maandag 26 januari 2009

Iets kleins


De workshop Denken voor een ander onderzoekt wat er gebeurt als de ene mens denkt voor de andere mens, die ander dat niet leuk vindt en de denker zich dan plotseling schaamt. Het is alsof hij een grens van die ander heeft overschreden.

Soms, nadat deelnemers aan de workshop twee uur lang intensief gesproken hebben over dat verschijnsel ‘denkschaamte’, dan merken ze op: “Maar het is wel iets heel kleins hè?”

Dat klopt, we hebben het dan gehad over confrontaties van vaak niet langer dan een split second, tussen niet meer dan twee mensen, en vaak ook nog naar aanleiding van iets ogenschijnlijk onbenulligs. De grensoverschrijding die het denken voor een ander met zich mee kan brengen is namelijk op die momenten het heftigste voelbaar. Als de denker aan het gezicht van zijn gesprekspartner ziet: nu ga ik te ver, terwijl ik het zo goed bedoel – dan slaat de denkschaamte indringend toe.

En dat maakt het kleine meteen heel krachtig. Daar gebeurt ook filosofisch gezien iets heel belangrijks: het denken – juist ook het goedbedoelende, euforische denken – maakt kennelijk brokken. En het denken komt daar niet zelf achter, maar heeft kennelijk iets van buiten nodig om zich daarvan bewust te worden. De autonomie waar we zo graag in geloven redt het niet zonder heteronome momenten.

Hoe groot dit thema dan onmiddellijk wordt kan blijken uit de politieke geschiedenis van de twintigste eeuw. Met name de ontwikkelingen binnen de verschillende communistische experimenten geven te denken. Goede bedoelingen kunnen de oorspronkelijke communistische voortrekkers niet ontzegd worden, en denkkracht ook niet. Maar tegelijkertijd is afschuwelijk duidelijk geworden dat het ongecorrigeerde geloof in eigen denkkracht en in de eigen definitie van de wereld monsters baart. Ook al heb je met iedereen het beste voor. Als de corrigerende kracht van dissidenten wordt genegeerd of uitgeschakeld toont het denken zijn gewelddadige kant.

Verwaarlozing van de denkschaamte is dus levensgevaarlijk. Levinas heeft er zijn levenswerk van gemaakt om te wijzen op dat gevaar. Hij benadrukte het gewelddadige karakter van het denken en plaatste de corrigerende kracht van de denkschaamte daartegenover. Voor hem waren het grote van de twintigste-eeuwse politieke verschrikkingen en de ontkenning van het kleine alledaagse verschijnsel denkschaamte regelrecht met elkaar verbonden.

Zie ook Jaap Goudsmit, Voor en tegen schaamte, Gewaagd en Eigenzinnig

vrijdag 16 januari 2009

Bos, Balkenende en Calvijn


Waarom stelt Balkenende zich zo onwrikbaar op in de kwestie Irak? Hij is en blijft vierkant gekeerd tegen een nader onderzoek naar de wijze waarop Nederland zich aansloot bij de oorlog van Bush tegen Saddam Hoessein. Dit in onderscheid tot Wouter Bos die heeft aangegeven de waarde van een dergelijk onderzoek wel in te zien.

Wat maakt dat die twee mannen zich zo verschillend opstellen?

Allereerst is er natuurlijk het gegeven dat Balkenende ten tijde van de Irak-beslissing in de regering zat en Bos in de oppositie. Dat verklaart eigenlijk al genoeg.

Maar er is meer over te zeggen en dat meer heeft te maken met een stijl van denken en optreden. Balkenende houdt ervan pal te staan voor dingen, daadkracht te tonen. Hij is zo iemand die er nog een eer in stelt een ‘jongen van sta-vast’ te zijn.

En ik moet zeggen, er gaat onmiskenbaar een bepaalde kracht uit van een dergelijke stijl. Balkenende laat zich zelden van de wijs brengen, heeft altijd heldere opvattingen over wat er gebeuren moet en ontleent daar de nodige slagkracht aan.

