donderdag 6 november 2014

‘Gematigd’ is een scheldwoord


Wie probeert, temidden van huiveringwekkende verhalen uit het Midden-Oosten en Islam-debatten in eigen land, enige grip te krijgen op het verschijnsel ‘Islam’, kan daar makkelijk moedeloos van worden. De conclusie is namelijk al gauw dat Islam datgene betekent wat je gesprekspartner van dat moment graag wil dat het betekent.

Spreek je met IS-aanhangers, of lees je hun uitspraken in de krant, dan hoor je dat ‘Islam’ betekent: Sharia in zijn strengste vorm, slavernij en de dood voor ongelovigen. Spreek je met poldermoslims, dan hoor je dat ‘Islam’ betekent: vrede. En verder hoor je alle varianten die daar ergens tussenin zitten.

Je krijgt uiteindelijk dus geen vaststaand verhaal, geen eenduidig beeld van deze godsdienstige traditie, maar misschien kan dat ook niet. Waarschijnlijk hebben de mensen gelijk die met Nuweira Youskine zeggen: de Koran is geen Ikea-instructie. Er is niet één invulling van de Islam de juiste, net zoals je verschillende opvattingen hebt over Jodendom en Christendom.

Aan de andere kant, in de beelden die Moslims schetsen van hun traditie zit toch wel een aantal elementen die steeds blijken terug te keren. Daarvan zou je kunnen zeggen: die horen er onlosmakelijk bij. Twee ervan licht ik er hier uit: enerzijds de opvatting dat de Koran de letterlijke tekst van God is en anderzijds dat het woord ‘gematigd’ in brede Islamitische kring een negatieve klank lijkt te hebben.

Volgens de traditie is de Koran woord voor woord en letter voor letter rechtstreeks van Allah afkomstig en door Mohammed vastgelegd zonder enige wijziging of toevoeging. Dat maakt het ondenkbaar voor Moslims dat er meerdere en verschillende versies zouden zijn van één beschreven gebeurtenis, zoals er in het Christendom vier evangelieën zijn of in het Jodendom twee scheppingsverhalen. Het maakt, in Islamitische ogen, de Koran ook superieur ten aanzien van die andere teksten en verklaart waarom de Joodse en Christelijke tradities last hebben van revisies, hervormingen, verflauwing en verdunning van hun eigen leerstellingen. Daar zit ruis op de lijn vanwege de meerduidigheid van hun teksten, en daar is de Koran van gevrijwaard.

De tweede observatie betreft het woord ‘gematigd’. Opvallend vaak hoor ik dat woord, waarvan ik gewend ben dat het in positieve zin gebruikt wordt, door Moslims in negatieve zin gebruikt worden. Bijvoorbeeld in een brief in NRC van Nabeel Siddiqie waarin hij ingaat op de gebruikelijke afwijzing in correcte media van fundamentalisten, extremisten en jihadisten. “Daartegenover”, zegt hij, “worden normale, in mijn ogen echte, moslims weggezet als gematigde moslims. Alsof je gematigd moet zijn in je geloof om de Nederlandse samenleving te kunnen passen. Gezien de definitie van het woord islam, de gedragsregels van de profeet Mohammed en de leerstellingen in de Koran, kan ik niets anders dan concluderen dat ik tot de groep fundamentalisten, extremisten en jihadisten behoor”.

Een ander voorbeeld is de winkelmedewerker Jamal Saïdi uit de Schilderswijk die in Trouw zijn grootste grief als volgt verwoordt: “Ze willen dat iedereen gematigd is”. Of Montasser al De’emeh van de onderzoeksgroep Midden-Oosten van de Universiteit Antwerpen die over de van ronselarij verdachte Fouad Belkacem twittert: “Hij interpreteert zijn godsdienst op een radicale wijze. That’s it!”. Niks bijzonders dus. Tenslotte is er de reactie op mijn blogbericht Alcoholisme en djihad: “Er is maar één islam en dat is de islam zoals vermeld in de koran, hadiths and sirat. Er zijn geen muslims die zich “GEMATIGD” noemen, dit is een uitvinding van de westerse politiek (in?)correcte media en politici. Als er gematigde moslims zouden bestaan dan zou er ook iets te MATIGEN moeten zijn. Wat zou dat moeten zijn?”

Eerlijk gezegd vind ik die negatieve lading van het woord ‘gematigd’ bij Moslims wel problematisch. Als alleen begrippen als ‘zuiverheid’, ‘puurheid’, ‘absolute overgave’ en ‘complete onderwerping’ de oriëntatie van een Moslim mogen aanduiden, wat moet je dan met de bezoedeldheid en compromissen waar een vrije samenleving van aan elkaar hangt?

