelgat schiet.

Het is waar: er staan veel als barbaars te omschrijven straffen in de Tora die als voorschrift zijn afgeschaft. Bijvoorbeeld de straf van steniging van een Jood die zich niet aan de sjabbat houdt, geen Jood zou het in zijn hoofd halen om die toe te passen. Anders dan de gruwelijke straffen die door Moslims vandaag de dag daadwerkelijk worden toegepast, op mede-Moslims en anderen.

Maar veel van de overige dingen die Pinto als negatief aanwijst bij Moslims zijn wel degelijk ook te vinden bij (ultra-)orthodoxe Joden. Denk aan homohaat, vrouwenhaat, of haat tegen alles wat niet-Joods is.

Dat maakt Pinto’s betoog wat zwak. Los daarvan klinkt het inderdaad nogal pedant om je eigen traditie ten voorbeeld te stellen aan anderen, ook al heeft hij op onderdelen gelijk.

Daarom zou ik het omdraaien. Daarmee bedoel ik dat ik niet op aanstootgevende wijze zou roepen “Kijk mij eens!”. Maar het argument van de de facto afschaffing van barbaarse straffen paraat houden voor de situatie dat omstanders de Joodse traditie als primitief en barbaars wegzetten, bijvoorbeeld onder verwijzing naar “al dat geweld en primitieve wetten in de Tora”.  Op zo’n moment is het antwoord op zijn plaats dat Pinto geeft: kijk hoe daarmee wordt omgegaan, dat bestaat in de praktijk niet meer.

En als men dan roept “Maar al het geweld in Israël dan?” Dan volstaat het om de Tora erbuiten te laten, omdat voor de tragische situatie meer dan genoeg “gewone”, historische verklaringen zijn aan te wijzen: twee getraumatiseerde volkeren die in hetzelfde gebied op elkaar stuiten, een ongelijke machtsbalans, geopolitieke belangen.

Maar helaas – ook voor Pinto – zullen we dan ook moeten toegeven dat onnodige, extra verharding van het conflict wordt veroorzaakt door een harde kern van kolonisten die wel degelijk zijn inspiratie haalt uit de Tora.

Zie ook ‘Gematigd’ is een scheldwoord en Ellips in Israël

donderdag 20 november 2014

Nationale denkschaamte


Het verschijnsel denkschaamte, waarover ik workshops geef, laat zich niet zomaar uitleggen. Het kan behoorlijk wat moeite kosten om dat over het voetlicht te krijgen, al weet ik inmiddels dat verhalen van deelnemers over hun eigen ervaringen ermee zeer verhelderend werken.

Maar op dit moment heb ik bij mijn pogingen tot uitleg even fors de maatschappelijke wind mee, want door de nationale Zwarte-Piet-discussie wordt het verschijnsel denkschaamte in één klap wat breder herkenbaar, evenals de kracht van het effect ervan.

Tot uitgangspunt voor dit stukje neem ik de ongrijpbaarheid van de discussie en de irritatie die dat bij velen oproept. Nu doel ik even niet op de irritatie van propieten en antipieten over elkaar, maar de irritatie van velen dat zo’n discussie er überhaupt is. Bas Blokker schreef daarover in de NRC: “In elk gesprek over Zwarte Piet komt er wel een moment dat iemand zegt: ‘Wat een gezeur, zeg, laten we het over iets echt belangrijks hebben. Ik snap werkelijk niet waar we ons zo druk over maken’”.

En het is waar, er zijn bijvoorbeeld in de kwestie Zwarte Piet geen grote financiële, economische of geopolitieke belangen in het geding. Maar ondertussen worden er wel mensen gearresteerd bij de intocht van Sinterklaas, vliegen er doodsbedreigingen heen en weer en wordt de kwestie door het College voor de Rechten van de Mens getoetst aan de Algemene Wet Gelijke Behandeling.

Als de kwestie echt zo onbelangrijk is, vraagt Blokker zich af, waarom lopen de gemoederen dan zo hoog op? Op dit punt heeft het verschijnsel denkschaamte een opmerkelijk verklarende kracht. Want wat er gebeurt als je je laat raken door andermans verdriet en wanneer je je schaamt over een aanvankelijk enthousiasme van jezelf (bijvoorbeeld voor die oergezellige, ouderwetse Zwarte Piet) – wat er dan gebeurt is niet per se redelijk.

So wie so is die schaamte niet redelijk, want wat is er mis met het uitdragen van liefde voor een volksfeest? Daar kán iets mee mis zijn, vertelt ons de denkschaamte. Goede bedoelingen geven niet altijd de doorslag. Jij hebt je leuke ideeën en goede intenties. Maar dat telt allemaal niet meer op het moment dat een ander daardoor gekwetst wordt en jij op een of andere manier overtuigd bent van die kwetsuur. Dan bepaalt die ander ineens jouw speelruimte, ook al gaat het – voor jouw gevoel – nergens over. Er treedt dus een zeker verlies van autonomie op. Toch voelt het niet verkeerd, er is namelijk écht contact.

Maar als je vervolgens handelt naar die schaamte, en je actief gaat inzetten voor verandering van het volksfeest, dan blijft de vraag naar de proportionaliteit en redelijkheid van je acties opspelen. Wat je dan doet kan door de primaire inhoud van de kwestie niet altijd afdoende verklaard worden, integendeel, een gevoel van onevenredigheid kan je blijven vergezellen.