Toch neem ik hem maar half serieus. Want die daadkrachtige stijl kost ook wat. Die bereikt hij door de werkelijkheid – soms ontoelaatbaar – te versimpelen. Dit komt vooral naar voren in zijn omgang met geschiedenis, cultuur en literatuur. De complexiteit van de werkelijkheid die daarin ligt opgestapeld doet hij geen recht. Hij is geneigd daar ideologie van te maken.

Zijn oproep tot het doen herleven van de VOC-mentaliteit is daar een voorbeeld van. Maar ook zijn recente afschildering in Trouw van Calvijn als politieke vernieuwer is simplistisch. In een weerwoord wijst de historicus Slechte erop dat de erfenis van Calvijn te mooi wordt voorgesteld. Binnenkerkelijk heeft hij waarschijnlijk inderdaad bijgedragen aan modernisering en democratisering maar de uitbreiding van die bijdrage naar het politieke vlak is te kort door de bocht.

En in de NRC werd Balkenende betrapt op het naar zijn hand zetten van het boek Karakter van Bordewijk. Door dit boek op te vatten als een pleidooi voor het vermogen om door te zetten (slechts afgaand op de titel?) geeft hij volgens Christiaan Weijts te kennen niets gesnapt te hebben van de roman die daar nu juist een lange neus naar trekt.

Nee, dan heb ik toch liever Wouter Bos. Die vind ik pas echt modern, namelijk in de manier waarop hij twijfel toelaat. Bijvoorbeeld over de koers van een sociaal-democratische partij in deze tijd of over de besluitvorming aangaande Irak. Op het gevaar af dat hij als draaikont wordt weggezet, toont hij wat het betekent om daadwerkelijk kritisch (zelf)onderzoek te doen. En dat dat, waar nodig, best met de vereiste slagkracht gepaard kan gaan, heeft hij laten zien in zijn optreden tijdens de kredietcrisis.

Sommige politieke commentatoren wijzen graag op de gelijksoortige calvinistische achtergrond van Bos en Balkenende. Maar Bos is natuurlijk al lang geen calvinist meer. Dat zou kunnen verklaren waarom zijn moderniteit zo veel prettiger is dan die van Calvijn en Balkenende.

Zie ook Calvinist, Vooruit, vooruit en Kunnen wij het CDA wel missen?

vrijdag 9 januari 2009

Te dom


Waarom stopt Israël niet met dat afschuwelijke geweld?
Omdat Hamas raketten blijft afvuren.

Waarom stopt Hamas niet met het afvuren van raketten?
Omdat Israël Gaza op slot houdt.

Waarom houdt Israël Gaza op slot?
Omdat Hamas anders wapens smokkelt om Israël mee aan te vallen.

Waarom stopt Hamas niet met aanvallen op Israël?
Omdat Hamas zich vernederd voelt door het bestaan van Israël.

Ik snap best dat we hier niet uitkomen.

Maar waarom beschermt Israël in Hebron een groep van 500 kolonisten temidden van 170.000 Palestijnen?

En waarom gebruikt Hamas kinderen als menselijk schild?

Of in omgekeerde volgorde.

Dat snap ik echt niet.


Zie ook De man van hoger honing en Stappen

zaterdag 3 januari 2009

Go with the flow


Mag ik die uitdrukking eens heel onorthodox gebruiken?
Want, normaal gebruikt, is er voor die neiging om met de stroom mee te bewegen nauwelijks aansporing nodig. Dat bleek wel tijdens het jarenlange feestje van de banken en andere kredietverstrekkers. Ja, misschien deden bonussen en mistige verpakkingen het nodige werk, maar dat maakte allemaal onderdeel uit van de flow.

Het probleem begint als die flow op de rotsen te pletter loopt. Dan komen er oproepen in de richting van zelfbeheersing. We zouden een stap terug moeten doen en ons moeten spiegelen aan de natuur. Peter Robertson houdt ons in de NRC de wijsheid voor van een appelboom die rijke vrucht kan dragen maar daarna weer een jaar rust neemt. Dat zouden wij ook moeten doen. Maar Robertson acht zelf zo’n oproep niet erg kansrijk want, zo zegt hij, mensen zijn niet geprogrammeerd om succes te wantrouwen. En Arie van der Zwan pleit voor een gekortwiekt kapitalisme, maar hij vraagt zich tegelijkertijd af of daar genoeg dynamiek vanuit kan gaan en of het voldoende adrenaline genereert.

