maandag 23 maart 2009
Met lege handen
Als Ger Groot zijn bespreking van het boek Nederlandse democratie door J.A.A van Doorn presenteert onder de titel “Kijken, blootleggen, ontleden” raakt hij niet alleen aan de kwaliteiten van Van Doorn. Hij raakt ook aan het beste wat onze samenleving als geheel te bieden heeft: analyse, scherpte, objectiviteit. Omgekeerd weerspiegelt zich in de somberheid die Van Doorns analyses hem opleverden de onmacht van die samenleving die zich geen raad weet met de geïndividualiseerde massamens.
De onwikkeling van het denken van Van Doorn laat zich heel goed vergelijken met de ontwikkeling die onze samenleving de laatste halve eeuw heeft doorgemaakt, zij het dat Van Doorn vaak steeds wat voorlag op de maatschappelijke trends.
In de jaren ’50 was Van Doorn hoopvol gestemd over de ontzuiling en de mogelijkheden van het individu om zich te emanciperen en mondiger te worden. Dat was het optimisme dat in de jaren ’60 vleugels kreeg en de hele samenleving doordrong.
De jaren ’70 stelden Van Doorn teleur: het bevrijde individu bleek in toenemende mate zelfgenoegzaam en vooral consument te zijn. Van Doorn profileerde zich meer en meer als een conservatieve cultuurcriticus. Dit vond maatschappelijk zijn parallel in de jaren ’80 en ’90 toen het in toenemende mate salonfähig werd om jaren-60-taboes en bijbehorende wereldvreemdheid te doorbreken.
Na de eeuwwisseling stelde Van Doorn vast dat de mensen, in hun collectieve streven individu en vooral zichzelf te zijn, meer en meer massamensen zijn geworden. De mondigheid van de burgers heeft het maatschappelijke stelsel niet versterkt maar verzwakt en kwetsbaar gemaakt. Van Doorn waarschuwde dat de democratie daardoor misschien weleens gevaar zou kunnen lopen. Hij werd in die observatie bevestigd door de maatschappelijke en politieke ontregeling als gevolg van het optreden van Fortuyn en de moorden op Fortuyn en Van Gogh.
Van Doorn wist zich, zo stelt Ger Groot, net als vele andere intellectuelen, geen raad met de mondige massamens. Tegelijkertijd ging Van Doorn verder dan veel andere observatoren. Want behalve met de massamens weten die vaak evenmin raad met de terugkeer van religie in de samenleving. Terwijl Van Doorn in een van zijn columns uit zijn laatste jaar juist suggereert dat religie wellicht weer het sociale bindmiddel kan worden dat zij ooit was. Hij denkt daarbij bijvoorbeeld aan de wijze waarop het katholicisme functioneerde voor zijn Limburgse dorpsgenoten, maar ook aan de Islam.
Alleen, zo stelt hij vast, religie wordt tegenwoordig strikt individueel beleefd als iets wat tot de persoon beperkt is. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt verwezen naar anderen of naar een geloofsgemeenschap. Dat baart hem zorgen want zo heb je nog geen bindmiddel.
Wel geeft hij duidelijk aan zichzelf in deze zaken niet als gids te zien. Hij is immers niet uitgerust met een “religieus instinct”. Dat ben ik met hem eens, want ik vind dat hij een beperkt beeld heeft van wat religie is. Als hij zegt dat “een zo strikt persoonlijke beleving van religie haaks staat op alles wat we over religies en religiositeit weten” dan houdt hij geen rekening met de plaats van het individuele, het dwarse, het afwijkende dat in de Joods-Christelijke traditie altijd een plaats heeft gehad. Denk aan Jonas en de andere profeten, maar ook aan Jezus. Denk aan John Locke die benadrukt dat het geloof van binnenuit komt en daarin een argument ziet voor de scheiding van kerk en staat.
Dus de voorstelling dat geloof en gemeenschap vanzelfsprekend bij elkaar horen klopt niet. Er is een transcendente ruimte voor het individu die spanning kan opleveren in de gemeenschap. Maar die ook precies maakt dat een geloofsgemeenschap geen massa is. Zo gemakkelijk laat religie zich dus niet instrumenteel inzetten voor het bevorderen van sociale samenhang. Van Doorns suggestie in die richting is daarom wat gebrekkig.
Los daarvan is die suggestie ook een beetje ongeloofwaardig. Want, behalve dat hij de “intuitie” miste, kan ik me zo voorstellen dat hij een zekere weerzin heeft gehad tegen godsdienstig gedoe. Hij moet zich nooit helemaal lekker gevoeld hebben bij zaken als openbaring, transcendentie, eschatologie en andere mystiek die de religie nu eenmaal inherent aankleven. En daarin is hij weer geheel representatief voor een groot deel van de spraakmakende elite. Die voelt zich tamelijk ongemakkelijk bij religie.
Blijft over: Van Doorn als afstandelijke observator die de teloorgang van religie betreurt en de opkomst van de massamens met zorg beziet. Scherp, analytisch, liberaal, maar uiteindelijk met lege handen. Op excellente wijze exemplarisch voor veel moderne Nederlanders.
