donderdag 25 maart 2010
Liberale varianten
Het lijkt soms wel of je onderscheid kunt maken tussen godsdiensten op basis van de vraag of ze een liberale variant kunnen ontwikkelen of niet. En of die variant vervolgens ook in staat is om mensen vast te houden. Met een liberale variant bedoel ik een versie die ruimdenkendheid, pluraliteit van waarheden en wetenschappelijke bevindingen toelaat en tegelijkertijd vitaal en geloofwaardig blijft. Laat ik er meteen maar bij zeggen dat ik mezelf bij die liberale varianten het meest thuis voel.
Het Christendom heeft het geprobeerd, in ieder geval in Nederland. Op het Katholieke erf werden vanaf de jaren zestig de teugels losgegooid en werd druk geëxperimenteerd met nieuwe vormen van liturgie en tekstuitleg. De waarheidspretenties verdwenen meer naar de achtergrond.
Ik denk dat je moet vaststellen dat deze weg is doodgelopen. De progressieve Mariënburgvereniging, het boegbeeld van de vernieuwingen, telt op dit moment vooral veel grijze hoofden, en de kerken blijven leeglopen. De kerkleiding heeft al eerder de conclusie getrokken dat liberaal-progressief Christendom niet kan bestaan. Zij kiest, nu onder leiding van aartsbisschop Eik, voor de traditionele waarheden en praktijken. Want dat blijft over als de enige geloofwaardige manier van kerk-zijn.
Op het Protestantse erf vertoonden vrijzinnige varianten, zoals de Remonstrantse kerk en andere groepen die ooit vertegenwoordigd werden door de V.P.R.O., zich al veel eerder. Gemeenschappelijk aan die varianten lijkt te zijn dat ze vroeg of laat in de leegloop terecht komen. Het lukt hen niet goed mensen aan zich te binden. Door het ontbreken van een centraal hiërarchisch gezag op het Protestantse erf, zoals de Rooms-Katholieke kerk dat kent, resulteert dit niet in een geregisseerde beweging terug naar de orthodoxie. Maar de vitaliteit van de orthodoxe Protestantse groeperingen die er zijn doet de uitstervende liberale varianten zwakjes afsteken.
Van het Boeddhisme weet ik niet veel, maar uit de krant begrijp ik dat die, bijvoorbeeld in Nederland, vooral in zijn verlichte, liberale vorm de meeste aanhang heeft. Kennelijk oefent de Boeddhistische vrijzinnigheid een zekere aantrekkingskracht uit op mensen in een laatmoderne, geseculariseerde en geindividualiseerde samenleving.
De Joodse traditie kent een liberale stroming die beslist vitaal genoemd kan worden. De Liberaal-Joodse gemeenten vertonen al jaren een tendens van lichte groei en ook jonge mensen blijken er iets mee te kunnen. Misschien heeft de aantrekkingskracht ermee te maken dat de liberale variant, hoe vrijzinnig ook, zich altijd ingebed weet in de oude Joodse traditie. Zij beschouwt die eerbiedwaardige traditie als een overlevering die zelf voortdurend vernieuwing op vernieuwing en interpretatie op interpretatie stapelde, waardoor onze eigen vernieuwingen geen radicale breuk betekenen met het verleden.
Wat de Islam betreft heb ik geen idee over de levenskansen van een liberale variant. Het zou best kunnen dat de sterke verworteling in praktijken van gebed en liturgie de Islam de ruimte biedt die nodig is voor het ontwikkelen van levensvatbare intellectuele openheid.
Zie ook Bestemming bereikt en Eindtijd
zaterdag 20 maart 2010
Wel lekker
Wel lekker lijkt me dat soms, om helemaal niet religieus te zijn. Dan kun je een ikoon worden - een seculiere ikoon natuurlijk - van autonomie, evenwichtigheid en onverstoorbaarheid. Volstrekt helder en transparant en tegelijkertijd nog sympathiek ook en in bescheidenheid bewust van de eigen grenzen. De redelijkheid zelve.
Deze gedachten vallen me in als ik Job Cohen gade sla. En Hans van Mierlo, want dat was ook zo iemand. Daar kan ik in zekere zin afgunstig naar kijken. Stel je voor: alle religieuze ballast overboord te hebben gegooid, niet meer gehinderd te worden door de obscuriteit die alle religieuze stromingen, conservatief of progressief, enigszins blijft aankleven. Terwijl die stromingen, met hun gerichtheid op transcendentie en verhevenheid, ook nog systematisch de fout in blijven gaan. En daarbij hoeven we echt niet alleen maar te denken aan de seksschandalen van de Rooms-Katholieke Kerk.