Het probleem met oproepen tot matigheid is kennelijk dat matiging aanvoelt als iets tegennnatuurlijks. Die pleidooien kunnen net zo krachteloos en futiel blijken te zijn als de oproepen van de paus om af te zien van sex voor het huwelijk of om geld als een illusie te beschouwen. En uiteindelijk zal die opgelegde matiging, net zoals veel afvalpogingen, kunnen leiden tot een jojo-effect: zodra de conjunctuur het toelaat gaan alle remmen weer los. Dan is er geen enkel duurzaam resultaat behaald.

Je gaat met zulke oproepen kennelijk te zeer in tegen de flow. Het lijkt wel natuurlijk te zijn voor de mens om zich juist níet aan de begrenzingen van de natuur te houden. Dat geldt voor vrijen, geld verdienen, dingen uitvinden en andere menselijke aangelegenheden. Dat is de mens-eigen, dus mens-natuurlijke flow. Daar moet je niet tegenin willen gaan.

Nu denk ik dat dat ook maar beperkt nodig is, want er blijken ook mens-eigen grenzen aan de groei en de flow te zijn. Die zijn gelegen in de schaamte die we kunnen voelen als we grenzen van anderen overschrijden, zichtbaar door het verdriet en de kwetsuur die zo’n ander op dat moment toont. De dan gevoelde schaamte blijkt ons – meer dan moralistische verhalen over maat en de natuurlijke orde – terug te fluiten en kan ons, ondanks onszelf, een stap terug doen zetten.

Mijn – en Levinas’ – stelling is dat dit verschijnsel zich gewoon voordoet in de werkelijkheid. We hoeven dus geen halsbrekende, als tegennatuurlijk aanvoelende, zelfbeperkende toeren uit te halen om onszelf tot de orde te roepen. Als we oog hebben voor wat we aanrichten bij anderen kan dat als vanzelf gaan. Dat is ook een flow to go with. Maar dan zullen we dit alledaagse verschijnsel wel eerst wat beter moeten leren kennen. Door er over te praten, bijvoorbeeld wanneer het zich voordoet.

dinsdag 30 december 2008

Gaza


Zullen we het erop houden dat geen enkel zichzelf respecterend Westers land jarenlange raketbeschietingen zou tolereren?

Ook al kunnen wij ons zoiets nauwelijks voorstellen.

donderdag 25 december 2008

Waarom is gezond verstand zo schaars?


Denken is niet verkeerd maar behoeft wel permanent correctie. Met die gedachte zijn op dit moment opmerkelijk veel mensen het eens.

In veel gevallen heeft dat te maken met de kredietcrisis. Zo meent Alexander Wynaends, topman van Aegon, dat we teveel op bedachte modellen en te weinig op ons gezond verstand hebben vertrouwd. En Willem Breedveld schrikt ervan dat ons hoge onderwijsniveau niet heeft kunnen voorkomen dat we ons ondeugdelijke producten lieten aansmeren. Meer wantrouwen ten opzichte van strikt logische constructies is kennelijk broodnodig en Breedveld vraagt zich af of het onderwijs daaraan kan bijdragen.

Meer in het algemeen – en ver voor de kredietcrisis – waarschuwden kritische denkers al voor het gevaar dat weidse perspectieven en logische redeneringen kunnen vormen. Sartre was onder filosofen al lang niet meer de held die hij in de jaren vijftig en zestig geweest was. Het was immers beschamend duidelijk geworden hoezeer die weidse perspectieven, modellen en blauwdrukken met hem aan de haal waren gegaan, toen hij dweepte met Stalin en Mao.

En in zijn boek The End of Organization Theory gaf de filosoof Palshaugen al tien jaar voor dato de verklaring waarom zowel bedenkers, uitventers als consumenten van de onwaarschijnlijke financiële producten maar bleven doorgaan. Van bedachte modellen gaat, zo zegt hij, een fascinatie uit, die de geheime verbinding vormt tussen de bedenkers en de afnemers. “Both of them know that it is an illusion to say that the model models reality. But in the same way that we cannot avoid being fascinated by a good film, even though we view it as nothing but a play, an illusion, neither can we avoid being fascinated by a good theory”. En een goede theorie was het, althans in academische kringen werden de rekenmodellen nauwelijks aangevochten.