Zie ook Zijn wij allen fundamentalist? en (On)reinheid

vrijdag 31 oktober 2014

Levinas en Kahneman


De psycholoog Daniel Kahneman was net afgestudeerd toen hij in 1955 als dienstplichtige in het Israëlische leger de opdracht kreeg om voor het hele leger een nieuw interviewsysteem op te zetten. De interviews waren bedoeld om een beeld te krijgen van de rekruten en hen te beoordelen op de vraag of ze geschikt waren voor de officiersopleiding.    

Het bestaande systeem voldeed niet meer, omdat het de interviewers de vrijheid gaf te doen wat ze het meest interessant vonden, namelijk iets te weten te komen over de dynamiek van het geestelijk leven van de geïnterviewde. Én omdat de samenvattende beoordeling van de rekruut door de interviewers bij de uiteindelijke beslissing de doorslag gaf, terwijl er wetenschappelijke aanwijzingen waren dat dergelijke beoordelingen onbetrouwbaar waren.

Kahneman pakte beide bezwaren aan. In plaats van de vrije interviews koos hij voor gestandaardiseerde, feitelijke vragen. En in plaats van interview-samenvattingen koos hij voor statistische samenvattingen van afzonderlijk beoordeelde kenmerken van de rekruut. De uiteindelijke score voor geschiktheid voor gevechtstaken zou aan de hand van een standaardformule berekend worden, zonder verdere inmenging van de interviewers.    

In zijn boek Ons feilbare denken verantwoordt Kahneman zijn keuzes als volgt. “Door me te richten op gestandaardiseerde, feitelijke vragen hoopte ik het halo-effect te bestrijden, waarbij gunstige eerste indrukken van invloed zijn op latere oordelen. Ik vertelde de interviewers dat ze zich niet druk hoefden te maken over de toekomstige aanpassing van de rekruut aan het leven in krijgsdienst. Hun enige taak was de relevante feiten over hun verleden op tafel te krijgen en die informatie te gebruiken om elke persoonlijkheidsdimensie te scoren. ‘Het is jullie taak om betrouwbare gegevens aan te leveren’, hield ik hun voor. ‘Laat de voorspellende validiteit maar aan mij over’, waarbij ik doelde op de formule die ik zou opstellen om hun specifieke scores te combineren”.

Dan vervolgt hij: “Onder de interviewers brak bijna een opstand uit. Deze intelligente jonge mensen konden het moeilijk accepteren dat ze van iemand die nauwelijks ouder was dan zijzelf de opdracht kregen om hun intuïtie uit te schakelen en zich volledig te concentreren op saaie feitelijke vragen. Eén van hen protesteerde met de opmerking: ‘U maakt robots van ons!’ Daarom kwam ik met een compromis. ‘Als jullie het interview precies zo afnemen als ik gezegd heb, zal ik daarna aan jullie wens tegemoetkomen: doe dan je ogen dicht, probeer je de rekruut als soldaat voor te stellen en geef hem een score op een schaal van 1 tot 5.”    

De nieuwe interviewprocedure bleek een aanmerkelijke verbetering ten opzichte van de oude. De som van de zes beoordelingen voorspelde de prestaties van de soldaten veel nauwkeuriger dan de samenvattende beoordelingen van de eerdere interviewmethode, hoewel nog verre van volmaakt. Ze waren gevorderd, aldus Kahneman, van ‘volstrekt nutteloos’ tot ‘enigszins nuttig’.    

Tegelijkertijd stelde Kahneman vast, tot zijn verrassing, dat het intuïtieve oordeel dat de interviewers zich vormden op het moment van de gesloten ogen, ook heel goed voldeed, zelfs net zo goed als de som van de zes specifieke scores. Hij vertelt: “Een algemene les die ik aan deze episode ontleende, was dat je intuïtieve oordelen niet zomaar moet vertrouwen – noch van jezelf noch van anderen – maar dat je ze ook niet zonder meer mag verwerpen.”    

De vraag die ik mezelf stel bij dit verhaal van Kahneman is: fungeert de geblinddoekte intuïtie nu als een zoethoudertje? Gelooft hij daar eigenlijk niet in? Moeten de medewerkers maar accepteren dat er met formules gewerkt wordt en dat ze hun creatieve betrokkenheid niet kunnen ontplooien?      

