maandag 8 juni 2026

De roman als omweg


Is romankunst per definitie een elitaire aangelegenheid? Naar aanleiding van de opmars van AI is dat een vraag waar tot reflectie geneigde schrijvers de laatste tijd mee worstelen. Want dankzij kunstmatige intelligentie kan iedereen met het grootste gemak teksten schrijven, dus kan iedereen zich dan kunstenaar noemen? Onder anderen Thomas Heerma van Voss breekt zich daarover het hoofd in Trouw en NRC. Hij is geneigd om het maken en beleven van echte kunst in verband te brengen met opofferingen, grote moeite en tegendraadsheid, allemaal zaken waar AI haaks op staat. Moet je dan concluderen dat daarvoor een elite onmisbaar is die zich verre houdt van automatisering?

Uit de teneur van de artikelen van Heerma van Voss begrijp ik dat hij de beleving van kunst gunt aan meer mensen dan alleen een maatschappelijke toplaag. Hij wil niet elitair zijn. Maar elitarisme is niet zijn grootste probleem. Echt zwaar tilt Van Voss aan de lege, nivellerende en voorspelbare producten die AI oplevert. Die doen bij hem “alleen maar het verlangen groeien naar iets dat afwijkt. Kunst waarin bochten worden genomen die niet logisch te verklaren zijn en die ontstaan uit langdurig geploeter. Een registerwisseling waar geen eenduidige logica of structuur in te ontdekken valt. Onverklaarbare rafelranden die voorbij gaan aan elk meetbaar nut of het dominante marktdenken, en die zo de vreemde sensatie teweegbrengen waar boeiende kunst nu eenmaal patent op heeft”.

Als je wilt kun je dat een vorm van elitarisme noemen. Want wie hebben de tijd en het geld voor langdurig geploeter? Voor zowel het schrijven als het lezen van romans moet je tijd en middelen hebben, plus een goede scholing. Schrijver Lize Spit zegt in dat verband: “Literatuur kan zich haar eigen elitarisme niet meer permitteren. Wat literatuur je nu echt kost, is niet het geld van de lezer, maar de tijd van de lezer, en die is zoveel waard geworden, er liggen zoveel alternatieven”. 

Maar, zoals gezegd, elitarisme is niet Van Voss’ grootste probleem. Hij zit meer in zijn maag met de verplatting van literatuur: “...dit alles is toch niet, tja, de bedoeling? Of eigenlijk: voor goede kunst is toch altijd een weg voorhanden, en die kunst moet toch draaien om een zekere onverwachtheid, tegendraadsheid, om iets wat niet uit een door bestaand werk gevormde database voortkomt?” Er bestaat, zegt Van Voss, een diep menselijk verlangen naar zoekende gedachtes en afwijkendheid. “Dat raadselachtige, vaak zo individuele sentiment: dat je via een kunstwerk tijdelijk een ander kan worden en jezelf kan terugzien. De troost die daarin besloten ligt.” En als daarvoor een zeker elitarisme vereist is, dan moet dat maar, zo begrijp ik Van Voss, want zonder dat “vervliegt elk onderscheid tussen simpel en complex werk, tussen hoge en lage cultuur, tussen vluchtig en doorwrocht, tussen kunst die tegemoetkomt en kunst die vervreemdt”. Maar deze formulering van het kernprobleem brengt hem toch weer regelrecht terug naar het elite-probleem. Want, inderdaad, het zullen vaak de mensen zijn die alles al voor elkaar hebben, of misschien zelfs verveeld zijn met alles wat ze hebben, die naar die complexiteit op zoek gaan. Vandaar opnieuw de vertwijfelde vraag van Van Voss: “Of is dit alles van mij ook een elitaire houding?” Het blijft hem dwarszitten.

Ik zou als tegenvraag willen stellen: is voor de beleving van andersheid, die voor Van Voss zo wezenlijk is, per se literatuur nodig? Die vraag komt enerzijds voort uit mijn herkenning van de centrale plaats die Van Voss geeft aan andersheid, de vruchtbare verstoring van mijn universum door de ontmoeting met het universum van een ander. Dit alles resoneert bij mij, omdat mijn favoriete filosoof Levinas spreekt over het ‘verlangen naar de ander’, naar absolute andersheid, naar overstijging van de formele logica, de sensatie van voorrang geven aan wat je niet begrijpt maar je wel beetpakt. 

Maar anderzijds: ik heb mijn leven lang maar weinig gehad met literatuur. Ik ben nooit een groot lezer van romans geweest en moet altijd tot mijn schande bekennen dat ik niets van Reve, Hermans of Mülisch gelezen heb, noch van Cervantes, Tolstoi of Thomas Mann. Ik heb kennelijk romans altijd als onnodig lange omwegen gezien om aan te komen op precies datzelfde punt van de raadselachtige andersheid van “tijdelijk een ander worden” en te stuiten op het verrassende universum van een ander mens.

Ik ben daarom minder somber dan Van Voss over een eventueel verdwijnen van de romankunst. Want als de ervaring van absolute andersheid inderdaad is wat we zoeken, dan is het goed om te weten dat die ervaringen heel eenvoudig kunnen plaatsvinden. Namelijk overal waar mensen gewone dagelijkse interactie met elkaar hebben, in onooglijke activiteiten op het werk, in het huishouden of in de kroeg. Daar kan de ervaring zich voordoen van een ander mens met een totaal eigen universum, dat je nooit had kunnen verzinnen. Die hoeft niet lang en doorwrocht voorbereid te zijn, die kan in zijn overrompelende heftigheid kort, zelfs ultrakort duren. Met als bijvangst dat het probleem van het elitarisme verdwijnt. Verder blijft, voor liefhebbers de lange weg van de literatuur uiteraard beschikbaar.

Zie ook Zelfreflectie door de ander.

Wil je commentaar geven of zien: klik op De roman als omweg en scrol naar beneden door.

1 opmerking:

  1. AI roept veel angsten op o.a. voor de kwestie of AI de basis onder onze creatieve schrijfvruchten teniet doet. En daarmee het bestaansrecht van romanciers. Maar AI moet tot nog toe vooral gevoed worden door wat we er eerst zelf instoppen. Heel origineel en creatief is AI uit zichzelf nog niet gebleken. Ik zou als romanschrijver, die ik overigens niet ben, gewoon rustig verder gaan met schrijven.

    BeantwoordenVerwijderen