Zie ook Bij het afscheid van een columnist.
Labels:
Christendom,
cultuurgeschiedenis,
Islam,
Joodse traditie
Posted by
Naud van der Ven
op
19:56
donderdag 12 maart 2009
Geen ontkomen aan
Ik ben bang dat hij gelijk heeft, Pieter Winsemius. Bij gelegenheid van zijn uitverkiezing tot invloedrijkste duurzame Nederlander zei hij dat het milieuprobleem uiteindelijk een probleem is van sociale samenhang. Natuurlijk moet je windmolens bouwen, zorgen voor schone auto’s en duurzaam bouwen. Maar alleen daarmee red je het niet, zo ontdekte Winsemius, want “een duurzame wereld kan niet bestaan als het onder de mensen in sociaal opzicht rammelt”. Denk hierbij aan mensen die in het geheel geen boodschap meer hebben aan de samenleving. Of aan de sociale leegte die mensen aanzet tot energieverslindende competitie en consumptie. Vandaar dat Winsemius tegenwoordig de wijken in gaat en aandacht vraagt voor de vele outcasts.
Deze opvatting van het probleem maakt de zaak er niet eenvoudiger op. Technische oplossingen voor milieuproblemen bedenken is nog tot daar aan toe. Maar door duurzaamheid te verbinden met sociale samenhang krijg je er nog eens een ander, en wellicht veel lastiger, probleemveld bij van werkeloosheid, verwaarlozing, achterstand. De nummer zeven van de Duurzame Honderd, Diederik Samson, vindt het zorgelijk: "De techniek is er wel, maar intussen blijft de energievraag van mensen maar stijgen". De moed zou je wel eens geheel in de schoenen kunnen zinken.
Gek genoeg doet Winsemius’ constatering me ook goed. Want die komt tegemoet aan mijn intuïtie dat besef van wederzijdse sociale afhankelijkheid wezenlijk is voor alles wat de omvang van een individueel project overstijgt en wat we samen moeten realiseren.
Het stemt ook overeen met de ervaringen die ik heb in mijn eigen werk als kwaliteitsmedewerker bij de gemeente Amsterdam. Qua ernst van de problematiek is mijn werkterrein in de verste verte niet te vergelijken met de problematiek die Winsemius aanroert. Als ik mijn werk erbij haal is het dus alleen maar vanwege de formele parallel die is vast te stellen in de manieren van denken over menselijke samenwerking.
Mijn werk bestaat erin dat ik beschrijvingen maak van werkprocessen in de organisatie, in opdracht van de directeur en de accountant. Nu leidt dat helemaal nergens toe als ik daar de betrokken medewerkers niet in meeneem. Dat wil zeggen, het leidt wel ergens toe, namelijk plaatjes en teksten, maar niemand doet er wat mee. Als ik mensen er wél bij betrek worden het praatplaatjes. Die ondersteunen de communicatie en helpen het energielek te dichten dat ontstaat doordat er geen helder beeld is van een proces.
Nu vinden mijn opdrachtgevers dat helemaal niet nodig. Die zijn al tevreden als er plaatjes en teksten worden opgeleverd. Of iemand er nu wat mee doet of niet, op dat moment is aan de formele vereisten voldaan en is de kous af.
Naar mijn stellige overtuiging levert dat niets op, hooguit vervreemding, vermoeidheid, en veel wollige schijn. Daar ligt een eerste parallel tussen mijn werk en het milieuwerk waar Winsemius het over heeft. Je kunt doelen stellen wat je wilt, heeft hij geconstateerd, maar je zult het sociale weefsel moeten raken om ze meer dan alleen formeel te realiseren. Ik kan plaatjes maken wat ik wil, maar pas als mensen meedoen gaan die plaatjes functioneren.
En omgekeerd ligt er een parallel in de inspiratie die Winsemius opdoet in zijn werk en ik in het mijne. Hij raakt begeesterd als hij verbinding maakt met de sociale werkelijkheid, alsof het uiteindelijk daar vandaan moet komen. En ik krijg energie op de momenten dat ik aansluit bij de thema’s waar de medewerkers in het dagelijkse gedoe het met elkaar over hebben. Want dan pas gaat het ergens over.
Een dergelijke inbedding van procesbeschrijvingen in hun sociale context is niet gebruikelijk. Net zomin als de inbedding door Winsemius van milieuproblemen in hun sociale context gebruikelijk is. Het is integendeel geheel geaccepteerd om dit en andersoortig werk op te vatten als technische kwesties die je bij voorkeur geïsoleerd behandelt. Clean en projectmatig, via planningen, tijdpaden en targets.
Deze wijze van werken weerspiegelt een voorkeur voor afstand, klinisch kijken, en het zoveel mogelijk buitensluiten van sociaal gedoe. Dat zou wel eens de favoriete Westerse methode van managen kunnen zijn. Ik stel me zo voor dat het zogenaamde toezicht op de banken de afgelopen tien jaren op deze volkomen van de werkelijkheid losgezongen manier heeft gefunctioneerd. Opdrachten tot controle werden routinematig verstrekt, uitgevoerd en voltooid en het effect was nul, zonder dat de verantwoordelijken daardoor zeer verontrust werden.