Dat gevoel van een zekere afgunst kwam ook in me boven toen ik bij Bert Keizer las hoe hij in de jaren zestig loskwam van de kerk van zijn jeugd. Dat ging min of meer vanzelf, daar kwam niet veel denkwerk bij kijken. De muziek van de Beatles sprak aan, meer dan het gregoriaans ooit gedaan had, en op de klanken van hun muziek wandelde een hele generatie zo de kerk uit.
Maar wat als, anders dan bij Keizer, het geloof van je jeugd je wél op gevoelsniveau heeft aangesproken? Dan blijft een worsteling met de obscuriteit van alle religie je deel. Daar zal ik ook nooit vanaf komen, al heb ik wel ervaren dat de mate van onzin in de verschillende religieuze tradities behoorlijk kan verschillen. Je kunt met andere woorden de obscuriteit tot aanvaardbare proporties terugbrengen en ik ben dan ook zeer gelukkig met de Liberaal-Joodse omgeving waarin ik me sinds jaren bevind.
Dat neemt de fascinatie niet weg voor de Cohennen en Van Mierlo’s die als boegbeelden van eigen redelijke kracht volledig onafhankelijk lijken te zijn. En toch nog ruimte laten, zoals Cohen het ooit verwoordde, voor mensen die de existentiële leegte van de seculiere samenleving willen ontstijgen.
Labels:
autonomie,
Bert Keizer,
Christendom,
Joodse traditie,
verveling
Posted by
Naud van der Ven
op
08:16
zondag 14 maart 2010
Koosjere wijn
Moet ik eigenlijk blij zijn met de uitspraak van het College van Beroep van de Reclame Code Commissie? Die uitspraak stelt de organisatie Peace in het ongelijk als het gaat om haar bewering dat de verkoop door het Israël Producten Centrum (IPC) van wijn en andere producten in strijd zou zijn met het internationale recht. En ook dat het IPC niet sjoemelt met de vermelding van de herkomst van die producten.
Dat laatste is in die zin waar, dat het IPC geen enkele schroom heeft om producten aan te prijzen als afkomstig uit de bezette gebieden. Vol trots en levensgevaarlijke ideologische blindheid meldt het IPC dat het wijnen uit Hebron verkoopt. De uitspraak van het College betekent kennelijk vooral dat je niet hard kunt maken dat het IPC knoeit met labels en etiketten om te verdoezelen dat er spullen van de Westbank komen. Ze komen er gewoon recht voor uit!
Daarmee heeft de uitspraak van het College een sussend effect op wat naar mijn idee een groot probleem is: de toenemende verstrengeling tussen de economische activiteiten van Israël binnen de Groene Lijn en die daarbuiten. Terwijl een onderscheid tussen die zones van groot belang is.
Het zal duidelijk zijn: ik heb niet veel op met de ideologisch gestuurde kolonisten op de Westelijke Jordaanoever. Het zijn, in de woorden van Arie Kuiper, veelal onaangename mensen die voortdurend bezig zijn om de Palestijnen het leven zuur te maken. Ik heb weinig last van gevoelens van solidariteit met deze groep provocateurs, zoals ik dat wel heb met de gemiddelde Israëliër of wijnbouwers van de Karmel.
Maar veel belangrijker vind ik het corrumperende effect dat van de illegitimiteit van de nederzettingen uitgaat. Want of je volgens het internationale recht nu wel of niet spullen mag verkopen daar vandaan, die nederzettingen blijven illegaal. We zullen dus helder onderscheid moeten blijven maken tussen de illegitimiteit van de nederzettingen en de legitimiteit van Israël. Want als je dat niet doet eindig je met de illegitimiteit van Israël. En ik wil niet dat Israël ter discussie komt te staan.
Maar als dat zo is dan kun je beter niet, zoals het Wiesenthalcentrum doet, de zaak omdraaien en de zorg van de Protestantse Kerk van Nederland voor de Palestijnen benoemen als een aanval op het bestaansrecht van de staat Israël. Dan kun je beter zo snel mogelijk je handen aftrekken van de bezette gebieden.
Betekent dit dat ik voorstander zou zijn van een boycot van producten uit de nederzettingen? Stel dat het zou kunnen: precies te weten welke Israëlische producten uit Israël zelf komen, en welke van de nederzettingen in bezet gebied. Zou ik dan een boycot willen van die laatste producten? Ik denk het wel. Het zou gelijkstaan aan een precisiebombardement tegen een groep die wel geraakt mag worden. Juist omdat het bestaansrecht van Israël geen issue is.