De onderliggende vraag dringt zich op: waarom is de verleiding van modellen en blauwdrukken zo groot?

Natuurlijk is die vraag niet nieuw. Vele filosofen hebben zich daarmee bezig gehouden. Maar, in overeenstemming met de accenten die de Westerse traditie legt, nemen de antwoorden over het algemeen de vrijheid en zelfbepaling van het individu tot uitgangspunt. Sartre – om hem nog een keer te noemen - meent bijvoorbeeld dat niets dat van buiten komt de mens in zijn zelfbepaling mag hinderen. En op dat punt vindt Sartre nog steeds veel weerklank. Zelfreflectie wordt tot op de dag van vandaag vooral opgevat als een taak voor het autonome, kritische denken. Je moet jezelf tegen het licht houden. Zwaar en eenzaam, maar ook eerbiedwaardig en zelfbevestigend.

De gedachte van Levinas, dat de vonk die de zelfreflectie triggert misschien wel níet uit jezelf komt, maar van een ander die op een of andere manier je zelfgenoegzaamheid juist doorbreekt, is zo bezien wel erg tegendraads. Die gedachte is verre van vanzelfsprekend in onze cultuur en druist in tegen de tweeëneenhalf duizend jaar oude benadrukking van autonomie waarin we gedrenkt zijn.

Dat merk ik in de Illusieonderzoeken. In de verhalen die mensen daar vertellen blijkt hoe groot de neiging is om de ander vóór te willen zijn: jezelf verantwoorden, opnieuw je eigen definities van de wereld leidend maken. Ook waar het een ander betreft, want zo werken definities nu eenmaal per definitie. Goed bedoeld, daar ga ik vanuit, want je gelooft in je eigen definities van de wereld. Maar als vervolgens blijkt dat zo’n ander niet gediend is van jouw goedbedoelde intenties, pas dan gebeurt er écht iets. Dat schokt je, aldus Levinas, want dat kon je nooit zelf verzinnen.

Deze nadruk op de externe oorsprong van de correctie op ons denken is een gedachte die Levinas in al zijn boeken uitwerkt. Volgens hem kunnen we maar heel beperkt onszelf corrigeren. De confrontatie met een ander mens, dus van buitenaf, kan ons daarbij helpen. Daar kan werkelijk iets nieuws beginnen, juist omdat je het niet zelf kon verzinnen.

Anders dan rekenmodellen, blauwdrukken en films, hoe fascinerend ze ook zijn.

Zie ook Bellen Blazen

donderdag 11 december 2008

Baas in eigen boek


Schaamte voor het eigen denken is bij Levinas een terugkerend thema. De toeëigening van de wereld die zich via het denken voltrekt kan door de denker beleefd worden als heerszucht die de eigenheid van anderen geweld aandoet. In mijn boek Schaamte en verandering heb ik geprobeerd die schaamte op te sporen binnen arbeidsorganisaties. De vraag was: herkennen organisatoren (managers, consultants, coaches) dat verschijnsel? Het blijkt dat bij hen die schaamte zich voor kan doen wanneer zij vastlopen in hun eigen plannen en schema’s. De ontmaskering, door een ander mens, van de heerszuchtigheid van het eigen denken, kan voor de organisator aanvoelen als verlegenheid. Een vorm van eenzaamheid is daar ook vaak aan gekoppeld.

Maar uiteraard is wat Levinas betreft die denkschaamte niet beperkt tot een bepaalde beroeps- of bevolkingsgroep. Hij beschrijft schaamte voor het eigen denken als een existentieel menselijk verschijnsel, dat overal kan optreden waar de ene mens denkt voor de andere. Dus ook bij ouders die het beste voor hebben met hun kind of een verzorger die zijn patiënt het beste gunt. In dit stukje wil ik de denkschaamte eens in verband brengen met de beroepsgroep van romanschrijvers. Want, als de gedachte is: je eigen denken kan je eenzaam maken en de heerszuchtigheid ervan kan je verlegen maken, ligt het dan niet voor de hand om die verschijnselen ook bij schrijvers te vermoeden? Als het denken – benoemd als verbeeldingskracht – ergens zijn ongelimiteerde gang gaat, dan is dat wel in romans waarin, zoals Arnold Heumakers zegt, de schrijver nog altijd heerst als een god.