Inderdaad: Kahneman is sceptisch. Hij is van mening dat we over het algemeen onze eigen intuïtieve vaardigheden en expertise en mensenkennis schromelijk overschatten. En dat daarom algoritmen en op formule gebrachte nuchtere waarnemingen en metingen de voorkeur verdienen. Of het nu gaat om de beoordeling van rekruten, de voorspelling van wijnprijzen of de taxatie van een schilderij.      

Een dergelijke opvatting roept gauw de weerstand op van het soort dat we hierboven al tegenkwamen: ‘wij worden tot robots gemaakt!’ Wat blijft dan over van onze hoogstpersoonlijke individualiteit en creativiteit? Verwordt ons leven dan niet tot een saai en onpersoonlijk gebeuren?      

Ik snap de weerstand, maar ik heb toch de neiging om Kahnemans visie te delen. Daarvoor ben ik genoeg gedrenkt in de scepsis die ook Levinas ten toon spreidt als het gaat om de euforie van het hoogstpersoonlijke denken dat erg met zichzelf ingenomen is maar aan de lopende band illusies produceert. Hoe zeer de ophemeling van het creatieve individu ook past in de romantische samenleving die we nog steeds zijn, de scepsis daartegenover van Levinas en Kahneman is wat mij betreft wel op zijn plaats. Kahneman mag van mij zijn zoethoudertje dus wel gebruiken, want veel van de zelfingenomen euforie kan een mens goed missen.    

Wat een mens níet kan missen is een andere soort smeuïgheid. Namelijk die van de echte ontmoeting met een ander mens of andere mensen. Ik denk zelfs dat vervulling van dat verlangen een hoop overdreven op individualiteit gerichte aandacht in onze samenleving overbodig kan maken. Op het punt van dat tekort laat Kahneman je, afgezien van het zoethoudertje, met lege handen achter. Want hij spreekt nauwelijks over zulke ontmoetingen tussen mensen.    

Levinas des te meer.

Zie ook Levinas en empathie

vrijdag 24 oktober 2014

Acceptabel cynisme


Rosanne Hertzberger sloeg een beetje door toen ze onlangs deze stellige uitspraak deed: “Het is allemaal opportunisme. Er is geen rechtvaardigheid”. Dit naar aanleiding van de vele gewelddadige toestanden in de wereld, en de neiging van veel mensen om die bruutheid te ontkennen of te vergeten.

De afstand tot puur cynisme is met een dergelijke categorische uitspraak wel erg klein geworden, en het antwoord op de vraag waarom je je überhaupt om iets anders zou bekommeren dan je eigen belang kan nog slechts luiden: niet doen, want alleen het lot en het recht van de sterkste gelden.

Zo heeft Hertzberger het waarschijnlijk niet bedoeld, want ze eindigt met de vaststelling dat we ons wél bekommeren om wat dichtbij is: de directe omgeving, het eigen land, misschien zelfs West-Europa. En dat zou toch niet het geval zijn als daar niet een basale vorm van vertrouwen en rechtvaardigheid was georganiseerd. Dankzij functionerende rechtssystemen, democratie en goede belangenvertegenwoordiging.

Hertzbergers cynisme begint in mijn interpretatie dus bij de scheve verdeling van geweld en welvaart op globaal niveau. Daar lukken dingen niet, zegt ze, en het is utopische luchtfietserij om te denken dat je aan díe onrechtvaardigheid vanuit het Westen iets kunt doen.

Dat klinkt nog cynisch genoeg, maar ik ben wel geneigd haar daarin bij te vallen. Want de bedwinging van onze eigen chaos is al moeilijk genoeg. Dat heeft ons eeuwen van denkwerk en inspanning gekost, en we onderschatten, vanuit de gewenning aan onze orde, hoe gemakkelijk nieuwe chaos daarop inbreekt.

Om die reden stem ik ook in met een andere nuchtere stem, namelijk die van Rob de Wijk. Die schreef vorige week in Trouw het volgende: “Het is tijd voor een fundamentele discussie over hoe we met de chaos rond, en nu ook in, Europa omgaan. Indamming en rode lijnen zijn de sleutelwoorden. Het is helaas onvermijdelijk dat het Westen zijn eigen veiligheid en belangen voorop stelt en minder door een humanitaire bril naar deze conflicten kijkt”. Dat zal lastig zijn, aldus De Wijk, “want politiek en burger zitten nog vast in het oude stramien van een betweterig en oppermachtig Westen dat zich vooral om humaniteit wil bekommeren”.

We moeten dus afstand doen van veel omvattende idealen. Maar voor wat we overeind willen houden – een geordende samenleving met oog voor basale menselijke waarden – is nog meer dan genoeg idealisme en inzet vereist.