Zie ook Te dom en De Groene en de Rode Lijn
donderdag 4 maart 2010
Van groot naar klein en terug
Soms zit er ineens wat beweging in. Ik bedoel: in het denken over de vraag hoe je zo’n grote gemeente als Amsterdam draaiende houdt. Dat bleek vorige maand tijdens een symposium van AGA (Adviesgroep Amsterdam) op de Stopera. Daar werd op een gegeven moment aan de daar verzamelde managers en adviseurs de vraag voorgelegd: wat is nu belangrijker, overzicht of inzicht.
De aanwezigen moesten zich dus uitspreken voor hetzij expertise die de grote lijnen overziet en de samenhangen op abstract niveau van processen, beleid en regelgeving; hetzij voor expertise die bekend is met wat er speelt op de werkvloer en met diezelfde samenhangen op concreet niveau. We moesten daarover stemmen met ofwel een ja voor het één, ofwel een ja voor het ander.
Nu snapt ieder weldenkend mens dat je, om goed te kunnen managen, van beide soorten expertise wat nodig hebt. Maar door de wijze van stemmen was er voor die nuance geen plaats, we werden gedwongen om te kiezen. De uitkomst was een ruime meerderheid voor ‘overzicht’, en dat verbaasde me niets.
De stemming werd gevolgd door pleidooien van bekende managers en managementauteurs voor het ene dan wel het andere standpunt. Daarvan vond ik het pleidooi van Jaap Boonstra voor ‘inzicht’ het meest indrukwekkend. Aan de hand van een paar welgekozen voorbeelden uit de Jeugdzorg maakte hij duidelijk hoe funest het is wanneer managers zich bezighouden met blauwdrukken en incidenten (want dat gaat meestal samen) en weinig bekend zijn met het reilen en zeilen op de werkvloer.
Kennelijk waren meer mensen onder de indruk van zijn betoog want bij de tweede stemming over dezelfde vraag, na de pleidooien, bleek de meerderheid voor ‘overzicht’ behoorlijk te zijn teruggelopen. Het was nog steeds een meerderheid, maar toch vond ik deze verschuiving hoopgevend.
Ik vind namelijk dat managers moeten weten waar ze het over hebben, en als je daarvoor moet afdalen tot in de haarvaten van de organisatie, dan moeten ze dat doen. Nogmaals: beide – overzicht én inzicht – zijn nodig, maar als er iets te winnen valt temidden van falende ICT-projecten en communicatiestoringen in het Amsterdam waar ik werk, dan is dat: beter te weten waar we het precies over hebben. En dat betekent: niet langer laatdunkend de relevante details ontwijken.
Wat staat dan die investering in inzicht in de weg? Waarschijnlijk is dat de reputatie van inzicht als iets moeizaams en saais, terwijl overzicht geassocieerd wordt met macht en prestige. Daarom stelt men de afdaling naar de werkvloer uit, men blijft het liefst zo lang mogelijk om de saaie brei heen draaien.
Totdat de wal het schip keert, en dat lijkt op dit moment in Amsterdam het geval te zijn. Daarbij zouden nog wel eens onvermoede bronnen van energie bij de medewerkers op de werkvloer kunnen worden aangeboord.
Zie ook Amsterdam en ICT, Donkere hokjes, Smeken om feedback, Ongevraagd advies en The devil is voortdurend in the detail
Labels:
Amsterdam,
communicatie,
denkgeweld,
leiderschap,
management,
uitvoerend werk,
verandering,
verveling
Posted by
Naud van der Ven
op
12:41
zaterdag 27 februari 2010
Aandoenlijk
Aandoenlijk vind ik de manier waarop een aantal homosexuelen hun gehechtheid uitdrukken aan de Rooms-Katholieke kerk waar ze bij horen, of liever: bij willen horen. Het raakt hen diep om uitgesloten te worden van de communie, zij voelen zich gekwetst en afgewezen en willen met een smeekschrift proberen de bisschop tot andere gedachten te brengen.
Ik snap die gevoelens van uitsluiting wel. Nog steeds leeft er, vooral in Brabant en Limburg, de notie van de ‘volkskerk’. Daar maak je met z’n allen, vanaf je vroegste jeugd, deel van uit. Op school, als dorp, als gemeenschap. Het spirituele wortelde daar in het alledaagse en aan die combinatie kun je zeer gehecht raken. Buitensluiting door de kerk voelt dan als pijnlijk.
Bijna even pijnlijk is het voor de buitenstaander die ik ben om te zien hoe degene die afgewezen wordt de hand blijft zoeken die haar/hem slaat.