Op die manier kun je net zo goed niets doen. Als werk niet raakt aan het sociale weefsel van de organisatie of de samenleving dan is het gewoon formaliteitenwerk. Dat is vervreemdend en kán daardoor niet werken. We zullen de veilige steriliteit van het werken op afstand moeten prijsgeven en de werkvloer dan wel de wijken moeten opzoeken. Er is geen ontkomen aan.
Zie ook De eerste prijs en Plaatjes maken
Labels:
Amsterdam,
illusies,
kennis,
kredietcrisis,
management,
milieu,
uitvoerend werk,
vakmanschap,
verandering
Posted by
Naud van der Ven
op
15:42
zaterdag 7 maart 2009
Als het denken blind wordt
Waarom nemen zoveel competente managers zo vaak 'stomme' beslissingen? Hoe kunnen foute hersenprocessen goede beslissingen in de weg staan en hoe kunnen leiders oprecht denken dat ze gelijk hebben terwijl dat helemaal niet zo is?
Die vraag werd onlangs gesteld op Managementsite.nl en verklaringen werden onder andere gezocht in de richting van misleidende ervaringen en vooroordelen. Correctie zou wellicht mogelijk zijn door meer en beter nadenken.
Dat lijkt mij niet onaannemelijk, maar tegelijkertijd ook maar de helft van het verhaal. Dat weldenkende managers zo vaak stomme beslissingen nemen heeft namelijk ook te maken met de valkuilen van het denken zélf. Er is een mechanisme in het denken werkzaam dat blikvernauwing en tunnelvisies in de hand werkt. Dat komt doordat het denken - per definitie - werkt met abstraheringen en categoriseringen die de werkelijkheid geweld aan doen.
Het is goed om dat te beseffen. We hoeven dan niet alles wat misgaat aan kwade opzet van het management te wijten en dat kan ruimte scheppen om missers in alle openheid te bespreken. Vergissingen kunnen in sommige gevallen aan de verraderlijkheid van het denken zelf worden toegeschreven, niet per se aan 'fouten' van managers.
Deze constatering roept wel de vraag op of de suggesties die de auteur aanreikt onder het hoofdje “Klankbord” toereikend kunnen zijn. Hij roept managers op open te staan voor andere ideeën, fouten onder ogen te zien en veranderingen te willen zien. Hoe je het ook wendt of keert, dat start allemaal weer bij henzelf: waarop richten zij hun aandacht, wat laten ze in hun denken toe en wat niet. Maar als het denken zo verraderlijk is, dan kan het terugvallen op je eigen denkkracht en oordeelsvermogen maar heel gedeeltelijk het antwoord zijn.
Ik denk – met de filosoof Emmanuel Levinas – dat het maar beperkt mogelijk is om je eigen blinde vlekken te ontdekken. Daar is een externe kracht voor nodig. Het denken voor een ander begeeft zich vaak op dwaalwegen en het is in laatste instantie alleen die ander zelf die jou daarop wijst. Het meeste kun je niet zelf verzinnen.
Dus als de ontsporingen van het denken bij managers maar beperkt verwijtbaar zijn, dan geldt dat wellicht minder voor de overschatting van het autonome denken. Rationaliteit staat in onze cultuur, en zeker in organisaties, hoog aangeschreven. Waarschijnlijk té hoog, gezien de blindheid van het denken die zich links en rechts manifesteert.
Nu is daar ook wel een suggestie voor te bedenken: meer reflectie op wat er gebeurt als de ene mens denkt voor de andere.
Labels:
autonomie,
communicatie,
de ander,
denkgeweld,
denkschaamte,
heteronomie,
illusies,
Levinas,
management,
rationaliteit,
Schaamte en verandering,
verandering
Posted by
Naud van der Ven
op
16:03
zaterdag 28 februari 2009
God en Psyche
Gisterenavond heb ik Herman van Praag gehoord over zijn boek God en Psyche. En vooral ook gezien, want de kaarsrechte tachtigjarige hersenonderzoeker maakte indruk met zijn wendbare mimiek en zijn flitsende ogen die één op één zijn gedachten lijken te volgen. Wat een snel en scherp verstand al niet kan bijdragen aan onze fysieke conditie! Al weet ik natuurlijk niets van de sportscholen die hij mogelijk bezoekt.
Iets professoraals heeft hij ook, waardoor je een zekere afstand voelt. Maar waarschijnlijk stelt die afstand hem weer in staat om bewonderswaardig onafhankelijke posities in te nemen. Bijvoorbeeld ten aanzien van Freuds ideaalbeeld van de volwassen mens die volledig onafhankelijk en autonoom zou moeten zijn. Dat ideaalbeeld was lange tijd onder psychiaters dominant en lijkt nu overheersend te zijn geworden in de hele samenleving. Van Praag gaat tegen de stroom in als hij dat ideaal ter discussie stelt. Volgens hem zijn mensen nu eenmaal fundamenteel van elkaar afhankelijk en is daar ook niets mis mee.