Zie ook Weerzin tegen het Westen, Wereldorde en Onze Grondwet

woensdag 22 oktober 2014

ICT en oud denken


Van de elf aanbevelingen die de voorzitter van het Parlementair onderzoek naar ICT bij de overheid, Ton Elias, onlangs presenteerde, lijkt er mij maar één te zijn die echt hout snijdt. Dat is het advies om ICT vast onderdeel te maken van de interne opleiding van alle Rijksambtenaren.

De andere komen voort uit het oude denken dat de problemen juist veroorzaakt. Ze vertonen dezelfde manco’s als die ze moeten bestrijden. Bijvoorbeeld de creatie van een “Toetsingsbureau voor ICT” dat vooraf en gedurende de looptijd van ieder project verplichte toetsingen moet gaan uitvoeren. Deze bureaucratische oplossing, die trouwens in allerlei varianten op diverse plekken al uitgeprobeerd en mislukt is, zal met de bijbehorende procedures en stempels de wendbaarheid en slagkracht van automatiseringsprojecten verder ondermijnen. De voorspelbare reacties van management op zo’n nieuwe hindermacht zijn ook al lang en breed bekend en vertrouwd: territoriumafbakening, afdelingenstrijd en het afserveren van de nieuwe specialisten en pottenkijkers als nerds.

Een paar andere aanbevelingen gaan over het juridisch steviger dichttimmeren van contracten en controle-momenten. Ook dat lijkt mij niet direct een goede vervanging te zijn voor inhoudelijke betrokkenheid bij het automatiseringswerk zelf. Het levert vooral werk op voor advocaten en andere juristen.

Het basisprobleem wordt in het rapport van Elias c.s. dus, behalve in die ene aanbeveling, niet geadresseerd. Dat probleem is namelijk gelegen in het onvermogen van gevestigd management – trouwens niet alléén bij de overheid – om interacties op de werkvloer, met de bijbehorende processen en informatiestromen, te zien als de primaire plaats waar toegevoegde waarde voor de organisatie wordt gecreëerd. En om zorg voor die interacties dus te beschouwen als core-business voor hoger management.

In de plaats daarvan bezien veel managers dat hele gebied met een zeker dédain, en geven het uit handen aan anderen. Zelf houden ze zich liever alleen bezig met beleid en strategie. Zolang managers, net als Kamervoorzitter Van Miltenburg, ermee koketteren dat ze het hele gebied niet kennen, is er weinig hoop.

Zie ook Amsterdam en ICT, Donkere hokjes en Is veranderen uit?

donderdag 16 oktober 2014

IS geeft betekenis aan 4 en 5 mei


Jacques Wallage presenteerde onlangs suggesties van het Nationaal Comité 4 en 5 mei voor de viering van die herdenkingsdagen in de toekomst. De suggesties staan in een ‘visiedocument’ van het comité waarvan Wallage vicevoorzitter is. Wat me opvalt, is dat dit in het voorjaar opgestelde document al bij het verschijnen ervan enigszins gedateerd aandoet, vanwege recente geopolitieke ontwikkelingen.

Althans, gedeeltelijk. Want het stuk bevat onomstotelijk belangrijke observaties en voorstellen. Zoals aandacht voor het isolement waarin Joden en Indische Nederlanders tijdens de oorlog verkeerden, voor de kille ontvangst die zij na 1945 in Nederland kregen en voor het verschil tussen herdenking en verzoening.

De notie van gedateerdheid komt in me op door de opmerkingen van het comité over het gevaar dat verwijzingen naar het belang van vrijheid gemakkelijk sleets en betekenisloos worden. De huidige invulling van 5-mei-bijeenkomsten is volgens het document “niet erg overtuigend” en ambassadeurs van de vrede dreigen te verworden tot “een cliché”.

Ik snap wat het comité bedoelt, en ik heb mezelf de afgelopen jaren ook wel eens afgevraagd hoe lang die herdenkingen in het vreedzame Nederland betekenisvol kunnen blijven en niet verworden tot geforceerde en holle rituelen.

Maar sinds deze zomer heb ik díe zorg in ieder geval niet meer. IS laadt, geholpen door onze journaals en kranten, het begrip vrijheid opnieuw met een dwingende betekenis. Het beschouwen van de beelden uit dat deel van de wereld prent mij op dagelijkse basis in, en naar ik aanneem anderen ook, hoeveel wij te verliezen hebben op het vlak van vrijheid en vrede.