Ik ben dan geneigd om te roepen: lieve homo’s, denk even na. Je staat nu oog in oog met een paar diep verankerde karaktertrekken van zo niet het hele Christendom, dan in ieder geval toch wel van de Rooms-Katholieke variant daarvan, namelijk: liefde voor hiërarchie en kramp tegenover sexualiteit. Dit alles in goed Platoonse traditie. Wil je daar nu echt bij horen? De gemeenschappelijke volkskerk die er eens was is toch allang alleen nog maar nostalgie, dus laat je daardoor niet binden. Laat je niet gevangen houden in het idee dat alleen die ene instantie het monopolie heeft op waarheid of spiritualiteit. Als je spiritueel aangelegd bent, ga dan liever winkelen in de supermarkt van religies.
Zie ook La trahison des clercs
donderdag 18 februari 2010
Gelijke behandeling
Dat wij allen 'in Gods hand geborgen' zijn zal ik niet zo gauw nazeggen. Daarvoor gebeurt er te veel dat van het tegendeel getuigt. En toch, ik kan het niet helpen, krijg ik een dergelijk gevoel over me als er sneeuw is gevallen.
Het gevoel van diepe geborgenheid wordt vooral gewekt door fijnbelijnde takken en boomstammen. Werkelijk ieder takje is belegd, er is er geen vergeten. Dit is de ultieme gelijke behandeling. Wat een toewijding spreekt daaruit.
Het gevoel is wel oud. Het doet me denken aan mijn moeder voor wie elk van haar vier kinderen (de vijfde is zwaar geestelijk gehandicapt) werkelijk even belangrijk leek te zijn.
Zo maak je buiten in de witte wereld weer voor even deel uit van een passende Platoonse orde, waarin zelfs takjes gelijk behandeld worden. Ik weet wel beter, maar toch…
Zie ook Spinaziegroen
vrijdag 12 februari 2010
Eindtijd
Je kunt je naar aanleiding van het voorgaande blogbericht afvragen of ik daar niet met twee maten meet. Waarom vind ik het interessant dat Herman Philipse de Christelijke herduiding van de eindtijd kwalificeert als vals spelen, terwijl ik de revisie van vakhistorici, bijvoorbeeld op de geschiedenis van Israël, waardeer als blijk van een wetenschappelijke instelling? Wat is het verschil tussen beide revisies? Ze getuigen toch allebei van voortschrijdend inzicht en daarmee van een open en eigenlijk moderne benadering van de werkelijkheid?
Van dat laatste ben ik niet zo zeker. Bij wisseling van beelden komt het er namelijk voor mij zeer op aan vanuit welk motief dat gebeurt: voor het redden van een Idee of een Ideologie (dat vind ik twijfelachtig) of alleen maar omdat het bestaande beeld in strijd is met bepaalde empirische bevindingen en daarmee met ervaringen van mensen (dat vind ik prettig empirisch).
Bij het loslaten van de snelle eindtijdverwachting in het Christendom is volgens mij sprake van de eerste soort herduiding. Daarbij wordt niet getornd aan de centrale notie: van een goddelijk Plan dat, na het heilswerk van Christus, voorziet in een logische planafronding in de vorm van het einde van de wereld, ofwel de jongste dag. Op zichzelf is het intact laten van dat idee misschien vrij onschuldig, maar het wordt gecompliceerd als tegelijkertijd de empirische werkelijkheid nog de functie blijft behouden van ondersteuning van dat idee. Want naarmate de jongste dag langer uitblijft moet je de empirische werkelijkheid steeds meer geweld aandoen opdat die in overeenstemming blijft met het Plan.
De historicus Hugenholtz zegt het als volgt naar aanleiding van de zesde eeuwse bisschop en historieschijver Gregorius van Tours: “Het verleden en ook het met zoveel liefde soms beschreven heden is dienstbaar aan de toekomst, bewijst ook de juistheid van de toekomstverwachtingen. Het verleden en ook de geschiedschrijving staan in dienst van de verwachte jongste dag, schijnt die jongste dag te bepalen, lijkt mogelijkheden te openen om het juiste tijdstip van de jongste dag te berekenen”.
Hier heeft de werkelijkheid dus de functie bewijs te moeten leveren. En dat bleef in de Christelijke traditie niet beperkt tot de historische werkelijkheid, ook de fysieke natuur ging onderzocht worden op tekenen van bewijs, omwille van de eigen plaatsbepaling van de mens in het Goddelijke plan.
Als het geloof de empirische wetenschappen stimuleert maar tegelijkertijd de empirie een bewijsfunctie toebedeelt, dan gebeuren er twee dingen. In eerste instantie komen de wetenschappen tot grote bloei als gevolg van die stimulans. Maar in tweede instantie leidt de eigen dynamiek van de wetenschap, met de kritische kenhouding die daarbij hoort, tot verzet tegen de aan het geloof ondergeschikte positie. De wetenschap kan zich dan keren tegen waarheidsclaims van het geloof op empirisch gebied en maakt zich daarvan los. In deze fase bevindt zich naar mijn idee de Westerse Christelijke wereld sinds de Verlichting.