Beide zaken – de rare schaamte en de daarop volgende soms overdreven aanvoelende actie – kunnen alleen verklaard worden door het feit dat je geraakt bent door het verdriet van een ander over datgene wat jij zo aardig vindt. Daar ketst alle andere redelijkheid op af. Zwarte Piet = zwart verdriet. Die schok – dat is de essentie van denkschaamte.

Bijvoorbeeld zoals Robert Vuijsje het verwoordt in een interview in Trouw. Van Vuijsje  is bekend dat hij Zwarte Piet wil afschaffen en als hem de vraag gesteld wordt: “U hebt een zwarte vrouw en gekleurde kinderen, wanneer dacht u: die Zwarte Piet kan niet meer?”, dan  antwoordt hij: “Mijn ogen gingen open toen ik een jaar terug Pauw&Witteman zag waarin Henk Westbroek de Antilliaans-Nederlandse kunstenaar Quinsy Gario toesprak. Mijn vriendin, ze heeft Creoolse ouders, heb ik nog nooit zo fel gezien over dit onderwerp. Ik heb niet lang daarna de enige zwarte jongen in mijn klas op de basisschool opgebeld. Ik zat nota bene naast hem. Of hij ook Zwarte Piet werd genoemd, vroeger, en of hij het een rotfeest vond. Ja, zei hij. Had ik nooit gemerkt. Ik besefte toen dat het niet gaat om hoe ík het beleef en heb beleefd, maar hoe zwarte mensen het beleven”.

Op deze manier wordt het rare – hoe irritant ook – ineens duidelijk genoeg.

Zie ook Lekker irrationeel, Samenvatting Schaamte en verandering en Iets kleins

vrijdag 14 november 2014

Prikkels


Israël ken ik wel – als toerist – en dat beviel me. Ik ken het land niet als bewoner, en ik vraag me wel eens af hoe me dat zou bevallen.

Die vraag wordt op dit moment getriggerd door herlezing van passages uit het boek van Ari Shavit Mijn beloofde land waarover ik eerder berichtte. Met name de passages naar aanleiding van de Israëlische levensmiddelengigant Strauss prikkelen, door de tintelende intensiteit van de Israëlische samenleving die erin doorklinkt.

Shavit: “Israël is een land dat snel opgewonden raakt en snel op te winden is; de Israëliërs hebben dan ook steeds meer stimulansen nodig. Het Strauss-team begreep dat dit ook geldt voor de smaak van alle etenswaar. Ze realiseerden zich dat de Israëlische hartige hapjes veel zouter moesten zijn dan de Amerikaanse snacks en de zoetwaren veel zoeter dan de Europese. Chocola diende veel chocolade-achtiger te zijn en vanille veel vanille-achtiger. Nuances werden in Israël niet gewaardeerd: alles moest krachtig en extreem zijn en het verhemelte met sterke aroma’s strelen. Zo bevatte de Israëlische Milky tweemaal zoveel slagroom als het Duitse voorbeeld. Maar de Israëliërs willen niet gewoon méér, ze willen ook iets nieuws. Ze zijn heel snel op iets uitgekeken. Om die reden vervangt Strauss zijn producten veel sneller dan zijn Europese zusterbedrijven”.

Dat deze prikkellust niet per se tot platheid en smakeloosheid hoeft te leiden, bewijst de ontwikkeling van de Israëlische danskunst. Die wordt eveneens in grote mate gedreven door basale fysieke prikkels, maar weet tegelijkertijd een hoog niveau van artisticiteit te bereiken. Israëlische dans is niet zozeer op schoonheid gericht, het draait meer om guts: impulsen vanuit het lichaam en blote voeten in plaats van spitzen.

Intuïtie en gevoel, daarop drijft volgens experts de Israëlische dans. De drive van de dansers, de geweldige techniek, de innerlijke noodzaak die uit de choreografieën spreekt – het zijn constanten in Israëls jonge dansgeschiedenis, die maken dat Israëlische dans op dit moment internationaal gezien een succesverhaal is.

De choreograaf Guy Behar verklaart de kracht van deze danstraditie vanuit de maatschappelijke situatie in Israël. “De context waarin we werken is dynamisch, turbulent,” zegt hij. “Je weet nooit wat er gaat gebeuren. Elk moment kan de situatie veranderen. Als je iets te zeggen hebt, dan moet je het nú zeggen. Die innerlijke noodzaak en directheid zie je terug in vrijwel al het werk.”

Ja, die artistieke en communicatieve dynamiek heeft beslist iets prikkelends en dat spreekt me aan. Maar voor hetzelfde geld zou ik het allemaal iets te rauw vinden. Verder betwijfel ik of ik niet te stressgevoelig ben om permanent in een oorlogssituatie te verkeren. Ik denk eigenlijk dat ik dat niet kan. Voor mij geldt eerder wat de voormalige CIDI-voorzitter John Manheim ooit van zichzelf zei: dat zijn zenuwgestel hem niet toeliet in Israël te wonen.

Maar een even groot probleem zou voor mij zijn dat die prikkelende dynamiek van het culturele en economische leven in Israël zo schel afsteekt tegen de lauwheid en onverschilligheid die het merendeel van de Israëlische bevolking vertoont als het gaat om een vredesregeling en de behandeling van de Palestijnen. Een houding die zo perfect, en dus niet toevallig, belichaamd wordt door de volstrekte-niet-danser premier Netanjahoe. Onbegrijpelijk eigenlijk.

Zie ook Meemaken en De gelaagdheid van Ari Shavit