Een schrijver die melding maakt van zowel zijn verlegenheid als zijn eenzaamheid is Amos Oz. In Verzen van het Leven en de Dood vertelt Oz dat zijn ongeremde verbeeldingskracht hem momenten van schaamte kan bezorgen. Die uitspraak doet hij nadat hij in datzelfde boek eerst een bijna schaamteloos staaltje verbeeldingskracht heeft laten zien. Uitgangspunt voor dit fantasietje is zijn alter ego, een schrijver op weg naar een publiek optreden. Hij eet nog even wat in een café en bereidt zich voor op het salvo van vragen dat er op hem zal worden afgevuurd. In het verslag van Margot Dijkgraaf: “Intussen neemt hij de tijd de mooie benen van de serveerster te observeren. Terwijl hij op de omelet wacht, stelt de schrijver zich de eerste liefde van deze serveerster voor (hij besluit dat ze Riki heet): toen ze nog maar zestien was, werd ze verliefd op de reservedoelman van de voetbalclub Bnee Jehoeda, Charlie. De auteur stelt zich voor hoe deze Riki aan de kant wordt gezet voor een ander, wie dat is, hoe dat gaat en welke invloed dit op haar latere leven zal hebben...Als de schrijver eindelijk besluit naar zijn publieke optreden te gaan heeft hij al een hele wereld bij elkaar verbeeld en verzonnen. Dat proces raakt in een stroomversnelling als hij, eenmaal in de zaal gearriveerd, zijn publiek beziet. Verdiept in zijn gebruikelijke zwendel eigent hij zich hun geschiedenis toe, alsof hij hun portemonnees rolt rooft hij hun affaires, hun zwakten en obsessies.”

Dit verbeeldingswerk nu, zit Oz op een gegeven moment niet lekker: “Terwijl de schrijver steeds meer in zijn verbeelding opgaat en zich na zijn optreden laaft aan een imaginaire vrijpartij, wordt hij ook steeds meer door twijfel bekropen: ‘Waarom schrijven? Wie heeft er wat aan?’ Schaamte bevangt hem als hij bedenkt dat anderen voor hem in wezen alleen maar bestaan als voer voor zijn verhalen. Tegelijkertijd wordt hij gegrepen door ‘een hartverscheurende bedroefdheid om zijn eeuwige afzijdigheid, om zijn onvermogen om aangeraakt te worden en aan te raken’.” Is het, met Bernlef gesproken, teveel gezegd dat in zekere zin iedere schrijver een dief is? Hij haalt iets uit de werkelijkheid en transformeert het tot iets van zichzelf. En blijft in zekere zin eenzamer achter dan hij was. 

Die formulering komt aardig overeen met wat Levinas zegt over ons denken: toeëigenen, dingen en mensen van hun eigenheid beroven, invoegen in het totalitaire geheel van je eigen wereld. Een feest van onafhankelijkheid en autonomie, dat onderkent Levinas wel. Maar ook eenzaam makend en schreeuwend om de verlossing door een Ander, wat Levinas noemt: heteronomie. Het is niet moeilijk om te zien dat de viering van de verbeelding in romans goed past in onze Westerse intellectuele traditie met zijn nadruk op autonomie en zelfstandig denken. De roman, en vooral zijn schepper, zijn te beschouwen als exponenten bij uitstek van die traditie. Is het toeval of niet dat het in het afgelopen jaar geen politici, musici of sporters waren, maar twee schrijvers waarvan in de openbaarheid kwam dat zij hun eigen einde arrangeerden?

Zie ook Jaap Goudsmit en Schaamte en verandering

vrijdag 5 december 2008

Polderhelden


Het handelen heeft, om in zijn volheid aan de wereld te verschijnen, de stralende belichting nodig van wat wij eens het aureool van de roem noemden, die slechts mogelijk is op het publieke domein.