Van Praags kritische geest komt daarnaast tot uitdrukking in zijn behandeling van de zogenaamde achterlijkheid van religie. Onder psychotherapeuten is die negatieve kwalificatie van religie wijdverspreid. Maar Van Praag aarzelt in zijn boek niet om de transcendente werkelijkheid even serieus te nemen als de psychische.
Toch blijft hij voor mij, als historicus, een bèta. Dat blijkt als hij het terrein van het hersenonderzoek en de neurowetenschap verlaat en dat van de geschiedenis betreedt. Ik doel op de stelligheid waarmee hij het Zionisme omarmde, zonder een woord te wijden aan de problematische aspecten die er aan vast zitten. Op zo’n moment neemt Van Praag het streven naar volkomen exactheid, dat in die bètawetenschappen op zijn plaats is en stellig spreken mogelijk maakt, mee naar het terrein van de geschiedenis, waar het misstaat of op zijn minst van kleur zou moeten veranderen.
Zelfs het doel van een – eventueel complexe – psychosociale balans dat hij als psychiater voor zijn cliënten nastreeft, is niet helemaal geschikt als richtsnoer bij de beoordeling van de geschiedenis. Daarvoor gaat het in de werkelijkheid – ook die van Israël – te vaak om duistere materie. Het verlangen naar eenduidigheid of naar het aanbrengen van een prettig evenwicht kan een adequate verantwoording van een complex verleden weleens in de weg staan.
Een serieuze wetenschapper op het vlak van de geschiedenis zal – noodgedwongen – dan ook op andere posities uitkomen dan die van een stellige omarming van het Zionisme. Het is niet voor niets dat de generatie van de Nieuwe Historici in Israël zich gedwongen zag om een nieuw, ontmythogiserend en misschien wel ontluisterend verslag van het ontstaan van de Joodse staat te schrijven. En die historici zijn werkelijk niet allemaal anti-Zionistisch.
Herman van Praag is direct overgestoken van de bètawetenschappen naar de geschiedenis als onderdeel van een metafysisch plan. Hij heeft de geschiedenis als wetenschap, met de weerbarstige en vaak verwarrende menselijke werkelijkheid als onderwerp, overgeslagen. Hij heeft het over geschiedenis als heilsgeschiedenis, niet meer over geschiedenis beoefend als wetenschap.
Nu ís Herman van Praag natuurlijk helemaal geen historicus, dus is hij niet gehouden aan de ernst die daar geboden is. Maar het is wel goed om dat te constateren, zeker bij iemand met een dergelijk wetenschappelijk prestige als Van Praag. Zijn uitspraken over het Zionisme doet hij niet als wetenschapper maar als gelovige, en moeten dus niet als wetenschappelijk gelegitimeerd beschouwd worden.
Mooi meegenomen dat het bedrijven van geschiedenis hierdoor weer eens kan verschijnen als een volwaardig vak op zichzelf.
Zie ook Sociaal geweld en geschiedenis als exacte wetenschap.
Labels:
autonomie,
boeken,
geschiedenis als vak,
heteronomie,
Israël,
New Historians,
rede en ervaring,
wetenschap,
zionisme
Posted by
Naud van der Ven
op
20:57
woensdag 18 februari 2009
Bestemming bereikt
In Trouw sprak Bert Keizer vorige week zijn verbazing uit over de snelheid waarmee de Katholieke kerken vanaf de jaren zestig zijn leeggelopen. Zijn verbazing spitst zich toe op de constatering dat dit juist gebeurde vanaf het moment dat de kerkleiders besloten de kerk een meer humaan gezicht te geven. “Wie het snapt mag het zeggen”.
Dit brengt mij de uitroep in gedachten van een Franse revolutionair die rond 1790 verklaarde dat de Christelijke beschaving zijn doel had bereikt met de instelling van een regime van Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap. Zo bezien is de diepste bestemming van het Christendom een humane samenleving waar redelijkheid heerst en die best geseculariseerd mag zijn, als de Christelijke idealen eenmaal hun belichaming in deugdelijke instituties hebben gevonden. Dat zou een eerste verklaring kunnen zijn voor de afnemende aantrekkingskracht van het Christendom in onze ontwikkelde samenleving. Het heeft zijn bestemming bereikt en zichzelf overbodig gemaakt.
Daarnaast is er nog een andere verklaring mogelijk, en die situeer ik in de Christelijke gerichtheid op waarheid. Het centraal stellen van de waarheidsvraag – metafysische maar ook feitelijke waarheid – brengt mogelijk een soort schraalheid met zich mee die het Christendom op dit moment opbreekt. De centrale plaats van de waarheidsvraag in het Christendom laat zich gemakkelijk vaststellen aan de hand van de opwinding die er ooit geweest is over de ware aard van Jezus – God of mens – of over het spreken van de slang in het paradijs. Er is – voor zover ik weet – geen andere godsdienst waarin de vraag of iets letterlijk zo gebeurd is als het in de heilige boeken staat de gemoederen zozeer kan verhitten.