Die opnieuw verworven betekenis is daarom zo krachtig, denk ik, omdat daarin de strevingen en gevoelens van goedwillende Nederlanders vanzelfsprekend op één lijn komen te liggen. Of ze nu autochtoon, Moslim, Jood of wat anders zijn, die Nederlanders delen met elkaar al gauw de overtuiging dat we dát kwaad zullen bestrijden.

Maar dat betekent dat nog een ander deel van het stuk direct gedateerd aandoet. Namelijk dat deel waarin het gaat over “vredesmissies” uit het verleden en in de toekomst, waarvan de gesneuvelden moeten worden blijven herdacht. Terwijl we op dit moment met onze straaljagers verzeild zijn geraakt in wat je toch niet anders dan een ‘oorlogsmissie’ kunt noemen. Ook al organiseren we het vooralsnog zo dat daar aan onze kant geen slachtoffers hoeven te vallen.

Maar het woord oorlogsmissie zat een paar maanden geleden nog niet in ons vocabulaire.

Zie ook Alles is besmet en Zitten slapen

donderdag 9 oktober 2014

Roofloof


Eigenlijk ga ik ieder jaar direct na de morele reiniging van Jom Kipoer alweer in de fout. Dat komt door het opzetten van de loofhut.

Ooit probeerde ik dat wel netjes te doen. Ik wist dat je niet zo maar in het wilde weg takken van bomen mag afknippen, maar ik had ze nodig om de hut mee af te dekken. Dus belde ik de gemeente met de vraag of ze misschien wat snoeiafval hadden en of ik daar wat van zou kunnen gebruiken. Ja hoor, dat was geen enkel probleem, ze zouden het bij me afleveren.

Dat heb ik geweten. Het loof was van lijsterbessen en wilgen en ander gewas dat zich niet zo goed leent voor een soeka. Maar het ergste was dat, toen de hut eenmaal afgedekt was, ik nog een karrevracht takken over had. Het kostte me drie ritjes naar de vuilstort om dat weg te werken.

Daarom doe ik het sindsdien op een andere manier. Tegen de schemering, als er wat minder mensen op straat zijn, loop ik de prachtige rij iepen langs bij ons in de straat. Met een snelle beweging knip ik laaghangende takken eruit. Veel heb ik niet nodig, want iepenloof vult goed. Maar ja, het mag niet.

Zie ook Hutten en Seculiere varianten

vrijdag 3 oktober 2014

Zitten slapen


Nederland is verrast en overdonderd, nu blijkt dat terrorisme dichterbij is dan we dachten. Militairen kunnen beter niet meer in uniform over straat gaan en de overheid roept mensen op om meer dan gemiddeld waakzaam te zijn in de openbare ruimte. Het is geen paniek, dat wil ook niemand, maar we zijn toch wel geschrokken.

Hebben we dan zitten slapen? Hebben we decennia lang een tegen het Westen gerichte dreiging niet willen zien, behalve op plaatsen waar je er niet omheen kon zoals in Israël of Talibaans Afghanistan?

Daar zit wel wat in en menig commentator laat zich in die richting uit.

Zo bijvoorbeeld Peter Knoope van het Nederlands Centrum voor Terrorismebestrijding, die tot voor kort geloofde dat de Arabische lente een seculiere omslag zou veroorzaken in de Arabische wereld. En voormalig gijzelaar Arjan Erkel, die meent dat het gevaar wordt gebagatelliseerd. Kenneth Roth, de directeur van Human Rights Watch, beseft nu, zo vertelt  hij, het beperkte nut van mensenrechtenstrategieën wanneer je met een groep als IS te maken hebt. En Henk Hofland zegt erover: “Het gaat hier in de eerste plaats om de totale verrassing die IS het Westen bereid heeft. De meesten van onze leiders beseften nauwelijks dat er zo’n organisatie bestaat, laat staan dat ze de gevaren kunnen overzien. Het succes van IS wordt ook veroorzaakt door onze naïviteit en achteloosheid”.

Je kunt je afvragen of ze met deze uitspraken ook de hand in eigen boezem steken, want serieuze verwijzingen naar Islam-gerelateerde gevaren heb ik van die commentatoren nooit gehoord. Behalve van Erkel, maar die had er als gijzelaar dan ook persoonlijk mee kennisgemaakt.

Wat betekent dat? Zijn we hier, inclusief onze scherpzinnige commentatoren, verdoofd geweest door onze links-progressieve roes? Deden wij teveel aan wishful thinking, dat ons blind maakte voor de omvangrijke wrede variant van de Islam? En ook: had Geert Wilders dan gelijk? Is dit zijn uur van de waarheid?