Hier is iemand aan het woord die gefascineerd wordt door het streven naar licht, luister en onsterfelijke roem, waarvan de klassieke oudheid van Homerus tot Alexander de Grote doortrokken zou zijn.

Het betreft een citaat van Hannah Arendt uit haar boek Vita Activa. Daarin bespreekt zij drie varianten van het actieve leven dat in oppositie staat tot de Vita Contemplativa, het beschouwende leven. Die drie varianten zijn het arbeiden, het werken en het handelen waarvan het laatste van Arendt de meeste aandacht krijgt.

Arendt omschrijft handelen als het maken van een nieuw begin. Het is het in gang zetten van processen waarvoor geen precedent bestaat en waarvan de uitkomst onzeker is en onvoorspelbaar blijft. Het handelen is volgens Arendt noodzakelijk voor het in stand houden van een publieke ruimte.

Wat opvalt aan Arendts beschrijving van het handelen – en daar wil ik het over hebben – is dat er soms een ietwat belegen adoratie voor de klassieke oudheid in doorklinkt. Zoals in het bovenstaande citaat, maar ook in haar omschrijving van het handelen als het “vermogen verhalen voort te brengen en tot geschiedenis te worden, die te zamen en in combinatie de ware bron vormen waaraan voor het menselijke bestaan zin en luister ontspringen”. Met instemming citeert zij uit de Lijkrede van Pericles waarin deze spreekt over de polis als “een waarborg dat zij, die iedere zee en ieder land maakten tot het toneel van hun vermetelheid, niet onopgemerkt zullen blijven en geen Homerus noch iemand anders met een welversneden pen zullen nodig hebben om hun lof te zingen”.

Voor sommigen klinkt dit misschien eerbiedwaardig en interessant, maar eerlijk gezegd reageer ik op een dergelijke adoratie van De Klassieke Oudheid enigszins allergisch. Ik associeer dat met de 19e-eeuwse Duitse academiecultuur die vooral op zoek was naar verhevenheid en stylering.

Maar bij nadere beschouwing blijkt er bij Arendt met die bejubelde heldhaftigheid iets weldadigs aan de hand te zijn. Die helden zijn niet altijd zo luisterrijk als de citaten doen vermoeden, althans voor Arendt niet. Zo zegt zij ergens dat heldhaftige daden niet per se verheven hoeven te zijn. Ook iemands slechte daden zullen in de herinnering voortleven en bijdragen aan zijn ontsterfelijkheid. Deze toevoeging zet een andere toon, al kun je je wel afvragen of het woord ‘luister’ dan nog wel van toepassing is.

Verder gebruikt Arendt het woord ‘held’ op zeer rekbare wijze. Dat woord is niet gereserveerd voor de eenling die door buitengewone kracht, inzicht of moed iets groots bereikt, zoals een gangbare invulling is. Er blijkt zoiets te zijn als polderhelden: mensen die zich binnen een netwerk met andere mensen inspanningen getroosten om dingen voor elkaar te krijgen, zonder dat dat altijd wat oplevert: “Het is vanwege dit reeds bestaande netwerk van intermenselijke betrekkingen met zijn ontelbare, tegenstrijdige wensen en bedoelingen, dat handelen bijna nooit zijn doel bereikt”. Het gaat er maar om dat hun inspanningen geboekstaafd worden en voor het nageslacht bewaard blijven. Zo bezien komt de status van held al aardig binnen het bereik te liggen van, pak weg, een Amsterdamse wethouder of een doorgewinterde vakbondsbestuurder.

Door de inkleuringen en nuanceringen die Arendt toevoegt aan de begrippen handelen en held onstaat een interessant thema dat de beperkingen van het gebruikelijke heldbegrip en de adoratie van de klassieke oudheid overstijgt. Niettemin weet Arendt met haar rijke beschrijvingen mijn aanvankelijke weerzin niet geheel op te heffen. Het totaal van haar tekst overziende blijft er wat mij betreft een zekere tegenstrijdigheid aanwezig.