Dat geldt bijvoorbeeld op dit moment voor de vraag of de wereld nu wel of niet in zes dagen geschapen is. Uit de krant begrijp ik dat Moslims daar wel over discussiëren maar er soepel mee omgaan. Wat als een dag staat aangeduid kan evengoed duizend jaar zijn. Het verhaal van de schepping in zes dagen kan door Moslims gemakkelijk worden uitgelegd als een geleidelijk proces van miljoenen jaren. Voor Joden, ook orthodoxe, is het evenmin een heet hangijzer. Maar onder Christenen is de verdeeldheid over deze kwestie groot. Dat komt niet omdat die Christenen fundamentalistischer zijn. Want fanatieke Moslims of Joden zijn dat net zo zeer of nog meer. Maar hun fundamentalisme heeft een andere kleur dan die van de Christenen. Hun fundamentalisme gaat niet over wel of niet echt gebeurd. Zij zijn fundamentalistisch over opdrachten, het letterlijk nemen van wat je al dan niet moet doen.
Ook op dit vlak, van het zoeken naar waarheid, lijkt het Christendom door zijn eigen succes te worden ingehaald, net als bij het streven naar een humane samenleving. Die gerichtheid namelijk, op de juistheid en betrouwbaarheid van de overgeleverde waarheden, stimuleerde in het Westen kritisch, wetenschappelijk onderzoek. Ook historisch onderzoek, en de uitkomsten daarvan bleken dodelijk te zijn voor die religie waarin zoveel afhangt van de vraag of een bepaalde gebeurtenis nu wel of niet echt gebeurd is.
De Islam kent die kwetsbaarheid veel minder. Ik weet dat uitspraken over het gedrag, de moraal en de manier van leven van de Profeet voor Moslims gevoelig liggen. Maar ik denk niet dat Moslims vreselijk van slag raken als zou blijken dat Mohammed niet echt ten hemel is gevaren maar ergens begraven ligt. De praktijk van geboden en gebeden wordt er niet minder om. En voor de Joodse traditie is het niet zo’n probleem als de Uittocht uit Egypte niet precies zo blijkt te hebben plaatsgevonden als de Bijbel vertelt. Zelfs niet als die helemaal niet zou hebben plaatsgevonden. De opdracht om erover te blijven vertellen blijft recht overeind staan, zelfs als er geen Exodus geweest is.
De twee genoemde verklaringen voor de verdamping van het Christendom zouden wel eens samen kunnen hangen. Gerichtheid op de waarheid ligt dicht bij de gerichtheid op de rede die streeft naar een humane samenleving. Wat die twee gemeen hebben is een moeizame verhouding tot ervaring. Zoals Frank Ankersmit zegt in zijn boek De sublieme historische ervaring: aandacht voor de waarheid en de rede heeft het in het Westen altijd gewonnen van die voor de ervaring. Dat breekt het Christendom op dit moment op. Want gehechtheid aan een traditie komt primair voort uit doorgaande, gemeenschappelijke ervaringen. En die zijn eerder gelegen in het doen van dingen, in het uitvoeren van geboden, dan in het scherp stellen van de rede en de waarheid. Met dat laatste kun je zeker vooruitgang boeken, maar ook jezelf overbodig maken.
(Wetenschappelijk Naschrift: Uit betrouwbare bron heb ik begrepen dat ten aanzien van Mohammed niet gauw een probleem zal optreden: hij is zowel ten hemel gevaren, als - tien jaar na terugkomst op aarde - in Medina begraven.)
Zie ook La trahison des clercs, Lekker irrationeel en Taylor, Levinas en de leegte
Labels:
Christendom,
cultuurgeschiedenis,
Islam,
Joodse traditie,
kennis,
rationaliteit,
rede en ervaring,
wetenschap
Posted by
Naud van der Ven
op
20:42
donderdag 12 februari 2009
Heerlijk
"Heerlijk”, al die Mariabeeldjes uit de Middeleeuwen die in de Amsterdamse bodem worden gevonden. Je komt daardoor dicht bij de gevoelens van geborgenheid die de vroegere Amsterdammers daaraan beleefd moeten hebben. En “prachtig, toch?”, die hoge bordestrappen voor de grachtenhuizen. Van daaraf kon je lekker een beetje neerkijken op het volk dat voorbij kwam.
Prachtig en heerlijk, het waren terugkerende uitroepen van de gids die ons laatst op het afdelingsuitje rondleidde in het Amsterdams Historisch Museum. Wij vonden dat op een gegeven moment een beetje raar worden.
Maar aan de andere kant herken ik het wel, de opwinding die uitgaat van het gevoel even in contact te staan met een heel ander tijdvak dan het onze. Ben ik daarom niet geschiedenis gaan studeren? Was ik niet altijd gefascineerd door het historische stadje Bergen op Zoom waar wij vlakbij woonden?
Gelukkig ben ik nu gelegitimeerd in die belangstelling door een interessant boek. Frank Ankersmit schrijft in De sublieme historische ervaring over momenten waarop je het gevoel hebt in direct contact te staan met het verleden. Hij pleit ervoor die momenten te koesteren omdat ze een tegenwicht bieden tegen het overwicht van theorie in de geschiedschrijving. Existentiële verbondenheid met het verleden hoeft niet achter te blijven bij historische objectiviteit.