Ter vergelijking is het interessant om de verhouding tussen empirie en geloof in het Jodendom hiernaast te zetten. In de Joodse traditie heeft de empirische wetenschap nooit zo’n vlucht genomen als in het Christendom. De werkelijkheid heeft in het Jodendom ook nooit de functie gehad bewijs te moeten leveren voor de juistheid van een geopenbaard Plan. Dat de hedendaagse Israëlische kolonisten hun annexatiesuccessen wel duiden als een bewijs van Gods wil in overeenstemming met zijn Plan is dus een vrij nieuwe, en wat mij betreft niet toe te juichen ontwikkeling in het Jodendom.
Het is zeker niet zo dat er in de Joodse traditie van oudsher geen sprake zou zijn van een Plan. Dat was en is er wel degelijk, misschien is het zelfs wel de Moeder aller Plannen. Maar veel meer dan speculeren kon je daar niet over. Er konden zich dan ook vrij makkelijk andere gedachten ontwikkelen over het Plan wanneer de gebeurtenissen daar aanleiding toe gaven. En crises waren er genoeg. Geschiedenis heeft daar dus de vorm van verwerking van en klaarkomen met het verleden. Voor dat doel hoeft geschiedenis niet op exacte wijze beoefend te worden. Het geloof viel of stond niet met de empirische wederwaardigheden, hoe moeilijk het ook was om die te duiden. Het was gewoon zo, het was identiteit.
Daarmee is meteen de afstand getekend van zowel Christendom als Jodendom tot de wetenschappelijke geschiedbeoefening. Herduidingen in de geschiedwetenschap gaan idealiter alleen maar over de empirische werkelijkheid. Anders dan in het Christendom kan in de geschiedwetenschap de kern van je opvattingen veranderen, want die kern ís je beeld van de empirische werkelijkheid, niets meer en niets minder. En anders dan het Jodendom hecht de geschiedenis aan exactheid van onderzoek met geen ander doel dan een geloofwaardige reconstructie van het verleden.
Grote verschillen dus, al met al.
Zie ook God en Psyche en Bestemming bereikt
Labels:
beelden,
Christendom,
cultuurgeschiedenis,
denkgeweld,
geschiedenis als vak,
illusies,
Israël,
Joodse traditie,
kennis,
Nee zeggen,
verandering,
wetenschap
Posted by
Naud van der Ven
op
10:32
woensdag 3 februari 2010
Geschiedenis als exacte wetenschap
Hoewel Herman Philipse niet een van mijn favoriete denkers is, hoorde ik laatst een fragment van hem over de glibberigheid van veel godsdienst waar ik wel mee kon instemmen. In dat fragment legt hij uit dat de stroming van de logisch positivisten godsdienstige uitspraken voor onmogelijk houdt. Althans, zinvolle godsdienstige uitspraken. Want, zeggen zij en Philipse, uitspraken zijn alleen zinvol als ze empirisch beslisbaar zijn. Je moet dus aan de hand van waarneembare verschijnselen kunnen toetsen of een uitspraak klopt of niet. Als je zo’n toets niet kunt uitvoeren hebben die uitspraken geen betekenis.
Als je aanspraak maakt op waarheid dan komt het er volgens de logisch positivisten dus op aan je uitspraak zodanig te formuleren dat de uitspraak toetsbaar wordt. Dat kun je doen door specificaties toe te voegen. Bijvoorbeeld door, als je een voorspelling doet, zo precies mogelijk aan te geven welk verschijnsel zich gaat voordoen. Als dat zich dan voordoet heb je gelijk en anders niet. Dat levert tenminste duidelijkheid op.
Nu hebben godsdiensten vaak helemaal niet de pretentie dat soort duidelijkheid te bieden. En als ze die pretentie niet hebben dan zitten ze er niet zo mee dat Philipse hen onduidelijkheid verwijt of betekenisloosheid. Er zijn nog andere gedaanten van betekenis, zeggen die godsdiensten. Dus zij hóeven met dat verwijt ook niet te zitten.
Maar Philipse wees er ook op – en dat vond ik interessant – hoe godsdiensten soms wél die pretentie hebben uitspraken te doen over fysieke verschijnselen. Hij noemde als voorbeeld de voorspellingen van het vroege Christendom, onder andere terug te vinden in de brieven van Paulus, over een spoedig einde van de wereld. Men verwachtte dat einde binnen één generatie mee te zullen maken. Hier wordt dus een gespecificeerde, weerlegbare uitspraak gedaan, die voldoet aan de eisen die daar volgens het logisch positivisme aan gesteld mogen worden. En dat bleek, want de wereld verging niet. Dus de uitspraak werd weerlegd door de werkelijkheid.