Vooral het herhaaldelijke gebruik door Arendt van woorden als roem en luister zet mij regelmatig op het verkeerde been. Verkeert ze op die momenten niet geheel in de verheven Duits-romantische traditie? In ieder geval hebben die woorden in relatie tot de nadruk die Arendt elders legt op miezerigheid en onzekerheid van veel menselijk handelen iets ongerijmds. Voor polderhelden heb je toch echt andere kwalificaties nodig.

Zie ook Het heroïsche kosmopolitische individu en Griek en Jood

maandag 17 november 2008

Leunstoelgeweld


In haar artikel Vaarwel vrijblijvendheid bespreekt Yra van Dijk het afscheid van een erg op de vorm gerichte romankunst, gedrenkt in ironie en scepsis. Daar tegenover plaatst zij de opkomst van geëngageerde romans die een appel doen aan de lezer in de leunstoel.

Van Dijk is niet rouwig om het verdwijnen van de esthetische zelfgenoegzaamheid en het cynisme van de jaren negentig. Want die maakten net zo weinig contact met de werkelijkheid als het weke humanisme wat daar weer aan vooraf ging. Wel vraagt ze zich af of literatuur die zich haar eigen zelfgenoegzaamheid bewust wordt en inzet op engagement als literatuur wel toekomst heeft. Of blijven geëngageerde romans hangen in steriele zelfreflectie en machteloosheid? Als dat zo is zullen romans niet meer kunnen boeien.

Behalve, zo zegt Van Dijk, als het kwaliteitscriterium voor goede literatuur – namelijk: een verbinding tussen het woord en de werkelijkheid – het schrijvers veroorlooft om “de weg van het geweld” te bewandelen. Als die werkelijkheid, door 11 september of andere ontwikkelingen, een stuk rauwer blijkt te zijn dan we tot nu toe wilden geloven, dan moet de roman maar inzetten op rauwheid. De werkelijkheid van het slachthuis (Arnon Grunberg) wordt dan voorwerp van het literaire engagement.

Ik weet niet of ik dat een verbetering zou vinden. De zelfgenoegzaamheid van de esthetische romans heeft me nooit aangesproken maar aan het geweldsenthousiasme waar Yra van Dijk over schrijft heb ik ook geen boodschap. Het doet me denken aan de Belle Époque toen Ernst Jünger en andere gegoede generatiegenoten ook eindelijk de rauwe werkelijkheid eens wilden smaken en zich enthousiast stortten in de Eerste Wereldoorlog. Of aan 1968, toen een Frans staatsman het verschijnsel van rebellerende studenten samenvatte met de opmerking dat Frankrijk zich verveelde. Het is alsof in dit soort geweldsverlangens de leunstoel en daarmee de verveling, als grondtoon van ons bestaan, ons parten speelt.

Geweldsenthousiasme is naar mijn idee ook niet nodig. Want die verveling is zo onterecht. Als het er om te doen is woord en werkelijkheid, woord en daad zo dicht mogelijk bij elkaar te brengen – en dat lijkt mij alleen maar goed – dan verveel je je niet. Misschien is er geen roman van te maken – hoewel bijvoorbeeld Camus dat wel doet – maar dat is dan jammer voor de romantraditie. Dat kan betekenen dat de romantraditie wellicht is uitgeput voor wie geen leunstoel meer wil. Als je criterium is de werkelijkheid en het woord dichter bij elkaar te brengen biedt de poëzie waarschijnlijk meer mogelijkheden, zoals Ger Groot aangeeft in De gelukkigste illusies.

Hoe het ook zij, het aanbevelen van meer geweld in romans lijkt me vooral ingegeven door een opwindingsverslaving die uiteindelijk toch de leunstoel verkiest boven het engagement. Het engagement – ook dat engagement dat de middenweg zoekt tussen betrokkenheid en scepsis – komt vanzelf al genoeg geweld tegen. En de spanning die het engagement met een ander met zich meebrengt is welbeschouwd spannend genoeg. Het zal ook het woord – maar dan vooral het poëtische woord – tegelijkertijd voeden en hard nodig hebben.