Aangemoedigd door Ankersmit vermeerder ik tegenwoordig mijn historische sensaties als ik van het Centraal Station naar het werk loop en terug. Ik stel me de laatste tijd vooral voor hoe ze die hoge huizen uit de drassige bodem hebben opgetrokken. Veel hout gebruiken, behendig timmeren en woekeren met de krappe ruimte die met heipalen gewonnen werd. Bakstenen boten, dat zijn het vaak. En lang niet altijd voorzien van bordestrappen maar van kippetrappetjes of hardstenen touwladders.
Zie ook Burgerpaleizen, Een moeder voor de stad en Historische ervaring
Labels:
Amsterdam,
Ankersmit,
Bergen op Zoom,
cultuurgeschiedenis,
rede en ervaring
Posted by
Naud van der Ven
op
15:38
woensdag 4 februari 2009
Er is tóch vooruitgang
Geweldig wat een mens, die Angela Merkel in haar vermaning aan de paus over de Holocaustontkenning van bischop Williamson! Wie had dat kunnen denken, dat in ons tijdperk van waarden- en waarheidsrelativisme op hoog politiek niveau een punt gemaakt wordt van historische feitelijkheid?
Wat mij betreft is dat drievoudige vooruitgang.
Allereerst is dat vooruitgang ten opzichte van een eerdere ruzie tussen Duitsland en de paus. In de Middeleeuwen twistten de Duitse keizer en de paus om de vraag bij wie van hen het hoogste gezag lag. Ook toen, tijdens de Investituurstrijd, werd er geschermd met de waarheid maar die was vooral van het vage, bovennatuurlijke soort: beide partijen meenden de wil van God te kennen. In wezen was het een ordinaire machtsstrijd.
Nu heb ik niets principieels tegen machtsspelletjes, daar kun je vaak niet omheen. Maar ik vind het wel verwarrend als die gepaard gaan met waarheidsclaims, zeker speculatieve en oncontroleerbare claims. En dat was het geval met de theologische gedachtenconstructies waarmee paus en keizer elkaar bevochten.
Het verschil met de Middeleeuwen is dat er in de huidige interactie tussen Merkel en de paus niets anders aan de orde is dan de sobere, historische waarheid – in ieder geval aan de kant van Merkel. Dat noem ik vooruitgang.
Daarnaast maakt de Bondskanselier met haar opstelling duidelijk dat Duitsland een volwassen democratie is waarin discussie over het eigen verleden niet wordt gemeden. En waar het signaal wordt afgegeven dat de historische feitelijkheid ook in de toekomst geen geweld mag worden aangedaan. Die houding was in West-Duitsland al eerder te constateren maar dat dat ook voor het verenigde Duitsland opgaat is bemoedigend.
Tenslotte is er vooruitgang ten opzichte van ons eigentijdse intellectuele klimaat. Onder invloed van het postmoderne denken zijn we gewend geraakt aan de gedachte dat waarheid relatief is. Er zijn meerdere waarheden, het hangt er maar net vanaf vanuit welk perspectief je de zaken bekijkt. De notie dat sommige feiten onomstotelijk feiten zijn en in het geheel niet afhankelijk van hoe je ernaar kijkt, wil wel eens oplossen in een algehele onverschilligheid voor de waarheid.
Waarheidsscepsis heeft ongetwijfeld iets bevrijdends als het gaat om allerlei metafysische waarheidsclaims. Maar postmodernisten passeren een grens als ze ook feitelijke waarheden non-existent verklaren. De Grote Verhalen zijn misschien ten einde maar er zijn nog altijd dingen die je nooit mag vergeten. Met haar optreden heeft Merkel bijgedragen aan het markeren van dat verschil.
Zie ook Er is tóch vooruitgang(2)
Labels:
antisemitisme,
Christendom,
cultuurgeschiedenis,
denkgeweld,
Sjoa,
wetenschap
Posted by
Naud van der Ven
op
21:29
maandag 26 januari 2009
Iets kleins
De workshop Denken voor een ander onderzoekt wat er gebeurt als de ene mens denkt voor de andere mens, die ander dat niet leuk vindt en de denker zich dan plotseling schaamt. Het is alsof hij een grens van die ander heeft overschreden.Soms, nadat deelnemers aan de workshop twee uur lang intensief gesproken hebben over dat verschijnsel ‘denkschaamte’, dan merken ze op: “Maar het is wel iets heel kleins hè?”
Dat klopt, we hebben het dan gehad over confrontaties van vaak niet langer dan een split second, tussen niet meer dan twee mensen, en vaak ook nog naar aanleiding van iets ogenschijnlijk onbenulligs. De grensoverschrijding die het denken voor een ander met zich mee kan brengen is namelijk op die momenten het heftigste voelbaar. Als de denker aan het gezicht van zijn gesprekspartner ziet: nu ga ik te ver, terwijl ik het zo goed bedoel – dan slaat de denkschaamte indringend toe.