In zekere zin wel. De meeste van die vragen kun je bevestigend beantwoorden. En Wilders heeft in ieder geval niet zitten slapen en een aantal dingen bij de naam genoemd.

Maar ik wil benadrukken dat hij in laatste instantie beslist óngelijk had en heeft, en wel om twee redenen. De eerste reden is dat hij bij voorbaat een humane Islam uitsluit. Dat is even dom en kortzichtig als de vergoelijkende houding van Islamknuffelaars die nooit iets kwaads kunnen zien in de Islam.

De tweede reden is dat onze kortzichtigheid en ons vertrouwen ons ook wat opgeleverd hebben. Ik denk dat ieder jaar dat je in redelijke harmonie met elkaar in de multiculturele samenleving doorbrengt winst is. En als dat dankzij onze kortzichtigheid tien jaar lang het geval is geweest profiteren we daar nu wel van. Het is niet voor niets dat op dit moment in de media ook de stemmen kunnen doorklinken van Turken en Marokkanen die vijf jaar geleden nog radicaal en djihadistisch waren en nu een front willen vormen tegen de terroristen.

Als in die sfeer van integratie en tolerantie al tien jaar geleden, zoals de wakkere Wilders wilde, de beuk was gezet, waren we nu verder van huis geweest. Onze idealistische verdoving heeft ons dus zeker iets gebracht.

Het alternatief voor zitten slapen is daarom niet: de beuk erin à la Wilders. Maar, terwijl je probeert een pluralistische samenleving draaiende te houden, realistisch zijn en vooral de dingen bij de naam noemen. Zeg maar: de gecombineerde lijnen Aboutaleb/Van der Laan.

Zie ook Alles is besmet en Joods-Christelijk

vrijdag 26 september 2014

Weerzin tegen het Westen


Een gemeenschappelijke factor in veel van de huidige wereldbranden is de weerzin van een aantal van de strijdende partijen tegen het Westen. Of het nu gaat om IS in het Midden-Oosten, de Russen in Oekraïne, of Boko Haram in Afrika, ze zijn alle vervuld van een diep wantrouwen, zo niet haat tegen het Westen. Evenals hun geestverwanten in ons eigen Nederland. En volgens Abdou Bouzerda is de buitenproportionele aandacht voor het Palestijns-Israëlische conflict daar ook op terug te voeren.

Wat moet je daarmee?

Je kunt erin meegaan want, zeg je dan, er zit wel iets in. We hebben als Westen gewoon te lang de baas gespeeld. De zekerheid waarmee het Westen ooit voor de hele wereld meende te kunnen beslissen over goed en slecht, is danig in het ongerede geraakt. Schuldgevoel over datzelfde kolonialisme is beter op zijn plaats, het is nu aan het Westen om te zwijgen.

Dit klinkt wat mij betreft wel erg gedateerd schuldbewust, naar illusies over onpartijdig pacifisme, of naar het geloof in bovenpartijdigheid. Alsof je zélf geen eigen standpunt hebt of zelf niets te verdedigen hebt. De hernieuwde aandacht voor defensie toont naar mijn idee goed aan dat we in het Westen wel degelijk iets te verdedigen hebben.

Een andere mogelijke reactie op de weerzin tegen het Westen is om ertegen in te gaan want, zo ben je van mening, veel van onze waarden zoals mensenrechten en democratie zijn eigenlijk universeel. “Eigenlijk” zouden alle volken dat willen, ook al beseffen ze dat nog niet. We moeten de universele geldigheid daarvan dus blijven uitdragen. Een beetje zoals Erik Borgman onlangs deed in een bijdrage over godsdienstvrijheid waarin hij uitriep dat godsdienstvrijheid in iedere grondwet thuis hoort.

Een probleem voor aanhangers van deze tweede optie is dat de weerzin tegen het Westen veel groeperingen en volken allergisch maakt voor dat soort boodschappen. Een veel gehoorde Westerse oplossing daarvoor is dat we die waarden dan niet Westers noemen, maar universeel. Het gevaar van deze tactische houding is dat die (begrijpelijkerwijs) de weerzin versterkt. Immers, zelfs als het zo is dat die waarden universeel zijn, dan nóg willen mensen dat zelf ontdekken. Zij willen die waarden niet aangereikt krijgen van voormalige imperialisten.