Maar promotie van geweld, dat hebben we niet nodig. Geweld, en ook gerechtvaardigd geweld, is er al meer dan genoeg.

maandag 10 november 2008

Crisis van hoog en laag


Vrolijk langs de kern. Dat dacht ik bij de analyse van de kredietcrisis van Nout Wellink. Vorige week zei hij: “In de top was onvoldoende kennis aanwezig, maar ik denk niet dat in Nederland bestuurders willens en wetens rotzooi hebben verkocht”.

Dat durft hij, aldus de krant, niet te zeggen over de lagere regionen bij banken. “Daar zitten werknemers recht tegenover de klant. Er is op de werkvloer te vaak niet integer gehandeld”. Wel stelt Wellink dat de mate van integriteit in een bedrijf goeddeels bepaald wordt door de opstelling van topbestuurders. “Voor de meeste financiële instellingen geldt dat, méér dan het gedrag van individuele werknemers, de zogenoemde ‘tone at the top’ de opmaat is tot een integere bedrijfsvoering”.

Voor mij is het interessant te constateren dat in Wellinks analyse een rol is weggelegd voor het directe contact tussen bankmedewerker en klant. In zo’n situatie wordt het kennelijk menens, want dan kijken mensen elkaar aan (of niet). Afhankelijk van wat daar gebeurt wordt je product fatsoenlijk, dan wel onfatsoenlijke rotzooi. Daar zit wel iets in, ben ik – met Levinas in mijn achterhoofd – geneigd te denken.

Maar voor het overige vind ik zijn redeneringen zeer merkwaardig. Want de oorsprong van niet-integere bedrijfsvoering situeert Wellink in dit geval in de lagere regionen. Hij acht de integriteitsvraag als het gaat om de crisis niet eens relevant voor het bestuur van de banken. En de reden die Wellink daarvoor geeft is dat de bestuurders niet direct tegenover de klanten hebben gezeten zoals de lagere regionen wel hebben gedaan.

Die redenering botst met mijn primaire morele intuïtie en heeft iets pervers. Het komt erop neer dat het management geen blaam treft – anders dan de werkvloer –, want de managers zaten niet oog in oog met de klant. Wellink gelooft kennelijk in een soort moreel neutrale zone, die kan bestaan bij gratie van de afscherming van het directe contact met klanten. Alsof het bestaan van die afscherming een soort natuurlijk gegeven is en niet het – al dan niet bewuste – werk van die managers zelf.

Want zo onschuldig is die afstand natuurlijk helemaal niet tussen het management en de klant. Volgens Zygmunt Bauman werken organisaties hard aan the effacement of the face, het onzichtbaar maken van het gelaat van, in dit geval, de klant. Wie hebben immers de klant op afstand gezet? Wie stuurden contactpersonen op pad met producten waar niemand meer wat van snapte? En wie hebben hun medewerkers opgejaagd met onzindelijke bonussystemen? Wie anders dan de bestuurders, mijnheer Wellink?

Zie ook Voor en tegen schaamte en Statusangst

woensdag 5 november 2008

Wowww!


Obama president! Ik werd verrast vanmorgen door mijn eigen gigantische blijdschap dat dit gebeurt. Kennelijk wist ik zelf niet hoe diep het cynisme in me was gedrongen over mogelijkheden tot verandering. Acht jaren Bush gaan je niet in de koude kleren zitten. 

Uiteraard moet het allemaal nog maar blijken wat Obama kan klaarmaken. De problemen zijn enorm, de financiële mogelijkheden kleiner dan ooit. Maar de nieuwe president is zich daar zelf goed van bewust. En ik sluit niet uit dat zijn charisma en het enthousiasme dat hij losmaakt mogelijkheden openen die tot nu toe niet bestonden. 

Het kan niet anders of de verkiezing van een zwarte president in de Verenigde Staten moet een geweldige indruk maken op al die volkeren die helemaal niets te kiezen hebben. Het verlangen naar democratie zal daar nu ongetwijfeld sterker gevoeld worden dan toen Bush meende democratie met militaire middelen te kunnen opleggen.

Of dat verlangen de stabiliteit in de wereld zal vergroten is weer een heel andere vraag. Het verlangen moet gevoeld worden. So, they can! En als zij het daar kunnen, kunnen wij het dan ook? In Europa, in Israël?