En dat maakt het kleine meteen heel krachtig. Daar gebeurt ook filosofisch gezien iets heel belangrijks: het denken – juist ook het goedbedoelende, euforische denken – maakt kennelijk brokken. En het denken komt daar niet zelf achter, maar heeft kennelijk iets van buiten nodig om zich daarvan bewust te worden. De autonomie waar we zo graag in geloven redt het niet zonder heteronome momenten.
Hoe groot dit thema dan onmiddellijk wordt kan blijken uit de politieke geschiedenis van de twintigste eeuw. Met name de ontwikkelingen binnen de verschillende communistische experimenten geven te denken. Goede bedoelingen kunnen de oorspronkelijke communistische voortrekkers niet ontzegd worden, en denkkracht ook niet. Maar tegelijkertijd is afschuwelijk duidelijk geworden dat het ongecorrigeerde geloof in eigen denkkracht en in de eigen definitie van de wereld monsters baart. Ook al heb je met iedereen het beste voor. Als de corrigerende kracht van dissidenten wordt genegeerd of uitgeschakeld toont het denken zijn gewelddadige kant.
Verwaarlozing van de denkschaamte is dus levensgevaarlijk. Levinas heeft er zijn levenswerk van gemaakt om te wijzen op dat gevaar. Hij benadrukte het gewelddadige karakter van het denken en plaatste de corrigerende kracht van de denkschaamte daartegenover. Voor hem waren het grote van de twintigste-eeuwse politieke verschrikkingen en de ontkenning van het kleine alledaagse verschijnsel denkschaamte regelrecht met elkaar verbonden.
Zie ook Jaap Goudsmit, Voor en tegen schaamte, Gewaagd en Eigenzinnig
Labels:
autonomie,
de ander,
denkgeweld,
denkschaamte,
geweld,
heteronomie,
illusies,
Levinas,
Schaamte en verandering,
totalitarisme
Posted by
Naud van der Ven
op
21:22
vrijdag 16 januari 2009
Bos, Balkenende en Calvijn
Waarom stelt Balkenende zich zo onwrikbaar op in de kwestie Irak? Hij is en blijft vierkant gekeerd tegen een nader onderzoek naar de wijze waarop Nederland zich aansloot bij de oorlog van Bush tegen Saddam Hoessein. Dit in onderscheid tot Wouter Bos die heeft aangegeven de waarde van een dergelijk onderzoek wel in te zien.
Wat maakt dat die twee mannen zich zo verschillend opstellen?
Allereerst is er natuurlijk het gegeven dat Balkenende ten tijde van de Irak-beslissing in de regering zat en Bos in de oppositie. Dat verklaart eigenlijk al genoeg.
Maar er is meer over te zeggen en dat meer heeft te maken met een stijl van denken en optreden. Balkenende houdt ervan pal te staan voor dingen, daadkracht te tonen. Hij is zo iemand die er nog een eer in stelt een ‘jongen van sta-vast’ te zijn.
En ik moet zeggen, er gaat onmiskenbaar een bepaalde kracht uit van een dergelijke stijl. Balkenende laat zich zelden van de wijs brengen, heeft altijd heldere opvattingen over wat er gebeuren moet en ontleent daar de nodige slagkracht aan.
Toch neem ik hem maar half serieus. Want die daadkrachtige stijl kost ook wat. Die bereikt hij door de werkelijkheid – soms ontoelaatbaar – te versimpelen. Dit komt vooral naar voren in zijn omgang met geschiedenis, cultuur en literatuur. De complexiteit van de werkelijkheid die daarin ligt opgestapeld doet hij geen recht. Hij is geneigd daar ideologie van te maken.
Zijn oproep tot het doen herleven van de VOC-mentaliteit is daar een voorbeeld van. Maar ook zijn recente afschildering in Trouw van Calvijn als politieke vernieuwer is simplistisch. In een weerwoord wijst de historicus Slechte erop dat de erfenis van Calvijn te mooi wordt voorgesteld. Binnenkerkelijk heeft hij waarschijnlijk inderdaad bijgedragen aan modernisering en democratisering maar de uitbreiding van die bijdrage naar het politieke vlak is te kort door de bocht.
En in de NRC werd Balkenende betrapt op het naar zijn hand zetten van het boek Karakter van Bordewijk. Door dit boek op te vatten als een pleidooi voor het vermogen om door te zetten (slechts afgaand op de titel?) geeft hij volgens Christiaan Weijts te kennen niets gesnapt te hebben van de roman die daar nu juist een lange neus naar trekt.
Nee, dan heb ik toch liever Wouter Bos. Die vind ik pas echt modern, namelijk in de manier waarop hij twijfel toelaat. Bijvoorbeeld over de koers van een sociaal-democratische partij in deze tijd of over de besluitvorming aangaande Irak. Op het gevaar af dat hij als draaikont wordt weggezet, toont hij wat het betekent om daadwerkelijk kritisch (zelf)onderzoek te doen. En dat dat, waar nodig, best met de vereiste slagkracht gepaard kan gaan, heeft hij laten zien in zijn optreden tijdens de kredietcrisis.