Maar, zegt Philipse, het Christendom nam zijn verlies niet. Men stond liever niet te lang stil bij deze weerlegging van de voorspelling en schakelde over naar een ander register. Namelijk het register van onaardse betekenissen. En ook al heeft dat naar mijn idee zijn eigen bestaansrecht, ik snap best dat zo’n manoeuvre voor Philipse aanvoelt als vals spelen. Zeker omdat na deze eerste wisseling van register het switchen tussen registers doorging: de pretentie om Gods tekenen in de waarneembare werkelijkheid te kunnen aanwijzen bleef staan en daar hebben we mede de bloei van de Westerse wetenschap aan te danken. Maar die pretentie werd, als dat zo uitkwam, afgewisseld met de gedachte dat de Echte Waarheid zich onttrekt aan aardse dimensies.
Dit vind ik interessant omdat het een fundamentele oriëntatie blootlegt van het Christendom: het gaat om waarheid, en de empirische werkelijkheid vervult in die oriëntatie – soms - de rol die zij eeuwen later voor de logisch positivisten nog heeft: bewijs leveren. Alleen, als die steun uitblijft krijgt de empirie een ondergeschikte plaats en blijkt dan van slechts oppervlakkige betekenis. Juist anders dan de logisch positivisten willen.
En ook anders dan geschiedwetenschappers willen. In de geschiedwetenschappen namelijk doen, als het goed is, bevindingen er toe. De reconstructie van het verleden kan op basis van nieuwe inzichten veranderen, en zelfs grondig. Dat zie je bijvoorbeeld gebeuren in de geschiedschrijving over de Tweede Wereldoorlog of bij de Nieuwe Historici uit Israël over het ontstaan van de Joodse staat. Zo bekeken is het eigenlijk vreemd dat het logisch positivisme vooral met natuurwetenschap geassocieerd wordt . Want in de geschiedenis doet empirie er wezenlijk toe. Dat noem je toch exact?
Zie ook Het nut van geschiedenis
Labels:
Christendom,
cultuurgeschiedenis,
geschiedenis als vak,
Israël,
Nee zeggen,
New Historians,
wetenschap
Posted by
Naud van der Ven
op
21:49
zaterdag 23 januari 2010
Goudmijn
Eenzaamheid, angst en trauma’s voeden de artiest. Dat cliché deed het onder invloed van de Romantiek goed in de negentiende eeuw. Maar het doet nog steeds opgeld, met name over schrijvers wordt het nog wel gezegd. En niet ten onrechte, want Kafka en Reve putten daaruit en tot in onze tijd halen Jan Siebelink en Maarten ’t Hart stof voor hun boeken uit de trauma’s van hun Gereformeerde jeugd. De ideologische of godsdienstige opvoeding functioneert als des schrijvers goudmijn.
En dat blijft maar doorgaan. Er dient zich met Franka Treur een nieuwe generatie aan waarbij de indringende jeugdervaringen pas in de jaren tachtig zijn opgedaan. Je gelooft het bijna niet: terwijl in Amsterdam de punk hoogtij vierde, werden op het Zeeuwse platteland kinderen nog groot gebracht met bekering en uitverkiezing. Aan het einde van de twintigste eeuw kregen ze daar nog zinnetjes mee als “in een uurtje van minne wedergeboren worden”, om aan te geven hoe iemand een bekeerde kon worden. (zie Trouw van 16 januari). Een uitloper van de Moderne Devotie, live.
Misschien worden zelfs op dit moment nog ergens in Nederland dit soort trauma’s aangericht die later hun pennevruchten gaan afwerpen. In Gereformeerde, of anders wel in Islamitische of Joodse kringen. Hoe dan ook, een trauma is niet verkeerd in de schrijverij. Schrijven kun je heel goed gehandicapt doen, een psychisch of opvoedingstrauma kan zelfs in je voordeel zijn.
Voor andere kunstgenres gaat dat minder op of zelfs helemaal niet. Zeker niet voor de dans en de muziek. Dat heeft te maken met de fysieke, lichamelijke component die daarin een belangrijke rol speelt. Wil het lichaam goed meedoen, dan is een basisharmonie vereist. Als die er niet is krijg je tot die artistieke velden niet eens toegang. Een beetje trauma vertaalt zich al gauw in een hardnekkig spanninkje hier of een irritante blokkade daar. Het kan in je nek gaan zitten of in je schouders of in je vingers. Maar het effect zal altijd te horen of te zien zijn: trillers komen er niet uit, bewegingen vloeien niet, de ademhaling stokt of de handen zijn krampachtig.