Je kunt ook, met burgemeester Van der Laan in zijn Abel Herzberglezing, kiezen voor een derde optie en zeggen: misschien bestaan er wel meerdere morele kompassen naast elkaar. “We leven met verschillende morele kompassen, in een wereld vol brandhaarden. We zullen elkaars morele kompas moeten leren kennen, en erkennen dat dat kompas vaak voortkomt uit leed. Er is geen ‘patent’ in de wereld van het leed”, aldus Van der Laan.

Deze derde optie lijkt op de eerste, met dit verschil dat Van der Laan dit standpunt koppelt aan grote alertheid en bereidheid tot daadwerkelijk fysiek ingrijpen. Dat vind ik ook wel het mooie van de positie van de burgermeester: zijn criteria voor al of niet ingrijpen zijn van zeer praktische aard. Hij kijkt naar gedrag van mensen en reduceert daarmee een ingewikkelde ideologische discussie tot een, in ieder geval voor zijn eigen gevoel, goed uit te voeren beoordeling van gedrag. Zaait iemand haat, roept iemand op tot geweld, gebruíkt iemand geweld? Dan is dat een  grensoverschrijding en zal er geen millimeter tolerantie zijn. Wij zullen handhaven!

Wat mij aanspreekt is dat Van der Laan daadwerkelijk afrekent met het altijd zo pretentieuze universalisme. Dat doet de eerste optie niet omdat die, naar een uitspraak van Alain Finkielkraut, gevangen blijft in de adoratie van de ander, of van alle anderen en van daaruit in een soort steriele bovenpartijdigheid. De tweede optie doet dat evident niet, omdat die juist gelooft in de universele geldigheid van bepaalde waarden.

De optie Van der Laan rekent af met het universalisme omdat het handelingsperspectief dat eraan vastzit wezenlijk plaatsgebonden is. Het is namelijk van kracht tot aan de gemeentegrenzen van Amsterdam, of in het geval van de aanwezigheid van meer geestverwante burgemeesters, tot aan de landsgrenzen. Daarbinnen geldt het kompas van Van der Laan, met zijn eigen criteria voor ontoelaatbaarheid, daarbuiten niet.

Dat kan een geruststelling zijn voor die Moslims, van wie het kompas - om maar wat te noemen - vrouwelijk wapperend haar als absoluut ontoelaatbaar aanmerkt. Op andere plaatsen dan Amsterdam of Nederland, bijvoorbeeld in Saoedi-Arabië of Iran, zal men daar, geheel volgens de optie Van der Laan, dan inderdaad tegen kunnen optreden. Daar kunnen zij aan hun trekken komen.

En voor mij is het een geruststelling omdat het plaatselijke Amsterdamse kompas, met de bovengenoemde ontoelaatbaarheidscriteria van Van der Laan, gelukkig ook het mijne is.

Zie ook Welk geweld heb je liever? en Het heroïsche kosmopolitische individu

donderdag 18 september 2014

Israël en het ABP


Raar van het ABP om het over Gaza te hebben. Het pensioenfonds evalueert zijn beleggingen in Israëlische banken en doet dat naar eigen zeggen op basis van internationale wet- en regelgeving en de UN Global Compact. Een bericht op de ABP-site meldt dat de evaluatie op dit moment niet leidt tot terugtrekking uit de beleggingen. Het bericht voegt daaraan toe dat het ABP begrip heeft “voor alle onrust en emotie die het conflict in Gaza oproept”.

Ik vind dat raar, want als het gaat om het morele gehalte van Israël lijkt mij het Israëlische  optreden op de Westbank van veel groter belang.

In Gaza is het maar zeer de vraag of Israël over de schreef is gegaan, en zo ja, of niet beide partijen over de schreef zijn gegaan. Israël voerde daar een verdedigingsoorlog tegen raketten die zijn burgers troffen, en naar gaandeweg bleek, ook tegen tunnels die nog heel gevaarlijk hadden kunnen worden.

Je kunt vraagtekens plaatsen bij de grote aantallen slachtoffers die Israël maakte in Gaza. Maar experts betwijfelen of je zo’n oorlog op een andere manier kunt voeren, gegeven de bevolkingsdichtheid in Gaza en de tactieken van Hamas. Het moet, ter vergelijking, nog blijken hoe chirurgisch de luchtaanvallen van de Amerikanen op IS zullen uitpakken. Daar gaan ongetwijfeld onschuldige burgers het slachtoffer van worden, al zullen er minder cameraploegen zijn dan in Gaza om hen in beeld te brengen.

Voor de Israëlische kolonisering van de Westbank daarentegen bestaat geen enkel excuus. Het gaat daar niet om zelfverdediging, maar om ideologisch gedreven landjepik, dat uiteindelijk moet leiden tot annexatie. Er is daar sprake van kille machtspolitiek à la Poetin en het creëren van  facts on the ground, zonder enige morele rechtvaardiging.