Sommige politieke commentatoren wijzen graag op de gelijksoortige calvinistische achtergrond van Bos en Balkenende. Maar Bos is natuurlijk al lang geen calvinist meer. Dat zou kunnen verklaren waarom zijn moderniteit zo veel prettiger is dan die van Calvijn en Balkenende.
Zie ook Calvinist, Vooruit, vooruit en Kunnen wij het CDA wel missen?
Labels:
Christendom,
cultuurgeschiedenis,
denkgeweld,
illusies,
literatuur
Posted by
Naud van der Ven
op
11:12
vrijdag 9 januari 2009
Te dom
Waarom stopt Israël niet met dat afschuwelijke geweld?
Omdat Hamas raketten blijft afvuren.
Waarom stopt Hamas niet met het afvuren van raketten?
Omdat Israël Gaza op slot houdt.
Waarom houdt Israël Gaza op slot?
Omdat Hamas anders wapens smokkelt om Israël mee aan te vallen.
Waarom stopt Hamas niet met aanvallen op Israël?
Omdat Hamas zich vernederd voelt door het bestaan van Israël.
Ik snap best dat we hier niet uitkomen.
Maar waarom beschermt Israël in Hebron een groep van 500 kolonisten temidden van 170.000 Palestijnen?
En waarom gebruikt Hamas kinderen als menselijk schild?
Of in omgekeerde volgorde.
Dat snap ik echt niet.
Zie ook De man van hoger honing en Stappen
zaterdag 3 januari 2009
Go with the flow
Mag ik die uitdrukking eens heel onorthodox gebruiken?
Want, normaal gebruikt, is er voor die neiging om met de stroom mee te bewegen nauwelijks aansporing nodig. Dat bleek wel tijdens het jarenlange feestje van de banken en andere kredietverstrekkers. Ja, misschien deden bonussen en mistige verpakkingen het nodige werk, maar dat maakte allemaal onderdeel uit van de flow.
Het probleem begint als die flow op de rotsen te pletter loopt. Dan komen er oproepen in de richting van zelfbeheersing. We zouden een stap terug moeten doen en ons moeten spiegelen aan de natuur. Peter Robertson houdt ons in de NRC de wijsheid voor van een appelboom die rijke vrucht kan dragen maar daarna weer een jaar rust neemt. Dat zouden wij ook moeten doen. Maar Robertson acht zelf zo’n oproep niet erg kansrijk want, zo zegt hij, mensen zijn niet geprogrammeerd om succes te wantrouwen. En Arie van der Zwan pleit voor een gekortwiekt kapitalisme, maar hij vraagt zich tegelijkertijd af of daar genoeg dynamiek vanuit kan gaan en of het voldoende adrenaline genereert.
Het probleem met oproepen tot matigheid is kennelijk dat matiging aanvoelt als iets tegennnatuurlijks. Die pleidooien kunnen net zo krachteloos en futiel blijken te zijn als de oproepen van de paus om af te zien van sex voor het huwelijk of om geld als een illusie te beschouwen. En uiteindelijk zal die opgelegde matiging, net zoals veel afvalpogingen, kunnen leiden tot een jojo-effect: zodra de conjunctuur het toelaat gaan alle remmen weer los. Dan is er geen enkel duurzaam resultaat behaald.
Je gaat met zulke oproepen kennelijk te zeer in tegen de flow. Het lijkt wel natuurlijk te zijn voor de mens om zich juist níet aan de begrenzingen van de natuur te houden. Dat geldt voor vrijen, geld verdienen, dingen uitvinden en andere menselijke aangelegenheden. Dat is de mens-eigen, dus mens-natuurlijke flow. Daar moet je niet tegenin willen gaan.
Nu denk ik dat dat ook maar beperkt nodig is, want er blijken ook mens-eigen grenzen aan de groei en de flow te zijn. Die zijn gelegen in de schaamte die we kunnen voelen als we grenzen van anderen overschrijden, zichtbaar door het verdriet en de kwetsuur die zo’n ander op dat moment toont. De dan gevoelde schaamte blijkt ons – meer dan moralistische verhalen over maat en de natuurlijke orde – terug te fluiten en kan ons, ondanks onszelf, een stap terug doen zetten.
Mijn – en Levinas’ – stelling is dat dit verschijnsel zich gewoon voordoet in de werkelijkheid. We hoeven dus geen halsbrekende, als tegennatuurlijk aanvoelende, zelfbeperkende toeren uit te halen om onszelf tot de orde te roepen. Als we oog hebben voor wat we aanrichten bij anderen kan dat als vanzelf gaan. Dat is ook een flow to go with. Maar dan zullen we dit alledaagse verschijnsel wel eerst wat beter moeten leren kennen. Door er over te praten, bijvoorbeeld wanneer het zich voordoet.
Labels:
de ander,
illusies,
kredietcrisis,
Levinas,
Rijnlands en Angelsaksisch,
Schaamte en verandering
Posted by
Naud van der Ven
op
21:41
Abonneren op:
Posts (Atom)