Dat wil niet zeggen dat muzikanten niet dezelfde dramatiek of pijn of schrilheid tot uitdrukking kunnen brengen in hun muziek als schrijvers doen in hun taal. Maar het feit dat zij hun instrument met succes bespelen impliceert dat zij ergens diep van binnen uitgerust zijn met een vanzelfsprekende moeiteloosheid zoals Kafka die, denk ik, nooit gekend heeft.
Muziek zal daarom altijd voor de helft verworteld blijven in de klassieke, pre-romantische wereld van Plato, waar evenwicht en kosmische harmonie de trefwoorden zijn. Anders krijg je niet eens een sociaal aanvaardbaar geluid uit die klarinet of die viool. De literatuur, met hoeveel lichamelijke kramp ook op papier gezet, kan zich van die wortels geheel loszingen en tegelijkertijd respectabel blijven.
Zie ook Je peux (pas)
Labels:
Christendom,
cultuurgeschiedenis,
kunst,
literatuur,
Plato,
vakmanschap
Posted by
Naud van der Ven
op
07:35
vrijdag 15 januari 2010
Vooruit, vooruit
Balkenende is geen echte leider, meent Hans Goslinga gisteren in Trouw. Want, zegt hij, een echte leider schept ruimte voor tegenspraak, is bereid zijn eigen opstelling van een afstand te bekijken en gebruikt in het openbaar bij voorkeur enigszins relativerende taal.
Maar ik weet niet of dat waar is. Balkenende voldoet namelijk precies aan het leidersprofiel dat in mijn jeugd – en waarschijnlijk ook in de zijne – als ideaal werd gepresenteerd. Dat kwam zo uit boeken als De Scheepsjongens van Bontekoe, vermengd met uit de levensbeschouwing afkomstige deugden. Trefwoorden in dat profiel waren vastberadenheid, onverstoorbaarheid, frontaal in de aanval, niet terugkijken maar doorgaan.
Balkenende heeft zich dat profiel met overtuiging eigen gemaakt. Ferm zal hij zijn, en monter in zijn strijdlust. Hij laat zich niet afleiden van de gigantische opdrachten die voor hem liggen. Vooruit, vooruit met de blik op de steven gericht, zoals voorheen de pioniers van de VOC dat deden. Daarmee voldoet hij bijna voorbeeldig aan het leiderschapsideaal van vijftig jaar geleden.
Voor de beoordeling van Balkenende als leider hangt dus veel af van het leiderschapsmodel dat je hanteert. Want dat er sinds de jaren vijftig en zestig ook andere opvattingen over leiderschap zijn bijgekomen is wel duidelijk voor iedereen die daar ooit een boekje over gelezen heeft. In de meeste huidige managementboeken over dat onderwerp wordt veel aandacht besteed aan het vermogen tot empathie, zelfrelativering, fouten durven toegeven en echte communicatie. Meer dus van de kenmerken die Goslinga noemt. En het is waar dat Balkenende daar niet goed op scoort. De nieuwe leiderschapopvattingen lijken voor een groot deel aan hem voorbij te zijn gegaan.
Waarschijnlijk zit zijn met de paplepel meegekregen leiderschapsmodel hem daarbij in de weg. Er zijn een zekere reflexiviteit en rust voor nodig om je de nieuwe opvattingen eigen te maken. En als het een deugd is om juist niet om te kijken, wordt dat moeilijk. Reflectie houdt je dan alleen maar af van belangrijkere zaken.
Wat hem ook in de weg kan zitten, is een in Nederland bijna zeldzaam geworden overtuiging van levensbeschouwelijke oorsprong. Het geloof namelijk in een dieperliggende, sluitende en rechtvaardige goddelijke ordening van deze wereld. Dat hij daarin gelooft straalt hij uit. Hij is zich van geen kwaad of existentiële onrust bewust. Hij is er oprecht van overtuigd dat als je maar van goede wil bent, uiteindelijk alles goed zit. En hij is van goede wil, dus dan niet meer moeilijk doen over de 4993 Irakese doden van 2009.
Waarschijnlijk geeft dat hem de kracht om maar door te buffelen waar anderen allang afgehaakt zouden hebben. Maar het maakt ook dat hij zo weinig reflexief is dat anderen dat niet meer kunnen pruimen. Zijn kracht is zijn zwakte.
Intrigerend is, dat dat gebrek aan reflexiviteit al eerder aan de dag is getreden. Bijvoorbeeld in de manier waarop hij kritische journalisten afhoudt, of de instelling van een Irak-onderzoekscommissie traineerde. Maar dat heeft Nederland niet belet om Balkenende al acht jaar aan het roer te laten van de Nederlandse samenleving. Wat zegt dat over dit land met al zijn vrijgevochten individuen, die intuïtief een behoorlijke afstand voelen tot Balkenende’s stijl en wereldbeeld? Zijn we, met onze weerzin daartegen, ondertussen wel zo pragmatisch dat we deze niet kapot te krijgen jongen van Jan de With graag het werk laten doen?