Dus als het het ABP te doen is om meer dan de emotionele ophef over een altijd ellendige oorlog, en als een serieuze beoordeling van het internationaal rechtelijke fatsoen en morele gehalte van Israël aan de orde is, dan had het pensioenfonds veel beter kunnen verwijzen naar de Israëlische acties op de Westbank.

Zie ook De man van hoger honing en Het nieuwe Midden-Oosten

vrijdag 12 september 2014

Donkere hokjes


Ik ben geen Arthur Gotlieb. Maar ik had wel onlangs een afspraak van acht minuten met de gemeentesecretaris om mijn zorgen te uiten over bepaalde aspecten van de bedrijfsvoering van de gemeente Amsterdam.

Die zorgen betreffen de verwaarlozing van de basale processen binnen de gemeente. Zoals de wijze van vergunningverstrekking, de onderlinge afstemming van afdelingen, en de inrichting van het gemeentelijke financiële systeem.

De gemeentesecretaris had niet veel zin in dit onderwerp. Want je hebt het hier over werkprocesverheldering, en tientallen jaren lang werd dat gedaan door eenzame procesbeschrijvers in donkere hokjes, en daar heeft niemand wat mee. Daarna kwam een fase dat men begreep dat overleg over de processen met betrokkenen van groot belang is, maar dat leidde in een aantal gevallen tot oeverloos gepolder zonder heldere vastleggingen, en daar was de gemeentesecretaris inmiddels ook allergisch voor geworden. Logisch.

Wat door die pendelbeweging tussen extremen uit beeld verdwijnt is dat er een heel geloofwaardige tussenpositie is. Namelijk die waarbij je wel structureel de betrokkenen betrekt bij het gesprek over hun processen, maar ervoor zorgt dat die gesprekken zakelijk en efficiënt verlopen doordat je de zaak goed structureert.

De frequentie van die gesprekken kan afgestemd worden op de mate waarin je iets nieuws aan het ontwikkelen bent, maar wel zodanig dat daarna, als daar aanleiding toe is, het gesprek onmiddellijk geactiveerd kan worden. Maar dat leek de gemeentesecretaris, vanuit de recent opgebouwde allergie voor het polderen, iets te ver gaan. En ook vanwege de momenteel overladen gemeentelijke agenda natuurlijk.

Maar, zei ik in de achtste minuut, zonder die nadruk op het gesprek met betrokkenen zit je weer gauw in het donkere-hokjes-werk. Dan zul je later gedwongen zijn om de pendelbeweging naar het andere extreem nog een keer te herhalen. Dat zou wel meevallen, dacht de gemeentesecretaris.

Zie ook Amsterdam en ICT en Soorten overleg

vrijdag 5 september 2014

Antisemitisme


Isis-aanhangers in de Schilderswijk schreeuwen antisemitische leuzen.

Rabbijn Jacobs krijgt een baksteen door zijn ruit.

Een voorbeeldige allochtoon in overheidsdienst vertoont karikaturaal antisemitisch complotdenken.

Raar genoeg voel ik me wat antisemitisme betreft iets rustiger dan jaren het geval was. Want wat er altijd al was, was het vermoeden van antisemitisme. Dat vermoeden werd regelmatig geactiveerd doordat vanonder een schijnbaar rimpelloos oppervlak zomaar ineens een anti-Joodse of anti-Israëlische opmerking gemaakt kon worden. En vooral de gretigheid waarmee sommige mensen dat deden – in navolging van Abram de Swaan, ook al had hij het juist over anti-Israëlisme, treffend aan te duiden als enthousiasme – dat maakte mij onrustig.

Na het oppoppen van zo’n opmerking sloot het oppervlak zich weer en leek er opnieuw weinig aan de hand. Maar mijn onrust was gewekt. Waarom popte daar, vaak naar aanleiding van iets kleins, zomaar ineens dat anti-Joodse op, en vooral: waarom zo gretig? Dat suggereerde een verborgen, diepgaande vanzelfsprekendheid: Joden deugen niet, of ze zich nu wel of niet gedragen.

Met name de verborgenheid van die stemming, terwijl je weet dat hij onderhuids aanwezig is, veroorzaakt onrust. Dan heb ik liever dat dat voor iedereen zichtbaar wordt. Misschien dat ik me daardoor wat rustiger voel.

Zie ook Antizionisme en antisemitisme en Hoe naïef is Levinas eigenlijk?