Of hebben we deep down allemaal nog een soort heimelijke verwantschap met, of verlangen naar de diepere wereldorde die Balkenende zo onwankelbaar maakt? Hoe dan ook, hij belichaamt waarden uit een vervlogen tijdperk en we maken er met zijn allen dankbaar gebruik van. Want wie wil er nu Balkenende zijn en doen wat hij doet?
Zie ook Individualisering en Bos, Balkenende en Calvijn
Labels:
beelden,
Christendom,
communicatie,
leiderschap,
management,
naïviteit,
Plato
Posted by
Naud van der Ven
op
11:23
zondag 10 januari 2010
Out of place
Het heeft soms wel wat om geheel out of place te zijn. Om woorden en zinnetjes te gebruiken die voor de toehoorder aanvoelen als niet passend bij de activiteiten of het gesprek waar men mee bezig is. En dan niet omdat je niet begrijpt waar die activiteiten of dat gesprek over gaan, maar omdat je heel bewust andere woorden en zinnetjes wilt zeggen. Levinas deed dat in zijn uiteenzettingen met andere filosofen, omdat hij nieuwe taal de filosofie wilde binnenbrengen.
Ik zelf probeer dat te doen in de workshop Denken voor een ander. Daarin komt ter sprake dat de taal die in arbeidsorganisaties wordt gesproken vaak voorbijgaat aan fundamentele ervaringen van medewerkers. Vervolgens heb ik het over het ‘geweld’ dat organisatoren op die manier hun medewerkers aandoen. En over de ‘kwetsuur’ die dat aanricht en het ‘verdriet’ van mensen die dat ondergaan.
Soms zie ik dan aan de deelnemers van de workshop dat dit hen te veel wordt. Kom op man, we hebben het over organisaties en over in alle vrijheid en redelijkheid aangegane arbeidsverhoudingen! Daar hoort een ander vocabulaire bij. Het vocabulaire van professionaliteit, redelijkheid, volwassenheid. En als we dan per se iets ethisch of moreels in organisaties willen doen, dan doen we dat wel met morele codes en procedures.
Probleem is dat dat laatste niet zo veel effect lijkt te hebben. Van procedures word je niet warm, ook al is de verontwaardiging over bonusjagers en gesjoemel nog zo groot. “Dat moet toch niet kunnen” zeggen mensen, en vervolgens nemen ze hun toevlucht tot procedurele taal, tot fatsoensnormen en wetjes. Ze laten zichzelf erbuiten.
Vroeger had je rijkere taal om met elkaar over zulke dingen te praten, zegt de ethicus Theo Boer. Want binnen de zuilen heerste een zekere consensus over het goede leven. Dat bood een bepaalde beschutting en zo konden woorden gebruikt worden die bij moraal horen. Na het omvallen van de zuilen staat er alleen nog maar een soort cascomoraal overeind, een bijna technocratisch minimum voor iedereen, waarin zelfs woorden als respect en tolerantie al gauw lege kreten of soms commando’s worden.
Ik snap wat Boer bedoelt: over moraal moet je praten, je moet met verhalen kunnen komen, en je moet kunnen botsen met elkaar. Maar zijn nostalgie naar vroeger deel ik niet, want binnen de zuilen waren ook een heleboel verhalen juist niet welkom, zoals die van homosexuelen of van gescheiden mensen. De minimale cascomoraal voelt voor velen van hen waarschijnlijk nog steeds aan als een bevrijding.
Blijft staan dat binnen de zuilen wel woorden gebruikt werden die je, volgens filosoof Edith Brugmans, niet kunt missen als je het over moraal wilt hebben: “Morele woorden als pijn en offer hoor ik niet vaak meer” Er is volgens haar op dit vlak veel vocabulaire onmacht, want met de procedurele taal alleen red je het niet.
Vandaar die eigenzinnige taal van mijn workshops. Ik denk dat er niks anders op zit dan dat we woorden als ‘geweld’, ‘pijn’, ‘verdriet’, ‘kwetsuur’ leren gebruiken in gewone alledaagse situaties. Dus ook binnen organisaties, want ze zitten vol van geweld, pijn, verdriet en kwetsuren.
Zie ook Lekker irrationeel
Labels:
de ander,
dialoog,
discussiecultuur,
Levinas,
management,
pluraliteit,
rede en ervaring
Posted by
Naud van der Ven
op
08:43
Abonneren op:
Posts (Atom)